Jezus voor PilatusJezus voor Pilatus
1 En terstond, des morgens vroeg,1 En terstond, des morgens vroeg,
stelden de overpriesters met destelden de overpriesters met de
oudsten en schriftgeleerden, deoudsten en schriftgeleerden, de
gehele Raad, een besluit vast, engehele Raad, een besluit vast, en
zij boeiden Jezus en zij leidden zij boeiden Jezus en zij leidden
Hem weg en leverden Hem overHem weg en leverden Hem over
aan Pilatus.aan Pilatus.
33.
2 En Pilatusondervroeg Hem: 2 En Pilatus ondervroeg Hem:
Zijt Gij de Koning der Joden?Zijt Gij de Koning der Joden?
En Hij antwoordde hem enEn Hij antwoordde hem en
zeide: Gij zegt het.zeide: Gij zegt het.
3 En de overpriesters brachten3 En de overpriesters brachten
vele beschuldigingen tegenvele beschuldigingen tegen
Hem in.Hem in.
34.
4 En Pilatusvroeg Hem wederom 4 En Pilatus vroeg Hem wederom
[en zeide]: Geeft Gij niets ten[en zeide]: Geeft Gij niets ten
antwoord? Zie, hoeveleantwoord? Zie, hoevele
beschuldigingen zij tegen Ubeschuldigingen zij tegen U
inbrengen.inbrengen.
5 Doch Jezus gaf hem niets meer 5 Doch Jezus gaf hem niets meer
ten antwoord, zodat Pilatus zich ten antwoord, zodat Pilatus zich
verwonderde.verwonderde.
35.
Jezus en BarabbasJezusen Barabbas
6 En bij elk feest liet hij hun een6 En bij elk feest liet hij hun een
gevangene los, voor wie zij ditgevangene los, voor wie zij dit
vroegen.vroegen.
7 Nu was er iemand, genaamd7 Nu was er iemand, genaamd
Barabbas, gevangen gezet met deBarabbas, gevangen gezet met de
oproermakers, die in het oproeroproermakers, die in het oproer
een moord begaan hadden. een moord begaan hadden.
36.
8 En deschare kwam naar8 En de schare kwam naar
voren en begon te eisen, dat hijvoren en begon te eisen, dat hij
hun deed, zoals hij gewoonhun deed, zoals hij gewoon
was.was.
9 Pilatus antwoordde en zeide 9 Pilatus antwoordde en zeide
tot hen: Wilt gij, dat ik u detot hen: Wilt gij, dat ik u de
Koning der Joden loslaat? Koning der Joden loslaat?
37.
10 Want hijbemerkte, dat de10 Want hij bemerkte, dat de
overpriesters Hem uit nijdoverpriesters Hem uit nijd
overgeleverd hadden.overgeleverd hadden.
11 Doch de overpriesters zetten11 Doch de overpriesters zetten
de schare op, dat hij hun lieverde schare op, dat hij hun liever
Barabbas zou loslaten.Barabbas zou loslaten.
38.
12 Pilatus antwoorddeen zeide 12 Pilatus antwoordde en zeide
wederom tot hen: Wat moet ikwederom tot hen: Wat moet ik
dan doen met Hem, die gij dedan doen met Hem, die gij de
Koning der Joden noemt? Koning der Joden noemt?
13 En zij schreeuwden13 En zij schreeuwden
wederom: Kruisig Hem! wederom: Kruisig Hem!
39.
14 Pilatus zeidetot hen: Wat 14 Pilatus zeide tot hen: Wat
heeft Hij dan voor kwaadheeft Hij dan voor kwaad
gedaan? Zij schreeuwden desgedaan? Zij schreeuwden des
te meer: Kruisig Hem! te meer: Kruisig Hem!
40.
15 Pilatus oordeeldehet 15 Pilatus oordeelde het
geraden de schare haar zin tegeraden de schare haar zin te
geven en hij liet hun daaromgeven en hij liet hun daarom
Barabbas los en gaf Jezus, naBarabbas los en gaf Jezus, na
Hem gegeseld te hebben, overHem gegeseld te hebben, over
om gekruisigd te worden.om gekruisigd te worden.
Er was Eén,Erwas Eén,
Die gewillig Zijn leven eens gaf,Die gewillig Zijn leven eens gaf,
't Was Gods Zoon,'t Was Gods Zoon,
Die hier neerdeeld' op aard,Die hier neerdeeld' op aard,
Die zich kruisigen liet,Die zich kruisigen liet,
daalde neer in het graf,daalde neer in het graf,
Voor de mens,Voor de mens,
die genaden onwaard.die genaden onwaard.
51.
Ja, genageld aan't kruis (2x)Ja, genageld aan 't kruis (2x)
Heeft de Heiland gedragen mijnHeeft de Heiland gedragen mijn
schuld,schuld,
en het bloed uit Zijn zijen het bloed uit Zijn zij
spreekt van zonde mij vrij,spreekt van zonde mij vrij,
Hij heeft d' eis van Gods wetHij heeft d' eis van Gods wet
gans vervuld.gans vervuld.
52.
O, hoe liefd'rijk,barmhartig enO, hoe liefd'rijk, barmhartig en
teder heeft Hijteder heeft Hij
Gans gereinigd mijn zondigGans gereinigd mijn zondig
gemoed,gemoed,
en nu treft mij geen oordeel: iken nu treft mij geen oordeel: ik
weet, 'k ben nu vrij,weet, 'k ben nu vrij,
en mijn schuld is verzoend dooren mijn schuld is verzoend door
Zijn bloed.Zijn bloed.
53.
Ja, genageld aan't kruis (2x)Ja, genageld aan 't kruis (2x)
Heeft de Heiland gedragen mijnHeeft de Heiland gedragen mijn
schuld,schuld,
en het bloed uit Zijn zijen het bloed uit Zijn zij
spreekt van zonde mij vrij,spreekt van zonde mij vrij,
Hij heeft d' eis van Gods wetHij heeft d' eis van Gods wet
gans vervuld.gans vervuld.
54.
Ben ik zwak,Hij is sterk als ikBen ik zwak, Hij is sterk als ik
blijf slechts in Hem,blijf slechts in Hem,
Maakt tot dienen Hij daag'lijksMaakt tot dienen Hij daag'lijks
bekwaam.bekwaam.
Met een lied in het hart en eenMet een lied in het hart en een
lied met de stem,lied met de stem,
Leef ik blij en tot eer van ZijnLeef ik blij en tot eer van Zijn
naam.naam.
55.
Ja, genageld aan't kruis (2x)Ja, genageld aan 't kruis (2x)
Heeft de Heiland gedragen mijnHeeft de Heiland gedragen mijn
schuld,schuld,
en het bloed uit Zijn zijen het bloed uit Zijn zij
spreekt van zonde mij vrij,spreekt van zonde mij vrij,
Hij heeft d' eis van Gods wetHij heeft d' eis van Gods wet
gans vervuld.gans vervuld.
Middelpunt van onsverlangen,Middelpunt van ons verlangen,
Trooster van 't ontrust gemoed,Trooster van 't ontrust gemoed,
Jezus, onze dankb're zangenJezus, onze dankb're zangen
loven Uwe liefdegloed.loven Uwe liefdegloed.
Gij woudt van de hemel dalenGij woudt van de hemel dalen
op deez' diep bedorven aardop deez' diep bedorven aard
en voor ons de schuld betalen,en voor ons de schuld betalen,
die ons bang gemoed bezwaartdie ons bang gemoed bezwaart
60.
Liefde, Gij moestspottaal horen,Liefde, Gij moest spottaal horen,
die U drong door merg en been.die U drong door merg en been.
Ja, Gij droegt Uws Vaders toren,Ja, Gij droegt Uws Vaders toren,
Gij voor allen, Gij alleen.Gij voor allen, Gij alleen.
Welk een beker moest GijWelk een beker moest Gij
drinkendrinken
op het aak'lig Golgotha!op het aak'lig Golgotha!
Daar liet G' U aan 't kruishoutDaar liet G' U aan 't kruishout
klinken,klinken,
daar aanbidden w' Uw genâ!daar aanbidden w' Uw genâ!
61.
Liefd in Uis al ons leven;Liefd in U is al ons leven;
Gij, Gij zijt ons hoogste goed.Gij, Gij zijt ons hoogste goed.
Ja, Uw kruis heeft ons gegeven,Ja, Uw kruis heeft ons gegeven,
wat ons eeuwig juichen doet.wat ons eeuwig juichen doet.
O, hoe zijn w aan U verbonden,O, hoe zijn w aan U verbonden,
Jezus, Redder, 's Vaders Zoon!Jezus, Redder, 's Vaders Zoon!
Onze harten onze monden,Onze harten onze monden,
juichen dankbaar tot Uw troon!juichen dankbaar tot Uw troon!