1 Een psalmvan David, de dienaar van
de HEERE, voor de koorleider.
2 De overtreding van de goddeloze
spreekt binnen in mijn hart:
ontzag voor God staat hem niet voor
ogen.
3 Want hij vleit zichzelf in zijn eigen
ogen,
tot men zijn ongerechtigheid vindt en
haat
40.
4 De woordenvan zijn mond zijn
onrecht en bedrog;
hij laat na verstandig te handelen en
goed te doen.
5 Op zijn slaapplaats bedenkt hij
onrecht;
hij gaat op een weg staan die niet goed
is,
het kwaad verwerpt hij niet.
41.
6 HEERE, Uwgoedertierenheid reikt tot
in de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
7 Uw gerechtigheid is als de machtige
bergen,
Uw oordelen zijn als de grote
watervloed;
mensen en dieren verlost U, HEERE.
42.
8 Hoe kostbaaris Uw goedertierenheid,
o God!
Daarom nemen de mensenkinderen de
toevlucht
onder de schaduw van Uw vleugels.
9 Zij worden verzadigd met de
overvloed van Uw huis;
U laat hen drinken uit Uw beek vol
verrukkelijke gaven.
43.
10 Want bijU is de bron van het leven;
in Uw licht zien wij het licht.
11 Strek Uw goedertierenheid uit over
wie U kennen,
en Uw gerechtigheid over de oprechten
van hart.
44.
12 Laat devoet van de hoogmoedigen
niet over mij heen komen,
laat de hand van de goddelozen mij niet
doen rondzwerven.
13 Daar zijn zij gevallen die onrecht
bedrijven!
Zij zijn neergestoten en kunnen niet
meer opstaan.