Presentatietechniek
Na deze bijeenkomst ken je:
• Drie belangrijke basis aspecten van een
presentatie.
• 4 competentieniveaus
• Opbouw van een presentatie.
• Verschillende soorten presentaties.
• Het belang van goede doelstellingen.
• Diverse hulpmiddelen.
• 6 belangrijke aspecten bij het uitvoeren van een
presentatie.
3 belangrijke aspecten
• Presentatie constructie
• Speech-presentatie
• Stress management.
Speech presentatie
Onbewust-
fout
Bewust-fout-
fase
Bewust-goed-
fase
Onbewust-goed-
fase
Stress management
• Wees als eerste aanwezig, “ lees” je publiek.>
• Houdt oogcontact, “voorhoofdperspectief”
• Oefenen, oefenen!
• Bereidt je goed voor:
– Wat weet je publiek?
– Samenstelling van je publiek
– Betrokkenheid?
– Vooringenomenheid, vooroordelen?
– Verwachtingen?
– Meningen?
3 soorten presentaties
• Informatieve presentatie
– Een les, een referaat, lezing dus informatie overdracht.
• Overtuigende presentatie
– Kick-off meeting, pleidooi, verkooppraatje dus het publiek
over halen iets te doen.
• Gelegenheidspresentatie
– Jubileum, begrafenis, introductie van iemand dus ter
opluistering van……….
Presentatie constructie
• Een goede voorbereiding is het halve werk!
– De inleiding: trek de aandacht!
– De kern: dat wat je te vertellen hebt, de rode draad!
– Het slot
De inleiding: aandacht trekken
• Aandachtstrekker> aandacht van je publiek winnen
op een manier die past bij je publiek. Positieve
aandacht en relevant voor de presentatie!
• Niet:
– Hoewel in mij niet voorbereid heb……
– Ik ben niet gewend…….
– Ik MOET een presentatie houden………
– Ik hoop dat u mijn presentatie goed vindt……
– Clichés
• Vertel wat je gaat vertellen.
De inleiding: oriëntatie
• Het overzicht, het hoe en waarom.
– I= Wat is het belang voor het gehoor?
– N=Welke behoefte hebben ze mbt de info?
– T= Hoe lang gaat het duren?
– R= Wanneer mag het publiek vragen stellen?
– O= Wat is het doel van de presentatie? Hoe
helderder(smart) je doelstelling hoe minder je uitweid.
I= interest, N=need, T=time, R=respond, O=objective
De Kern
vertel het
• Kom snel “to the point”, belangrijke punten voor
in je presentatie.
• Denk om je rode draad.
• Houdt de luisteraars bij de “les”
Het slot.
Vertel wat je verteld hebt.
• Korte samenvatting van het vertelde met koppeling naar
het doel.
• Eindig actief:
– Een verwachting
– Een voorbeeld
– Wat moet he publiek doen met je presentatie
Maak het overtuigend
• Niet:
– Ik weet niet meer…..
– Ik kan maar beter stoppen……..
– “ nou dat was het denk ik……..?”
Hulpmiddelen
• Een plaatje zegt meer dan 1000 woooorden.
• Stress reductie.
• Hulpmiddelen moeten passen bij het presentatie
doel.
• Materiaal rondgeven?
• Powerpoint? Heb je die echt nodig?
hulpmiddelen
• Ondersteuning
• Beeldend
• Trefwoorden
• Goed zichtbaar
• Apparatuur in orde
• Goede verlichting
• Werkt alles dat je
nodig hebt?
• Voorzorgsmaatregele
n
• Nogmaals:
hulpmiddel!
Presenteren: houding en beweging
• Oogcontact met het hele publiek.
• Lichaamsrichting: 0 graden.
• Uitgangshouding: neutraal, open
• Gebaren: intentioneel om te “ onderstrepen”
• Gebaren: friemelen, krabben,spelen met pen
• Voeten: stabiel, gewicht op beide voeten.
• Stem: variatie!
Vragen stellen aan het publiek.
• Stel vragen om je publiek erbij te betrekken.
• Je kunt vragen stellen om meningen te krijgen en
om informatie te verkrijgen.
• De vragen moeten aansluiten bij je publiek.
• Formuleer je vragen kort en kernachtig.
• Vermijdt suggestieve en gesloten vragen.
• Als je een vraag gesteld hebt houdt dan je mond.
• Als je een antwoord op een vraag niet weet?
Vragen stellen door het publiek
• Vertel wanneer het publiek vragen kan stellen.
• Vragen om vragen- op de verkeerde manier
• Vragen om vragen-op het verkeerde moment.
Vragen van het publiek
beantwoorden.
• Luister naar de inhoud(wat) en naar de
bedoeling(hoe) van de vraag.
• Erken de vraag.
• Herformuleer de vraag in eigen woorden.
(Erkenning en controle.)
• Vraag indien nodig om verduidelijking
• Beantwoord vragen kort maar compleet.
• Controleer of de vragensteller tevreden is.
Presenteren en non-verbale
communicatie.
• Doe een warming up.
– Oefen voor de spiegel, ademhalingsoefeningen, rek-
oefeningen
• Draag kleren waarin je je lekker voelt, denk daarbij
ook aan je publiek.
• Maak je zakken leeg, verwijder “speelgoed” uit je
omgeving
Presenteren en non-verbale
communicatie
• Maak je mentaal meester van de ruimte.
• Neem de juiste starthouding aan.
• Glimlach als je je voorstelt, maak oogcontact.
• Als iets werkt gebruik het! Lap desnoods elke
presentatieregel aan je laars.
Presenteren en non-verbale
communicatie
• Kijk naar je publiek, maar staar niemand aan.
• Wees alert op vragen uit je publiek. Loop naar de
vragensteller toe en herhaal de vraag.
• Vermijd inflatie van woord en gebaar.
• Vertrouw nooit volledig op je visuele
hulpmiddelen.
Presentatie afsluiten
• Hoe zorg je ervoor dat je boodschap goed
overkomt en blijft “hangen”bij je pubbliek.
• Een goed einde:
– Stimuleert vragen stellen
– Zorgt dat je publiek weet wat ze moeten gaan doen.
– Bevat, nogmaals, je belangrijkste boodschap.
– Bevestigt de luisteraar dat hij goed geluisterd heeft.
Een “slecht”einde:
• Doet je publiek vergeten waarom ze zaten te
luisteren.
• Zorgt ervoor dat je publiek weggaat zonder te weten
wat te doen.
• Van het “podium”afvluchten verlaagd de impact van
je presentatie.
• Vragen kunnen, of worden niet , gesteld

Presenteren

  • 1.
  • 2.
    Na deze bijeenkomstken je: • Drie belangrijke basis aspecten van een presentatie. • 4 competentieniveaus • Opbouw van een presentatie. • Verschillende soorten presentaties. • Het belang van goede doelstellingen. • Diverse hulpmiddelen. • 6 belangrijke aspecten bij het uitvoeren van een presentatie.
  • 3.
    3 belangrijke aspecten •Presentatie constructie • Speech-presentatie • Stress management.
  • 4.
  • 5.
    Stress management • Weesals eerste aanwezig, “ lees” je publiek.> • Houdt oogcontact, “voorhoofdperspectief” • Oefenen, oefenen! • Bereidt je goed voor: – Wat weet je publiek? – Samenstelling van je publiek – Betrokkenheid? – Vooringenomenheid, vooroordelen? – Verwachtingen? – Meningen?
  • 6.
    3 soorten presentaties •Informatieve presentatie – Een les, een referaat, lezing dus informatie overdracht. • Overtuigende presentatie – Kick-off meeting, pleidooi, verkooppraatje dus het publiek over halen iets te doen. • Gelegenheidspresentatie – Jubileum, begrafenis, introductie van iemand dus ter opluistering van……….
  • 7.
    Presentatie constructie • Eengoede voorbereiding is het halve werk! – De inleiding: trek de aandacht! – De kern: dat wat je te vertellen hebt, de rode draad! – Het slot
  • 8.
    De inleiding: aandachttrekken • Aandachtstrekker> aandacht van je publiek winnen op een manier die past bij je publiek. Positieve aandacht en relevant voor de presentatie! • Niet: – Hoewel in mij niet voorbereid heb…… – Ik ben niet gewend……. – Ik MOET een presentatie houden……… – Ik hoop dat u mijn presentatie goed vindt…… – Clichés • Vertel wat je gaat vertellen.
  • 9.
    De inleiding: oriëntatie •Het overzicht, het hoe en waarom. – I= Wat is het belang voor het gehoor? – N=Welke behoefte hebben ze mbt de info? – T= Hoe lang gaat het duren? – R= Wanneer mag het publiek vragen stellen? – O= Wat is het doel van de presentatie? Hoe helderder(smart) je doelstelling hoe minder je uitweid. I= interest, N=need, T=time, R=respond, O=objective
  • 10.
    De Kern vertel het •Kom snel “to the point”, belangrijke punten voor in je presentatie. • Denk om je rode draad. • Houdt de luisteraars bij de “les”
  • 11.
    Het slot. Vertel watje verteld hebt. • Korte samenvatting van het vertelde met koppeling naar het doel. • Eindig actief: – Een verwachting – Een voorbeeld – Wat moet he publiek doen met je presentatie Maak het overtuigend • Niet: – Ik weet niet meer….. – Ik kan maar beter stoppen…….. – “ nou dat was het denk ik……..?”
  • 12.
    Hulpmiddelen • Een plaatjezegt meer dan 1000 woooorden. • Stress reductie. • Hulpmiddelen moeten passen bij het presentatie doel. • Materiaal rondgeven? • Powerpoint? Heb je die echt nodig?
  • 13.
    hulpmiddelen • Ondersteuning • Beeldend •Trefwoorden • Goed zichtbaar • Apparatuur in orde • Goede verlichting • Werkt alles dat je nodig hebt? • Voorzorgsmaatregele n • Nogmaals: hulpmiddel!
  • 14.
    Presenteren: houding enbeweging • Oogcontact met het hele publiek. • Lichaamsrichting: 0 graden. • Uitgangshouding: neutraal, open • Gebaren: intentioneel om te “ onderstrepen” • Gebaren: friemelen, krabben,spelen met pen • Voeten: stabiel, gewicht op beide voeten. • Stem: variatie!
  • 15.
    Vragen stellen aanhet publiek. • Stel vragen om je publiek erbij te betrekken. • Je kunt vragen stellen om meningen te krijgen en om informatie te verkrijgen. • De vragen moeten aansluiten bij je publiek. • Formuleer je vragen kort en kernachtig. • Vermijdt suggestieve en gesloten vragen. • Als je een vraag gesteld hebt houdt dan je mond. • Als je een antwoord op een vraag niet weet?
  • 16.
    Vragen stellen doorhet publiek • Vertel wanneer het publiek vragen kan stellen. • Vragen om vragen- op de verkeerde manier • Vragen om vragen-op het verkeerde moment.
  • 17.
    Vragen van hetpubliek beantwoorden. • Luister naar de inhoud(wat) en naar de bedoeling(hoe) van de vraag. • Erken de vraag. • Herformuleer de vraag in eigen woorden. (Erkenning en controle.) • Vraag indien nodig om verduidelijking • Beantwoord vragen kort maar compleet. • Controleer of de vragensteller tevreden is.
  • 18.
    Presenteren en non-verbale communicatie. •Doe een warming up. – Oefen voor de spiegel, ademhalingsoefeningen, rek- oefeningen • Draag kleren waarin je je lekker voelt, denk daarbij ook aan je publiek. • Maak je zakken leeg, verwijder “speelgoed” uit je omgeving
  • 19.
    Presenteren en non-verbale communicatie •Maak je mentaal meester van de ruimte. • Neem de juiste starthouding aan. • Glimlach als je je voorstelt, maak oogcontact. • Als iets werkt gebruik het! Lap desnoods elke presentatieregel aan je laars.
  • 20.
    Presenteren en non-verbale communicatie •Kijk naar je publiek, maar staar niemand aan. • Wees alert op vragen uit je publiek. Loop naar de vragensteller toe en herhaal de vraag. • Vermijd inflatie van woord en gebaar. • Vertrouw nooit volledig op je visuele hulpmiddelen.
  • 21.
    Presentatie afsluiten • Hoezorg je ervoor dat je boodschap goed overkomt en blijft “hangen”bij je pubbliek. • Een goed einde: – Stimuleert vragen stellen – Zorgt dat je publiek weet wat ze moeten gaan doen. – Bevat, nogmaals, je belangrijkste boodschap. – Bevestigt de luisteraar dat hij goed geluisterd heeft.
  • 22.
    Een “slecht”einde: • Doetje publiek vergeten waarom ze zaten te luisteren. • Zorgt ervoor dat je publiek weggaat zonder te weten wat te doen. • Van het “podium”afvluchten verlaagd de impact van je presentatie. • Vragen kunnen, of worden niet , gesteld