Welkom

Voorganger ds Maliepaard
  Organist Joh de Vries

Viering Heilig Avondmaal.
VDD JdH 404
Hart aan hart
1
 Hart aan hart en één in Jezus,
 enkel levend voor Zijn Naam,
 bindt de liefdegeest van Jezus
 tot één lichaam ons tezaam.
 Hij ons Hoofd, wij Zijne leden,
 Hij ons licht, wij wederschijn,
 Hij de wijnstok, wij de ranken,
 als wij één in Jezus zijn.
2
 Laten wij elkander schragen,
 als de wereld ons bespot,
 en elkanders lasten dragen
 naar 't bevel van onze God.
 Jezus gaf voor ons Zijn leven,
 plengde aan 't kruis Zijn bloed,
 opdat wij ons harte geven
 voor des broeders eeuwig goed.
3
 Jezus, maak zo één ons allen,
 als Gij 't met de Vader zijt;
 laat niet één zelfs ons ontvallen,
 ook in 's levens bangste strijd.
 Maak door ons aan U te wennen,
 zo ons liefdes wederschijn,
 dat de wereld moet bekennen,
 dat wij Uw discip'len zijn.
Welkom

Voorganger ds Maliepaard
  Organist Joh de Vries

Viering Heilig Avondmaal.
P 98 – 1, 3
Zing een nieuw lied voor
      God de Here
Psalm 98 (LvdK)   t. J. Wit, J.W. Schulte Nordholt; m. 1543 / Genève 1551
Psalm 98 (LvdK)   t. J. Wit, J.W. Schulte Nordholt; m. 1543 / Genève 1551
Psalm 98 (LvdK)   t. J. Wit, J.W. Schulte Nordholt; m. 1543 / Genève 1551
Psalm 98 (LvdK)   t. J. Wit, J.W. Schulte Nordholt; m. 1543 / Genève 1551
Votum en groet

    Ere zij de Vader en de Zoon
        En de Heilige Geest,
 Als in den beginne, nu en immer,
En van eeuwigheid tot eeuwigheid.
                Amen.

      Aansluitend ELB 312
Jezus vol liefde (EL 312)   t. H. Lieberton; m. T. Rothenberg
Jezus vol liefde (EL 312)   t. H. Lieberton; m. T. Rothenberg
Jezus vol liefde (EL 312)   t. H. Lieberton; m. T. Rothenberg
Lezing formulier,
 daarna G 423
allen:




Ach, blijf met uw genade (LvdK 423)   t. J. Stegmann; v. N. Beets; m. M. Vulpius
Ach, blijf met uw genade (LvdK 423)   t. J. Stegmann; v. N. Beets; m. M. Vulpius
Ach, blijf met uw genade (LvdK 423)   t. J. Stegmann; v. N. Beets; m. M. Vulpius
Ach, blijf met uw genade (LvdK 423)   t. J. Stegmann; v. N. Beets; m. M. Vulpius
Gebed om de Heilige Geest.
ELB 456
Kijk eens om je heen
Kijk eens om je heen,
kijk eens om je heen,
geef elkaar een hand,
je bent niet alleen.
Want wij moeten samen delen,
samen zingen, samen spelen.
Ook al zijn wij nog maar klein:
samen spelen is pas fijn!
Kijk eens om je heen,
kijk eens om je heen,
wij zijn in de wereld
niet alleen.
God kent ieder kind bij name,
zeg maar ja en zeg maar amen.
Ook al zijn we nog maar klein,
God wil onze Vader zijn.
Wij gaan, tot straks!!
Lezen Ex 2 : 23 t/m 3 : 14
23 In die lange tijd stierf de koning
van Egypte; en de Israëlieten
zuchtten nog steeds onder de
slavernij en schreeuwden het
uit, zodat hun hulpgeroep over de
slavernij omhoog steeg tot God. 24
En God hoorde hun klacht en God
gedacht aan zijn verbond met
Abraham, Isaak en Jakob. 25 Zo
zag God de Israëlieten aan en God
had bemoeienis met hen.
1 Mozes nu was gewoon de kudde
van zijn schoonvader Jetro, de
priester van Midjan, te hoeden.
Eens, toen hij de kudde naar de
overkant van de woestijn geleid
had, kwam hij bij de berg Gods,
Horeb. 2 Daar verscheen hem de
Engel des HEREN als een vuurvlam
midden uit een braamstruik. Hij
keek toe, en zie, de braamstruik
stond in brand,
maar werd niet verteerd. 3 Mozes
nu dacht: Laat ik toch dat wondere
verschijnsel gaan bezien, waarom
de braamstruik niet verbrandt. 4
Toen de HERE zag, dat hij het ging
bezien, riep God hem uit de
braamstruik toe: Mozes, Mozes! En
hij antwoordde: Hier ben ik. 5
Daarop zeide Hij: Kom niet
dichterbij: doe uw schoenen van
uw voeten,
want de plaats, waarop gij staat, is
heilige grond. 6 Voorts zeide Hij: Ik
ben de God van uw vader, de God
van Abraham, de God van Isaak en
de God van Jakob. Toen verborg
Mozes zijn gelaat, want hij vreesde
God te aanschouwen. 7 En de
HERE zeide: Ik heb terdege gezien
de ellende van mijn volk, dat in
Egypte is,
en hun gejammer over hun drijvers
gehoord, ja, Ik ken hun smarten. 8
Daarom ben Ik nedergedaald om
hen uit de macht der Egyptenaren
te redden en uit dit land te voeren
naar een goed en wijd land, een
land vloeiende van melk en
honig, naar de woonplaats van de
Kanaänieten, Hethieten, Amorieten,
 Perizzieten, Chiwwieten en
Jebusieten.
9 En nu, zie, het gejammer der
Israëlieten is tot Mij
doorgedrongen; ook heb Ik
gezien, hoezeer de Egyptenaren
hen verdrukken. 10 Nu dan, ga, Ik
zend u tot Farao, om mijn volk, de
Israëlieten, uit Egypte te leiden. 11
Maar Mozes zeide tot God: Wie ben
ik, dat ik naar Farao zou gaan en de
Israëlieten uit Egypte zou leiden?
12 Toen zeide Hij: Ik ben immers
met u! En dit zal u het teken
zijn, dat Ik u gezonden heb:
wanneer gij het volk uit Egypte
hebt geleid, zult gij God dienen op
deze berg.
13 Daarop zeide Mozes tot God:
Maar wanneer ik tot de Israëlieten
kom en hun zeg:
De God uwer vaderen heeft mij tot
u gezonden, en zij mij vragen: hoe
is zijn naam – wat moet ik hun dan
antwoorden? 14 Toen zeide God tot
Mozes: Ik ben, die Ik ben. En Hij
zeide: Aldus zult gij tot de
Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij
tot u gezonden.
G 51
Lieve Heer,
Lieve Heer, Gij zegt ‘kom’ en ik kom (LvdK 51)   t. W. Barnard; m. J.F.M. Geraedts
Lieve Heer, Gij zegt ‘kom’ en ik kom (LvdK 51)   t. W. Barnard; m. J.F.M. Geraedts
Lieve Heer, Gij zegt ‘kom’ en ik kom (LvdK 51)   t. W. Barnard; m. J.F.M. Geraedts
Verkondiging
ELB 142
Majesteit
Majesteit, groot is zijn majesteit (EL 142)   t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
Majesteit, groot is zijn majesteit (EL 142)   t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
Majesteit, groot is zijn majesteit (EL 142)   t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
Majesteit, groot is zijn majesteit (EL 142)   t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
Majesteit, groot is zijn majesteit (EL 142)   t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
Majesteit, groot is zijn majesteit (EL 142)   t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
Majesteit, groot is zijn majesteit (EL 142)   t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
Majesteit, groot is zijn majesteit (EL 142)   t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
Dankgebed en voorbede
Collecte
  1ste voor Horeb
2de eigen gemeente
Lezing formulier
G 358 – 1, 3, 4, 6
 Genadig Heer
allen:




Genadig Heer, die al mijn zwakheid weet (LvdK 358)   t. P.D. Kuiper; m. W.H. Monk
Genadig Heer, die al mijn zwakheid weet (LvdK 358)   t. P.D. Kuiper; m. W.H. Monk
Genadig Heer, die al mijn zwakheid weet (LvdK 358)   t. P.D. Kuiper; m. W.H. Monk
Genadig Heer, die al mijn zwakheid weet (LvdK 358)   t. P.D. Kuiper; m. W.H. Monk
Slotzang ELB 374
O Heer, mijn God
allen:




O Heer, mijn God (EL 374)   t. S.K. Hine; m. C. Boberg; v. R. Zuiderveld
O Heer, mijn God (EL 374)   t. S.K. Hine; m. C. Boberg; v. R. Zuiderveld
O Heer, mijn God (EL 374)   t. S.K. Hine; m. C. Boberg; v. R. Zuiderveld
O Heer, mijn God (EL 374)   t. S.K. Hine; m. C. Boberg; v. R. Zuiderveld
O Heer, mijn God (EL 374)   t. S.K. Hine; m. C. Boberg; v. R. Zuiderveld
O Heer, mijn God (EL 374)   t. S.K. Hine; m. C. Boberg; v. R. Zuiderveld
Zegen
3 x amen
Heilig Avondmaal

Heilig Avondmaal

  • 1.
    Welkom Voorganger ds Maliepaard Organist Joh de Vries Viering Heilig Avondmaal.
  • 2.
  • 3.
    1 Hart aanhart en één in Jezus, enkel levend voor Zijn Naam, bindt de liefdegeest van Jezus tot één lichaam ons tezaam. Hij ons Hoofd, wij Zijne leden, Hij ons licht, wij wederschijn, Hij de wijnstok, wij de ranken, als wij één in Jezus zijn.
  • 4.
    2 Laten wijelkander schragen, als de wereld ons bespot, en elkanders lasten dragen naar 't bevel van onze God. Jezus gaf voor ons Zijn leven, plengde aan 't kruis Zijn bloed, opdat wij ons harte geven voor des broeders eeuwig goed.
  • 5.
    3 Jezus, maakzo één ons allen, als Gij 't met de Vader zijt; laat niet één zelfs ons ontvallen, ook in 's levens bangste strijd. Maak door ons aan U te wennen, zo ons liefdes wederschijn, dat de wereld moet bekennen, dat wij Uw discip'len zijn.
  • 6.
    Welkom Voorganger ds Maliepaard Organist Joh de Vries Viering Heilig Avondmaal.
  • 7.
    P 98 –1, 3 Zing een nieuw lied voor God de Here
  • 8.
    Psalm 98 (LvdK) t. J. Wit, J.W. Schulte Nordholt; m. 1543 / Genève 1551
  • 9.
    Psalm 98 (LvdK) t. J. Wit, J.W. Schulte Nordholt; m. 1543 / Genève 1551
  • 10.
    Psalm 98 (LvdK) t. J. Wit, J.W. Schulte Nordholt; m. 1543 / Genève 1551
  • 11.
    Psalm 98 (LvdK) t. J. Wit, J.W. Schulte Nordholt; m. 1543 / Genève 1551
  • 12.
    Votum en groet Ere zij de Vader en de Zoon En de Heilige Geest, Als in den beginne, nu en immer, En van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen. Aansluitend ELB 312
  • 13.
    Jezus vol liefde(EL 312) t. H. Lieberton; m. T. Rothenberg
  • 14.
    Jezus vol liefde(EL 312) t. H. Lieberton; m. T. Rothenberg
  • 15.
    Jezus vol liefde(EL 312) t. H. Lieberton; m. T. Rothenberg
  • 16.
  • 17.
    allen: Ach, blijf metuw genade (LvdK 423) t. J. Stegmann; v. N. Beets; m. M. Vulpius
  • 18.
    Ach, blijf metuw genade (LvdK 423) t. J. Stegmann; v. N. Beets; m. M. Vulpius
  • 19.
    Ach, blijf metuw genade (LvdK 423) t. J. Stegmann; v. N. Beets; m. M. Vulpius
  • 20.
    Ach, blijf metuw genade (LvdK 423) t. J. Stegmann; v. N. Beets; m. M. Vulpius
  • 21.
    Gebed om deHeilige Geest.
  • 22.
  • 23.
    Kijk eens omje heen, kijk eens om je heen, geef elkaar een hand, je bent niet alleen. Want wij moeten samen delen, samen zingen, samen spelen. Ook al zijn wij nog maar klein: samen spelen is pas fijn!
  • 24.
    Kijk eens omje heen, kijk eens om je heen, wij zijn in de wereld niet alleen. God kent ieder kind bij name, zeg maar ja en zeg maar amen. Ook al zijn we nog maar klein, God wil onze Vader zijn.
  • 25.
    Wij gaan, totstraks!!
  • 26.
    Lezen Ex 2: 23 t/m 3 : 14
  • 27.
    23 In dielange tijd stierf de koning van Egypte; en de Israëlieten zuchtten nog steeds onder de slavernij en schreeuwden het uit, zodat hun hulpgeroep over de slavernij omhoog steeg tot God. 24 En God hoorde hun klacht en God gedacht aan zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob. 25 Zo zag God de Israëlieten aan en God had bemoeienis met hen.
  • 28.
    1 Mozes nuwas gewoon de kudde van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan, te hoeden. Eens, toen hij de kudde naar de overkant van de woestijn geleid had, kwam hij bij de berg Gods, Horeb. 2 Daar verscheen hem de Engel des HEREN als een vuurvlam midden uit een braamstruik. Hij keek toe, en zie, de braamstruik stond in brand,
  • 29.
    maar werd nietverteerd. 3 Mozes nu dacht: Laat ik toch dat wondere verschijnsel gaan bezien, waarom de braamstruik niet verbrandt. 4 Toen de HERE zag, dat hij het ging bezien, riep God hem uit de braamstruik toe: Mozes, Mozes! En hij antwoordde: Hier ben ik. 5 Daarop zeide Hij: Kom niet dichterbij: doe uw schoenen van uw voeten,
  • 30.
    want de plaats,waarop gij staat, is heilige grond. 6 Voorts zeide Hij: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. Toen verborg Mozes zijn gelaat, want hij vreesde God te aanschouwen. 7 En de HERE zeide: Ik heb terdege gezien de ellende van mijn volk, dat in Egypte is,
  • 31.
    en hun gejammerover hun drijvers gehoord, ja, Ik ken hun smarten. 8 Daarom ben Ik nedergedaald om hen uit de macht der Egyptenaren te redden en uit dit land te voeren naar een goed en wijd land, een land vloeiende van melk en honig, naar de woonplaats van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.
  • 32.
    9 En nu,zie, het gejammer der Israëlieten is tot Mij doorgedrongen; ook heb Ik gezien, hoezeer de Egyptenaren hen verdrukken. 10 Nu dan, ga, Ik zend u tot Farao, om mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte te leiden. 11 Maar Mozes zeide tot God: Wie ben ik, dat ik naar Farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?
  • 33.
    12 Toen zeideHij: Ik ben immers met u! En dit zal u het teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer gij het volk uit Egypte hebt geleid, zult gij God dienen op deze berg. 13 Daarop zeide Mozes tot God: Maar wanneer ik tot de Israëlieten kom en hun zeg:
  • 34.
    De God uwervaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen: hoe is zijn naam – wat moet ik hun dan antwoorden? 14 Toen zeide God tot Mozes: Ik ben, die Ik ben. En Hij zeide: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden.
  • 35.
  • 36.
    Lieve Heer, Gijzegt ‘kom’ en ik kom (LvdK 51) t. W. Barnard; m. J.F.M. Geraedts
  • 37.
    Lieve Heer, Gijzegt ‘kom’ en ik kom (LvdK 51) t. W. Barnard; m. J.F.M. Geraedts
  • 38.
    Lieve Heer, Gijzegt ‘kom’ en ik kom (LvdK 51) t. W. Barnard; m. J.F.M. Geraedts
  • 39.
  • 40.
  • 41.
    Majesteit, groot iszijn majesteit (EL 142) t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
  • 42.
    Majesteit, groot iszijn majesteit (EL 142) t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
  • 43.
    Majesteit, groot iszijn majesteit (EL 142) t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
  • 44.
    Majesteit, groot iszijn majesteit (EL 142) t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
  • 45.
    Majesteit, groot iszijn majesteit (EL 142) t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
  • 46.
    Majesteit, groot iszijn majesteit (EL 142) t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
  • 47.
    Majesteit, groot iszijn majesteit (EL 142) t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
  • 48.
    Majesteit, groot iszijn majesteit (EL 142) t. & m. J. Hayford; v. J. Goldschmeding
  • 49.
  • 50.
    Collecte 1stevoor Horeb 2de eigen gemeente
  • 51.
  • 52.
    G 358 –1, 3, 4, 6 Genadig Heer
  • 53.
    allen: Genadig Heer, dieal mijn zwakheid weet (LvdK 358) t. P.D. Kuiper; m. W.H. Monk
  • 54.
    Genadig Heer, dieal mijn zwakheid weet (LvdK 358) t. P.D. Kuiper; m. W.H. Monk
  • 55.
    Genadig Heer, dieal mijn zwakheid weet (LvdK 358) t. P.D. Kuiper; m. W.H. Monk
  • 56.
    Genadig Heer, dieal mijn zwakheid weet (LvdK 358) t. P.D. Kuiper; m. W.H. Monk
  • 57.
    Slotzang ELB 374 OHeer, mijn God
  • 58.
    allen: O Heer, mijnGod (EL 374) t. S.K. Hine; m. C. Boberg; v. R. Zuiderveld
  • 59.
    O Heer, mijnGod (EL 374) t. S.K. Hine; m. C. Boberg; v. R. Zuiderveld
  • 60.
    O Heer, mijnGod (EL 374) t. S.K. Hine; m. C. Boberg; v. R. Zuiderveld
  • 61.
    O Heer, mijnGod (EL 374) t. S.K. Hine; m. C. Boberg; v. R. Zuiderveld
  • 62.
    O Heer, mijnGod (EL 374) t. S.K. Hine; m. C. Boberg; v. R. Zuiderveld
  • 63.
    O Heer, mijnGod (EL 374) t. S.K. Hine; m. C. Boberg; v. R. Zuiderveld
  • 64.