Leerdoelen Nederlands
Kennisbasis
Leerdoelen
Mondelinge taalvaardigheid
De student:
• kan aangeven welke luisterstrategie (globaal, intensief, gericht, kritisch luisteren) geschikt is om
een bepaald luisterdoel (iets te weten willen komen, een gevoel willen ondergaan, een mening
willen vormen, een handeling willen uitvoeren, een spel willen spelen) te realiseren
• kent de spreekdoelen amuseren, informeren, instrueren en overtuigen en kan in een
taalgebruikssituatie aangeven welke doelen een spreker hanteert
• kent de sociale taalfuncties zelfhandhaving, zelfsturing, sturing van anderen, structurering van
het gesprek en kan van een taalgebruikssituatie aangeven welke sociale taalfunctie van
toepassing is
• kent de cognitieve taalfuncties: rapporteren, redeneren, projecteren en kan cognitieve
taalfuncties ordenen in mate van complexiteit
• kan van een taalgebruikssituatie aangeven welke cognitieve taalfunctie van toepassing is
• weet dat bij mondeling presenteren de volgende stappen worden genomen: oriënteren op de
inhoud, doel en publiek bepalen, plannen, presenteren, reflecteren op doel en inhoud
Leerdoelen
Woordenschat 1
De student:
• kent de begrippen woordenschatuitbreiding in de breedte (meer nieuwe woorden verwerven) en
in de diepte (diepe woordkennis verwerven) en kan voorbeelden van deze typen herkennen in
een praktijkvoorbeeld
• kent het verschil tussen receptieve en productieve woordkennis wat betreft aard en omvang en
kan receptieve en productieve woordkennis herkennen in een praktijkvoorbeeld
• kent vier strategieën om de woordbetekenis te achterhalen (woord analyseren, gebruikmaken
van verbale en non-verbale context, gebruikmaken van een bron in 1e of 2e taal, letter op
overeenkomsten tussen 1e en 2e taal) en kent de relatie tussen woordleerstrategieën en
principes van woordschatverwerving
• kent drie strategieën om de woordbetekenis te onthouden (herhalen en opschrijven, ophalen uit
het geheugen, woord produceren) en herkent in taalleersituaties de gebruikte
woordleerstrategieën
Leerdoelen
Woordenschat 2
De student:
• kent de begrippen ‘label’ en ‘concept’ en de relatie tussen die twee begrippen, weet dat
woordbetekenis is opgebouwd uit betekenisaspecten en kan cruciale betekenisaspecten van
woorden onderscheiden van minder belangrijke
• kan aangeven welke betekenisrelaties (synoniem, hyponiem, antoniem, context) tussen
woorden bestaan
• kan aangeven welke vormrelaties (rijmwoorden, homoniemen) tussen woorden bestaan
• ken de begrippen vaktaalwoord, schooltaalwoord en signaalwoord en kan bij een
taalgebruikssituatie aangeven wat vaktaalwoorden, schooltaalwoorden en signaalwoorden zijn
• kan bij een taalgebruikssituatie aangeven wat inhoudswoorden en functiewoorden zijn
Leerdoelen
Beginnende geletterdheid
De student:
• kent het begrip ontluikende geletterdheid in relatie tot beginnende geletterdheid en gevorderde
geletterdheid
• kent de begrippen fonologisch en fonemisch bewustzijn en herkent verschijningsvormen van
fonologisch en fonemisch bewustzijn in praktijksituaties
• kan bij een activiteit aangeven welke van de auditieve vaardigheden gehanteerd wordt:
auditieve objectivatie, auditieve analyse, auditieve synthese, temporeel ordenen, bepalen van
klankpositie
• kan bij een activiteit aangeven welke van de visuele vaardigheden gehanteerd wordt: visuele
analyse, visuele synthese, spatieel ordenen, letterpositie bepalen
• kent de verschillende stappen van de elementaire spellinghandeling (auditieve analyse,
fonemen in volgorde onthouden, foneem-grafeemkoppeling, woord schrijven) en kan aangeven
of een woord volgens de elementaire spellinghandeling geschreven kan worden
• herkent bovenstaande spellingstrategie in taalgebruikssituaties
• kan aangeven of een woord klankzuiver is
Leerdoelen
Stellen
De student:
• kent de begrippen verzamelen, selecteren, ordenen van inhoud, formuleren, revisie, verzorgen
en reflecteren op schrijfgedrag; kent de plaats van al deze stappen in het schrijfproces en
herkent deze stappen in een schrijfsituatie
• kent de begrippen tekstdoel, publiek en tekstsoort en hun onderlinge relatie en kent ten minste
drie specifieke tekststructuren (stapelstructuur, verhaalstructuur, betoogstructuur) en kan deze
herkennen
Leerdoelen
Taalbeschouwing 1
De student:
• kent de functies van taal (communicatief, expressief, conceptualiserend); kan in een
taalgebruikssituatie aangeven welke functie van toepassing is en kan van een tekst aangeven
welke functie die heeft
• kent de taalbeschouwingsstrategieën analyseren, relateren, vergelijken, classificeren,
generaliseren, herordenen en herkent in een taalgebruikssituatie of een oefening welke
taalbeschouwingsstrategie wordt gehanteerd
• kent het begrip register en herkent formeel en informeel taalgebruik
• kent de begrippen taalvariatie (binnen en tussen individuen, groepen, regio’s) en taalvariëteit en
kan voorbeelden van taalvariatie herkennen/ benoemen in praktijksituaties en kent het verschil
tussen standaardtaal en dialect en weet welke autochtone standaardtalen in Nederland erkend
zijn (Fries en Nedersaksich)
• kent de relatie tussen mondelinge en schriftelijke taal en weet dat taal een recursief systeem is
(en wat dit inhoudt)
Leerdoelen
Taalbeschouwing 2
De student:
• kan uitingen beschouwen op verschillende taalkundige niveaus en aangeven of ze op
fonologisch/ orthografisch, morfologisch, syntactisch, semantisch of pragmatisch niveau
incorrect of multi-interpretabel zijn
• kent het begrip fonologie en kan aangeven hoeveel fonemen er in een woord zitten
• kent het begrip morfologie, kan een woord verdelen in morfemen en kan bij een woord
aangeven of er sprake is van vervoeging, verbuiging, afleiding of samenstelling
• kent het begrip syntaxis en kan de structuur van zinnen duiden met behulp van termen uit de
zinsontleding en woordbenoeming zoals die in de Cito eindtoets voor de Pabo voorkomen:
– woordbenoemen: lidwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord,
koppelwerkwoord, zelfstandig werkwoord, hulpwerkwoord, voorzetsel, telwoord, bijwoord,
voegwoord, persoonlijk voornwaamwoord, bezittelijk voornaamwoord, aanwijzend
voornaamwoord, vragend voornaamwoord
– zinsdelen: persoonsvorm, onderwerp, werkwoordelijk gezegd, naamwoordelijk gezegde,
naamwoordelijk deel, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, voorzetselvoorwerp,
bijwoordelijke bepaling, bijvoeglijke bepaling
Leerdoelen
Taalbeschouwing 3
De student:
• kent de begrippen semantiek, antoniem, hyponiem en synoniem en kan aangeven of er tussen
woorden sprake is van een betekenisrelatie in termen van antoniemen, hyponiemen en
synoniemen
• kent de begrippen pragmatiek en taalhandeling en kent voorbeelden van meerdere
taalhandelingen (vragen, bevelen, beweren, beloven, dreigen) en kan deze herkennen in
taalgebruikssituaties
• kent de begrippen homofoon en homograaf en kan bij een woordpaar aangeven of er sprake is
van homofonen of homografen
Leerdoelen
Spelling
De student:
• kent de begrippen directe en indirecte spellingstrategie, kent de vijf spellingstrategieën
(fonologische strategie, woordbeeld-, regel, analogie- en hulpstrategie) en kan van een woord
aangeven volgens welke spellingstrategie het gespeld moet worden
• kan bij een voorbeeld aangeven welke spellingstrategie een kind heeft gehanteerd
• kan van een reeks woorden aangeven tot welke spellingcategorie ze behoren
• kan van een reeks woorden aangeven of ze tot dezelfde spellingcategorie behoren
• kan aangeven hoe in een werkwoordsvorm het morfologisch principe van de Nederlandse
spelling wordt toegepast (regel van gelijkvormigheid)
• kan aangeven hoe in een werkwoordsvorm het morfologisch principe van de Nederlandse
spelling wordt toegepast (regel van overeenkomst)
• kan aangeven hoe de spelling van een werkwoordsvorm wordt bepaald door grammaticaal
inzicht
Leerdoelen Nederlands
Didactiek
Leerdoelen
Beginnende geletterdheid 1
De student:
• kent het begrip ontluikende geletterdheid in relatie tot beginnende geletterdheid en gevorderde
geletterdheid en kan voorbeelden herkennen uit de praktijk
• weet welke vaardigheden in de beginnende geletterdheid voor leerlingen cruciaal zijn om een
goede schrijver te worden
• beargumenteert waarom de leerkracht belangrijk is in de geletterdheidsontwikkeling van
kinderen
• kan als leerkracht model staan met als doel de geletterdheid van de leerlingen te stimuleren
met behulp van gebruikte methode van de stageschool
• kan visuele ondersteuning geven bij de auditieve en visuele vaardigheden en de elementaire
spellinghandeling met behulp van gebruikte methode van de stageschool
• kan gerichte aanwijzingen geven bij de auditieve en visuele vaardigheden en de elementaire
spellinghandeling met behulp van gebruikte methode van de stageschool
Leerdoelen
Beginnende geletterdheid 2
De student:
• kent het begrip ontluikende geletterdheid in relatie tot beginnende geletterdheid en gevorderde
geletterdheid en kan voorbeelden herkennen uit de praktijk
• weet welke vaardigheden in de beginnende geletterdheid voor leerlingen cruciaal zijn om een
goede schrijver te worden
• beargumenteert waarom de leerkracht belangrijk is in de geletterdheidsontwikkeling van
kinderen
• kan als leerkracht model staan met als doel de geletterdheid van de leerlingen te stimuleren
met behulp van gebruikte methode van de stageschool
• kan visuele ondersteuning geven bij de auditieve en visuele vaardigheden en de elementaire
spellinghandeling met behulp van gebruikte methode van de stageschool
• kan gerichte aanwijzingen geven bij de auditieve en visuele vaardigheden en de elementaire
spellinghandeling met behulp van gebruikte methode van de stageschool
Leerdoelen
Spellen
De student:
• is zich bewust van de rol van de leerkracht om correct te spellen en geeft het goede voorbeeld
door woorden altijd correct te spellen
• kent verschillende instructieprincipes bij onveranderlijke woorden en herkent deze in de
methode
• kent verschillende instructieprincipes bij veranderlijke woorden en herkent deze in de methode
• kan van spellingfouten aangeven tot welke categorie ze behoren
• kent de toetsvorm dictee, kan onderscheid maken tussen vorm en manier en kan van de
verschillende vormen aangeven welke functie ze hebben
• kent en herkent de niveaus van de spellingcategorieën (fonologisch, morfologisch, semantisch
en syntactisch)
• past verschillende spellingstrategieën toe die gehanteerd worden in de methode van de
stageschool
Leerdoelen
Stellen
De student:
• kent het onderscheid tussen schrijfproduct en -proces en kan leerlingen sturen tijdens het
schrijfproces naar een schrijfproduct dat voldoet aan de gestelde criteria
• kan gerichte aanwijzingen geven voorafgaand en tijdens het schrijfproces met behulp van
gebruikte methode van de stageschool
• kan als leerkracht model staan met als doel de schrijfvaardigheid van de leerlingen te
stimuleren met behulp van gebruikte methode van de stageschool
• kan leerlingmateriaal bespreken om de stelvaardigheid te vergroten
• kan het schrijfproces van leerlingen ondersteunen met een stappenplan dat gebruikt wordt in de
methode van de stageschool
• kan voor- en nadelen benoemen van het gebruik van voorbeeldteksten
• weet hoe een goede stelles is opgebouwd en kan een goede stelopdracht formuleren
• kent verschillende ict-middelen om in te zetten tijdens een stelles
Leerdoelen
Eigen taalvaardigheid 4F niveau (Meijerink)
De student:
• kan goed gestructureerde teksten schrijven over allerlei onderwerpen waarbij het woordgebruik
rijk is en zeer gevarieerd en de lay-out bewust en consequent is toegepast.

Ned leerdoelen pp

  • 1.
  • 2.
    Leerdoelen Mondelinge taalvaardigheid De student: •kan aangeven welke luisterstrategie (globaal, intensief, gericht, kritisch luisteren) geschikt is om een bepaald luisterdoel (iets te weten willen komen, een gevoel willen ondergaan, een mening willen vormen, een handeling willen uitvoeren, een spel willen spelen) te realiseren • kent de spreekdoelen amuseren, informeren, instrueren en overtuigen en kan in een taalgebruikssituatie aangeven welke doelen een spreker hanteert • kent de sociale taalfuncties zelfhandhaving, zelfsturing, sturing van anderen, structurering van het gesprek en kan van een taalgebruikssituatie aangeven welke sociale taalfunctie van toepassing is • kent de cognitieve taalfuncties: rapporteren, redeneren, projecteren en kan cognitieve taalfuncties ordenen in mate van complexiteit • kan van een taalgebruikssituatie aangeven welke cognitieve taalfunctie van toepassing is • weet dat bij mondeling presenteren de volgende stappen worden genomen: oriënteren op de inhoud, doel en publiek bepalen, plannen, presenteren, reflecteren op doel en inhoud
  • 3.
    Leerdoelen Woordenschat 1 De student: •kent de begrippen woordenschatuitbreiding in de breedte (meer nieuwe woorden verwerven) en in de diepte (diepe woordkennis verwerven) en kan voorbeelden van deze typen herkennen in een praktijkvoorbeeld • kent het verschil tussen receptieve en productieve woordkennis wat betreft aard en omvang en kan receptieve en productieve woordkennis herkennen in een praktijkvoorbeeld • kent vier strategieën om de woordbetekenis te achterhalen (woord analyseren, gebruikmaken van verbale en non-verbale context, gebruikmaken van een bron in 1e of 2e taal, letter op overeenkomsten tussen 1e en 2e taal) en kent de relatie tussen woordleerstrategieën en principes van woordschatverwerving • kent drie strategieën om de woordbetekenis te onthouden (herhalen en opschrijven, ophalen uit het geheugen, woord produceren) en herkent in taalleersituaties de gebruikte woordleerstrategieën
  • 4.
    Leerdoelen Woordenschat 2 De student: •kent de begrippen ‘label’ en ‘concept’ en de relatie tussen die twee begrippen, weet dat woordbetekenis is opgebouwd uit betekenisaspecten en kan cruciale betekenisaspecten van woorden onderscheiden van minder belangrijke • kan aangeven welke betekenisrelaties (synoniem, hyponiem, antoniem, context) tussen woorden bestaan • kan aangeven welke vormrelaties (rijmwoorden, homoniemen) tussen woorden bestaan • ken de begrippen vaktaalwoord, schooltaalwoord en signaalwoord en kan bij een taalgebruikssituatie aangeven wat vaktaalwoorden, schooltaalwoorden en signaalwoorden zijn • kan bij een taalgebruikssituatie aangeven wat inhoudswoorden en functiewoorden zijn
  • 5.
    Leerdoelen Beginnende geletterdheid De student: •kent het begrip ontluikende geletterdheid in relatie tot beginnende geletterdheid en gevorderde geletterdheid • kent de begrippen fonologisch en fonemisch bewustzijn en herkent verschijningsvormen van fonologisch en fonemisch bewustzijn in praktijksituaties • kan bij een activiteit aangeven welke van de auditieve vaardigheden gehanteerd wordt: auditieve objectivatie, auditieve analyse, auditieve synthese, temporeel ordenen, bepalen van klankpositie • kan bij een activiteit aangeven welke van de visuele vaardigheden gehanteerd wordt: visuele analyse, visuele synthese, spatieel ordenen, letterpositie bepalen • kent de verschillende stappen van de elementaire spellinghandeling (auditieve analyse, fonemen in volgorde onthouden, foneem-grafeemkoppeling, woord schrijven) en kan aangeven of een woord volgens de elementaire spellinghandeling geschreven kan worden • herkent bovenstaande spellingstrategie in taalgebruikssituaties • kan aangeven of een woord klankzuiver is
  • 6.
    Leerdoelen Stellen De student: • kentde begrippen verzamelen, selecteren, ordenen van inhoud, formuleren, revisie, verzorgen en reflecteren op schrijfgedrag; kent de plaats van al deze stappen in het schrijfproces en herkent deze stappen in een schrijfsituatie • kent de begrippen tekstdoel, publiek en tekstsoort en hun onderlinge relatie en kent ten minste drie specifieke tekststructuren (stapelstructuur, verhaalstructuur, betoogstructuur) en kan deze herkennen
  • 7.
    Leerdoelen Taalbeschouwing 1 De student: •kent de functies van taal (communicatief, expressief, conceptualiserend); kan in een taalgebruikssituatie aangeven welke functie van toepassing is en kan van een tekst aangeven welke functie die heeft • kent de taalbeschouwingsstrategieën analyseren, relateren, vergelijken, classificeren, generaliseren, herordenen en herkent in een taalgebruikssituatie of een oefening welke taalbeschouwingsstrategie wordt gehanteerd • kent het begrip register en herkent formeel en informeel taalgebruik • kent de begrippen taalvariatie (binnen en tussen individuen, groepen, regio’s) en taalvariëteit en kan voorbeelden van taalvariatie herkennen/ benoemen in praktijksituaties en kent het verschil tussen standaardtaal en dialect en weet welke autochtone standaardtalen in Nederland erkend zijn (Fries en Nedersaksich) • kent de relatie tussen mondelinge en schriftelijke taal en weet dat taal een recursief systeem is (en wat dit inhoudt)
  • 8.
    Leerdoelen Taalbeschouwing 2 De student: •kan uitingen beschouwen op verschillende taalkundige niveaus en aangeven of ze op fonologisch/ orthografisch, morfologisch, syntactisch, semantisch of pragmatisch niveau incorrect of multi-interpretabel zijn • kent het begrip fonologie en kan aangeven hoeveel fonemen er in een woord zitten • kent het begrip morfologie, kan een woord verdelen in morfemen en kan bij een woord aangeven of er sprake is van vervoeging, verbuiging, afleiding of samenstelling • kent het begrip syntaxis en kan de structuur van zinnen duiden met behulp van termen uit de zinsontleding en woordbenoeming zoals die in de Cito eindtoets voor de Pabo voorkomen: – woordbenoemen: lidwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord, koppelwerkwoord, zelfstandig werkwoord, hulpwerkwoord, voorzetsel, telwoord, bijwoord, voegwoord, persoonlijk voornwaamwoord, bezittelijk voornaamwoord, aanwijzend voornaamwoord, vragend voornaamwoord – zinsdelen: persoonsvorm, onderwerp, werkwoordelijk gezegd, naamwoordelijk gezegde, naamwoordelijk deel, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, voorzetselvoorwerp, bijwoordelijke bepaling, bijvoeglijke bepaling
  • 9.
    Leerdoelen Taalbeschouwing 3 De student: •kent de begrippen semantiek, antoniem, hyponiem en synoniem en kan aangeven of er tussen woorden sprake is van een betekenisrelatie in termen van antoniemen, hyponiemen en synoniemen • kent de begrippen pragmatiek en taalhandeling en kent voorbeelden van meerdere taalhandelingen (vragen, bevelen, beweren, beloven, dreigen) en kan deze herkennen in taalgebruikssituaties • kent de begrippen homofoon en homograaf en kan bij een woordpaar aangeven of er sprake is van homofonen of homografen
  • 10.
    Leerdoelen Spelling De student: • kentde begrippen directe en indirecte spellingstrategie, kent de vijf spellingstrategieën (fonologische strategie, woordbeeld-, regel, analogie- en hulpstrategie) en kan van een woord aangeven volgens welke spellingstrategie het gespeld moet worden • kan bij een voorbeeld aangeven welke spellingstrategie een kind heeft gehanteerd • kan van een reeks woorden aangeven tot welke spellingcategorie ze behoren • kan van een reeks woorden aangeven of ze tot dezelfde spellingcategorie behoren • kan aangeven hoe in een werkwoordsvorm het morfologisch principe van de Nederlandse spelling wordt toegepast (regel van gelijkvormigheid) • kan aangeven hoe in een werkwoordsvorm het morfologisch principe van de Nederlandse spelling wordt toegepast (regel van overeenkomst) • kan aangeven hoe de spelling van een werkwoordsvorm wordt bepaald door grammaticaal inzicht
  • 11.
  • 12.
    Leerdoelen Beginnende geletterdheid 1 Destudent: • kent het begrip ontluikende geletterdheid in relatie tot beginnende geletterdheid en gevorderde geletterdheid en kan voorbeelden herkennen uit de praktijk • weet welke vaardigheden in de beginnende geletterdheid voor leerlingen cruciaal zijn om een goede schrijver te worden • beargumenteert waarom de leerkracht belangrijk is in de geletterdheidsontwikkeling van kinderen • kan als leerkracht model staan met als doel de geletterdheid van de leerlingen te stimuleren met behulp van gebruikte methode van de stageschool • kan visuele ondersteuning geven bij de auditieve en visuele vaardigheden en de elementaire spellinghandeling met behulp van gebruikte methode van de stageschool • kan gerichte aanwijzingen geven bij de auditieve en visuele vaardigheden en de elementaire spellinghandeling met behulp van gebruikte methode van de stageschool
  • 13.
    Leerdoelen Beginnende geletterdheid 2 Destudent: • kent het begrip ontluikende geletterdheid in relatie tot beginnende geletterdheid en gevorderde geletterdheid en kan voorbeelden herkennen uit de praktijk • weet welke vaardigheden in de beginnende geletterdheid voor leerlingen cruciaal zijn om een goede schrijver te worden • beargumenteert waarom de leerkracht belangrijk is in de geletterdheidsontwikkeling van kinderen • kan als leerkracht model staan met als doel de geletterdheid van de leerlingen te stimuleren met behulp van gebruikte methode van de stageschool • kan visuele ondersteuning geven bij de auditieve en visuele vaardigheden en de elementaire spellinghandeling met behulp van gebruikte methode van de stageschool • kan gerichte aanwijzingen geven bij de auditieve en visuele vaardigheden en de elementaire spellinghandeling met behulp van gebruikte methode van de stageschool
  • 14.
    Leerdoelen Spellen De student: • iszich bewust van de rol van de leerkracht om correct te spellen en geeft het goede voorbeeld door woorden altijd correct te spellen • kent verschillende instructieprincipes bij onveranderlijke woorden en herkent deze in de methode • kent verschillende instructieprincipes bij veranderlijke woorden en herkent deze in de methode • kan van spellingfouten aangeven tot welke categorie ze behoren • kent de toetsvorm dictee, kan onderscheid maken tussen vorm en manier en kan van de verschillende vormen aangeven welke functie ze hebben • kent en herkent de niveaus van de spellingcategorieën (fonologisch, morfologisch, semantisch en syntactisch) • past verschillende spellingstrategieën toe die gehanteerd worden in de methode van de stageschool
  • 15.
    Leerdoelen Stellen De student: • kenthet onderscheid tussen schrijfproduct en -proces en kan leerlingen sturen tijdens het schrijfproces naar een schrijfproduct dat voldoet aan de gestelde criteria • kan gerichte aanwijzingen geven voorafgaand en tijdens het schrijfproces met behulp van gebruikte methode van de stageschool • kan als leerkracht model staan met als doel de schrijfvaardigheid van de leerlingen te stimuleren met behulp van gebruikte methode van de stageschool • kan leerlingmateriaal bespreken om de stelvaardigheid te vergroten • kan het schrijfproces van leerlingen ondersteunen met een stappenplan dat gebruikt wordt in de methode van de stageschool • kan voor- en nadelen benoemen van het gebruik van voorbeeldteksten • weet hoe een goede stelles is opgebouwd en kan een goede stelopdracht formuleren • kent verschillende ict-middelen om in te zetten tijdens een stelles
  • 16.
    Leerdoelen Eigen taalvaardigheid 4Fniveau (Meijerink) De student: • kan goed gestructureerde teksten schrijven over allerlei onderwerpen waarbij het woordgebruik rijk is en zeer gevarieerd en de lay-out bewust en consequent is toegepast.