“Verleiding”

Voorganger: Dhr. Pasterkamp
 Organist: Johannes de Vries
't Scheepke onder Jezus' hoede



        Lied voor de dienst
              JdH 213
1 't Scheepke onder Jezus' hoede,
met de kruisvlag hoog in top,
neemt als arke der verlossing
allen,
die in nood zijn, op.
Al staat de zee ook hol en hoog En
zweept de storm ons voort, wij
hebben 's Vaders Zoon aan boord
en 't veilig strand voor oog.
2 Zonne, bied dat scheepj' uw
glanzen,
koeltjes, stuwt het zacht vooruit;
golven, steunt gebed en
psalmgzang
niet uw zilv'ren maatgeluid.
Al staat de zee ook hol en hoog En
zweept de storm ons voort, wij
hebben 's Vaders Zoon aan boord
en 't veilig strand voor oog.
3 Arme zondaar, zie de kruisvlag
wapp'rend langs de oceaan.
Weet, de Heer is in het scheepje.
Kom, neem uw verlossing aan!
"Dies rijst een lied tot God
omhoog,
ruist vol een dankakkoord.
Wij hebben 's Vaders zoon aan
boord en 't veilig strand voor
oog".
“Verleiding”

Voorganger: Dhr. Pasterkamp
 Organist: Johannes de Vries
U loof ik Heer



Psalm 138 vers 1 en 2
Psalm 138 (LvdK)   t. W. Barnard; m. 1543 / Genève 1551
Psalm 138 (LvdK)   t. W. Barnard; m. 1543 / Genève 1551
Psalm 138 (LvdK)   t. W. Barnard; m. 1543 / Genève 1551
Psalm 138 (LvdK)   t. W. Barnard; m. 1543 / Genève 1551
Votum en Groet

    Ere zij de Vader en de Zoon,
        En de Heilige Geest,
 Als in den beginne, nu en immer,
En van eeuwigheid tot eeuwigheid,
                Amen.
Heer ik kom tot U



Opwekking 125: 1,2 en 3
1
Heer, ik kom tot U,
hoor naar mijn gebed.
Vergeef mijn zonden nu,
en reinig mijn hart.
2
Met uw liefde, Heer,
kom mij tegemoet,
nu ik mij tot U keer,
en maak alles goed.
3
Zie mij voor U staan,
zondig en onrein.
O, Jezus raak mij aan,
van U wil ik zijn.
Gebed



Aansluitend Opwekking 125:4
4
Jezus op uw woord,
vestig ik mijn hoop.
U leeft en U verhoort
mijn bede tot U.
Woord van bemoediging
Ik weet niet waarom Gods genâ



        JdH 112: 1,2 en 5
1
Ik weet niet waarom Gods genâ
aan mij ook werd betoond,
en Hij mij, gans onwaardig mens,
steeds zoveel liefde toont.
Maar ik weet, in Wie 'k geloofd
heb,
en ben verzekerd: mijn Heer is
machtig,
dat Hij het pand, Hem
toevertrouwd,
tot die dag bewaart voor mij.
2
Ik weet niet, hoe 't geloof in mij
door God werd ingewerkt,
of hoe Hij door Zijn Heil'ge Geest
mij vrede in 't harte werkt.
Maar ik weet, in Wie 'k geloofd
heb,
en ben verzekerd: mijn Heer is
machtig,
dat Hij het pand, Hem
toevertrouwd,
tot die dag bewaart voor mij.
5
Ik weet niet, wen mijn Heer
weêrkomt,
of waar ik Hem begroet,
of dat 'k moet sterven voordat ik
Hem in de lucht ontmoet.
Maar ik weet, in Wie 'k geloofd
heb,
en ben verzekerd: mijn Heer is
machtig,
dat Hij het pand, Hem
toevertrouwd,
tot die dag bewaart voor mij.
Dit is de dag


          ELB 425
Dit is de dag (EL 425)   t. & m. D. Garratt
Dit is de dag (EL 425)   t. & m. D. Garratt
Dit is de dag (EL 425)   t. & m. D. Garratt
Dit is de dag (EL 425)   t. & m. D. Garratt
Wij gaan, tot straks!
Genesis 39 vers 1-20



     Schriftlezing
Jozef en de vrouw van Potifar
1 Jozef was dus door de Ismaëlieten
meegenomen naar Egypte, en daar
was hij gekocht door Potifar, een
vooraanstaand man die tot de
hovelingen van de farao behoorde en
het bevel voerde over zijn lijfwacht. 2
De HEER stond Jozef terzijde, zodat
het hem goed ging. Hij mocht in het
huis van zijn
Egyptische meester werken. 3 Omdat
zijn meester zag dat de HEER Jozef
terzijde stond en alles wat hij ter
hand nam voorspoedig liet verlopen,
4 was hij Jozef goedgezind: hij maakte
hem tot zijn persoonlijke bediende,
liet de gang van zaken in huis aan
hem over en gaf hem het beheer over
alles
wat hij bezat. 5 En vanaf het ogenblik
dat hij hem belastte met het toezicht
op zijn huis en zijn verdere
bezittingen, zegende de HEER het
huis van die Egyptenaar omwille van
Jozef. De zegen van de HEER rustte op
alles wat hij bezat, in huis en
daarbuiten. 6 Daarom vertrouwde hij
alles volledig
aan Jozef toe; nu Jozef er was,
bekommerde hij zich alleen nog om
wat hij te eten kreeg.
Jozef was knap en aantrekkelijk. 7 Na
verloop van tijd liet de vrouw van zijn
meester haar oog op hem vallen.
‘Kom bij me liggen,’ zei ze. 8 Maar dat
weigerde hij. ‘Sinds ik hier ben,’ zei
hij, ‘maakt
mijn meester zich geen zorgen meer
over wat dan ook hier in huis, en hij
heeft mij het beheer gegeven over al
zijn bezittingen. 9 Ik heb hier
evenveel gezag als hij, en hij heeft mij
niets onthouden behalve u, omdat u
zijn vrouw bent. Hoe zou ik dan zo’n
grote wandaad kunnen begaan en zo
kunnen zondigen tegen God?’ 10 Dag
in dag uit probeerde ze Jozef over te
halen, maar hij gaf niet toe, hij wilde
niet bij haar gaan liggen. 11 Maar op
zekere dag, toen hij de
binnenvertrekken in kwam om zijn
werk te doen en daar niemand anders
van de bedienden was, 12 greep ze
hem bij zijn kleed.
‘Kom bij me liggen,’ drong ze aan,
maar hij vluchtte naar buiten; zijn
kleed liet hij bij haar achter. 13 Toen
ze besefte dat hij gevlucht was en zijn
kleed bij haar had gelaten, 14 riep ze
haar bedienden en zei tegen hen:
‘Mooi is dat! Hij moest zo nodig een
Hebreeër in huis halen – zeker om
zich met ons te
kunnen vermaken! Die man is mijn
kamer binnengedrongen en wilde bij
me komen liggen, maar ik begon hard
te schreeuwen. 15 Toen hij dat
hoorde, ging hij ervandoor en liet zijn
kleed hier bij mij achter.’ 16 Ze liet het
kleed naast zich liggen totdat Jozefs
meester thuiskwam, 17 en vertelde
hem
hetzelfde verhaal: ‘Die Hebreeuwse
slaaf die jij in huis hebt gehaald, is
mijn kamer binnengedrongen om zich
met me te vermaken. 18 En toen ik
het op een schreeuwen zette, ging hij
ervandoor en liet zijn kleed hier bij
mij achter.’ 19 Toen Jozefs meester
haar hoorde vertellen dat ze zo door
zijn slaaf
was behandeld, werd hij woedend.
20 Hij liet Jozef oppakken en in de
gevangenis zetten die bestemd was
voor de gevangenen van de koning.
De dromen van schenker en bakker
Zo kwam Jozef in de gevangenis
terecht.
Van U zijn alle dingen



     JdH 394: 1 en 2
1
Van U zijn alle dingen,
van U, o God, alleen,
van U de zegeningen,
o Hoorder der gebeên!
Uw liefd' en trouw omringen
mijn wankelende schreên.
En wat w' ooit goeds ontvingen,
het is van U alleen.
2
Gij kent steeds mijne noden,
waarin Gij trouw voorziet!
Gij geeft geen steen voor broden,
een slang voor vissen niet!
Wie komt tot U gevloden,
die Gij geen hulpe biedt?
Gij laat de zondaar noden,
nog eer hij tot U vliedt.
“Verleiding”



 Verkondiging
U zal ik eeuwig eren



      JdH 394: 3
3
U zal ik eeuwig eren,
die eeuw'ge goedheid zijt!
U blijv', o Heer der Heren,
geheel mijn hart gewijd!
Wat kan ik niet ontberen,
wanneer Uw hand mij leidt;
wat vuriger begeren
dan Uwe heerlijkheid?
God heb ik lief



Psalm 116: 1,4 en 5
Psalm 116 (LvdK)   t. K. Heeroma; m. Genève 1562
Psalm 116 (LvdK)   t. K. Heeroma; m. Genève 1562
Psalm 116 (LvdK)   t. K. Heeroma; m. Genève 1562
Collecte



1e: Open Doors
2e: voor de Kerk
'k Moet de Heiland met mij
         hebben


       JdH 185: 1 en 4
1
'k Moet de Heiland met mij hebben,
want ik kan alleen niet gaan;
maar met Hem meer dan verwinnaar
durf ik ied're storm weerstaan.
O, dan vreest mijn ziel geen kwaad,
waar mijn weg ook henen gaat!
Ik wil volgen zonder vragen,
waar mijn Meester gaat of staat.
4
'k Moet de Heiland met mij hebben,
als de vijand mij ontmoet
en 'k Hem door het Bloed des kruises
als "verwonnene" begroet.
O, dan vreest mijn ziel geen kwaad,
waar mijn weg ook henen gaat!
Ik wil volgen zonder vragen,
waar mijn Meester gaat of staat.
Zegen
Vanavond 19:00
Jeremia 31:31-34 en Romeinen 7:1-12
        (HSV) + nabespreking


     Voorganger: ds. Den Admirant
      Organist: Johannes de Vries

Verleiding

  • 1.
  • 2.
    't Scheepke onderJezus' hoede Lied voor de dienst JdH 213
  • 3.
    1 't Scheepkeonder Jezus' hoede, met de kruisvlag hoog in top, neemt als arke der verlossing allen, die in nood zijn, op.
  • 4.
    Al staat dezee ook hol en hoog En zweept de storm ons voort, wij hebben 's Vaders Zoon aan boord en 't veilig strand voor oog.
  • 5.
    2 Zonne, bieddat scheepj' uw glanzen, koeltjes, stuwt het zacht vooruit; golven, steunt gebed en psalmgzang niet uw zilv'ren maatgeluid.
  • 6.
    Al staat dezee ook hol en hoog En zweept de storm ons voort, wij hebben 's Vaders Zoon aan boord en 't veilig strand voor oog.
  • 7.
    3 Arme zondaar,zie de kruisvlag wapp'rend langs de oceaan. Weet, de Heer is in het scheepje. Kom, neem uw verlossing aan!
  • 8.
    "Dies rijst eenlied tot God omhoog, ruist vol een dankakkoord. Wij hebben 's Vaders zoon aan boord en 't veilig strand voor oog".
  • 9.
  • 10.
    U loof ikHeer Psalm 138 vers 1 en 2
  • 11.
    Psalm 138 (LvdK) t. W. Barnard; m. 1543 / Genève 1551
  • 12.
    Psalm 138 (LvdK) t. W. Barnard; m. 1543 / Genève 1551
  • 13.
    Psalm 138 (LvdK) t. W. Barnard; m. 1543 / Genève 1551
  • 14.
    Psalm 138 (LvdK) t. W. Barnard; m. 1543 / Genève 1551
  • 15.
    Votum en Groet Ere zij de Vader en de Zoon, En de Heilige Geest, Als in den beginne, nu en immer, En van eeuwigheid tot eeuwigheid, Amen.
  • 16.
    Heer ik komtot U Opwekking 125: 1,2 en 3
  • 17.
    1 Heer, ik komtot U, hoor naar mijn gebed. Vergeef mijn zonden nu, en reinig mijn hart.
  • 18.
    2 Met uw liefde,Heer, kom mij tegemoet, nu ik mij tot U keer, en maak alles goed.
  • 19.
    3 Zie mij voorU staan, zondig en onrein. O, Jezus raak mij aan, van U wil ik zijn.
  • 20.
  • 21.
    4 Jezus op uwwoord, vestig ik mijn hoop. U leeft en U verhoort mijn bede tot U.
  • 22.
  • 23.
    Ik weet nietwaarom Gods genâ JdH 112: 1,2 en 5
  • 24.
    1 Ik weet nietwaarom Gods genâ aan mij ook werd betoond, en Hij mij, gans onwaardig mens, steeds zoveel liefde toont.
  • 25.
    Maar ik weet,in Wie 'k geloofd heb, en ben verzekerd: mijn Heer is machtig, dat Hij het pand, Hem toevertrouwd, tot die dag bewaart voor mij.
  • 26.
    2 Ik weet niet,hoe 't geloof in mij door God werd ingewerkt, of hoe Hij door Zijn Heil'ge Geest mij vrede in 't harte werkt.
  • 27.
    Maar ik weet,in Wie 'k geloofd heb, en ben verzekerd: mijn Heer is machtig, dat Hij het pand, Hem toevertrouwd, tot die dag bewaart voor mij.
  • 28.
    5 Ik weet niet,wen mijn Heer weêrkomt, of waar ik Hem begroet, of dat 'k moet sterven voordat ik Hem in de lucht ontmoet.
  • 29.
    Maar ik weet,in Wie 'k geloofd heb, en ben verzekerd: mijn Heer is machtig, dat Hij het pand, Hem toevertrouwd, tot die dag bewaart voor mij.
  • 30.
    Dit is dedag ELB 425
  • 31.
    Dit is dedag (EL 425) t. & m. D. Garratt
  • 32.
    Dit is dedag (EL 425) t. & m. D. Garratt
  • 33.
    Dit is dedag (EL 425) t. & m. D. Garratt
  • 34.
    Dit is dedag (EL 425) t. & m. D. Garratt
  • 35.
  • 36.
    Genesis 39 vers1-20 Schriftlezing
  • 37.
    Jozef en devrouw van Potifar 1 Jozef was dus door de Ismaëlieten meegenomen naar Egypte, en daar was hij gekocht door Potifar, een vooraanstaand man die tot de hovelingen van de farao behoorde en het bevel voerde over zijn lijfwacht. 2 De HEER stond Jozef terzijde, zodat het hem goed ging. Hij mocht in het huis van zijn
  • 38.
    Egyptische meester werken.3 Omdat zijn meester zag dat de HEER Jozef terzijde stond en alles wat hij ter hand nam voorspoedig liet verlopen, 4 was hij Jozef goedgezind: hij maakte hem tot zijn persoonlijke bediende, liet de gang van zaken in huis aan hem over en gaf hem het beheer over alles
  • 39.
    wat hij bezat.5 En vanaf het ogenblik dat hij hem belastte met het toezicht op zijn huis en zijn verdere bezittingen, zegende de HEER het huis van die Egyptenaar omwille van Jozef. De zegen van de HEER rustte op alles wat hij bezat, in huis en daarbuiten. 6 Daarom vertrouwde hij alles volledig
  • 40.
    aan Jozef toe;nu Jozef er was, bekommerde hij zich alleen nog om wat hij te eten kreeg. Jozef was knap en aantrekkelijk. 7 Na verloop van tijd liet de vrouw van zijn meester haar oog op hem vallen. ‘Kom bij me liggen,’ zei ze. 8 Maar dat weigerde hij. ‘Sinds ik hier ben,’ zei hij, ‘maakt
  • 41.
    mijn meester zichgeen zorgen meer over wat dan ook hier in huis, en hij heeft mij het beheer gegeven over al zijn bezittingen. 9 Ik heb hier evenveel gezag als hij, en hij heeft mij niets onthouden behalve u, omdat u zijn vrouw bent. Hoe zou ik dan zo’n grote wandaad kunnen begaan en zo
  • 42.
    kunnen zondigen tegenGod?’ 10 Dag in dag uit probeerde ze Jozef over te halen, maar hij gaf niet toe, hij wilde niet bij haar gaan liggen. 11 Maar op zekere dag, toen hij de binnenvertrekken in kwam om zijn werk te doen en daar niemand anders van de bedienden was, 12 greep ze hem bij zijn kleed.
  • 43.
    ‘Kom bij meliggen,’ drong ze aan, maar hij vluchtte naar buiten; zijn kleed liet hij bij haar achter. 13 Toen ze besefte dat hij gevlucht was en zijn kleed bij haar had gelaten, 14 riep ze haar bedienden en zei tegen hen: ‘Mooi is dat! Hij moest zo nodig een Hebreeër in huis halen – zeker om zich met ons te
  • 44.
    kunnen vermaken! Dieman is mijn kamer binnengedrongen en wilde bij me komen liggen, maar ik begon hard te schreeuwen. 15 Toen hij dat hoorde, ging hij ervandoor en liet zijn kleed hier bij mij achter.’ 16 Ze liet het kleed naast zich liggen totdat Jozefs meester thuiskwam, 17 en vertelde hem
  • 45.
    hetzelfde verhaal: ‘DieHebreeuwse slaaf die jij in huis hebt gehaald, is mijn kamer binnengedrongen om zich met me te vermaken. 18 En toen ik het op een schreeuwen zette, ging hij ervandoor en liet zijn kleed hier bij mij achter.’ 19 Toen Jozefs meester haar hoorde vertellen dat ze zo door zijn slaaf
  • 46.
    was behandeld, werdhij woedend. 20 Hij liet Jozef oppakken en in de gevangenis zetten die bestemd was voor de gevangenen van de koning. De dromen van schenker en bakker Zo kwam Jozef in de gevangenis terecht.
  • 47.
    Van U zijnalle dingen JdH 394: 1 en 2
  • 48.
    1 Van U zijnalle dingen, van U, o God, alleen, van U de zegeningen, o Hoorder der gebeên!
  • 49.
    Uw liefd' entrouw omringen mijn wankelende schreên. En wat w' ooit goeds ontvingen, het is van U alleen.
  • 50.
    2 Gij kent steedsmijne noden, waarin Gij trouw voorziet! Gij geeft geen steen voor broden, een slang voor vissen niet!
  • 51.
    Wie komt totU gevloden, die Gij geen hulpe biedt? Gij laat de zondaar noden, nog eer hij tot U vliedt.
  • 52.
  • 53.
    U zal ikeeuwig eren JdH 394: 3
  • 54.
    3 U zal ikeeuwig eren, die eeuw'ge goedheid zijt! U blijv', o Heer der Heren, geheel mijn hart gewijd!
  • 55.
    Wat kan ikniet ontberen, wanneer Uw hand mij leidt; wat vuriger begeren dan Uwe heerlijkheid?
  • 56.
    God heb iklief Psalm 116: 1,4 en 5
  • 57.
    Psalm 116 (LvdK) t. K. Heeroma; m. Genève 1562
  • 58.
    Psalm 116 (LvdK) t. K. Heeroma; m. Genève 1562
  • 59.
    Psalm 116 (LvdK) t. K. Heeroma; m. Genève 1562
  • 60.
  • 61.
    'k Moet deHeiland met mij hebben JdH 185: 1 en 4
  • 62.
    1 'k Moet deHeiland met mij hebben, want ik kan alleen niet gaan; maar met Hem meer dan verwinnaar durf ik ied're storm weerstaan.
  • 63.
    O, dan vreestmijn ziel geen kwaad, waar mijn weg ook henen gaat! Ik wil volgen zonder vragen, waar mijn Meester gaat of staat.
  • 64.
    4 'k Moet deHeiland met mij hebben, als de vijand mij ontmoet en 'k Hem door het Bloed des kruises als "verwonnene" begroet.
  • 65.
    O, dan vreestmijn ziel geen kwaad, waar mijn weg ook henen gaat! Ik wil volgen zonder vragen, waar mijn Meester gaat of staat.
  • 66.
  • 67.
    Vanavond 19:00 Jeremia 31:31-34en Romeinen 7:1-12 (HSV) + nabespreking Voorganger: ds. Den Admirant Organist: Johannes de Vries