Cyriel Neefs Art In Handelingen Kring Oudheidkunde Mechelen

2,314 views
2,207 views

Published on

Cyriel Neefs (1899-1976) was een Vlaamsgezind pionier van de christelijke arbeidersbeweging, politicus van de katholieke partij in Mechelen en CVP-senator. Zijn optreden als schepen tijdens de Tweede Wereldoorlog werd na de bevrijding door de linkerzijde zwaar gecontesteerd.

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
2,314
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
3
Actions
Shares
0
Downloads
6
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Cyriel Neefs Art In Handelingen Kring Oudheidkunde Mechelen

  1. 1. 1 Gepubliceerd in: Herwig DE LANNOY, Cyriel Neefs (1899-1976), Vlaamsgezind pionier van de christelijke arbeidersbeweging, controversieel oorlogsschepen en CVP-senator, in Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, dl. 110, 2006, p. 145-205 (= ill.). CYRIEL NEEFS (1899-1976) Vlaamsgezind pionier van de christelijke arbeidersbeweging, controversieel oorlogsschepen en CVP-senator Dertig jaar geleden overleed Cyriel Neefs. Alhoewel hij naar eigen zeggen “gestadig in de schaduw heeft gewerkt van een Alfons Verbist, Philip Van Isacker, Edward Clottens en Karel Peeters”1 , toch is hij uitgegroeid tot één van de meest vooraanstaande politieke figuren van het Mechelse en daarbuiten. Onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog bouwde hij, in persoonlijk moeilijke omstandigheden wegens de vroege dood van zijn vader, mee de christelijke arbeidersbeweging over heel het arrondissement uit. Hij profileerde zich tegelijk binnen de katholieke Vlaamse studenten- en oudstudentenbeweging. Toen hij in 1926 verkozen werd tot katholiek gemeenteraadslid, werd hij meteen fractieleider. In 1931 werd hij privé- secretaris van Minister Van Isacker. Beide verantwoordelijkheden noopten hem de partijlijn gedwee te volgen, wat hij ook deed. Pas bij de partijhervorming van 1936 profileerde hij zich. In 1938, nadat Van Isacker van het politieke toneel verdween, was hij één van de architecten van een controversiële ‘grote Katholieke Concentratie’ van de katholieke partij met het Vlaams Nationaal Verbond en Rex. In de coalitie die toen aan de macht kwam, werd hij schepen en tijdens de Tweede Wereldoorlog korte tijd waarnemend burgemeester. Het lot bracht hem in de woelige dagen van de bevrijding opnieuw in de burgemeesterszetel, maar hij bleek voor de andere, vooral linkse, politieke families onaanvaardbaar wegens zijn rol als oorlogsschepen. Meteen werd hij hét symbool van een volgens zijn partijgenoten en Vlaamsgezinde medestanders te verregaande repressie. De ‘zaak-Neefs’ was een hoofdoorzaak van de langdurige oppositiekuur van de CVP, die pas eindigde in 1959, nadat het nationaal schoolpact de onverzoenlijkheid doorbroken had.2 De omvangrijke verzameling papieren van Cyriel Neefs is weliswaar geordend in 10.000 mappen (volgens Gazet van Mechelen) met documenten over politiek, sociale kwesties en het Mechelse socio- culturele leven. Maar er is geen register of systematiek, zodat zij niet ontsloten is, wat het historisch onderzoek aanzienlijk bemoeilijkt. Zij illustreert uitvoerig zijn lange politieke loopbaan als studentenleider (1918-‘22) en ACW-militant (1922-‘65), als privé-secretaris van Minister Van Isacker (1931-’38), in de Mechelse gemeenteraad (1927-‘70) en het schepencollege (1939–‘45 en 1959-‘70), in de Commissie van Openbare Onderstand (1933-‘59) en in de senaat (1946-‘65). Bovendien geeft zij een uniek inzicht in het leven van een flamboyant figuur in het bruisende Vlaamse, sociaal-culturele en politieke leven in het Mechelse van ruim driekwart van de twintigste eeuw. Tenslotte vult zij een leemte in het historisch bronnenonderzoek omdat vele papieren van de andere tenoren zoals de ministers Philip Van Isacker en Alfons Verbist verloren gegaan zijn. De papieren werden door de weduwe en later door kleinzoon Pieter Neefs in de ouderlijke woning zorgvuldig bewaard.3 Zo vader zo zoon… Vader Gommarus ‘Gommaar’ Neefs werd geboren te Mechelen op 29 september 1873, en huwde er op 12 oktober 1897 met Prudencia Laerenbergh. Hij startte als glasschildersgast in loondienst en bouwde als glazenier en loodzetter een eigen zaak uit. Hij was beheerder van de Mechelse St.- Lambertusvakscholen, de voorloper van de Technische Scholen Mechelen. Vanuit de Katholieke Werkmanskring van Mechelen, die sinds 1885 actief was, engageerde hij zich in de mutualistische kringen die vanaf dan veelvuldig ontstonden: hij was stichter en schatbewaarder van de Ziekenkas en schatbewaarder van de Herverzekeringskas van de Werkmanskring. Hij was ook bestuurder van het Ouderlingenfonds van het ‘Christen Verbond van Onderlingen Bijstand’, dat 49 onderstandsmutualiteiten en 21 pensioenkassen vanaf 1905 in een arrondissementele federatie verenigde en één van de grootste, meest invloedrijke en vooruitstrevende van het land was en bij de stichting in 1906 van de Landsbond van
  2. 2. 2 Christelijke Mutualiteiten meteen aansloot.4 Daarnaast was hij verzekeringsagent bij de Levensverzekeringsmaatschappij ‘Antverpia’. Enerzijds verdiende hij dus als zelfstandige in bijberoep extra met de verkoop van verzekeringen, waarbij hij mikte op een meer gegoed cliënteel, en tegelijk was hij de stuwende kracht achter de uitbouw van het coöperatief verzekeringswezen via de Werkmanskring, die vanuit de solidariteitsgedachte aan de arbeiders een aantal ‘basisverzekeringen’ tegen lage prijzen aanbood.5 Op 22 oktober 1911 werd vader Gommaar Neefs verkozen tot ‘bijgevoegd’ gemeenteraadslid voor de nijverheidswerklieden, met 900 van de 2.761 uitgebrachte stemmen; hij behoorde tot de weinigen die tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog geen enkele gemeenteraadszitting misten.6 Hij was vanaf 21 maart 1912 tot zijn overlijden in 1920 bestuurslid van het Raghenofonds. In de Katholieke Werkmanskring zetelde hij in het beperkt comité van vijf personen dat reeds vanaf 27 juli 1914 de hervorming van de vereniging in democratische zin voorbereidde en op 24 april 1915 nieuwe statuten voorlegde, al bleef de grondige reorganisatie uit tot na de oorlog. In de Mechelse gemeenteraad bepleitte hij met pioniers van de christelijke arbeidersbeweging zoals meubelmaker Alfons Verdellen het principe van de eigen werkliedenvertegenwoordiging in het bestuur en in het Bureel van Weldadigheid, de voorloper van het OCMW.7 Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 vluchtte het gezin Neefs via Noord- Frankrijk naar Chiswick, vlakbij Londen.8 Uit voorzorg nam Gommaar Neefs de spaarboekjes mee van het Ziekenfonds van de Werkmanskring, waarvan hij schatbewaarder was. Vanuit Engeland keerde het gezin via Rotterdam op 20 juni 1915 naar Mechelen terug. Vader Neefs volgde opnieuw getrouw de zittingen van de gemeenteraad en kreeg de opdracht om de glasramen van de St.-Romboutskathedraal te herstellen.9 De voornaamste verdienste van Gommaar Neefs bestaat erin dat hij mee de hervorming van de Katholieke Werkmanskring tot een volwaardige christelijke arbeidersbeweging leidde, die op enkele jaren tijd over heel het arrondissement stevig uitgebouwd werd. Op 4 september 1919 werd hij de eerste voorzitter van de hervormde Werkmanskring van de stad, weldra omgedoopt tot het Christen Werkersverbond. Hij ondersteunde de oprichting in de schoot van het werkersverbond van een coöperatief voor gezamenlijke aankoop – met wisselend succes én met aanzienlijke financiële risico’s - van o.a. steenkool en aardappelen, de (her)oprichting van een spaarkas, ziekenkas en pensioenkas. Hij richtte mee studiekringen, parochiekringen en een sprekersbond op, ijverde voor de aansluiting van vrouwengilden en jongerenbonden bij het werkersverbond en betrachtte een verregaande samenwerking met de christelijke vakverenigingen, die vooral sinds 1900 ontstaan waren. Hij startte in februari 1920 in het werkersverbond een comité dat de dagorde van elke gemeenteraad nauwlettend in overleg met de overige leden voorbereidde, zodat eensgezinde standpunten werden ingenomen. In de gemeenteraad was hij één van de acht indieners op 15 mei 1920 van een petitie ten voordele van de vernederlandsing van de Gentse Rijksuniversiteit, die veel persaandacht kreeg en met een ruime meerderheid goedgekeurd werd, en hij bepleitte er het opstellen van een christelijk sociaal programma. Op 5 augustus 1920 werd hij lid van de studiecommissie die de organisatie van de christelijke arbeidersbeweging op stedelijk en arrondissementeel niveau uitwerkte, maar ziekte door loodvergiftiging – wat hem betreft een beroepsziekte - belette hem tot actieve deelname. Op 4 oktober 1920 volgde hij, doodziek, voor de laatste maal de zitting van de gemeenteraad. De eerste publicatie van het weekblad Het Volksbelang van het Werkersverbond op Kerstdag 1920 maakte hij niet meer mee. Zijn overlijden op 12 december 1920, amper zevenenveertig jaar oud, betekende ook financiëel een zware klap voor het jonge gezin; Cyriel was toen eenentwintig, zijn broer Victor, later telegraafbediende bij de Spoorwegen, zeventien, en zijn zus Lisette, later bediende bij de Postcheque, negen jaar.10 Gezien “de uitzonderlijke toestand van de familie zal de Gemeenteraad de kosten der begrafenis ten laste van de stad nemen, zonder dit nadien als precedent te kunnen inroepen”, zo beslisten zijn collega’s op 13 december 1920.11 Vroege kostwinner van een bescheiden gezin Cyriel Pieter Jozef Maria Neefs werd geboren te Mechelen op 3 september 1899. Het jonge gezin woonde in het centrum van Mechelen, eerst in de Lange Nieuwstraat 74 en na hun vlucht naar Engeland in 1915 in de Twaalf Apostelenstraat 11; deze woning werd op 1 mei 1918 door de ouders aangekocht.12 Cyriel Neefs liep lagere school in de buurt en bleek daarna een enthousiast en begaafd student aan het
  3. 3. 3 Mechelse St.-Romboutscollege, waar hij de moderne humaniora volgde. Door de oorlog werden zijn studies in 1914 onderbroken, maar hij hernam ze na de terugkeer van het gezin en studeerde af in 1917. Zijn wens om aan de Hogeschool te Leuven ingenieursstudies aan te vatten, moest hij door de oorlog uitstellen. In afwachting kwam hij op 1 september 1917, enkele dagen voor zijn achttiende verjaardag, als leraar wiskunde en wetenschappen in de St.-Lambertusvakscholen te Mechelen terecht, waar zijn vader beheerder was. Toen de Leuvense universiteit in januari 1919 haar deuren heropende, slaagde hij voor het ingangsexamen en vatte ingenieursstudies aan. Zijn droom was als mijningenieur in Belgisch Congo aan de slag te gaan. Door het overlijden van zijn vader was de kostwinner van het jonge gezin weggevallen. De zelfstandige onderneming die Gomaar Neefs als glazenier en loodzetter had uitgebouwd, stopte, en de verzekeringsportefeuille werd niet langer met nieuwe contracten aangevuld. Cyriel Neefs bekwam een beurs om zijn studies verder te zetten en bracht het tot kandidaat-ingenieur, maar door ziekte en vooral wegens andere activiteiten brak hij in 1922 na het derde jaar zijn studies af. Daarnaast nam hij de activiteiten van verzekeringsagent van zijn vader over eens zijn leeftijd dit toeliet, al waren de facultatieve inkomsten hieruit aanvankelijk erg bescheiden. Hij werd begin 1930 verantwoordelijke van de Centrale voor Volksverzekeringen, vanaf 1932 De Volksverzekering (D.V.V.). Ondertussen had hij bij de uitbouw van de middelbare technische afdeling van de St.-Lambertusvakscholen zijn lessenpakket vanaf 1922 uitgebreid met de vakken werktuigkunde, natuurkunde, elektriciteit en rekenkunde. Vanaf 1925 was hij vakleraar in dag- én avondonderwijs aan de Technische Scholen Mechelen (T.S.M.), opvolger van de St.- Lambertusvakscholen; deze functie oefende hij gedurende ruim 38 jaar uit, tot 1 september 1963, weliswaar met onregelmatige prestaties wegens zijn vele andere bezigheden.13 Vanaf 1924 gaf hij ook een cursus elektriciteit in een technische school te Borgerhout. Neefs was medeoprichter en jarenlang bestuurder van de Gewestelijke Sociale School van Mechelen. Dit initiatief voor volwassenenonderwijs van de Centrale voor Volksontwikkeling van het arrondissementeel werkersverbond startte in Mechelen reeds in 1921. Het was bedoeld als aanvulling op de bestaande sociale school van de Katholieke Arbeiders Jeugd (KAJ), die zich uitsluitend tot jongeren richtte, en richtte zich aanvankelijk enkel tot vrouwen maar weldra ook tot mannen. In 1923 werd het op nationaal vlak geherstructureerd en over heel het land ingericht. In september 1933 gaf Alfons Verbist er een nieuwe implus aan, en Neefs was er tot aan de Tweede Wereldoorlog leraar.14 Op 24 februari 1930 huwde Cyriel Neefs te Mechelen met Maria Louisa Lauwers.15 Datzelfde jaar hervatte hij zijn ingenieursstudies, en liet zich inschrijven voor het vierde jaar. Op 26 november 1930 werd hun enig kind Wilfried te Mechelen geboren. De aanslepende studies raakten nogmaals op de lange baan, en toen Cyriel Neefs in juni 1931 deeltijds aan de slag ging als privé-secretaris van Minister Philip Van Isacker, tot 1938, gaf hij zijn studies voorgoed op.16 Hij werd wel lid en later tot zijn overlijden ere-lid van Antigonia, de Antwerpse Hoogstudentenclub van het Hoger Instituut De Nayer te Mechelen, voorheen de Bijzondere School voor Technische Ingenieurs te Mechelen. Pionier van de katholieke Vlaamse studenten- en arbeidersbeweging te Mechelen (1918-1926) Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog kwam Cyriel Neefs als achttienjarige via zijn vader in de studiekringen van de Mechelse Werkmanskring in contact met de Vlaamsgezinde christendemocraten die een hervorming van de katholieke partij achter de schermen voorbereidden. Alfons Verbist, leraar aan de Katholieke Normaalschool te Mechelen, had als student, lid van de Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding (KVHU) en van het Davidsfonds spreekbeurten gegeven over de Vlaamse taal en cultuur.17 Philip Van Isacker, geschiedenisleraar aan het Koninklijk Atheneum te Mechelen, had zich als student in de Vlaamse actie en in 1910-’11 in een taalgrenscomité geëngageerd. Tijdens de bezetting zette Van Isacker als ondervoorzitter van een plaatselijk Comité voor Volksvoordrachten samen met de letterkundige van liberale strekking Maurits Sabbe (1873-1938) de socioculturele actie verder in een formule die voor de oorlog nog onrealistisch was geweest: een nauwe samenwerking tussen het katholieke Davidsfonds, de KVHU en het liberale Willemsfonds, over de levensbeschouwelijke grenzen heen. In de studiekringen van de Mechelse Werkmanskring gaf Van Isacker een lessenreeks over de geschiedenis van België.18
  4. 4. 4 Verbist en Van Isacker hadden met een tiental gelijkgezinden tijdens de bezetting een gesloten studiekring gesticht, die tegen het activisme in, de ‘loyale’ Vlaamse katholieke actie van na de oorlog voorbereidde. De organisatie groeide op 16 februari 1919 uit tot een arrondissementeel Katholiek Vlaams Verbond, dat de motor van de fundamentele hervorming van de katholieke partij werd. Reeds op 26 mei 1919 lukte het om de Mechelse ‘grondwettelijke bewarende associatie’ of association conservatrice et constitutionelle als één van de eerste in Vlaanderen grondig om te vormen tot een katholieke standenpartij, via de invoering van de standenvertegenwoordiging.19 Vader Gommaar Neefs had als één van de leiders van de Mechelse christelijke arbeidersbeweging bij deze hervorming een vooraanstaande rol gespeeld en werd in augustus 1919 door de partijleden met glans verkozen tot bestuurslid van de nieuwe katholieke partij, en bleef dit tot zijn overlijden op 12 december 1920. Ondertussen werd Cyriel Neefs in 1918, vlak na zijn middelbare studies, voorzitter van de oudstudentenbond van het St.-Romboutscollege. Als kersvers student vanaf januari 1919 engageerde Neefs zich meteen in het georganiseerde studentenleven, dat opnieuw van wal stak. Hij nam de leiding van een club van Mechelse studenten aan de Leuvense universiteit en reeds in maart 1919 zocht en verkreeg hij met zijn kring aansluiting bij de Katholieke Vlaamse Hogeschool Uitbreiding (KVHU) - afdeling Mechelen. De KVHU was een culturele vereniging die vanuit een christelijk en Vlaams profiel een forum bood voor bezinning over maatschappelijke evoluties. Neefs kwam via de vereniging in nauw contact met de gezaghebbende en populaire Karel Peeters (1880-1956).20 Deze handelsvertegenwoordiger en kunstcriticus was ondervoorzitter van de KVHU-Mechelen, later Mechels gemeenteraadslid (1921-1938), jarenlang bestuurslid en voorzitter van het Davidsfonds, en tevens bestuurslid van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen. Ondanks tegenkanting vanuit conservatieve hoek slaagden beiden erin een sterke Vlaamsgezinde katholieke studenten- en oudstudentenbeweging in Mechelen uit te bouwen. Een reactie tegen de heersende ‘Belgicistische’ katholieke studentenbeweging kon niet uitblijven… Maar Neefs wou verder gaan dan het wekelijks organiseren van voordrachten, en ging voor concrete actie en resultaten. Reeds bij het begin van het tweede naoorlogse academiejaar, in oktober 1919, uitte hij namens drieëntwintig nieuwe Vlaamsgezinde studenten zware kritiek op de bestaande katholieke studentenbeweging in Mechelen. Deze werd gedomineerd door de Mechelse Katholieke Studentenkring (MKSK), die toen niet alleen de Vlaamse hogeschoolstudenten verenigde, maar ook de seminaristen, normalisten en collegestudenten. De MKSK was volgens Neefs berucht om zijn “braspartijen”, maar vooral werd de kring in Vlaamsgezinde milieus gewantrouwd omdat de leiding in handen was van conservatieve ‘Fransgezinden’ zoals voorzitter Maurice Louveaux, familielid van een verstokt conservatief gemeenteraadslid dat overigens na de oorlog zou afscheuren van de hervormde katholieke standenpartij. Een eerste poging om de MKSK van binnenuit te vervlaamsen mislukte. Toen Neefs een uitgesproken Vlaams en sociaal engagement eiste, haakte een aantal nieuwelingen af, geschrokken van de herrie. Neefs bleef niet bij de pakken zitten, en zette met succes een Vlaamse Katholieke Studentengilde op poten, die op 6 december 1919 met een 44-tal studenten van de KU-Leuven, maar ook van de Hogere Handelsschool St.- Ignatius, van start ging; hij was er aanvankelijk ondervoorzitter, en vanaf het najaar 1920 tot eind 1921 voorzitter van. Nog datzelfde jaar kwam het tot een incident met de MKSK, dat bij het rectoraat onder stakingsdreiging de uitsluiting eiste van de universiteit van student Karel Van der Auwera, vermeend activist en lid van de Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond (KVHV). Dankzij tussenkomst van de leraar aan het St.-Romboutscollege Arthur Boon, door de Leuvense professor Germaanse Filologie Lodewijk Scharpé en door de student en ACW-er Edmond Rubbens van het overkoepelende Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (AKVS), verwierp het rectoraat deze eis. Cyriel Neefs zocht en vond met zijn Studentengilde meteen aansluiting bij het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond en werd in 1920 voorzitter van de Mechelse afdeling. Het KVHV – kortweg ‘het Verbond’ - uit 1902 was de eerste Vlaamse studentenkoepel aan de KU-Leuven en veel meer politiek geëngageerd dan de KVHU; sinds januari 1919 had het zijn acties hervat. De provocerende Belgisch- patriottische en anti-Vlaamse reactie van Franstalige zijde creëerde vlak na de oorlog een grote eensgezindheid onder de Vlaamse studenten. Maar door zijn radicalisering inzake de Vlaamse kwestie, waarbij het veel verder ging dan het Vlaams minimumprogramma, kreeg het Verbond ook veel tegenkanting van de kerkelijke overheid.
  5. 5. 5 Toen het overkoepelende Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (AKVS) in juni 1920 aan het bestuur van het KVHV vroeg om de studentenlanddag van dat jaar in Mechelen, zetel van het aartsbisdom, te organiseren, werd Neefs aangezocht om het evenement te organiseren. 21 Het initiatief kaderde in de campagne van het AKVS om erkenning te verkrijgen als Vlaamsgezinde studentenbeweging en om een meer tegemoetkomende houding te bekomen van de geestelijke overheid, vertegenwoordigd in de gezaghebbende figuur van de aartsbisschop van Mechelen kardinaal Désiré Mercier (1851-1926). In volle examenperiode trachtten de leraren Arthur Boon en pater Calbrecht van het St.-Romboutscollege Neefs te overhalen van zijn engagement af te zien, maar vruchteloos. Zoals gevreesd kon op geen begrip van de kerkelijke overheid gerekend worden, aanvankelijk toch. Niet alleen gaf Mercier helemaal geen antwoord aan de studenten om de landdag in Mechelen te mogen organiseren, het aartsbisdom haastte zich bovendien met een verbod voor de seminaristen – een omvangrijke groep met een voorbeeldfunctie voor de publieke opinie - om deel te nemen aan de landdag, en dreigde met een maand supplementaire lessen om hun deelname onmogelijk te maken; ook de collegestudenten mochten niet meebetogen. Meteen rezen bij de leiding van de studentenbeweging twijfels of de landdag in Mechelen wel zou kunnen doorgaan, al wilden Jan Melaerts en Cyriel Neefs van de Mechelse studentengilde van geen opschorting weten. Op 4 juli vergaderden de vertegenwoordigers van elk AKVS-gouwbestuur, pater Calbrecht en de gewezen voorzitter van de Antwerpse gouw uit Mechelen Frans Brusselmans met voorzitter Jan Melaerts en ondervoorzitter Cyriel Neefs van de Mechelse studentengilde. Zij besloten alsnog te proberen door Mercier in audiëntie ontvangen te worden, wat tot dan toe niet gelukt was. Dat was niks te vroeg, want de voortvarende AKVS- secretaris A. Baudot had ondertussen zijn geduld verloren, riep ’s anderendaags de leden bijeen, verklaarde dat in september een landdag zou doorgaan in Eeklo en niet in Mechelen, en stelde dat het KVHV zich volledig van de studentengilde zou distantiëren. Wellicht was de leiding van de AKVS hiermee allerminst opgezet, en zij deed als bemiddelaar voor het verkrijgen van de audiëntie beroep op de welwillende Jules Belpaire, doctor in de theologie, pas benoemd tot directeur van het St.-Romboutscollege, neef van de Vlaamsgezinde letterkundige Marie-Elisabeth Belpaire, en ondanks zijn openlijke Vlaamsgezindheid gunsteling van de kardinaal. Cyriel Neefs en Edmond Rubbens brachten op 6 juli namens het hoofdbestuur het AKVS-verzoek over, met succes, want na een korte bedenktijd aanvaardde Mercier de uitnodiging. De dag nadien al, op 7 juli 1920 werden beiden door de kardinaal ontvangen. De 26-jarige Edmond Rubbens was niet van de minsten: één van de voormannen van het AKVS en van de christelijke arbeidersbeweging, bestuurslid van de Katholieke Vlaamse Landsbond, vertrouweling van dé leider van de ‘flaminganten’ Frans Van Cauwelaert en weldra doctor in de politieke en sociale wetenschappen en volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Dendermonde. Tijdens de ontmoeting luisterde Mercier - waarschijnlijk tot grote verrassing van de studenten – met een open geest naar hun uiteenzetting; het gesprek verliep aanvankelijk in het Nederlands, daarna in het Frans. De kardinaal gaf de indruk op zijn beurt verrast te zijn over de wijze waarop en de geest waarin het AKVS-bestuur zijn werking en de landdag wilde organiseren. Hij deed de bezoekers vermoeden dat een en ander hem verkeerd voorgesteld was door zijn privé-secretaris kanunnik Vrancken en de invloedrijke conservatieve seminariepresident vicaris-generaal Louis Legraive. Hij toonde een grote welwillendheid, zegde het gebruik toe van de St.-Romboutskathedraal, de feestzaal en de binnenkoer van het Klein Seminarie in Mechelen. Bovendien verklaarde hij zich bereid zélf het vaandel van de Mechelse studentengilde te wijden. Tenslotte beloofde hij over de richtlijnen voor de seminaristen opnieuw te zullen nadenken. Op 10 juli bevestigde hij de afspraken in een brief, en deed nog enkele andere toezeggingen: ook de lokalen van het St.-Romboutscollege stonden ter beschikking en de houding van de kerkelijke overheid tegenover de katholieke Vlaamse studenten zou opnieuw aan de orde gesteld worden op de bisschoppenconferentie. Ook werd het verbod tot deelname van de seminaristen aan de landdag meteen opgeheven. Merkwaardig is de reactie van de nog jonge studenten Melaerts en Neefs over het voorstel van de vaandelwijding door Mercier: zij hadden het moeilijk met dit initiatief van de kardinaal omdat “het een capitulatie van onzentwege leek”. Maar het protest bleef intern, zodat het geen invloed had op de fel verbeterde verstandhouding met de kardinaal. Wat was de oorzaak van de koerswijziging van kardinaal Mercier ? Het was hem niet ontgaan dat in de zomer van 1920 de Vlaamsgezindheid vonken sloeg bij de katholieke studerende jeugd. Naast de steun voor het Vlaams minimumprogramma schuilde er onderhuidse sympathie voor zelfbestuur. Dit laatste wekte huiver bij de kerkelijke overheid. Wellicht om de voedingsbodem van radicalisering weg te nemen, was er een versoepeling van Merciers houding. Hij scheen zelfs een ogenblik bereid het AKVS en
  6. 6. 6 plaatselijke kringen als de Mechelse Katholieke Studentengilde officieel te erkennen, al impliceerde dat in zijn ogen wel dat die dan onder controle van de kerkelijke overheid zouden komen. Op 12 juli 1920 overleed de 19-jarige ULB-student Herman Van den Reeck (1901-1920) aan de verwondingen door een politiekogel op een verboden Guldensporenviering te Antwerpen. Hij had met zijn opmerkelijke combinatie van radicale Vlaamsgezindheid en zijn communistische en pacifistische idealen in de studentenbeweging de aandacht getrokken, en zijn gewelddadige dood maakte hem tot een ‘martelaar’ van de Vlaamse zaak. Het incident veroorzaakte een radicalisering in de Vlaamsgezinde publieke opinie, die gefrustreerd raakte door het uitblijven van initiatieven om de Vlaamse grieven weg te werken en door de bestraffing van als idealisten beschouwde activisten. De gebeurtenissen deden de kardinaal opnieuw afstand nemen; van een officiële erkenning van het AKVS kwam niets in huis, en het lukte de kerkelijke overheid niet om de studentenbeweging onder controle te krijgen. De veelal repressieve maatregelen van Mercier om het radicalisme in te tomen deden precies het wantrouwen van Vlaamsgezinde studentenzijde tegenover de kerkelijke leiding toenemen.22 De begrafenis van Van den Reeck op 17 juli 1920 zou een massamanifestatie worden. Toen de katholieke burgemeester Karel Dessain (1871-1944) in Mechelen een verbod uitvaardigde om doodsberichten te afficheren, reageerde Neefs als voorzitter van KVHV-afdeling Mechelen en namens de leden van de Vlaamse Katholieke Studentengilde in een brief aan het stadsbestuur bitsig: “Wij hadden ons niet verwacht aan zo’n maatregel in een door en door Vlaamse stad”.23 Maar Neefs had het stadsbestuur nodig. Na de toezeggingen vanwege Mercier voor de landdag voelde ook de Mechelse gemeenteraad zich trouwens verplicht op 2 augustus 1920 het initiatief openlijk te steunen, al was het slechts in beperkte mate: dankzij het lobbywerk van vader Gommaar Neefs en andere Vlaamsgezinde politici verkreeg Cyriel Neefs de toelating tot het gebruik van de binnenkoer van het Koninklijk Atheneum en de kiosk op voorwaarde dat de inrichters de orde zouden bewaren en dat geen verklaringen tegen de eenheid van België of tegen het Vorstenhuis zouden afgelegd worden. Een gevraagde subsidie van 3.000 frank werd evenwel door de gemeenteraad verworpen; Gommaar Neefs was uiteindelijk nog de enige die dit tot op het einde bleef steunen. De voornaamste verdienste van het initiatief was dat het leidde tot meerdere vinnige discussies over de Vlaamse kwestie in de Mechelse gemeenteraad.24 Het inrichtend comité van studenten, met naast Mellaerts en Neefs ook AKVS-secretaris Baudot, oorlogsvrijwilliger en student Germaanse filologie Amaat Burssens en KVHV-bestuurslid K. Maurissens, stemde op 10 augustus schriftelijk in met de voorwaarden vanwege het stadsbestuur.25 Van 21 tot 23 augustus 1920 kon de landdag in een euforische stemming en zonder incidenten doorgaan. Vlaamsgezinden zoals volksvertegenwoordiger Philip Van Isacker, ACW-voorman Alfons Verbist en de onderpastoor van de St.-Romboutsparochie Ivo Cornelis kregen in het Sint-Romboutscollege, in het Klein Seminarie en in de feestzaal van de Xaverianen een forum voor zowat 1.500 studenten, en in een optocht met 2.000 studenten doorheen de stad werden leuzen voor de vervlaamsing van de Gentse Rijksuniversiteit gescandeerd. Maar tijdens de landdag werd officieel steun betuigd aan de gestrafte activisten en klonk voortdurend de kreet “zelfbestuur”, tot groot ongenoegen van de kerkelijke overheid en tegen de afspraken met het stadsbestuur van Mechelen in. Van de aangeboden infrastructuur van het atheneum werd blijkbaar geen gebruik gemaakt. De vaandelwijding van de Mechelse Katholieke Studentengilde gebeurde uiteindelijk niet door de kardinaal zelf. Nadat diens rechterhand Mgr. Etienne Van Cauwenbergh voor de ‘eer’ bedankt had, verzorgde Jules Belpaire de wijding. Belangrijk was dat het eerste nummer van het studentenblad De Blauwvoet op de landdag gelanceerd werd. Dit werd het officiële tijdschrift van de AKVS, in Mechelen gedrukt. Blijkbaar stond de Mechelse KVHV de eerste twee jaar minstens gedeeltelijk voor de financiering ervan in, want naar eigen zeggen betekende het een financiële strop voor de plaatselijke afdeling. Vanaf 1922-1923 kreeg het een betere organisatie voor redactie en beheer en steeg de oplage van 700 naar ca. 4.000 exemplaren in 1925. Het hele gebeuren, en vooral de doorbraak die hij had kunnen forceren bij Mercier, gaf Neefs definitief een – weliswaar bescheiden - plaats in de annalen van de Vlaamse Beweging.26 Hij werd kort daarna voorzitter van de KVHV-Mechelen.27 Tijdens het academiejaar 1920-1921 was hij praeses van Mechlinia, een ludieke studentenclub van Mechelaars die in Leuven studeerden, en die zoals vele andere studentikoze kringen vlak na de oorlog ontstaan was. De Mechelse studentengilde werd de volgende jaren
  7. 7. 7 verder uitgebouwd, met aparte afdelingen voor leerlingen uit de middelbare school, normalisten, hogeschoolstudenten en oud-studenten.28 Ondanks enkele schuchtere wederzijdse pogingen kwam van toenadering tot de Mechelse Katholieke Studentenkring niets in huis, wel integendeel. Toen de MKSK op 12 en 13 maart 1921 op haar beurt in samenwerking met het (Belgicistische) Nationaal Hoogstudenten Verbond een landdag te Mechelen organiseerde, met naast een vaandelwijding ook een huldebetoon aan kardinaal Mercier, weigerde het KVHV bij monde van Neefs op de (tweetalige) uitnodiging in te gaan. Bovendien verstoorden enkele AKVS-leden op de landdag de orde, waarna enkelen zich door de rechtbank voor de vernieling van een openbare afsluiting tot een fikse schadevergoeding veroordeeld zagen, één student van de KU-Leuven door het rectoraat definitief, en twee andere gedurende 14 dagen uitgesloten werden.29 Ook daarna profileerde Neefs zich met zijn studentenkring als strijdend Vlaamsgezind. Tijdens de voorbereidingen voor de inhuldiging op 16 oktober 1921 van een gedenkteken voor de gesneuvelde oud-studenten van het St.- Romboutscollege verzette hij zich als toenmalig secretaris van de Oud-studentenbond samen met voorzitter Alfons Van den Branden tegen een militaire parade en een tweetalige tekst op de gedenkplaat; een Vlaams opschrift volstond volgens hen.30 Maar tegenover de Vlaamse studenten- en oud-studentenbeweging te Leuven hield Neefs zich de volgende jaren afzijdig, waarschijnlijk omdat deze laatste reeds vanaf 1922 de Vlaams-nationalistische toer opging, het programma als onvoldoende van de hand wees en Vlaams zelfbestuur openlijk bepleitte. Buiten het studentenmilieu zette Neefs zich eveneens in voor de Vlaamse zaak, maar constructief binnen een Belgische context. Bij de 11-juliviering van 1920 werkte hij in het Guldensporencomité mee met P.J. Rosel, voorzitter van de Vlaamsche Bond van Mechelen, en met Edward Clottens. Deze negenentwintigjarige gewezen collegestudent en oorlogsvrijwilliger was actief in het Verbond van Vlaamse Oud-Strijders (VOS) en in de christelijke arbeidersbeweging en was goed bevriend met Verbist. Neefs en Clottens konden het uitstekend met elkaar vinden, al liet Clottens binnen de arbeidersbeweging en de katholieke partij steeds een erg kritische stem horen, met name over de in zijn ogen te lakse taalpolitiek van de regering.31 Tenslotte trad Cyriel Neefs in de voetsporen van zijn vader wellicht eind 1920 toe tot het bestuur van het Mechelse Christen Werkersverbond. Op 26 mei 1921 nam hij de plaats van zijn overleden vader in als één van de 12 vertegenwoordigers van het werkersverbond in het bestuur van de Mechelse katholieke standenpartij. Op 21 juli 1921 werd hij lid van het hervormde en uitgebreide hoofdbestuur van het werkersverbond, dat de dagelijkse leiding waarnam. In 1921 was Neefs feestcommissaris van de gerenommeerde kring ‘Jonge Katholieke Strijders’ toen die haar 40-jarig bestaan uitbundig vierde. Sinds 1881 organiseerde deze in Mechelen katholieke festiviteiten en plechtigheden, had zich ontwikkeld tot een populaire drukkingsgroep, gaf sinds 1908 het maandblad Taal en Vrijheid uit en kon rekenen op de volmondige steun van de katholieke politieke prominenten. Ruim vijfendertig jaar later, bij de viering van het 75-jarig jubileum in 1956, was Neefs een gerespecteerd lid van het erecomité.32 Neefs was ook de aandrijvende kracht om het Katholiek Vlaams Verbond uit 1919 nieuw leven in te blazen. Vijf jaar na haar oprichting was de barricadenwerking van deze kleine maar belangrijke zweepgroep, die de standenvertegenwoordiging en de steun voor het Vlaams programma in de katholieke partij geforceerd had, stilgevallen. Samen met Van Isacker, Verbist en Clottens trachtte Neefs de werking ervan op 6 maart 1924 op nieuwe sporen te zetten via een overkoepelend Verbond der Katholieke Vlaamse Maatschappijen "met het doel de algemene Vlaamse en katholieke werking te verlevendigen". Een dertigtal Vlaamsgezinde kringen sloten zich aan, maar door interne verdeeldheid kon het nooit het enthousiasme en de impact bereiken van haar illustere voorganger. In 1925 was Neefs secretaris van Deugd en Vreugd Mechelen, de turnafdeling van de St.-Jozefskring en aangesloten bij de Bond der Katholieke Turnkringen van België. Hij werd ten laatste in 1926 ook bestuurslid van het Algemeen Nederlands Verbond – Tak Mechelen, dat hem kort nadien in de kiesstrijd openlijk steunde.33 Bekommerd om het ‘geestelijk welzijn’ van de bevolking werkte hij vanaf 1924 onder impuls van de Vlaamsgezinde Mechelse priester Ivo Cornelis, en met Verbist, Van Isacker en Clottens mee aan de uitbouw van een ‘Strijdersbond tegen de Openbare Onzedelijkheid’, die hij op 16 juli 1926 – niet toevallig enkele maanden voor de gemeenteraadsverkiezingen – als bestuurder mee hielp omvormen tot een
  8. 8. 8 vzw. Deze paternalistische bond – in het gezwollen taalgebruik van toen een “eucharistische kruistocht als voorbehoedsmiddel tegen zedelijke verwildering” - haalde in de beginperiode enkele keren de katholieke lokale pers met haar acties, werd een propaganda-instrument van de katholieke partij, maar leidde een sluimerend bestaan eens de kiesstrijd voorbij was.34 Tussendoor waakte Neefs met de andere ACW-ers en met de steun van de Kerk over het zielenheil van de bevolking en protesteerde hij tegen “schunnigheden in de cinemawereld”.35 Meest opvallend was zijn actief lidmaatschap van een ‘Rooms-Katholieke Vlaams- Nationalistische Studiekring’ die in Mechelen op 25 januari 1925 gesticht was, maar een kort en schimmig bestaan kende. Onder de diverse sprekers was ook Alfons Verbist op 26 juni 1925. Na een half jaar reeds verdween de kring in de anonimiteit.36 De engagementen van Neefs tonen aan hoe dicht hij als katholiek ideologisch aanleunde bij het Vlaams-nationalisme; dit zou een constante in zijn politieke leven blijven. Eerste stappen in de Mechelse politiek (1926-1931) Cyriel Neefs zette, na enige ‘tactische’ aarzeling, bij de gemeenteraadsverkiezingen van 10 oktober 1926 zijn eerste stappen in de lokale politiek. Hij kwam als 11e op de kandidatenlijst van de katholieke partij, verkreeg 197 voorkeurstemmen en werd nipt verkozen. Ondanks zijn vele engagementen en zijn positie als ACW-hoofdbestuurslid viel de score bescheiden uit. Hij kon zich electoraal niet positioneren tussen de katholieke boegbeelden burgemeester Karel Dessain (lijsttrekker met 599 voorkeurstemmen), Van Isacker (2e kandidaat met 314 stemmen) of Verbist (lijstduwer met 638 stemmen). De katholieken behaalden 12 zetels en sloten een coalitie met de 4 liberalen; de 11 socialisten zaten in de oppositie. Neefs kwam in de commissie financiën en werd secretaris van de katholieke fractie in de gemeenteraad, maar desondanks – of juist daarom - sprong hij tijdens dit eerste mandaat weinig in het oog en volgde hij gedwee de partijlijn, die inzake sociale en Vlaamse politiek door Verbist uitgetekend werd, maar aanzienlijk getemperd door een sterke groep conservatieven zoals burgemeester Dessain.37 Met succes richtte Neefs samen met Van Isacker in december 1930 de Christelijke Bond van Beambten en Arbeiders in Openbare Dienst – Groep Gemeente- en Provinciepersoneel – afdeling Mechelen op, dat de belangen van het gemeentepersoneel wilde verdedigen. Neefs gaf in 1939 ook een lessenreeks voor de Vereniging van Katholieke Gemeenteraadsleden, een initiatief van Van Isacker.38 Begin 1927 heractiveerde Neefs mee het Guldensporencomité, waarin hij zich reeds in 1920 had doen opmerken. Als bestuurslid ijverde hij in de gemeenteraad met succes voor de erkenning als officiële feestdag van 11 juli en voor de medewerking van het stadsbestuur aan de Guldensporenvieringen. Ook het werkersverbond spande hij voor deze kar.39 Maar de kwestie bleef door het verzet van de liberalen en de conservatieve katholieken tot half de jaren 1930 een delicaat punt, waarvoor telkens opnieuw moest gestreden worden. Bovendien zag Neefs met lede ogen dat steeds meer Vlaams-nationalisten het feest en de organisatie naar zich toe trokken. Hij trachtte weerwerk te bieden door binnen de christelijke arbeidersbeweging zoveel mogelijk militanten zich tot engagementen te doen bewegen, wat slechts gedeeltelijk lukte. Maar met de komst in 1933 van de charismatische atheneumleraar Filip de Pillecyn werd de organisatie weldra door Vlaams-nationalisten gedomineerd.40 Neefs was, net als Verbist, steeds een vurig verdediger van een kwalitatief vrij katholiek onderwijs, inclusief het stiefmoederlijk behandelde technisch onderwijs, dat hij kaderde binnen de algemene christendemocratische stromingen en bewegingen. Zo trachtte hij in spreekbeurten een band te leggen tussen ‘het vakonderwijs en de Katholieke Actie’, o.a. op 30 juni 1929 voor de Kristen Beroepsvereniging van het Technisch Onderwijs van de provincie Antwerpen. Hij trachtte op 17 januari 1930 samen met Verbist, die leraar was bij de Katholieke Normaalschool en op dat moment een doctoraat in de opvoedkunde afwerkte, een Katholieke Schoolbond in Mechelen op te richten, maar dit mislukte.41 In de gemeenteraad streed Neefs voor een degelijke financiering door het gemeentebestuur van het vrij katholiek onderwijs. Op 9 november 1932 werd hij door de Mechelse afdeling van de Kristen Beroepsvereniging van het Onderwijzend en Besturend Personeel der Technische Scholen gehuldigd “voor de onvermoeibare pogingen tot behoud der toelagen aan de vrije scholen, inzonderheid de Technische Scholen Mechelen”.42 Na eerdere mislukte pogingen werd Neefs in augustus 1927 ondervoorzitter van het Mechels Werkersverbond. Gezien de herhaalde afwezigheid van de drukbezette voorzitter en schepen Jan Schaepherders trad hij vaak op als waarnemend voorzitter. Op 23 maart 1931 liet Schaepherders het voorzitterschap aan Neefs, die meteen ook lid van het arrondissementeel hoofdbestuur en een tijdlang van
  9. 9. 9 het nationaal ACW-bestuur werd. Amper vijf maanden later, op 31 augustus 1931, richtte Neefs, als professioneel expert in verzekeringen, in de schoot van het werkersverbond een ‘verzekering tegen brand, plechtige communie [sic] en op het leven’ op. Regelmatig organiseerde hij congressen, studiedagen, huldevieringen, monstermeetings, triomftochten en propaganda-avonden in heel het arrondissement ter ere van de ACW-gekozenen in het algemeen, en minister Van Isacker in het bijzonder.43 Samen met Clottens bouwde hij mee een arrondissementeel werkersverbond uit, dat vooral vanaf 1931 vorm kreeg en voortaan zwaarder doorwoog dan de stedelijke bond bij de bepaling van het programma en de kandidaten voor de verkiezingen. Tegelijk trachtte hij ook de banden met de christelijke vakbeweging, die zich in sneltempo ontwikkelde, te verzorgen en uit te bouwen, wat gezien de veelzijdigheid van de vakbeweging niet eenvoudig was. Op 15 mei 1933 werd met zijn steun Het Volksbelang als spreekbuis van de christelijke arbeidersbeweging omgevormd van bescheiden Mechels maandblad tot een arrondissementeel weekblad met een oplage van 12.000 exemplaren. Maar dit betekende een serieuze financiële aderlating voor de beweging, en om deze reden werden de ambities enkele jaren later noodgedwongen gedeeltelijk teruggeschroefd. Toen zelfs de afgeslankte versie financieel onhaalbaar bleek, werd die begin 1938 met de ACW-periodiek De Arbeider uit Turnhout versmolten tot het weekblad De ACW-er.44 Uiteraard was Neefs als ACW-er ook actief in het Rerum-Novarum-Comité te Mechelen, waarvan hij o.a. van 1929 tot 1934 voorzitter was en zo het belangrijkste jaarlijkse feest van de christelijke arbeidersbeweging organiseerde. 45 Neefs raakte verstrikt in het ingewikkelde verhaal om de standenvertegenwoordiging uit te breiden met een middenstandsgroep, naast en onafhankelijk van deze van de burgerij.46 Aangezien een georganiseerde en erkende middenstand ten koste zou gaan van de relatieve sterkte van de arbeidersvleugel binnen de partij, belemmerde hij deze evolutie. Toen begin 1932 – in het vooruitzicht van de gemeenteraadsverkiezingen van oktober dat jaar - de middenstanders als onafhankelijke standengroepering naast de burgerij trachtten erkend te worden, om daarna eigen kandidaten voor het partijbestuur en voor de verkiezingen te kunnen doordrukken, benadrukte Neefs als stedelijk ACW-voorzitter dat slechts drie standengroeperingen (werklieden - boeren – ‘derde stand’ van hogere burgerij & middenstanders) erkend waren. Maar hij hield de deur op een kier door te stellen dat onderhandelingen met de onafhankelijke middenstandsbond ‘passend’ waren, wellicht om de wind uit de zeilen te nemen van een strekking die desnoods met een aparte lijst van middenstanders wou opkomen.47 . Het conflict escaleerde toen begin 1933 bleek dat de christelijke middenstanders geen schepenzetel kregen in het nieuwe college. Neefs stoorde zich overigens aan de ‘minachting’ vanwege de burgerij en de gefrustreerde middenstanders ten aanzien van de werklieden en ‘’t Volksbelang’.48 Door onenigheid, niet alleen tussen het ACW, de Boerenbond en de ‘derde stand’ van hogere burgerij en middenstand, maar ook intern tussen de burgerij en de middenstand, zou een erkenning tot na de Tweede Wereldoorlog uitblijven. Privé-secretaris van Minister Van Isacker en een tweede mandaat als Mechels gemeenteraadslid in moeilijke crisisjaren (1931-1938) Op 6 juni 1931 werd Van Isacker minister van Verkeerswezen, in december 1932 van Nijverheid en Arbeid, in juni 1934 van Arbeid en Sociale Voorzorg en vanaf november 1934 van Economische Zaken, tot zijn ontslag op 7 februari 1938. Hij koos Neefs als zijn privé-secretaris. Als voorzitter van het Mechels Werkersverbond sinds maart 1931 en als privé-secretaris van minister Van Isacker sinds juni 1931 versterkte Neefs zijn positie in het vooruitzicht van de gemeenteraadsverkiezingen van 9 oktober 1932. Hij kwam op de 9de plaats en verkreeg 279 voorkeurstemmen; hij was in de rangorde de 8e van de 12 katholieke verkozenen. Toch bleef de electorale score ook ditmaal bescheiden tegenover burgemeester Dessain (opnieuw lijsttrekker met 816 voorkeurstemmen), Van Isacker (2e kandidaat met 596 stemmen), Verbist (12e kandidaat met 625 stemmen) en anderen.49 Neefs bleef lid van de commissie Financiën. Na het ontslag van Alfons Verbist werd Neefs als diens plaatsvervanger op 13 februari 1933 lid van de Commissie van Openbare Onderstand (COO), en wel tot 1959, ruim 25 jaar lang.50 In volle crisisjaren kregen Neefs en minister Van Isacker meermaals felle kritiek, ondanks hun propagandacampagnes in o.a. de plaatselijke werkersverbonden. Reeds op 24 mei 1933 moest gewezen voorzitter schepen Jan Schaepherders bij hoogdringendheid alle bestuursleden van het Mechels Werkersverbond bijeenroepen om ”zekere geruchten (…) over de zogezegde ondemocratische houding en handelingen van onze Minister Van Isacker en zijn bijzondere secretaris Neefs” te weerleggen en in de kiem te smoren. Aanleiding waren de volmachtenpolitiek en de pijnlijke inperking door de regering van de
  10. 10. 10 werkloosheidsvergoedingen, op het moment dat de economische crisis naar haar dieptepunt ging.51 In januari 1935 kwam Neefs in een lastig parket toen ook het arrondissementele werkersverbond zich openlijk tegen de regeringsplannen ter bestrijding van de crisis verzette, mét de steun van Verbist, die ondertussen Mechels schepen en senator was. Het bestuur stelde dat “het vertrouwen onzer leden in de hogere organisatieleiding, in de parlementairen en in de Ministers meer en meer teloor gaat” , hetgeen een nefaste invloed op de christelijke arbeidersbeweging zou hebben.52 Vanaf augustus 1935 ging de kritiek crescendo op de werking van de katholieke politici in het algemeen en het functioneren van minister Van Isacker in het bijzonder. Enkele parochiale christelijke werkersverbonden weigerden hun steun aan de partij en zetten dit zelfs op papier. Van Isacker was voor de critici te intellectueel, stond te ver af van de werkliedenbelangen en had er te weinig interesse voor, kwam zijn beloftes niet na en had de nakende devaluatie van de Belgische frank vooraf steeds ontkend. Kortom, het vertrouwen in de minister én zijn secretaris was zoek. Maar ook Neefs kon het tij niet keren, ondanks een charme-offensief waarbij hij iedereen uitnodigde om klachten - bij voorkeur schriftelijk – aan Van Isacker en Verbist voor te leggen…53 Nochtans deden de politieke tenoren heel wat inspanningen om hun Vlaamse eisen kracht bij te zetten en voeling met de bevolking te houden en uit te bouwen. Zo was Neefs jarenlang bestuurslid van de Katholieke Vlaamse Landsbond. Hij kreeg van Verbist de praktische organisatie als secretaris- penningmeester toegeschoven van het 15de congres van de Landsbond op 28 en 29 juli 1934 te Mechelen. Het congres kreeg veel weerklank in de pers, vooral met het opmerkelijk pleidooi van de Leuvense hoogleraar-economie Gaston Eyskens over de economische reorganisatie van Vlaanderen in het kader van de staatshervorming. Maar Neefs bleef ook hier in de schaduw van Verbist.54 Ondertussen trokken de Vlaams-nationalisten met hun kritisch discours over de te lange parlementaire weg van de taalstrijd steeds meer kiezers naar zich toe. Op 1 oktober 1935 werd onder het voorzitterschap van Filip de Pillecyn een Arrondissementsverbond van de Katholieke Vlaamse Landsbond (her)ingericht, dat zich buiten de partijpolitiek inzette voor de bestuurlijke scheiding van België, en lak had aan het parlementair gepalaver over de taalwetgeving. Het Mechels Werkersverbond hield zich officieel afzijdig, aangezien het initiatief uitging van radicale Vlaamsgezinden zoals Filip de Pillecyn, die openlijk sympathiseerden met de ‘Nieuwe Orde’ en die in het verleden zware strijd geleverd hadden tegen de gevestigde katholieke standenpartij.55 Toch volgde Neefs het initiatief op de voet, en werd er na enige tijd actief lid van. Maar hij ageerde in 1937 fors tegen het daar gevoede hardnekkige gerucht dat heel wat communisten in de christelijke arbeidersbeweging geïnfiltreerd waren, wees erop dat slechts een viertal communisten in de christelijke vakorganisaties gekend waren en dat zij niet zomaar uitgesloten konden worden.56 Onmiddellijk na de teleurstellende parlementsverkiezingen van 24 mei 1936 was Neefs nauw betrokken bij de nationale onderhandelingen over de reorganisatie van de katholieke standenpartij tot Katholieke Vlaamse Volkspartij (KVV). Bedoeling was de standenvertegenwoordiging gedeeltelijk terug te schroeven zodat individueel lidmaatschap buiten de standenorganisaties opnieuw mogelijk werd. Maar in werkelijkheid bleef de macht van de standen binnen de partij bepalend. Daarnaast zou een op nationaal vlak geleide eenheidspartij uitgebouwd moeten worden, met een democratisch partijprogramma met veel aandacht voor de Vlaamse kwestie.57 Neefs betekende een belangrijke steun voor Verbist, die hierin op nationaal vlak een prominente, beslissende rol speelde. Neefs vertegenwoordigde ook de stedelijke afdeling Mechelen in het arrondissementeel comité van tien bestuursleden dat de partijhervorming vanaf eind maart 1937 voorbereidde en de lopende zaken van de oude standenpartij behartigde.58 Het was hoogtijd voor zulke veranderingen, gezien de zware kritiek die al lang voor de verkiezingen ook binnen de christelijke arbeidersbeweging op haar mandatarissen en leiders losgebarsten was. Vooral minister Van Isacker moest het eens te meer ontgelden, maar ook Neefs kreeg felle kritiek: voor de gewone militant was er te weinig inspraak, en als die dan al eens de kans kreeg op de vergaderingen opmerkingen over het beleid te formuleren, werden die onvoldoende of helemaal niet vertaald op de hogere echelons. In deze sfeer haakten vele militanten-van-het-eerste-uur af, en menigeen dacht met weemoed terug aan de goede oude tijd van de werkmanskring van voor de oorlog.59 Verbist, Clottens en Neefs drongen de reeds flink geslonken invloed van de conservatieve burgemeester Dessain, boegbeeld en stemmentrekker, na de verkiezingen van 1936 gevoelig terug.
  11. 11. 11 Burgemeester Dessain moest in september 1936 het arrondissementeel en plaatselijk partijvoorzitterschap aan anderen overlaten. Bovendien maakte senator, topman van het nationaal ACW en voorzitter van de Katholieke Vlaamse Senaatsgroep Alfons Verbist een blitzcarrière toen hij op 11 oktober 1936 nationaal partijvoorzitter van de KVV werd. Tenslotte verliet Philip Van Isacker in februari 1938 de politiek. Hij was al geruime tijd teleurgesteld wegens de kritiek op zijn economisch herstelbeleid, ook en vooral in de eigen ACW-middens, was in 1936 electoraal afgestraft en droomde sindsdien, alhoewel herkozen en opnieuw minister, luidop van een loopbaan buiten de politiek. Met zijn vertrek kwam een einde aan de activiteiten van Cyriel Neefs als diens privé-secretaris. Maar dit verzwakte de positie van Neefs helemaal niet, integendeel. Neefs voelde zich voortaan minder gebonden aan het door de partij gesteunde regeringsbeleid. Daardoor ontstond er een nieuw triumviraat. Waar sinds 1919 Verbist, Van Isacker en Clottens de lakens binnen de partij en het ACW uitdeelden, kwam de partijmacht thans in handen van het trio Verbist- Clottens-Neefs.60 Mede-hoofdarchitect van een controversiële Rechtse Concentratie met VNV en Rex (1938) Om een socialistisch-liberale meerderheid na de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1938 in Mechelen te voorkomen, werkte de plaatselijke partijtop aan twee scenario’s. Het eerste was de reorganisatie van de katholieke partij, wat overigens van nationaal tot plaatselijk niveau zou gebeuren. Het tweede was het inhoudelijk vernieuwen van de partij, met een “programma van Vlaams-Nationale hervormingen”61 , wat de deur openzette voor het samenbrengen in één politieke beweging, van alle ‘rechts katholieke Vlaamsgezinde krachten’. Pas vanaf dan trad ACW-voorzitter Cyriel Neefs écht op het politieke voorplan. Naast zijn activiteiten in het arrondissementeel comité dat de partijhervorming voorbereidde, werd hij op 3 februari 1938 logischerwijze ook lid van het voorlopig comité dat de plaatselijke afdeling van Mechelen zou hervormen en de verkiezing van een nieuw partijbestuur door de ledenorganisaties en de individuele leden voorbereidde.62 Reeds vanaf november 1936 – maar toch nà de verkiezing van Verbist tot nationaal partijvoorzitter - vonden vertrouwelijke onderhandelingen plaats tussen de Mechelse KVV en het Vlaams Nationaal Verbond (VNV), in het vooruitzicht van de gemeenteraadsverkiezingen twee jaar later. Het VNV had in 1936 aangetoond dat het met figuren als Ward Hermans (1897-1992) sterk stond in Mechelen, en de politieke balans kon doen overslaan. Aanvankelijk werd (nog) niet onderhandeld met Rex, de extreem- rechtse protestpartij die nationaal onder de strakke leiding stond van de flamboyante Léon Degrelle (1906- 1994). “Dat gaat ook niet zolang Degrelle leider blijft. Anders gezegd: zolang Rex steunt op dictatoriale grondslag”, zo oordeelde het Arrondissements Werkersverbond.63 Maar vanaf april 1938 werd óók met Rex onderhandeld. Blijkbaar oordeelde de partijleiding dat samengaan met VNV alléén onvoldoende was om een ‘antikatholieke meerderheid’ te voorkomen. Neefs was één van de vijf gemandateerden van de KVV, naast partijvoorzitter Louis Nobels (advocaat en behorende tot de burgerij en middenstand), gemeenteraadslid Jozef De Marré (notaris en voorzitter van het Verbond der Burgers en Vrije Beroepen), Alfons Buts (tuinbouwer en voorzitter van de Boerengilde Mechelen-Zuid) en Edward Clottens (bediende, ACW-secretaris en KVV-propagandaleider). Eind juni 1938 werd het onderhandelingscomité in aantal gereduceerd, met Nobels en Neefs voor de KVV, de gewezen katholieke partijsecretaris en katholiek kandidaat bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1932 ingenieur Charles Laurent en de Mechelse accountant Camille Baeck voor het VNV en Antwerps volksvertegenwoordiger Charles Convent en de Mechelse handelaar Etienne Stevens voor Rex.64 De toenaderingen met VNV en vooral deze met Rex, gebeurden niet alleen in Mechelen maar ook in andere steden en gemeenten, en verontrustten de katholieke partij tot op nationaal vlak. Bij de lijstsamenstelling voor de parlementsverkiezingen van 1936 had de kwestie de partij grondig verdeeld, al was de uiteindelijke teneur negatief tegenover de concentratie. Met name de invloedrijke nationale ACW- top had zich toen duidelijk tegen de concentratie uitgesproken. Na de verkiezingsnederlaag van 1936 was de interne verdeeldheid nog een stuk groter. De nationale ACW-leiding, waarvan Verbist toch één van de belangrijkste figuren was, stond officieel ronduit afkerig en trachtte te voorkomen dat het slechte voorbeeld elders in Vlaanderen navolging zou krijgen. Maar plaatselijk was de houding uiterst dubbelzinnig. Enerzijds bestreed de arrondissementele ACW-leiding en het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) zulke samenwerking in andere gemeenten binnen de regio; de katholieke meerderheid werd er immers niet bedreigd. Anderzijds onderhandelden de ACW-prominenten Verbist, Clottens en Neefs in de stad
  12. 12. 12 Mechelen over een rechtse concentratie; een hoogst ambigue houding! In 1937-1938 gingen Verbist, Clottens en Neefs dus tegen de algemene teneur van de ACW-leiding in, zij stoorden zich aan de kritiek en de ‘onduidelijkheid’ (sic) en vroegen dat “het ACW volstrekt de schijn zou wegnemen dat het tegen concentratie is, en het nodige zou doen om tot concentratie te komen op sociaal gebied door klaarheid te brengen in de opvattingen over de te volgen richting, door samen te komen met de leiders van de arbeiders- en boerenorde”.65 Het lijkt waarschijnlijk dat precies onder invloed van Verbist als nationaal partijvoorzitter vanaf oktober 1936 de waarschuwingen vanuit de partijleiding tegen de concentratie minder uitdrukkelijk waren dan voordien.66 In Mechelen werd aanvankelijk getracht een verregaande samenwerking van de drie partijen te bekomen, waarbij één gemeenschappelijk politiek programma en een eenheidslijst van kandidaten aan de kiezer voorgelegd zouden worden. Maar op 3 september 1938 werd de ambitie om als één partij (!) op te komen, wijselijk opgeborgen. Er kwam een los verkiezingskartel “tegen de Marxisten” tot stand van de ‘Volkse Concentratie voor Gemeentelijke Belangen op Christelijke Grondslag’. Het programma was opzettelijk vaag gehouden, met in nietszeggende slogans de nadruk op de Vlaamse eigenheid van de gemeenten, op de gelijkheid tussen het vrij en gemeenschapsonderwijs en op een zakelijk en financieel gezond beheer van de stad “zonder politisering”. Maar voor de socialisten ging deze concentratie van rechtse, Vlaamsgezinde en katholieke krachten véél te ver, en zij kondigden reeds vóór de kiesstrijd verbitterd aan nooit in een coalitie te zullen treden met deze “katholiek-fascistische concentratie”.67 Neefs kwam als 2de ACW-kandidaat op de 10de plaats Verbist kwam ditmaal niet op, ook niet als lijstduwer. Hij hield vast aan het nationaal partijvoorzitterschap, en had daar zelfs een ministerpost voor over. Bijgevolg vroeg de partijleiding aan uittredend burgemeester Dessain om opnieuw lijsttrekker te worden. Deze aanvaardde schoorvoetend en met een bang hart.68 Twee VNV-ers en evenveel Rexisten kwamen op de lijst, maar niet in de kopgroep. Ook na de vorming van de eenheidslijst bleek dat de ‘Grote Concentratie’ bij de katholieke achterban moeilijk verteerd werd. Velen stoorden zich aan de nauwe samenwerking met het VNV, maar Rex lag nog veel moeilijker. Léon Degrelle goot als Rex-leider olie op het vuur door triomfantelijk in de pers te verkondigen dat in Mechelen al hun voorwaarden vervuld waren en dat de KVV niet eens onder een eigen partij-embleem zou opkomen. Gazet van Mechelen reageerde hierop bijzonder ontstemd en vroeg de Mechelse katholieke leiders prompt om meer uitleg.69 Door de internationale spanningen werden de gemeenteraadsverkiezingen met één week uitgesteld, tot 16 oktober 1938. De Concentratie gaf niet wat de architecten Verbist, Clottens en Neefs ervan verwacht hadden. De psychologisch zwaar wegende toegevingen inzake het programma en de lijstsamenstelling leverden nipt één zetel winst ten opzichte van het resultaat van de katholieke partij van 1932, met 41,1% en 13 van de 29 mandaten. De socialisten konden met 39,67% het verlies beperken tot één zetel, en telden 12 raadsleden. De liberalen consolideerden met 16,16% hun 4 mandaten. De twee VNV’ers en evenveel rexisten kwamen door hun hoge aantal voorkeurstemmen ten koste van vier op de lijst hoger geplaatste KVV-kandidaten in de gemeenteraad. Neefs werd als 10de kandidaat herkozen, met 375 voorkeurstemmen, bijna honderd meer dan de vorige keer, maar minder dan Hendrik Baetens (VNV en 9e ), Camiel Baeck (VNV en 13e ) en Hendrik Bouvier (Rex en 14e ).70 Gezien de slechte ervaringen uit 1923, toen een tripartite na enkele jaren al uiteenspatte, had niemand zin in een samengaan van de drie grote traditionele partijen.71 Meteen na de verkiezingen startten socialisten en liberalen onderhandelingen, terwijl de katholieken intern orde op zaken trachtten te stellen en zich voorbereidden op een oppositiekuur. Er stak een storm van zware kritiek op binnen de katholieke partij, en vooral binnen de christelijke arbeidersbeweging vielen er harde woorden. Zelfs de architecten van de concentratie moesten toegeven dat hun geesteskind niet ten volle gegeven had wat ervan verwacht was. Maar zij drukten geen spijt uit, en betreurden de kritiek, die ook op nationaal vlak en vanuit de Waalse ACW-leiding geuit was. Overigens verklaarde Clottens in het Arrondissementeel Werkersverbond dat vooraf met de geestelijke overheid over de concentratie gesproken was, want “iemand die de toestand maar van heel verre kent dient toch te weten dat een katholieke partijformatie in Mechelen niet zo vrij kan handelen dan gelijk waar elders”. Het – weliswaar in interne kring maar toch formeel - verwijzen naar de betrokkenheid én de (impliciete) instemming van de (kringen rond de) kardinaal-aartsbisschop kon tellen,
  13. 13. 13 was ongetwijfeld uniek, en toont aan hoezeer Verbist, Clottens en Neefs zich in het nauw gedreven voelden. Clottens legde de schuld van het tegenvallend resultaat overigens grotendeels bij het gebrek aan steun vanuit het ACW.72 Doordat socialisten en liberalen elk zelf het burgemeesterschap opeisten, liepen hun onderhandelingen vast. Als klap op de vuurpijl zegden net voor het jaareinde twee Vlaamsgezinde liberalen in ruil voor schepenambten hun steun toe aan een heterogene coalitie van KVV, VNV en Rex, en kon de kleinst mogelijke meerderheid van 15 op 29 zetels van start gaan. Dessain bleef burgemeester, al stond die openlijk zeer kritisch tegenover de coalitie die hem opgedrongen was en hij liet openlijk verstaan dat hij mogelijk vervroegd zou opstappen.73 Socialisten en liberalen reageerden furieus op de onverwachte coalitie. Bij de verdeling van de bevoegdheden toonde het trio Verbist-Clottens-Neefs zijn macht. Zijn hele loopbaan had Dessain het departement Financiën onder zijn rechtstreekse controle gehouden. Maar thans moest hij dit onder druk van de partij overlaten aan Cyriel Neefs, die vierde schepen werd. Daarnaast cumuleerde Neefs het schepenambt met het lidmaatschap van de Commissie van Openbare Onderstand, tot ongenoegen van de socialistische oppositie.74 De socialistisch-liberale oppositie was zwaar gefrustreerd omdat zij niet had kunnen beletten dat een heterogene rechtse coalitie van 9 katholieken, 2 VNV-ers, 2 Rexisten en 2 dissidente liberalen de volgende jaren de lakens zou uitdelen. De gebeurtenissen beroerden ook de publieke opinie, en voor de installatievergadering van 5 januari 1939 werd extra bewaking voorzien, maar incidenten bleven uit. Dat het de oppositie menens was, moest de kersverse schepen van Financiën Cyriel Neefs van meetaf ondervinden. De besprekingen in februari 1939 over de begroting sleepten zes vergaderingen aan, ook al was die net als de vorige jaren in evenwicht. Reeds op 20 april 1939 viel de Concentratie in de gemeenteraad uiteen ten gevolge van de agitatie van de KVV tegen het VNV tijdens de campagne voor de parlementsverkiezingen van 2 april 1939. De socialisten vroegen het ontslag van het schepencollege, doch de nipte bestuursmeerderheid bleef onder druk van de toenemende oorlogsdreiging moeizaam standhouden.75 Op 7 augustus 1939 delegeerde de gemeenteraad voor de duur van de legislatuur alle benoemingen voor stadspersoneel op proef aan het college van burgemeester en schepenen, tot groot ongenoegen van de oppositie.76 Oorlogsschepen en tijdelijk waarnemend oorlogsburgemeester (1940-1944) Toen op 17 mei 1940 Mechelen door de Duitsers bezet werd, viel het openbare partijleven stil. Maar de katholieke partijtop ontwikkelde achter de schermen heel wat activiteiten, die in de loop der jaren koortsachtiger werden naarmate de bevrijding naderde. Cyriel Neefs was de belangrijkste katholieke mandataris die de hele bezetting door in functie bleef. Als schepen van Financiën was hij vlak voor de bezetting door het vooroorlogse college naar Brussel gezonden om kostbare stedelijke bezittingen in veiligheid te brengen; eind mei 1940 keerde hij naar Mechelen terug. Het duurde niet lang of de bezetter trachtte de politici door intimidatie de mond te snoeren. Op 19 januari 1941 deden de Duitsers huiszoekingen bij burgemeester Dessain, de schepenen Cyriel Neefs, Jan Schaepherders, Frans Van de Werf, Frans Boon en Oscar Vankesbeeck en politiecommissaris Verstraeten. Bij Dessain, Neefs, Vankesbeeck en Verstraeten werd beslag gelegd op ‘gehamsterde etenswaren’.77 Eén maand later, op 22 februari 1941, protesteerden de meeste gemeenteraadsleden formeel tegen de voorgenomen afzetting van Dessain als burgemeester; de Rexisten onthielden zich terwijl de VNV-ers vlakaf weigerden de protestbrief te tekenen. Het protest bleek overigens tevergeefs, want door de Duitse verordening van 7 maart 1941 kregen alle burgemeesters en schepenen ouder dan zestig jaar ambtsverbod opgelegd. Neefs bleef samen met zijn partijgenoot en vriend Frans Van de Werf alleen over als lid van het vooroorlogse schepencollege, en hij nam vanaf 1 april 1941 voor korte tijd als waarnemend burgemeester de plaats in van de negenenzestigjarige Dessain, in afwachting van de definitieve benoeming van een nieuwe burgervader. Neefs stelde voor niet alle vrijgekomen schepenplaatsen in te vullen, om niet teveel de aandacht van de Duitsers te trekken en om het persoonlijk gevaar voor de intredende raadsleden te beperken. Wellicht beseften zowel Neefs als de socialisten – terecht - dat de bezetter Duitsgezinden zou benoemen, en wilden zij de schande van een ontslag voorkomen. Merkwaardig is dat aan de twee oudste
  14. 14. 14 overblijvende gemeenteraadsleden sinds de invoering van de nieuwe leeftijdsgrens gevraagd werd om het waarnemend schepenambt op te nemen – nochtans beide socialist - ter vervanging van twee (afgescheurde) liberalen. De socialistische partij boog zich over het aanbod en aanvaardde het, als tweede grootste partij; de liberalen stemden blijkbaar zonder morren met het voorstel in. Bijgevolg werden enkel de socialisten Veldemans en Van de Plas waarnemend schepen. Gedwongen door de voortdurende obstructies vanwege de bezetter nam het schepencollege, zoals in vele andere gemeenten, vanaf 23 juni 1941 voor de duur van de oorlog de bevoegdheden van de gemeenteraad over, die niet meer samenkwam. Op 10 juli 1941 werd VNV-gemeenteraadslid en accountant Camille Baeck door de Duitsers tot burgemeester aangesteld, zodat Neefs zich opnieuw moest tevredenstellen met een schepenambt. Op 23 oktober 1941 werden, zoals gevreesd was, Veldemans en Van de Plas vervangen door VNV-ers. Met nog een bijkomende VNV-er vanaf 27 november 1941 was het schepencollege opnieuw voltallig, met 3 VNV-ers en 2 katholieken, maar waarbij de VNV-ers de daaropvolgende maanden steeds meer bevoegdheden naar zich toetrokken.78 In het college konden de katholieke schepenen Neefs en Van de Werf dikwijls niet meer doen dan te trachten de schade te beperken, en af en toe konden zij zich bij stemmingen onthouden. Onder impuls van de VNV-burgemeester en schepenen werd getracht in sneltempo een cultuurbeleid door te voeren op maat van de Duitse bezetter. Daarbij ging veel aandacht naar de verheerlijking van de eigen Vlaamse identiteit, maar enkel voor zover deze paste in de vermeende gezamenlijke ‘Dietse’ afstamming en als voorbode voor een politieke ‘Dietse’ eenwording. In de vele commissies die hiertoe opgericht werden, zetelden de VNV-burgemeester en –schepenen zelf, of ze dropten er gelijkgezinden in. Daarbij toonde Filip de Pillecyn zich als een hoofdrolspeler: hij was sinds 1941 directeur-generaal van het middelbaar onderwijs en trachtte vanuit Mechelen over heel Vlaanderen de ‘werkgemeenschap voor volksche kultuur’ Volk en Kunst uit te bouwen. Het protest van Neefs en Van de Werf tegen de gang van zaken werd niet gehoord. De onmacht van Neefs en zijn schepencollege bleek pijnlijk toen zij er niet in slaagden de afgezette schepenen Bouchery en Vankesbeeck, die half mei 1941 gedeporteerd waren naar het beruchte gevangenenkamp Breendonk, vrij te krijgen. Pas half juli 1941, enkele dagen na de aanstelling van Baeck tot burgemeester, werden zij vrijgelaten. Neefs en Van de Werf konden zich evenmin doen gelden toen in 1943 alle culturele verenigingen verplicht werden zich aan te sluiten bij een door het VNV opgericht cultuurverbond.79 Kort daarna werd de door het VNV en de collaborateurs gedomineerde Unie van Hand- en Geestesarbeiders als enige organisatie erkend om de belangen van het stadspersoneel te verdedigen en ervoor te bemiddelen.80 Maar anderzijds laakten de socialisten na de oorlog de greep op het bestuur van Cyriel Neefs en stadssecretaris Louis Ryckeboer, die elkaar zeer genegen waren, wat vanuit de socialisten vragen deed rijzen over de onpartijdigheid van de stadssecretaris.81 Zo durfde Neefs volgens de socialisten burgemeester Baeck meermaals te gebruiken om zijn zin door te drijven, zowel als C.O.O.-raadslid, als in het college bij de aanstelling van een directeur van het stedelijk O.-L.-Vrouwziekenhuis, en steeds gedreven vanuit zijn dienstbetoon aan trouwe katholieke kiezers. Tenslotte zou hij rechtstreeks met de bezetter meegewerkt hebben, zoals bij het betaald adverteren voor de Mechelse meubelnijverheid in de Brüsseler Zeitung, met een oproep voor werkkrachten in Duitsland, ondanks het uitdrukkelijke verzet van Vankesbeeck.82 Tenslotte namen de socialisten de steun van Neefs kwalijk aan de “verraderskliek” Tijl. Deze Mechelse ‘Kunst en kultuurgroep’ had reeds in 1939 en 1940 een culturele week georganiseerd, maar haar Nationale Kultuurdagen vanaf 1941 werden een handig instrument van de Duitse Kulturpolitik.83 Neefs hielp burgemeester Dessain toen deze met de Duitse bezetter nog meer problemen kreeg. De aanwezigheid van Dessain – op eigen houtje - op de begrafenis op 19 en 24 april 1944 van de slachtoffers van de (geallieerde) luchtbombardementen op Mechelen, werd door oorlogsburgemeester Baeck als een ongehoorde provocatie beschouwd. Die diende op 30 april een schriftelijke aanklacht in bij Major von Maercker. Baeck eiste een verbod op alle openbare bedrijvigheden, zowel voor Dessain als voor het socialistisch gemeenteraadslid Jozef Verbert (1899-1954), die ook aan de plechtigheid had deelgenomen. Meer bepaald eiste Baeck dat beiden verbod kregen om bestuurslid te worden van de Mechelse afdeling van het Nationaal Steunfonds voor Geteisterden, die in oprichting was. Bovendien moest aan Dessain verboden worden beheersposten bij het Gemeentekrediet van België, bij de verzekeringsmaatschappij 'Onderlinge Maatschappij van Openbare Besturen'of in ambtelijke commissies waar te nemen. Baeck had voordien al zonder succes getracht deze bestuursmandaten persoonlijk in handen te krijgen en Dessain te weren. Dankzij bemiddeling van Neefs via de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken Gerard Romsée (1901-1976) kwam er van de door Baeck geëiste tuchtmaatregelen tegen Dessain en Verbert niets in huis,
  15. 15. 15 en beiden werden bestuurslid van het Steunfonds.84 De beschuldiging na de oorlog door communisten, socialisten en liberalen dat Neefs als 'collaborerend'oorlogsschepen toen Dessain in de steek had gelaten, was ter kwader trouw en typisch voor de vijandige politieke sfeer in Mechelen van toen.85 Slachtoffer van de repressie (1944-1945) Ondertussen had burgemeester Dessain “in een optimistisch ogenblik” reeds in de zomer van 1942 in het grootste geheim contact gezocht met de socialistische voormannen Bouchery en Verbert om een drieledig college van katholieken, socialisten en liberalen voor na de oorlog voor te bereiden. In het vooruitzicht van de bevrijding zochten Verbert en Antoon Spinoy, die de zieke Bouchery verving, in augustus 1944 zelf contact met Dessain. Bij de bevrijding van Mechelen op 4 september 1944 nam Dessain onmiddellijk het burgemeesterschap opnieuw waar, met het voornemen de rol van elk van de oorlogsschepenen te onderzoeken en een college van katholieken, socialisten en liberalen te installeren. 's Anderendaags ontbood hij in de voormiddag verschillende ambtenaren uit de stadsdiensten op zijn kabinet. Hij gaf hen opdracht lijsten op te maken van alle personeelsleden die van collaboratie met de bezetter verdacht konden worden. Daarnaast benoemde hij bij de politie drie commissarissen die buiten elke verdenking stonden. Vervolgens begon hij met een onderzoek van de notulen van het college van burgemeester en schepenen gedurende de bezetting. Hij plande in de namiddag een overleg met Bouchery, waarna in een zitting met de op dat moment beschikbare gemeenteraadsleden van de katholieke, socialistische en liberale partij – dus zonder VNV en Rex – de formule van een drieledig college besproken zou worden. Toen de burgemeester zich na het middagmaal bij hem thuis naar het stadhuis spoedde, werd hij opgewacht door een enthousiaste menigte die hem binnenleidde. Temidden van bloemen en een massa kaartjes met gelukwensen stierf hij kort nadien in zijn werkkabinet op het stadhuis.86 De plotse dood van Dessain schokte de stad. Het schepencollege kwam in de namiddag van 5 september bijeen in haar samenstelling van vlak voor de bezetting, maar zonder de vertegenwoordigers van VNV en Rex. Eerste schepen en ouderdomsdeken de katholiek Jan Schaepherders, gewezen volksvertegenwoordiger, weigerde als 69-jarige om gezondheidsredenen de post van waarnemend burgemeester, al wou hij wel eerste schepen blijven. Daarop besliste het college, bestaande uit de katholieken Schaepherders, Neefs en Van de Werf en de liberaal Frans Boon, schepen Neefs voor te dragen als waarnemend burgemeester. Maar deze was op 4 september - zoals alle oorlogsschepenen – door de provinciegouverneur geschorst in afwachting van de resultaten van een onderzoek dat door de arrondissementscommissaris gevraagd was. Daarom zat de liberale schepen Boon de door Dessain geplande gemeenteraadszitting nog dezelfde dag voor, waaraan ook de socialisten deelnamen, en waarbij enkel kennis genomen werd van de gebeurtenissen. Boon slaagde er de volgende dagen in een drieledige coalitie op de been te brengen, met de 67-jarige katholieke notaris Jozef De Marré en de socialisten Bouchery en Verbert als waarnemend schepenen. Voor de geschorste schepen Van de Werf was zijn politieke loopbaan voorgoed voorbij; hij nam op 19 februari 1945 ook ontslag als gemeenteraadslid. Het hete hangijzer van het burgemeesterschap werd door De Marré ontweken. Op 14 september trok provinciegouverneur Georges Holvoet de schorsing van Neefs in, waarop deze onmiddellijk de functie van waarnemend burgemeester opnam. De socialistische waarnemende schepenen zegden hun medewerking aan het drieledige voorlopige college prompt op, gaven hun ontslag als schepenen en verzochten de gouverneur opnieuw om de schorsing van Neefs. Op 19 september werden zij als waarnemend schepenen vervangen door de katholieken Jozef De Ley uit de middenstandsgroep en mevrouw Gabriëlle Cools- Tambuyser van ACW-strekking. Meteen was voor het eerst een vrouw schepen in Mechelen.87 De geallieerde bevelhebbers hielden zich wijselijk buiten het politieke gekrakeel en genoten van de feestelijke ontvangst(en) op het stadhuis tijdens de eerste dagen na de bevrijding. Merkwaardig is dat de liberaal Boon op post bleef. Want de liberale groep distantieerde zich uitdrukkelijk van het college en volgde het socialistische standpunt. Daardoor was de concentratiegroep in theorie haar meerderheid kwijt. Maar volgens de socialisten verdaagde Neefs de vervanging van geschorste en overleden gemeenteraadsleden door de samenstelling te laten aanslepen van een commissie die de geloofsbrieven moest onderzoeken. Zo kon hij vermijden dat socialisten en liberalen effectief hun numerieke meerderheid konden laten gelden, onder andere door de vervanging van de overleden liberale dissident Vankesbeeck door een partijgetrouwe liberaal. De socialisten spraken van een “onwettelijk regime op het stadhuis”. Pas op 26 februari 1945 konden zij de vervanging van zes leden afdwingen.88 Tot dan kwam de gemeenteraad
  16. 16. 16 enkel voor bestuurstechnische aangelegenheden inzake financiën en personeelsbenoemingen bijeen. De zittingen verliepen in een uiterst gespannen sfeer en liepen keer op keer op incidenten uit. Tenslotte moesten zittingen verdaagd worden omdat de meerderheid niet in voldoende aantal was wegens onverwacht belet van één katholiek lid. Zelfs Gazet van Mechelen kreeg het op de heupen en klaagde dat zulks weinig bijdroeg tot een degelijk stadsbestuur.89 Het fundamentele meningsverschil tussen de katholieken en de andere partijen draaide rond de vraag of de schepenen al dan niet in functie hadden mogen blijven nadat VNV-er Baeck in juli 1941 door de bezetter tot burgemeester aangesteld was. Zelfs na zijn dood werd Dessain in de discussie voor de kar gespannen. Volgens de katholieken had hij uitdrukkelijk gewenst dat de verkozen schepenen op post zouden blijven 'om erger te voorkomen', en omdat plaats ruimen het de bezetter alleen maar gemakkelijker zou maken. Overigens hadden ook twee socialisten onder oorlogsburgemeester Back een schepenambt waargenomen en hadden nog meer socialisten toen ambities getoond. Volgens de socialisten wees de intentie van Dessain om een nauwgezet onderzoek te voeren naar de handelswijze van allen die na juli 1941 in het college waren blijven zetelen, juist op het tegendeel. Dessain zou bovendien aan de twee socialistische onderhandelaars Verbert en Spinoy in augustus 1944 verklaard hebben dat een ‘partijbevel’ voor Neefs om aan te blijven hem volstrekt onbekend was. Om hun twee oorlogsschepenen te vergoelijken, stelden de socialisten in een toch wel merkwaardige redenering dat die nooit tot schepen aangesteld waren, maar zetelden “ter aanvulling van het College wegens onbeschikbaarheid van schepenen”.90 Toen het katholieke college in de gemeenteraad op 26 april 1945 aankondigde een onderzoekscommissie in te stellen om de houding van het gemeentepersoneel te onderzoeken, weigerden de socialisten en liberalen hun medewerking omdat Neefs er deel van uitmaakte, al bleken zij bereid de besluiten van de commissie in de openbare zitting te bespreken.91 In mei 1945 betuigde het college haar loyauteit aan koning Leopold III.92 Meer nog dan de socialisten hadden de communisten het op Neefs gemunt, vooral met een lastercampagne via hun weekblad De Waarheid. Maar het ontbrak hen aan harde feiten, laat staan bewezen misdrijven of misdaden en het bleef dus bij algemene beschuldigingen van ‘collaboratie’. Begin mei 1945 ontsierden zwarte hakenkruisen de privé-woning van Neefs. Op 16 mei 1945 liep een communistische meeting uit op een protestmars. Volgens de communisten trokken “honderden” Mechelaars naar de privé- woning van Neefs, die beschermd werd door een vijftigtal agenten. De ordediensten konden evenwel niet voorkomen dat een aantal manifestanten de woning binnenvielen. Toen de betogers Neefs niet thuis vonden – hij was tijdig gevlucht – werden twee familieleden meegenomen, onder wie zijn zus Lisette Neefs, aan de Staatsveiligheid overgeleverd, aan een verhoor onderworpen en daarna terug vrijgelaten.93 Maar tegelijk was in de gespleten samenleving van toen voor vele burgers die in opspraak waren gekomen, waarnemend burgemeester Neefs juist de laatste hoop op redding, en menig Mechelaar greep de pen om zijn hulp in te roepen. Soms antwoordde hij dat hij niets anders kon doen dan afwachten. Meermaals contacteerde hij de directeur van de Dossinkazerne, die als interneringskamp voor aangehouden vermeende collaborateurs ingericht was, of de Procureur des Konings, om alles in het werk te stellen om vrijlating van arrestanten te bekomen, meermaals met succes.94 Op 20 mei 1945, vier dagen na het incident in zijn woning, pakte Neefs in kranten en affiches uit met een schrijven van de Generale Staf van de Weerstandsgroepering (OMBR) aan de gemeenteraadsleden. Als “wettelijk erkende weerstandsgroepering, wiens werking buiten en boven alle partijpolitiek staat” bevestigde commandant G. Allaert van OMBR dat Neefs er sinds mei 1941 lid van was, dat zijn daden door “ware en zuivere vaderlandsliefde” ingegeven waren, en dat er “niet het minste onvaderlands of laakbaar feit” aangetoond kon worden.95 Tenslotte vroeg Neefs aan alle Mechelaars de orde te bewaren en gewelddaden te vermijden. Deze ultieme poging om zijn naam te zuiveren bleek tevergeefs. Op 23 mei 1945 werd Neefs op bevel van de liberale Minister van Binnenlandse Zaken Adolphe van Glabbeke geschorst als waarnemend burgemeester en als schepen. Volgens de KVV was er nochtans geen enkel nieuw element dat zulks wettigde.96 Als oudste lid van de gemeenteraad kwam de sinds de bevrijding waarnemend schepen van Financiën en Betwiste Zaken Jozef De Marré op de burgemeesterszetel, alhoewel de katholieken thans numeriek in de minderheid waren, en dit in afwachting van de nieuwe definitieve benoeming van een burgemeester. De Marré was een gematigd en bezadigd figuur en trachtte zich boven het politieke gekrakeel te plaatsten, met een oproep tot verzoening. Maar op 28 mei 1945, de eerste gemeenteraad die De
  17. 17. 17 Marré voorzat, kwam de oppositie niet opdagen. Op 1 juni deed ze dat wel, en meteen verklaarden de socialisten dat zij met de liberale schepen Boon een overeenkomst tot de volgende verkiezingen hadden bereikt. In ruil voor de goedkeuring van de voorlopige twaalfden van de begroting 1945 dwongen zij op 28 juni drie schepenambten af: één bijkomend voor de liberalen en twee voor de socialisten. Eén van hen was de 38-jarige socialist Antoon Spinoy, die een blitzcarrière maakte en nog maar net op dezelfde zitting als vierde opvolger in de gemeenteraad was gekomen. Deze Mechelse arbeiderszoon en spoorwegbediende was door zijn latere schoonbroer het Mechels gemeenteraadslid en schepen Jozef Verbert in de socialistische Arbeidersjeugd binnengeloodst en had als arrondissements- en federaal secretaris van de Belgische Werklieden Partij (BSP) ten voordele van het Plan van de Arbeid van Hendrik de Man geageerd. Hij was sinds 1936 provincieraadslid, en was in 1938 pas als vierde socialistische opvolger voor de gemeenteraad uit de stembus gekomen. Tijdens de 18-daagse veldtocht was hij krijgsgevangen gemaakt. In 1941 sloot hij zich aan bij het verzet en werd lid van de Vlaamse Centrale van de Illegale Socialistische Partij. Na de bevrijding werd hij Vlaams secretaris van de BSP en nog in september 1944 bestendig afgevaardigde, tot hij in november 1944 zijn overleden partijgenoot Bouchery in de Kamer opvolgde.97 Na een hele reeks strubbelingen was paradoxaal dan toch een driepartijencoalitie aan de macht gekomen, zoals Dessain oorspronkelijk voorzien had. Er bestond een heus bestuursakkoord, met de nadruk op het aanzwengelen van de nijverheid, openbare werken, het gemeentelijk onderwijs, de zorg voor de ‘oorlogsgetroffenen’ en de bestrijding van de woeker. Zélfs bij de socialisten was er enig enthousiasme, want op 8 juli 1945 maakten zij trots melding van de goedkeuring door de partijraad met een grote meerderheid van dit drieledige college en het bestuursakkoord.98 Maar de rust was schijn; eens het politieke akkoord met de liberalen op zak lobbyden de Mechelse socialisten achter de schermen intens bij hun ministers over de benoeming van een socialist als burgemeester. Bovendien vertroebelde de Koningskwestie de verstandhouding zienderogen tussen katholieken enerzijds en socialisten en liberalen anderzijds. Kort nadat de katholieken op 2 augustus 1945 uit de tweede Regering-van Acker van socialisten, liberalen en communisten gewipt waren, werd op 21 augustus 1945 de socialistische schepen Spinoy door de Prins-Regent op voordracht van de minister Van Glabbeke tot burgemeester benoemd. Zijn aanstelling tot burgemeester was voor de katholieken een kaakslag; zij spraken van een “verkrachting van het bestuursakkoord” dat amper twee maanden oud was, stapten woedend uit de coalitie, bleven drie maanden van de gemeenteraad weg en voerden daarna een harde oppositie. Spinoy, die later minister werd, zou de burgemeesterssjerp tot zijn overlijden in 1967 dragen.99 Pas op 25 september 1945 gingen twee epuratiecommissies van start om gewezen collaborateurs aan te pakken. Zij vervingen de reeds bestaande zuiveringscommissie, die evenwel niets had kunnen uitrichten omdat die door de socialisten, communisten en liberalen niet erkend was door het lidmaatschap van Neefs. Eén van de nieuwe commissies kwam onder het voorzitterschap van de liberaal Smets en voor de andere werd de katholiek Louis Nobels als voorzitter aangeduid, maar deze laatste weigerde, waarna die dan maar zonder voorzitter van wal stak...100 Neefs bleef ondertussen afwezig op de gemeenteraadszittingen, tot de raad op 1 december 1947 akte nam van de eindconclusie van de Bestendige Deputatie. Uit haar onderzoek bleek “dat een hoop zaken, die in het openbaar ten laste gelegd werden van Neefs, niet bewezen blijken te zijn”, en bijgevolg werd het dossier zonder gevolg geklasseerd.101 Maar de affaire had het politieke klimaat in Mechelen grondig verziekt en ook persoonlijke diepe wonden geslagen. Pas begin 1959, na het sluiten van het schoolpact op nationaal niveau, konden de christendemocraten in Mechelen een einde maken aan hun oppositiekuur door een coalitie met de socialisten.102 Provinciaal senator als bekroning van een lange loopbaan (1945-1965) Ondertussen had de Katholieke Vlaamse Volkspartij zich op Kersdag 1945 omgevormd tot Christelijke Volkspartij (CVP), waarbij een op nationaal niveau geleide partij met een christendemocratisch en Vlaams programma gelanceerd werd.103 Neefs werd op 11 januari 1946 gecoöpteerd als bestuurslid in de afdeling Mechelen. Maar de partij zette hem niet op een kandidatenlijsten voor de parlementsverkiezingen van 17 februari 1946. Tijdens de bikkelharde kiesstrijd deed de socialistische lijsttrekker Spinoy heel wat stof opwaaien door zich in een kranteninterview erg beledigend uit te laten over de ‘incivieke’ katholieken.104
  18. 18. 18 Om haar vertrouwen in Neefs kracht bij te zetten, verkoos de CVP hem op 7 maart 1946 tot provinciaal senator op een moment dat het onderzoek tegen hem nog volop lopende was. Vooral de linkse politieke partijen fulmineerden hevig. De katholieken herhaalden in een ‘manifest’ hun gekende standpunten, en voegden de getuigenis van verzetsleider Jan Mantiers eraan toe, volgens wie Neefs in weerstandsacties doelmatig meegewerkt had. Overigens had de bevoegde senaatscommissie, waar nochtans ook socialisten van deel uitmaakten, hiertegen niets kunnen inbrengen. Het communistische weekblad De Waarheid, dat jarenlang een ware lastercampagne voerde tegen alles wat katholiek en Vlaamsgezind was of kon zijn, argumenteerde dat de commissie overwegend uit katholieken en socialisten bestond, dat zij geen inspraak had, dat verdere gegevens of bewijzen over de weerstandsacties ontbraken, en dat de katholieke partij Neefs niet eens op de kandidatenlijst voor de verkiezingen had durven zetten.105 De CVP bewees met de verkiezing van Neefs heel wat over te hebben voor de zaak waarvoor hij symbool stond. Door de herverkiezing van Verbist tot volksvertegenwoordiger op 17 februari 1946 en de aanduiding van Neefs tot provinciaal senator, was met name de beloftevolle Jos De Saeger, die ook in ACW-kringen veel aanhang genoot, buiten de prijzen gevallen. Deze gewezen nationaal propagandist en schatbewaarder van de KAJ (1932-‘36), medewerker van Mgr. Jozef Cardijn aan het Studie- en Documentatiecentrum van de Katholieke Unie (1935-’36) en medestichter en leider van het Katholiek Jeugdfront (1937) had zich als accountant en belastingsadviseur in Mechelen gevestigd, en had zich tijdens de bezetting als lid van de groep-Tony Herbert doen opmerken als één van de belangrijkste vernieuwers van de partij. Hij was thans secretaris van de stedelijke en arrondissementele CVP. Ontgoocheld had hij binnen de partij in 1946 gedreigd met een overstap naar de middenstandsgroep. Een nationale ACW- delegatie kreeg op 29 november 1946, enkele dagen na de gemeenteraadsverkiezingen, in Mechelen het gejammer te horen over het verloren gaan van zoveel politiek talent voor de arbeidersbeweging: “De Saeger gaat helemaal naar de Middenstand, blijkt ontgoocheld omdat hij geen Kamerlid is”. Maar de Mechelse militanten kregen te horen: "Spijts al hun gebreken blijven Neefs en Clottens de mannen met politieke ervaring".106 En daarmee was de kous af… De Saeger kreeg bij de parlementsverkiezingen van 1949 inderdaad ook vanuit de Middenstand heel wat steun, werd tot parlementslid verkozen, lag als nationaal partijbestuurslid mee aan de basis van de partijcommissie Middenstand, maar behield als spilfiguur binnen het ACV en door diverse functies binnen de verzorgingssector een grote invloed binnen de christelijke arbeidersbeweging.107 Na zijn verkiezing tot senator liet Neefs het ACW-voorzitterschap in Mechelen aan de jongere generatie. Overigens had de arrondissementele leiding in handen van de beloftevolle Jef Keuleers, later provinciaal senator, veel aan belang gewonnen. In 1947 leidde Neefs mee de interne reorganisatie van het ACW op lokaal vlak in goede banen. Bedoeling was de band met de basis te versterken: naast een hoofdbestuur kwam er een ‘middencomité’ van de verschillende parochiale bonden. Bovendien werd voortaan de registratie van leden parochiaal georganiseerd, en niet meer centraal in Het Volksbelang. Keerzijde was evenwel een verregaande versnippering. Tot het einde van de 20ste eeuw bleven de parochiale bonden sterk staan. De CVP behield onverminderd het vertrouwen in Neefs. Hij werd niet alleen gemandateerd als spreker namens de afdeling Mechelen op het nationaal partijcongres van 1946, de partij bood hem op de kandidatenlijst voor de gemeenteraadsverkiezingen van 24 november 1946 de derde plaats aan. Dit wekte opnieuw frustraties op bij de socialisten en communisten, die tijdens de campagne uitpakten met een foto van Neefs temidden van Duitse militairen bij een 11-juliviering tijdens de oorlog.108 De polarisatie tussen katholieken en socialisten speelde in het nadeel van de liberalen, die met net geen 10% van de stemmen twee zetels verloren en er evenveel behielden. De katholieken met 45,8% en de socialisten met 42,9% wonnen elk één zetel, resp. 14 en 13 zitjes. De rood-blauwe coalitie zette met de kleinst mogelijke meerderheid van 15 op 29 zetels haar beleid verder. Neefs was, samen met Edward Clottens, betrokken bij het heropstarten van De Standaard in het voorjaar 1947. Kort voor de bevrijding waren de belangrijkste eigenaars ervan, onder wie de weduwe van minister Gustaaf Sap, benaderd door de industriëlen Léon Bekaert en Tony Herbert, die voorzagen dat de krantengroep na het vertrek van de bezetter moeilijkheden zou krijgen. De nv De Standaard werd inderdaad in september 1944 onder sekwester geplaatst omdat zij onder druk van de Duitsers Het Algemeen Nieuws
  19. 19. 19 had uitgegeven. Hierop sloten de eigenaars een overeenkomst met de groep-Bekaert-Herbert, waarbij deze tegen een beperkte vergoeding en met de overname van het personeel en de infrastructuur van het bedrijf tijdelijk de dag- en weekbladen opnieuw mocht uitgeven. Op 5 oktober 1944 startte de nv De Gids hiermee, maar onder politieke druk werd het gezaghebbende dagblad omgedoopt tot De Nieuwe Standaard. Eind oktober 1946 werd het sekwester op de krantengroep nv De Standaard gelicht. Maar omdat De Gids niet goedschiks wou wijken, richtte De Standaardgroep de vzw De Schakel op, die de échte erfgenaam van de vooroorlogse kranten zou worden. Verbist verleende achter de schermen zijn medewerking aan de samenstelling van de groep, en vrijwel zeker was hij het die Neefs en Clottens als medestichters voordroeg. Inderdaad, op 22 maart 1947 behoorden beiden tot de acht stichtende leden van De Schakel, die als verantwoordelijk uitgever de opvolgers van de vooroorlogse publicaties zou verzorgen, maar geen administratieve, financiële, commerciële of technische verantwoordelijkheid droeg. Mede onder hun impuls stelde De Schakel de Vlaamse belangen boven de Belgische, was zij in beginsel partijpolitiek ongebonden maar wel katholiek en Vlaams, kloeg de repressie aan, en opteerde voor Europese samenwerking. Op 15 april 1947 kon De Schakel de volkseditie Het Nieuwsblad opnieuw doen verschijnen, op 1 mei gevolgd door De Standaard. Van meetaf zette zij zich af tegen concurrent De Nieuwe Standaard, die zich op 1 april 1947 omdoopte tot De Nieuwe Gids. Deze had weliswaar systematisch voor matiging en beperking van de repressie gepleit en was één der voorvechters van de verruiming in de CVP geweest, maar distantieerde zich van het Vlaams-nationalisme en pleitte voor 'Vlaanderen in België'. De Standaard zou weldra haar concurrent overschaduwen. Nadat de krantengroep opnieuw vaste voet had gekregen, werd De Schakel overbodig als structuur en werd in mei 1949 ontbonden.109 Ten laatste vanaf 1948 tot na 1957 was Neefs arrondissementeel voorzitter van de Bond der CVP- Provincie- en Gemeenteraadsleden. Dit streefde politieke vorming voor gemeentelijke mandatarissen, onderlinge samenwerking op lokaal vlak, o.a. via intercommunales, en beleidsoplossingen tot op nationaal niveau na. Bij de parlementsverkiezingen van 26 juni 1949 kon Jos De Saeger rekenen op zowel de steun van de middenstand als van de gezaghebbende nieuwe arrondissementele ACW-voorzitter Jef Keuleers. Deze bekloeg zich op 14 juni 1949, twaalf dagen voor de verkiezingen, bij de nationale ACW-leiding persoonlijk "over de moeilijkheden die hij heeft ondervonden met de groep Verbist-Neefs-Clottens, die zeer sterk lijkt".110 Aangezien voor het eerst sinds 1936 in Mechelen vier CVP-volksvertegenwoordigers verkozen raakten, was De Saeger, die op de strijdplaats stond, er ditmaal wél bij. Neefs werd tot provinciaal senator herkozen. In maart 1951 organiseerde Neefs o.a. met Verbist en Clottens de herinrichting van de Katholieke Vlaamse Landsbond tot Vlaamse Volksbond Mechelen. Bedoeling was er een overkoepelende belangenvereniging van te maken, met steun van andere Vlaamsgezinde organisaties als VOS, het Vlaams Economisch Verbond, het IJzerbedevaartcomité, het KVHV en de Vlaamse Toeristen Bond.111 Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 12 oktober 1952 moest de kandidatenlijst de goedkeuring van de CVP- leden ondergaan door de zgn. ‘poll’; voortaan hadden de partijleden dus het laatste woord bij de bepaling van de rangorde van de verkiezingskandidaten. Neefs kreeg de 8ste plaats toegewezen en werd herverkozen. De CVP betaalde de prijs voor de Koningskwestie, met 41,97% en 13 zetels, een verlies van ruim 6,3% en één zetel aan de socialisten, die ruim 45,9% en 14 zetels haalden, hun hoogste score ooit. De liberalen konden hun winst van 1,8% tot 10,7% niet verzilveren, en bleven op 2 zitjes. De rood-blauwe coalitie zette met een iets comfortabelere meerderheid van 16 op 29 zetels haar beleid verder. In 1955 nam Neefs deel aan zowat alle betogingen van het Comité voor Vrijheid en Democratie, dat de strijd tegen de schoolpolitiek van de linkse regering-Van Acker leidde, en trad hij als spreker op bij manifestaties in Mechelen.112 In 1956 werd Neefs vanuit de Commissie voor Openbare Onderstand (COO) gemandateerd als beheerder in de sociale huisvestingsmaatschappij De Mechelse Goedkope Woning (MGW).113 Na de parlementsverkiezingen van 1 juni 1958 kreeg Neefs in de senaat het gezelschap van Robert Vandekerckhove, die eveneens gecoöpteerd werd. Deze stond in 1945 met Verbist en vooral De Saeger mee aan de wieg van de CVP, had zich in 1947 als notaris te Mechelen gevestigd, was sinds 1952 gemeenteraadslid, volgde in 1963 De Saeger op aan het hoofd van de Vlaamse partijvleugel en werd in 1969 voorzitter van de CVP, daarna eerste voorzitter van de Vlaamse Cultuurraad (1971-1974), minister voor de hervorming van de instellingen (1974-1977) en senaatsvoorzitter (1977-1980).114
  20. 20. 20 Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 12 oktober 1958 duidde de ‘poll’ Neefs als 6de kandidaat aan. De CVP maakte met 45,1% het verlies van vorige keer meer dan goed, en veroverde 14 van de 29 zetels. Zij werden in de nek-aan-nek-race nipt de grootste partij, wonnen één zetel van de socialisten, die met 44,9% 13 zitjes behaalden; de liberalen bleven met 2 zetels status-quo. Nadat De Saeger als lijsttrekker van de CVP, de grootste partij, het burgemeesterschap aan de BSP aanbood, bleek een bestuursakkoord tussen beide mogelijk. Neefs werd na 13 jaar oppositie opnieuw schepen, ditmaal van Betwiste Zaken. Tegen zijn zin, en omdat het wettelijk onverenigbaar was met het schepenambt, verliet hij de COO. Hij verdween ook uit de MGW. De vete tussen Spinoy, die burgemeester bleef, en Neefs leek voorgoed bijgelegd, zelfs op persoonlijk vlak. Maar in de gemeenteraad en in de CVP stond Neefs in de schaduw van de ambitieuze De Saeger, die eerste schepen en later minister werd. Toch bleef hij dé begrotingsspecialist van de partij.115 Bij de lijstvorming voor de gemeenteraadsverkiezingen van 11 oktober 1964 werd Neefs door de partijleiding op de modellijst op de derde plaatst voorgedragen, maar de poll verwees hem naar de 7de plaats, wat in de pers twijfels deed rijzen over zijn kansen op herverkiezing als provinciaal senator na de aanstaande parlementsverkiezingen.116 De CVP verloor toen evenwel fors, nl. meer dan een vierde van haar kiezers, en viel terug van 45,1% naar 35,4%. Zij verloor drie zetels, en behield er 11. Ondanks hun eveneens aanzienlijke verlies behielden de socialisten nipt hun 13 zetels. De Vlaams-Nationalisten die voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog opnieuw opkwamen, haalden in één klap ruim 10,7% en twee zetels. Maar ook de liberalen profiteerden van hun oppositiekuur en wonnen een derde van hun kiezers bij, tot 13,5% en drie zetels, ééntje winst. Toch kon de zwaar gehavende coalitie van CVP en socialisten met 24 van de 29 zetels doorgaan. Neefs werd in de gemeenteraad herkozen en startte zijn laatste mandaat als schepen van Betwiste Zaken. Hij werd namens het stadsbestuur als beheerder in De Mechelse Goedkope Woning gemandateerd van 1966 tot 1972. Net als in de gemeenteraad volgde Neefs in de senaat getrouw alle zittingen, tenzij ziekte hem weerhield. Hij beperkte zich tot twee thema’s die hij goed kende: onderwijs en openbare werken. In de plenaire zittingen kwam hij slechts enkele keren per jaar tussen, maar in de commissies waren zijn tussenkomsten talrijker. Neefs bleef provinciaal senator tot 15 juni 1965, vlak na de parlementsverkiezingen, toen hij de leeftijdsgrens van 65 jaar overschreden had, en Mechels schepen en gemeenteraadslid tot december 1970, na de verkiezingen van oktober dat jaar. Neefs bleef tot zijn dood lid van talloze verenigingen; naast de talloze hogervermelde kringen was hij ook actief lid van het Davidsfonds, waarvan hij gretig de boeken collecteerde, en voorzitter van de Kerkfabriek van de St.- Katelijneparochie. Cyriel Neefs overleed op 19 maart 1976 na een korte ziekte op 76-jarige leeftijd in het stedelijk O.- L.-Vrouwziekenhuis te Mechelen.117 Zo vader zo zoon… Zijn enige zoon, Wilfried Neefs, werd op 26 november 1930 geboren en studeerde na zijn middelbare studies aan het St.-Romboutscollege rechten aan de KU-Leuven. Hij speelde als student een belangrijke rol in het Leuvense KVHV, waarvan hij van 1954 tot 1956 beheerder was. Vanuit deze functie maakte hij de eerste uitgave van de Studentencodex in de huidige vorm financieel mogelijk. Nadat hij in 1956 afstudeerde als doctor in de rechten en zich vestigde als advocaat in Mechelen, bleef hij als oud- student zeer actief in de KVHV. In 1960 vormde hij mee de feitelijke vereniging KVHV om tot een vzw, waardoor de financiële en juridische structuur meer waarborgen kreeg. Hij was van februari 1965 tot oktober 1972 voorzitter van de raad van bestuur, en profileerde zich als een luisterbereid maar taai onderhandelaar. Maar eind 1967 gingen binnen het Verbond de leden van de progressieve ‘Studentenvakbeweging’ (SVB), onder wie zijn stadsgenoot, economiestudent aan de KU-Leuven, preses van het Verbond en hoofdredacteur van het KVHV-tijdschrift Ons Leven Paul Goossens (°Mechelen, 1943), een nieuw maatschappijbeeld aanprijzen waarin voor het KVHV geen plaats meer zou zijn. Daarmee kwamen deze leden van de studentenvakbeweging in conflict met de raad van bestuur en zijn voorzitter Wilfried Neefs, die vreesde voor het voortbestaan van de vereniging. Want als meer traditionele KVHV-er verzette Wilfried Neefs zich hevig tegen de omvorming van het KVHV tot een links studentensyndicaat. Op 5 juni 1967 leidden de oplopende spanningen tot een volledige breuk tussen het KVHV en het SVB. Na een marathonvergadering begin oktober 1967 bij Wilfried Neefs thuis nam

×