VLAKKE MEETKUNDE 2 
studiejaar 1, periode 2, week 3 (en 4)
HUISWERK 
Bespreken uit §3-3 opdracht 19 en 20
Huiswerk 3-3 Opdracht 19 
De middelloodlijnen van drie van de vier zijden van een vierhoek gaan door één 
punt M. 
Bewijs dat ABCD een koordenvierhoek AM = DM (eigenschap mll zijde AD) 
AM = BM (eigenschap mll zijde AB) 
}⇒ is. 
CM = DM 
BM = CM (eigenschap mll zijde BC) 
(En dus ligt M ook op de mll van 
zijde CD (vraag a).) 
En dus liggen de punten A, B, C en D 
op een cirkel met middelpunt M en dus 
is vierhoek ABCD een koordenvierhoek.
Huiswerk 3-3 Opdracht 20 
Teken een driehoek ABC met zijn omgeschreven cirkel en punt E op de omgeschreven cirkel en 
punt D1 binnen de omgeschreven cirkel en punt D2 buiten de cirkel. 
Bewijs dat geldt: ∠ABC + ∠CD1A > 180∘ en ∠ABC + ∠CD2A < 180∘. 
∠EAC = ∠ D1AC (zelfde hoek) 
∠ECA > ∠ D1CA (bg EA > bg FA) 
∠CEA < ∠ CD1A ([1]) 
∠ABC + ∠CEA = 180∘ (koordenvierhoekstelling) 
⇒ ∠ABC + ∠CD1A > 180∘ 
Analoog in driehoek ACD2 valt te bewijzen dat 
∠ABC + ∠CD2A < 180∘. 
Let op als je de koordenvierhoekstelling met deze inklem-techniek 
}⇒ ∠CEA < ∠ CD1A (hoekensom driehoek) [1] 
moet bewijzen, dan is dit bewijs onjuist. 
}⇒ 
Je gebruikt datgene wat je moet bewijzen namelijk in het 
bewijs.
NU KOMT HET ECHTE WERK 
Extra opdracht naar examen vwo wiskunde B 2009
Voorbeeld 1 
Gegeven is driehoek ABC met zijn omgeschreven cirkel. Aan weerskanten van C liggen 
de punten K en L op de cirkel, zodanig dat CK = CL. De koorde KL snijdt de zijden AC 
en BC respectievelijk in de punten P en Q. 
Bewijs dat ABQP een koordenvierhoek is. 
Tip: Bewijs eerst dat ∠BAC = ∠QCL + ∠CLQ. 
Bewijs: 
∠BAL = ∠QCL (constante hoek) 
}⇒ 
∠LAC = ∠LKC (constante hoek) 
⇒ ∠BAC = ∠QCL + ∠LKC [1]
Voorbeeld 1 
}⇒ ∠BAC = ∠QCL + ∠CLQ [2] 
∠BAC = ∠QCL + ∠LKC ([1]) 
∠LKC = ∠CLQ (bg CK = bg CL) 
∠BAC = ∠QCL + ∠CLQ ([2]) 
∠CQL = 180∘ - ∠QCL -∠CLQ (hoekensom driehoek) 
⇒ ∠BAC = 180∘ - ∠CQL [3] 
∠BAP = 180∘ - ∠CQL ([3]) 
∠CQL = ∠PQB (overstaande hoek) 
⇒ ∠BAC + ∠PQB = 180∘ 
Dus is ABQP een koordenvierhoek. 
}⇒ 
}⇒
MEETKUNDIGE PLAATSEN 
3-4 Geogebra
Meetkundige plaatsen 
Met behulp van het computerprogramma Geogebra (dus niet Cabri) 
kun je vermoedens creëren. 
Een tekening is nooit een bewijs en dus zul je nadat je de 
vermoedens hebt gevormd op papier aan de slag moeten gaan met 
het bewijzen van het vermoeden. 
In paragraaf 3-4, creëer je met behulp van Geogebra vermoedens 
en zul je deze daarna zelf moeten gaan bewijzen. 
Besef dat de toets schriftelijk wordt afgenomen en dat het 
programma Geogebra daarin niet aan bod komt.
Voorbeeld 2 
Gegeven is een cirkel (M, MA) met AB is een middellijn van de cirkel. 
Op de cirkel liggen ook de punten C en D met een vaste afstand tot 
elkaar. De lijnen AC en BD snijden elkaar in S. 
Beschrijf de meetkundige plaats van S als C de cirkel doorloopt. 
Vermoeden: 
Punt S doorloopt twee cirkelbogen die elkaar snijden in A en B. 
Bewijs: 
∠ADB = ∠ACB = 90∘ (Thales) 
}⇒ Alle hoeken bij S zijn constant 
∠DAC = ∠DBC (constante hoek) 
Dus punt S doorloopt twee cirkelbogen (constante hoek).
ENKELE BEWIJZEN 
3-5 de bewijsstructuur (HERHALING)
Bewijs 
Een Bewijs, bestaat altijd uit de onderdelen van het bewijsschema: 
Gegeven, Te bewijzen en Bewijs. 
De structuur van een bewijs bestaat uit: 
... (...) 
... (...) 
Maar waar haal je dat bewijs vandaan? 
Heel veel oefenen. 
Basiskennis beheersen. 
Een gestructureerde aanpak. 
⎫⎬ ⎪ 
⎭⎪ 
⇒... (...) [...]
Een gestructureerde aanpak 
Start altijd met het verkennen van het probleem. 
Teken de situatie met alle gegevens na. We noemen dit een 
analysefiguur. Door het tekenen bouw je mogelijk het bewijs al 
op en zie je het al. Indien niet ga dan naar de volgende stap. 
Analyseer het vraagstuk door: 
Vooruitdenken: werk vanuit de gegevens toe naar een volgende 
stap. 
Terugdenken: werk vanuit wat te bewijzen een stap terug. 
Plan maken: Leg een verband tussen de stappen die je hebt 
gemaakt met eventueel andere stellingen.
Een gestructureerde aanpak 
Geef het Bewijs: 
Gebruik het bewijsschema om het bewijs netjes op te schrijven. 
Dus: 
Gegeven: 
Te bewijzen: 
Bewijs: 
Verkennen 
Analyseren (Vooruitdenken, Terugdenken en Plan maken) 
Bewijs geven 
(Q.e.d.)
Voorbeeld 3 
Bewijs het volgende vermoeden: Wanneer de vier bissectrices van een vierhoek een 
vierhoek insluiten, dan liggen de vier punten van deze ingesloten vierhoek op een 
cirkel. 
Gegeven: een vierhoek ABCD waarvan de bissectrices een vierhoek PQRS 
insluiten. 
Te bewijzen: De punten P, Q, R en S liggen op één cirkel. 
Verkennen:
Voorbeeld 3 
Annalyseren: vooruitdenken 
Ik krijg de bissectrices als gegeven, dus ik weet acht hoeken. 
Die 8 hoeken zijn samen 360∘. 
Annalyseren: terugdenken 
Vier punten op één cirkel betekent dat PQRS een koordenvierhoek is. 
Dus ∠P + ∠R = 180∘ en ∠S + ∠Q = 180∘. 
Annalyseren: plan maken 
De helft van de hoeken van vierhoek ABCD is 180∘. 
Als ik de hoeken P en R in de helft van de hoeken van 
de grote vierhoek kan uitdrukken, dan ben ik klaar. 
Daar ga ik driehoeken voor gebruiken.
Voorbeeld 3 
Bewijs: 
∠QRS = 180∘ - ∠RAD - ∠ADR (hoekensom driehoek) 
}⇒ 
∠BPC = 180∘ - ∠PBC - ∠BCP (hoekensom ⇒ ∠QRS + ∠BPC = 360∘ - ∠RAD - ∠ADR - ∠RAD = ½∠A (bissectrice) 
∠PBC = ½∠B (bissectrice) 
∠BCP = ½∠C (bissectrice) 
}⇒ 
driehoek) 
∠PBC - ∠BCP [1] 
∠ADR = ½∠D (bissectrice) 
∠A + ∠B + ∠C + ∠D = 360∘ (hoekensom ◻) 
⇒ ∠RAD + ∠ADR + ∠PBC + ∠BCP = 180∘ [2] 
Uit [1], [2] volgt dat in vierhoek ∠QRS + ∠BPC = 180∘. 
Dus de punten P, Q, R en S liggen op één cirkel 
(omgekeerde koordenvierhoekstelling)
Voorbeeld 4 
Gegeven: 
Gegeven is een cirkel met middelpunt M. Vanuit een punt P buiten de cirkel 
worden twee raaklijnen getrokken aan de cirkel. De raakpunten noemen we A en 
B. Op de kleinste boog AB ligt een punt C. De raaklijn aan de cirkel in punt C 
snijdt PA in D en PB in E. 
Te bewijzen: 
∠DME = ½(180∘ - ∠APB) 
Bewijs:
Voorbeeld 4 
}⇒ ΔAMD ≅ ΔCMD (ZZR), Dus ∠M3 = ∠M4 [1] 
Bewijs: 
∠A1 = ∠C1 = 90∘ (raaklijn) 
DM = DM 
AM = CM (straal) 
Analoog valt te bewijzen dat ∠M1 = ∠M2 [2] 
∠A1 + ∠B1 = 180∘ Dus MAPB is een 
koordenvierhoek (koordenvierhoekstelling) 
Hieruit volgt: ∠P + ∠M1,2,3,4 = 180∘ [3] 
Uit [1], [2] en [3] volgt: 
∠P + 2∠M2,3 = 180∘ en dus: 
∠M2,3 = ∠DME = ½(180∘ - ∠APB)
Let op: 
Volgende week is er een werkcollege waarin jullie, onder 
begeleiding aan de tussentoets en de extra oefening van H3 
mogen gaan werken! 
Er volgt geen nieuwe theorie en dus ook geen presentatie op 
slideshare.
Huiswerk 
Maken: 
§3-4 opdrachten 24 t/m 28. 
§3-5 opdrachten 29 t/m 31.

Vlakke meetkunde 2 les 3 (en 4)

  • 1.
    VLAKKE MEETKUNDE 2 studiejaar 1, periode 2, week 3 (en 4)
  • 2.
    HUISWERK Bespreken uit§3-3 opdracht 19 en 20
  • 3.
    Huiswerk 3-3 Opdracht19 De middelloodlijnen van drie van de vier zijden van een vierhoek gaan door één punt M. Bewijs dat ABCD een koordenvierhoek AM = DM (eigenschap mll zijde AD) AM = BM (eigenschap mll zijde AB) }⇒ is. CM = DM BM = CM (eigenschap mll zijde BC) (En dus ligt M ook op de mll van zijde CD (vraag a).) En dus liggen de punten A, B, C en D op een cirkel met middelpunt M en dus is vierhoek ABCD een koordenvierhoek.
  • 4.
    Huiswerk 3-3 Opdracht20 Teken een driehoek ABC met zijn omgeschreven cirkel en punt E op de omgeschreven cirkel en punt D1 binnen de omgeschreven cirkel en punt D2 buiten de cirkel. Bewijs dat geldt: ∠ABC + ∠CD1A > 180∘ en ∠ABC + ∠CD2A < 180∘. ∠EAC = ∠ D1AC (zelfde hoek) ∠ECA > ∠ D1CA (bg EA > bg FA) ∠CEA < ∠ CD1A ([1]) ∠ABC + ∠CEA = 180∘ (koordenvierhoekstelling) ⇒ ∠ABC + ∠CD1A > 180∘ Analoog in driehoek ACD2 valt te bewijzen dat ∠ABC + ∠CD2A < 180∘. Let op als je de koordenvierhoekstelling met deze inklem-techniek }⇒ ∠CEA < ∠ CD1A (hoekensom driehoek) [1] moet bewijzen, dan is dit bewijs onjuist. }⇒ Je gebruikt datgene wat je moet bewijzen namelijk in het bewijs.
  • 5.
    NU KOMT HETECHTE WERK Extra opdracht naar examen vwo wiskunde B 2009
  • 6.
    Voorbeeld 1 Gegevenis driehoek ABC met zijn omgeschreven cirkel. Aan weerskanten van C liggen de punten K en L op de cirkel, zodanig dat CK = CL. De koorde KL snijdt de zijden AC en BC respectievelijk in de punten P en Q. Bewijs dat ABQP een koordenvierhoek is. Tip: Bewijs eerst dat ∠BAC = ∠QCL + ∠CLQ. Bewijs: ∠BAL = ∠QCL (constante hoek) }⇒ ∠LAC = ∠LKC (constante hoek) ⇒ ∠BAC = ∠QCL + ∠LKC [1]
  • 7.
    Voorbeeld 1 }⇒∠BAC = ∠QCL + ∠CLQ [2] ∠BAC = ∠QCL + ∠LKC ([1]) ∠LKC = ∠CLQ (bg CK = bg CL) ∠BAC = ∠QCL + ∠CLQ ([2]) ∠CQL = 180∘ - ∠QCL -∠CLQ (hoekensom driehoek) ⇒ ∠BAC = 180∘ - ∠CQL [3] ∠BAP = 180∘ - ∠CQL ([3]) ∠CQL = ∠PQB (overstaande hoek) ⇒ ∠BAC + ∠PQB = 180∘ Dus is ABQP een koordenvierhoek. }⇒ }⇒
  • 8.
  • 9.
    Meetkundige plaatsen Metbehulp van het computerprogramma Geogebra (dus niet Cabri) kun je vermoedens creëren. Een tekening is nooit een bewijs en dus zul je nadat je de vermoedens hebt gevormd op papier aan de slag moeten gaan met het bewijzen van het vermoeden. In paragraaf 3-4, creëer je met behulp van Geogebra vermoedens en zul je deze daarna zelf moeten gaan bewijzen. Besef dat de toets schriftelijk wordt afgenomen en dat het programma Geogebra daarin niet aan bod komt.
  • 10.
    Voorbeeld 2 Gegevenis een cirkel (M, MA) met AB is een middellijn van de cirkel. Op de cirkel liggen ook de punten C en D met een vaste afstand tot elkaar. De lijnen AC en BD snijden elkaar in S. Beschrijf de meetkundige plaats van S als C de cirkel doorloopt. Vermoeden: Punt S doorloopt twee cirkelbogen die elkaar snijden in A en B. Bewijs: ∠ADB = ∠ACB = 90∘ (Thales) }⇒ Alle hoeken bij S zijn constant ∠DAC = ∠DBC (constante hoek) Dus punt S doorloopt twee cirkelbogen (constante hoek).
  • 11.
    ENKELE BEWIJZEN 3-5de bewijsstructuur (HERHALING)
  • 12.
    Bewijs Een Bewijs,bestaat altijd uit de onderdelen van het bewijsschema: Gegeven, Te bewijzen en Bewijs. De structuur van een bewijs bestaat uit: ... (...) ... (...) Maar waar haal je dat bewijs vandaan? Heel veel oefenen. Basiskennis beheersen. Een gestructureerde aanpak. ⎫⎬ ⎪ ⎭⎪ ⇒... (...) [...]
  • 13.
    Een gestructureerde aanpak Start altijd met het verkennen van het probleem. Teken de situatie met alle gegevens na. We noemen dit een analysefiguur. Door het tekenen bouw je mogelijk het bewijs al op en zie je het al. Indien niet ga dan naar de volgende stap. Analyseer het vraagstuk door: Vooruitdenken: werk vanuit de gegevens toe naar een volgende stap. Terugdenken: werk vanuit wat te bewijzen een stap terug. Plan maken: Leg een verband tussen de stappen die je hebt gemaakt met eventueel andere stellingen.
  • 14.
    Een gestructureerde aanpak Geef het Bewijs: Gebruik het bewijsschema om het bewijs netjes op te schrijven. Dus: Gegeven: Te bewijzen: Bewijs: Verkennen Analyseren (Vooruitdenken, Terugdenken en Plan maken) Bewijs geven (Q.e.d.)
  • 15.
    Voorbeeld 3 Bewijshet volgende vermoeden: Wanneer de vier bissectrices van een vierhoek een vierhoek insluiten, dan liggen de vier punten van deze ingesloten vierhoek op een cirkel. Gegeven: een vierhoek ABCD waarvan de bissectrices een vierhoek PQRS insluiten. Te bewijzen: De punten P, Q, R en S liggen op één cirkel. Verkennen:
  • 16.
    Voorbeeld 3 Annalyseren:vooruitdenken Ik krijg de bissectrices als gegeven, dus ik weet acht hoeken. Die 8 hoeken zijn samen 360∘. Annalyseren: terugdenken Vier punten op één cirkel betekent dat PQRS een koordenvierhoek is. Dus ∠P + ∠R = 180∘ en ∠S + ∠Q = 180∘. Annalyseren: plan maken De helft van de hoeken van vierhoek ABCD is 180∘. Als ik de hoeken P en R in de helft van de hoeken van de grote vierhoek kan uitdrukken, dan ben ik klaar. Daar ga ik driehoeken voor gebruiken.
  • 17.
    Voorbeeld 3 Bewijs: ∠QRS = 180∘ - ∠RAD - ∠ADR (hoekensom driehoek) }⇒ ∠BPC = 180∘ - ∠PBC - ∠BCP (hoekensom ⇒ ∠QRS + ∠BPC = 360∘ - ∠RAD - ∠ADR - ∠RAD = ½∠A (bissectrice) ∠PBC = ½∠B (bissectrice) ∠BCP = ½∠C (bissectrice) }⇒ driehoek) ∠PBC - ∠BCP [1] ∠ADR = ½∠D (bissectrice) ∠A + ∠B + ∠C + ∠D = 360∘ (hoekensom ◻) ⇒ ∠RAD + ∠ADR + ∠PBC + ∠BCP = 180∘ [2] Uit [1], [2] volgt dat in vierhoek ∠QRS + ∠BPC = 180∘. Dus de punten P, Q, R en S liggen op één cirkel (omgekeerde koordenvierhoekstelling)
  • 18.
    Voorbeeld 4 Gegeven: Gegeven is een cirkel met middelpunt M. Vanuit een punt P buiten de cirkel worden twee raaklijnen getrokken aan de cirkel. De raakpunten noemen we A en B. Op de kleinste boog AB ligt een punt C. De raaklijn aan de cirkel in punt C snijdt PA in D en PB in E. Te bewijzen: ∠DME = ½(180∘ - ∠APB) Bewijs:
  • 19.
    Voorbeeld 4 }⇒ΔAMD ≅ ΔCMD (ZZR), Dus ∠M3 = ∠M4 [1] Bewijs: ∠A1 = ∠C1 = 90∘ (raaklijn) DM = DM AM = CM (straal) Analoog valt te bewijzen dat ∠M1 = ∠M2 [2] ∠A1 + ∠B1 = 180∘ Dus MAPB is een koordenvierhoek (koordenvierhoekstelling) Hieruit volgt: ∠P + ∠M1,2,3,4 = 180∘ [3] Uit [1], [2] en [3] volgt: ∠P + 2∠M2,3 = 180∘ en dus: ∠M2,3 = ∠DME = ½(180∘ - ∠APB)
  • 20.
    Let op: Volgendeweek is er een werkcollege waarin jullie, onder begeleiding aan de tussentoets en de extra oefening van H3 mogen gaan werken! Er volgt geen nieuwe theorie en dus ook geen presentatie op slideshare.
  • 21.
    Huiswerk Maken: §3-4opdrachten 24 t/m 28. §3-5 opdrachten 29 t/m 31.