ZONNE-ACTIVITEIT EN
KLIMAAT
ijstijden en terugkoppeling
de twee grote magnetische gebieden
grote episoden; de aardse temperatuur
C. de Jager
Heuvels in noordelijk Nederland – eindmorenen
van gletsjers uit de voorlaatste ijstijd
Temperaturen tot 170 000 jaar geleden; 140 000
jaar geleden kwamen de gletsjers tot in Nederland
IJstijden verklaard door de
theorie van Milankovitch
Veranderingen in de baan en in de
precessie van de aarde.
Maar die lijken te klein om de ijstijden
te verklaren
Veranderingen in de bestraling zijn te klein om de ijstijden te verklaren.
Maar versterkt door positieve terugkoppeling, hoofdzakelijk door
waterdamp (WV). C = wolken; A = albedo
De terminologie
• Sterkte van terugkoppeling is beschreven door
de parameter dR/dq,
• R is the stralingsstroom aan de top van de
atmosfeer, gemiddeld over de aarde;
• q(x, y, z) is de hoeveelheid waterdamp op
bepaalde lengte, breedte en hoogte
De terugkoppeling is dR/dq . (Δq/T)
De veranderlijke zon; de
dynamo en de tachoklijn
De zonnedynamo regelt de zons-
activiteit, en is de bron van de
equatoriale en polaire magnetische
velden. Deze velden werken in
tegenfase
Een eenvoudige beschrijving van de dynamo
(1) magnetische velden in de tachoklijn
• De dynamo is gezeteld in de
tachoklijn; een laag van ca. 30 000
km dik op ca. 200 000 km onder het
zonsoppervlak , juist boven de laag
waar convectieve bewegingen hun
oorsprong vinden
• De wervelingen genereren sterke
elektrische stromen, die op hun beurt
magnetische velden produceren
Een eenvoudige beschrijving van de dynamo
(2) het omega effect in ht toroidale veld
•Deze velden liggen
hoofdzakelijk parallel aan de
evenaar: het toroidale veld
•Het veld wordt verder
verstrekt door differentiële
zonsrotatie: het omega
effect
Een eenvoudige beschrijving van de dynamo
(3) Opstijgende magnetische lussen
• Wanneer de veldsterkte tot ≈ 105 Gauss is
gestegen dan kunnen knikken in het veld
ontstaan.
• Dit leidt tot kink instabiliteit; lussen maken
zich los en stijgen op
• Na ~ een maand verschijnen ze als
zonnevlekken aan het oppervlak. Ze
sleuren zwakkere velden mee; dit zijn de
omringende Actieve Gebieden
(fakkelvelden) om de zonnevlekken
Vlekkengroepen in Actieve Gebieden
omringd door fakkelvelden. Fakkels hebben
temperaturen van ca. 10 000 K
Actieve Gebieden zijn ook zetels
van zonnevlammen
• Oorzaak is magnetische
herverbinding
(“kortsluiting”)
• Stromen tot 1012 amp
• Eerste fase: temperatuur
van ca. 50 – 70 miljoen
K. gedurende tiental
seconden tot een minuut
• Daarna afkoeling
Actieve Gebieden zijn ook zetels
van Coronale Massa Emissie. Totale
massa is ca. 1010 – 1012 kg. Snelheden tot 2500 km/s
Een eenvoudige beschrijving van de dynamo
(4) Het alfa effect
• In de latere fase is het hele equatoriale veld
uiteengevallen; zwakkere velden ontstaan als
gesloten lusjes
• Zeer traag opstijgend, hoofdzakelijk evenwijdig
aan de zonne-as, draaien ze enigszins om;
krijgen een alfa vorm
Een eenvoudige beschrijving van de dynamo
(5) Het poloïdale veld
• In polaire gebieden vormen deze
opstijgende lusjes het poloïdale veld.
• Grootste sterkte ca. 5 jaar na het vlekken
maximum
• Nu zijn we terug bij het begin: 11 jaren
later
• Dit was een vereenvoudigde beschrijving
van het mechanisme van de elfjaarlijkse
zonnecyclus
Het polaire veld: polaire heldere
punten; polaire fakkels, coronale gaten
Coronale gaten
• Hoofdzakelijk polair maar ze kunnen zich
tot de evenaar uitstrekken
• Ze hebben een zeer zwak magnetisch veld
of zijn zelfs magnetisch neutraal
• Ze zij bronnen van gasstromingen naar de
interplanetaire ruimte: de zonnewind
• Dit gas, hoofdzakelijk ongeladen, kan ver
doordringen in het aardse magnetisch veld
Twee vergelijkbare magnetische
veld componenten
• De twee veld-componenten hebben
vergelijkbare totale magnetische fluxen
• Maar het equatoriale veld valt sterker op,
door de zonnevlekken
• Maximale sterkte van de een tijdens
minimum van de ander
• Dit is deel van de exotische dans van de
twee veld-componenten
De dans der veld-componenten.
Rood: equatoriaal; blauw: polair. Maar zie het afwijkende
gedrag na 2000  overgang naar nieuwe Grote Episode.
HOE GEDROEGEN DEZE TWEE VELDEN
ZICH IN HET VERLEDEN?
Het equatoriale veld werd pas gemeten sinds
het begin van de 20e eeuw
Het polaire sinds ca. 40 jaar
Kunnen we „proxies‟ voor deze veldsterkten
vinden?
Proxy voor het (gladgemaakte) equatoriale magnetische
veld: maximaal vlekkengetal per cyclus (Zie de Maunder en
Dalton Minima (om ~1675 en ~ 1810) en het grote 20e eeuwse maximum met
de top in 1960)
Proxy voor de polaire veldcomponent: minimum van de
geomagnetische aa index (maximum ~ 1975)
Dit is gebaseerd op de goede correlatie tussen aa-
index in vlek-minimum en maximale polaire
magnetische veldsterkte (DMmax). Vierkant: 2009
De gemiddelde aardse
grondtemperatuur
Is de variatie van de gemiddelde aardse
grondtemperatuur gecorreleerd met de
zonsactiviteit?
Zo ja, kan dit worden verklaard?
De gemiddelde grondtemperatuur steeg
sinds het Maunder Minimum. Drie Episoden
Correlatie analyse voor de periode 1610 – 1970
(dus vóór de recente sterke temperatuur toename)
• Proxy voor equatoriaal veld bekend sinds 1610
• Die voor polair veld is bekend sinds 1844
• Over 1610 tot ca. 1950 – „70 is de gemiddelde
toename gecorreleerd met :
• equatoriaal veld: 0.077 K/eeuw
• polair field: 0.040 K/eeuw
(De Jager, Duhau & Van Geel, 2010)
Kunnen we dit verklaren?
De equatoriale component: ja
Equatoriale component: Totale zonnestraling nam toe met
toename van de toenemende UV straling van fakkelvelden
Totale zonnestraling is pas goed
gemeten sinds 1976. (ref.: Fröhlich). Goede
correlatie met het vlekkengetal
Extrapolatie tot 1610 gebaseerd op goede
correlatie met zonnevlekkengetal (Lean, 2011)
Consequenties van recente reconstructies
van Totale Zonne Straling (TZS) (Lean, Foucal,
Solanki et al.)
• De conventionele onderstelling: ΔT/T = (ΔI/I)/4 (T =
aardse temperatuur; I = TZS)
• Op grond daarvan voorspellen we een gemiddelde
temperatuur gradiënt ten gevolge van de equatoriale
veld variaties van 0.038 K/eeuw
• Dit is de helft van de waargenomen toename
• Positieve terugkoppeling, vooral door waterdamp
verklaart de andere helft
• Dus: de temperatuur toename ten gevolge van variaties
in de equatoriale component kan geheel worden
verklaard
Nog onduidelijk is de T-toename verbonden
aan die van het polaire veld (0.040 K/eeuw)
• Meest geopperde onderstelling: (extra-) galactische
kosmische stralingsflux op aarde is minimaal gedurende
perioden van maximale zonnevlekken en omgekeerd
• Meer kosmische straling produceert C14 isotoop
• Leidt de verhoogde deeltjesstroom tot druppelvorming
tijdens perioden van minimale zonsactiviteit?
• Nog te onderzoeken: de Open Zonne Flux en : hoe
beïnvloedt veranderlijke kosmische straling het klimaat?
Wolkvorming?
• Er zijn recente waarnemingen dat regenval samenhangt
met zonsactiviteit
Vergelijking Zon-Aarde
We berekenen de zonsbijdrage en trekken
die af van de waargenomen gemiddelde
aardse grondtemperatuur
TEMPERATUREN. Boven: zonsbijdrage;
midden: waargenomen; onder: verschil
(De Jager-Nieuwenhuijzen, 2013)
Het totale beeld
• Afgevlakte aardse temperatuur (dus zonder
vulkanische activiteit of El-Nino, enz.) is tot ca.
1950 bijna geheel met zonsactiviteit
gecorreleerd
• Daarnaast is er ook een geleidelijke toename
van de zonnecomponent over de eeuwen
• Chaotische restfluctuaties met kwadratisch
gemiddelde van 0.18 K
• Na 1950 sterke toename (CO2)
Bovndien: geen significatie stijging van
temperatuur na ca. 2002; hoe komt dat?
Opnieuw, per jaar gemiddeld
Stilstand hangt vermoedelijk samen met de
geringe zonsbijdrage (groene lijn)
Grote Episoden
We kennen meer Grote Minima
naast het Maunder Minimum
Grote Episoden in het laatste millennium : minima van
Oort, Wolf, Schröder, Maunder, Dalton (gemeten aan C14
isotoop) .
Groot 20e eeuwse Maximum was het
grootste van de laatste 10 000 jaar
Maunder minimum was
gecorreleerd met lage
temperaturen op aarde
Nederland: trekschuiten konden weinig
varen in winter
Bevroren rivieren in Engelnd en Frankrijk
Er is nog een ander voorbeeld
Opgravingen West Friesland tonen
klimaatverandering 850 v. Chr. (V. Geel)
Klimaatverandering samenhangend met
veranderde zonsactiviteit rond 800 v. Chr.
De toekomst
Zon ging door een ongekende
overgangsperiode 2005 – 2010. Wat
betekent dit voor de toekomst?
Het overgangspunt
• Empirisch is gevonden dat overgangen
tussen Grote Episoden plaats vinden
wanneer Rmax en aamin door een
specifiek punt lopen in het aamin – Rmax
diagram
• We noemen dat punt het overgangspunt
(Duhau en De Jager)
Doorgangen door het overgangspunt .
Ze vonden plaats in 1924 en 2007 –‟09 en
eerder in 1744 en 1620
In meer detail - 0vergang in 2007
(de Jager – Nieuwenhuijzen 2013)
De lopende eeuw
Na de huidige extreem lage 11jaarlijkse periode
(maximum 2013) verwachten we dat dit het begin
is van een periode van regelmatige oscillaties,
zoals in 1740 – 1924.
DANK U !

zon en klimaat 2014

  • 1.
    ZONNE-ACTIVITEIT EN KLIMAAT ijstijden enterugkoppeling de twee grote magnetische gebieden grote episoden; de aardse temperatuur C. de Jager
  • 2.
    Heuvels in noordelijkNederland – eindmorenen van gletsjers uit de voorlaatste ijstijd
  • 3.
    Temperaturen tot 170000 jaar geleden; 140 000 jaar geleden kwamen de gletsjers tot in Nederland
  • 4.
    IJstijden verklaard doorde theorie van Milankovitch Veranderingen in de baan en in de precessie van de aarde. Maar die lijken te klein om de ijstijden te verklaren
  • 5.
    Veranderingen in debestraling zijn te klein om de ijstijden te verklaren. Maar versterkt door positieve terugkoppeling, hoofdzakelijk door waterdamp (WV). C = wolken; A = albedo
  • 6.
    De terminologie • Sterktevan terugkoppeling is beschreven door de parameter dR/dq, • R is the stralingsstroom aan de top van de atmosfeer, gemiddeld over de aarde; • q(x, y, z) is de hoeveelheid waterdamp op bepaalde lengte, breedte en hoogte De terugkoppeling is dR/dq . (Δq/T)
  • 7.
    De veranderlijke zon;de dynamo en de tachoklijn De zonnedynamo regelt de zons- activiteit, en is de bron van de equatoriale en polaire magnetische velden. Deze velden werken in tegenfase
  • 8.
    Een eenvoudige beschrijvingvan de dynamo (1) magnetische velden in de tachoklijn • De dynamo is gezeteld in de tachoklijn; een laag van ca. 30 000 km dik op ca. 200 000 km onder het zonsoppervlak , juist boven de laag waar convectieve bewegingen hun oorsprong vinden • De wervelingen genereren sterke elektrische stromen, die op hun beurt magnetische velden produceren
  • 9.
    Een eenvoudige beschrijvingvan de dynamo (2) het omega effect in ht toroidale veld •Deze velden liggen hoofdzakelijk parallel aan de evenaar: het toroidale veld •Het veld wordt verder verstrekt door differentiële zonsrotatie: het omega effect
  • 10.
    Een eenvoudige beschrijvingvan de dynamo (3) Opstijgende magnetische lussen • Wanneer de veldsterkte tot ≈ 105 Gauss is gestegen dan kunnen knikken in het veld ontstaan. • Dit leidt tot kink instabiliteit; lussen maken zich los en stijgen op • Na ~ een maand verschijnen ze als zonnevlekken aan het oppervlak. Ze sleuren zwakkere velden mee; dit zijn de omringende Actieve Gebieden (fakkelvelden) om de zonnevlekken
  • 11.
    Vlekkengroepen in ActieveGebieden omringd door fakkelvelden. Fakkels hebben temperaturen van ca. 10 000 K
  • 12.
    Actieve Gebieden zijnook zetels van zonnevlammen • Oorzaak is magnetische herverbinding (“kortsluiting”) • Stromen tot 1012 amp • Eerste fase: temperatuur van ca. 50 – 70 miljoen K. gedurende tiental seconden tot een minuut • Daarna afkoeling
  • 13.
    Actieve Gebieden zijnook zetels van Coronale Massa Emissie. Totale massa is ca. 1010 – 1012 kg. Snelheden tot 2500 km/s
  • 14.
    Een eenvoudige beschrijvingvan de dynamo (4) Het alfa effect • In de latere fase is het hele equatoriale veld uiteengevallen; zwakkere velden ontstaan als gesloten lusjes • Zeer traag opstijgend, hoofdzakelijk evenwijdig aan de zonne-as, draaien ze enigszins om; krijgen een alfa vorm
  • 15.
    Een eenvoudige beschrijvingvan de dynamo (5) Het poloïdale veld • In polaire gebieden vormen deze opstijgende lusjes het poloïdale veld. • Grootste sterkte ca. 5 jaar na het vlekken maximum • Nu zijn we terug bij het begin: 11 jaren later • Dit was een vereenvoudigde beschrijving van het mechanisme van de elfjaarlijkse zonnecyclus
  • 16.
    Het polaire veld:polaire heldere punten; polaire fakkels, coronale gaten
  • 17.
    Coronale gaten • Hoofdzakelijkpolair maar ze kunnen zich tot de evenaar uitstrekken • Ze hebben een zeer zwak magnetisch veld of zijn zelfs magnetisch neutraal • Ze zij bronnen van gasstromingen naar de interplanetaire ruimte: de zonnewind • Dit gas, hoofdzakelijk ongeladen, kan ver doordringen in het aardse magnetisch veld
  • 18.
    Twee vergelijkbare magnetische veldcomponenten • De twee veld-componenten hebben vergelijkbare totale magnetische fluxen • Maar het equatoriale veld valt sterker op, door de zonnevlekken • Maximale sterkte van de een tijdens minimum van de ander • Dit is deel van de exotische dans van de twee veld-componenten
  • 19.
    De dans derveld-componenten. Rood: equatoriaal; blauw: polair. Maar zie het afwijkende gedrag na 2000  overgang naar nieuwe Grote Episode.
  • 20.
    HOE GEDROEGEN DEZETWEE VELDEN ZICH IN HET VERLEDEN? Het equatoriale veld werd pas gemeten sinds het begin van de 20e eeuw Het polaire sinds ca. 40 jaar Kunnen we „proxies‟ voor deze veldsterkten vinden?
  • 21.
    Proxy voor het(gladgemaakte) equatoriale magnetische veld: maximaal vlekkengetal per cyclus (Zie de Maunder en Dalton Minima (om ~1675 en ~ 1810) en het grote 20e eeuwse maximum met de top in 1960)
  • 22.
    Proxy voor depolaire veldcomponent: minimum van de geomagnetische aa index (maximum ~ 1975)
  • 23.
    Dit is gebaseerdop de goede correlatie tussen aa- index in vlek-minimum en maximale polaire magnetische veldsterkte (DMmax). Vierkant: 2009
  • 24.
    De gemiddelde aardse grondtemperatuur Isde variatie van de gemiddelde aardse grondtemperatuur gecorreleerd met de zonsactiviteit? Zo ja, kan dit worden verklaard?
  • 25.
    De gemiddelde grondtemperatuursteeg sinds het Maunder Minimum. Drie Episoden
  • 26.
    Correlatie analyse voorde periode 1610 – 1970 (dus vóór de recente sterke temperatuur toename) • Proxy voor equatoriaal veld bekend sinds 1610 • Die voor polair veld is bekend sinds 1844 • Over 1610 tot ca. 1950 – „70 is de gemiddelde toename gecorreleerd met : • equatoriaal veld: 0.077 K/eeuw • polair field: 0.040 K/eeuw (De Jager, Duhau & Van Geel, 2010)
  • 27.
    Kunnen we ditverklaren? De equatoriale component: ja
  • 28.
    Equatoriale component: Totalezonnestraling nam toe met toename van de toenemende UV straling van fakkelvelden
  • 29.
    Totale zonnestraling ispas goed gemeten sinds 1976. (ref.: Fröhlich). Goede correlatie met het vlekkengetal
  • 30.
    Extrapolatie tot 1610gebaseerd op goede correlatie met zonnevlekkengetal (Lean, 2011)
  • 31.
    Consequenties van recentereconstructies van Totale Zonne Straling (TZS) (Lean, Foucal, Solanki et al.) • De conventionele onderstelling: ΔT/T = (ΔI/I)/4 (T = aardse temperatuur; I = TZS) • Op grond daarvan voorspellen we een gemiddelde temperatuur gradiënt ten gevolge van de equatoriale veld variaties van 0.038 K/eeuw • Dit is de helft van de waargenomen toename • Positieve terugkoppeling, vooral door waterdamp verklaart de andere helft • Dus: de temperatuur toename ten gevolge van variaties in de equatoriale component kan geheel worden verklaard
  • 32.
    Nog onduidelijk isde T-toename verbonden aan die van het polaire veld (0.040 K/eeuw) • Meest geopperde onderstelling: (extra-) galactische kosmische stralingsflux op aarde is minimaal gedurende perioden van maximale zonnevlekken en omgekeerd • Meer kosmische straling produceert C14 isotoop • Leidt de verhoogde deeltjesstroom tot druppelvorming tijdens perioden van minimale zonsactiviteit? • Nog te onderzoeken: de Open Zonne Flux en : hoe beïnvloedt veranderlijke kosmische straling het klimaat? Wolkvorming? • Er zijn recente waarnemingen dat regenval samenhangt met zonsactiviteit
  • 33.
    Vergelijking Zon-Aarde We berekenende zonsbijdrage en trekken die af van de waargenomen gemiddelde aardse grondtemperatuur
  • 34.
    TEMPERATUREN. Boven: zonsbijdrage; midden:waargenomen; onder: verschil (De Jager-Nieuwenhuijzen, 2013)
  • 35.
    Het totale beeld •Afgevlakte aardse temperatuur (dus zonder vulkanische activiteit of El-Nino, enz.) is tot ca. 1950 bijna geheel met zonsactiviteit gecorreleerd • Daarnaast is er ook een geleidelijke toename van de zonnecomponent over de eeuwen • Chaotische restfluctuaties met kwadratisch gemiddelde van 0.18 K • Na 1950 sterke toename (CO2)
  • 36.
    Bovndien: geen significatiestijging van temperatuur na ca. 2002; hoe komt dat?
  • 37.
  • 38.
    Stilstand hangt vermoedelijksamen met de geringe zonsbijdrage (groene lijn)
  • 39.
    Grote Episoden We kennenmeer Grote Minima naast het Maunder Minimum
  • 40.
    Grote Episoden inhet laatste millennium : minima van Oort, Wolf, Schröder, Maunder, Dalton (gemeten aan C14 isotoop) .
  • 41.
    Groot 20e eeuwseMaximum was het grootste van de laatste 10 000 jaar
  • 42.
    Maunder minimum was gecorreleerdmet lage temperaturen op aarde Nederland: trekschuiten konden weinig varen in winter Bevroren rivieren in Engelnd en Frankrijk Er is nog een ander voorbeeld
  • 43.
    Opgravingen West Frieslandtonen klimaatverandering 850 v. Chr. (V. Geel)
  • 44.
    Klimaatverandering samenhangend met veranderdezonsactiviteit rond 800 v. Chr.
  • 45.
    De toekomst Zon gingdoor een ongekende overgangsperiode 2005 – 2010. Wat betekent dit voor de toekomst?
  • 46.
    Het overgangspunt • Empirischis gevonden dat overgangen tussen Grote Episoden plaats vinden wanneer Rmax en aamin door een specifiek punt lopen in het aamin – Rmax diagram • We noemen dat punt het overgangspunt (Duhau en De Jager)
  • 47.
    Doorgangen door hetovergangspunt . Ze vonden plaats in 1924 en 2007 –‟09 en eerder in 1744 en 1620
  • 48.
    In meer detail- 0vergang in 2007 (de Jager – Nieuwenhuijzen 2013)
  • 49.
    De lopende eeuw Nade huidige extreem lage 11jaarlijkse periode (maximum 2013) verwachten we dat dit het begin is van een periode van regelmatige oscillaties, zoals in 1740 – 1924.
  • 50.