Welkom

  Voorganger dhr Kamphuis
 Organist dhr van der Meulen

Thema: “Weerzien in de hemel”
VDD G 109 – 1, 4, 5
Hoor een heilig koor van stemmen
Hoor een heilig koor (LvdK 109)   t. Chr. Wordsworth; v. W. Barnard; m. c. 1700
Hoor een heilig koor (LvdK 109)   t. Chr. Wordsworth; v. W. Barnard; m. c. 1700
Hoor een heilig koor (LvdK 109)   t. Chr. Wordsworth; v. W. Barnard; m. c. 1700
Hoor een heilig koor (LvdK 109)   t. Chr. Wordsworth; v. W. Barnard; m. c. 1700
Hoor een heilig koor (LvdK 109)   t. Chr. Wordsworth; v. W. Barnard; m. c. 1700
Hoor een heilig koor (LvdK 109)   t. Chr. Wordsworth; v. W. Barnard; m. c. 1700
Welkom

  Voorganger dhr Kamphuis
 Organist dhr van der Meulen

Thema: “Weerzien in de hemel”
JdH 150
Welk een Vriend is onze Jezus
Welk een vriend is onze Jezus (EL 299)   t. J. Scriver; m. C.C. Converse; v. Joh. De Heer
Welk een vriend is onze Jezus (EL 299)   t. J. Scriver; m. C.C. Converse; v. Joh. De Heer
Welk een vriend is onze Jezus (EL 299)   t. J. Scriver; m. C.C. Converse; v. Joh. De Heer
Welk een vriend is onze Jezus (EL 299)   t. J. Scriver; m. C.C. Converse; v. Joh. De Heer
Welk een vriend is onze Jezus (EL 299)   t. J. Scriver; m. C.C. Converse; v. Joh. De Heer
Welk een vriend is onze Jezus (EL 299)   t. J. Scriver; m. C.C. Converse; v. Joh. De Heer
Votum en groet

    Ere zij de Vader en de Zoon
        En de Heilige Geest,
 Als in den beginne, nu en immer,
En van eeuwigheid tot eeuwigheid.
                Amen.
JdH 890
Ieder uur, ied're stap brengt …
1
    Ieder uur, ied're stap brengt ons nader.
    Bij de grens van leven en dood.
    Heeft de Heiland uw paspoort getekend?
    Met Zijn bloed dat Hij reddend vergoot?
Refrein:
 Nog is het tijd, de Heer geeft gena,
 De toegang is vrij door Golgotha.
 Jezus ging voor,
 Hij wacht aan de grens,
 Is uw paspoort getekend, o mens?
2
    Gij kunt zelf de tol niet betalen.
    Zilv'r en goud verliest daar zijn macht.
    Slechts het kruis in uw paspoort geeft
    toegang.
    Tot het land waar de Heiland u wacht.
Refrein:
 Nog is het tijd, de Heer geeft gena,
 De toegang is vrij door Golgotha.
 Jezus ging voor,
 Hij wacht aan de grens,
 Is uw paspoort getekend, o mens?
3
    Het is nu het uur der beslissing.
    Bij de grens begint het gericht.
    O, geloof in de Heiland uw Redder.
    En Hij voert u naar 't eeuwige licht.
Refrein:
 Nog is het tijd, de Heer geeft gena,
 De toegang is vrij door Golgotha.
 Jezus ging voor,
 Hij wacht aan de grens,
 Is uw paspoort getekend, o mens?
Gebed
Opw 428
Genade, zo oneindig groot
Genade, zo oneindig groot (EL 203)   v. E.Zuiderveld-Nieman, m. J.Newton
Genade, zo oneindig groot (EL 203)   v. E.Zuiderveld-Nieman, m. J.Newton
Genade, zo oneindig groot (EL 203)   v. E.Zuiderveld-Nieman, m. J.Newton
Genade, zo oneindig groot (EL 203)   v. E.Zuiderveld-Nieman, m. J.Newton
Lezen 2 Sam. 12 : 1 t/m 23
1 En de HEERE zond Nathan naar David.
Toen die bij hem kwam, zei hij tegen hem:
Er waren twee mannen in een stad, de
één rijk en de ander arm.
2 De rijke had heel veel schapen en
runderen.
3 Maar de arme had helemaal niets dan
alleen één enkel klein ooilam, dat hij
gekocht had. Hij hield het in leven en het
werd groot, samen met hem en met zijn
kinderen.
Het at mee van zijn stuk brood, dronk uit
zijn beker en sliep in zijn schoot. Het was
als een dochter voor hem.
4 Toen er een reiziger bij de rijke man
kwam, kon hij er niet toe komen een van
zijn eigen schapen en runderen te
nemen, omeen maaltijd te bereiden voor
de reiziger die bij hem gekomen was.
Daarom nam hij het ooilam van de arme
man en bereidde het voor de man die bij
hem gekomen was.
5 Toen ontstak David in grote woede tegen
die man, en hij zei tegen Nathan: Zo
waar de HEERE leeft, voorzeker, de man
die dat gedaan heeft, is een kind des
doods! 6 En dat ooilam moet
hij viervoudig vergoeden, omdat hij dit
gedaan heeft en geen medelijden had.
7 Toen zei Nathan tegen David: U bent die
man! Zo zegt de HEERE, de God van Israël:
Ík heb u tot koning gezalfd over Israël en
Ík heb u uit Sauls hand gered.
8 Ik heb u het huis van uw heer gegeven,
en bovendien de vrouwen van uw heer in
uw schoot. Ja, Ik heb u het huis van Israël
en Juda gegeven. En als dat te weinig was
geweest, zou Ik u nog wel meer gegeven
hebben.
9 Waarom hebt u dan het woord van de
HEERE veracht, door te doen wat slecht is
in Zijn ogen?
U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard
gedood. Zijn vrouw hebt u tot vrouw
genomen en hem hebt u door het zwaard
van de Ammonieten gedood.
10 Welnu dan, het zwaard zal voor eeuwig
niet van uw huis wijken, omdat u Mij
veracht hebt en de vrouw van Uria, de
Hethiet, genomen hebt om u tot vrouw te
zijn.
11 Zo zegt de HEERE: Zie, Ik breng onheil
over u uit uw eigen huis, en zal uw
vrouwen voor uw ogen nemen en hen aan
uw naaste geven; die zal op klaarlichte
dag met uw vrouwen slapen.
12 Voorzeker, ú hebt in het geheim
gehandeld, maar Ík zal dit doen ten
aanschouwen van heel Israël en in het volle
licht.
13 Toen zei David tegen Nathan: Ik heb
gezondigd tegen de HEERE. En Nathan zei
tegen David: De HEERE heeft ook uw zonde
weggenomen; u zult niet sterven.
14 Omdat u echter door deze zaak de
vijanden van de HEERE zeer hebt doen
lasteren, zal wel de zoon die u geboren is,
zeker sterven.
15 Toen ging Nathan naar zijn huis. En de
HEERE trof het kind dat de vrouw van Uria
David gebaard had, zodat het ongeneeslijk
ziek werd.
16 David zocht God voor het jongetje;
David vastte streng en toen hij naar binnen
ging om te overnachten, ging hij op de
grond liggen.
17 Toen stonden de oudsten van zijn huis
op en kwamen bij hem om hem van de
grond te doen opstaan; hij wilde echter
niet, en at geen brood met hen.
18 Het gebeurde op de zevende dag dat
het kind stierf. De dienaren van David
waren bevreesd tegen hem te zeggen dat
het kind dood was, want zij zeiden: Zie,
toen het kind nog levend was, spraken wij
tot hem, maar hij wilde niet naar onze
stem luisteren.
Hoe kunnen wij dan tegen hem zeggen:
Het kind is dood? Dat zou kwaad doen!
19 Maar David zag dat zijn dienaren
mompelden; daardoor merkte David dat
het kind dood was. Dus zei David tegen zijn
dienaren: Is het kind dood? Zij zeiden
daarop: Ja, het is dood.
20 Toen stond David op van de
grond, waste en zalfde zich en wisselde van
kleding.
Hij ging het huis van de HEERE binnen en
boog zich neer. Daarna kwam hij in zijn
huis en vroeg om eten; zij zetten hem
voedsel voor en hij at.
21 Toen zeiden zijn dienaren tegen hem:
Wat betekent dit wat u gedaan hebt? Om
het levende kind hebt u gevast en gehuild,
maar nadat het kind gestorven is, bent u
opgestaan en hebt u de maaltijd gebruikt.
22 Hij zei: Toen het kind nog leefde, heb ik
gevast en gehuild, want ik zei: Wie weet, is
de HEERE mij genadig, zodat het kind in
leven blijft.
23 Maar nu is het dood; waarom zou ik nu
vasten? Zal ik hem nog terug kunnen
halen? Ik zal wel naar hem toe gaan, maar
hij zal niet bij mij terugkomen.
JdH 231
O denk aan het huis bij de Heer
1. o denk aan het huis bij de heer,
aan 't oord, waar geen nacht is of leed,
waar gods heil'gen, hun koning ter eer,
in 't smetteloos wit zijn gekleed.
refrein:
bij de heer, bij de heer, bij de heer,
o denk aan het huis bij de heer,
bij de heer, bij de heer, bij de heer,
o denk aan het huis bij de heer
2. O loof nu uw heiland en heer,
die ons voor is gegaan tot gods troon,
waar nu 't loflied, de koning ter eer,
jezus dank zegt op juub'lende toon.
refrein:
bij de heer, bij de heer, bij de heer,
o denk aan het huis bij de heer,
bij de heer, bij de heer, bij de heer,
o denk aan het huis bij de heer
3 In 't land onzer rust wacht de
  Heer, wachten eng'len en Serafs ook
  mij, ja, ook ik zing mijn Koning ter
  eer, eerlang in de zalige rei.
refrein:
bij de heer, bij de heer, bij de heer,
o denk aan het huis bij de heer,
bij de heer, bij de heer, bij de heer,
o denk aan het huis bij de heer
4 Hoe goed, o hoe zalig, mijn hart, dat de
  tijdstroom ten einde haast spoedt dat 'k
  onsterf'lijk, ontworsteld aan smart, U dan
  heilig en zalig ontmoet.
refrein:
bij de heer, bij de heer, bij de heer,
o denk aan het huis bij de heer,
bij de heer, bij de heer, bij de heer,
o denk aan het huis bij de heer
Weerzien in de hemel
Opw 217
O welk een wond’re Verlosser
O, welk een wond're Verlosser
vond ik in mijn Heiland en Heer.
Lofprijs vervult nu mijn harte,
mijn zonden gedenkt Hij niet meer.
Refr.
Genade kocht mij vrij!
Genade kocht mij vrij!
Mijn ziele juicht: Halleluja!
Genade kocht mij vrij!
Stromen van licht en genade
vervullen mijn ziel, meer en meer.
'k Weet: al mijn schuld is vergeven
door 't bloed van mijn Heiland en Heer.
Refr.
Genade kocht mij vrij!
Genade kocht mij vrij!
Mijn ziele juicht: Halleluja!
Genade kocht mij vrij!
Niets kan van Jezus mij scheiden,
Hij woont door zijn Geest in mijn hart.
In Hem ben 'k veilig geborgen,
in uren van zorg en van smart.
Refr.
Genade kocht mij vrij!
Genade kocht mij vrij!
Mijn ziele juicht: Halleluja!
Genade kocht mij vrij!
'k Werd niet gered door mijn werken,
zelfs niet door berouwvol geween,
noch door mijn worst'ling en strijden,
doch slechts door genade alleen.
Refr.
Genade kocht mij vrij!
Genade kocht mij vrij!
Mijn ziele juicht: Halleluja!
Genade kocht mij vrij!
Dankgebed
JdH 81
Zondaar, zoekt gij rust en vrede
Zondaars, zoekt gij rust en vrede,
levenslust en stervensmoed?
Niets deelt u de wereld mede,
alles vindt g’ aan Jezus voet.
Refrein
Kom, o kom met al uw noden,
vrede wordt u aangeboden.
Vlucht dan, eer gij sterven moet,
met uw zonde aan Jezus' voet.
Daar is niemand weggezonden,
die om schuldvergeving bad.
Daar heeft ieder heil gevonden,
Alles wat hij nodig had.
Refrein
Kom, o kom met al uw noden,
vrede wordt u aangeboden.
Vlucht dan, eer gij sterven moet,
met uw zonde aan Jezus' voet.
Hoor, bij dagen en bij nachten,
Roept de Heiland ´Kom tot Mij´.
Waarom, waarom zoudt gij wachten?
Spoedig is uw tijd voorbij.
Refrein
Kom, o kom met al uw noden,
vrede wordt u aangeboden.
Vlucht dan, eer gij sterven moet,
met uw zonde aan Jezus' voet.
Collecte
  1ste Open Doors
2de eigen gemeente
Slotlied opw 602 – 1, 2
     na de zegen 3
Vrede van God (Opw 602)   t. & m. J. Bronsveld
Vrede van God (Opw 602)   t. & m. J. Bronsveld
na de zegen 3
Vrede van God (Opw 602)   t. & m. J. Bronsveld
Genoeg

Genoeg

  • 1.
    Welkom Voorgangerdhr Kamphuis Organist dhr van der Meulen Thema: “Weerzien in de hemel”
  • 2.
    VDD G 109– 1, 4, 5 Hoor een heilig koor van stemmen
  • 3.
    Hoor een heiligkoor (LvdK 109) t. Chr. Wordsworth; v. W. Barnard; m. c. 1700
  • 4.
    Hoor een heiligkoor (LvdK 109) t. Chr. Wordsworth; v. W. Barnard; m. c. 1700
  • 5.
    Hoor een heiligkoor (LvdK 109) t. Chr. Wordsworth; v. W. Barnard; m. c. 1700
  • 6.
    Hoor een heiligkoor (LvdK 109) t. Chr. Wordsworth; v. W. Barnard; m. c. 1700
  • 7.
    Hoor een heiligkoor (LvdK 109) t. Chr. Wordsworth; v. W. Barnard; m. c. 1700
  • 8.
    Hoor een heiligkoor (LvdK 109) t. Chr. Wordsworth; v. W. Barnard; m. c. 1700
  • 9.
    Welkom Voorgangerdhr Kamphuis Organist dhr van der Meulen Thema: “Weerzien in de hemel”
  • 10.
    JdH 150 Welk eenVriend is onze Jezus
  • 11.
    Welk een vriendis onze Jezus (EL 299) t. J. Scriver; m. C.C. Converse; v. Joh. De Heer
  • 12.
    Welk een vriendis onze Jezus (EL 299) t. J. Scriver; m. C.C. Converse; v. Joh. De Heer
  • 13.
    Welk een vriendis onze Jezus (EL 299) t. J. Scriver; m. C.C. Converse; v. Joh. De Heer
  • 14.
    Welk een vriendis onze Jezus (EL 299) t. J. Scriver; m. C.C. Converse; v. Joh. De Heer
  • 15.
    Welk een vriendis onze Jezus (EL 299) t. J. Scriver; m. C.C. Converse; v. Joh. De Heer
  • 16.
    Welk een vriendis onze Jezus (EL 299) t. J. Scriver; m. C.C. Converse; v. Joh. De Heer
  • 17.
    Votum en groet Ere zij de Vader en de Zoon En de Heilige Geest, Als in den beginne, nu en immer, En van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
  • 18.
    JdH 890 Ieder uur,ied're stap brengt …
  • 19.
    1 Ieder uur, ied're stap brengt ons nader. Bij de grens van leven en dood. Heeft de Heiland uw paspoort getekend? Met Zijn bloed dat Hij reddend vergoot?
  • 20.
    Refrein: Nog ishet tijd, de Heer geeft gena, De toegang is vrij door Golgotha. Jezus ging voor, Hij wacht aan de grens, Is uw paspoort getekend, o mens?
  • 21.
    2 Gij kunt zelf de tol niet betalen. Zilv'r en goud verliest daar zijn macht. Slechts het kruis in uw paspoort geeft toegang. Tot het land waar de Heiland u wacht.
  • 22.
    Refrein: Nog ishet tijd, de Heer geeft gena, De toegang is vrij door Golgotha. Jezus ging voor, Hij wacht aan de grens, Is uw paspoort getekend, o mens?
  • 23.
    3 Het is nu het uur der beslissing. Bij de grens begint het gericht. O, geloof in de Heiland uw Redder. En Hij voert u naar 't eeuwige licht.
  • 24.
    Refrein: Nog ishet tijd, de Heer geeft gena, De toegang is vrij door Golgotha. Jezus ging voor, Hij wacht aan de grens, Is uw paspoort getekend, o mens?
  • 25.
  • 26.
    Opw 428 Genade, zooneindig groot
  • 27.
    Genade, zo oneindiggroot (EL 203) v. E.Zuiderveld-Nieman, m. J.Newton
  • 28.
    Genade, zo oneindiggroot (EL 203) v. E.Zuiderveld-Nieman, m. J.Newton
  • 29.
    Genade, zo oneindiggroot (EL 203) v. E.Zuiderveld-Nieman, m. J.Newton
  • 30.
    Genade, zo oneindiggroot (EL 203) v. E.Zuiderveld-Nieman, m. J.Newton
  • 31.
    Lezen 2 Sam.12 : 1 t/m 23
  • 32.
    1 En deHEERE zond Nathan naar David. Toen die bij hem kwam, zei hij tegen hem: Er waren twee mannen in een stad, de één rijk en de ander arm. 2 De rijke had heel veel schapen en runderen. 3 Maar de arme had helemaal niets dan alleen één enkel klein ooilam, dat hij gekocht had. Hij hield het in leven en het werd groot, samen met hem en met zijn kinderen.
  • 33.
    Het at meevan zijn stuk brood, dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot. Het was als een dochter voor hem. 4 Toen er een reiziger bij de rijke man kwam, kon hij er niet toe komen een van zijn eigen schapen en runderen te nemen, omeen maaltijd te bereiden voor de reiziger die bij hem gekomen was. Daarom nam hij het ooilam van de arme man en bereidde het voor de man die bij hem gekomen was.
  • 34.
    5 Toen ontstakDavid in grote woede tegen die man, en hij zei tegen Nathan: Zo waar de HEERE leeft, voorzeker, de man die dat gedaan heeft, is een kind des doods! 6 En dat ooilam moet hij viervoudig vergoeden, omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden had. 7 Toen zei Nathan tegen David: U bent die man! Zo zegt de HEERE, de God van Israël:
  • 35.
    Ík heb utot koning gezalfd over Israël en Ík heb u uit Sauls hand gered. 8 Ik heb u het huis van uw heer gegeven, en bovendien de vrouwen van uw heer in uw schoot. Ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven. En als dat te weinig was geweest, zou Ik u nog wel meer gegeven hebben. 9 Waarom hebt u dan het woord van de HEERE veracht, door te doen wat slecht is in Zijn ogen?
  • 36.
    U hebt Uria,de Hethiet, met het zwaard gedood. Zijn vrouw hebt u tot vrouw genomen en hem hebt u door het zwaard van de Ammonieten gedood. 10 Welnu dan, het zwaard zal voor eeuwig niet van uw huis wijken, omdat u Mij veracht hebt en de vrouw van Uria, de Hethiet, genomen hebt om u tot vrouw te zijn.
  • 37.
    11 Zo zegtde HEERE: Zie, Ik breng onheil over u uit uw eigen huis, en zal uw vrouwen voor uw ogen nemen en hen aan uw naaste geven; die zal op klaarlichte dag met uw vrouwen slapen. 12 Voorzeker, ú hebt in het geheim gehandeld, maar Ík zal dit doen ten aanschouwen van heel Israël en in het volle licht.
  • 38.
    13 Toen zeiDavid tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen de HEERE. En Nathan zei tegen David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven. 14 Omdat u echter door deze zaak de vijanden van de HEERE zeer hebt doen lasteren, zal wel de zoon die u geboren is, zeker sterven.
  • 39.
    15 Toen gingNathan naar zijn huis. En de HEERE trof het kind dat de vrouw van Uria David gebaard had, zodat het ongeneeslijk ziek werd. 16 David zocht God voor het jongetje; David vastte streng en toen hij naar binnen ging om te overnachten, ging hij op de grond liggen.
  • 40.
    17 Toen stondende oudsten van zijn huis op en kwamen bij hem om hem van de grond te doen opstaan; hij wilde echter niet, en at geen brood met hen. 18 Het gebeurde op de zevende dag dat het kind stierf. De dienaren van David waren bevreesd tegen hem te zeggen dat het kind dood was, want zij zeiden: Zie, toen het kind nog levend was, spraken wij tot hem, maar hij wilde niet naar onze stem luisteren.
  • 41.
    Hoe kunnen wijdan tegen hem zeggen: Het kind is dood? Dat zou kwaad doen! 19 Maar David zag dat zijn dienaren mompelden; daardoor merkte David dat het kind dood was. Dus zei David tegen zijn dienaren: Is het kind dood? Zij zeiden daarop: Ja, het is dood. 20 Toen stond David op van de grond, waste en zalfde zich en wisselde van kleding.
  • 42.
    Hij ging hethuis van de HEERE binnen en boog zich neer. Daarna kwam hij in zijn huis en vroeg om eten; zij zetten hem voedsel voor en hij at. 21 Toen zeiden zijn dienaren tegen hem: Wat betekent dit wat u gedaan hebt? Om het levende kind hebt u gevast en gehuild, maar nadat het kind gestorven is, bent u opgestaan en hebt u de maaltijd gebruikt.
  • 43.
    22 Hij zei:Toen het kind nog leefde, heb ik gevast en gehuild, want ik zei: Wie weet, is de HEERE mij genadig, zodat het kind in leven blijft. 23 Maar nu is het dood; waarom zou ik nu vasten? Zal ik hem nog terug kunnen halen? Ik zal wel naar hem toe gaan, maar hij zal niet bij mij terugkomen.
  • 44.
    JdH 231 O denkaan het huis bij de Heer
  • 45.
    1. o denkaan het huis bij de heer, aan 't oord, waar geen nacht is of leed, waar gods heil'gen, hun koning ter eer, in 't smetteloos wit zijn gekleed.
  • 46.
    refrein: bij de heer,bij de heer, bij de heer, o denk aan het huis bij de heer, bij de heer, bij de heer, bij de heer, o denk aan het huis bij de heer
  • 47.
    2. O loofnu uw heiland en heer, die ons voor is gegaan tot gods troon, waar nu 't loflied, de koning ter eer, jezus dank zegt op juub'lende toon.
  • 48.
    refrein: bij de heer,bij de heer, bij de heer, o denk aan het huis bij de heer, bij de heer, bij de heer, bij de heer, o denk aan het huis bij de heer
  • 49.
    3 In 'tland onzer rust wacht de Heer, wachten eng'len en Serafs ook mij, ja, ook ik zing mijn Koning ter eer, eerlang in de zalige rei.
  • 50.
    refrein: bij de heer,bij de heer, bij de heer, o denk aan het huis bij de heer, bij de heer, bij de heer, bij de heer, o denk aan het huis bij de heer
  • 51.
    4 Hoe goed,o hoe zalig, mijn hart, dat de tijdstroom ten einde haast spoedt dat 'k onsterf'lijk, ontworsteld aan smart, U dan heilig en zalig ontmoet.
  • 52.
    refrein: bij de heer,bij de heer, bij de heer, o denk aan het huis bij de heer, bij de heer, bij de heer, bij de heer, o denk aan het huis bij de heer
  • 53.
  • 54.
    Opw 217 O welkeen wond’re Verlosser
  • 55.
    O, welk eenwond're Verlosser vond ik in mijn Heiland en Heer. Lofprijs vervult nu mijn harte, mijn zonden gedenkt Hij niet meer.
  • 56.
    Refr. Genade kocht mijvrij! Genade kocht mij vrij! Mijn ziele juicht: Halleluja! Genade kocht mij vrij!
  • 57.
    Stromen van lichten genade vervullen mijn ziel, meer en meer. 'k Weet: al mijn schuld is vergeven door 't bloed van mijn Heiland en Heer.
  • 58.
    Refr. Genade kocht mijvrij! Genade kocht mij vrij! Mijn ziele juicht: Halleluja! Genade kocht mij vrij!
  • 59.
    Niets kan vanJezus mij scheiden, Hij woont door zijn Geest in mijn hart. In Hem ben 'k veilig geborgen, in uren van zorg en van smart.
  • 60.
    Refr. Genade kocht mijvrij! Genade kocht mij vrij! Mijn ziele juicht: Halleluja! Genade kocht mij vrij!
  • 61.
    'k Werd nietgered door mijn werken, zelfs niet door berouwvol geween, noch door mijn worst'ling en strijden, doch slechts door genade alleen.
  • 62.
    Refr. Genade kocht mijvrij! Genade kocht mij vrij! Mijn ziele juicht: Halleluja! Genade kocht mij vrij!
  • 63.
  • 64.
    JdH 81 Zondaar, zoektgij rust en vrede
  • 65.
    Zondaars, zoekt gijrust en vrede, levenslust en stervensmoed? Niets deelt u de wereld mede, alles vindt g’ aan Jezus voet.
  • 66.
    Refrein Kom, o kommet al uw noden, vrede wordt u aangeboden. Vlucht dan, eer gij sterven moet, met uw zonde aan Jezus' voet.
  • 67.
    Daar is niemandweggezonden, die om schuldvergeving bad. Daar heeft ieder heil gevonden, Alles wat hij nodig had.
  • 68.
    Refrein Kom, o kommet al uw noden, vrede wordt u aangeboden. Vlucht dan, eer gij sterven moet, met uw zonde aan Jezus' voet.
  • 69.
    Hoor, bij dagenen bij nachten, Roept de Heiland ´Kom tot Mij´. Waarom, waarom zoudt gij wachten? Spoedig is uw tijd voorbij.
  • 70.
    Refrein Kom, o kommet al uw noden, vrede wordt u aangeboden. Vlucht dan, eer gij sterven moet, met uw zonde aan Jezus' voet.
  • 71.
    Collecte 1steOpen Doors 2de eigen gemeente
  • 72.
    Slotlied opw 602– 1, 2 na de zegen 3
  • 73.
    Vrede van God(Opw 602) t. & m. J. Bronsveld
  • 74.
    Vrede van God(Opw 602) t. & m. J. Bronsveld
  • 75.
  • 76.
    Vrede van God(Opw 602) t. & m. J. Bronsveld