Doel
- Leren makenvan een trainingsschema;
- Kennis vergroten over trainingsprincipes
- Kennis vergroten over energiesystemen;
- Kennis vergroten over gezondheidsaspecten;
- Inzicht in lichaamskenmerken en het omzetten naar
trainingsdoeleinden;
- Leren meten van je eigen fitheid;
- Verschil leren herkennen tussen kracht- en cardiotraining;
- Het leren opbouwen van een training.
3.
Wat is trainen?
Middelwaardoor het lichaam zich (na herstel) verbetert
ten opzichte van voor de training
Meten-Trainen-Meten
4.
Opbouw
- Opdracht 4a:kennis opdoen;
- Opdracht 4b: beweeg ik wel genoeg;
- Opdracht 5a: 0-meting (kijken hoe je ervoor staat);
- Opdracht 5b: maken van het trainingsschema (FITT – principe),
trainen, eindmeting en conclusie;
- Mondeling (verdedigen van je trainingsschema).
Opdracht 5b
Uitgangspunten trainingsschema
-Na arbeid volgt rust (supercompensatie):
- (F) 3 keer in de week is een must om resultaat te verkrijgen;
- (I) kun je op verschillende manieren bepalen. We willen een objectieve
meting, dus percentage van je maximale hartfrequentie, of bij
krachtraining percentage van je maximale kracht;
- (T) Voorbeeld: 2 series van 10 > 2 series van 15 > 3 series van 10 >
series van 15;
- (T) Uitleg en plaatjes.
12.
Energiesystemen
Anaëroob Aëroob
Creatinefosfaat
systeem(alactisch)
- CPsysteem;
- Ligt opgeslagen in de cellen;
- Direct voorhanden;
- Snel uitgeput (0-6 seconden).
Melkzuursysteem (lactisch)
- Glucose
- Voor directe maximale
inspanning tot 1 minuut;
- Restproduct melkzuur
Zuurstof systee
- Glucose + zuurstof
- Maximale inspanning duurt
langer
dan 1 minuut;
- Duurt lang voordat het systeem
op gang komt;
- Lang te gebruiken
- Levert veel ATP
- Waarde voor energie:
ATP (Adenosine TriFosfaat)
Editor's Notes
#6 Verdiepingsstof alleen voor het VWO, zowel bij de vragen als de theorie uit het boek