moeten
have to moeten
I have to do it myself. (moet …)
I had to get up during the night. (moest …)
You’ll have to tell them. (zal moeten …)
don’t have to niet hoeven
You don’t have to work. (hoeft niet …)
Mom didn’t have to take an aspirin. (hoefde niet …)
They won’t have to help. (zullen niet hoeven)
some and any
Betekenis: enige / enkele / een paar
Gebruik:
Some: - bevestigende zinnen
- vraagzinnen  antwoord: ja
Any: - ontkennende (not) zinnen
- vraagzinnen  antwoord: ?
Samenstellingen:
somebody/anybody
someone/anyone
something/anything  ding
somewhere/anywhere  plaats
persoon
what or which
Gebruik:
Which: beperkte keuze
Which bike is yours, the blue or
the red one?
What: Onbeperkte keuze
What music do you like?
Vergelijken
Bij woorden met maar één lettergreep:
small (1)
+ …er than smaller than (2)
+ the …est the smallest (3 of meer)
Bij woorden met 3 of meer lettergrepen:
beautiful (1)
+ more … than more beautiful than (2)
+ the most … the most beautiful
(3 of meer)
Bij woorden met 2 lettergrepen:
Bij woorden met 2 lettergrepen gaat het om
de uitgang:
Vorm 1 krijg je bij: leerowysome-woorden
Vorm 2 krijg je bij de rest
leerowysome woorden zijn woorden die
eindigen op:
-le simple
-er clever
-ow narrow
-y happy
-some handsome
Past perfect
Gebruik: iets gebeurde in het verleden voordat er iets
anders gebeurde.
Je kunt de past perfect alleen gebruiken als er
ook een past simple in de zin staat.
Vorm: had + voltooid deelwoord
The pupil said he had done his homework.
myself, yourself, etc.
Gebruik: om iets met nadruk te zeggen.
I did it myself. We did it ourselves.
You did it yourself. You did it yourselves.
He did it himself. They did it themselves.
She did it herself.
kunnen
 I am not able to explain the mystery. (T.T.)
( … kan .. niet verklaren.)
He was not able to find the plane. (V.T.)
(… kon niet vinden.)
It is unlikely that rescuers will be able to find the black
box. (Toekomst)
(… zullen kunnen vinden.)
myself, yourself, etc.
Gebruik: om iets met nadruk te zeggen.
I did it myself. We did it ourselves.
You did it yourself. You did it yourselves.
He did it himself. They did it themselves.
She did it herself.
Bijvoeglijk naamwoord vs. bijwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Gebruik: een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig
naamwoord.
Het geeft antwoord op de vraag ‘Wat voor …?’
It really is a sad situation.
Bijwoord
Gebruik: een bijwoord geeft antwoord op de vraag ‘Hoe …?’
She is always beautifully dressed.
Vorm: bijwoord = bijvoeglijk naamwoord + ly
Uitzonderingen:
Bijvoeglijk naamwoord Bijwoord
good well
fast fast
hard hard
late late
Bijwoorden
Bijwoorden zijn woorden als:
just (alleen maar), always (altijd), nearly (bijna), still (nog steeds), often (vaak),
never (nooit), etc.
Bijwoorden zijn woorden als:
just (alleen maar), always (altijd), nearly (bijna), still (nog steeds), often (vaak),
never (nooit), etc.
Bijwoorden geven aan ‘hoe …’ iets gebeurd
Bijwoorden zijn woorden als:
just (alleen maar), always (altijd), nearly (bijna), still (nog steeds), often (vaak),
never (nooit), etc.
Bijwoorden geven aan ‘hoe …’ iets gebeurd
Plaats van het bijwoord in de zin:
één werkwoord in de zin?  Het bijwoord komt voor het
werkwoord.
Bijwoorden zijn woorden als:
just (alleen maar), always (altijd), nearly (bijna), still (nog steeds), often (vaak),
never (nooit), etc.
Bijwoorden geven aan ‘hoe …’ iets gebeurd
Plaats van het bijwoord in de zin:
één werkwoord in de zin?  Het bijwoord komt voor het
werkwoord.
twee werkwoorden in de zin?  Het bijwoord komt tussen de
werkwoorden in.
Bijwoorden zijn woorden als:
just (alleen maar), always (altijd), nearly (bijna), still (nog steeds), often (vaak),
never (nooit), etc.
Bijwoorden geven aan ‘hoe …’ iets gebeurd
Plaats van het bijwoord in de zin:
één werkwoord in de zin?  Het bijwoord komt voor het
werkwoord.
twee werkwoorden in de zin?  Het bijwoord komt tussen de
werkwoorden in.
is het werkwoord een vorm van ‘to be’?  Het bijwoord komt achter
het werkwoord.
Plaats voor tijd
Waar (plaats) iets gebeurt komt altijd voor
wanneer (tijd) iets gebeurt.
He had been drinking in a bar the night before.
The planes disappeared in the Bermuda Triangle in 1945.

Grammarunit5

  • 2.
  • 3.
    have to moeten Ihave to do it myself. (moet …) I had to get up during the night. (moest …) You’ll have to tell them. (zal moeten …) don’t have to niet hoeven You don’t have to work. (hoeft niet …) Mom didn’t have to take an aspirin. (hoefde niet …) They won’t have to help. (zullen niet hoeven)
  • 4.
  • 5.
    Betekenis: enige /enkele / een paar Gebruik: Some: - bevestigende zinnen - vraagzinnen  antwoord: ja Any: - ontkennende (not) zinnen - vraagzinnen  antwoord: ?
  • 6.
  • 7.
  • 8.
    Gebruik: Which: beperkte keuze Whichbike is yours, the blue or the red one? What: Onbeperkte keuze What music do you like?
  • 9.
  • 10.
    Bij woorden metmaar één lettergreep: small (1) + …er than smaller than (2) + the …est the smallest (3 of meer)
  • 11.
    Bij woorden met3 of meer lettergrepen: beautiful (1) + more … than more beautiful than (2) + the most … the most beautiful (3 of meer)
  • 12.
    Bij woorden met2 lettergrepen: Bij woorden met 2 lettergrepen gaat het om de uitgang: Vorm 1 krijg je bij: leerowysome-woorden Vorm 2 krijg je bij de rest
  • 13.
    leerowysome woorden zijnwoorden die eindigen op: -le simple -er clever -ow narrow -y happy -some handsome
  • 14.
  • 15.
    Gebruik: iets gebeurdein het verleden voordat er iets anders gebeurde. Je kunt de past perfect alleen gebruiken als er ook een past simple in de zin staat. Vorm: had + voltooid deelwoord The pupil said he had done his homework.
  • 16.
  • 17.
    Gebruik: om ietsmet nadruk te zeggen. I did it myself. We did it ourselves. You did it yourself. You did it yourselves. He did it himself. They did it themselves. She did it herself.
  • 18.
  • 19.
     I am notable to explain the mystery. (T.T.) ( … kan .. niet verklaren.) He was not able to find the plane. (V.T.) (… kon niet vinden.) It is unlikely that rescuers will be able to find the black box. (Toekomst) (… zullen kunnen vinden.)
  • 20.
  • 21.
    Gebruik: om ietsmet nadruk te zeggen. I did it myself. We did it ourselves. You did it yourself. You did it yourselves. He did it himself. They did it themselves. She did it herself.
  • 22.
  • 23.
    Bijvoeglijk naamwoord Gebruik: eenbijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Het geeft antwoord op de vraag ‘Wat voor …?’ It really is a sad situation. Bijwoord Gebruik: een bijwoord geeft antwoord op de vraag ‘Hoe …?’ She is always beautifully dressed. Vorm: bijwoord = bijvoeglijk naamwoord + ly
  • 24.
    Uitzonderingen: Bijvoeglijk naamwoord Bijwoord goodwell fast fast hard hard late late
  • 25.
  • 26.
    Bijwoorden zijn woordenals: just (alleen maar), always (altijd), nearly (bijna), still (nog steeds), often (vaak), never (nooit), etc.
  • 27.
    Bijwoorden zijn woordenals: just (alleen maar), always (altijd), nearly (bijna), still (nog steeds), often (vaak), never (nooit), etc. Bijwoorden geven aan ‘hoe …’ iets gebeurd
  • 28.
    Bijwoorden zijn woordenals: just (alleen maar), always (altijd), nearly (bijna), still (nog steeds), often (vaak), never (nooit), etc. Bijwoorden geven aan ‘hoe …’ iets gebeurd Plaats van het bijwoord in de zin: één werkwoord in de zin?  Het bijwoord komt voor het werkwoord.
  • 29.
    Bijwoorden zijn woordenals: just (alleen maar), always (altijd), nearly (bijna), still (nog steeds), often (vaak), never (nooit), etc. Bijwoorden geven aan ‘hoe …’ iets gebeurd Plaats van het bijwoord in de zin: één werkwoord in de zin?  Het bijwoord komt voor het werkwoord. twee werkwoorden in de zin?  Het bijwoord komt tussen de werkwoorden in.
  • 30.
    Bijwoorden zijn woordenals: just (alleen maar), always (altijd), nearly (bijna), still (nog steeds), often (vaak), never (nooit), etc. Bijwoorden geven aan ‘hoe …’ iets gebeurd Plaats van het bijwoord in de zin: één werkwoord in de zin?  Het bijwoord komt voor het werkwoord. twee werkwoorden in de zin?  Het bijwoord komt tussen de werkwoorden in. is het werkwoord een vorm van ‘to be’?  Het bijwoord komt achter het werkwoord.
  • 31.
  • 32.
    Waar (plaats) ietsgebeurt komt altijd voor wanneer (tijd) iets gebeurt. He had been drinking in a bar the night before. The planes disappeared in the Bermuda Triangle in 1945.