“Jesaja 53:8,9”
Voorganger: Ds. den Admirant
Organist: Johannes de Vries
8.
Zalig, die inChristus sterven
Gezang 267: 1
Ter nagedachtenis aan zr Liewes
9.
Zalig, die inChristus sterven,
de doden, die de hemel erven,
voor wie Hij woning heeft bereid.
Na de nacht van strijd en zorgen
aanschouwen zij de eeuwge morgen,
ontwakend tot onsterflijkheid.
10.
Van moeiten rustenzij.
Hun lijden is voorbij.
Halleluja,
bij 's Vaders troon
wacht hen de Zoon
hun werken volgen hen als loon.
11.
“Jesaja 53:8,9”
Voorganger: Ds. den Admirant
Organist: Johannes de Vries
12.
De steen, diedoor de
tempelbouwers
Psalm 118: 8 en 9
1
Ik weet, datmijn verlosser leeft
Dit is het, wat mij troost hier geeft.
Hij leeft, die voor mij stierf.
Hij leeft! Dit maakt mij altijd blij.
Hij leeft! Mijn Heiland, die voor mij
een levenskroon verwierf.
20.
Hij leeft! Hijleeft!
Ik weet, dat mijn Verlosser leeft.
Hij leeft! Hij leeft!
Ik weet, dat mijn Verlosser leeft.
21.
2
Hij leeft inmajesteit omhoog.
Hij leeft! Op Hem rust steeds mijn oog.
Mijn Heiland pleit voor mij!
Zijn liefde vult mijn kinderhart.
Hij leeft! Dit neemt weg al mijn smart.
Mijn Heiland leeft voor mij.
22.
Hij leeft! Hijleeft!
Ik weet, dat mijn Verlosser leeft.
Hij leeft! Hij leeft!
Ik weet, dat mijn Verlosser leeft.
23.
3
Hij leeft! Verrezenuit het graf!
Hij leeft! Die 't leven voor mij gaf!
Ik zing van Hem, Die leeft.
Hij leeft. Die mij zo teer bemint.
Hij leeft! Die mij, Zijn dierbaar kind.
het eeuwig leven geeft..
24.
Hij leeft! Hijleeft!
Ik weet, dat mijn Verlosser leeft.
Hij leeft! Hij leeft!
Ik weet, dat mijn Verlosser leeft.
25.
4
Hij leeft! WaarHij ons plaats bereidt.
Haast komt Hij weer in heerlijkheid.
Dit geeft tot juichen stof.
Wat vreugd' is die verzeek'ring mij,
dat mijn Verlosser leeft voor mij;
Zijn naam zij eeuwig lof.
26.
Hij leeft! Hijleeft!
Ik weet, dat mijn Verlosser leeft.
Hij leeft! Hij leeft!
Ik weet, dat mijn Verlosser leeft.
27.
5
Gij, die nogniet voor Jezus leeft,
neemt aan het leven, dat Hij geeft.
Geen leven zonder Hem!
Hij leeft! Hij roept u: "Komt tot Mij!"
Hij leeft! o, vlucht nu aan Zijn zij,
dan leeft ook gij voor Hem.
28.
Hij leeft! Hijleeft!
Ik weet, dat mijn Verlosser leeft.
Hij leeft! Hij leeft!
Ik weet, dat mijn Verlosser leeft.
31 Zie, erkomen dagen, spreekt de
HEERE, dat Ik met het huis van Israël en
met het huis van Juda een nieuw
verbond zal sluiten,
32 niet zoals het verbond dat Ik met hun
vaderen gesloten heb op de dag dat Ik
hun hand vastgreep om hen uit het land
Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij
verbroken hebben, hoewel Ík hen
getrouwd had, spreekt de HEERE.
31.
33 Voorzeker, ditis het verbond dat Ik na
die dagen met het huis van Israël sluiten
zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in
hun binnenste geven en zal die in hun
hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn
en zíj zullen Mij tot een volk zijn.
32.
34 Dan zullenzij niet meer eenieder zijn
naaste en eenieder zijn broeder
onderwijzen door te zeggen: Ken de
HEERE, want zij zullen Mij allen kennen,
vanaf hun kleinste tot hun grootste toe,
spreekt de HEERE. Want Ik zal hun
ongerechtigheid vergeven en aan hun
zonde niet meer denken.
1 Toen sprakGod al deze woorden:
2 Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het
land Egypte, uit het slavenhuis, geleid
heeft.
3 U zult geen andere goden voor Mijn
aangezicht hebben.
38.
4 U zultvoor uzelf geen beeld maken,
geen enkele afbeelding van wat boven in
de hemel, of beneden op de aarde of in
het water onder de aarde is.
5 U zult zich daarvoor niet neerbuigen,
en die niet dienen, want Ik, de HEERE,
uw God, ben een na-ijverig God, Die de
misdaad van de vaderen vergeldt aan de
kinderen, aan het derde en vierde
geslacht van hen die Mij haten,
39.
6 maar Diebarmhartigheid doet aan
duizenden van hen die Mij liefhebben en
Mijn geboden in acht nemen.
7 U zult de Naam van de HEERE, uw
God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE
zal niet voor onschuldig houden wie Zijn
Naam ijdel gebruikt.
40.
8 Gedenk desabbatdag, dat u die
heiligt.
9 Zes dagen zult u arbeiden en al uw
werk doen,
10 maar de zevende dag is de sabbat van
de HEERE, uw God. Dan zult u geen
enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch
uw dochter, noch uw slaaf, noch uw
slavin, noch uw vee, noch uw
vreemdeling die binnen uw poorten is.
41.
11 Want inzes dagen heeft de HEERE de
hemel en de aarde gemaakt, de zee, en
al wat erin is, en Hij rustte op de
zevende dag. Daarom zegende de HEERE
de sabbatdag, en heiligde die.
12 Eer uw vader en uw moeder, opdat
uw dagen verlengd worden in het land
dat de HEERE, uw God, u geeft.
13 U zult niet doodslaan.
14 U zult niet echtbreken .
42.
15 U zultniet stelen.
16 U zult geen vals getuigenis spreken
tegen uw naaste.
17 U zult niet begeren het huis van uw
naaste. U zult niet begeren de vrouw van
uw naaste, noch zijn slaaf, noch zijn
slavin, noch zijn rund, noch zijn ezel,
noch iets wat van uw naaste is.
49 En alZijn bekenden stonden op een
afstand, ook de vrouwen die Hem samen
gevolgd waren van Galilea, en zagen dit aan.
50 En zie, daar was een man van wie de
naam Jozef was, een raadsheer, een goed en
rechtvaardig man.
51 Deze had niet ingestemd met hun
voornemen en handelwijze. Hij kwam uit
Arimathea, een stad van de Joden, en
verwachtte ook zelf het Koninkrijk van God.
57.
52 Deze gingnaar Pilatus en vroeg om
het lichaam van Jezus.
53 En toen hij het van het kruis
afgenomen had, wikkelde hij het in fijn
linnen en legde het in een graf dat in een
rots uitgehouwen was, waarin nog nooit
iemand gelegd was.
54 En het was de dag van de
voorbereiding en de sabbat brak aan.
58.
55 En ookde vrouwen die met Hem uit
Galilea gekomen waren, volgden en
zagen het graf en hoe Zijn lichaam erin
gelegd werd.
56 En toen zij teruggekeerd waren,
maakten zij specerijen en mirre gereed.
En op de sabbat rustten ze
overeenkomstig het gebod.
59.
1 En opde eerste dag van de week
gingen zij, heel vroeg in de morgen, naar
het graf en brachten de specerijen mee
die zij gereedgemaakt hadden, en
sommigen gingen met hen mee.
2 Zij nu vonden de steen afgewenteld
van het graf.
60.
3 En toenze naar binnen gegaan waren,
vonden zij het lichaam van de Heere
Jezus niet.
4 En het gebeurde toen ze daarover in
twijfel waren, zie, twee mannen stonden
bij hen in blinkende gewaden.
5 En toen zij zeer bevreesd werden en
het gezicht naar de grond bogen, zeiden
die tegen hen: Waarom zoekt u de
Levende bij de doden?
61.
6 Hij ishier niet, maar Hij is opgewekt.
Herinner u hoe Hij tot u gesproken
heeft, toen Hij nog in Galilea was:
7 De Zoon des mensen moet
overgeleverd worden in handen van
zondige mensen en gekruisigd worden
en op de derde dag opstaan.
62.
8 En zijherinnerden zich Zijn woorden.
9 En toen zij teruggekeerd waren van
het graf, berichtten ze dit alles aan de elf
discipelen en aan alle anderen.
Prediking: Jesaja 53:8,9
8Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen,
en wie zal Zijn leeftijd uitspreken?
Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden.
Om de overtreding van mijn volk is de plaag op Hem
geweest.
9 Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld,
en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest,
omdat Hij geen onrecht gedaan heeft
en geen bedrog in Zijn mond geweest is.