Zondag 24 Mei 2009 Avonddienst

649 views

Published on

Published in: Spiritual
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
649
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1
Actions
Shares
0
Downloads
2
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Zondag 24 Mei 2009 Avonddienst

  1. 1. Welkom bij deze avonddienst Voorganger: ds Wiekeraad Organist: Johannes Thema: 2 Koningen 3 : 1 t/m 27
  2. 2. Kom, Heilge Geest, Gij vogel Gods Gezang 250
  3. 3. 1 Kom, Heilge Geest, Gij vogel Gods, daal neder waar Gij wordt verwacht. Verschijn, Lichtengel, in de nacht van onze geest, verward en trots.
  4. 4. 2 Waar Gij niet zijt, is het bestaan, is alle denken, alle doen zo leeg en woest, zo dood, als toen Gij, Geest, nog niet waart uitgegaan.
  5. 5. 3 Er is geen licht dan waar Gij zijt, uw vleugels breidt, uw vleugels strekt, geen leven, dan waar Gij het wekt in een gemis dat naar U schreit.
  6. 6. 4 Hoor, Heilge Geest, wij roepen U! Kom, wees aanwezig in het woord; wek onze geest, opdat hij hoort, wek ons tot leven, hier en nu.
  7. 7. 5 O Heilge Geest, wij zijn verblijd: Gij immers, eeuwig ondoorgrond, legt zelf dit lied ons in de mond, ten teken dat Gij bij ons zijt.
  8. 8. Welkom bij deze avonddienst Voorganger: ds Wiekeraad Organist: Johannes Thema: 2 Koningen 3 : 1 t/m 27
  9. 9. Kom, Heilge Geest, Gij vogel Gods Psalm 27 Vers 1 en 2
  10. 10. 1 Mijn licht, mijn heil is Hij, mijn God en HERE! Waar is het duister dat mij onheil baart? Mijn hoge burcht is Hij, niets kan mij deren, in zijn bescherming ben ik wel bewaard!
  11. 11. Of zich de boosheid tegen mij verbindt en op mij loert opdat zij mij verslindt, ik ken geen angst voor nood en overval: het is de HEER die mij behouden zal!
  12. 12. 2 Eén ding slechts kan ik van den HEER verlangen, dit ene: dat zijn gunst mij eenmaal geev' Hem dagelijks te loven met gezangen, te wonen in zijn huis zolang ik leef!
  13. 13. Hoe lieflijk straalt zijn schoonheid van omhoog. Hier weidt mijn ziel met een verwonderd oog, aanschouwende hoe schoon en zuiver is zijn licht, verlichtende de duisternis.
  14. 14. Kom, Heilge Geest, Gij vogel Gods Psalm 27 Vers 4
  15. 15. Zoals Gij eenmaal mijn geroep verhoorde, zo spreek weer tot uw knecht en geef hem licht. Mijn hart zegt stil de liefelijke woorden die Gij eens zeide: quot;Zoek mijn aangezichtquot;.
  16. 16. Uw aangezicht, ik wil het zoeken, HEER! Verberg het niet, beproef mij niet te zeer! Ik hoop geen heil dan Gij voor mij bewaart, ik smacht naar 't uur dat Gij U openbaart!
  17. 17. Jezus neemt de zondaars aan Gezang 436 Vers 1, 2 en 4
  18. 18. 1 Jezus neemt de zondaars aan. Roept dit troostwoord toe aan allen die verdwaald, van Hem vandaan, in het donker struiklen, vallen. Hij leert hun zijn wegen gaan: Jezus neemt de zondaars aan.
  19. 19. 2 Hoopt op Hem, heft op uw hoofd, want Hij houdt - dat staat geschreven - wat Hij aan ons heeft beloofd. Hij zal ons het leven geven, 't paradijs doen binnengaan: Jezus neemt de zondaars aan.
  20. 20. 4 Komt gij allen, komt tot Hem, weest niet meer bedroefd, verslagen. Jezus roept u, - hoort zijn stem, kindren van zijn welbehagen. Allen moogt gij tot Hem gaan: Jezus neemt de zondaars aan.
  21. 21. Nu bidden wij met ootmoed en ontzag Gezang 95 Vers 1 en 3
  22. 22. 1 Nu bidden wij met ootmoed en ontzag de Vader aan, wiens naam aan elk geslacht in hemel en op aarde aanzijn gaf, dat, naar zijn heerlijk wezen,
  23. 23. Hij ons de kracht des Heiligen Geestes geve en de Messias bij ons intrek neme. Zijn liefde is de grondslag van ons leven, de oorsprong van ons hart.
  24. 24. 3 Hem nu die in ons werkt en ons geleidt, die verder gaat dan al ons bidden reikt en meer is dan ons diepste denken peilt, zij heerlijkheid en glorie
  25. 25. in de gemeente die Hij heeft verkoren, in elk geslacht dat van zijn naam zal horen, door Jezus Christus, nu gelijk tevoren en tot in eeuwigheid.
  26. 26. Dankt, dankt nu allen God Gezang 44 Vers 1, 2 en 3
  27. 27. 1 Dankt, dankt nu allen God met hart en mond en handen, die grote dingen doet hier en in alle landen, die ons van kindsbeen aan, ja, van de moederschoot, zijn vaderlijke hand en trouwe liefde bood.
  28. 28. 2 Die eeuwig rijke God moge ons reeds in dit leven een vrij en vrolijk hart en milde vrede geven. Die uit genade ons behoudt te allen tijd, is hier en overal een helper die bevrijdt.
  29. 29. 3 Lof, eer en prijs zij God die troont in 't licht daarboven. Hem, Vader, Zoon en Geest moet heel de schepping loven. Van Hem, de ene Heer, gaf het verleden blijk, het heden zingt zijn eer, de toekomst is zijn rijk.
  30. 30. Zonne der gerechtigheid, Gezang 313 Vers 1, 4, 5 en 7
  31. 31. 1 Zonne der gerechtigheid, ga ons op in deze tijd, opdat al wat leeft de dag in uw kerk aanschouwen mag. Erbarm U, Heer.
  32. 32. 4 Open overal de poort, Heer, voor uw voortvarend woord, win elk volk met stille kracht voor uw rijk, - verdrijf de nacht! Erbarm U, Heer.
  33. 33. 5 Geef geloof aan wie Gij zendt, hoop en liefde, dat op 't eind wat met tranen werd gezaaid met gejuich mag zijn gemaaid. Erbarm U, Heer.
  34. 34. 7 Alle eer en macht en kracht worde, Heer, U toegebracht; heel de mensheid stemme saam in de drieklank van uw naam. Erbarm U, Heer.
  35. 35. Zegen
  36. 36. Ik weet, aan wie ik mij vertrouwe, Gezang 390 Vers 3
  37. 37. 3 Ik weet, aan wie ik mij vertrouwe, al wisselen ook dag en nacht. Ik ken de rots waarop ik bouwe: hij feilt niet, die uw heil verwacht.
  38. 38. Eens aan de avond van mijn leven breng ik, van zorg en strijden moe, voor elke dag, mij hier gegeven, U hoger, reiner loflied toe.
  39. 39. Een fijne avond en een gezegende week
  40. 40. 2 Koningen 3 : 1 t/m 27
  41. 41. 1 Joram, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria in het achttiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaar. 2 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN; echter niet zoals zijn vader en zijn moeder: hij verwijderde de gewijde steen van Baäl, die zijn vader gemaakt had.
  42. 42. 3 Alleen volhardde hij in de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven; daarvan week hij niet af. 4 Mesa nu, de koning van Moab, was een schapenfokker; hij bracht aan de koning van Israël honderdduizend lammeren op en de wol van honderdduizend rammen.
  43. 43. 5 Maar zodra Achab gestorven was, viel de koning van Moab van de koning van Israël af. 6 Koning Joram trok te dien dage op uit Samaria en monsterde geheel Israël.
  44. 44. 7 En hij zond tot Josafat, de koning van Juda, deze boodschap: De koning van Moab is van mij afgevallen; trekt gij met mij tegen Moab ten strijde? En hij antwoordde: Ik zal optrekken, ik ben als gij, mijn volk is als uw volk, mijn paarden zijn als uw paarden.
  45. 45. 8 Ook vroeg hij: Langs welke weg zullen wij optrekken? En hij antwoordde: In de richting van de woestijn van Edom. 9 Zo ging de koning van Israël op weg met de koning van Juda en de koning van Edom. Maar toen zij zeven dagreizen rondgetrokken hadden, was er geen water voor het leger en de lastdieren die hen volgden.
  46. 46. 10 Toen zeide de koning van Israël: Ach, voorzeker heeft de HERE deze drie koningen geroepen om hen in de macht van Moab te geven! 11 Maar Josafat vroeg: Is hier geen profeet des HEREN om door hem de HERE te raadplegen? Toen antwoordde een van de dienaren van de koning van Israël en zeide: Hier is Elisa, de zoon van Safat, die water op Elia’s handen goot.
  47. 47. 12 En Josafat zeide: Bij hem is het woord des HEREN. Daarop gingen de koning van Israël en Josafat, en de koning van Edom naar hem toe. 13 Maar Elisa zeide tot de koning van Israël: Wat heb ik met u te doen? Ga naar de profeten van uw vader en naar die van uw moeder.
  48. 48. Doch de koning van Israël zeide tot hem: Neen, want de HERE heeft deze drie koningen geroepen om hen in de macht van Moab te geven. 14 Toen zeide Elisa: Zo waar de HERE der heerscharen leeft, in wiens dienst ik sta, als ik geen rekening wilde houden met Josafat, de koning van Juda, dan zou ik op u geen acht slaan of naar u omzien.
  49. 49. 15 Nu dan, haalt mij een citerspeler. En het geschiedde, toen de citerspeler speelde, dat de hand des HEREN op hem kwam. 16 En hij zeide: Zo zegt de HERE: men make in dit dal vele greppels,
  50. 50. 17 want zo zegt de HERE: gij zult geen wind voelen en geen stortregen zien; toch zal dit dal vol water lopen, zodat gij kunt drinken, gij met uw vee en uw lastdieren. 18 En ook is dit nog maar een kleine zaak in de ogen des HEREN: Hij zal bovendien Moab in uw macht geven,
  51. 51. 19 zodat gij alle versterkte steden, de keur der steden zult innemen en alle goede bomen vellen en alle waterbronnen dichtstoppen en alle goede akkers met stenen bederven. 20 De volgende morgen, juist bij het brengen van het offer, zie daar kwam water uit de richting van Edom, zodat het land vol water liep.
  52. 52. 21 Toen al de Moabieten gehoord hadden, dat de koningen opgetrokken waren om tegen hen te strijden, werden allen bijeengeroepen, die nog de krijgsgordel konden aangorden, ja ook nog ouderen; en zij stelden zich op aan de grens. 22 De volgende morgen vroeg, toen de zon over het water opging, zagen de Moabieten het water tegenover zich rood als bloed;
  53. 53. 23 en zij zeiden: Dat is bloed! De koningen zijn voorzeker met elkander in strijd geraakt en hebben elkander verslagen. Nu dan, Moabieten, aan de buit! 24 Maar, toen zij bij de legerplaats van Israël kwamen, stonden de Israëlieten op en versloegen de Moabieten, zodat dezen voor hen op de vlucht gingen; en zij drongen op en versloegen de Moabieten.
  54. 54. 25 De steden verwoestten zij, op alle goede akkers wierp ieder zijn steen, zodat zij ze daarmee geheel bedekten; alle waterbronnen stopten zij dicht, en alle goede bomen velden zij, totdat men alleen in Kir-Chareset de stenen had laten overblijven. Toen slingeraars het omsingelden en beschoten,
  55. 55. 26 zag de koning van Moab dat de strijd hem te machtig werd; hij nam met zich zevenhonderd mannen die het zwaard konden voeren, om door te breken in de richting van de koning van Edom; maar zij konden het niet.
  56. 56. 27 Daarop nam hij zijn eerstgeboren zoon, die in zijn plaats koning zou worden, en offerde hem ten brandoffer op de muur. Toen kwam een grote toorn over Israël, zodat zij van hem wegtrokken en naar hun land terugkeerden.

×