Presentatie1

400 views

Published on

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
400
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
36
Actions
Shares
0
Downloads
1
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Presentatie1

  1. 1. Kingdom of Nirvoas
  2. 2. Na alle roddels en problemen rond koning Nicolaas de Tweede ging het slechter met Nirvoas. De koning trok zich terug van al zijn verantwoordelijkheden, en het land raakte steeds verder in de problemen. Prins Augustinus kwam, samen met andere edelen, in actie. Op een rondreis door Nirvoas zagen ze hoe het land er écht aan toe was. In dit tweede deel van Hoofdstuk 4 – Het verval van Nirvoas, zien we hoe het gaat met de achtergebleven families.
  3. 3. ‘ Een brief!’ riep Larissa en ze rende naar boven, een rol perkament in haar ene hand geklemd, en haar zware rokken opgetild met haar andere hand. ‘Een brief van Jan!’ Het was nu al drie maanden geleden dat haar man met de prins mee was gegaan op verkenningstocht door Nirvoas. Het huis was vreemd leeg zonder hem, en daarnaast had het geluk Larissa ook niet bepaald toegestraald. Adel - Dagheraath
  4. 4. Toen haar man vertrok, was ze al een tijdje zwanger van hun tweede kindje. Allebei waren ze erg blij, ze wilden graag meer kinderen. Een broertje of zusje voor Dydderick zou geweldig zijn. Maar een paar weken geleden ging het mis. Larissa kreeg plotseling vreselijke steken in haar buik, zo erg dat ze op bed moest gaan liggen. Maar het ging niet over, het verergerde juist. En die nacht kreeg ze een miskraam, ze verloor haar kindje.
  5. 5. Larissa was ontroostbaar. Dat Jan er niet was, maakte alles nog erger. Gelukkig was Dydderick er nog, die inmiddels opgegroeid was tot een slimme peuter. Hij leek veel op zijn vader. Toch bleef de pijn ondraaglijk, en Larissa huilde veel. Er ging geen moment voorbij dat ze niet aan haar gestorven kindje dacht.
  6. 6. En dan was er ook nog eindelijk een jong echtpaar in de bediendenwoning gekomen. Allebei werkten ze erg hard, de jongen verzorgde de tuin en knapte alle klusjes in huis op – het meisje maakte schoon en kookte. Larissa was tevreden over ze.
  7. 7. Ook Abraham, de zoon van Larissa’s overleden man Abraham Daesdonck, was blij met de nieuwe bedienden. Het bracht weer wat leven in de brouwerij. De roodharige knecht was altijd vrolijk, floot liedjes tijdens het werk die door de hele villa te horen waren. Het dienstmeisje deed haar werk ook altijd zonder klagen, maar Abraham wist dat ze een roddeltante was. Vaak zag hij haar stiekem aan een deur luisteren, of spitste ze haar oren terwijl ze de maaltijd opdiende.
  8. 8. ‘ Abraham! Er is een brief van Jan gekomen.’ Larissa gooide de deur van Abrahams zolderkamer open, en duwde hem het perkament onder de neus. Ongeduldig bleef ze naast hem staan, en tikte met haar voet op de houten vloer. Ze had er een hekel aan als ze anderen om hulp moest vragen. Ze had nooit leren lezen en dat bracht vaak moeilijkheden met zich mee.
  9. 9. ‘ Dat werd tijd, na drie maanden.’ zei Abraham en hij rolde het perkament open. ‘ Lees nou maar voor.’ beet Larissa hem toe, terwijl ze over zijn schouder mee keek naar de letters. Abraham schraapte zijn keel en las:
  10. 10. Medion, 12 april 1523 Met deze woorden wil ik u allen laten weten dat het mij goed gaat. De prins, heer Uylenberg en ik verkeren in goede gezondheid. Op onze reis zijn we veel schokkends tegen gekomen. Nirvoas is er slecht aan toe. Wij zien het als onze taak hier verandering in te brengen. Momenteel zijn we in Medion, een dorp dat geheel is uitgestorven. Wij hebben hier dingen gezien die ik u niet zal kunnen vertellen. Nu gaan wij verder, en bekijken we hoe Nirvoas er verder aan toe is. Ik hoop met heel mijn hart dat het u allen ook goed gaat. Ik denk aan jullie en hoop spoedi g weer thuis te komen. Jan Dagheraath
  11. 11. Toen Abraham uit gelezen was, barstte Larissa in huilen uit. ‘ Hij had nooit weg moeten gaan! Al die ellende in Nirvoas…’ snikte ze. Abraham vouwde het perkament kalm op en zei: ‘Het gaat goed met hem, Larissa. En hij komt spoedig terug, schrijft hij.’ Langzaam knikte de vrouw en ze stopte een losgeraakte haarlok terug in haar kapsel. ‘We moeten sterk blijven.’
  12. 12. Aan de andere kant van de deur stond Nelleke Bokdam met grote ogen te luisteren. Ze moest eigenlijk naar de voorraadkamer, om een zak meel te halen. Maar toen ze hier langs liep en hoorde dat er een brief was, kon ze het niet laten om te blijven luisteren. Haar hart bonsde in haar keel. Ineens hoorde ze voetstappen naderen in de kamer, en ze haastte zich de gang uit.
  13. 13. Even later gooide ze bezweet de zak meel op de keukenvloer. Net toen ze vermoeid haar voorhoofd afveegde, kwam haar man binnen lopen. ‘ Zo, is mijn vrouwtje lekker aan het werk?’ grijnsde hij. Nelleke wierp hem een spottende blik toe en duwde hem weg. ‘ Moet je horen,’ begon ze geheimzinnig.
  14. 14. Alex rolde met zijn ogen. ‘ Is het weer zo ver? Heb je weer voor luistervink gespeeld?’ Nelleke negeerde zijn woorden en vervolgde enthousiast: ‘Er was een brief van heer Dagheraath, uit Medion. Dat dorp schijnt helemaal uitgestorven te zijn! Ik hoorde ook dat de rest van Nirvoas er heel slecht aan toe is. Als dat zo door gaat, is straks heel het land verhongerd!’
  15. 15. Alex plofte op een krukje bij de haard neer, en keek nieuwsgierig in een ketel die boven het vuur hing te pruttelen. ‘ Afblijven, dat is voor vanavond.’ zei Nelleke streng en ze tikte hem op zijn vingers. ‘Maar weet je, heer Dagheraath schreef dat hij er alles aan zou doen om Nirvoas er weer bovenop te helpen.’ ‘ Dan wens ik hem succes.’ snoof Alex. ‘Heel Nirvoas ligt plat, en Jantje Dagheraath denkt daar wat aan te veranderen?’
  16. 16. ‘ Nou!’ Beledigd zette Nelleke haar handen in haar zij. ‘Hij staat er niet alleen voor! Als die adel samenwerkt, kunnen ze heel wat bereiken!’ Alex schoot in de lach. ‘Je hoeft je niet zo druk te maken, Nel!’ Nu begon Nelleke ook te giechelen, en Alex trok haar bij zich op schoot.
  17. 17. ‘ Ik hou van je, Nelleke.’ zei hij met twinkelende ogen, en drukte een kus op haar lippen. ‘Ik ben zo blij dat we getrouwd zijn.’ ‘ Ik ook. We hebben het goed hier. Op de boerderij van mijn ouders kregen ze ook al last van de armoede. Alles is echt belachelijk duur geworden. Ze hebben Janneke weg moeten sturen, om ergens als dienstmeisje te gaan werken.’
  18. 18. ‘ Janneke? Oei, dat wilde ze vast niet.’ grinnikte Alex. ‘Ik zie het al voor me.’ ‘ Nee,’ lachte Nelleke. ‘Ze is niet bepaald een meisje om voor iemand anders te werken. Maar ik geloof dat ze het wel begreep, waarom ze weg moest.’ Samen staarden ze in de dansende vlammen van de haard, warm in elkaars armen.
  19. 19. In de villa van prins Augustinus voelde Janneke zich een stuk minder gelukkig. Ze was hier nu drie dagen, en ze miste haar familie al vreselijk. Ja, ze moest dankbaar zijn dat ze hier mocht werken – bij de prins nota bene! Maar ze was niet dankbaar. Adel – van Nirvoas
  20. 20. Hoe kon haar zus Nelleke uit vrije wil dienstmeid worden? Janneke kon zich er niets bij voor stellen. Van zonsopgang tot zonsondergang jezelf kapot werken, en waarvoor? Voor een hard bed, wat eten en een beetje loon? Kwaad schopte Janneke tegen de muur.
  21. 21. Ergens begon een kind te huilen, en Janneke zuchtte. Ze rechtte haar rug, veegde haar handen af aan haar schort en stapte de gang op. Dienstmeisje zijn was één ding, maar daarnaast ook nog voor een kind moeten zorgen, was wel helemaal van de gekken. Diep van binnen was ze kwaad op haar ouders. Waarom moest zij weg? Haar broer Jacob was ouder dan zij, zocht niemand nog een sterke jonge knecht?
  22. 22. Ze beet op haar lip en bestrafte haar slechte gedachten. Ze begreep best waarom ze weg moest. Haar ouders hadden het ook niet makkelijk. Kleine Wouter was erg ziek geworden. Als baby was hij al erg zwak, en nu was dat terug. Ook de oogst was niet goed geweest dit jaar. Elke keer als Janneke weer kwaad of verdrietig werd, herinnerde ze zichzelf eraan dat er ooit betere tijden kwamen, en ze weer naar huis zou kunnen.
  23. 23. ‘ Word jij altijd om het uur wakker?’ zuchtte Janneke en ze haalde het jongetje uit bed. ‘Kun je niet gewoon doorslapen?’ ‘ Arthur wakker!’ kraaide het ventje triomfantelijk. ‘ Ja, dat kan ik zien.’ mompelde Janneke. ‘Maar als je nu toch wakker bent, kan ik je net zo goed aankleden en naar je meester sturen.’
  24. 24. ‘ Nee, niet meester toe!’ riep Arthur boos. ‘ Wel, je gaat gewoon naar meester Swaan. Die heeft je vader speciaal voor jou aangenomen.’ ‘ P-papa?’ Met een pruillipje keek Arthur naar haar op. Weer zuchtte Janneke; fout, daar had ze niet over moeten beginnen. Telkens als het jongetje aan zijn vader werd herinnerd, barstte hij in huilen uit.
  25. 25. Gelukkig kwam toen net de leraar binnen, en Janneke keek dankbaar naar hem om. ‘ Uw leerling is er weer helemaal klaar voor.’ zei ze sarcastisch, en ze gaf de huilende Arthur aan de man. Even verscheen er een pijnlijke uitdrukking op het gezicht van de man, toen hij het jongetje in zijn armen kreeg. Hij keek naar het betraande gezichtje en slikte.
  26. 26. ‘ Mag ik iets vragen?’ Janneke keek de leraar nieuwsgierig aan. ‘Heeft u eigenlijk kinderen?’ De pijnlijke uitdrukking op het gezicht van meester Swaan werd nog erger. Even keek hij naar Arthur, toen mompelde hij: ‘Nee, niet meer.’ Toen liep hij de kamer uit, Janneke verward achterlatend.
  27. 27. Op de lessen kon hij zich niet meer concentreren. De gebeurtenissen uit de afgelopen jaren hadden hem uitgeput. Eerst dat huwelijk tegen zijn zin, toen de kinderen die telkens al voor hun eerste levensjaar stierven… Eén zoontje bleef leven, maar die was afgelopen winter gestorven, net als zijn vrouw. Manuel Swaan was nu weer helemaal alleen.
  28. 28. Sinds hij terug in deze buurt was, spookte het verleden door zijn hoofd. Ooit was hij hier in dienst geweest bij een handelaar, Adriaan van Sundert. Die man had een dochter gehad, Elisa. Bij de gedachte aan haar kreeg Manuel een pijnlijke steek in zijn hart. Ze was verliefd op hem geweest, en hij ook op haar. Maar dat had hij nooit laten merken. Toen hij moest trouwen was hij halsoverkop vertrokken.
  29. 29. Elisa was helemaal overstuur, en hij had haar in zijn armen genomen en getroost. Zij had haar hele hart bij hem uitgestort, maar hij was koud gebleven. IJskoud. Daar had hij nu spijt van. Hoe anders zou alles geweest zijn, als hij zijn gevoelens had geuit… Manuel zuchtte. Hoe zou het nu met Elisa gaan? Zou ze nog wel eens aan hem denken?
  30. 30. Ineens sloeg de angst hem om het hart. Het ging slecht met Nirvoas. Dat had hij wel gezien, de afgelopen tijd, toen hij voor zijn ogen zijn gezin weg zag vallen en zijn hele dorp zag instorten. Ziektes, hongersnood, armoede – het eiste vele levens. Benauwd staarde Manuel voor zich uit. Zou Elisa nog leven? Hij moest en zou het weten. Morgen zou hij haar gaan opzoeken!

×