Kingdom of Nirvoas

366 views

Published on

Published in: Travel, Entertainment & Humor
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
366
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
30
Actions
Shares
0
Downloads
1
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Kingdom of Nirvoas

  1. 1. Kingdom of Nirvoas
  2. 2. Koning Nicolaas de Tweede zat in zijn werkkamer. Al uren tikte de regen in een onophoudelijk ritme tegen de ruiten. Het was koud in het kasteel, koud en tochtig. Sinds die vreselijke nacht, nu vier weken geleden, was het leven drastisch veranderd. Tot die nacht was hij een machtig man geweest, met een goede reputatie, misschien niet altijd even geliefd, maar toch een vorst die stevig op zijn troon zat.
  3. 3. Nu was hij van die troon afgevallen. Ja, hij was nog koning. Maar alleen in de letterlijke zin van het woord. Zijn contacten bij de hoge adel was hij verloren, en de vele roddels die over hem rondgingen, zorgden ervoor dat het volk hem uitlachte. ‘ Helena Daesdonck…’ mompelde Nicolaas, en hij klemde zijn kaken met ingehouden woede op elkaar. Zij was de bron van alle ellende.
  4. 4. Eén keer was hij met haar naar bed geweest, één keer. In de nacht van het verjaardagsfeest van het Koninklijk paar, was dat bekend geworden. Er ontstond knallende ruzie onder de aanwezigen, en zelfs de koning en zijn vrouw gingen op de vuist. Nicolaas rilde toen hij aan Marie-Louisa dacht.
  5. 5. Ja, ze had alle recht om woedend te zijn. Hij had haar bedrogen. Het was nota bene háár hofdame waarmee hij het bed in was gedoken – hún bed, nog wel. Maar wat zij hem later die nacht vertelde, sloeg werkelijk alles. In één klap vernielde ze zijn hele verleden, en daarmee ook zijn heden en zijn toekomst.
  6. 6. De reden waarom Nicolaas en Marie-Louisa moesten trouwen, was dat ze zijn kind droeg. Nicolaas nam zijn verantwoordelijkheid, maar zodra ze getrouwd waren begon hij te zien wat voor vrouw Marie-Louisa eigenlijk was. Een vreselijk mens, dat altijd haar zin wilde hebben, altijd haar eigen mening doordreef, en bovendien alleen aan zichzelf dacht. Hun dochter werd geboren, en ze noemden haar Nicolina.
  7. 7. In die vreselijke nacht vertelde Marie-Louisa dat Nicolina helemaal niet zijn dochter was. Nicolaas weigerde het te geloven, maar na een gedetailleerd verhaal over hoe ze een man verleid had en vervolgens had laten opsluiten in de kerkers, moest hij het wel geloven. Ze was alleen maar zwanger geworden zodat ze een excuus had om met Nicolaas te moeten trouwen. Ze wist best, dat Nicolaas anders niet snel uit vrije wil met haar in het huwelijksbootje gestapt zou zijn.
  8. 8. Ja, ze was een sluwe vos, die vrouw van hem. Nicolaas stond op en liep naar het raam. De kasteeltuinen lagen er verlaten en verwaarloosd bij. Na de rampennacht was al het personeel ontslagen. Sindsdien werd de tuin overwoekerd door onkruid, veranderde het kasteel langzaam in een bouwval vol spinnenwebben, en aten ze de smakeloze maaltijden die Marie-Louisa maakte.
  9. 9. Er werd op de deur geklopt, een korte roffel die Nicolaas herkende. ‘ Kom binnen, Augustinus.’ zei hij met zijn lage stem. Een stem die kon donderen, die mensen het zwijgen op kon leggen, maar die nu geen nut meer had. Zijn jongere broer stapte de kamer binnen en sloot zachtjes de deur achter zich. Even stonden ze ongemakkelijk tegenover elkaar, toen bood Nicolaas hem een stoel aan en gingen ze zitten.
  10. 10. ‘ Ik heb de landerijen ten oosten van Zuyderdam gekocht.’ zei Augustinus. Je kon maar beter met de deur in huis vallen, in plaats van om de kern heen blijven draaien. Nicolaas keek hem een moment onbewogen aan. Toen zuchtte hij. ‘ Welja.’ zei hij nors. ‘Koop maar weer land, straks heb je nog meer status dan ik! Ik ben de koning, Augustinus, ik ben de koning ! De koning van Nirvoas! En ik weet ook wel dat het volk me vertrapt, dat ze me achter mij rug om bespotten.’
  11. 11. ‘ En waarom?’ Driftig sprong Nicolaas overeind. ‘Is het werkelijk allemaal om die affaire met Helena? En omdat Nicolina niet mijn dochter is? Is het daarom dat het volk me zo haat?’ Het waren geen echte vragen, hij verwachtte geen antwoord, maar toch schraapte Tinus zijn keel en zei: ‘Het volk was al langere tijd ontevreden, Nicolaas.’
  12. 12. ‘ O ja, jij weet het wel weer zo goed! Die lieve prins Tinus, die zich altijd zo’n zorgen maakt om het arme volk!’ riep de koning spottend uit. ‘Die landerijen, die ga je zeker weer voor een belachelijk lage prijs verhuren aan boeren? Wat een weldoener ben je toch, de mensen zullen je op handen dragen!’ Augustinus opende zijn mond om iets te zeggen, maar sloot hem weer.
  13. 13. ‘ Maar leg uit, als je er zo’n verstand van hebt. Waarom was het volk al langer ontevreden?’ Nicolaas keek zijn broer afwachtend aan. ‘ Wel,’ begon Tinus een beetje onzeker. ‘De belastingen zijn veel te hoog. Zelfs de adel begon erover te klagen, maar voor de armste bevolking werd het echt een probleem. Al hun zuurverdiende geld ging op aan die belasting van jou. Ik spreek de waarheid, Nicolaas!’ riep hij uit, toen zijn broer verontwaardigd zijn mond opende.
  14. 14. ‘ En daarbij verwaarlozen de kerken, de stadhuizen, en de stadsmuren van alle grote steden. Dat komt omdat er geen geld is om ze op te knappen. De armenhuizen, de weeshuizen, de werkhuizen en de gevangenissen zitten overvol. Simpelweg omdat er geen geld is om hier meer aandacht aan te besteden. En de havens, de schepen – ’ Met een donderende vuistslag op de tafel legde Nicolaas zijn broer het zwijgen op.
  15. 15. ‘ Mijn kamer uit! Weg, weg! O, meneer weet het zo goed! Je hebt zo veel verstand van Nirvoas!’ brulde Nicolaas door het dolle heen. Tinus deinsde achteruit en kwam snel overeind uit zijn stoel. ‘ Het was een advies…’ stamelde hij, maar toen hij de priemende wijsvinger van zijn broer zag, met de bulderende woorden ‘Eruit!’ haastte hij zich naar de deur.
  16. 16. ‘ Luisteren, dát zou hij eens moeten leren! O, ik kan me daar zo kwaad om maken!’ knarsetandde Augustinus toen hij weer thuis was. ‘Het enige wat ik doe, is hem advies geven, hem proberen te helpen!’ ‘ Windt je er nou niet zo over op, Tinus.’ zei zijn vrouw zachtjes. ‘Nicolaas is gewoon een moeilijke man.’
  17. 17. ‘ Ja, maar hij is wel de koning.’ Augustinus trok zijn wenkbrauwen op, maar begon toen te glimlachen. ‘ Hoe is het met ons kindje, Elanor?’ Teder legde hij zijn handen op haar buik. ‘ Ik hoop dat alles goed is. Hij schopt in ieder geval flink, hij ligt geen moment stil!’ ‘ Hij?’ herhaalde Tinus. ‘Of zij.’ giechelde Elanor, en ze lachten allebei.
  18. 18. De rest van de dag trok Augustinus zich terug in zijn kabinet, waar al zijn rariteiten, wetenschappelijke objecten en kunstvoorwerpen stonden. Hij was nu bezig om alles in een catalogus te beschrijven en te ordenen, maar dat viel nog niet mee. Tinus vond het leuk om na te denken over de wereld, over de natuur, over de creaties van de mens. Uren kon hij zich daarin verdiepen.
  19. 19. Een klaaglijk gehuil bracht hem terug in de werkelijkheid. Snel legde hij zijn boek en ganzenveer neer, en haastte zich naar de andere kant van de villa. ‘Arthur,’ zei hij met een brede glimlach, toen hij het kamertje van zijn zoon binnen stapte. ‘ Papa,’ snikte het jongetje. ‘Ik droomde dat je weg was!’ Tinus pakte zijn zoon op. ‘Nou, dat is een nare droom. Maar kijk, ik ben gewoon hier! En ik beloof je, ik ga nergens heen. Papa blijft hier, bij jou en mama.’
  20. 20. Augustinus knikte geruststellend naar zijn zoontje. Maar toen dacht hij na over zijn woorden. Kon hij wel beloven dat hij nooit weg zou gaan? Wie weet waar die problemen met de koning nog toe zouden leiden? Tinus wist dat het zo niet langer door kon gaan. De koning deed niets, trok zich terug in zijn kasteel, en liet het land aan zijn lot over. Augustinus voelde dat hij iets moest doen. Maar wat?
  21. 21. Maanden gingen voorbij. En precies zoals Tinus al verwachtte, verslechterde de situatie in Nirvoas. Samen met twee mannen uit de hoge adel maakte hij een rondreis door Nirvoas. Het afscheid van zijn vrouw en zoontje was hem zwaar gevallen, nog meer omdat hij nu zijn belofte aan Arthur brak.
  22. 22. Ook zijn twee reisgenoten hadden hun families achtergelaten. Het was onbekend hoe lang ze weg zouden blijven. De vrouwen van de twee heren waren ook in verwachting. De ene had ook nog een jonge zoon om voor te zorgen. De drie mannen spraken er niet over met elkaar, maar Augustinus wist zeker dat ze zich allemaal zorgen maakten.
  23. 23. Zittend op hun paarden, maakten Augustinus en de twee heren hun tocht. Ze wilden zien hoe het gesteld was met Nirvoas. Soms moesten ze door dichte bossen om naar de volgende stad te komen, of moesten ze met veel moeite hun paarden door een rivier heen laten lopen. De natuur was mooi, Nirvoas was een prachtig land. Maar de steden waren heel wat minder mooi.
  24. 24. Augustinus keek zijn twee reisgenoten aan. ‘ Het volgende dorp is Medion.’ zei Jan Dagheraath, die op een landkaart gekeken had. Constantijn Uilenberg en Tinus knikten. ‘ Schijnt erg arm te zijn.’ zei Augustinus. ‘Tien jaar terug was het al een arm dorp, dat zal nu nog wel erger geworden zijn.’
  25. 25. Hij gaf zijn paard de sporen en zo liepen ze Medion binnen. Een paar verdwaalde kippen stoven fladderend uiteen. Een magere hond verdween in een steegje. Oplettend keken de drie mannen om zich heen. Doodstil was het in de straten, nergens was iemand te zien. Er waren zelfs geen geluiden te horen, die op enig leven wezen. Tinus draaide zich om naar Constantijn. ‘Ga jij eens in een huis kijken.’
  26. 26. Constantijn steeg af en bond de teugels van zijn paard aan een kapotte kar vast. Nog even keek hij om zich heen, maar het hele dorp leek wel te zijn uitgestorven. Waar was iedereen? ‘ Volk?’ riep Constantijn toen hij een klein huisje binnen stapte. De scharnieren van de deur kraakten oorverdovend door de stilte. Op zijn hoede doorzocht Constantijn het huis. Op een paar meubels na, was het helemaal leeg. Alles wees erop dat de bewoners vertrokken waren.
  27. 27. Intussen doorzocht Jan Dagheraath het huis van een schoenmaker. De werkplaats en de woning erachter waren verwaarloosd. Omgevallen stoelen, gescheurde dekens, gaten in de muren – het was duidelijk dat deze familie grote armoede gekend had. Ook hier was niemand. Toch lagen de kisten bij de bedstee nog vol kleding, en Jan vond zelfs nog wat beschimmeld brood in een kast.
  28. 28. ‘ Deze zijn vertrokken.’ zei Constantijn toen hij weer buiten stond. ‘ In dat huis was ook niemand, maar alles staat er nog.’ zei Jan. ‘ Vreemd.’ Nadenkend ijsbeerde Augustinus over het plein. ‘Laten we verdergaan.’ Ze doorzochten nog wat huizen en riepen steeds opnieuw om hun aanwezigheid duidelijk te maken, maar hun stemmen echoden hol door in het dorp.
  29. 29. Ineens hoorden ze een vreemd geluid. ‘ Halt.’ zei Augustinus snel en hij hief zijn hand op. Meteen gehoorzaamden de twee mannen, en ook zij spitsten hun oren. Een groep kraaien vloog krijsend over, en landde op het dak van een bakkerij. En toen hoorden ze het weer. Een zwak, benauwd hoesten. ‘ Het komt daarvandaan.’ wees Constantijn.
  30. 30. Snel, maar toch voorzichtig, liepen de drie mannen in de richting van het geluid. Ze kwamen in een donker steegje. Augustinus liep voorop, en al snel zag hij in de schaduwen iets bewegen. Hij knielde neer en vond een vreselijk mager jongetje, lijkbleek, en hij hoestte verschrikkelijk. ‘ Een kind.’ riep hij over zijn schouder, en ontfermde zich toen over de jongen.
  31. 31. ‘ Mama…’ fluisterde het jongetje hees tussen twee hoestbuien door. ‘Papa, en Jan en Isa en Maria…ze werden allemaal ziek, omdat we geen eten hadden, en…’ Weer kreeg hij een hevige hoestbui. Tinus ondersteunde hem en gaf hem wat te drinken uit de leren waterzak die hij bij zich droeg. Het jongetje dronk gulzig.
  32. 32. ‘ Iedereen is dood.’ hoestte het jongetje, en toen begon hij te huilen. ‘Papa kon niet meer werken, en we hadden geen geld meer, en toen ging Isa dood en toen mama, en…!’ ‘ Stil maar even,’ zei Tinus kalm. ‘Wij zullen je helpen.’ Van binnen huilde hij ook, zijn hart deed pijn om zoveel ellende. Dit arme kind… Maar Tinus was ook boos. Woedend, zelfs.
  33. 33. ‘ Als die rotzak van een Nicolaas niet zo gierig en dom was, was dit nooit gebeurd! Dan was dit arme dorp niet verhongerd!’ brulde Augustinus en hij sprong overeind. Het jongetje merkte het niet, hij hoestte nu zo erg dat hij haast geen adem meer kreeg.
  34. 34. Jan en Constantijn doorzochten de rest van het dorp nog, maar ze vonden niemand. De bewoners waren gestorven, of al lang vertrokken naar een ander dorp in de hoop op een beter leven. ‘ Dit is dus wat de rest van Nirvoas te wachten staat.’ zei Jan. ‘ We moeten ingrijpen. Als koning Nicolaas niet wil luisteren, moet het maar anders.’

×