Your SlideShare is downloading. ×
Vragenfilo
Vragenfilo
Vragenfilo
Vragenfilo
Vragenfilo
Vragenfilo
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×
Saving this for later? Get the SlideShare app to save on your phone or tablet. Read anywhere, anytime – even offline.
Text the download link to your phone
Standard text messaging rates apply

Vragenfilo

612

Published on

Published in: Travel
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
612
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
9
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide

Transcript

  • 1. •Waarom is een mythe geen filosofie? •De belangrijkste elementen voor een goed antwoord zijn de volgende: 1Samenvatting: omdat de mythe niet radicaal kritisch is 2Uitwerking: 3Een goede uitwerking houdt onder andere het volgende in: -De mythe is een verhaal waarin de mythische mens zijn zicht uitdrukt op mens en wereld. De mythe situeert en oriënteert de mens. Maar er is nog geen afstand: de mythische mens staat en leeft helemaal binnen het verhaal. De mythe is het verhaal waarin en van waaruit de mens leeft. -De mythe is wel al een zekere vorm van reflectie, in de zin dat ze een terugbuigen is, om een zeker zicht te krijgen op de wereld waarin wij leven, maar het is geen kritische reflectie: geen reflectie met de rede alleen. In de mythe spelen nog alle bewustzijnsniveau's samen. Filosofie daarentegen is wel kritisch. Ze wil een reflectie zijn die kritisch, radicaal en omvattend is. Het essentiële is dus het kritische: nadenken met de ree, op zoek naar een redelijk antwoord, naar een archè die voor de rede toegankelijk is en voor redelijke discussie (dialogos) vatbaar is. Dit alles zou al een voldoende antwoord zijn. Maar je kan je antwoord nog veel rijken maken (en dus ook meer punten krijgen) als je dat nog verder uitwerkt, door onder meer op het volgende te wijzen: aVandaar dat de filosofische archè zich niet meer situeert okp het vlak van het sacrale, maar van de zakelijke principes. Omdat de filosofie uitgaat van de kritische rede is ze ook niet meer collectief, maar streeft ze naar universaliteit. (Eventueel kan je hier ook de problematiek ter sprake brengen omtrent de universaliteit en de individualiteit in de filosofie: de filosofie streeft wel naar universaliteit maar omwille van het hermeneutisch karakter ervan blijft ze altijd sterk aan de individualiteit van de filosoof gebonden. Ook de andere aspecten van de tegenstelling tussen mythos en logos, zoals de mythe is van alle tijden, de logos is historisch etc. Zou je hier kunnen ter sprake brengen. Ook die werpen een licht op de tegenstelling tussen filosofie en mythe). Bovendien is uit de logos de epistèmè voortgekomen, en de filosofie deelt in dat ideaal: ze wil een verantwoord en systematisch weten zijn. bVoor een nog volledigere uitwerking: Dat de mythe geen filosofie is, wil niet zeggen dat de filosofie met de mythe niets te maken heeft: -De filosofie is uit de mythe voortgekomen en is oorspronkelijk ontstaan als een reflectie op de mythe, die toen de sprontane opvattingen waren, en het is precies op de spontage opvattingen dat de filosofie reflecteert. -Bovendien zijn mythen ook nu nog belangrijk voor de filosofie. De rede haalt haar inhoud niet enkel uit zichzelf. Zij is een re-flectie: een reflectie op de inzichten en zienswijzen die in de mythen van de mensheid zijn neergelegd. Volgens Ricoeur ligt het echte begrijpen in de 2de naïviteit. Voor hem betekent dit dat de filosofie haar inhoud ontleent aan de mythen, aan de grote verhalen van de mensheid, en dat ze pas echt tot inzicht kan komen, niet door te steunen op de rede alleen, maar als een denkend beluisteren van de symbolen, d.i. Als een hermeneutiek van de mythen. 1Uit deze vraag blijkt dus hoe je antwoord steeds rijker kan worden. Dat bepaalt ook mee de kwotering. Als je de elementen van a. Gegeven hebt, is dat ruim voldoende. Als al die elementen in je antwoord zitten, dan kom je zeker aan het niveau van een 12. Heb je ze niet allemaal maar toch voldoende om de essentie van het antwoord duidelijk te maken, dan krijg je toch al zeker een 10. Heb je ook de elementen van b. dan ga je al vlug naar een 14. En heb je tenslotte ook c dan heb je al een heel goed inzicht in het probleem dat de vraag aan de orde stelt. Dan zit je al vlug op het niveau van een 16. Maar alles hangt natuurlijk af van de manier waarop je dat feitelijk hebt uitgewerkt, want dat kan op heel veel manieren en de ene is al beter en preciezer dan de andere. Bij de volgende vragen is het niet altijd mogelijk zomaar te zeggen wanneer je welke kwotering zou krijgen, maar bij gelegenheid zal dat nog wel komen bij de vragen die komen.
  • 2. •Waarom spreekt Plato over een 'ideeënwereld'? •Plato spreekt over een ideeënwereld vanuit een nadenken over wat denken (logos), wetenschap ('epistème') of filosofie is. •Denken is bezig zijn met ideeën (cf. Van zien naar in-zien). Met die ideeën bereiken we het wezenlijke in de dingen, wat ze eigenlijk zijn. Die ideeën vormen een samenhangend geheel (een 'wereld'-”kosmos noètos”) en denken of aan wetenschap doen is zich bewegen in die wereld van ideeën om daat de verbanden te zien. Die verbanden zijn logische verbanden: daarom is voor dat zich bewegen in de ideeënwereld de logica belangrijk: je moet logisch denken zodat je de verbanden die er zijn respecteert. Plato zegt dat die ideeënwereld bestaat, want ideeën zijn niet niets: die begrippen bestaan op één of andere manier. Voor Plato zijn ze zelfs het eigenlijke, het wezenlijke omtrent de dingen want zij vormen juist de wat-heid van iets (cf. definiëren is begrippen geven). • Met dat alles heb je het essentiële gegeven. Eventueel kan je dit alles nog verder uitwerken. Zo kan je ook wijzen op de vraag: hoe komen wij aan die ideeën (cf. de anamnese-leer) en ook de vraag: hoe komt het dat ideeën gemeenschappelijk zijn (terwijl onze ervaring altijd verschillend is). Daarvoor verwijst Plato naar het vroegere bestaan van de ziel in de ideeënwereld zodat we daar dezelfde ideeën hebben gezien. Dat verheldert wel Plato's spreken over de ideeënwereld, hoewel het niet strict tot de vraag zelf meer behoort. •Waarom is filosofie ook altijd geschiedenis van de filosofie? •Voor het antwoord op deze vraag kan gewoon worden verwezen naar de cursus én naar je nota's. Belangrijke elementen zijn: •Filosofie is hermeneutisch: betekenis is nooit af en vroegere interpretaties zijn nog altijd belangrijk. •Filosofie gaat altijd uit van een concrete situatie (en een concrete Vorverständnis) en die is steeds wisselend. •Interessant kan ook zijn om erop te wijzen waarom de positieve wetenschappen niet wezenlijk vasthangen aan hun geschiedenis. •Wat is er 'nieuw' aan het Novum Organum? •Voor het beantwoorden van deze vraag ga je best uit van het (oude) Oganon van Aristoteles: de logica. Dat was het instrument (“organon”) van de wetenschap. Die logica is deductief. Daartegenover stelt Bacon zijn Novum Organum, nl. de inductie. Dat is een eerste element van nieuwheid. Hierbij kan je dan het verschil uitleggen tussen deductie en inductie. De inductie wil vertrekken van de ervaring. Maar (en dat is een tweede element van nieuwheid) niet zomaar van de gewone ervaring, maar eerst en vooral van de instrumentele en experimentele ervaring. Dat Bacon een Novum Organum wil, heeft ook te maken (en dat is een derde element) met het feit dat hij een nieuw soort begrippen zoekt. Hij wil een begrijpen dat een ingrijpen mogelijk maakt (“kennis is macht”) en ook dat is helemaal nieuw ten aanzien van vroeger (dat kan je dan ook verder uitleggen). De eerste twee elementen moeten alleszins in je antwoord zitten. Als je ook het derde element geeft laat je zien dat je de stof al op een heel wat dieper niveau hebt begrepen. Het derde element geeft aan waarom Bacon inductie en experimentele en instrumentele ervaring naar voren schuift. •De hedendaagse wetenschap is niet inductief maar hypothetisch-deductief zegt Popper. Waarom? •Dat is volledig uitgewerkt in de cursus en in de nota's. Belangrijk is het erop te wijzen dat het hier de kritiek betreft van Popper op de klassieke inductie. Essentieel in je antwoord is dat je uitlegt wat en waarom de hypothese daar zo een belangrijke
  • 3. plaats in heeft, en waar het deductieve dan ligt (afleiden van testimplicaties, en uit het al dan niet uitkomen van de testen, de deductieve afleidingen die gemaakt worden in verband met de waarheid of valsheid van de hypothese – falsificatie, corroboratie). •Waarom kan men het deïsme de godsdienst van de Verlichting noemen? 1Samenvatting: Deïsme is de godsdienst van de Verlichting, omdat de verlichting enkel gelooft in het licht van de rede en wat die rede omtrent God vereist. Het deïsme wil een zuiver redelijke godsdienst zijn, een natuurlijke religie, die met de redelijke natuur van de mens is meegegeven. 2Uitwerking: 3Het deïsme (dat vooral opkomt in de 18de eeuw, met als vertegenwoordigers de Encyclopedisten, ook mensen als Robespierre, en vele wetenschappers uit die tijd – ook Newton gaat in die richting), vertrekt van de rede en neemt in de godsdienst enkel aan wat zuiver en redelijk is. Alle particulariteit, alle symbolen, verhalen, particuliere openbaringen worden verworpen. Die zijn (zoals de mythe) collectief, groepsgebonden, maar niet universeel zoals de rede het vereist. Niet dat de religie als zodanig verworpen wordt: “als God niet bestond, moesten we hem uitvinden, want heel de natuur roept om God”: god als sluitstuk van de kosmologie (de grote Bouwmeester) en van de moraal (Wetgever en Rechter). 4Dit zijn de basiselementen die aanwezig moeten zijn opdat uw antwoord voldoende zou zijn. Een verdere en rijkere uitwerking is evenwel nog mogelijk: 5Op die manier aanvaarden de deïsten alleen datgene wat universeel is, wat voor iedere mens aanvaardbaar is (als redelijk wezen). De bedoeling is ook om zo een einde te maken aan de voortdurende godsdienstoorlogen. De particuliere godsdiensten leiden enkel tot conflict. De zuiver redelijke godsdienst die de deïsten voorstaan, leidt daarentegen tot gelijkheid en broederlijkheid, door redelijkheid, en dat is de droom van de Verlichting: “liberté, égalité, fraternité door rationalité”. 6Om een echt volledig antwoord te hebben is ook het volgende nog belangrijk: 7Deïsme is geen godsdienst in de eigenlijke zin: godsdienst is niet descriptief maar eerder gericht op een “disclosure” (disclosure-taal: Ramsey) en die is altijd particulier. Vandaar dat men zich kan afvragen of bij het wegnemen van alle particulariteit, er eigenlijk nog veel van de godsdienst overblijft. Godsdienst is niet een weten en zelfs niet op de eerste plaats 'geloven dat' (maar eerder 'geloven in'). In die zin is het deïsme eerder een filosofie dan een godsdienst, zelfs wanneer het gaat over God. 8Ook hier kan, zeer algemeen, gezegd worden dat als je de samenvatting en punt 1 geeft, je op het niveau zit van een 12, punt 2 een 14 en alle 3 de punten tenminste een 16. •Waarom is de vraag wat filosofie is, zelf al een filosofische vraag? •De vraag wat filosofie is, is zelf al een filosofische vraag omdat de filosofie radicaal kritisch wil zijn en dus ook kritisch moet nadenken over zichzelf. Dit in tegenstelling tot andere wetenschappen. De filosofie werkt met de rede. Als radicaal kritische reflectie moet ze ook kritisch nadenken over de rede zelf: wat die redelijkheid is, wat ze kan en wat ze niet kan. De vraag wat filosofie is, is zelfs dé filosofische vraag bij uitstek in de hedendaagse wijsbegeerte, omdat juist op onze dagen de mogelijkheden en de grenzen van de rede (en dus ook van de filosofie) zo sterk ter discussie staan. •Waarom is voor Hegel de uil van Minerva het symbool van de filosofie? •Ook hier heb je antwoorden op verschillende niveau's.
  • 4. Een eerste, essentieel, niveau is: omdat de uil 's avonds uitvliegt en de filosofie een reflectie is. (Dat moet je dan wat uitwerken). Dat moet er zeker in. •Je kan er ook op wijzen dat de uil voor ons ook soms het symbool is van domheid, en de ware wijsheid er op de eerste plaats in bestaat te weten dat je niet weet (tegenover de spontane 'evidenties'). Hier zou je goed Socrates kunnen uitwerken en zijn methode van ironie, als mooi voorbeeld daarvan. Je kan dat ook verder uitwerke door er op te wijzen dat, juist omdat de uil 's avonds uitvliegt, als de dag voorbij is, dit ook wil laten zien dat de filosofie niet de dag (het leven) zelf is maar alleen een reflectie daarop. De filosofie is niet het eerste antwoord (en misschien zelfs niet het laatste). Ook dat zou je dan wat verder kunnen uitwerken. •Waarom is de Oosterse wijsheid geen wijsbegeerte? •De wijsbegeerte is het resultaat van het Griekse project van de logos, dit wil zeggen van de poging om met de rede de werkelijkheid te begrijpen. Waar de rede eindigt, eindigt ook de filosofie. De Oosterse wijsheid ligt echter niet in het verlengde van dat project. Ze leeft daarentegen van het inzicht dat met de rede het ware inzicht niet te achterhalen is en dat de mens, wil hij tot het echte inzicht komen, de rede achter zich moet laten. Juist daarom kan de Oosterse wijsheid ons ook bewust maken van de grenzen van de rede, en ons wijzen naar een dieper inzicht. In onze cultuur is het precies dat wat de godsdienst doet. Wat wij gewoonlijk de Oosterse filosofie noemen, zijn in feite de Oosterse godsdiensten (Boeddhisme, hindoeïsme, taoïsme,...). Zij sluiten eerder aan bij wat wij godsdienst noemen dan bij wat wij filosofie noemen. •Multiple choice: Waarom noemt men de eerste Griekse filosofen ook de 'pre-socratici'? •Enkel omdat ze voor Socrates komen •Omdat hun filosofie ook grondig verschilt van die van Socrates • •Het juiste antwoord is de tweede mogelijkheid. Het denken van de eerste Griekse filosofen handelt volledig over de natuur: het zijn 'natuurfilosofen' (of “kosmo-logen”), terwijl Socrates een breuk betekent in de eerste Griekse filosofie doordat hij niet langer kosmologisch denkt maar begaan is met ethiek. •“De filosofie is een reflectie op onze altijd al geïnterpreteerde ervaring”. aZou je die zin (uit de cursus) eens kunnen uitleggen? bZou je dat ook kunnen zeggen van de mythe? cEn van de positieve wetenschappen? dOm deze vraag te beantwoorden kan je best stap voor stap te werk gaan. eZo kan je best beginnen met uitleggen dat de filosofie een reflectie is: dat eerst uitleggen. Dan kan je uitleggen hoe die reflectie een reflectie is op onze ervaring (niet op de werkelijkheid als zodanig: de werkelijkheid is altijd de werkelijkheid zoals we ze ervaren). De ervaring is altijd al geïnterpreteerd: spontane opvattingen en wereldbeschouwing. De filosofie is dus een reflectie op onze ervaring van de werkelijkheid en meer bepaald op de spontane interpretaties die we van die ervaring al hebben. De filosofie buigt daar kritisch (en radicaal kritisch op terug. Om dat nog dieper uit te werken kan je dat ook laten zien aan de hand van voorbeelden: de natuurfilosofen (t.a.v. De mythe), Socrates t.a.v. De opkomende Descartes (opkomst van de wetenschappen) etc. Aan de hand van één (of een paar) ervaring (en de spontane interpretaties daarrond) die haar voorafgaan en die haar reflectie bepalen. fIn zekere zin wel, maar de mythe is een spontane reflectie op wat de mens feitelijk ervaart en dan
  • 5. nog een reflectie die neergelegd is in verhalen, maar niet in een kritisch-radicaal rationeel denken. gIn zekere zin ook. Ook de positieve wetenschappen zijn een terugbuigen op onze spontane ervaringen (bijv. dat de zon draait rond de aarde). Die reflectie neemt echter de vorm aan van een poging tot 'verklaren', d.i. zoeken naar efficiënte oorzaken. In die zin wil die reflectie ook kritisch zijn (met de rede) maar niet radicaal kritisch in de zin dat de wetenschap uitgaat van een bepaalde methode en een bepaalde opvatting van verklaren (postulaat van objectiviteit, van het determinisme) die ze zelf niet meer in vraag stelt. •Zou men het onderscheid tussen 'probleem' en 'mysterie' kunnen toepassen op het onderscheid tussen filosofie en godsdienst? •Het antwoord is neen, want zowel filosofie als godsdienst hebben betrekking op het mysterie, terwijl problemen te vinden zijn in de positieve wetenschap. 1Probleem en mysterie is een onderscheid van Gabriel Marcel. 'Probleem' komt van “pro-ballein” (voorwerpen). In het probleem bekijk ik de dingen objectief en ben ik een buitenstaander. In de filosofie en in de godsdienst gaat het daarentegen om 'problemen' waar ik deel van uitmaak, problemen die mij raken. Het gaat dus in beide gevallen om 'mysteries', maar niet mysteries in de zin dat je er niet kan over nadenken, maar om dingen waar wijzelf in betrokken zijn, die we niet zomaar als buitenstaander kunnen benaderen, maar die we alleen van binnenuit kunnen begrijpen (Verstehen). Dat heeft uiteraard ook te maken met het feit dat zowel filosofie als godsdienst geïnteresseerd zijn in de betekenis en niet zozeer in de feiten. De feiten kan ik op een afstandelijke manier bekijken en met elkaar verbinden (zoals de positieve wetenschapper doet), maar als het gaat over de betekenis, die kan ik alleen van binnen uit verstaan. Bijv. nadenken over de werkelijkheid, over het leven, is ook nadenken over mijzelf: ik maak er deel van uit en ik kan ze uiteindelijk maar van binnenuit begrijpen. Problemen heb je wel in de positieve wetenschappen: zij zien af van iedere betekenis en willen zich houden aan de feiten en hun (wetmatige) relaties. Zij willen alles expliciet benaderen als buiten- staander, op een objectieve, afstandelijke manier. (Eventueel kan je hier ook het onderscheid tussen Erklären en Verstehen wat verder uitwerken). 2Het onderscheid tussen probleem en mysterie is dus niet toepasselijk op het onderscheid tussen filosofie en godsdienst, omdat zowel filosofie als godsdienst bezig zijn met mysteries. 3Toch is er ook een wezenlijk verschil tussen filosofie en godsdienst in die manier waarop zij die 'mysteries' benaderen. De filosofie wil die benaderen via de rede (en het redelijk inzicht) terwijl de godsdienst die ter sprake brengt via verhalen en symbolen. (Hier zou je eventueel kunnen verwijzen naar wat Hegel zegt over de Vorstellung, die nog niet aan het echte begrijpen toe is, terwijl voor Ricoeur die symbolen de rede over zichzelf heenvoert. 4Wanneer men echter 'het mysterie' niet opvat zoals Gabriel Marcel dat doet maar in de betekenis zoals die vaak wordt verstaan, nl. Iets dat we niet kunnen begrijpen, dan is de filosofie niet bezig met mysteries: iets wat je niet kan begrijpen, daar kan de filosofie ook niets over zeggen. Maar, dat is niet de eigenlijke betekenis van 'mysterie' (je zou dan kunnen refereren naar het citaat dat in de cursus staat: “le mystère ce n'est pas un mur où l'intelligence ce brise, c'est un océan où l'intelligence se perd”). 5Om je enig idee te geven van de kwotering: iemand die punt 1 voldoende duidelijk geeft en uitwerkt, zit al vlug op het niveau van 12, wie ook punt 2 geeft zit al vlug op het niveau van 14, en wie ook punt 3 geeft zit al vlug op het niveau van een 16. Maar nogmaals: veel hangt af van de concrete manier van uitwerken! •Wat is een 'wereldbeschouwing'?
  • 6. •Een wereldbeschouwing is het geheel van spontane opvattingen en waarderingen die iemand er op nahoudt. Deze opvattingen en waarderingen zijn meestal niet expliciet bewust maar vormen de basis van zijn handelen en denken. Ze zijn ook niet zozeer theoretisch dan wel praktisch van aard: ze zijn op de eerste plaats te vinden in zijn praktisch omgaan met de wereld en de anderen. NB. Essentieel is dat je erop wijst (1) dat het niet alleen om opvattingen maar ook om waarderingen gaat en (2) dat die vooral neergelegd zijn in de praktijk van het leven van die persoon. •Wat zijn sofisten? •De sofisten zijn een groep van mensen in de 4de-5de eeuw voor Christus in Griekenland, die de grondslag van goed en kwaad leggen in de conventie en van daaruit anderen gaan opleiden in de retoriek, om via het overtuigende woord die conventie te kunnen beïnvloeden. Zij sluiten aan bij het wegvallen van de mythe (die tot dan toe de basis vormde voor goed en kwaad) en de opkomt van de Atheense democratie. •Wat wordt bedoeld met “die Entzauberung der Welt”? •Dit is een term van socioloog Max Weber, om aan te duiden dat de toenmenede rationalisering in onze Westerse cultuur betekent dat het steeds minder en minder duistere, magische krachten zijn die de dingen beheersen, maar rationele principes die voor de mens toegankelijk zijn en waarop de mens greep kan krijgen. •Wat wordt bedoeld met “het Grieks mirakel”? •Daarmee wordt bedoeld dat bij de Grieken, op zeer korte tijd de logos overal de plaats gaat innemen van de mythe. Zowel op het vlak van hun visie op de kosmos als op het vlak van menselijk handelen: overal gaan de Grieken op zoek naar een redelijk spreken, zodanig dat binnen een paar eeuwen een geheel nieuwe cultuur onstaat, die grondig verschilt van de mythische. Die cultuur van de logos ligt aan de basis van onze Westerse cultuur.

×