Your SlideShare is downloading. ×
Meesterproef van Ine Cardoen : het audio visueel verhoor
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×
Saving this for later? Get the SlideShare app to save on your phone or tablet. Read anywhere, anytime – even offline.
Text the download link to your phone
Standard text messaging rates apply

Meesterproef van Ine Cardoen : het audio visueel verhoor

3,285

Published on

Publiek beschikbaar met toelating van de auteur, gelieve steeds de bron te vermelden.

Publiek beschikbaar met toelating van de auteur, gelieve steeds de bron te vermelden.

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
3,285
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
37
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide

Transcript

  • 1. FACULTEIT RECHTSGELEERDHEIDDECANAATTIENSESTRAAT 413000 LEUVENAcademiejaar 2010 - 2011 Het audiovisueel verhoor: Een alternatief voor de Salduz-regeling?Promotor: Prof. F. HUTSEBAUTBegeleidster: J. STEYVERS Verhandeling, ingediend door INE CARDOEN, bij het eindexamen voor de graad van MASTER IN DE CRIMINOLOGISCHE WETENSCHAPPEN
  • 2. FACULTEIT RECHTSGELEERDHEIDDECANAATTIENSESTRAAT 413000 LEUVENAcademiejaar 2010 - 2011 Het audiovisueel verhoor: Een alternatief voor de Salduz-regeling?Promotor: Prof. F. HUTSEBAUTBegeleidster: J. STEYVERS Verhandeling, ingediend door INE CARDOEN, bij het eindexamen voor de graad van MASTER IN DE CRIMINOLOGISCHE WETENSCHAPPEN
  • 3. SAMENVATTINGDeze meesterproef handelt over de recent aangenomen Salduz-regeling. België tracht metdeze regeling de Europese rechtspraak te volgen en het recht op een eerlijk proces voor deverdachte te waarborgen. De Salduz-wet voorziet het recht op bijstand van een advocaattijdens het eerste politioneel verhoor. Er wordt verwacht dat de invoering van deze regelingop uiterlijk 1 januari 2012 een grote impact zal hebben op het politiewezen. Sinds de aannameklinken dan ook allerlei argumenten en kritieken vanuit het werkveld.Bovendien werd tijdens de debatten in de Senaat en de Kamer het audiovisueel verhoor alsmogelijk alternatief op deze regeling naar voren geschoven. Over de mogelijke problemen ofverbeteringen door dit alternatief is echter weinig bekend, waardoor deze optie als langetermijn oplossing van de baan werd geschoven. Kortom, er is momenteel maar weinigwetenschappelijk onderzoek uitgevoerd naar de impact die deze regeling op de lokalepolitiezones kan hebben, noch is er een duidelijk zicht op de optie van het audiovisueelverhoor als alternatief. Deze meesterproef tracht dit nader te onderzoeken en een duidelijkerbeeld te schetsen van de mogelijke problemen of verbeteringen.Deze scriptie bestaat bijgevolg uit vier delen. Ten eerste wordt de bestaande literatuur metbetrekking tot het recht op een eerlijk proces en het (audiovisueel) verhoor grondiggeanalyseerd. Ten tweede wordt een toelichting gegeven bij het kwalitatief onderzoek dat inhet kader van de meesterproef gevoerd werd bij de lokale politie in Vlaanderen. Ten derdeworden de resultaten van dit onderzoek geanalyseerd en besproken. Als laatst volgt eenalgemene conclusie en enkele aanbevelingen.
  • 4. DANKWOORDHet is een cliché te zeggen dat je een thesis niet alleen schrijft, maar toch is dit ook in mijngeval zeker van toepassing. Ik wil daarom graag enkele mensen bedanken die me rechtstreeksof onrechtstreeks hebben bijgestaan bij het maken van deze thesis.Eerst en vooral zou ik graag mijn begeleidster, Joke Steyvers, willen bedanken voor deuistekende begeleiding tijdens het hele proces. Ik kon steeds op een snelle respons rekenen enhaar zorgvuldige aanwijzingen waren dan ook een belangrijke meerwaarde.Daarnaast verdienen mijn ouders, mijn zus en Jan hier ook een apart plekje. Dit niet enkelomdat ze mij de mogelijkheid bieden om deze studie te volgen, maar het schrijven van dezethesis was voor mij een bijzondere confrontatie met mijzelf en woog op mijn zelfvertrouwen,zenuwen maar vooral op mijn humeur. Ik ben hen daarom zeer dankbaar dat ze me tochonophoudelijk hebben gesteund, gemotiveerd en verdragen tijdens dit hele traject.Ook gaat mijn dank uit naar de verschillende politiezones. Zonder hun medewerking zou dezemeesterproef immers niet bestaan.Tenslotte wil ik ook mijn vrienden bedanken voor de vele gezellige, maar vaak late uren in debibliotheek. Samen hebben we heel wat stressmomenten en dreigende paniekaanvallenoverwonnen, maar gelukkig ook heel wat leuke momenten beleefd. Kortom het is onmogelijkom iedereen hier bij naam te noemen. De vele vragen zoals: “Hoe is het met je thesis? “ of“Lukt het een beetje?” waren steeds weer een bron van motivatie om door te blijven werken.Na een jaar van vallen en opstaan, herlezen en herschrijven, moet ik eerlijk toegeven dat iktrots ben om mijn onderzoek te mogen indienen. Het was ongetwijfeld een leerrijke ervaring.Bedankt. II
  • 5. INHOUDSTAFELLIJST MET AFKORTINGEN ........................................................................................... VIILIJST MET BIJLAGEN ....................................................................................................VIIIINLEIDING .............................................................................................................................. 1DEEL 1: FENOMEENANALYSE ......................................................................................... 4 1. Het recht op een eerlijk proces ........................................................................................... 4 1.1. Bronnen ........................................................................................................................ 4 1.1.1. Artikel 6 EVRM ................................................................................................... 5 1.1.2. Artikel 14 BUPO .................................................................................................. 6 1.1.3. De grondwet ......................................................................................................... 6 1.1.4. Andere waarborgen .............................................................................................. 7 1.1.5. Werkingssfeer ....................................................................................................... 7 1.2. Toezicht........................................................................................................................ 8 1.2.1. Nationaal toezicht ................................................................................................. 8 1.2.2. Europees toezicht ................................................................................................. 9 1.3. Besluit ........................................................................................................................ 10 2. Het recht op bijstand van een advocaat ........................................................................... 12 2.1. De Europese Commissie ............................................................................................ 12 2.2. De Raad van Europa .................................................................................................. 13 3. Het recht op bijstand in het EVRM .................................................................................. 15 3.1. Standpunt van het Hof................................................................................................ 15 3.2. Pre-Salduz Standpunt ................................................................................................. 16 3.3. Het arrest Salduz en het arrest Panovits ..................................................................... 17 3.3.1. Salduz: Feiten en nationaal proces .................................................................... 17 3.3.2. Panovits: Feiten en nationaal proces ................................................................. 18 III
  • 6. 3.4. Beoordeling EHRM ................................................................................................... 19 3.4.1. Salduz en EHRM ................................................................................................ 19 3.4.2. Panovits en EHRM ............................................................................................. 20 3.5. Bijstand volgens het Hof: Aanwezigheid of consultatie? .......................................... 21 4. België volgt de Salduz-rechtspraak .................................................................................. 22 4.1. De Salduz-wet ............................................................................................................ 22 4.2. Kritieken vanuit het politiewezen .............................................................................. 24 4.3. Voorgestelde alternatieven ......................................................................................... 25 5. Het verhoor ....................................................................................................................... 28 5.1. Het klassieke verdachtenverhoor ............................................................................... 28 5.2. Relevante artikels voor het vooronderzoek ................................................................ 29 5.3. Andere vormen van verhoren ..................................................................................... 31 5.4. Het Audiovisueel verhoor .......................................................................................... 31 5.4.1. Wetsbepalingen .................................................................................................. 32 5.4.2. Artikel 112ter Strafvordering ............................................................................. 32 5.5. De meerwaarde van het audiovisueel verhoor ........................................................... 34 5.5.1. Voordelen voor de politiedienst ......................................................................... 34 5.5.2. Voordelen voor de verdachte ............................................................................. 35 5.6. Mogelijke nadelen ...................................................................................................... 36 5.6.1. Nadelen uit de literatuur ..................................................................................... 36 5.6.2. Praktische bezwaren ........................................................................................... 37 5.7. Als onderhandelingsmarge ......................................................................................... 38 6. Besluit ............................................................................................................................... 39DEEL 2: METHODOLOGIE ............................................................................................... 40 1. Probleemstelling en onderzoeksvragen ............................................................................ 40 1.1. Onderzoeksvragen ...................................................................................................... 41 IV
  • 7. 1.2. Grafische voorstelling ................................................................................................ 42 1.3. Doelstellingen ............................................................................................................ 44 2. Onderzoeksopzet .............................................................................................................. 45 2.1. Respondentenselectie ................................................................................................. 45 2.2. Dataverzameling ........................................................................................................ 46 2.3. De contactmail en vragenlijst ..................................................................................... 47 2.4. Data-analyse ............................................................................................................... 49DEEL 3: ONDERZOEKSRESULTATEN .......................................................................... 50 1. Respons ............................................................................................................................. 50 1.1. Eerste contactname en herinneringsmails .................................................................. 50 1.2. Reden van (non-)respons ........................................................................................... 51 2. Antwoordanalyse .............................................................................................................. 53 2.1. Verwachtingen Salduz ............................................................................................... 53 2.2. Personeelscapaciteit ................................................................................................... 55 2.3. Huidige middelen ....................................................................................................... 56 2.4. Aanwezigheid advocaat ............................................................................................. 56 2.5. Audiovisueel verhoor ................................................................................................. 57 2.6. Verwachtingen AVV.................................................................................................. 58 2.7. Ander alternatief ........................................................................................................ 59 2.8. Bijkomende opmerkingen .......................................................................................... 60 3. Discussie ........................................................................................................................... 61 3.1. Onderzoeksvraag 1 ..................................................................................................... 61 3.2. Onderzoeksvraag 2 ..................................................................................................... 64DEEL 4: CONCLUSIE .......................................................................................................... 67 1. Algemene conclusie .......................................................................................................... 67 V
  • 8. 2. Kwaliteit van het onderzoek ............................................................................................. 70 3. Aanbevelingen .................................................................................................................. 71BIBLIOGRAFIE .................................................................................................................... 73BIJLAGEN ............................................................................................................................. 87 VI
  • 9. LIJST MET AFKORTINGENBUPO Internationaal verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (Algemene Vergadering Verenigde Natie)CPT European Committee for the Prevention of Torture / Comité ter Preventie van FolteringEVRM Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Raad van Europa)EHRM Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Raad van Europa)Salduz-arrest European Court of Human Rights: Yusuf Salduz v. Turkey, 27 november 2008 (Application no. 36391/02)Sv. Wetboek van StrafvorderingWet Franchimont Wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoekCOL 7/2010 Omzendbrief nr. col 7/2010 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep: Voorlopige richtlijnen inzake de bijstand van een advocaat bij het eerste politionele verhoor van een verdachte gelet op de recente rechtspraak van het EHRMCOL 15/2010 Omzendbrief nr. col 15/2010 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep: Addendum bij de COL 7/2010 betreffende de bijstand van een advocaat bij het eerste politionele verhoor van een verdachte gelet op de recente rechtspraak van het EHRMOM Openbaar MinisterieOR onderzoeksrechterPDK Procureur des KoningsAVV audiovisueel verhoor VII
  • 10. LIJST MET BIJLAGENBijlage 1: IntroductiebriefBijlage 2: Eerst herinneringsberichtBijlage 3: Tweede herinneringsberichtBijlage 4: BedankingBijlage 5: VragenlijstBijlage 6: Contactinfo lokale politiezonesBijlage 7: Reacties VIII
  • 11. INLEIDINGDe recent aangenomen Salduz-regeling wordt in de media bestempeld als de belangrijkstehervorming van het strafrechtsklimaat van de jongste vijftig jaar. 1 De wet verwijst naar hetSalduz-arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM), dat bepaalt datelke aangehouden verdachte recht heeft op bijstand van een advocaat tijdens zijn eerstepolitieverhoor. Hoewel deze interpretatie van het Hof tot verhitte discussies in de Senaat en deKamer heeft geleid, werd recentelijk ook in België beslist om de Europese rechtspraak vanaf1 januari 2012 te volgen en de nationale wetgeving aan te passen. Maar sinds de Salduz-regeling door deze beslissing een verplicht nummer is geworden, klinken ook vanuit depraktijk allerlei kritieken. Zo verwacht men dat de wet een grote impact zal hebben op hetpolitiewezen. Waarschuwingen over het tekort aan infrastructuur, geschoold personeel en hetgrote financiële plaatje zijn maar enkele voorbeelden.2 Het wettelijk vastleggen van deSalduz-regeling was slechts de eerste stap, een degelijke implementatie is cruciaal. Daarom ishet belangrijk om zicht te krijgen op de problemen of verandering die de lokale politieverwacht.Daarnaast werden tijdens de voorbereidende debatten ook enkele alternatieven naar vorengeschoven. Eén van deze alternatieven is het audiovisueel verhoor (AVV). In andereEuropese landen, zoals Engeland en Nederland, wordt al enkele jaren geëxperimenteerd metdit alternatief. Uit die ervaringen is gebleken dat het opnemen van het verhoor de verdachtevoordelen biedt.3 Momenteel is het in België echter ook hier nog tasten in het duister: De visievan de lokale politiezones en de mogelijkheden voor een degelijke uitvoering van ditalternatief zijn nog onbekend. Het AVV werd daarom als een „oplossing op lange termijn‟1 I. FAES, Geen weg terug voor Salduz-wet, 5 juli 2011, www.n-va.be/nieuws/column/geen-weg-terug-voor-salduz-wet.; J. DE WIT, “Landuyt over Salduz: Zo weinig mogelijk veranderen”, Gazet van Antwerpen, 18 maart 2011, www.gva.be/nieuws/binnenland/aid1028858/landuyt-over-salduz-zo-weinig-mogelijk-veranderen.aspx.2 X., “Van Thielen uit kritiek op salduz-wet”, Het Nieuwsblad, 30 maart 2011, www.nieuwsblad.be/article/detail.aspx?articleid=DMF20110330_023.; X., “Nieuwe Salduz-wet zal 16 miljoen kosten”, De Redactie, 18 juni 2011, http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/binnenland/1.1047249.; Omzendbrief nr. COL 7/2010 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep Voorlopige richtlijnen inzake de bijstand van een advocaat bij het eerste politionele verhoor van een verdachte gelet op de recente rechtspraak van het EHRM, www.polinfo.be/secure/showfile.aspx?id=lx1338127.pdf, 2-4.3 D. VAN DAELE, “Recente ontwikkelingen inzake de wettelijke regeling van het verhoor in strafzaken” in D. VAN DAELE en I. VAN WELZENIS (eds.), Actuele thema‟s uit het strafrecht en de criminologie, Leuven, Universitaire Pers, 2004, 140-141; M. McCONVILLE, “Videotaping interrogations: police behaviour on and off camera”, Criminal Law Review, 1992, 532. 1
  • 12. bestempeld.4 Met het oog op de toekomstige invoering van de Salduzregeling, is hetinteressant om ook deze denkpiste nader te verkennen.In deze meesterproef wordt daarom bovenstaande problematiek onderzocht en getracht eenantwoord te formuleren op twee onderzoeksvragen. Enerzijds zal de impact van de Salduz-regeling op de lokale politie worden nagegaan. De eerste onderzoeksvraag luidt bijgevolg alsvolgt: „Welke impact heeft de implementatie van Salduz-regeling volgens de lokale politie opde eigen politiezone?‟ Deze onderzoeksvraag wordt opgedeeld in twee deelvragen : „Welkeproblemen verwacht de lokale politie als gevolg van deze implementatie ?‟ en „Welkeverbeteringen verwacht de lokale politie als gevolg van deze implementatie ?‟Daarnaast wordt aan de hand van een tweede onderzoeksvraag onderzocht in welke mate delokale politie het audiovisueel verhoor als een mogelijk alternatief op de Salduz-regelingbeschouwt : „Hoe beoordeelt de lokale politie het voorstel van een verplichte audiovisueleopname van het eerste politioneel verhoor als een mogelijk alternatief voor deSalduzregeling ?‟ Ook deze vraag bestaat uit twee deelvragen, namelijk : „Welke problemenverwacht de lokale politie bij een verplichte audiovisuele registratie van het eerste politioneelverdachtenverhoor?‟ en „Welke verbeteringen verwacht de lokale politie dankzij eenverplichte audiovisuele registratie van het eerste politioneel verdachtenverhoor?‟Alvorens deze vragen te onderzoeken, werd de nodige gedragswetenschappelijke enmethodologische literatuur geraadpleegd. Deze meesterproef is bijgevolg opgedeeld in vierdelen. Het eerste deel omvat een literatuurstudie en bestaat uit zes hoofdstukken. In het eerstehoofdstuk wordt het recht op een eerlijk proces beschreven aan de hand van de beschikbareEuropese en nationale bronnen. Daarnaast wordt gekeken welke toezichtinstanties dit rechttrachten te beschermen. Vervolgens focust het tweede hoofdstuk op één specifiek recht van deverdachte, namelijk het recht op bijstand van een advocaat tijdens het vooronderzoek. Ookhier worden de visies van de belangrijkste grondleggers zoals de Europese Commissie en deRaad van Europa besproken. Het standpunt van het EHRM wordt behandeld in het derdehoofdstuk. Aan de hand van twee cruciale arresten, het arrest Salduz en het arrest Panovits,wordt de interpretatie van het Hof verduidelijkt. Het vierde hoofdstuk werpt een blik op de4 Verslag 8 juni over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer 2010-11, nr. 53K1279005, http://www.dekamer.be/doc/flwb/pdf/53/1279/53k1279005.pdf, 8-9. 2
  • 13. Belgische situatie omtrent het recht op een eerlijk proces. De wijze waarop België deStraatsburgse rechtspraak interpreteert en de kritieken die hieruit voortvloeien vormen de kernvan dit hoofdstuk. Het voorlaatste hoofdstuk focust op het (audiovisueel) verhoor. Enerzijdswordt de wetgeving met betrekking tot het verhoor tijdens het vooronderzoek besproken,anderzijds wordt een overzicht gemaakt van de mogelijke voor- en nadelen van deaudiovisuele registratie. Vervolgens wordt gekeken in welke mate het AVV een waarborg kanbieden voor het recht op een eerlijk proces, alsook in hoeverre dit verhoor een alternatief kanvormen voor de Salduz-regeling. Tot slot wordt deel één afgerond met een samenvattendbesluit van de literatuurstudie.Deel twee behandelt het empirisch onderzoek. In dit deel worden enerzijds deprobleemstelling en de onderzoeksvragen besproken, anderzijds wordt het kwalitatiefonderzoeksopzet nader toegelicht.Het voorlaatste deel omvat de resultaten van het onderzoek. Dit gedeelte bevat de analyse vande vragenlijst die werd bezorgd aan de verschillende lokale politiezones, alsook een discussie.De meesterproef wordt afgesloten met een algemene conclusie waarin de belangrijksteresultaten en de kwaliteit van het onderzoek besproken worden. Tot slot worden enkeleaanbevelingen voor verder onderzoek geformuleerd. 3
  • 14. DEEL 1: FENOMEENANALYSE1. Het recht op een eerlijk procesHet recht op een behoorlijke rechtsbedeling wordt alom verkondigd als een fundamenteelrecht, hoewel het effectief uitoefenen ervan geen sinecure blijkt te zijn. In hun theorie over„procedural justice‟ stellen Thibaut en Walker dat het oordeel van mensen over derechtvaardigheid van een uitspraak in hoge mate afhankelijk is van hun perceptie over degevolgde procedure.5 Juridische rechtsbedeling zal pas aanvaard en als legitiem bestempeldworden als het van hoogstaande kwaliteit is.6 Statistische bronnen tonen aan dat in Europa heteerlijk proces het vaakst geschonden recht is: In meer dan één op vijf zaken behandeld doorhet EHRM is er sprake van een schending van dit recht, zelfs in ruim de helft van de arrestenkomt het eerlijk proces als hoofdzaak of bijzaak aan bod.7Het recht op een eerlijk proces is de kern van de rechten van de verdediging. Er moetvoldoende ruimte zijn voor tegenspraak en de verdachte moet als volwaardige partij aan debewijsvoering kunnen deelnemen.8 Hoewel het recht op een eerlijk proces in alle processtadiageldt, zal deze uiteenzetting vooral toespitsen op het vooronderzoek. Ook beperkingen op derechten van de verdediging tijdens deze beginfase van het onderzoek tasten het eerlijkkarakter van het proces aan.9 Voor de uitoefening van deze rechten kan de verdachte steunenop tal van wetgevende initiatieven. In onderstaande paragraaf zal ingegaan worden op dezebronnen.1.1. BronnenHet Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is de bekendste invalshoekvoor het beoordelen van een eerlijk proces. Artikel zes bevat enkele minimumvoorschriften,in lid 2 en lid 3 legt het EVRM de fundamenten voor het eerlijk proces.10 Het Europees Hofvermeldt daarnaast nog enkele andere waarborgen, die niet expliciet in artikel zes werdenopgenomen.11 Artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke5 J. GREENBERG en J. COLQUITT, Handbook of organizational justice, New Jersey, Lawrence Erlbaum, 2005, 21-22.6 I. AERTSEN, Slachtoffer-daderbemiddeling: een onderzoek naar de ontwikkeling van herstelgerichte strafrechtsbedeling, Leuven, University Press, 2004, 326.7 B. DE SMET en K. RIMANQUE, Het recht op behoorlijke rechtsbedeling, Antwerpen, Maklu, 2002, 9.; M. BOND, The Council of Europe and human rights: an introduction to the European Convention on Human Rights, Strasbourg, Council of Europe Publishing, 2010, 31.8 B. DE SMET en K. RIMANQUE, Het recht op behoorlijke rechtsbedeling, Antwerpen, Maklu, 2002, 93.9 EHRM, S. v. Zwitserland, ECHR 1991, A220.10 EHRM, Artico v. Italië, ECHR 1980, A37, lid 32.11 B. DE SMET en K. RIMANQUE, Het recht op behoorlijke rechtsbedeling, Antwerpen, Maklu, 2002, 95. 4
  • 15. rechten (BUPO) vormt een tweede belangrijke informatiebron. Ten slotte voorziet deBelgische wetgeving waarborgen in de grondwettelijke bepalingen.1.1.1. Artikel 6 EVRMAangezien artikel 14 BUPO minder bekend is en de grondwettelijke bepalingen vaak parallellopen met dit artikel, wordt in België vaak rechtstreeks beroep gedaan op artikel 6 EVRM.12Dit artikel bestempelt de eerlijke rechtsbedeling als een mensenrecht. Het artikel bestaat uitdrie paragrafen die men als één geheel moet beschouwen.13Het eerste lid geeft duidelijk het idee van het eerlijk proces weer. Het stelt dat iedere persoontegen wie een vervolging werd ingesteld het recht heeft op een eerlijke en openbarebehandeling van zijn zaak. Bovendien moet de zaak door een onpartijdig en onafhankelijkgerecht behandeld worden en dit binnen een redelijke termijn. Op de openbaarheid van deuitspraak kan een uitzondering worden gemaakt. Indien in het belang van de goede zeden, vande openbare orde of nationale veiligheid, of wanneer de belangen van minderjarigen of debescherming van het privéleven van procespartijen het eisen, kan de toegang aan de pers enhet publiek worden ontzegd. Ook als de rechter oordeelt dat de openbaarheid de belangen vaneen behoorlijke rechtspleging zou schaden kan de toegang gedurende de gehele terechtzittingof een deel daarvan ontzegd worden.14Het tweede lid bevat de onschuldpresumptie: Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteldwordt onschuldig bevonden tot diens schuld bij wet is bewezen.15 Dit vermoeden vanonschuld moet in ieder processtadium worden nageleefd.Het derde lid omvat verschillende rechten die aan de betrokkene ter verdediging wordentoebedeeld.16 Zo moet de verdachte duidelijk op de hoogte worden gesteld van de aard enreden van de beschuldigingen en moet hij over voldoende tijd en faciliteiten beschikken voorde voorbereiding van zijn verdediging. De verdachte heeft daarnaast inspraak in hetondervragen of doen ondervragen van de getuigen en kan zich kosteloos laten bijstaan dooreen tolk. Hij heeft ook het recht zichzelf te verdedigen of bijstand te krijgen. Indien hij dit nietkan bekostigen maar het belang van de rechtspraak dit wel vereist, kan hij kosteloos door een12 B. DE SMET en K. RIMANQUE, Het recht op behoorlijke rechtsbedeling, Antwerpen, Maklu, 2002, 9.13 EHRM, Brozicek v. Italië, ECHR 1989, A167, §45.14 Art. 6, eerste lid, Verdrag 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.15 Art. 6, tweede lid, Verdrag 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.; C.P.M. CLEIREN en J.F. NIJBOER, Strafvordering, Deventer, Kluwer, 2007, 1938.16 G. CORSTENS en J. PRADEL, Het Europese strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2003, 391-407. 5
  • 16. advocaat worden bijgestaan.17 Vooral met betrekking tot dit laatste recht ontstond in Belgiëeen levendige discussie, waarop later wordt ingegaan.Het idee van het recht op een eerlijk proces wordt dus in het tweede en derde lid van artikel 6EVRM door middel van een opsomming verduidelijkt.181.1.2. Artikel 14 BUPOArtikel 14 BUPO omvat in de eerste drie paragrafen grotendeels gelijkaardige rechten alsartikel 6 EVRM, hoewel de rechten in een andere bewoording worden omschreven. In lid vijftot en met zeven voegt het BUPO de mogelijkheid op een behandeling van de zaak in eenhoger rechtscollege, de schadeloosstelling en het „non bis in idem‟-beginsel toe.19 Dezerechten werden bij het EVRM toegevoegd door het zevende protocol van 22 november 1984.België heeft dit protocol echter nooit ondertekend.201.1.3. De grondwetHet recht op een eerlijk proces wordt ook door de grondwet beschermd. Artikels 144 en 145beschrijven welke geschillen onder de bevoegdheden van de rechtbank vallen. Hetlegaliteitsbeginsel wordt omschreven in artikel 12, de motiveringsplicht in artikel 149. Deopenbaarheid van de zitting en de onafhankelijkheid van de rechter en het OM wordenrespectievelijk in artikel 148 en artikel 151 behandeld.21De wet Franchimont voegde artikel 47 aan het wetboek van Strafvordering toe (Sv.).22 Hetartikel focust zich niet enkel op verdachten, maar op „personen ongeacht in welkehoedanigheid ze worden verhoord‟, dit met het oog op een bescherming van ieders rechtentijdens bijvoorbeeld het politieverhoor. De verhoorde heeft ondermeer recht op een letterlijkenotering, mag het proces-verbaal nalezen en eventueel verbeteren.23 Toch blijven de rechtenvan de verdachte beperkt, hij heeft geen toegang tot de vele procedures die de wet17 Artikel 6, derde lid, Verdrag 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.18 F. LOGGHE, “Over de eerlijke behandeling volgens artikel 6 van het EVRM”, Jura Falconis, 1996-97, afl. 33, 271-316.19 Artikel 14, Internationaal Verdrag 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten.20 B. DE SMET en K. RIMANQUE, Het recht op behoorlijke rechtsbedeling, Antwerpen, Maklu, 2002, 13.21 Gecoördineerde Grondwet 17 februari 1994, B.S. 17 februari 1994.22 Wet 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, BS 2 april 1998.23 T. DECAIGNY, "De bijstand van een advocaat bij het verhoor", Tijdschrift voor strafrecht, 2010, 7. 6
  • 17. Franchimont voorziet voor de inverdenkinggestelde.24 Ten slotte beschikt de verhoorde overeen zwijgrecht, waarover hij niet expliciet op de hoogte moet gesteld worden. Sinds deSalduz-rechtspraak, die verder wordt besproken, wordt dit recht op zwijgen wel vakermedegedeeld.251.1.4. Andere waarborgenHet Europees Hof heeft naast bovenstaande minimumvereisten ook andere waarborgengeformuleerd. De deelname van de verdachte aan het proces, het vermoeden van onschuld, deaanvoering van bewijsmateriaal op de zitting, het recht op een eerlijke bewijsvoering, hetzwijgrecht en de gelijke behandeling van de partijen zijn volgens het Hof cruciale waarborgenvoor een eerlijke rechtsbedeling. Hoewel niet al deze waarborgen expliciet in artikel 6 EVRMworden vermeld, kunnen delen van artikel 6 als „lex specialis‟ van deze waarborgen wordenbeschouwd. Artikel 6, lid 3d vermeldt dat de verdachte onder dezelfde voorwaarden getuigenmoet kunnen aanbrengen.261.1.5. WerkingssfeerVrij snel wordt duidelijk dat veel van deze bepalingen in elkaars vaarwater komen. Zo wordtbijvoorbeeld de onpartijdige rechter zowel in de grondwet als in de Europese verdragengewaarborgd. Het is daarom belangrijk om de verhouding tussen artikel 6 EVRM, art 14BUPO en de grondwetbepalingen te kennen. Artikel 53 EVRM en artikel 5, lid twee BUPObehandelen de maximalisatieclausule die de verhouding tussen deze verdragsbepalingenregelt. Uit deze clausule volgt de verplichting om voorrang te geven aan de bepaling die deruimste bescherming biedt aan de verdachte. Intern recht kan hierdoor voorrang krijgen opverdragsregels.2724 C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht, strafprocesrecht en internationaal strafrecht, Antwerpen, Maklu, 2006, 537.25 K. VAN CAUWENBERGHE, "Bijstand advocaat vanaf eerste verhoor: één zwaluw maakt nog geen lente", De Juristenkrant, afl. 201, 10 februari 2010, 11.26 B. DE SMET en K. RIMANQUE, Het recht op behoorlijke rechtsbedeling, Antwerpen, Maklu, 2002, 95-96.27 B. DE SMET en K. RIMANQUE, Het recht op behoorlijke rechtsbedeling, Antwerpen, Maklu, 2002, 13. 7
  • 18. 1.2. ToezichtHet enkel opstellen van wetgeving ter bescherming van het recht op een eerlijk proces biedtgeen voldoende waarborg. Er is een vorm van toezicht nodig zodat de uitvoering ook in depraktijk mogelijk is. De naleving van het recht op behoorlijke rechtsbedeling wordt verzekerddoor toezicht op zowel nationaal als Europees niveau. In onderstaande alinea worden deverschillende controlerende instanties kort besproken.1.2.1. Nationaal toezichtOp nationaal niveau wordt de toezichtsfunctie verzorgd door de hoogste Belgischerechtscolleges: het Grondwettelijk Hof, het Hof van Cassatie en de Raad van State.Het Grondwettelijk Hof behoort noch bij de wetgevende, noch de uitvoerende of gerechtelijkemacht. Het waakt als een los bijzonder orgaan over de opvolging van de grondwet door dewetgevers.28 Het rechtscollege bestaat uit twaalf rechters en is exclusief bevoegd voor hettoetsen van zowel materiële als formele bepalingen. Ze kunnen enkel uitspraak doen overwetten, decreten en ordonnanties, andere bepalingen, zoals Koninklijke besluiten, vallenbuiten hun bevoegdheid. Een zaak kan op twee manieren worden aangebracht, via een beroeptot vernietiging of via een prejudiciële vraag. De uitspraak is niet vatbaar voor beroep en dearresten zijn onmiddellijk uitvoerbaar.29Het Hof van Cassatie oordeelt daarentegen niet over de bepalingen zelf, maar over dewettelijkheid van rechterlijke beslissingen in een „in laatste aanleg gewezen‟ vonnis of arrest.Dit Hof kan dus enkel uitspraak doen nadat de gewone rechtsmiddelen zijn benut. HetCassatiehof velt evenmin oordeel over feiten, ze gaat enkel na of er een wet of rechtsregelgeschonden werd. Het Hof kan in dergelijk geval de beslissing vernietigen en de zaakdoorverwijzen. Een ander rechtscollege moet de zaak na verwijzing na cassatie opnieuwbeoordelen.30De Raad van State is de derde toezichthouder. Naast haar taak als adviesorgaan encassatierechter voor beroepen in lagere administratieve rechtscolleges, heeft ze alsbelangrijkste bevoegdheid het nagaan van de wettigheid van administratieverechtshandelingen. Alle natuurlijk en rechtspersonen kunnen hier een beroep instellenwanneer zij zich door dergelijke handelingen geschaad voelen. De Raad kan administratieve28 X, Grondwettelijk Hof: voorstelling, www.const-court.be.29 P. DE VROEDE en J. GORUS, Inleiding tot het recht, Mechelen, Kluwer, 2007, 238-240.30 X, Hof van Cassatie: Organisatie, www.cassonline.be/easycms/home. 8
  • 19. handelingen die strijdig zijn met de geldende rechtsregels vervolgens schorsen envernietigen.311.2.2. Europees toezichtDe naleving van het EVRM en BUPO wordt op Europees niveau verzorgd door het EuropeesHof voor de Rechten van de Mens en het Comité van ministers van de Raad van Europa. Dezeinstellingen zetelen beiden in Straatsburg.32Het EHRM werd op 3 september 1953 opgericht door het EVRM. Het Hof controleert of datde aangesloten staten de rechten en waarborgen, die in dit verdrag vervat liggen, respecteren.Het Hof treedt op bij een klacht over de schending van een mensenrecht door een van delidstaten. Het Hof behandelt echter geen klachten over schendingen door natuurlijke personen.Een klacht kan bovendien slechts door een individu of een staat bij het Hof worden ingediendnadat alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput.33De beoordeling van het Hof over het al dan niet eerlijk verloop van de rechtspleging isgebaseerd op het volledige proces. Het Hof benadrukt in zijn rechtspraak deze globalebenadering.34 Hierdoor zal de schending van één aspect van artikel 6 EVRM niet noodzakelijkleiden tot het bestempelen van de zaak als een oneerlijk proces. Als de gemaakte fout echtereen zeer grote invloed uitoefent op het verdere verloop van de zaak of als de fout niet meer teherstellen is, bestaat er een uitzondering op deze in globo-appreciatie.35 Dergelijkeonvolkomenheid kan dan wel leiden tot de schending van het recht op een eerlijkebehandeling. Daarnaast past het Hof ook een in concreto-appreciatie toe. Bij een beoordelingover de eerlijkheid wordt elke zaak apart bekeken, waarbij rekening gehouden wordt met despecifieke omstandigheden. Het Hof formuleert om deze reden geen abstracte definitie vanhet concept „een eerlijke behandeling‟. Deze globale en concrete beoordeling vereist dat eenoordeel door het Hof pas plaatsvindt nadat de procedure volledig is afgerond.3631 X, Raad van State: Instelling, www.raadvst-consetat.be.32 J. PETAUX, Democracy and human rights for Europe: the Council of Europes contribution, Strasbourg, Council of Europe Publishing, 2009, 57.; Art. 11, Statuut van de Raad van Europa van 5 mei 1949.33 G. VERMEULEN, Europese en internationale instellingen en organisaties: relevant voor criminologie en strafrechtsbedeling, Antwerpen, Maklu, 2006, 143-144.34 V. TOCHILOVSKY, Jurisprudence of the international criminal courts and the European Court of Human Rights: procedure and evidence, Leiden, Martinus Nijhoff Publishers, 2008, 274.35 F. LOGGHE, “Over de eerlijke behandeling volgens artikel 6 van het EVRM”, Jura Falconis, 1996-97, afl. 33, 278.36 F. LOGGHE, “Over de eerlijke behandeling volgens artikel 6 van het EVRM”, Jura Falconis, 1996-97, afl. 33, 271-316. 9
  • 20. Het Hof behandelt de zaak in een publieke hoorzitting met meestal negen rechters. Eén van derechters moet uit het land in kwestie afkomstig zijn. Wanneer het Hof vindt dat een staat éénof meerdere rechten heeft geschonden, is deze uitspraak bindend voor de betrokken staat.Uitzonderlijk zetelt het Hof in een Grote Kamer: Het Hof bestaat dan uit 21 rechters.Uitspraken in deze kamer zijn definitief, tegen andere uitspraken kan binnen de drie maandeneen beroep ingesteld worden. Hoewel de uitspraak enkel de betrokken staat bindt, oefenen dearresten een sterke morele invloed uit op de andere staten.37Het Comité van Ministers van de Raad van Europa houdt toezicht op de opvolging vanarresten. Het Comité bestaat uit de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten. Zehouden toezicht op de werking van het Europees Hof en komen hiervoor twee keer per jaarsamen. Daarnaast ziet het Comité van Ministers er ook op toe dat de vereiste aanpassingen inopvolging van een uitspraak worden aangebracht en neemt ter afsluiting van de zaak hierovereen resolutie aan.381.3. BesluitUit bovenstaande tekst blijkt dat zowel Europa als België de nodige aandacht schenkt aan deprocedurele waarborgen van de verdachte. Het recht op een eerlijk proces wordt duidelijkhoog in het vaandel gedragen en men tracht dit recht dan ook vanuit verschillendeinvalshoeken veilig te stellen.Enerzijds is het recht wettelijk verankerd. In België wordt een eerlijk proces voor deverdachte gewaarborgd door de grondwet. Dankzij de wet Franchimont werden de rechtenvoor de verdachten in het opsporingsonderzoek nog versterkt. Bovendien wordt het recht opeen eerlijk proces gewaarborgd door Europese wetgeving. Het Europees Hof bestempelt heteerlijk proces als een mensenrecht en verduidelijkt het in artikel 6 EVRM. Daarnaastformuleerde het Hof bijkomende waarborgen. De Algemene Vergadering van de VerenigdeNaties sluit zich grotendeels aan bij de visie van het Hof en waarborgt met artikel 14 BUPOeveneens dit recht.Daarnaast blijkt het belang van dit mensenrecht uit de verschillende toezichtsinstanties dieworden voorzien. In België waken het Grondwettelijk Hof, het Hof van Cassatie en de Raad37 G. VERMEULEN, Europese en internationale instellingen en organisaties relevant voor criminologie en strafrechtsbedeling, Antwerpen, Maklu, 2006, 147-149.38 G. VERMEULEN, Europese en internationale instellingen en organisaties relevant voor criminologie en strafrechtsbedeling, Antwerpen, Maklu, 2006, 134-135. 10
  • 21. van State over de opvolging van dit recht. Op Europees niveau fungeren eveneens tweeinstanties als waakhond. In Straatsburg verzorgt het Europees Hof de toezichtsfunctie encontroleert het Comité van Ministers van de Raad van Europa de uitvoering van de arrestenvan dit Hof.Tot slot wordt de waarde van het recht op een eerlijk proces benadrukt door demaximalisatieclausule die werd opgenomen in zowel het EVRM als het BUPO. Deze clausuleverplicht voorrang te geven aan de bepaling die de ruimste bescherming biedt aan deverdachte. In het volgende hoofdstuk zal worden ingezoomd op één specifieke waarborg vande eerlijke rechtsbedeling, namelijk de aanwezigheid van de advocaat tijdens hetvooronderzoek. 11
  • 22. 2. Het recht op bijstand van een advocaatBijstand tijdens het verhoor wordt in Europa niet op uniforme wijze geregeld.39 Maar deEuropese Commissie strijdt al geruime tijd om dit recht in alle lidstaten te doen gelden. In2005 was de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor reeds in 17 van de 27 EU-landen geoorloofd.40 Recent klinken steeds meer stemmen voor de toelating van een raadsmantijdens het verhoor in het strafrechtelijk vooronderzoek.41 Zowel de Europese Commissie alsorganen van de Raad van Europa hebben getracht hun visie op dit recht te verduidelijken.2.1. De Europese CommissieDe Commissie wilde met haar Groenboek een standaardset van procedureleverdachtenwaarborgen vastleggen. Een Groenboek heeft geen expliciete wetgevende waardemaar is wel een impuls voor potentiële latere wetgeving.42 De standaardset bevat rechten diede Europese Commissie tijdens de strafprocedure als noodzakelijk voor de eerlijkerechtsbedeling beschouwt. Het recht op juridische bijstand en advies maakt hier ondermeerdeel van uit. Dit recht op een advocaat geldt volgens het Groenboek vanaf het moment vanvrijheidsberoving, dus mits rekening gehouden met de redelijke termijn, ook in de fase vanhet vooronderzoek. Indien de verdachte op de hoogte werd gesteld van dit recht maar bijstandweigerde, wordt volgens het Groenboek toch voldaan aan de minimumvereiste.43Na consultaties en vragen van verschillende actoren heeft de Commissie het Groenboekverder aangepast en omgevormd tot een voorstel voor het kaderbesluit van 28 april 2004. Hetkaderbesluit omvat procedurele rechten die binnen de hele Europese Unie gelden. 44 Het steltdat rechtsbijstand bij iedere procedurele stap verleend moet worden, dus ook tijdens het eersteverhoor. Daarnaast verplicht de Commissie de lidstaten ook tot een schriftelijke documentatievan de genomen maatregelen en voorziet ze een evaluatiemechanisme. In tegenstelling tot hetGroenboek wordt er in het kaderbesluit niet expliciet verwezen naar de „aanwezigheid‟ van39 M. S. GROENHUIJSEN en G. KNIGGE (red.), het vooronderzoek in strafzaken: tweede interimrapport onderzoeksproject strafvordering, Deventer, Gouda Quint, 2001, 687-688.40 T.N.B.M. SPRONKEN & M. ATTINGER, Freedom, security and justice. Procedural Rights in Criminal Proceedings: Existing Level of Safeguards in the European Union, Maastricht, University of Maastricht, 2005, 80.41 F. GOOSENS, Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 484.42 J. MOERS, De aanwezigheid van de advocaat bij het verhoor van de verdachte, onuitg., masterscriptie Rechten, K.U. Leuven, 2008-09, 3.43 COM(2003)75, Groenboek van de Commissie inzake procedurele waarborgen voor verdachten in strafzaken in de gehele Europese Unie, 19 februari 2003, http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/site/nl/com/2003/com2003_0075nl01.pdf.44 B. CLAES, (Audio)visuele opname van het verhoor, onuitg., masterscriptie Rechten, K.U.Leuven, 2008-09, 17-18. 12
  • 23. een advocaat tijdens elk verhoor: Nergens wordt geëist dat de advocaat tijdens het verhoorfysiek aanwezig moet zijn, maar evenmin wordt vermeld dat dit niet zo moet zijn.45 Hetkaderbesluit vermeldt daarnaast de audiovisuele opname van het verhoor als mogelijkepassende bescherming voor kwetsbare verdachten.46 Op dit alternatief wordt later ingegaan.2.2. De Raad van EuropaOok het Comité ter preventie van foltering van de Raad van Europa (CPT) wijst op het belangvan bijstand tijdens de strafprocedure. Het CPT benadrukt dat tijdens de eerste periode na devrijheidsbeneming het risico op intimidatie en slechte fysieke behandeling het grootst is.47 HetCPT beschrijft het bijstandsrecht tweevoudig: Het omvat zowel het recht op contactopnameals het recht op aanwezigheid van de raadsman tijdens het verhoor. Dit recht kan eenwaarborg zijn tegen een slechte behandeling, de verdachte moet hierover geïnformeerdworden. Beperkt uitstel van het recht in het belang van Justitie en het onthouden van het rechtop een bepaalde raadsman duldt het CPT indien deze redenen duidelijk geformuleerd enwettelijk verankerd zijn.48 Het recht op een eigen keuze is dus niet absoluut. Een raadsman diegezien de complexiteit of aard van de zaak te tekortschiet in zijn kennis of een raadsman diehet politioneel onderzoek dwarsboomt kan volgens het CPT vervangen worden. De Europeserechtspraak sluit zich aan bij deze visie.49Het Joegoslavië Tribunaal beschouwt eveneens de aanwezigheid van de advocaat tijdens hetverdachtenverhoor in de fase van het vooronderzoek als een mensenrecht. Bij een schendingvan dit recht kan de afgelegde verklaring niet als bewijsmateriaal dienen.50Het EHRM werkt complementair met het CPT: Het preventieve werk van het CPT wordtaangevuld door het EHRM, dat vooral reactief en repressief optreedt.51 Het EVRM vereist integenstelling tot het CPT niet dat de verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsmantijdens het verhoor. Indien het nationale recht echter gevolgen verbindt aan zijn houding45 Voorstel van Kaderbesluit Raad COM 2004/0113, 28 april 2004, houdende bepaalde procedurele rechten in strafprocedures binnen de gehele Europese Unie, http://europapoort.eerstekamer.nl/9345000/1f/j9vvgy6i0ydh7th/vgqwmcl5szu3, 10.46 Art. 11, Voorstel van Kaderbesluit Raad COM 2004/0113, 28 april 2004, houdende bepaalde procedurele rechten in strafprocedures binnen de gehele Europese Unie, http://europapoort.eerstekamer.nl/9345000/1f/j9vvgy6i0ydh7th/vgqwmcl5szu3, 30.47 D. VAN DAELE, Actuele thema‟s uit het strafrecht en de criminologie, Leuven, University Press, 171.48 F. GOOSENS, Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 284-285.49 F. GOOSENS, Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 486-487.50 M. HELMANTEL, Salduz en Panovits: nieuwe Europese toetsstenen voor het Nederlandse politieverhoor, onuitg., masterscriptie Rechten, Open Universiteit, 2009-10, http://hdl.handle.net/1820/2540, 14-15.51 R. MORGAN en M. EVANS, Combating torture in Europe: the work and standards of the European Committee for the Prevention of Torture (CPT), Strasbourg, Council of Europe Publishing, 2001, 59. 13
  • 24. tijdens het verhoor, moet de verdachte ook tijdens de fase van het onderzoek recht hebben opbijstand van een advocaat. Deze bijstand moet niet plaatsvinden tijdens de ondervraging maarkan hieraan voorafgaan.52 Uit de Straatsburgse rechtspraak blijkt wel dat de aanwezigheid vande advocaat de beoordeling van het Hof kan beïnvloeden. Het hof stelt eveneens dat dezebijstand als een bescherming tegen politionele wanpraktijken kan fungeren.53 Gezien deimpact van de rechtspraak van het EHRM op de regeling in eigen land wordt er in volgendhoofdstuk dieper ingegaan op deze rechtspraak.52 F. GOOSENS, Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 484.53 F. GOOSENS, Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 487. 14
  • 25. 3. Het recht op bijstand in het EVRMBelgië ondertekende als lidstaat van de Raad van Europa op 4 november 1950 het EVRM.54De Belgische regeling moet bijgevolg voldoen aan de eisen die het EVRM voor hetpolitioneel verhoor stelt. Daarnaast moet ook de rechtspraak van het Hof in acht genomenworden. Hoewel het belang van het verhoor voor het verdere verloop van het onderzoek nietonderschat wordt, blijkt dat België deze normen in het verleden soms te soepel hanteerde ofuit het zicht verloor. Schendingen van dit verdrag kunnen echter belangrijke rechtgevolgenmet zich meedragen. Vooral betreffende het recht op bijstand van een raadsman tijdens hetpolitieverhoor durft het Hof streng op te treden.55Artikel 6 lid 3c EVRM behandelt, zoals eerder aangehaald, de rechten van degene tegen wieeen strafvervolging is ingesteld. Het bevat enkele minimumgaranties in het kader van hetrecht op een eerlijk proces.56 Lid 3b en lid 3c focussen op het recht op verdediging enbijstand.Het Europees Hof benadrukt dat ze geen uitspraak doet over de nationale procedure op zich.Ze velt haar vonnis op basis van de concrete omstandigheden en het volledige verloop van deprocedure: “The Court sees it as its task to ascertain whether the proceedings considered as awhole were fair.”573.1. Standpunt van het HofDe rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens verduidelijkt hoe hetEVRM uitgelegd moet worden en heeft dan ook een aanzienlijke invloed op de regeling vande rechtsbedeling in de lidstaten.58 Zo zorgden in 2008 twee arresten voor een nieuwedimensie in de discussie over de aanwezigheid van de raadsman bij het politieverhoor. Zowelhet arrest Salduz tegen Turkije als het arrest Panovits tegen Cyprus behandelen deproblematiek van een bekentenis waarbij geen toegang tot een raadsman werd verleend54 J. VANDE LANOTTE en Y. HAECK, Handboek EVRM, Antwerpen, Intersentia, 2005, 81.55 F. GOOSENS, Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 478.56 P. VAN DIJK en G.J.H. VAN HOOF, Theory and practice of the European convention on Human Rights, Den Haag, Kluwer Law International, 1998, 429-430.57 T.N.B.M. SPRONKEN, Verdediging: een onderzoek naar de normering van het optreden van advocaten in strafzaken, Gouda Quint, Deventer, 2001, 439.58 M. J. KRONENBERG en B. DE WILDE, Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht, Deventer, Kluwer, 2007, 345.; K. KORKELIA, “The status of international treaties on Human rights and their influence on national legislation and practice in Georgia”, in G. BUQUICCHIO (ed.), The status of international treaties on human rights, Strasbourg, Council of Europe Publishing, 2006, 144-15. 15
  • 26. voorafgaand of gedurende het verhoor.59 Hoewel het in beide arresten om een minderjarigeverdachte gaat, zijn de standpunten van het Hof ook van toepassing op het eerstepolitieverhoor van meerderjarige verdachten. Het Hof heeft reeds voor het beruchte Salduz-arrest in een aantal arresten uitspraak gedaan over het bijstandsrecht tijdens het verhoor in hetvooronderzoek, maar dit standpunt is geëvolueerd. Sinds het arrest Salduz lijkt de mening vanhet Hof hieromtrent zeer uitgesproken. Over de interpretatie van deze uitspraken bestaatdaarentegen wel nog discussie. De rechtspraak van het EHRM heeft deze problematiek danook hoog op de agenda geplaatst.603.2. Pre-Salduz StandpuntHet is in deze korte uiteenzetting niet mogelijk om een volledig overzicht van alle relevantearresten met betrekking tot het bijstandsrecht te geven. Hoe dan ook blijkt uit tal van dezearresten dat het Hof dit recht op bijstand ook tijdens het vooronderzoek als belangrijkbeschouwt.61 De toepassing van art. 6 EVRM voor de beoordeling van het eerlijke karaktervan het rechtsgeding geldt dus reeds in deze fase. De eenvoudige afwezigheid van eenraadsman heeft echter in geen enkel arrest tot een schending van art. 6 EVRM geleid. Eenverhoor in afwezigheid van advocaat is volgens het Hof toelaatbaar wanneer er in de latereprocesstadia voldoende garanties op een eerlijk procedure voorzien worden.62 Hieruit blijktnogmaals dat de beoordeling van een eerlijk proces gebaseerd wordt op het gehele verloopvan de strafrechtsbedeling.63 Wel lijkt het Hof een minimale vorm van bijstand te vereisen, zomoet iedere verdachte hoe dan ook de mogelijkheid hebben om een raadsman teconsulteren.64 Hoe deze bijstand in praktijk moet worden ingevuld is nog onduidelijk. Het Hofhanteert immers verschillende begrippen in haar rechtspraak wanneer ze spreekt over debijstand.59 P.P.J. VAN DER MEIJ, Het EHRM en het recht op toegang tot een raadsman vanaf het eerste politieverhoor: Over de hooggespannen verwachtingen omtrent het aanwezigheidsrecht van de raadsman in het strafrechtelijk vooronderzoek, 2009, https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/1887/13620/2, 3-4.60 E. MEERSMAN, De aanwezigheid van een raadsman bij het politieverhoor, onuitg., masterproef Criminologische wetenschappen, U. Gent, 2009-10, http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/001/458/159/RUG01-001458159_2011_0001_AC.pdf, 19.61 EHRM Imbrioscia v. Zwitserland, ECHR 1993, A275.62 B. DE SMET en G. STESSENS, "Art. 6 §3 E.V.R.M." in Y. HAECK en J. VANDE LANOTTE (eds.), Handboek E.V.R.M. II, Antwerpen, Intersentia, 2005, 602.63 B. DE SMET en K. RIMANQUE, Het recht op behoorlijke rechtsbedeling: een overzicht op basis van artikel 6 EVRM, Antwerpen, Maklu, 2002, 128.64 K. VAN CAUWENBERGHE, "Bijstand advocaat vanaf eerste verhoor: één zwaluw maakt nog geen lente", De Juristenkrant, afl. 201, 10 februari 2010, 11. 16
  • 27. 3.3. Het arrest Salduz en het arrest PanovitsSinds het arrest Salduz in 2008 en het kort daaropvolgende arrest Panovits, blijven de arrestenen veroordelingen met betrekking tot het recht op bijstand tijdens het verhoor toestromen. HetHof lijkt hiermee haar standpunt te willen bevestigen, hoewel haar visie heel wat stof deedopwaaien in de lidstaten.65 Zowel magistraten, advocaten als politieambtenaren lijken bewustvan de mogelijk grote impact van beiden arresten op het nationale rechtssysteem. Gezien hetbelang van deze arresten zal uitgebreid worden ingegaan op de feiten, de beoordeling door denationale rechter, de uitspraak van het EHRM in de gewone Kamer en de Grote Kamer.3.3.1. Salduz: Feiten en nationaal proces 66Op 29 mei 2001 wordt de zeventienjarige Yusuf Salduz tijdens een protest tegen degevangenschap van de PKK-leider Öcalan aangehouden. Meewerken met deze bewegingwordt in Turkije opgevat als een terroristisch misdrijf. Salduz wordt bijgevolg opgepakt doorde staatsveiligheidspolitie. Iedereen die onder het gezag van deze politiedienst valt, heeftgedurende de eerste twee dagen geen recht op bijstand van een raadsheer.67 Hoewel Salduzgeen contact had met een advocaat en een attest ondertekende dat wijst op zijn zwijgrecht,bekent hij te hebben deelgenomen aan de demonstratie en een spandoek te hebbenopgehangen. De politie neemt een schrijfproef af en controleert Salduz gedurende hetonderzoek twee maal op sporen van mishandelingen.68Tijdens het verhoor door de onderzoeksrechter en bij zijn verschijning voor de openbareaanklager ontkent Salduz zijn eerdere bekentenissen. Hij beweert psychisch en fysiekmishandeld te zijn en de verklaring onder druk te hebben afgelegd. Uit de medische rapportenblijken geen sporen van mishandeling. Na het verhoren, beveelt de onderzoeksrechter Salduz‟hechtenis, pas vanaf dit moment heeft hij toegang tot een raadsheer.6965 P. DE HERT en K. WEIS, “Post-Salduzrechtspraak blijft komen”, De Juristenkrant, afl. 185, 11 maart 2009, 11.66 EHRM, Salduz v. Turkije, ECHR 2008, no. 36391/02,, §12-26.67 M. HELMANTEL, Salduz en Panovits: nieuwe Europese toetsstenen voor het Nederlandse politieverhoor, onuitg., masterscriptie Rechten, Open Universiteit, 2009-10, http://hdl.handle.net/1820/2540, 30.68 P.P.J. VAN DER MEIJ, Het EHRM en het recht op toegang tot een raadsman vanaf het eerste politieverhoor: Over de hooggespannen verwachtingen omtrent het aanwezigheidsrecht van de raadsman in het strafrechtelijk vooronderzoek, 2009, https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/1887/13620/2, 3-4.69 P.P.J. VAN DER MEIJ, Het EHRM en het recht op toegang tot een raadsman vanaf het eerste politieverhoor: Over de hooggespannen verwachtingen omtrent het aanwezigheidsrecht van de raadsman in het strafrechtelijk vooronderzoek, 2009, https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/1887/13620/2, 3-4. 17
  • 28. In de veroordeling werd vooral waarde gehecht aan de verklaringen tijdens het politieverhoor,zijn latere ontkenning werd geweerd. De rechtbank veroordeelde Salduz tot eengevangenisstraf van vier jaar en zes maanden. Later werd deze, omwille van zijn leeftijd, tottwee jaar en zes maanden ingekort.70 Ter ondersteuning van de uitspraak werd gebruikgemaakt van het proces-verbaal van zijn aanhouding, dit als bewijs van zijn aanwezigheidtijdens de demonstratie. Ook worden zijn bekentenissen als bewijs tegen hem gebruikt.Daarnaast werd er rekening gehouden met de verklaringen van zijn medeverdachten, ook alwerden deze ter zitting ingetrokken. Tenslotte wordt ook de schrijfproef als bewijsstukopgevat, hoewel het handschrift niet met zekerheid het zijne is.713.3.2. Panovits: Feiten en nationaal proces 72De zaak Panovits vertoont gelijkenissen met de zaak Salduz. Ook hier gaat het om eenzeventienjarige jongen die, vergezeld door zijn vader, op het politiebureau belandt. Hij wordtverdacht van beroving en gewelddadigheden met een dodelijk slachtoffer als gevolg. Panovitsontkent enige betrokkenheid en wordt verhoord. Zijn vader is bezorgd over de ernst van detenlastelegging en eventueel politiegeweld tegen zijn zoon. De politiechef raadt hem aan eenadvocaat in te schakelen en zijn zoon te vergezellen tijdens het verhoor. De vader weigert ditaanbod. Het relaas van de daaropvolgende feiten verschilt naar gelang deze gegeven zijn doorde verdediging of de politie.73De verdediging beweert dat misleiding, psychologische druk en intimidatie tijdens Panovits‟eerste politieverhoor tot diens bekentenis hebben geleid. Zo zou Panovits tijdens het verhoornog steeds onder de invloed van alcohol zijn geweest. De verhoorders zouden vervolgensaandrongen hebben om te helpen bij het herinneren van de feiten en een geschrevenbekentenis op te stellen. Volgens Panovits werd hij hierbij geïntimideerd door het ostentatiefgebruik van dienstwapens. Ook beweert de verdediging er geen bijstand werd verleend, nochdirect na de aanhouding, noch voorafgaand aan het verhoor en de schriftelijke verklaring.7470 EHRM, Salduz v. Turkije, ECHR 2008, no. 36391/02, §18-23.71 M. HELMANTEL, Salduz en Panovits: nieuwe Europese toetsstenen voor het Nederlandse politieverhoor, onuitg., masterscriptie Rechten, Open Universiteit, 2009-10, http://hdl.handle.net/1820/2540, 30.72 EHRM, Panovits v. Cyprus, ECHR 2008, no. 4268/04.73 M. HELMANTEL, Salduz en Panovits: nieuwe Europese toetsstenen voor het Nederlandse politieverhoor, onuitg., masterscriptie Rechten, Open Universiteit, 2009-10, http://hdl.handle.net/1820/2540, 30.74 P.P.J. VAN DER MEIJ, Het EHRM en het recht op toegang tot een raadsman vanaf het eerste politieverhoor: Over de hooggespannen verwachtingen omtrent het aanwezigheidsrecht van de raadsman in het strafrechtelijk vooronderzoek, 2009, https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/1887/13620/2, 4-5. 18
  • 29. De politie gaf een andere lezing van de feiten. Zij beweerden dat Panovits duidelijk op dehoogte gebracht werd van de bewijzen en de in verdenkingstelling. Ook zouden zijherhaaldelijk gewezen hebben op zijn zwijgrecht. Panovits zou vrijwillig de feiten bekendhebben. Volgens hen is er geen sprake van ongeoorloofde verhoormethodes en werd demogelijkheid tot het inroepen van een raadsman herhaaldelijk aangehaald maar steedsgeweigerd.75Het Assisenhof oordeelde dat de voorafgaande rechtsbijstand geen voorwaarde is voor hetafnemen van een schriftelijke verklaring van de verdachte. Daarenboven werden Panovits enzijn vader voldoende ingelicht over dit recht. Op grond van Panovits‟ eerste bekentenis,getuigenverklaringen en een medisch rapport werd Panovits schuldig bevonden.763.4. Beoordeling EHRMDe behandeling van beide zaken voor het Europees Hof van de Rechten van de Mens verliepenigszins gelijklopend. Beide klachten handelden overwegend over een mogelijke schendingvan artikel 6 lid 3 c EVRM. De verdediging hekelde dat zij tijdens het vooronderzoek geentoegang tot een raadsman hadden verkregen. Het Hof benadrukt in beide zaken dat derechtswaarborgen van art. 6 EVRM ook gelden in deze preprocessuele fase maar dat in debeoordeling ervan rekening wordt gehouden met het gehele traject van de strafprocedure.773.4.1. Salduz en EHRMDe zaak Salduz werd in eerste instantie door de gewone Kamer behandeld. Dezeconcludeerde dat er voldoende safeguards aanwezig waren en het schuldbewijs niet enkelsteunde op de politieverhoren. De deskundigenverslagen, verklaringen van medeverdachtenen de bijstand in latere fases overtuigden het Hof dat het recht op een eerlijk proces tochgewaarborgd werd. Twee rechters van het EHRM sloten zich echter niet aan bij dezebeslissing, waarna de zaak doorverwezen werd naar de Grote Kamer.7875 EHRM, Panovits v. Cyprus, ECHR 2008, no. 4268/04, §8-9.76 X, Action report: Panovits v. Cyprus , www.coe.int/t/dghl/monitoring/execution/Source/Documents/Info_cases/Chypre/Panovits29042011.pdf, 1.77 T.N.B.M. SPRONKEN, “Rechtshulp en advocatuur: een blik van buitenaf” in W. BRUGGEMAN, E. DE WREE, J. GOETHALS, P. PONSAERS, P. VAN CALSTER, T. VANDER BEKEN en G. VERMEULEN, Van pionier naar onmisbaar: over 30 jaar Panopticon, Antwerpen, Maklu, 2009, 269.78 M. HELMANTEL, Salduz en Panovits: nieuwe Europese toetsstenen voor het Nederlandse politieverhoor, onuitg., masterscriptie Rechten, Open Universiteit, 2009-10, http://hdl.handle.net/1820/2540, 31. 19
  • 30. Deze Kamer kan beschouwd worden als een beroepsinstantie binnen het EHRM. Enkel zakendie volgens een college van vijf rechters een kwestie van algemeen belang of een ernstigeinterpretatie- of toepassingskwestie inhouden worden hier behandeld.79 De Grote kamervolgde het eerdere oordeel niet. De rechters wezen, gelijklopend met oudere arresten, op hetbelang van het recht op verdediging. In tegenstellingen tot eerdere rechtspraak verabsoluteerthet Hof dit recht binnen het idee van een fair trial. Het Hof benadrukt de kwetsbare positievan de verdachte in het vooronderzoek en wijst daarom op de noodzaak en wenselijkheid vanvroegtijdige bijstand, als compensatie voor deze kwetsbaarheid. Ook het begrip „toegang totde advocaat‟ krijgt een praktische invulling. De verdachte heeft volgens het EHRM, tenzijgerechtvaardigde dwingende beperkingen, recht op toegang tot een advocaat vanaf het eerstepolitieverhoor. Verklaringen die als cruciaal bewijs tegen een verdachte worden gebruiktmaar afgelegd zijn zonder bijstand, leiden in principe tot een schending van het eerlijk proces.Het Hof concludeerde dat de afwezigheid van een advocaat onherroepelijk Salduz‟verdediging had aangetast.803.4.2. Panovits en EHRMPanovits hekelde bij het Hof dat hij niet persoonlijk geïnformeerd werd over zijn recht opbijstand en dit recht ook niet kon uitoefenen. Het Hof trekt gelijkaardige conclusies als in hetSalduz-arrest. Volgens het Hof rust op de overheid een positieve verplichting om elkeverdachte te informeren over diens rechten en hem toegang te verschaffen tot rechtsbijstand.Er kan enkel sprake zijn van een eerlijk proces indien de verdachte de zaak begrijpt en kandeelnemen. Zelfs tijdens het politieverhoor moet de verdachte beseffen wat er op het spel staaten wat de gevolgen van een verklaring kunnen zijn. De bijstand van een advocaat is vanuitdeze opvatting dan ook cruciaal. De Grote kamer achtte bijgevolg dat zijn recht op een eerlijkproces geschonden werd. Het arrest Panovits plaatsvond na het Arrest Salduz en er nietverwezen werd naar het eerdere arrest, wordt de uitspraak gezien als een bevestiging van hetarrest Salduz.81Opvallend is wel dat het Hof tijdens zijn uiteenzetting uiteenlopende termen voor hetbeschrijven van de rechtsbijstand hanteerde. Dit heeft tot enige onduidelijkheid en discussiesheeft geleid. Op deze problematiek wordt in volgende paragraaf ingegaan.79 C.A.J.M. KORTMANN, Constitutioneel recht, Deventer, Kluwer, 2008, 134-135.80 H.J.B. SACKERS en Y. BURUMA, De kroniek van het strafrecht, Deventer, Kluwer, 2009, 66.81 X, Action report: Panovits v. Cyprus , www.coe.int/t/dghl/monitoring/execution/Source/Documents/Info_cases/Chypre/Panovits29042011.pdf, 1-3. 20
  • 31. 3.5. Bijstand volgens het Hof: Aanwezigheid of consultatie?Het Hof maakt gebruik van de termen „assistance of‟ en „access to‟ in beiden arresten.82 Hetbehandelt de termen door elkaar hoewel ze toch een verschillende inhoud hebben. Dit leidt totdiscussie tussen enerzijds aanhangers van een restrictieve interpretatie en anderzijdsaanhangers van een ruime interpretatie van de Straatsburgse rechtspraak. Bijstand voor deverdachte zou dan kunnen variëren van een persoonlijke of zelfs slechts telefonischeconsultatie voorafgaand aan het verhoor, tot het effectief overleggen met de advocaat tijdenshet verhoor.Daarnaast kan hierdoor de advocaat een uiteenlopende houding aannemen in hetverhoorlokaal. Het kan gaan om een louter passieve aanwezigheid tot een actievetussenkomende rol. Sinds het Salduz-arrest bestaat er binnen deze tweedeling geeneensgezindheid.83 In beide zaken is het onduidelijk hoe het Hof de termen „access‟ en„assistance‟ wilt invullen. Het Hof stelt wel dat de organisatie van de effectieve verdediging inhanden van de Staat zelf ligt. Het Hof beoordeelt enkel of de gebruikte methode voldoet aanhaar vereisten voor een eerlijk proces.84 Artikel 6 lid 3c EVRM bevestigt dit.82 ECHR, Factsheet-Police arrest: Assistance of a lawyer, februari 2011, http://www.echr.coe.int/NR/rdonlyres/1DA09157-E81D-4DAF-A378- 956F2A3BBB79/0/FICHES_Garde_%C3%A0_vue_EN.pdf, 1-3.83 V.S. HUYGEN VAN DYCK-JAGERSMA, “Het arrest Salduz en het recht op bijstand bij politieverhoor”, Nederlands Juristenblad, afl. 12, 27 maart 2009, 603-604.; P.P.J. VAN DER MEIJ, Het EHRM en het recht op toegang tot een raadsman vanaf het eerste politieverhoor: Over de hooggespannen verwachtingen omtrent het aanwezigheidsrecht van de raadsman in het strafrechtelijk vooronderzoek, 2009, https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/1887/13620/2, 10.84 Art. 6, derde lid, c, Verdrag 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.; P.P.J. VAN DER MEIJ, Het EHRM en het recht op toegang tot een raadsman vanaf het eerste politieverhoor: Over de hooggespannen verwachtingen omtrent het aanwezigheidsrecht van de raadsman in het strafrechtelijk vooronderzoek, 2009, https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/1887/13620/2, 10. 21
  • 32. 4. België volgt de Salduz-rechtspraakDe lidstaten van de Raad van Europa staan onder het toezicht van het EHRM en moeten dushun eigen rechtssysteem conform haar rechtspraak aanpassen.85 Ook de druk op België namdankzij de arresten geleidelijk toe. België wist in 2010 in de zaak Bouglame tegen België dedans te ontspringen en werd nog nooit veroordeeld door het Hof voor een inbreuk op artikel 6EVRM.86 De bijstandsregeling die België voorziet werd door het Hof als voldoendebestempeld in deze zaak. Wel had het Hof bedenkingen bij de Belgische rechtspraak, namelijkmet betrekking tot het nadien herstellen van schade aan de rechten van de verdediging.Ondanks de vrijspraak hield dit arrest een belangrijke waarschuwing in, een gelijkaardigeregeling van de Franse wetgever werd datzelfde jaar wel veroordeeld. 87 Naast dezewaarschuwing, toonde de meer dan 70 arresten die het EHRM sinds het Salduz-arrest geveldheeft dat het Hof het recht op een eerlijk proces een belangrijke waarde toekent en hier strengop toeziet. De arresten bevestigden, verklaarden en breidden stuk voor stuk de Salduz-rechtspraak uit.88 Tijd dus voor België om de nodige stappen te ondernemen.Op 16 juni 2011 werd uiteindelijk, na veel amendementen en ondanks enkele tegenstemmenen onthoudingen, ook in België het Salduz-wetsontwerp door een meerderheid in de Kameraangenomen. De wet moet nog een laatste keer teruggestuurd worden naar de Senaat, maarzal uiterlijk op 1 januari 2012 van kracht gaan.89 De Salduz-wet zal voor verdachten eenaantal garanties inhouden.4.1. De Salduz-wetHet wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli1990, kortweg de Salduz-wet, vervangt paragraaf zes van art. 47bis Sv. De nieuwe paragraafstelt dat er geen veroordeling kan worden uitgesproken die enkel gebaseerd is opverklaringen, die werden afgelegd in strijd met de paragrafen twee, drie en vijf van dit artikel.Dankzij deze wijziging komt volgens minister van Justitie, Stefaan De Clerck, het artikel85 P.A.M. MEVIS, Capita Strafrecht: een thematische inleiding, Nijmegen, Ars aequi libri, 2009, 860.86 EHRM, Bouglame v. Belgium, ECHR 2010, 16147/08.87 J. STEVENS, Orde van de vlaamse Balie: Standpunt, 26 januari 2011, www.advocaat.be/UserFiles/file/salduz/standpunt%20Salduz.pdf, 4-5.88 J. STEVENS, Orde van de vlaamse Balie: Standpunt, 26 januari 2011, www.advocaat.be/UserFiles/file/salduz/standpunt%20Salduz.pdf, 1.89 S. DEGREEF, “Inwerkingtreding Salduz-wet uitgesteld om callcenter voor politie op te zetten”, Nieuws Polinfo, 13 juli 2011, www.polinfo.be/secure/DocumentView.aspx?id=VS201322912.; Verslag 15 juli over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279012, http://www.dekamer.be/FLWB/pdf/53/1279/53K1279012.pdf. 22
  • 33. tegemoet aan de kern van het Salduz-arrest: Een veroordeling kan niet worden uitgesprokenop basis van een verklaring die werd afgelegd zonder dat de mogelijkheid werd gegeven totvoorafgaandelijk vertrouwelijk overleg en bijstand van een advocaat. Bij dergelijke strijdigeverklaringen kan een veroordeling wel mits er andere bewijselementen zijn. Wanneer demeerderjarige persoon in een schriftelijk gedateerd en ondertekend document heeftaangegeven van dit recht afstand te doen, is zijn verklaring wel rechtsgeldig.90Het gewijzigde artikel 47bis Sv. omschrijft het recht op bijstand door een advocaat voor deverdachte enerzijds uitvoerig, maar beperkt dit recht tot het eerste verhoor omwille van dekwetsbare en eventueel emotioneel onstabiele positie. In onderstaande alinea worden enkelebepalingen die relevant zijn voor het vooronderzoek besproken.Paragraaf één omschrijft de regels die gerespecteerd moeten worden genomen bij hetverhoren. Bij aanvang van ieder verhoor wordt een beknopte mededeling van de feiten,waarover de persoon zal worden verhoord, gegeven. Daarnaast moet aan de verdachtemedegedeeld worden dat hij mag vragen de gestelde vragen en antwoorden in de gebruiktebewoording te noteren en bepaalde opsporingshandelingen of verhoren te doen uitvoeren.Ook moet hij verwittigd worden dat zijn verklaring als bewijs in rechte kan worden gebruikten dat hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen.91Paragraaf twee voorziet bovendien de verplichting mee te delen dat men de keuze heeft omeen verklaring af te leggen, vragen te beantwoorden of te zwijgen. Ook moet hij op de hoogteworden gebracht van zijn recht om vóór het eerste verhoor een vertrouwelijk overleg teplegen met een advocaat naar keuze of een toegewezen advocaat. Indien de financiëledraagkracht van de ondervraagde het vereist, kan er (gedeeltelijke) kosteloze juridischetweedelijnsbijstand worden voorzien. De elementen uit beide paragrafen dienen in het proces-verbaal te worden opgenomen.9290 Verslag 15 juli over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279012, http://www.dekamer.be/FLWB/pdf/53/1279/53K1279012.pdf, 3.91 Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279013, http://www.dekamer.be/FLWB/pdf/53/1279/53K1279013.pdf, 3.92 Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279013, http://www.dekamer.be/FLWB/pdf/53/1279/53K1279013.pdf, 3-4. 23
  • 34. Paragraaf vier stelt dat deze rechten voor het verhoor in een schriftelijke moeten wordenoverhandigd.93 Tot slot bepaalt paragraaf zeven dat de advocaat verplicht is totgeheimhouding van de informatie waarvan hij kennis krijgt door het verlenen van bijstand.Indien hij de geheimhoudingsplicht schendt, wordt hij gestraft met de door artikel 458 van hetStrafwetboek bepaalde straffen.94 Gezien de bijstandsregeling moet worden ingepast in determijn van 24 uur, is deze gedetailleerd georganiseerd: De advocaat krijgt twee uur om ophet politiebureau te verschijnen, vervolgens kan hij gedurende een half uur vertrouwelijkoverleg plegen met zijn cliënt. Tijdens het verhoor zelf mag de advocaat in de verhoorruimteaanwezig zijn maar moet hij een passieve houding aannemen. Hij mag er enkel op toezien datde verdachte zichzelf niet moet beschuldigen, er geen dwang plaatsvindt en dat het verhoorwettig verloopt. De algemene regel is dat de advocaat zwijgt gedurende het verhoor: Enkel bijschendingen mag hij dit melden en indien er een nieuw feit aan het licht komt mag hetverhoor een kwartier onderbroken worden voor overleg. Slecht in uitzonderlijke gevallen kande procureur beslissen om de regels tijdelijk niet toe te passen of de aanhoudingstermijn tot 48uur te verlengen. 954.2. Kritieken vanuit het politiewezenDe goedkeuring van bovenstaande Salduzwet wordt in de media als een van de belangrijkstestrafrechtelijke hervormingen in vijftig jaar beschreven. Men verwacht dat deze hervormingdan ook voelbare gevolgen zal hebben voor het politiewezen. Momenteel is er echter weinigonderzoek naar deze impact beschikbaar. De advocatuur ijvert al jaren voor een invoering,maar vanuit het politiewezen regent het waarschuwingen sinds de goedkeuring van hetvoorstel.Commissaris-generaal van de federale politie, Paul Van Thielen, stelt dat de Salduz-wethandenvol geld zal kosten. De nieuwe wet vereist immers extra personeel en kamers waar de93 Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279013, http://www.dekamer.be/FLWB/pdf/53/1279/53K1279013.pdf, 5.94 Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279013, http://www.dekamer.be/FLWB/pdf/53/1279/53K1279013.pdf, 5.95 Verslag 8 juni over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279005, http://www.dekamer.be/doc/flwb/pdf/53/1279/53k1279005.pdf, 8-9. 24
  • 35. advocaat en zijn cliënt discreet kunnen overleggen, waardoor infrastructuurwerken zichopdringen in verscheidene zones. Daarnaast waarschuwt hij voor tijdsverlies en langereminder spontane verhoren aangezien men moet wachten op de advocaat, diens voorafgaandoverleg en eventuele time-outs tijdens het verhoor. De politie vreest niet enkel voor het hoogkostenplaatje maar ook voor minder blauw op straat in de kleinere politiezones. Eén teamblijft immers belast voor de tijd dat de advocaat ter plaatse komt.96 Ook de lokale politiekampt met vragen en vreest praktische moeilijkheden zoals het waarborgen van de veiligheid,de organisatie van een verhoor met tolken, de kostprijs, enzovoort. Daarom is er volgens LeoMares, korpschef van de politiezone Beveren, en Eric Wauters, adjunct-secretaris van deVaste Commissie van de lokale politie, een absolute nood aan een duidelijk wetgevend kadermet voldoende aandacht voor heldere en praktische procedureregels.974.3. Voorgestelde alternatievenHet traject dat de Salduz-wet heeft afgelegd, bewijst eveneens dat de aanname ervan geensinecure was. Reeds in het voorjaar van 2009 vond een schriftelijke consultatieronde plaatsmet de betrokken actoren en werden wetsvoorstellen ingediend. In januari en april 2010volgden twee rapporten van een studie die de precieze draagwijdte van het Salduz-arrest engelijkaardige arresten trachtte in te schatten. Deze informatie werd ter bespreking aan deSenaat voorgelegd. Eind augustus van datzelfde jaar vond, omwille van de vele bedenkingen,een overleg plaats tussen de actoren. De standpunten bleken erg uiteenlopend, de nood naarwetgeving drong zich op maar de val van de regering dreigde roet in het eten te gooien.98Het College van procureurs-generaal nam daarom het initiatief en trachtte met tweecirculaires het rechtslandsschap te redden. Het audiovisueel verhoor (AVV) wordt hier eeneerste maal als mogelijke waarborg voor een eerlijk proces aangehaald.99 De COL 7/2010 van96 X., “Van Thielen uit kritiek op salduz-wet”, Het Nieuwsblad, 30 maart 2011, http://www.nieuwsblad.be/article/detail.aspx?articleid=DMF20110330_023; X., “Nieuwe Salduz-wet zal 16 miljoen kosten”, De Redactie, 18 juni 20011, http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/binnenland/1.104724997 Verslag 8 juni 2011 over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279005, http://www.dekamer.be/doc/flwb/pdf/53/1279/53k1279005.pdf, 96-100.98 Verslag 8 juni 2011 over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279005, http://www.dekamer.be/doc/flwb/pdf/53/1279/53k1279005.pdf, 4-5.99 K. VAN CAUWENBERGHE, “Bijstand van een advocaat bij het eerste verhoor: Kan een COL het rechtslandschap redden?”, Vigiles, 2010, afl. 4, 157-160. 25
  • 36. 4 mei 2010 spreekt echter over een nijpend tekort aan infrastructuur voor video-opnames. Hetgeeft in afwachting van een beslissing van de wetgever daarom de volgende richtlijn: Erwordt een video-opname met geluidsopname van het eerste verhoor gemaakt indien het gaatom ernstige misdrijven, met voorrang voor de levensbeëindigende en de niet-correctionaliseerbare misdaden. De verdachte wordt vooraf geïnformeerd dat ter controle vanhet verloop van het verhoor is.100 Op 14 juli 2010 volgde COL 15/2010, die de eersteomzendbrief verduidelijkt en wijzigt. Deze circulaire beklemtoont dat de richtlijn tot opnamebedoeld was om het eerlijk proces te waarborgen binnen de bestaande wetgeving en met demiddelen die voorhanden zijn. Hoewel het problematisch lijkt, stelt deze circulaire dat hetverhoor volledig geregistreerd moet worden.101 Het initiatief van het College van procureurs-generaal lijkt tevergeefse moeite en zorgde voor bijkomende vragen vanuit het werkveld. Hetis uiteindelijk wachten tot midden juni 2011 op verduidelijking van de wetgever. Na tal vanhoorzittingen en amendementen in de Senaat en de Kamer werd de Salduz-wet alsnogaangenomen.102Uit de voorbereidende werken blijkt dat het AVV ook door verschillende partijen in hunamendementen als aanvulling of alternatief voor de Salduzvoorschriften vooropgesteld werd.Zo vond Bert Schoofs (Vlaams Belang) de audiovisuele opname een voldoende alternatiefvoor de aanwezigheid van de advocaat tijdens het verhoor. Volgens hem heeft het EuropeesParlement die alternatieve oplossing immers al in 2003 voorgesteld en is in onze Westerse,democratische samenleving verplichte bijstand volgens hem overbodig. De N-VA toont zichook voorstander van een veralgemening van het videoverhoor maar eerder als eenaanvullende maatregel.103 Ecolo en Groen! vonden het audiovisueel verhoor vooral een nuttigalternatief bij afwezigheid van de advocaat maar achtten een volledige transcriptie100 Omzendbrief nr. COL 7/2010 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep betreffende de bijstand van een advocaat bij het eerste politionele verhoor van een verdachte gelet op de recente rechtspraak van het EHRM, 14 mei 2010.101 Omzendbrief nr. COL 15/2010 Addendum bij de COL 7/2010 betreffende de bijstand van een advocaat bij het eerste politionele verhoor van een verdachte gelet op de recente rechtspraak van het EHRM, 14 juli 2010.; K. VAN CAUWENBERGHE, “Bijstand van een advocaat bij het eerste verhoor: Kan een COL het rechtslandschap redden?”, Vigiles, 2010, afl. 4, 157-160.102 Verslag 15 juli over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279012, http://www.dekamer.be/FLWB/pdf/53/1279/53K1279012.pdf, 3.103 Amendementen bij het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van het Wetboek van strafvordering, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen die van zijn vrijheid wordt beroofd rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279003 http://www.dekamer.be/FLWB/PDF/53/1279/53K1279003.pdf, 32-33. 26
  • 37. noodzakelijk.104 Men baseerde zich hiervoor op het advies van de Hoge Raad: Die stelt dat ditde meest geschikte manier is om betwistingen over het verloop van het verhoor en de invloedvan de advocaat tijdens dit verhoor uit te klaren.105Ondanks de verscheidene argumenten werden deze amendementen niet aangenomen. Deminister van Justitie verklaarde dat de opname van het verhoor momenteel irrealistisch is,vanwege budgettaire en praktische hindernissen. Wel benadrukte hij dat de audiovisueleregistratie als mogelijke oplossing voor in de toekomst kan worden overwogen. 106 In volgendhoofdstuk wordt op dit alternatief ingegaan.104 Amendementen bij het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van het Wetboek van strafvordering, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen die van zijn vrijheid wordt beroofd rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279003, http://www.dekamer.be/FLWB/PDF/53/1279/53K1279003.pdf, 33-34.105 Hoge Raad voor de Justitie, Advies over het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 1 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, teneinde op het moment van de aanhouding nieuwe rechten toe te kennen aan de persoon die van zijn vrijheid is benomen, 24 juni 2009, http://www.csj.be/FR/acti/..%5C..%5Cdoc%5Cadvice%5CAvis240609.pdf, 11.106 Verslag 8 juni over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279005, http://www.dekamer.be/doc/flwb/pdf/53/1279/53k1279005.pdf, 36-37. 27
  • 38. 5. Het verhoorIn dit hoofdstuk zal in de eerste plaats het standaardverhoor beschreven worden. Vervolgenszal kort worden ingezoomd op verschillende variaties van het klassieke verhoor, zoals deaudiovisuele en auditieve opname en het audiovisueel verhoor. Op deze laatste vom zal totslot dieper worden ingegaan5.1. Het klassieke verdachtenverhoorSinds de wet Franchimont is het begrip „verhoor‟ juridisch onduidelijk. Hoewel het verhoorbij uitstek de meeste gebruikte techniek bij het politioneel onderzoek en vaak de rode draadvan de waarheidsvinding vormt, is het verhoor tot op heden niet eenduidig gedefinieerd.107 Inde rechtsleer bestaan momenteel tal van omschrijvingen: Of een situatie al dan niet als eenverhoor mag beschouwd worden is dan ook afhankelijk van de gehanteerde definitie.108 Involgende alinea worden enkele beschrijvingen aangehaald.Het verhoor kan enerzijds ruim omschreven worden. Hutsebaut benadrukt de dwangmatigecontext. Hij beschrijft het verhoor als een vorm van dwangcommunicatie waarbij de regie inhanden ligt van de politieambtenaar en er een duidelijk machtsonderscheid geldt.109 ZowelHutsebaut als Traets definiëren het verhoor als een vraaggesprek, maar Traets eist bijkomenddat het een vraaggesprek betreft waarvan het doel is de waarheid te achterhalen door hetverzamelen van relevante informatie.110 Zowel Bockstaele als Verstraeten sluiten zich hierbijaan. Ook zij spreken over een doelgericht vraaggesprek waarbij het initiatief ligt bij deverbalisant die informatie tracht te verzamelen over het misdrijf. Verstraeten beklemtoontdaarnaast dat de verhoorde persoon wel persoonlijk instaat voor zijn verklaringen. 111Een ander uitgangspunt is de hoedanigheid van de verbalisant. Huybrechts volgtbovenstaande definities maar stelt dat er slechts sprake is van een verhoor indien deverhoorder bevoegd is om een proces-verbaal op te stellen binnen het kader van eenstrafonderzoek.112107 M. BOCKSTAELE, Handboek verhoren 1, Antwerpen, Maklu, 2008, 17.108 F. GOOSENS, Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 411.109 F. HUTSEBAUT, “Het wettelijk en jurisprudentieel kader inzake het politieverhoor” ” in S. VAN ELCHINGEN (ed.), Het politieverhoor, Kessel-Lo, Centrum voor politiestudies, 1999, 43.110 F. GOOSENS, Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 411.111 F. GOOSENS, Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 412.112 F. GOOSENS, Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 412-413. 28
  • 39. Andere definities benadrukken dan weer het eindproduct: Decoux stelt dat men pas kanspreken over een verhoor indien een proces-verbaal geacteerde verklaring wordt opgesteld diemeestal het resultaat is van een vraaggesprek en als bewijs gebruikt kan worden.113De definities uit de rechtsleer leggen verschillende klemtonen maar vertonen duidelijkgelijkenissen. De rechtsleer is echter niet de enige bron, daarnaast kan ook de rechtspraak hetbegrip „verhoor‟ verduidelijken. Zo kan de visie van het EHRM afgeleid worden uit diensrechtspraak. Het EHRM blijft vrij beknopt in haar definiëring van het begrip verhoor: “Het verhoor bestaat uit nuttige vragen, toegespitst op de verdenkingen: een screening proforma maakt deel uit van het verhoor. Vragen naar privé- aangelegenheden lijken alleen te kunnen, mits er hiervoor een wettelijke basis voorhanden is en mits voldaan is aan de overige voorwaarden van artikel 8, lid 2 EVRM.”114Het is opvallend dat het EVRM geen verhoorverplichting oplegt. De Europese Code inzakeethiek van de politie stelt dat deze verplichting enkel geldt wanneer er een redelijk en wettigvermoeden bestaat dat er een misdrijf is gepleegd of zal gepleegd worden.115Er bestaat bijgevolg geen uniforme definitie van het verhoor, maar uit alle bestaandedefinities, zowel deze uit de rechtsleer als de rechtspraak, kunnen een aantal karakteristiekenafgeleid worden: Het verhoor moet in de eerste plaats gebeuren door middel van een gesprekwaarvan de leiding in handen is van een bevoegde ondervrager, de locatie is niet van belang.Er is ook sprake van een vorm van dwangcommunicatie. Bijkomend moet een verhoorzaakgericht zijn en de bewijsverzameling in het kader van het strafonderzoek als doel hebben.Ten slotte moet het verhoor leiden tot een proces-verbaal.1165.2. Relevante artikels voor het vooronderzoekOndanks de afwezigheid van een uniforme definitie, is het verhoor toch een belangrijkepolitionele bevoegdheid en dient dus wettelijk geregeld te zijn. Er bestaat in de wet, metuitzondering van art 16 van de Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis,113 F. GOOSENS, Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 412-413.114 F. GOOSENS, Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 478.115 Raad van Europa, The European Code of Police ethics, Com.Min., REC(2001)10, 19 september 2001, http://polis.osce.org/library/f/2687/500/CoE-FRA-RPT-2687-EN- European%20Code%20of%20Police%20Ethics.pdf.116 F. GOOSENS, Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 416. 29
  • 40. geen verplichting om over te gaan tot het verhoor van een verdachte. 117 Het verhoor tijdenshet opsporingsonderzoek wordt geregeld in de artikels 28quinquies en 47bis Sv.118Uit beide artikels kunnen enkele criteria afgeleid worden om te bepalen of een situatie onderde toepassing van deze artikels vallen. Ten eerste moet het gesprekken met een bepaalde duurbinnen een opsporingsonderzoek betreffen. Daarnaast dienen zowel de verhoorde alsverhoorder gelijktijdig op dezelfde locatie aanwezig te zijn. Een proces-verbaal moetopgesteld worden en de verdachte moet zich door middel van een handtekening binden aanzijn verhoor. Ten slotte kan dit verhoor gebruikt worden als een bewijs in rechte en dient ditmeegedeeld worden aan de verdachte.119 Indien de situatie voldoet aan bovenstaande criteria,wordt het geregeld door artikels 28quinquies en artikel 47bis Sv.Artikel 28quinquies beschrijft in haar tweede paragraaf de verplichting tot het vermelden vanhet recht op een kopie van het verhoor. De ondervraagde heeft hier kosteloos recht op indienhij dit zelf vraagt. De overhandiging moet binnen één maand plaats vinden, bij uitzonderingkan deze termijn uitgesteld worden met een eenmalig hernieuwbare termijn van hoogstensdrie maanden.120 De eerste paragraaf beklemtoont het gesloten karakter van hetopsporingsonderzoek. Het onderzoek verloopt geheim, tenzij bij wettelijke uitzondering.121Artikel 47bis bevat vijf minimumregels waaraan het verhoor, ongeacht de hoedanigheid vande te verhoren persoon, moet voldoen.122 Zo moet bij de aanvang van het verhoor demededelingen omschreven in lid één, a tot c, worden gedaan. Men moet meedelen dat deverklaringen als bewijs in rechte kunnen gebruikt worden en dat de ondervraagde kan vragenom het gezegde te noteren in de gebruikelijke bewoordingen of bepaaldeopsporingshandelingen of verhoren te doen verrichten.123Daarnaast mag de ondervraagde volgens het tweede lid gebruik maken van alle documentenin zijn bezit, op voorwaarde dat het verhoor hierdoor niet uitgesteld wordt. Lid drie bepaaltdat het proces-verbaal het tijdsverloop van het verhoor nauwkeurig moet weergeven, alsookde identiteit van aanwezige personen en andere omstandigheden die een bijzonder licht117 M. BOCKSTAELE, Handboek verhoren, Antwerpen, Maklu, 2008, 17.; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2007, 269.118 Art. 28quinquies Sv.; Art. 47bis Sv.119 M. BOCKSTAELE, Handboek verhoren, Antwerpen, Maklu, 2008, 47-52.120 M. BOCKSTAELE, Handboek verhoren, Antwerpen, Maklu, 2008, 60.121 M. BOCKSTAELE, Handboek verhoren, Antwerpen, Maklu, 2008, 61.122 D. VAN DAELE, E. SCHROYEN, J. STEYVERS, F. GOOSENS en F. HUTSEBAUT, Het Belgische politiewezen: wetgeving, beleid en literatuur, Mechelen, Kluwer, 2011, 59.123 Art. 47bis Sv. 30
  • 41. kunnen werpen op de verklaring. De ondervraagde mag vragen of het proces-verbaal aan hemwordt voorgelezen of hij het zelf kan lezen. Tenslotte kan een ondervraagde ofwel beroepdoen op een beëdigde tolk, ofwel zijn verklaringen in zijn taal laten noteren, ofwel deverklaring zelf noteren.124 Deze opsomming is echter niet limitatief, de woorden „ten minste‟in het artikel doen dit uitschijnen.1255.3. Andere vormen van verhorenHet verhoor zoals het in bovenstaande alinea werd beschreven is echter niet de enigeondervragingsmethode. Het sterke geloof in de betrouwbaarheid en validiteit van hetklassieke verhoor is recentelijk herhaaldelijk aangetast, waardoor de vraag naar andereverhoormethodieken, zoals de verplichte audiovisuele registratie, groeien.126 Hoewel determen „audiovisuele opname van het verhoor‟ en „audiovisueel verhoor‟ vaak in een ademworden vernoemd, zijn er toch verschillen.De audiovisuele opname van het verhoor wordt niet gedefinieerd in de wet, toch wordt metdeze opname niet hetzelfde bedoeld als het AVV. De audiovisuele opname vindt plaatsbinnen een klassiek verhoor. De verklaring wordt dus uitgetypt in de verhoorruimte tijdens deondervraging. Een auditieve opname houdt daarentegen enkel de geluidsopname opaudiocassettes in.127 Bij het audiovisueel verhoor of videoverhoor vindt het neertypen pasplaats na het verhoor. Hiervoor baseert men zich dan op de opname van het verhoor. 128 Indeze uiteenzetting wordt met de termen „audiovisuele registratie of opname‟ het audiovisueelverhoor, zoals het in de volgende alinea wordt omschreven, bedoeld.5.4. Het Audiovisueel verhoorHet gebruik van audiovisuele media tijdens het verhoor wordt geregeld door twee wetten uit2000 en 2002, maar krijgt reeds voet aan de grond in 1979 dankzij een arrest van het Hof vanCassatie.129 Op 17 augustus 1979 besliste het Hof dat het beluisteren ter zitting van door depolitie op magnetische band opgenomen verklaringen het beginsel van de mondelinge124 Art. 28quinquies Sv.125 F. GOOSENS, Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 409.126 F. MULLENERS, “Het debat geopend”, Orde van de dag, 2009, afl. 45, 3.127 N. SIRON, G. VERMEULEN, B. DE RUYVER en P. TAERTS, Bescherming en samenwerking met getuigen, Antwerpen, Maklu, 2000, 126.128 D. VANDAELE, Actuele thema‟s uit het strafrecht en de criminologie, Leuven, University Press, 2004, 153.129 B. CLAES, (Audio)visuele opname van het verhoor, onuitg., masterscriptie Rechten, KU Leuven, 2008-09, 4. 31
  • 42. behandeling niet schendt. Dankzij dit arrest werd de deur opengezet voor een systematischergebruik van audiovisuele media tijdens het vooronderzoek.1305.4.1. WetsbepalingenDe wet van 28 november 2000 regelt met invoeging van artikels 92 tot en met 101 Sv. Devideoverhoren van minderjarigen.131 Toch gebeuren deze verhoren in België al sedert 1996.Het AVV van volwassenen werd pas enkele jaren later toegepast en wordt dankzij de wet van2 augustus 2002 geregeld in het wetboek van Strafvordering onder hoofdstuk VIIquater:„Afnemen van verklaringen met behulp van audiovisuele media‟, meerbepaald in afdeling II„de audiovisuele opname en dan auditieve opname van het verhoor‟. Artikel 112ter behandeltdeze verhoormethode.Beide wetten zijn echter niet gekenmerkt door coherentie of logica, noch zijn ze sterkonderbouwd. Uit de voorbereidende werken blijkt dat men vooral aandacht besteedde aan hetverhoor op afstand en niet aan het AVV zelf. Daarnaast verschilt de regeling met betrekkingtot minderjarigen op verscheidene punten met deze voor meerderjarigen. Zo is hetvideoverhoor van volwassenen in tegenstelling tot deze van minderjarigen ratione materiaeniet beperkt. Daarnaast kan het zowel voor slachtoffers en getuigen als voor verdachten,deskundigen etc. bevolen worden.132 De wet van 2000 moet daarom als lex specialis tenopzichte van de wet van 2002 beschouwd worden.133 In het kader van dit onderzoek zalworden ingegaan op de wetsbepalingen met betrekking tot het videoverhoor vanmeerderjarige verdachten.5.4.2. Artikel 112ter StrafvorderingArtikel 112ter Sv. spreekt over „de audiovisuele opname van een verhoor‟ waarbij detranscriptie van het opgenomen materiaal ná het verhoor plaatsvindt. Hieruit kan men afleidendat dit artikel dus betrekking heeft op het audiovisueel verhoor of videoverhoor.De eerste paragraaf stelt dat, in het geval van een opsporingsonderzoek, de procureur desKonings (PDK) de audiovisuele opname kan bevelen. Er gelden geen beperkingen met130 Cass. 17 augustus 1979, J.T. 1980, 104-105, noot NUDELHOLE.131 Wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, B.S. 17 maart 2001.132 D. VAN DAELE, “Recente ontwikkelingen inzake de wettelijke regeling van het verhoor in strafzaken” in D. VAN DAELE en I. VAN WELZENIS (eds.), Actuele thema‟s uit het strafrecht en de criminologie, Leuven, Universitaire Pers, 2004, 136.133 B. CLAES, (Audio)visuele opname van het verhoor, onuitg., masterscriptie Rechten, KU Leuven, 2008-09, 6. 32
  • 43. betrekking tot het soort misdrijf of de hoedanigheid van de te horen persoon.134 Debetreffende politiedienst kan dus niet autonoom beslissen om dergelijk videoverhoor af tenemen, eveneens adviseert het College van procureurs-generaal om overleg te plegen alvorensdergelijk verhoor te vorderen. Bij de beslissing wordt rekening gehouden met de meerwaardedie het AVV kan bieden in de specifieke situatie en de capaciteiten van de politiedienst quapersoneel en budget. 135De te horen persoon moet, in tegenstelling tot de regeling voor minderjarigen, niet zijntoestemming verlenen, maar dient wel op voorhand in kennis te worden gesteld van het beveltot opname.136 De Raad van State beschouwt dit als een waarborg voor de rechten van deverdediging: Een voorafgaande mededeling maakt de betrokkene bewuster van het belang vanhet verhoor en de opname van zijn getuigenis.137 De verdachte kan bovendien hetaudiovisuele verhoor weigeren. Er is geen reden vereist, maar de weigering wordt welopgenomen in het proces-verbaal. Indien het audiovisueel verhoor toch kan plaatsvinden,wordt het volgens paragraaf twee verricht door de PDK of door een aangewezenpolitieambtenaar.138Paragraaf drie bepaalt dat na het verhoor een proces-verbaal moet worden opgesteld. De wetvoorziet niet binnen welke tijdspanne dit moet gebeuren, maar met het oog op de rechten vande verdediging wordt dit idealiter zo snel mogelijk opgesteld.139 Het proces-verbaal moet debelangrijkste elementen, relevante passages en de reden van het opnamebeval bevatten envoldoen aan de vereisten in artikel 47bis Sv.140 De letterlijke en volledige overschrijving vanhet verhoor is tijdrovend en wordt enkel uitgevoerd indien dit verzocht wordt door de PDK,de verdachte of andere betrokken partijen.141134 Art. 112ter Sv.135 Omzendbrief nr. COL 7/2010 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep betreffende de bijstand van een advocaat bij het eerste politionele verhoor van een verdachte gelet op de recente rechtspraak van het EHRM, 14 mei 2010.136 Art. 112ter, §1 Sv.137 F. GOOSSENS, “De audiovisuele registratie van het verhoor van meerderjarigen tijdens het onderzoek in strafzaken: van een wettelijke mogelijkheid naar een wettelijke verplichting? Een aanzet tot discussie” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, Mechelen, Kluwer, 2009, afl. 45, 7.138 Art. 112ter, §2 Sv.139 D. VAN DAELE, “Recente ontwikkelingen inzake de wettelijke regeling van het verhoor in strafzaken” in D. VAN DAELE en I. VAN WELZENIS (eds.), Actuele thema‟s uit het strafrecht en de criminologie, Leuven, Universitaire Pers, 2004, 137.140 Art. 112ter, §3 Sv.141 Art. 112ter, §4 Sv. 33
  • 44. Uit paragrafen vijf en zes kan afgeleid worden dat het verhoor in tweevoud moet wordenopgenomen. Deze opnames worden bij de griffie als overtuigingsstuk neergelegd enbeschouwd als originelen. Enkel de personen die beroepshalve betrokken zijn bij het dossier,de andere partijen in het geding en de ondervraagde mogen de opname bekijken. Tot slotbepaalt artikel 112ter, §7 Sv. dat het afspelen van de opname op de zitting gelijkgesteld wordtmet het voorlezen van een schriftelijke verklaring van een getuige.142Hoewel het politieverhoor beschouwd wordt als de spil van het strafproces en strafdossiersvaak in grote mate bestaan uit de verhoorverslagen, zijn de voorschriften uit dit artikel nietvoorgeschreven op straffe van nietigheid.143 De interpretatie van het eerlijk verloop van eenproces wordt zoals door het EHRM in zijn geheel beoordeeld.5.5. De meerwaarde van het audiovisueel verhoorHoewel het Belgisch rechtssysteem met de invoering van de wet Franchimont bijkomendebeschermingsmaatregelen voor de verdachte heeft ingevoerd, kan het audiovisueel verhooreen extra garantie bieden voor een eerlijk proces.144 De audiovisuele registratie kent in landenmet een accusatoire procedure reeds een lange traditie en wordt er veelvuldig toegepast. Uitliteratuur en praktijkonderzoek blijkt dat ook in inquisitoire landen zoals Engeland hetaudiovisueel verhoor een eigen plaats heeft ingenomen.145 Hoewel ook hier in het begin veelweerstand bestond, zijn de ervaringen bij de politieambtenaren overwegend positief.146 Deopname door middel van een videocamera in de verhoorkamer biedt immers een aantalvoordelen.5.5.1. Voordelen voor de politiedienstDe geluids- en beeldopname van een gesprek wordt geacht informatiever en indringender tezijn dan het simpel noteren van het verhoor.147 Zo kan de opname in de bewijsvoering142 D. VAN DAELE, “Het afnemen van verklaringen met behulp van audiovisuele media: een commentaar bij de wet van 2 augustus 2002”, Tijdschrift voor Strafrecht, 2003, 50-51.143 P. TRAEST, “De bewijswaarde van het politieverhoor” in S. VAN ELCHINGEN (ed.), Het politieverhoor, Kessel-Lo, Centrum voor politiestudies, 1999, 129.144 K. VANCAUWENBERGHE, “Omwenteling in het strafrechtlandschap nog niet voor morgen of toch?” De Juristenkrant, afl. 182, 14 januari 2009, 12.145 Police and Criminal Evidence Act: Codes of practice, Code F, 1984, http://www.homeoffice.gov.uk/publications/police/operational-policing/pace-codes/pace-code- f?view=Binary.146 F. GOOSSENS, “De audiovisuele registratie van het verhoor van meerderjarigen tijdens het onderzoek in strafzaken: van een wettelijke mogelijkheid naar een wettelijke verplichting? Een aanzet tot discussie” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, afl. 45, 10.147 J. NAEYE, “Video-opnamen bij verdachtenverhoor”, Algemeen politieblad, 1997, 8. 34
  • 45. gebruikt worden tijdens de terechtzitting. Het kan zowel de rechter als eventueel de jury eenbeeld geven van de verdachte en het verloop van het verhoor. Ook tijdens het vooronderzoekbiedt de opname mogelijkheden voor de politiedienst. Dankzij de opname kunnendeskundigen een analyse uitvoeren van het gedrag van de verdachte tijdens het verhoor, zoalsstemveranderingen, aarzelingen, gezichtsuitdrukkingen, houdingen of bewegingen. Het biedtook een beter zicht op de situatie en de persoonlijkheid van de verdachte aan de rest van hetpolitieteam die het verhoor niet konden bijwonen. 148Daarnaast biedt de eventuele opvolging vanuit de regiekamer de mogelijkheid via richtlijnenhet verhoor te sturen of te wijzen op tegenstrijdigheden. Bij onduidelijkheden of nieuweinformatie kan het verhoor op een later tijdstip herbekeken en geanalyseerd worden.149Doordat de registratie van het verhoor op een later tijdstip plaatsvindt, kan depolitieambtenaar zijn volledige aandacht richten op de inhoud en richting van het gesprekzelf. De latere verslaggeving kan daarenboven op deze manier met precisie en oog voor detailgebeuren.150 De nauwkeurige registratie van bepaalde details over de feiten, die enkel dedader kan weten, kan op deze manier voorkomen dat de verdachte in een latere fase zijnbekentenis wilt intrekken. Tot slot hebben de video-opnames ook een didactische waardetijdens de politieopleiding. Het biedt de kans aan de verhoorders om zichzelf of collega‟s tebestuderen en zo hun verhoorcompetenties te versterken.1515.5.2. Voordelen voor de verdachteHet videoverhoor biedt echter niet enkel voordelen voor de politiedienst maar kan ook eenpositieve invloed uitoefenen op de positie van de verdachte. Tijdens het verhoor moet depolitieambtenaar geen notities maken, hierdoor kan de ondervraagde zijn verklaringononderbroken brengen en wordt het risico op een foute samenvatting door de verhoordergeminimaliseerd.152 Daarnaast worden niet enkel de antwoorden van de verdachtegeregistreerd, maar ook de vraagstelling en de omstandigheden waarin het verhoorplaatsvond. Dit kan de verdachte beschermen tegen misleidingen, dwang en andereongeoorloofde verhoortechnieken.153 Het feit dat de opname door magistraten, juryleden,148 M. BOCKSTAELE, Handboek verhoren 2, Antwerpen, Maklu, 2009, 243.149 M. BOCKSTAELE, Handboek verhoren 2, Antwerpen, Maklu, 2009, 240-241150 L.CLAEYS en B. COOLS, “Audiovisueel verhoor van kinderen”, in G. VERMEULEN (ed.), Strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, Antwerpen, Maklu, 2001, 553.151 M. BOCKSTAELE, Handboek verhoren 2, Antwerpen, Maklu, 2009, 241-243.152 J. MAES, “Pleidooi voor de demystificatie van de verhoorkamer” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, afl. 45, 38-39.153 D. VAN DAELE, “Het afnemen van verklaringen met behulp van audiovisuele media: een commentaar bij de wet van 2 augustus 2002, Tijdschrift voor Strafrecht, 2003, afl. 4, 52. 35
  • 46. rechters en advocaten kan bekeken worden stimuleert de verhoorders om het verhoorvoorbereid en volgens de regels uit te voeren.154 Dankzij de beeld- en geluidsopname kanimmers controle uitgevoerd worden of geschillen over het verhoor beslecht worden. Dezemogelijkheden hebben een rechtsbeschermend karakter en kunnen dus een waarborg biedenvoor het recht van de verdachte op een eerlijk proces.1555.6. Mogelijke nadelenHoewel uit bovenstaande paragraaf blijkt dat het audiovisueel verhoor een groot aantalvoordelen kan bieden, zijn er ook nadelen aan verbonden. Uit de literatuur blijkt dat deaudiovisuele registratie een invloed kan uitoefenen op het gedrag van zowel de verhoorde alsde verhoorder.156 Ook vanuit de praktijk weerklinken kritieken op de huidige regeling van hetaudiovisueel verhoor.5.6.1. Nadelen uit de literatuurDe aanwezigheid van camera‟s en microfoons en het besef dat men gefilmd wordt, kan ertoeleiden dat de verdachte zich zenuwachtiger voelt, hierdoor minder vrij durft te spreken of zichanders gedraagt.157 Zijn non-verbale gedrag is dan ook moeilijker interpreteerbaar. Uitonderzoek blijkt immers dat er geen kenmerkend gedrag voor liegen bestaat, noch verbaal,noch non-verbaal. Het is daarom belangrijk om een goed beeld te hebben van het basisgedragvan de verdachte alvorens over te gaan tot beoordelende interpretaties.158Ook de verhoorders zijn zich bewust van de openbaarheid van hun verhoorstrategie door deaanwezigheid van het opnamemateriaal, wat tot eenzelfde nervositeit en verminderdeprestaties kan leiden.159 Daarnaast vermeldt men het risico dat door de integrale opnameprivé-informatie kan opgeslagen worden. Maar deze kritiek kan genuanceerd worden154 M. BOCKSTAELE, Handboek verhoren 2, Antwerpen, Maklu, 2009, 242.; N. M. NIEROP, “Verdachtenverhoor op video. Registratie op beeldband biedt vele voordelen”, Algemeen Politieblad, 1997, 10-11.155 M. VANDERHALLEN, “Audiovisuele verhoren van meerderjarigen: op zoek naar kwaliteitsverbetering in het verdachtenverhoor” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, afl. 45, 18-23.156 F. VAN HEKKEN, “Groen licht voor verhoor op video”, Algemeen politieblad, 1998, 4-6.157 M. KOMTER, “Verhoren voor de camera”, Tijdschrift voor de Politie, 1998, 9.158 S. NOELANDERS, C. VERBANDT, F. GODFROID en C. GRAYET, “Videoverhoren: de praktijk doorgelicht” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, afl. 45, 33-34.159 M. BOCKSTAELE, Handboek verhoren 2, Antwerpen, Maklu, 2009, 243. 36
  • 47. aangezien slechts een beperkte groep de opname mag bekijken, namelijk enkel de personenbetrokken bij het dossier, en er steeds wordt getracht de nodige discretie te garanderen.160Bovenstaande nadelen van het videoverhoor worden wel in grote mate vanuit de praktijkweerlegd.161 Ze zouden eerder voortkomen uit gebrek aan ervaring met deze verhoormethodeof een ondegelijke uitvoering ervan en zijn niet inherent aan het AVV zelf.1625.6.2. Praktische bezwarenVanuit de politiediensten klinken vooral bezwaren van praktische aard, die te maken hebbenmet de implementatie en organisatie van het videoverhoor. Zo beschikt niet elke politiezoneover (voldoende) videoverhoorruimtes, worden er hoge kwaliteitseisen gesteld aan deopnameapparatuur, heeft men vragen rond de kostprijs en opslag, is er nood aan specifiekeopleiding en coaching,..163Het grootste punt van kritiek heeft echter betrekking op de schriftelijke registratie na afloopvan het audiovisueel verhoor.164 Enkel indien dit verzocht wordt door de onderzoeksrechter,PDK, de gehoorde verdachte of een andere betrokken partij, moet het verhoor volledig enletterlijk worden neergeschreven. Niet enkel de inhoud van het verhoor dient dan genoteerd teworden maar ook relevante pauzes, aarzelingen, intonatieveranderingen, opvallende emotiesenzovoorts. Ongetwijfeld is dit een tijdrovende bezigheid en klinkt vanuit de praktijk dan ookenige aversie, wetende dat een verhoor vaak lang duurt en de registratie van zes minutenopname gemiddeld een werkuur in beslag neemt. Bovendien moet erop gewezen worden datde gemaakte transcriptie steeds een compromis zijn tussen een zo zorgvuldig mogelijke eneen toegankelijke registratie.165De letterlijke overschrijving kan dus de opname zelf nooit volwaardig vervangen. Immers,indien men zich enkel baseert op de samenvatting of het volledig uitgeschreven verhoor kan160 F. VAN HEKKEN, “Groen licht voor verhoor op video”, Algemeen politieblad, 1998, 4-6.161 D. VAN DAELE, “Het afnemen van verklaringen met behulp van audiovisuele media: een commentaar bij de wet van 2 augustus 2002, Tijdschrift voor Strafrecht, 2003, afl. 4, 53.162 S. NOELANDERS, C. VERBANDT, F. GODFROID en C. GRAYET, “Videoverhoren: de praktijk doorgelicht” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, afl. 45, 35.163 S. NOELANDERS, C. VERBANDT, F. GODFROID en C. GRAYET, “Videoverhoren: de praktijk doorgelicht” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, afl. 45, 35.164 F. GOOSSENS, “De audiovisuele registratie van het verhoor van meerderjarigen tijdens het onderzoek in strafzaken: van een wettelijke mogelijkheid naar een wettelijke verplichting? Een aanzet tot discussie” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, afl. 45, 11.165 M. BOCKSTAELE, Handboek verhoren 2, Antwerpen, Maklu, 2009, 253. 37
  • 48. de vraag gesteld worden of de meerwaarde van het videoverhoor zo niet tenietgedaanwordt.166 Het nut van de letterlijke overschrijving wordt daarom in vraag gesteld. Bovendienwordt voorgesteld dat deze letterlijk overschrijving best beperkt wordt tot bepaaldebelangrijke of uitzonderlijke strafzaken.1675.7. Als onderhandelingsmargeUit bovenstaande alinea blijkt dat het audiovisueel verhoor een waarborg kan bieden voor hetrecht op eerlijk proces. Uit de rechtspraak van het EHRM kan men afleiden dat het Hof deaudiovisuele registratie niet als een conditio sine qua non beschouwt om te kunnen sprekenvan een eerlijk proces. Wel is ook het Hof ervan overtuigd dat deze registratie eenrechtsbeschermende functie kan uitoefenen. De Straatsburgse rechtspraak biedt dus geenargument voor het wettelijk verplichten van het AVV van meerderjarige verdachten.168Het Europese Hof benadrukt daarentegen wel het recht op bijstand door de advocaat enbestempelt de verplichte aanwezigheid van een advocaat bij een verdachtenverhoor alspositief, maar beschouwt dit slechts als één manier om het recht op een eerlijk proces tewaarborgen.169 Volgens het CPT kan het audiovisueel verhoor een waardevol alternatiefbieden in specifieke situaties maar mag deze registratie niet de aanwezigheid van eenadvocaat tijdens het verhoor vervangen.170Verdergaand op deze opvatting kan het gebruik van het videoverhoor een andere manier zijnom de rechten van de verdachte te waarborgen en een zekere onderhandelingsmarge creëren166 S. NOELANDERS, C. VERBANDT, F. GODFROID en C. GRAYET, “Videoverhoren: de praktijk doorgelicht” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, afl. 45, 35.167 M. BOCKSTAELE, “Het videoverhoor van volwassenen” in P. PONSAERS (ed.), Vernieuwing in de recherche, Antwerpen, Maklu, 2002, 64-65.168 F. GOOSSENS, “De audiovisuele registratie van het verhoor van meerderjarigen tijdens het onderzoek in strafzaken: van een wettelijke mogelijkheid naar een wettelijke verplichting? Een aanzet tot discussie” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, af. 45, Mechelen, Kluwer, 2009, 8-9.169 F. GOOSSENS, “De audiovisuele registratie van het verhoor van meerderjarigen tijdens het onderzoek in strafzaken: van een wettelijke mogelijkheid naar een wettelijke verplichting? Een aanzet tot discussie” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, afl. 45, 13.170 C. FIJNAUT, “De toelating van de raadsman tot het politioneel verdachtenverhoor. Een status questionis op de drempel van de eenentwintigste eeuw” in M. GROENHUIJSEN en G. KNIGGE (ed.), Het vooronderzoek in strafzaken. Tweede interimrapport onderzoeksproject strafvordering 2001, Deventer, Gouda Quint, 2001, 671. 38
  • 49. in situaties waar de aanwezigheid van een advocaat niet mogelijk is.171 Bijvoorbeeld situatieswaarbij de advocaat onbereikbaar is of waar de omstandigheden een onmiddellijk verhoorvereisen.172 De huidige wettelijke regeling van het audiovisueel verhoor kan zoals eerdervermeld ook praktische problemen met zich meebrengen. Het is bijgevolg waardevol om dehuidige voorschriften te herbekijken in het licht van de uitvoering in de praktijk.6. BesluitUit bovenstaande literatuurstudie blijkt duidelijk de groeiende Europese aandacht voor depositie van de verdachte in de strafrechtsbedeling. Het Europese Hof voor de Rechten van deMens beklemtoonde meermaals in haar recentste arresten de kwetsbare positie van deverdachte en de nood aan voldoende waarborgen voor deze partij. De bescherming van hetrecht op een eerlijk proces vormt bij elk van deze arresten dan ook het kernidee. Hoewel hetHof reeds in eerdere arresten hierover uitspraken heeft gedaan, zorgde het arrest Salduz voorde echte doorbraak. Met deze uitspraak benadrukt het Mensenrechtenhof het recht van deverdachte op de bijstand door een advocaat vanaf het eerste politieverhoor. Dit arrest heeftook in ons land tot een hevige debat geleid over de Belgische regeling voor de verdachtetijdens het vooronderzoek. Na uitvoerige beraadslaging, besliste de Belgische wetgeveruiteindelijk in juni 2011 om de wetgeving aan te passen aan de Europese richtlijnen.De aanname van deze Salduzregeling in België bevestigt zo enerzijds demaximalisatietendens van de rechten van de verdachte in ons land, maar creëert anderzijds talvan implementatieproblemen en zorgen voor het werkveld. De verplichte bijstand tijdens heteerste verhoor, zoals de Salduz-regeling vooropstelt, is slechts één middel om de rechten vande verdachte te waarborgen. Het gebruik van het videoverhoor kan volgens voorstanders ookpositief bijdragen aan zowel het onderzoek als de rechtsbescherming van de verdachte. Hetaudiovisueel verhoor lijkt daarom een mogelijk waardevol alternatief voor de Salduz-wet enkan hier een zekere onderhandelingsmarge creëren.171 F. GOOSSENS, “De audiovisuele registratie van het verhoor van meerderjarigen tijdens het onderzoek in strafzaken: van een wettelijke mogelijkheid naar een wettelijke verplichting? Een aanzet tot discussie” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, afl 45, Mechelen, Kluwer, 2009, 13.172 M.S. GROENHUIJSEN, “Het vooronderzoek in strafzaken: algemeen deel”, in M. S. GROENHUIJSEN en G. KNIGGE (eds.), het vooronderzoek in strafzaken: tweede interimrapport onderzoeksproject strafvordering, Deventer, Gouda Quint, 2001, 59-60. 39
  • 50. DEEL 2: METHODOLOGIE1. Probleemstelling en onderzoeksvragenUit bovenstaande fenomeenanalyse blijkt dat de aandacht voor de positie van de verdachte delaatste jaren is gegroeid en het waarborgen van deze rechten daarmee een steeds belangrijkereplaats krijgt. Het recht op een eerlijk proces zoals benadrukt door het Europees Hof voor deRechten van de Mens vormt daarom een cruciaal aspect van de strafrechtsbedeling. Hetberuchte Salduz-arrest van het Europees Hof is hiervan het meeste bekende voorbeeld. Ditarrest geeft verdachten het recht op bijstand van een advocaat vanaf het eerstepolitieverhoor.173 Na verscheidene discussies tussen de betrokken actoren besliste België omvanaf 1 januari 2012 gehoor te geven aan de Europese regeling. De verplichte invoering vande Salduz-regeling heeft echter een grote impact op zowel de advocatuur als het politiewezen.Het juist toepassen van deze nieuwe regeling door de politiediensten vraagt inspanningen enveranderingen op operationeel niveau. België telt momenteel 195 verschillende politiezonesvan verschillende omvang. Er wordt verwacht dat niet elke zone over de nodige middelenbeschikt om op dit moment te voldoen aan een degelijk toepassing van deze regeling. 174Daarnaast tonen recente uitingen van politieambtenaren in de media aan dat de meningen overhet nut en de realiteitszin van de Salduz-wet verdeeld zijn.175Tijdens het debat over de verplichte aanname van de Salduzwetgeving door België werd deaudiovisuele registratie van het eerste politioneel verdachtenverhoor als mogelijk alternatiefdoor verscheidene politieke partijen aangehaald. Tijdens de Kamerdebatten werd de concretetoepassing van dit voorstel echter als irrealistisch beoordeeld. Hoewel het uitvoeren van eenaudiovisueel verhoor (AVV) een complexe zaak is, kan deze wijze van verhoor, zoals eerderbesproken, positief bijdragen tot het politioneel onderzoek. Daarom werd dit voorstel wel173 EHRM, Salduz v. Turkije, ECHR 2008, no. 36391/02.174 Omzendbrief nr. COL 7/2010 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep betreffende de bijstand van een advocaat bij het eerste politionele verhoor van een verdachte gelet op de recente rechtspraak van het EHRM, 14 mei 2010, www.polinfo.be/secure/showfile.aspx?id=lx1338127.pdf, 2-4.; X, Lokale Politie: Politiezones, www.lokalepolitie.be/portal/nl/politiezones-met-lijst.html.175 X, “Van Thielen uit kritiek op Salduz-wet”, Het Nieuwsblad, 30 maart 2011, www.nieuwsblad.be/article/detail.aspx?articleid=DMF20110330_023; X, “Nieuwe Salduz-wet zal 16 miljoen kosten”, De Redactie, 18 juni 2011, www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/binnenland/1.1047249. 40
  • 51. overwogen als een oplossing op lange termijn.176 Daarnaast is het EHRM ervan overtuigd datdeze registratie voor verdachten een rechtsbeschermende functie kan uitoefenen.177De toekomstige invoering van de Salduz-wet is duidelijk een actueel en veelbesproken thema.De definitieve aanname van deze regeling is wel al wettelijk vastgelegd, maar in de praktijkklinken nog veel bezwaren. Het is daarom interessant om het politiewezen te ondervragennaar de impact die men verwacht van de Salduz-regeling. Daarnaast is ook het voorstel van deaudiovisuele opname van het eerste politioneel verhoor een interessant onderzoeksthema. Ookhier kan de vraag gesteld worden in welke mate de lokale politie dit voorstel als een waardigalternatief voor de Salduz-regeling beschouwt en welke impact dergelijke regeling kanhebben op het politiewezen.1.1. OnderzoeksvragenUit bovenstaande probleemstelling kunnen enkele onderzoeksvragen afgeleid worden. In deeerste plaats zal in dit onderzoek de mogelijke impact van de invoering van de Salduz-regeling op de lokale politie onderzocht worden. Zo zal worden nagegaan welkeverbeteringen of implementatieproblemen er in de verschillende politiezones verwachtworden. Ten tweede wordt ook de mogelijkheid van het audiovisueel verhoor als alternatiefop deze regeling onderzocht. Ook hier wordt onderzocht welke invloed dit alternatief kanuitoefenen. Omdat de implementatie van de Salduz-wet op dit moment binnen hetpolitiewezen een actueel discussiethema is en er kritiek op de regeling vanuit deze hoek komt,is het interessant om de lokale politiediensten hierover te bevragen. De toepassing van deSalduz-regeling heeft immers een invloed op de werking van een politiedienst. Een beterinzicht op de verwachtingen en visie vanuit de praktijk is daarom geen overbodige luxe. Erzal dus geprobeerd worden om op onderstaande onderzoeksvragen een antwoord te vinden: 1. Welke impact heeft de implementatie van de Salduz-regeling volgens de lokale politie op de eigen politiezone?176 Verslag 8 juni over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279005, http://www.dekamer.be/doc/flwb/pdf/53/1279/53k1279005.pdf, 36-37.177 F. GOOSSENS, “De audiovisuele registratie van het verhoor van meerderjarigen tijdens het onderzoek in strafzaken: van een wettelijke mogelijkheid naar een wettelijke verplichting? Een aanzet tot discussie” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, afl. 45, 8-9. 41
  • 52. a) Welke problemen verwacht de lokale politie als gevolg van deze implementatie ? b) Welke verbeteringen verwacht de lokale politie als gevolg van deze implementatie ? 2. Hoe beoordeelt de lokale politie het voorstel van een verplichte audiovisuele opname van het eerste politioneel verhoor als een mogelijk alternatief voor de Salduzregeling ? a) Welke problemen verwacht de lokale politie bij een verplichte audiovisuele registratie van het eerste politioneel verdachtenverhoor? b) Welke verbeteringen verwacht de lokale politie dankzij een verplichte audiovisuele registratie van het eerste politioneel verdachtenverhoor?1.2. Grafische voorstellingOnderstaande figuur is de visuele weergave van de twee onderzoeksvragen. Dit conceptueelkader omvat de belangrijkste concepten en geeft hun onderlinge relatie weer. De volgendealinea bespreekt deze figuur beknopt. Figuur 1: Conceptueel kader Salduz-regeling Mogelijke Verbeteringen Audiovisueel Impact op de lokale verhoor politie? Mogelijke problemen Recht op een eerlijk proces 42
  • 53. De Salduz-regeling vormt het kernconcept. Deze regeling omvat enkele waarborgen voor deverdachte tijdens het politioneel verhoor, zoals het recht op de aanwezigheid van eenadvocaat.178 De verbinding tussen dit kernconcept en het „recht op een eerlijk proces‟ duidt ophet groeiend geloof in Europa dat de toepassing van de Salduz-wetgeving een beschermingvoor het recht op een eerlijk proces kan bieden.179 Het recht op een eerlijk proces wordtbeschermd en omschreven door artikel 6 EVRM.180 De Salduz-regeling kan dit grondrechtslechts beschermen indien de toepassing van de regeling degelijk verloopt. Daarom moet menaandacht hebben voor de mogelijke impact van deze regels op de politiediensten. De impactwordt bepaald door de verbeteringen en problemen waarmee de politiezone bij eenimplementatie geconfronteerd wordt. Een duidelijk zicht op zowel de positieve invloedenvoor de politiedienst als de problemen is dan ook een pluspunt.Daarnaast is de audiovisuele registratie van het eerste verdachtenverhoor een mogelijkalternatief. De dubbele pijl wijst op de ambivalente positie van het audiovisueel verhoor.Enerzijds wordt dit verhoor vooropgesteld als oplossing of alternatief voor de gevolgen vande Salduz-regeling, anderzijds kent deze methode ook zelf implementatieproblemen in depraktijk. De gedetailleerde registratie, de mogelijkheid tot bijkomende analyse en didactischewaarde worden ondermeer als voordelen aangehaald.181 Literatuur uit landen zoals Nederland,waar het videoverhoor al ingeburgerd is, beschrijft daarentegen toepassingsproblemen, zoalshet tijdrovend karakter, de beschikbaarheid van degelijke lokalen en onvoldoende opgeleidpersoneel.182 Deze maar ook mogelijk andere problemen kunnen de kwaliteit van het verhoorbeïnvloeden.183 Gelijkaardige bezwaren worden eveneens vermeld in verband met de Salduz-regeling.184178 A. KEEREMAN, “Salduz-wetsontwerp in laatste rechte lijn”, De Juristenkrant, afl. 232, 29 juni 2011, 1, www.polinfo.be/secure/showfile.aspx?version=8&id=dx1471576.pdf#search=%20Salduz.179 Omzendbrief nr. COL 7/2010 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep betreffende de bijstand van een advocaat bij het eerste politionele verhoor van een verdachte gelet op de recente rechtspraak van het EHRM, 14 mei 2010, www.polinfo.be/secure/showfile.aspx?id=lx1338127.pdf.180 Art. 6, Verdrag 4 november 1950 tot bescherming van de rechten vande mens en de fundamentele vrijheden, B.S. 19 augustus 1955 EVRM.181 M. BOCKSTAELE, Handboek verhoren 2, Antwerpen, Maklu, 2009, 240-243.182 COMMISSIE VAN TOEZICHT VOOR TOEZICHT VAN DE POLITIECELLEN AMSTERDAM- AMSTELLAND, Jaarrapport, Amsterdam, 1995, http://biodata.asp4all.nl/andreas/2009/09012f978060a59f/09012f978060a59f.pdf, 9.183 M. BOCKSTAELE, Handboek verhoren 2, Antwerpen, Maklu, 2009, 261.184 S. NOELANDERS, C. VERBANDT, F. GODFROID en C. GRAYET, “Videoverhoren: de praktijk doorgelicht” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, afl. 45, 35.; F. GOOSSENS, “De audiovisuele registratie van het verhoor van meerderjarigen tijdens het onderzoek in strafzaken: van een wettelijke mogelijkheid naar een wettelijke verplichting? Een aanzet tot discussie” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, afl. 45, 11. 43
  • 54. Een ondeugdelijke afname van het videoverhoor of toepassing van de Salduz-regeling kanbijgevolg het eerlijk proces voor de verdachte in het gedrang brengen. De onderbroken lijntussen de concepten duidt op het feit dat deze problemen of verbeteringen kunnen voorkomen,maar niet per definitie voor elke politiezone gelden.1.3. DoelstellingenIn eerste instantie werd aan de hand van een literatuurstudie geprobeerd een beknopt overzichtte geven van de problematiek met betrekking tot het recht op een eerlijk proces. Hierbij werdondermeer gekeken naar de recente Europese rechtspraak, zoals het arrest Salduz, de invloedvan dit arrest op de Belgische regeling en de mogelijkheden die het audiovisueel verhoor alsalternatieve waarborg biedt.Dit onderzoek heeft tot doel een beter zicht te krijgen op de weerstand die geuit werd door hetpolitiewezen. Daarom wordt aan de hand van een bevraging geprobeerd een idee te vormenover de problemen of verbeteringen die de lokale politie verwacht als gevolg van de invoeringvan de Salduz-regeling. Eveneens tracht dit onderzoek te achterhalen in welke mate zij hetaudiovisueel verhoor als een waardevol alternatief bestempelen. Ook met betrekking tot ditalternatief zal geprobeerd worden een niet-limitatief overzicht op te stellen van zowel depositieve verwachtingen als de bezwaren van de lokale politiediensten.Een dergelijk overzicht verkregen vanuit het werkveld biedt de mogelijkheid om proactief tewerken en kan een impuls zijn voor verdere debatten rond alternatieven of oplossingen. 44
  • 55. 2. OnderzoeksopzetDit hoofdstuk bespreekt het onderzoeksopzet. Er wordt ondermeer stilgestaan bij derespondentenselectie en de wijze van contactname. Ook worden de vraagstelling, de kwaliteitvan het onderzoek en de data-analyse verantwoord.Bij de start van dit onderzoek had België nog geen definitieve beslissing genomen over het aldan niet wettelijk verankeren van de Salduz-wetgeving in de nationale wetgeving. In eersteinstantie werd daarom gekozen voor een kwalitatieve onderzoeksmethode. Omdat detoepassing op dat moment nog toekomstmuziek was, leek de afname van een aantal diepte-interviews van actoren uit het werkveld nuttig. Midden juli besliste de Belgische wetgeveralsnog om de Salduz-regeling aan te nemen. Hierdoor werd de implementering een verplichtnummer voor elke politiedienst, ongeacht hun positie in het debat. Om deze reden werd hetonderzoeksopzet enigszins aangepast.Het onderzoek heeft als doel een beter zicht te krijgen op het standpunt van de politiedienstenin deze problematiek en dus, vertrekkend vanuit het werkveld, een illustratief en verkennendbeeld te scheppen van de situatie.185 Aangezien de regeling pas in 2012 werking treedt,kunnen enkel verwachtingen getoetst worden en niet de effectieve gevolgen. Dit onderzoek isdus eerder beschrijvend van aard. De keuze voor een kwalitatief onderzoeksopzet blijftdaarom gelden, maar de dataverzamelingsmethode is veranderd.2.1. RespondentenselectieOm een antwoord te vinden op eerdergenoemde onderzoeksvragen zal contact opgenomenworden met de lokale recherchediensten. Er werd gekozen voor de lokale politie omdatverwacht wordt dat vooral zij in de toekomst de gevolgen zullen voelen.186In dit onderzoek worden, omwille van de taalbarrière, enkel de Nederlandstalige zones inBelgië gecontacteerd. De onderzoekspopulatie bestaat uit 117 verschillende zones. Elke zonezal gecontacteerd worden in de hoop dat zowel van kleine, landelijke, grootstedelijke als grotezones een antwoord ontvangen wordt. Omwille van dit grote aantal respondenten zal decontactname via e-mail gebeuren. Binnen elke politiezone zal één respondent gecontacteerdworden, deze selectie gebeurt doelmatig. De e-mails zullen verstuurd worden naar het e-185 E. REIJNDERS, Basisboek interne communicatie: Aanpak en achtergronden, Assen, Van Gorcum, 2006, 207.; J. BILLIET en H. WAEGE (red.), Een samenleving onderzocht: Methoden van sociaal- wetenschappelijk onderzoek, Antwerpen, De Boeck, 2005, 319-222.186 T. DEPLA, “Salduz-wet opstarten bij Lokale politie kost 55 miljoen euro”, Nieuws Polinfo, 25 juli 2011, http://www.polinfo.be/secure/DocumentView.aspx?id=VS201325728. 45
  • 56. mailadres van de korpschef. De e-mailadressen worden via de website van de Directie van derelaties met de lokale politie verzameld.187 Elke lokale politiezone beschikt over eenkorpschef. Deze korpschef staat in voor de dagelijkse werking en de organisatie, verdeling enuitvoering van de taken. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor de uitvoering van het lokaalpolitiebeleid en het zonaal veiligheidsplan.188 Een korpschef vervult duidelijk een belangrijkefunctie en wordt geacht een zekere kennis van zaken te hebben. Om deze reden werd gekozenom de vragen specifiek tot de korpschefs te richten.1892.2. DataverzamelingEr werd gekozen voor het gebruik van e-mailonderzoek als gegevensverzameling, omdat dezevorm van bevragen een aantal voordelen kent ten opzicht van de klassieke methodes zoalsinterviews of schriftelijke enquêtes. Zo zijn er weinig kosten aan verbonden en zou er eengrotere deelnamebereidheid zijn omdat de respondent de vragenlijst kan invullen op eenmoment naar keuze.190 Daarnaast kan deze methode ook een positieve invloed uitoefenen opde gegeven antwoorden. Tijdens het invullen van de vragen is er geen persoonlijk contact metde onderzoeker, hierdoor kan de respondent zich minder geneigd voelen om sociaalwenselijke antwoorden te geven. Het biedt de respondent eveneens de mogelijkheid omvoorafgaand overleg te plegen met medewerkers of bijkomende informatie op te zoeken.191Daarnaast kan door het gebruik van e-mails een grote groep respondenten op kortere tijdbereikt worden. Belangrijk geachte onderwerpen en de belofte om de respondent op de hoogtete brengen van de onderzoeksresultaten kan de respons stimuleren.192Toch kent deze dataverzamelingsmethode ook enkele nadelen. In tegenstelling tot demondelinge ondervraging stelt deze wijze van ondervragen hogere eisen aan de gebruiktevragenlijst. De vragen moeten duidelijk zijn voor de respondent aangezien er geenmogelijkheid is om de vragen verder toe te lichten. Daarnaast maakt deze methodedoorvragen onmogelijk.193 Het biedt daarentegen wel een geruststelling aan de minder ervaren187 DIRECTIE VAN DE RELATIES MET DE LOKALE POLITIE, Wie is wie?, www.infozone.be/home.htm.188 C. FIJNAUT, Politie: Studies over haar werking en organisatie, Deventer, Kluwer, 2007, 95.189 D. REMLER en G. VAN RYZIN, Research methods in practice: strategies for description and causation, London, Sage, 2010, 156.190 H. HUIZINGA, Onderzoek: communicatie – reclame– media, Alphen aan den Rijn, Samsom, 2001, 31.191 F. FOWLER, Survey Research methods, London, Sage, 2009, 81-82.192 F. MIGCHELBRINK, Praktijkgericht onderzoek in zorg en welzijn, Amsterdam, SWP, 2003, 81.; R. SAPSFORD en V. JUPP, Data collection and Analyses, London, Sage, 2006, 103.; J. BILLIET en H. WAEGE (red.), Een samenleving onderzocht: Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek, Antwerpen, De Boeck, 2005, 308.193 P. LUCASSEN en T. HARTMAN (red.), Kwalitatief onderzoek: de praktische methode voor de medische praktijk, Deventer, Bohn stafleu van Loghum, 2007, 31-32. 46
  • 57. onderzoeker: Vaardigheden om een gesprek te onderhouden en relevante informatie los tewikken worden hier minder getest.194 Het grootste nadeel heeft betrekking op dekwaliteitscontrole. Omdat de vragen niet persoonlijk gesteld worden, kan men geeninschatting maken van de wijze waarop de vraag werd beantwoord en groeit het risico opsnelle, oppervlakkige antwoorden. Bovendien is er geen controle mogelijk op wie devragenlijst invult.195 Om dit risico te beperken zal in de e-mail nadrukkelijk gevraagd wordenof de korpschef zelf deze vragen wilt beantwoorden, indien dit niet mogelijk is, wordtgevraagd dit te vermelden. Aangezien een waterdichte controle onmogelijk is, wordt ervertrouwd op de eerlijkheid van de respondenten. Ten slotte waarschuwt literatuur ook vooreen selectieve bereikbaarheid van respondenten bij het gebruik van multimediamethoden. Ditargument gaat voor deze onderzoekspopulatie echter niet op, elke politiezone beschikt overeen e-mailadres waarop ze te contacteren zijn.1962.3. De contactmail en vragenlijstIn de vorige paragraaf werd al verduidelijkt dat de korpschefs gecontacteerd zullen wordenvia hun e-mailadressen, die vrij te consulteren zijn op het internet. Omdat er gebruik gemaaktwordt van dit medium, is het van belang om op een ethische manier met de gegevens om tegaan. De term „nettiquette‟, een samentrekking van de woorden netwerk en etiquette, verwijstnaar de regels die moeten gehanteerd worden bij het gebruik van het internet. 197 De e-mailszullen daarom allemaal het onderwerp „Thesis Criminologie: Salduz en Audiovisueleregistratie van het verhoor‟ hebben en een introductiebrief bevatten zodat het voor derespondent duidelijk is dat het niet om een spambericht gaat. Deze begeleidende briefbeschrijft beknopt het doel van het onderzoek en nodigt de korpschef uit om mee tewerken.198 De vragenlijst volgt aansluitend op de inleidende brief en wordt niet in een apartebijlage toegevoegd. Elke korpschef ontvangt dezelfde vragenlijst en een bijhorende verklaringvoor de gekozen vragen. Deze toelichting wordt toegevoegd in een bijlage.Omdat deze vorm van bevragen een grotere inspanning van de respondent vraagt, namelijkhet zelf noteren van zijn antwoorden, wordt het aantal vragen beperkt tot zeven. Een te lange194 F. MIGCHELBRINK, Praktijkgericht onderzoek in zorg en welzijn, Amsterdam, SWP, 2003, 81.195 R. SAPSFORD en V. JUPP, Data collection and Analyses, London, Sage, 2006, 103.196 J. LEON, W. BROWN, L. RUCH en T. JOHNSON, Survey research: in-person, mail, telephone and web methods, Honululu, Streamline surveys, 2003, 117.197 M. SAUNDERS, P. LEWIS en A. THORNHILL, Methoden en technieken van onderzoek, Amsterdam, Pearson Eduction, 2007, 137.198 M. SAUNDERS, P. LEWIS en A. THORNHILL, Methoden en technieken van onderzoek, Amsterdam, Pearson Eduction, 2007, 325-326. 47
  • 58. lijst zou enerzijds de bereidheid tot medewerking en anderzijds de gegeven antwoordennegatief kunnen beïnvloeden.199 Ondanks de moeilijkere verwerking, werd er gekozen vooropen vragen. Open vragen kunnen rijke en genuanceerde informatie opleveren want zemotiveren de respondent om gedetailleerde en uitgebreide antwoorden te geven.200 Bovendienvergroot voorkomt men dat er antwoordsuggesties worden gedaan waardoor de respondentvrij en in zijn eigen bewoording kan antwoorden.201In de mail zal gevraagd worden of de Korpschef op onderstaande vragen wilt antwoorden: 1. In welke mate verwacht u problemen en/of verbeteringen voor uw zone wanneer de Salduz-regeling wordt toegepast? Op welke domeinen verwacht u deze? 2. In hoeverre denkt u met uw huidige aantal beschikbare politieambtenaren de Salduz-regeling naar behoren te kunnen uitvoeren? 3. In hoeverre denkt u met de huidige faciliteiten en infrastructuur van uw politiezone de Salduz-regeling naar behoren te kunnen uitvoeren? 4. In welke mate verwacht u dat de verplichte aanwezigheid van de advocaat het politioneel onderzoek in positieve of negatieve zin kan beïnvloeden? 5. In welke mate verwacht u dat een audiovisuele registratie van het eerste politieverhoor al dan niet een waardevol alternatief kan bieden voor de Salduzregeling? 6. In welke mate verwacht u problemen en/of verbeteringen voor uw zone wanneer u de audiovisuele registratie toepast? Wat houden deze problemen of verbeteringen in? 7. Zijn er eventueel andere of betere alternatieven die het recht op een eerlijk proces voor de verdachte voldoende kunnen waarborgen?199 D. REMLER en G. VAN RYZIN, Research methods in practice: strategies for description and causation, London, Sage, 2010, 227-228.200 D. REMLER en G. VAN RYZIN, Research methods in practice: strategies for description and causation, London, Sage, 2010, 63.; H. KORZILIUS, De kern van survey-onderzoek, Assen, Van Gorcum, 2000, 74.201 F. FOWLER, Survey Research methods, London, Sage, 2009, 101. 48
  • 59. Indien de respondent na één week nog geen respons heeft gegeven wordt er een follow-up e-mail verstuurd ter herinnering. Indien nodig kan vervolgens nog een tweede follow-up e-mailverstuurd worden. Deze tweede herinnering zal pas na twee weken verstuurd worden zodat derespondent een langere responstijd heeft. Als hierna nog steeds geen antwoord volgt, wordtniet verder aangedrongen en geen nieuw contact gelegd. Beide e-mails bevatten de initiëleintroductiebrief, vragenlijst en toelichting, maar worden ingeleid door een kort bericht datondermeer het belang van hun medewerking sterker benadrukt.202 Als een vragenlijst ingevuldwordt terugbezorgd, wordt de respondent via e-mail bedankt voor zijn medewerking.2.4. Data-analyseDe data-analyse houdt het schiften, samenvatten en met elkaar in verband brengen van deonderzoeksgegevens in, met als doel de eindrapportage.203 De analyse zal onmiddellijk nadatde eerste gegevens zijn verzameld starten en wordt afgewisseld met de dataverzameling.Wanneer nieuwe antwoorden binnenkomen kunnen deze hierdoor vergeleken worden meteerder verzamelde gegevens en zo opnieuw geanalyseerd worden. De data-analyse gebeurtdus op een cyclische manier waardoor een constante vergelijking tussen de gegevens mogelijkis.204De data zullen in eerste instantie uiteengerafeld worden in verschillende fragmenten die eencode krijgen. De codes representeren de inhoud van het fragment en worden gebruikt om latereen structuur aan te brengen in de verkregen informatie. Overzichtelijke gegevensvergemakkelijken een latere data-interpretatie. Er wordt geen gebruik gemaakt van eenspecifiek computerprogramma voor de kwalitatieve data-analyse zoals Nvivo. De codelijst enbijhorende fragmenten worden via tabellen in Microsoft Office Word opgeslagen.205202 M. SAUNDERS, P. LEWIS en A. THORNHILL, Methoden en technieken van onderzoek, Amsterdam, Pearson Eduction, 2007, 325-326.203 H. BOEIJE, Analyseren in kwalitatief onderzoek, Amsterdam, Boom Lemma, 2005, 62-63.204 H. BOEIJE, Analyseren in kwalitatief onderzoek, Amsterdam, Boom Lemma, 2005, 73-76.205 H. BOEIJE, Analyseren in kwalitatief onderzoek, Amsterdam, Boom Lemma, 2005, 116-117. 49
  • 60. DEEL 3: ONDERZOEKSRESULTATEN1. ResponsVoor dit onderzoek werden 117 lokale politiezones gecontacteerd. Slechts één politiezone konniet bereikt worden: Het e-mailadres, dat infozone.be aan deze politiedienst koppelde, bleekongeldig. Ook latere pogingen via de eigen website of e-mailadressen van andere korpsledenwaren vruchteloos. Geen enkel e-mailadres is nog in gebruik. Daarnaast bleken enkelekorpschefs voor langere periode onbereikbaar wegens verlof. Indien in hun respons eenvervangende contactpersoon werd vermeld, werd met deze persoon contact opgenomen. Zoniet, werd aan de betreffende politiezone gevraagd of een andere politieambtenaar met kennisvan zaken de vragenlijst kon beantwoorden.1.1. Eerste contactname en herinneringsmailsBinnen de eerste week na de initiële mail werden 25 antwoorden ontvangen. De vragenlijstwerd volledig beantwoord door 21 respondenten. De vier overige korpschefs verklaarden devragenlijst niet te kunnen invullen omwille van verschillende redenen: Eén zone beschiktenaar eigen mening over onvoldoende capaciteit om op een degelijke wijze de gestelde vragente beantwoorden. Daarnaast prefereerde een tweede zone een persoonlijk interview, de redenhiervoor werd niet aangehaald. Tot slot stelden twee korpschefs zelf over te weinig concretegegevens te beschikken om de omvang van de gevolgen correct in te schatten. Hierdoorvinden zij het onmogelijk om de vragenlijst volledig te beantwoorden. Een van henverduidelijkt dit als volgt: “Natte-vingerwerk is mijn inziens uit den boze in deze materie. Alleen de praktijkervaring en de objectieve cijfergegevens kunnen leiden tot een juiste vaststelling en analyse.”Naast deze 24 reacties gaven twee zones aan kennis genomen te hebben van mijn verzoek totmedewerking en hier op een later moment graag op in te willen gaan. Zeven dagen na decontactname werd van één vijfde van de respondenten een repliek ontvangen.Vervolgens werd door middel van een herinneringsmail een tweede maal contact genomenmet de resterende politiezones in de hoop de respons te verhogen.206 De herinneringsmailbevatte opnieuw de oorspronkelijke introductiebrief, de vragenlijst en de verklaring van de206 D.A. DILLMAN, Mail and internet surveys: the tailored design method, Hoboken, John Wiley and sons, 2007, 149. 50
  • 61. vragen in de bijlage. In tegenstelling tot de eerste contactname werd de oorspronkelijke briefvoorafgegaan door een kort bericht. In dit bericht werd begrip getoond voor het uitblijven vaneen respons maar werd eveneens duidelijk op het belang van hun medewerking en antwoordgewezen. Daarnaast werd nogmaals gesteld dat de politiezone na het afronden van hetonderzoek op de hoogte wordt gebracht van de resultaten. Na deze herinnering werden in hettotaal 51 bruikbare reacties ontvangen. Eén korpschef deelde mee wegens een gebrek aancapaciteit niet te kunnen bijdragen aan het onderzoek.Twee weken na de herinneringsmail werden de overgebleven politiezones een volgende maalgecontacteerd. De voorgaande brieven werden toegevoegd in deze laatste contactname. Erwerd nogmaals gewezen op het belang van hun medewerking en vriendelijk gevraagd omalsnog de vragenlijst te beantwoorden. Uiteindelijk werd van iets meer dan de helft, namelijk60 politiezones, een bruikbare reactie ontvangen.Na deze tweede herinneringsmail werd geen contact meer opgenomen. Dit enerzijds om eente opdringerige indruk te vermijden en anderzijds omdat de kans op een antwoord na drieopeenvolgende weigeringen onwaarschijnlijk lijkt. Uit hun stilzwijgen zou men kunnenafgeleiden dat men liever niet meewerkt of niet in de mogelijkheid is dit te doen.1.2. Reden van (non-)responsHoewel het responspercentage bij e-mailonderzoek gemiddeld lager ligt dan bij face-to-facesurveys, toont onderzoek aan dat responscijfers doorheen de jaren gedaald zijn, ongeacht dedataverzamelingsmethode of het onderwerp. Toch blijft voor velen een hoog responscijfer eenindicatie voor een kwalitatief onderzoek. Non-respons kan evenees een belangrijke bron vaninformatie zijn. Om deze reden is het belangrijk kennis te hebben van de factoren die deresponsgraad kunnen beïnvloeden.207De respons kan enerzijds beïnvloed worden door de anonimiteit van de vragenlijst. In ditonderzoek worden de korpschefs persoonlijk gecontacteerd en wordt er gevraagd naar hunmedewerking. Bijgevolg beseft men dat hun antwoorden gekoppeld kunnen worden aan hunidentiteit als korpschef. Gezien de belangrijke functie die een korpschef vervult binnen eenpolitiekorps, kan dit eventueel leiden tot enige terughoudendheid.208 Anderzijds kan deze207 T. DECORTE, D. MORTELMANS, J. TIEBERGHIEN en S. DE MOOR, Haalbaarheid van een repetitieve prevalentiestudie onder de algemene bevolking, Gent, Academia Press, 2009, 36-39.208 D.A. DE VAUS, Surveys in social research, London, Routledge, 2002, 98. 51
  • 62. persoonlijke benadering ook een positieve invloed uitoefenen. De respondent kan zich vereerdvoelen dat net hij gekozen werd om deel te nemen aan het onderzoek. De keuze voor eenkorpschef duidt immers op vertrouwen in zijn kennis en deskundigheid.209Het feit dat de korpschef een belangrijke functie uitoefent binnen een politiekorps kan ertoeleiden dat deelname aan een onderzoek, waarbij hij zelf de antwoorden moet neerschrijven enterugbezorgen, niet in zijn agenda past. Het gebruik van een beperkte vragenlijst, de vrijheidhet moment van beantwoording te kiezen en de toestemming om de taak eventueel tedelegeren proberen op dit risico in te spelen.210Tot slot kan ook de timing waarbinnen dit onderzoek werd uitgevoerd een invloed uitoefenen.De contactname gebeurde tijdens de zomermaanden juli en augustus, in deze vakantieperiodeis het risico op onbereikbaarheid wegens verlof of beperkte capaciteit groter. Het is belangrijkop te merken dat de non-respons niet te wijten is aan onwil maar wel aan onbereikbaarheid.Ook de korte tijdspanne waarbinnen de reactie wordt verwacht is nadelig.211 Daarentegen kande betrokkenheid tot en het actuele thema van het onderzoek positief bijdragen aan deresponsgraad. De plotse aanname van de Salduz-regeling maakt van het onderzoek een „hottopic‟.212 Bovendien kan het feit dat dit onderzoek aandacht biedt en een stem geeft aan deuitvoerders als een unieke kans beschouwd worden.213209 J. BILLIET en H. WAEGE (eds.), Een samenleving onderzocht:Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek, Antwerpen, De Boeck, 2005, 308.210 M DENSCOMBE, The good research guide for small-scale social research projects, Maidenhead, Open University Press, 2007, 22.211 L. BROOKOVER BOURQUE en E.P. FIELDER, The survey kit: How to conduct self-administered and mail surveys, London, Sage Publications, 2003, 156.212 P. DE PELSMACKER en P VAN KENHOVEN, Marktonderzoek: methoden en toepassingen, Amsterdam, Pearson Education, 2007, 130.213 J.E. EDWARDS, How to conduct organizational surveys: a step-by-step guide, London, Sage Publications, 1997, 98. 52
  • 63. 2. AntwoordanalyseIn deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de antwoorden op de vragenlijst. Elkevraag wordt apart besproken, er wordt nog niet getracht een antwoord te formuleren op deonderzoeksvragen. Aan de hand van een vraaggebonden analyse met bijhorende citaten alsduiding wordt geprobeerd een overzicht te schetsen van de reacties.2.1. Verwachtingen SalduzAllereerst werd de korpschef gevraagd welke problemen of verbeteringen hij verwacht in zijnzone bij de implementatie van de Salduz-regeling. Op het vlak van problemen heerste er eengrote eensgezindheid. De gebrekkige infrastructuur, onvoldoende personeelscapaciteit en hetkostenplaatje werden door bijna alle politiezones aangehaald. Op deze zorgen en debedenkingen met betrekking tot de aanwezigheid van de advocaat zal in de volgende vragenworden ingegaan.Opvallend is de grote voorzichtigheid waarmee de voorspellingen worden geformuleerd. Eengroot deel van de respondenten wijst nadrukkelijk op het gebrek aan regels en duidelijkheid.De politiediensten kampen bijgevolg nog met tal van vragen met betrekking tot deorganisatie. Het garanderen van de veiligheid, de verantwoordelijkheid- en rolverdelingtussen de justitiële actoren, het verhoor op verplaatsing, de aanwezigheid van tolken, de keuzeen verwittiging van de advocaat, regeling bij dadergroepen of kleine criminaliteit en dehouding van de advocaat zijn hier enkele voorbeelden van. “Het spreekt voor zich dat problemen zich zullen voordoen. Er zijn nu nog te veel vragen en onduidelijkheden. Wij beschikken ook nog niet over de richtlijnen van het college van PG‟s.”Naast deze bezwaren formuleerden de korpschefs nog enkele andere algemene bedenkingen.Twee korpschefs waarschuwde voor een cultuuromslag naar een eerder accusatoir systeem.Men verwacht dat er enige tijd nodig is voor „de politieagent‟ om te wennen aan deaanwezigheid van een kritische advocaat tijdens het verhoor. Een verzuring van de relatietussen de politie en de balie kan hierdoor optreden. Eén korpschef vraagt zich af of deregeling wel een meerwaarde zal zijn voor de waarheidsvinding. Bovendien verwacht grootdeel van de respondenten dat de oplossingsgraad hierdoor beïnvloed zal worden: Er is meerrisico op procedure fouten en het verhoor kan moeizamer verlopen: 53
  • 64. “Voor de rest zal zeker de ophelderingsgraad spectaculair dalen. Het Belgisch rechtssysteem is immers niet voorzien op deze manier van werken. Technische vaststellingen zijn er veel te weinig, ophelderingen gebeuren in de meerderheid van de gevallen door bekentenissen.”Een andere bekommernis heeft betrekking op het slachtoffer, deze heeft namelijk geenmogelijkheid op (gratis) bijstand tijdens zijn verhoor. Dit zou de maatschappelijke perceptievan een overbescherming van de verdachte en benadeling van het slachtoffer enkel kunnenversterken. Daarenboven vreest men dat de Salduz-regeling een grote administratieverompslomp met zich meebrengt en de doorlooptijd van een dossier aanzienlijk verhoogt, metals risico een daling van de oplossingsgraad. “Wat met een eerlijk proces voor het slachtoffer?” “Er gaat immers geraakt worden aan de morele principes van een rechtsstaat.”De antwoorden omvatten voornamelijk verwachte problemen. Slechts twaalf respondentensomden enkele verbeteringen op. De helft hiervan stelde dat deze verbeteringen enkelbetrekking hebben op de rechtsbescherming voor de verdachte: “De finaliteit van de wet is natuurlijk niet dat er verbeteringen zijn voor de politie, maar wel voor de rechtsonderhorige; namelijk dat zijn individuele rechten en vrijheden beter gewaarborgd worden. Het is evident dat de uitvoering van de wet de politiediensten voor problemen stelt”De overige zes politiezones verwachten wel verbeteringen voor de eigen politiedienst alsgevolg van de Salduz-wet. Men verwacht dat de waarde van het verhoor zal toenemen,hierdoor zal het aantal onzorgvuldigheden reduceren en de kwaliteit verhogen. Bijgevolgworden betwistingen of het intrekken van bekentenissen moeilijker. Twee respondentenwezen bijkomend op het grote voordeel voor de advocatuur, namelijk werkzekerheid. 54
  • 65. 2.2. PersoneelscapaciteitVervolgens werd gevraagd of hun politiezone over voldoende politieambtenaren beschikt omde Salduz-regeling naar behoren toe te passen. De antwoorden hierover waren erg verdeeld.Wel blijkt het merendeel van de politiezones een afwachtende houding aan te nemen. Menstelt dat het onmogelijk is om de toekomst correct in te schatten en wil daarom eerst de nodigelessen uit de praktijk trekken: “Hoe heet moet de soep gegeten worden?.”Daarnaast worden toch enkele voorzichtige inschattingen gedaan. Voornamelijk grotere zonesof zones die recentelijk hun personeelscapaciteit vergrootten beschouwen zich capabel vooreen degelijke implementatie. Zij verwachten geen grote problemen met hun huidigerecherchecapaciteit. Een klein deel van deze zones is genuanceerder: Men acht deimplementatie haalbaar, mits enkele aanpassingen zoals meer overuren en een extra budget.Een even grote groep zones verwacht dat zij, met hun huidige organisatie, de regeling nietnaar behoren zal kunnen toepassen. De meerkost aan overuren en het gebrek aan personeelvormt een groot obstakel. Voor de meeste zones gelden er immers bezuinigingen diedergelijke aanpassingen bemoeilijken. “Wellicht zal die extra personeelsinzet in onze zone niet van die aard zijn, dat er bovenmatige inspanningen worden gevergd.”Daarnaast worden enkele bijkomende bedenkingen geformuleerd met betrekking tot deorganisatie van bewakingspersoneel en de beschikbaarheid van interventieteams na dekantooruren. Zowat alle korpschefs wijzen op het belang van voldoende coaching en training.Er heerst een algemene consensus dat de Salduz-regeling voor een prioriteitenverandering zalzorgen: Men verwacht dat er meer tijd besteed zal worden aan administratie en het risico opeen verminderde basispolitiezorg aanzienlijk is. “Het effect zal zich vooral laten voelen in een vermindering van de politieaanwezigheid op straat.” 55
  • 66. 2.3. Huidige middelenAls derde werd gepolst naar de mogelijkheden van de politiezone met betrekking tot huninfrastructuur en faciliteiten. In het algemeen gelden hier iets betere verwachtingen. Bijnatwee derde van de ondervraagde zones verwacht geen grote problemen. Dankzij geplande ofrecente verbouwingen, een ruime behuizing of dichtbijgelegen Federaal GerechtelijkePolitiediensten lijken zij over voldoende faciliteiten te beschikken. In sommige zones zijn welnog kleine aanpassingen nodig, zoals het aanschaffen van camera‟s. Ondanks hetkostenplaatje lijkt dit in hun zone haalbaar: “Wellicht niet onoverkomelijk. Wel kostelijk.”Anderzijds maakt de beschikbare infrastructuur en faciliteiten een behoorlijke implementatiein de overige zones onmogelijk. Deze zones beschikken bijvoorbeeld niet over voldoendeverhoorlokalen, consultatieruimtes, opnamemateriaal of andere technische middelen zoals eenmetaaldetector. Grote verbouwingen en nieuw materiaal zouden dit probleem kunnenoplossen, maar budgettaire beperkingen en plaatsgebrek belemmeren dit. De zones proberenzo creatief mogelijk oplossingen te bedenken: kantoorcontainers als verhoorruimtes, gebruikmaken van deelkantoren, compacter organiseren, lokalen herinrichten, celruimtes voorverhoren,.. Kortom improvisatie: “Net zoals wij ons flexibel moeten opstellen omwille van deze nieuwe wettelijke bepalingen, verwacht ik dat ook van de advocatuur. Roeien met de riemen die ter beschikking zijn.” “Thans probeert men creatief te zijn tot men daar weer commentaar op geeft.”Ten slotte bleken, ongeacht positieve of negatieve verwachtingen, veel politiezones bezorgdover het aantal beschikbare cellen. De meeste zones kampen met tekort aan of onaangepastecellen en vrezen voor meer vrijheidsberovingen als gevolg van de Salduz-regeling. Bovendienwijst een vijftal respondenten op de onduidelijkheden hieromtrent.2.4. Aanwezigheid advocaatIn de volgende vraag werd gepolst naar de visie over de verplichte aanwezigheid van deadvocaat. De respondenten blijken een genuanceerde mening te hebben: Het merendeel zietzowel voordelen als nadelen verbonden aan de bijstand. Slechts negen respondentenvoorspellen enkel negatieve gevolgen. 56
  • 67. “Indien het helpt om Vrouwe Justitia correct te dienen, POSITIEF. Indien het wordt gebruikt om procedurefouten te bewerkstelligen, NEGATIEF.”De politiezones maken zich op een aantal vlakken zorgen over de bijstand. Men waarschuwtenerzijds voor het gedrag van de advocaat zoals bijvoorbeeld aanraden te zwijgen, het verhoorverstoren, een procedurespel spelen. Twee korpschefs vragen zich af of politiefunctionarissen,wel het nodige weerwerk kunnen bieden tegen deze spitsvondigheden. Anderzijds kan deadvocaat ook als bondgenoot helpen bij de waarheidsvinding. “Zoals dé politieman niet bestaat is er ook niet iets zoals dé advocaat. Ik ben er van overtuigd dat de meeste advocaten het spel correct zullen meespelen. Ik vrees echter dat er ook aan (beperkt) aantal de procedure zullen gebruiken om de procedure zelf.”Ook wijst men op praktische moeilijkheden. De 24-uren termijn zorgt voor tijdsdruk. Hetwachten op een beschikbare advocaat, het voorafgaand overleg en het eventueel zoeken vaneen tolk leidt tot tijdsverlies. Het verminderen van het aantal bekentenissen is het meestaangehaalde tegenargument. Men verwacht dat hierdoor de materiële bewijsvoeringbelangrijker wordt maar men denkt hiervoor niet over voldoende middelen te beschikken.Anderzijds wordt het groeiend belang van het sporenonderzoek ook als positief gezien, menverwacht dat de politie professioneler en wetenschappelijker te werk zal gaan. Daarnaastvergroot de bijstand de rechtswaarborgen van de verdachte en stimuleert een kwalitatiefverhoor. “Op naar een professionelere politie, met wetenschappelijke methoden en technieken.”Slechts vijf respondenten vermelden geen nadelen. Zij wijzen op de passieve houding van deadvocaat en verwachten dat de bijstand geen grote invloed zal uitoefenen. Tot slot nemen vierrespondenten een afwachtende houding aan, zij willen eerst meer duidelijkheid.2.5. Audiovisueel verhoorHet AVV wordt door bijna alle politiezones bestempeld als een waardevol alternatief voor deSalduz-regeling. Toch krijgt dit alternatief verschillende invullingen: Een handvolrespondenten beschouwt het niet als een volwaardig alternatief maar wel alsovergangsmaatregel of bijkomende regeling. Eén korpschef noemt het alternatiefonontbeerlijk. 57
  • 68. De zeven korpschefs die niet openstaan voor die alternatief, doen dit om verschillenderedenen. Eén korpschef vindt dit onnodig aangezien politionele wanpraktijken zich nietvoordoen, drie anderen sluiten deze optie uit omdat het niet wettelijk voorzien is. De overigerespondenten vinden het geen volwaardig vervangmiddel voor de advocaat.Opvallend is wel dat het Salduz-arrest verschillend geïnterpreteerd wordt. Sommigen stellendat dit arrest expliciet bijstand vereist, terwijl anderen enkel de bescherming tegen dwangafleiden: “Ik vind dit een veel beter en pragmatischer systeem dat ook de waarborgen die het Salduzarrest als geschonden zag ondervangt” “We moeten ons richten op het Salduz Arrest, dat gebiedt de bijstand te voorzien van een advocaat. Het AVV komt daar niet aan tegemoet.”2.6. Verwachtingen AVVOngeacht de beoordeling van dit alternatief werd gevraagd welke problemen of verbeteringende korpschef bij de toepassing ervan in zijn zone kan verwachten.De korpschefs benadrukken het rechtsbeschermend karakter van het audiovisueel verhoor,zowel voor de verdachte als de politiedienst. Het maakt controle op het verhoor en analysesdoor experts mogelijk en kan een hulpmiddel zijn bij betwistingen. “Ik heb daar geen probleem mee en wel integendeel want dit kan enkel de correctheid van de politie in de verf zetten en de rechten garanderen voor de verdachte... Meer rechtszekerheid voor iedereen: er is een objectieve controle mogelijk.”Bovendien kan het verhoor zowel overdag als „s nacht plaatsvinden en worden wachttijdenvermeden. Wel heeft men enkele bedenkingen. Men verwacht dat de opname de kwaliteit vanhet verhoor en het belang van de vraagstelling vergroot maar ook de advocaat kansen geeftfouten op te sporen. Daarnaast is opgeleid personeel, aangepaste lokalen en technischmateriaal vereist. Deze kosten baren hen zorgen. Sommige korpschefs wijzen daarnaast op hetminder spontane of stressvolle verloop van het verhoor door de aanwezige camera‟s. Degrootste bekommernis is echter het tijdrovend karakter van de registratie. Dit zou debasispolitiezorg negatief kunnen beïnvloeden en voor extra overuren zorgen. Verscheidenekorpschefs hopen daarom op een AVV zonder integrale uitschrijving. Ook hier zijn nog veel 58
  • 69. onduidelijkheden en moet men de praktijk en het beschikbare budget afwachten alvorenscorrecte inschattingen te kunnen doen. “Indien elk verhoor moet uitgetikt worden, zijn de capaciteitsproblemen niet te overzien…”2.7. Ander alternatiefDe laatste vraag polst naar mogelijke andere alternatieven. De meerderheid vindt dat ervoldoende waarborgen voor de verdachte bestaan en geeft geen bijkomend alternatief naasthet AVV. Enkelen onder hen benadrukken dat onze rechtsgang niet te vergelijken is met dezein Turkije. “Ook zonder Salduz was het recht op een eerlijk proces vrij goed gewaarborgd in de meeste Westerse landen. Salduz danken we uiteindelijk aan onze Turkse collega‟s.”Hoewel de algemene tendens vertrouwen toont in de huidige rechtsbedeling, zijn er tochrespondenten die bijkomende alternatieven aanhalen. Enerzijds wil één korpschef deverplichte bijstand beperken door de verdachte voorafgaand kennis te geven van al zijnrechten door overhandiging van een document, waarna er ruimte is voor een spontaneverklaring. Indien de verdachte dit niet wilt, wordt een advocaat gecontacteerd. Daarnaastopteren verschillende korpschefs voor een verlenging van de 24uur termijn, meer focussen opsporenonderzoek en infogaring, een integrale uitschrijving van het audiovisueel verhoor,verhoging van de minimumdrempel voor het AVV, enkel registratie bij discussie en slechtsbijstand indien de verdachte voor de onderzoeksrechter moet verschijnen of bij ernstigetenlasteleggingen. Eveneens wordt voorgesteld voor de advocatuur een deontologische codete ontwerpen met de waarheidsvinding als leidmotief. Ook de overhandiging van een openafschrift van elk gerechtelijk stuk uit het dossier vanaf het eerste verhoor aan de advocaat ende aanwezigheid van een lid van het OM vergroot de wapengelijkheid en tegensprekelijkheid.Eén enkele respondent vindt het bovendien cruciaal de politie niet enkel met regelgeving enalternatieven te bestoken maar ook voldoende te investeren: “De maatschappij en de overheid moeten durven investeren in haar politie en niet allen in woorden, maar ook in daden (en vertrouwen). Durf daar dan ook voor te kiezen: investeer in deontologie en begeleiding bij de politiemensen eerder dan de politie te isoleren!” 59
  • 70. 2.8. Bijkomende opmerkingenTot slot maakten enkele respondenten nog een aantal bemerkingen. Drie korpschefs wezen opde verdeling van verantwoordelijkheid. Enerzijds vinden één korpschef dat ook de rol enfunctie van het OM en de OR moet herzien worden. Anderzijds stellen twee korpschefs datook de federale overheid enige verantwoordelijkheidszin moet tonen: “Andermaal federale wetgeving waarvoor het lokale niveau zal moeten opdraaien. Dit geld had beter kunnen besteed worden”Daarnaast bekende drie korpschefs dat zij het moeilijk vonden om op de vragen naar behorente beantwoorden. Men zit binnen hun politiedienst zelf met nog te veel vragen en ze botstenbij de interpretatie van de richtlijnen van het college van procureurs-generaal en de Salduz-wet op een aantal onduidelijkheden en tegenstrijdigheden. Om deze reden werd volgens henmet enige voorzichtigheid en terughoudendheid de vragenlijst ingevuld.Twee andere korpschefs stelden dat de organisatorische en praktische problemenonvermijdbaar zijn, maar dat er altijd wel passende oplossingen bestaan. Crucialer is debasisfilosofie die achter deze regeling schuilt. Men waarschuwt daarom voor het risico opexorbitante controlemechanismen en een self-fullfilling prophecy bij de politieambtenaren. “..namelijk het idee dat politiemensen totaal niet te vertrouwen zijn, en dus gecontroleerd moeten worden, meer zelfs: het bewijs moeten leveren dat ze hun boekje niet te buiten gegaan zijn (: een negatief bewijs, dat nooit waterdicht kan zijn)... Een blaam voor onze rechtsstaat.”Tot slot blijkt uit de vragenlijsten dat verschillende korpschefs nogal kritisch staan tegenoverde nieuwe richtlijnen. Het lijkt alsof de wetgevend initiatieven boven hun hoofd wordengenomen en de visie van mensen op de werkvloer te snel buiten beschouwing wordt gelaten. “Mijn excuses voor deze cynische benadering maar hoeveel van deze eminente professoren hebben er al een politieverhoor bijgewoond?” 60
  • 71. 3. DiscussieIn dit hoofdstuk worden de bevindingen uit bovenstaande antwoordenanalyse teruggekoppeldnaar de onderzoeksvragen. Elke onderzoeksvraag wordt op basis van deze bevindingenbeantwoord. Eveneens worden de resultaten in het licht geplaatst van de literatuur of eerderestudies.3.1. Onderzoeksvraag 1De eerste onderzoeksvraag peilt naar de verwachte impact van de Salduz-regeling op delokale politiezone. De impact wordt bestudeerd aan de hand van de problemen ofverbeteringen die de politiezone voorspelt.De politiezones vrezen een ruim arsenaal aan problemen. Een gedeelde en belangrijkste zorgis het gebrek aan infrastructuur, personeel en budget. De huidige infrastructuur en faciliteitenlijken ontoereikend. Dankzij verbouwingen en flexibele noodoplossingen zijn veelpolitiezones overtuigd de Salduz-regeling naar behoren te kunnen uitvoeren. Toch blijkt dateen niet verwaarloosbaar aantal zones nog met problemen kampt. Er zijn enerzijds kleineaanpassingen nodig zoals de herinrichting van verhoorlokalen, spreekruimtes en cellen. Maareveneens zijn in een aantal zones grote verbouwingen vereist om deze lokalen te voorzien.Bovendien moet extra materiaal aangekocht worden zoals camera‟s, metaaldetectoren ofopbergkastjes en moet er geinvesteerd worden in veiligheidswaarborgen. Dit lijken haalbareveranderingen maar voor veel zones is dit logistiek en financieel onmogelijk. Bovendien zorgde korte tijdspanne waarbinnen deze aanpassingen moeten gebeuren voor een extramoeilijkheid. De politiezones trachten zo flexibel mogelijk oplossingen te zoeken.Desondanks lijken deze noodoplossingen tot tijdsverlies, kosten, werkdruk, beperkterebehuizing en bijgevolg frustraties te leiden. Deze bevindingen sluiten aan bij de hoorzittingendie de Commissie organiseerde in het kader van het wetsontwerp. Leo Mares voorspelde hiergelijkaardige infrastructurele bezwaren.214 Een proefproject, dat in Luik werd gevoerd, botste214 Verslag 8 juni 2011 over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279005, http://www.dekamer.be/doc/flwb/pdf/53/1279/53k1279005.pdf, 93. 61
  • 72. op identieke problemen. Marc Neve, vertegenwoordiger van de Duits- en Franstalige Ordevan de Balie, stelt dat het proefproject duidelijk de gebrekkige infrastructuur aantoont.215Daarenboven heeft de lokale politie bedenkingen bij de huidige personeelscapaciteit. Menneemt een afwachtende houding aan en stelt dat een correcte inschatting enkel kan op basisvan praktijkervaringen. Toch heerst de consensus dat de Salduz-regeling meer personeelsinzetzal vereisen. Vooral de beperktere bezetting „s nachts en de toenemende werkdruk voorkleinere zones worden aangehaald. Zones die over meer personeel beschikken of zones dieeen investering kunnen doen achten zich wel bekwaam. Toch blijkt de personeelscapaciteit bijde meeste zones een grotere zorg dan de infrastructurele aanpassingen. Men wijst op debijkomende kosten voor de opleidingen en administratie. De meeste zones beschikken ookhier niet over de financiële ruimte om de meerkost aan personeel en overuren te dekken. Ookwaarschuwt men voor compenserende bovenmatige inspanningen en tijdsverlies waardoor eenprioriteitenverandering zich opdringt, dit ten koste van de basispolitiezorg. Deze bevindingenworden opnieuw bevestigd in de hoorzitting door Leo Mares (korpschef Beveren) en EricWauters (Vaste Commissie Lokale politie) en in de media. Bij een ongewijzigde capaciteit zalde regeling volgens hen tot meer werklast en minder blauw op straat leiden.216Een derde grote bekommernis omvat de kern van de Salduz-wet, namelijk de bijstand van deadvocaat. Het merendeel van de zones lijkt open te staan voor diens aanwezigheid maarverwacht overwegend nadelen. Vooral de 24 urentermijn baart zorgen. Men verwacht dat hetaanstellen van een advocaat, de voorafgaande consultatie en de mogelijkheid het verhoor stilte leggen het onderzoek aanzienlijk kan vertragen. Dit tijdsverlies bemoeilijkt een degelijkonderzoek binnen de korte duur van de vrijheidsbeneming. Onderzoeksrechter VanCauwenberghe wijst eveneens op het probleem van de 24 urenregeling. Praktijkervaringen215 Verslag 8 juni 2011 over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279005, http://www.dekamer.be/doc/flwb/pdf/53/1279/53k1279005.pdf, 108.216 Verslag 8 juni 2011 over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279005, http://www.dekamer.be/doc/flwb/pdf/53/1279/53k1279005.pdf, 97.; X., “Thielen uit kritiek op salduz-wet”, Het Nieuwsblad, 30 maart 2011, http://www.nieuwsblad.be/article/detail.aspx?articleid=DMF20110330_023.; X., “Nieuwe Salduz-wet zal 16 miljoen kosten”, De Redactie, 18 juni 20011, http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/binnenland/1.1047249. 62
  • 73. dankzij een protocolakkoord toonden aan dat dit een reeële zorg is.217 Daarnaast uit men ookbedenkingen bij de houding van de advocaat. Men vreest dat deze de waarheidsbevinding kanbemoeilijken en de relatie met de balie bijgevolg kan verzuren. De advocaat kan zijn cliënteen zwijgstrategie aanraden, een procedurespel spelen of zijn boekje te buiten gaan. Er wordtalgemeen verwacht dat de bijstand tot minder (spontane) bekentenissen leidt, waardoor andereonderzoekstechnieken belangrijker worden. Maar opnieuw waarschuwt men vooronvoldoende middelen en personeel. Een Nederlands experiment uit 2008 concludeerdeeveneens dat de bijstand van een advocaat de proceshouding van de verdachte beïnvloedt.Ook het toenemende belang van andere opsporingsmethoden wordt hier bevestigd. 218 Hetsyndicaat van de Belgische politie waarschuwde reeds in 2010 voor het gebrek aan middelenbij de wetenschappelijke politie.219 Een daling van het aantal bekentenissen wordtdaarentegen niet bevestigd door Europees onderzoek.220Naast deze drie grote bezwaren kampt de lokale politie met tal van andere bedenkingen. Zovreest men dat de regeling ook een weerslag zal hebben op het slachtoffer en de maatschappij.Men vrees dat het slachtoffer in de schaduw komt te staan. De verdachte kan immers beroepdoen op (gratis) bijstand tijdens zijn verhoor, in tegenstelling tot het slachtoffer. Dit zou demaatschappelijke perceptie van een overbescherming van de verdachte kunnen. Ook houdtmen rekening met een omslag binnen de politiecultuur. De politieambtenaar zal moetenwennen aan de toename van accusatoire kenmerken. Daarenboven vreest men dat de Salduz-regeling de doorlooptijd van een dossier aanzienlijk verhoogt, bijvoorbeeld bij kleinecriminaliteit, met als risico een daling van de oplossingsgraad.Toch is het vooral het gebrek aan eenduidige regels die voor de meeste frustratie zorgen. Dezeabsolute en acute nood aan een duidelijk praktisch en wetgevend kader vormde reeds in dehoorzitting een aandachtspunt.221 Dit onderzoek bevestigt dat de lokale politie met veel217 K. VAN CAUWENBERGHE, “Salduz, de georganiseerde chaos”, De Juristenkrant, afl. 222, 26 januari 2011, 8.218 L. STEVENS en W.J. VERHOEVEN (eds.), Raadsman bij politieverhoor. Invloed van voorafgaande consultatie en aanwezigheid van raadslieden op de organisatie en wijze van verhoren en de proceshouding van verdachten, Rotterdam, Erasmus Universiteit, 2010, 149-155.219 SYNDICAAT VAN DE BELGISCHE POLITIE, Stakingsaanzegging, 16 juni 2010, http://www.sypol.be/Politie/Nederlands/tekst/Flash/2010/SYPOL%20FLASH%20151%20NL.pdf.220 G.H. GUDJONSSON, The Psychology of Interrogations and Confessions: A Handbook, Chichester, John, Wiley and Sons, 2003, 149-150.221 Verslag 8 juni 2011 over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279005, http://www.dekamer.be/doc/flwb/pdf/53/1279/53k1279005.pdf, 96-97. 63
  • 74. vragen kampt. Men wilt bijvoorbeeld duidelijke richtlijnen omtrent bewaking, de passievehouding van de advocaat, het verhoor op verplaatsing of van dadergroepen en deaanwezigheid van tolken. Tot slot zorgt ook de onduidelijkheid over deverantwoordelijkheids- en rolverdeling en de financiering voor pessimistische verwachtingen.De verbeteringen die de lokale politie aanhaalt zijn in vergelijking met de bezwaren eerderpover. Men benadrukt dat de finaliteit van de wet het versterken van de rechtsbeschermingvan de rechtsonderhorige is. Bovendien kan de advocaat als controleur toezien op een eerlijkverloop van het verhoor. Voor de eigen politiedienst verwacht de lokale politie weinigvoordelen. Men denkt dat de materiële bewijsvoering zal toenemen en de politieprofessioneler en wetenschappelijker te werk zal gaan. De advocaat kan daarnaast als partnermeehelpen bij de waarheidsvinding en het risico op later betwistingen of onzorgvuldighedenverkleinen. Het Nederlandse proefproject wijst eveneens op deze dubbele rol. 222 De lokalepolitie voorspelt dat het verhoor minder belangrijk wordt, maar de kwaliteit toeneemt en eenbekentenis aan bewijskracht wint. Bijgevolg worden betwistingen over of het intrekken vanbekentenissen moeilijker.3.2. Onderzoeksvraag 2De tweede onderzoeksvraag polst naar de beoordeling van de lokale politie over hetaudiovisueel verhoor. Er wordt nagegaan of men dit verhoor als een mogelijk alternatiefbeschouwt. Ook hier wordt het standpunt op basis van verwachte problemen of verbeteringenin de eigen politiezone verkend.Bij de toepassing van het AVV worden een aantal struikelblokken in de politiezonesverwacht. Net zoals bij de Salduz-regeling, verwacht men infrastructurele en budgettaireproblemen. Een degelijke opname kan slechts indien men over voldoende technischemateriaal en aangepaste verhoorruimtes beschikt. Dit probleem werd reeds in een circulaireaangehaald.223 Opnieuw is er verdeeldheid tussen de zones: Aanpassingen, verbouwingen enmateriaalaankopen kunnen zich opdringen, maar niet elke lokale zone beschikt over demiddelen om deze vereisten te vervullen. Bovendien heeft men bedenkingen bij de integraleregistratie. Indien dit verplicht wordt, vreest men veel administratief werk en tijdsverlies. Dit222 L. STEVENS en W.J. VERHOEVEN (eds.), Raadsman bij politieverhoor. Invloed van voorafgaande consultatie en aanwezigheid van raadslieden op de organisatie en wijze van verhoren en de proceshouding van verdachten, Rotterdam, Erasmus Universiteit, 2010, 54-56.223 Omzendbrief nr. COL 15/2010 Addendum bij de COL 7/2010 betreffende de bijstand van een advocaat bij het eerste politionele verhoor van een verdachte gelet op de recente rechtspraak van het EHRM, 14 juli 2010. 64
  • 75. kan worden opgevangen mits een voldoende personeel, zo niet heeft de audiovisueleregistratie een weerslag op de dienstverlening en het blauw op straat. Dit tegenargument werdeveneens tijdens de voorbereidende werken aangehaald en bevestigd in internationaalonderzoek.224 De lokale politie stelt bijkomend dat het personeel capabel moet zijn om hetAVV af te nemen. Een specifieke training verhoogt nogmaals het kostenplaatje. Daarnaastwaarschuwt men voor de invloed van camera‟s in de verhoorruimte. Zowel de verhoorder alsde verdachte kan zich hierdoor ongemakkelijk voelen. De opname biedt advocaten kansen omzodanig op het verhoor in te spelen dat de inhoud minder belangrijk wordt of het verhoormoeizamer en stressvoller verloopt. Eens te meer worden vraagstelling, houding en gedragvoor de politiemensen van betekenis. Deze bekommernis vindt eveneens steun in deliteratuur.225 Andere bronnen beweren daarentegen dat dit zich in de praktijk zeldenafspeelt.226Ondanks bovenstaande bedenkingen verwacht de lokale politie ook positieve invloeden doorhet AVV. Enerzijds wijst men op het rechtsbeschermend karakter van de registratie voor deverdachte, anderzijds ziet men ook voor de politiezone enkele voordelen. Men voorspelt eenkwaliteitsvoller, pragmatischer en objectiever verhoor. Uit de literatuur blijkt dat dezekwaliteitsstijging zich al afspeelde bij het videoverhoor bij minderjarigen. 227 De opname biedtbovendien duidelijkheid in de verdere rechtsgang over wat vooraf ging en maakt controle bijbetwistingen mogelijk. De correctheid van de politieambtenaar kan hierdoor in de verf gezetworden. Daarnaast ziet de lokale politie nog andere positieve aspecten, die ook in de literatuurbeschreven worden, zoals de mogelijkheid van een expertanalyse, een betere bewijsvoering entijdswinst.228 Indien het AVV als volwaardig alternatief beschouwd wordt, worden dewachttijden met betrekking tot de komst van de advocaat vermeden en kunnen verhoren zoalsoverdag als ‟s nachts plaatsvinden.224 Verslag 8 juni 2011 over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279005, http://www.dekamer.be/doc/flwb/pdf/53/1279/53k1279005.pdf, 46.; C. WILLIS, J. MACLEOD en P. NAISH, The tape-recording of police interviews with suspects: second interim report, London, HMSO books, 1988, 51-52.225 F. VAN HEKKEN, “Groen licht voor verhoor op video”, Algemeen politieblad, 1998, 4-6.225 M. KOMTER, “Verhoren voor de camera”, Tijdschrift voor de Politie, 1998, 9.226 S. NOELANDERS, C. VERBANDT, F. GODFROID en C. GRAYET, “Videoverhoren: de praktijk doorgelicht” in F. MULLENERS (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, afl. 45, 35.227 L. CLAEYS en B. COOLS, “Audiovisueel verhoor van kinderen”, in G. VERMEULEN, Strafrechterlijke bescherming bij minderjarigen, Antwerpen, Maklu, 2001, 552.228 M. BOCKSTAELE, Handboek verhoren 2, Antwerpen, Maklu, 2009, 243. 65
  • 76. Er blijkt bij de lokale politie een sterk vertrouwen in de rechtsbedeling: Men stelt dat derechten van de verdachte tijdens het vooronderzoek in België voldoende worden gewaarborgden een alternatief dus niet echt noodzakelijk is. Toch beoordelen de politiezones in hetalgemeen het AVV als een waardevol alternatief. De lokale politie ziet zowel nadelen alsvoordelen verbonden aan dit alternatief Men heeft wel verschillende opvattingen over deinterpretatie van het audiovisueel verhoor. Zowel een toepassing als volwaardig alternatief,als overgangsmaatregel of als aanvullende waarborg worden overwogen. Ook hier vraagt delokale politie echter om meer duidelijkheid en praktische richtlijnen. 66
  • 77. DEEL 4: CONCLUSIE1. Algemene conclusieDe verdachte lijkt in het moderne strafrecht van de 21ste eeuw op een steeds humanere wijzebenaderd te worden. De status van de verdachte wordt niet meer beperkt tot die van een vijandvan de maatschappij, maar gezien als een evenwaardige procespartij en een drager van tal vanrechten. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is een belangrijke voorvechter voordeze benadering. Mede dankzij het EVRM wordt het recht op een eerlijk proces als één vande grondslagen van de democratische samenlevingen beschouwd. Hoewel dit recht zowel ininternationale, Europese als nationale wetgeving werd verankerd, blijkt het waarborgen ervanin de realiteit niet zonder problemen. Het Europese Hof is één van de verscheidenetoezichtinstanties. Ze waakt over dit mensenrecht en tracht door middel van haar rechtspraakde uitoefening te sturen. Het recht op bijstand van de raadsheer is een aspect van het recht opverdediging en kent geen uniforme Europese regeling maar werd door de Straatsburgserechtspraak wel veelvuldig aangekaart. Het Salduz-arrest is hiervan het bekendste arrest: Hetstandpunt van het Hof in dit, en in latere bevestigende arresten, zorgde voor een toenemendbelang van de raadsman bij het politieverhoor: Met dit arrest verduidelijkte het hof dat elkeaangehouden verdachte recht heeft op de bijstand van een advocaat tijdens zijn eerste verhoor.Hoewel de Belgische wetgever reeds verscheidene waarborgen voor het recht op een eerlijkerechtsbedeling voorziet, leidde het Salduz-arrest ook in eigen land voor nervositeit. Menwilde kost wat kost een veroordeling door het Hof vermijden en na een aanslepende periodevan voorbereidende werken besliste ook België uiteindelijk om vanaf 1 januari 2012 debijstand tijdens het eerste verhoor wettelijk te verplichten. Deze zogenaamde Salduz-wet werddoor de media bestempeld als een belangrijke hervorming van de Belgischestrafrechtsbedeling. De aanname leidde tot een levendig debat tussen voor- en tegenstanders.Zoals bij elke grote maatschappelijke verandering klonken ook hier allerlei doemscenario‟s enwerden verschillende alternatieven of tussenoplossingen voorgesteld.De veelvuldige kritieken, die vanuit het werkveld klonken, vormden een belangrijke stuurpuntvoor dit kwalitatief onderzoek. Een wet vastleggen op papier vergt de nodige inspanningen,maar een degelijke implementatie is vaak nog een stap verder. Het politiewezen waarschuwdevoor een immense impact van de wet op hun sector. In dit onderzoek werd daarom enerzijdsgetracht een verkennend beeld te schetsen van deze impact. Met behulp van een vragenlijst 67
  • 78. werden alle lokale politiezones in Vlaanderen gecontacteerd in de hoop een zicht te krijgen opde verwachtingen voor hun politiezone en zo de eerste onderzoeksvraag te beantwoorden. 1. Welke impact heeft de implementatie van Salduz-regeling volgens de lokale politie op de eigen politiezone? -Welke problemen verwacht de lokale politie als gevolg van deze implementatie? -Welke verbeteringen verwacht de lokale politie als gevolg van deze implementatie?De lokale politie lijkt vooral pessimistische vooruitzichten te hebben. Men verwacht wel meerin te zetten op de materiële bewijsvoering en zo te evolueren naar een deskundigere enwetenschappelijkere politie. Ook de coalitie met de advocaat, de controlemogelijkheden eneen hogere kwaliteit van het verhoor of bekentenissen zouden positieve gevolgen kunnen zijnmaar al bij al zien de lokale zones weinig voordelen. Ze geven een ruim arsenaal aanbezwaren. Waarschuwingen over het gebrek aan infrastructuur, materiaal en geschooldpersoneel én aansluitend de grote financiële kosten vormen de kern van het verweer. Ookverwacht men dat de aanwezige advocaat voor bijkomstige problemen zal zorgen, hettijdsverlies is hier slechts een voorbeeld van. Even belangrijk is het feit dat de lokale politienog met tal van vragen kampt en worstelt met tegenstrijdige of onduidelijke richtlijnen. Overde invloed op de perceptie van de samenleving, de politiecultuur, de dienstverlening, depraktische organisatie, enzovoorts is het bijgevolg nog tasten in het duister. De verwachtingenzijn eerder zorgwekkend.De tweede onderzoeksvraag werd opgesteld dankzij de informatie uit de debatten van devoorbereidende werken. In deze debatten trachtten enkele politieke partijen op de kritieken inte pikken door het audiovisueel verhoor als mogelijk alternatief voor te stellen. Ervaringen uitnaburige landen toonden reeds de waarde van dit verhoor aan. Daarom werd opnieuw bij delokale politie gepolst naar hun visie aan de hand van een tweede onderzoeksvraag. 2. Hoe beoordeelt de lokale politie het voorstel van een verplichte audiovisuele opname van het eerste politioneel verhoor als een mogelijk alternatief voor de Salduzregeling ? 68
  • 79. - Welke problemen verwacht de lokale politie bij een verplichte audiovisuele registratie van het eerste politioneel verdachtenverhoor? - Welke verbeteringen verwacht de lokale politie dankzij een verplichte audiovisuele registratie van het eerste politioneel verdachtenverhoor?De lokale politie schetst een vrij positief beeld van het audiovisueel verhoor. Vooral decontrolemogelijkheden oogsten positieve vooruitzichten. Het vergemakkelijken vangeschilbeslechtingen, expertenanalyses en tijdswinst zijn enkele verwachte verbeteringen.Kortom, de lokale politie verwacht dat dit alternatief de rechtsbescherming voor depolitieambtenaar vergroot en tot betere, sterkere verhoren kan leiden. Maar ook hier verwachtmen een aantal moeilijkheden bij de praktische implementatie. Opnieuw klinken bezwarenzoals de infrastructurele aanpassingen en materiële aankopen, die bemoeilijkt worden dooreen beperkt budget. Ook het tijdrovend en gespecialiseerd karakter en de administratievewerklast baart hen zorgen. Daarnaast vrezen de politiediensten dat camera‟s de druk op beidepartijen kunnen verhogen en zo het verhoor bemoeilijken. Daarom ijvert men opnieuw vooreen grotere personeelscapaciteit en aangepaste opleidingen. Zonder deze inspanningen acht delokale politie een degelijke afname van het audiovisueel verhoor onmogelijk en biedt ditverhoor geen volwaardig alternatief.Kortom, het onderzoek toont aan dat de lokale politie een aanzienlijke impact verwacht vande Salduz-wet. Hoewel hun prognose eerder negatief is, toont men zich flexibel en inventiefen probeert men in de mate van het mogelijke een degelijke implementatie in de zones tewaarborgen. De lokale politie toont een sterk vertrouwen in de huidige werkwijze en isovertuigd dat de verdachte nu reeds voldoende beschermd wordt, maar omschrijft het AVVtoch als een waardevol alternatief. Desalniettemin benadrukt de lokale politie de noodzaakaan duidelijke praktische richtlijnen en eenduidige wettelijke voorschriften. Slechts dan kanmen een meer waarheidsgetrouwe voorspelling maken en een duidelijk standpunt innemen. 69
  • 80. 2. Kwaliteit van het onderzoekDe Salduz-wet heeft in zijn definitieve vorm nog maar recentelijk het levenslicht gezien. Hetmaatschappelijk debat rond deze problematiek is bijgevolg vrij actueel, bovendien is erweinig onderzoek voorhanden. De bevindingen uit dit onderzoek kunnen een waardevolinzicht schenken in het standpunt van de lokale politie. Dit kan echter enkel indien dekwaliteit van het onderzoek voldoende gewaarborgd is. Daarom werden enkele maatregelengenomen.Het onderzoeksproces werd reeds in de methodologiesectie zorgvuldig omschreven enterugbezorgde vragenlijsten werden verzameld en opgeslagen. Hierdoor kunnen de genomenbeslissingen en de betrouwbaarheid van het onderzoek extern beoordeeld worden. Daarnaastwerd door voorafgaand literatuuronderzoek en zelfreflectie, de data zo objectief mogelijkgeanalyseerd. Bovendien werden de antwoorden door de respondenten zelf en in hun eigenbewoording genoteerd, waardoor het risico op een subjectieve interpretatie afneemt.229 Bijgrote onduidelijkheden werd de respondent gecontacteerd voor meer verduidelijking.Hoewel dit slechts een exploratief onderzoek is, is het toch belangrijk voldoenderespondenten te bereiken. De responsgraad van dit onderzoek ligt, ondanks herhaaldelijkcontactnames, niet zeer hoog. De periode waarbinnen de bevraging plaatsvond en de kortetijdspanne hebben hier ongetwijfeld een aandeel in. Toch kan op basis van de bevindingen eenwaardevolle inschatting worden gemaakt: Er werden vanuit elk gerechtelijk arrondissement inVlaanderen bruikbare reacties ontvangen. Bovendien lijkt er geen onevenwicht te zijn, zowelvan grote als kleine zones reageerden.229 D. MORTELMANS, Handboek kwalitatieve onderzoeksmethoden, Leuven, Acco, 2009, 435-436. 70
  • 81. 3. AanbevelingenAls afronding van deze meesterproef worden enkele aanbevelingen voor verder onderzoek enhet beleid opgesomd. Enkele aanbevelingen zijn gebaseerd op suggesties van de korpschefs.Ten eerste blijkt uit het onderzoek een dringende vraag naar meer duidelijkheid voor debetrokken actoren. Momenteel circuleren verschillende richtlijnen die een eenduidigeimplementatie bemoeilijken. Het is daarom nuttig om alle bestaande informatiebronnen metbetrekking tot de Salduz-wet te verzamelen, op elkaar af te stemmen en zonodig aan te vullenopdat een ondubbelzinnige bundel van praktische richtlijnen en wettelijke voorschriftenopgesteld kan worden. Daarnaast vraagt de financiering en verantwoordelijkheidsverdelingom enige verheldering en worden concepten zoals „ongeoorloofde druk‟ en „passieve bijstand‟best ondubbelzinnig omschreven. Het werkveld krijgt zo enerzijds een beter zicht op deverwachtingen en kan anderzijds de implementatie efficiënter voorbereiden.Bovendien werden tijdens de voorbereidende werken reeds alternatieven en bedenkingengeformuleerd. Ondanks de definitieve goedkeuring van de wet, schat men de uitvoering nietrooskleurig in. Het verder opsporen en onderzoeken van andere proactieve alternatieven,noodoplossingen of overgangsmaatregelen lijkt zinvol. Het audiovisueel verhoor werd reedsaangehaald maar vraagt verder onderzoek. Verschillende korpschefs opteren immers voor eenaangepaste autonome regeling waarbij geen integrale uitschrijving, maar welminimumdrempels worden voorzien. In de vragenlijsten werden nog bijkomende suggestiesteruggevonden: Het opstellen van samenwerkingsprotocols, bovenlokale samenwerking, hetdelen van celcomplexen, het uitbouwen van wachtdiensten en oproepbare manschappenbuiten de kantooruren zijn enkele voorbeelden. Met het oog op meer werkdruk enonevenwichtige tijdinvesteringen raadt men eveneens verder onderzoek naar een eventuelehogere minimumdrempel voor de bijstand en een nuttige tijdsbesteding tijdens dewachtperiode aan.De bijstand van de advocaat maakt daarenboven de relatie tussen de balie en de politie nietonbelangrijk. De advocaat vervult immers een dubbele rol: het bewaken van zowel derechtspositie als de waarheidsvinding. Vanuit dit perspectief is het aan te raden voldoendeoverleg te organiseren tussen beide actoren. De suggesties om een derde neutrale persoon toete laten bij het verhoor of om een deontologische code voor de advocatuur te voorzien kunnenin dit opzicht verder verkend worden. 71
  • 82. Ook voorspelt de lokale politie een groter gewicht voor de wetenschappelijke politie.Momenteel kampt deze politiedienst echter met een tekort aan middelen. Het is aan te bevelendeze verwachte verschuiving nader op te volgen en indien nodig anticiperend op te treden.Daarnaast treedt de Salduz-wet binnen een vrij korte tijdspanne in wering. Uiteraard zal deimplementatie van deze regeling een aanpassing vergen van de mensen op het terrein en zaldeze nieuwe manier van werken de kinderziekten moeten ontgroeien. De verwachting datdeze regeling een weerslag zal hebben op de basispolitiezorg voor de samenleving botst metenkele doelstellingen van de politie. Het opstellen van een adequaat evaluatiesysteem biedt demogelijkheid om dergelijke prioriteitveranderingen te ontdekken en om de uitvoering in depraktijk zonodig te optimaliseren.Tot slot maakt een laatste algemene aanbeveling de cirkel weer rond en verwijst terug naar hetbegin van deze uiteenzetting, namelijk het idee dat het oordeel over rechtvaardigheid in sterkemate afhangt van de perceptie over de gevolgde procedure. Vanuit deze opvatting is hetaanbevolen bij toekomstige veranderingen steeds alle actoren te betrekken en dus ook dewerkvloer vroegtijdig een stem te geven. 72
  • 83. BIBLIOGRAFIE1. Gedragswetenschappelijke boekenAERTSEN, I., Slachtoffer-daderbemiddeling: een onderzoek naar de ontwikkeling vanherstelgerichte strafrechtsbedeling, Leuven, University Press, 2004, 471p.BILLIET, J. en WAEGE, H. (red.), Een samenleving onderzocht: Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek, Antwerpen, De Boeck, 2005, 390p.BOCKSTAELE, M., Handboek verhoren 1, Antwerpen, Maklu, 2008, 438p.BOCKSTAELE, M., Handboek verhoren 2, Antwerpen, Maklu, 2009, 438p.BOCKSTAELE, M., “Het videoverhoor van volwassenen” in PONSAERS, P. (ed.),Vernieuwing in de recherche, Antwerpen, Maklu, 2002, 47-84.BOEIJE, H., Analyseren in kwalitatief onderzoek, Amsterdam, Boom Lemma, 2005, 179p.BOND, M., The Council of Europe and human rights: an introduction to the EuropeanConvention on Human Rights, Strasbourg, Council of Europe Publishing, 2010, 86p.BROOKOVER BOURQUE, L en FIELDER, E.P., The survey kit: How to conduct self-administered and mail surveys, London, Sage Publications, 2003, 264p.CLAEYS, I. en COOLS, B., “Audiovisueel verhoor van kinderen”, in VERMEULEN, G.(ed.), Strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, Antwerpen, Maklu, 2001, 533-564.CLEIREN, C.P.M. en NIJBOER, J.F., Strafvordering, Deventer, Kluwer, 2007, 2548p.CORSTENS,G. en PRADEL, J., Het Europese strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2003, 574p. 73
  • 84. DE PELSMACKER, P. en VAN KENHOVEN, P., Marktonderzoek: methoden entoepassingen, Amsterdam, Pearson Education, 2007, 515p.DE SMET, B. en RIMANQUE, K., Het recht op behoorlijke rechtsbedeling: een overzicht opbasis van artikel 6 EVRM, Antwerpen, Maklu, 2002, 178p.DE SMET, B. en STESSENS, G., "Art. 6 §3 E.V.R.M." in HAECK, Y. en VANDELANOTTE, J. (eds.), Handboek EVRM 2, Antwerpen, Intersentia, 2005, 949p.DE VAUS, D.A., Surveys in social research, London, Routledge, 2002, 379p.DE VROEDE, P. en GORUS, J., Inleiding tot het recht, Mechelen, Kluwer, 2007, 583p.DECORTE, T., MORTELMANS, D., TIEBERGHIEN, J. en DE MOOR, S., Haalbaarheidvan een repetitieve prevalentiestudie onder de algemene bevolking, Gent, Academia Press,2009, 399p.DENSCOMBE, M., The good research guide for small-scale social research projects,Maidenhead, Open University Press, 2007, 349p.DILLMAN, D.A., Mail and internet surveys: the tailored design method, Hoboken, JohnWiley and sons, 2007, 532p.EDWARDS, J.E., How to conduct organizational surveys: a step-by-step guide, London,Sage Publications, 1997, 164p.FIJNAUT, C., “De toelating van de raadsman tot het politioneel verdachtenverhoor. Eenstatus questionis op de drempel van de eenentwintigste eeuw” in GROENHUIJSEN, M. enKNIGGE, G. (ed.), Het vooronderzoek in strafzaken. Tweede interimrapportonderzoeksproject strafvordering 2001, Deventer, Gouda Quint, 2001, 671-755. 74
  • 85. FIJNAUT, C., Politie: Studies over haar werking en organisatie, Deventer, Kluwer, 2007,1279p.FOWLER, F., Survey Research methods, London, Sage, 2009, 201p.GOOSENS, F., Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 975p.GREENBERG, J. en COLQUITT, J., Handbook of organizational justice, New Jersey,Lawrence Erlbaum, 647p.GROENHUIJSEN, M.S. en KNIGGE, G. (red.), het vooronderzoek in strafzaken: tweedeinterimrapport onderzoeksproject strafvordering, Deventer, Gouda Quint, 2001, 755p.GUDJONSSON, G.H., The Psychology of Interrogations and Confessions: A Handbook,Chichester, John, Wiley and Sons, 2003, 684p.HUIZINGA, H., Onderzoek: communicatie – reclame– media, Alphen aan den Rijn, Samsom,2001, 120p.HUTSEBAUT, F., “Het wettelijk en jurisprudentieel kader inzake het politieverhoor” in VANELCHINGEN, S. (ed.), Het politieverhoor, Kessel-Lo, Centrum voor politiestudies, 1999, 43-69.KORKELIA, K., “The status of international treaties on Human rights and their influence onnational legislation and practice in Georgia”, in BUQUICCHIO, G. (ed.), The status ofinternational treaties on human rights, Strasbourg, Council of Europe Publishing, 2006, 129-146.KORTMANN, C.A.J.M., Constitutioneel recht, Deventer, Kluwer, 2008, 593p.KORZILIUS, H. De kern van survey-onderzoek, Assen, Van Gorcum, 2000, 143p. 75
  • 86. KRONENBERG, M.J. en DE WILDE, B., Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht,Deventer, Kluwer, 2007, 367p.LEON, J., BROWN, W., RUCH, L. en JOHNSON, T., Survey research: in-person, mail,telephone and web methods, Honululu, Streamline surveys, 2003, 186p.LUCASSEN, P. en HARTMAN, T. (eds.), Kwalitatief onderzoek: de praktische methodevoor de medische praktijk, Deventer, Bohn stafleu van Loghum, 2007, 156p.MEVIS, P.A.M., Capita Strafrecht: een thematische inleiding, Nijmegen, Ars aequi libri,2009, 880p.MIGCHELBRINK, F., Praktijkgericht onderzoek in zorg en welzijn, Amsterdam, SWP, 2003,271p.MORGAN, R. en EVANS, M., Combating torture in Europe: the work and standards of theEuropean Committee for the Prevention of Torture (CPT), Strasbourg, Council of EuropePublishing, 2001, 245p.MORTELMANS, D., Handboek kwalitatieve onderzoeksmethoden, Leuven, Acco, 2009,534p.PETAUX, J., Democracy and human rights for Europe: the Council of Europes contribution,Strasbourg, Council of Europe Publishing, 2009, 337p.REIJNDERS, E., Basisboek interne communicatie: Aanpak en achtergronden, Assen, VanGorcum, 2006, 393p.REMLER, D. en VAN RYZIN, G., Research methods in practice: strategies for descriptionand causation, London, Sage, 2010, 582p. 76
  • 87. SACKERS, H.J.B. en BURUMA Y., De kroniek van het strafrecht, Deventer, Kluwer, 2009,223p.SAPSFORD, R. en JUPP, V., Data collection and Analyses, London, Sage, 2006, 332p.SAUNDERS, M., LEWIS, P. en THORNHILL, A., Methoden en technieken van onderzoek,Amsterdam, Pearson Eduction, 2007, 523p.SIRON, N., VERMEULEN, G., DE RUYVER, B. en TAERTS, P., Bescherming ensamenwerking met getuigen, Antwerpen, Maklu, 2000, 198p.SPRONKEN, T., “Rechtshulp en advocatuur: een blik van buitenaf” in BRUGGEMAN, W.,DE WREE, E., GOETHALS, J., PONSAERS, P. ,VAN CALSTER, P., VANDER BEKEN,T. en VERMEULEN, G., Van pionier naar onmisbaar: over 30 jaar Panopticon, Antwerpen,Maklu, 2009, 266-277.SPRONKEN, T.N.B.M., Verdediging: een onderzoek naar de normering van het optredenvan advocaten in strafzaken, Gouda Quint, Deventer, 2001, 709p.SPRONKEN, T.N.B.M. en ATTINGER, M., Freedom, security and justice. ProceduralRights in Criminal Proceedings: Existing Level of Safeguards in the European Union,Maastricht, University of Maastricht, 2005, 297p.STEVENS, L. en VERHOEVEN, W.J. (eds.), Raadsman bij politieverhoor. Invloed vanvoorafgaande consultatie en aanwezigheid van raadslieden op de organisatie en wijze vanverhoren en de proceshouding van verdachten, Rotterdam, Erasmus Universiteit, 2010, 201p.TOCHILOVSKY, V., Jurisprudence of the international criminal courts and the EuropeanCourt of Human Rights: procedure and evidence, Leiden, Martinus Nijhoff Publishers, 2008,912p. 77
  • 88. TRAEST, P., “De bewijswaarde van het politieverhoor” in VAN ELCHINGEN, S. (ed.), Hetpolitieverhoor, Kessel-Lo, Centrum voor politiestudies, 1999, 129-147.VAN DAELE, D., “Recente ontwikkelingen inzake de wettelijke regeling van het verhoor instrafzaken” in VAN DAELE, D. en VAN WELZENIS, I. (eds.), Actuele thema‟s uit hetstrafrecht en de criminologie, Leuven, Universitaire Pers, 2004, 125-145.VAN DAELE, D., SCHROYEN, E., STEYVERS, J., GOOSEN, F. en HUTSEBAUT, F.,Het Belgische politiewezen: wetgeving, beleid en literatuur, Mechelen, Kluwer, 2011, 1041p.VAN DEN WYNGAERT, C., Strafrecht, strafprocesrecht en internationaal strafrecht,Antwerpen, Maklu, 2006, 1364p.VAN DIJK, P. en VAN HOOF, G.J.H., Theory and practice of the European convention onHuman Rights, Den Haag, Kluwer Law International, 1998, 850p.VANDE LANOTTE, J. en HAECK, Y., Handboek EVRM, Antwerpen, Intersentia, 2005,949p.VERMEULEN, G., Europese en internationale instellingen en organisaties: relevant voorcriminologie en strafrechtsbedeling, Antwerpen, Maklu, 2006, 222p.VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2007, 1193p.WILLIS, C., MACLEOD, J. en NAISH, P., The tape-recording of police interviews withsuspects: second interim report, London, HMSO books, 1988, 96p.2. TijdschriftenDE HERT, P. en WEIS, K., “Post-Salduzrechtspraak blijft komen”, De Juristenkrant, 11maart 2009, 11. 78
  • 89. DECAIGNY, T., "De bijstand van een advocaat bij het verhoor", T. Strafr., 2010, 4-17.GOOSSENS, F., “De audiovisuele registratie van het verhoor van meerderjarigen tijdens hetonderzoek in strafzaken: van een wettelijke mogelijkheid naar een wettelijke verplichting?Een aanzet tot discussie” in MULLENERS, F. (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: hetaudiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, 45, 5-15.HUYGEN VAN DYCK-JAGERSMA, V.S., “Het arrest Salduz en het recht op bijstand bijpolitieverhoor”, NJB, 27 maart 2009, 741-743.K. VAN CAUWENBERGHE, “Bijstand van een advocaat bij het eerste verhoor: Kan eenCOL het rechtslandschap redden?”, Vigiles, 2010, 4, 157-160.KEEREMAN, A., “Salduz-wetsontwerp in laatste rechte lijn”, De Juristenkrant, 29 juni 2011,1.KOMTER, M., “Verhoren voor de camera”, Tijdschrift voor de Politie, 1998, 9.LOGGHE, F., “Over de eerlijke behandeling volgens artikel 6 van het EVRM”, JuraFalconis, 1996-97, 33, 271-316.MAES, J. “Pleidooi voor de demystificatie van de verhoorkamer” in MULLENERS, F. (ed.),“Ver-horen, zien en zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Ordevan de dag, 2009, 45, 37-40.McCONVILLE, M., “Videotaping interrogations: police behaviour on and off camera”,Criminal Law Review, 1992, 532-548.MULLENERS, F., “Het debat geopend”, in MULLENERS, F. (ed.), “Ver-horen, zien enzwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, 45,3. 79
  • 90. NAEYE, J., “Video-opnamen bij verdachtenverhoor”, Algemeen politieblad, 1997, 6, 8-10.NIEROP, N.M., “Verdachtenverhoor op video. Registratie op beeldband biedt velevoordelen”, Algemeen Politieblad, 1997, 9-11.NOELANDERS, S., VERBANDT, C., GODFROID, F. en GRAYET, C., “Videoverhoren: depraktijk doorgelicht” in MULLENERS, F. (ed.), “Ver-horen, zien en zwijgen: hetaudiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009, 45, 33-36.VAN CAUWENBERGHE, K., "Bijstand advocaat vanaf eerste verhoor: één zwaluw maaktnog geen lente", De Juristenkrant, 10 februari 2010, 11.VAN DAELE, D., “Het afnemen van verklaringen met behulp van audiovisuele media: eencommentaar bij de wet van 2 augustus 2002”, T. Strafr, 2003, 46-61.VAN HEKKEN, F., “Groen licht voor verhoor op video”, Algemeen politieblad, 1998, 23, 4-6.VANCAUWENBERGHE, K., “Omwenteling in het strafrechtlandschap nog niet voormorgen of toch?”, De Juristenkrant, 14 januari 2009, 12.VANDERHALLEN, M. “Audiovisuele verhoren van meerderjarigen: op zoek naarkwaliteitsverbetering in het verdachtenverhoor” in MULLENERS, F. (ed.), “Ver-horen, zienen zwijgen: het audiovisueel verhoor van meerderjarige verdachten”, Orde van de dag, 2009,45, 17-28.3. KrantenartikelsDE WIT, J., “Landuyt over Salduz: Zo weinig mogelijk veranderen”, Gazet van Antwerpen,18 maart 2011, www.gva.be/nieuws/binnenland/aid1028858/landuyt-over-salduz-zo-weinig-mogelijk-veranderen.aspx. 80
  • 91. DE WIT, J., Landuyt over Salduz: “Zo weinig mogelijk veranderen”, 18 maart 2011,http://www.gva.be/nieuws/binnenland/aid1028858/landuyt-over-salduz-zo-weinig-mogelijk-veranderen.aspx.DEGREEF, S., “Inwerkingtreding Salduz-wet uitgesteld om callcenter voor politie op tezetten”, Nieuws Polinfo, 13 juli 2011,www.polinfo.be/secure/DocumentView.aspx?id=VS201322912.DEPLA, T., “Salduz-wet opstarten bij Lokale politie kost 55 miljoen euro”, Nieuws Polinfo,25 juli 2011, http://www.polinfo.be/secure/DocumentView.aspx?id=VS201325728.X, “Nieuwe Salduz-wet zal 16 miljoen kosten”, De Redactie, 18 juni 2011,www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/binnenland/1.1047249.X, “Van Thielen uit kritiek op Salduz-wet”, Het Nieuwsblad, 30 maart 2011,www.nieuwsblad.be/article/detail.aspx?articleid=DMF20110330_023.4. WebsitesCOMMISSIE VAN TOEZICHT VOOR DE POLITIECELLEN AMSTERDAM-AMSTELLAND, Jaarrapport, 1995, Amsterdam, 57p.,http://biodata.asp4all.nl/andreas/2009/09012f978060a59f/09012f978060a59f.pdf.DIRECTIE VAN DE RELATIES MET DE LOKALE POLITIE, Wie is wie?,www.infozone.be/home.htm.ECHR, Factsheet-Police arrest: Assistance of a lawyer, februari 2011, 3p.,http://www.echr.coe.int/NR/rdonlyres/1DA09157-E81D-4DAF-A378-956F2A3BBB79/0/FICHES_Garde_%C3%A0_vue_EN.pdf.FAES, I., “Geen weg terug voor Salduz-wet”, N-VA Column, 5 juli 2011, http://www.n-va.be/nieuws/column/geen-weg-terug-voor-salduz-wet. 81
  • 92. LOKALE POLITIE, Politiezones, www.lokalepolitie.be/portal/nl/politiezones-met-lijst.html.STEVENS, J., “Standpunt”, Orde van de Vlaamse Balie, 26 januari 2011, 7p.,www.advocaat.be/UserFiles/file/salduz/standpunt%20Salduz.pdf.SYNDICAAT VAN DE BELGISCHE POLITIE, Stakingsaanzegging, 16 juni 2010, 3p.,http://www.sypol.be/Politie/Nederlands/tekst/Flash/2010/SYPOL%20FLASH%20151%20NL.pdf.VAN DER MEIJ, P.P.J., Het EHRM en het recht op toegang tot een raadsman vanaf heteerste politieverhoor: Over de hooggespannen verwachtingen omtrent hetaanwezigheidsrecht van de raadsman in het strafrechtelijk vooronderzoek, 2009, 11p.,https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/1887/13620/2.X, Action report: Panovits v. Cyprus, 4p.,www.coe.int/t/dghl/monitoring/execution/Source/Documents/Info_cases/Chypre/Panovits29042011.pdf.X, Grondwettelijk Hof: voorstelling, www.const-court.be.X, Hof van Cassatie: Organisatie, http://www.cassonline.be/easycms/home.X, Raad van State: Instelling, http://www.raadvst-consetat.be.5. MasterproevenCLAES, B., (Audio)visuele opname van het verhoor, onuitg., masterscriptie Rechten,K.U.Leuven, 2008-09, 54p.HELMANTEL, M., Salduz en Panovits: nieuwe Europese toetsstenen voor het Nederlandsepolitieverhoor, onuitg., Masterscriptie Rechten, Open Universiteit, 2009-10, 55p.,http://hdl.handle.net/1820/2540. 82
  • 93. MEERSMAN, E., De aanwezigheid van een raadsman bij het politieverhoor, onuit.,Masterproef Criminologische wetenschappen, U. Gent, 2009-10, 154p.,http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/001/458/159/RUG01-001458159_2011_0001_AC.pdf.MOERS, J., De aanwezigheid van de advocaat bij het verhoor van de verdachte, onuitg.,Masterscriptie Rechten, K.U. Leuven, 2008-09, 105p.6. Regelgeving en beleidsdocumentenInternationaalArt. 14, Internationaal Verdrag 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten,B.S. 6 juli 1983 BUPO.Art. 6, Verdrag 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en defundamentele vrijheden, B.S. 19 augustus 1955 EVRM.Art. 11, Statuut van de Raad van Europa van 5 mei 1949.EUROPESE COMMISSIE, Groenboek COM2003(75) inzake procedurele waarborgen voorverdachten in strafzaken in de gehele Europese Unie, 19 februari 2003, 54p.,http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/site/nl/com/2003/com2003_0075nl01.pdf.RAAD, voorstel van kaderbesluit COM 2004/0113, houdende bepaalde procedurele rechtenin strafprocedures binnen de gehele Europese Unie, 28 april 2004, 35p.,http://europapoort.eerstekamer.nl/9345000/1f/j9vvgy6i0ydh7th/vgqwmcl5szu3.RAAD VAN EUROPA, The European Code of Police ethics, COM.MIN. REC(2001)10, 19september 2001, 73p., http://polis.osce.org/library/f/2687/500/CoE-FRA-RPT-2687-EN-European%20Code%20of%20Police%20Ethics.pdf. 83
  • 94. Police and Criminal Evidence Act: Codes of practice, Code F, 1984,http://www.homeoffice.gov.uk/publications/police/operational-policing/pace-codes/pace-code-f?view=Binary.NationaalGecoördineerde Grondwet 17 februari 1994, B.S. 17 februari 1994 G.W.Art. 28quinquies Sv.Art. 47bis Sv.Art. 112ter Sv.Wet 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, B.S.25 april 1878.Wet 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van hetopsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, BS 2 april 1998.Wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen,B.S. 17 maart 2001.Wet van 2 augustus 2002 betreffende het afnemen van verklaringen met behulp vanaudiovisuele media, B.S. 12 september 2002.Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeenwiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat teraadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53K1279013,10p., http://www.dekamer.be/FLWB/pdf/53/1279/53K1279013.pdf. 84
  • 95. Omzendbrief nr. COL 7/2010 van het college van procureurs-generaal bij de hoven vanberoep: Voorlopige richtlijnen betreffende de bijstand van een advocaat bij het eerstepolitionele verhoor van een verdachte gelet op de recente rechtspraak van het EHRM, 14 mei2010.Omzendbrief nr. COL 15/2010 Addendum bij de COL 7/2010 betreffende de bijstand van eenadvocaat bij het eerste politionele verhoor van een verdachte gelet op de recente rechtspraakvan het EHRM, 14 juli 2010.Hoge Raad voor de Justitie, Advies over het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 1 van dewet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, teneinde op het moment van deaanhouding nieuwe rechten toe te kennen aan de persoon die van zijn vrijheid is benomen, 24juni 2009, 18p., http://www.csj.be/FR/acti/..%5C..%5Cdoc%5Cadvice%5CAvis240609.pdf.Amendementen bij het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende devoorlopige hechtenis en van het Wetboek van strafvordering, om aan elkeen die wordtverhoord en aan elkeen die van zijn vrijheid wordt beroofd rechten te verlenen, waaronder hetrecht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer,2010-11, nr. 53K1279003, 43p.,http://www.dekamer.be/FLWB/PDF/53/1279/53K1279003.pdf.Verslag 8 juni over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en vande wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordtverhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder hetrecht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer 2010-11, nr. 53K1279005, 121p., http://www.dekamer.be/doc/flwb/pdf/53/1279/53k1279005.pdf.Verslag 15 juli over het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en vande wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordtverhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder hetrecht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl. St. Kamer,2010-11, nr. 53K1279012, 10p.,http://www.dekamer.be/FLWB/pdf/53/1279/53K1279012.pdf. 85
  • 96. RechtspraakEHRM, Artico v. Italië, ECHR 1980, A37.EHRM, Brozicek v. Italië, ECHR 1989, A167.EHRM, S. v. Zwitserland, ECHR 1991, A220.EHRM, Imbrioscia v. Zwitserland, ECHR 1993, A275.EHRM, Salduz v. Turkije, ECHR 2008, no. 36391/02.EHRM, Panovits v. Cyprus, ECHR 2008, no. 4268/04.EHRM, Bouglame v. Belgium, ECHR 2010, 16147/08.Cass. 17 augustus 1979, J.T. 1980, 104-105. 86
  • 97. BIJLAGENBijlage 1: ContactmailOnderwerp: Thesis Criminologie: Salduz en Audiovisuele registratie van het verhoorGeachte korpschefAls laatstejaarsstudente Criminologie, aan de Katholieke Universiteit Leuven, werk ikmomenteel aan een meesterproef om mijn masterdiploma te behalen. Het onderwerp van mijnthesis is de audiovisuele registratie van het eerste politioneel verdachtenverhoor. Enerzijdsprobeer ik de impact van de Salduz-regeling op de lokale politie te onderzoeken en daarnaastwil ik nagaan of deze registratie een waardevol alternatief kan bieden voor de Salduz-regeling, dit met het oog op het eerlijk proces. Daarom bestaat mijn onderzoek naast eenliteratuurstudie ook uit een bevraging van alle Nederlandstalige politiezones in België. Ik zouu dan ook graag willen vragen of u aan dit onderzoek zou willen meewerken en even de tijdwilt nemen om enkele vragen hieronder te beantwoorden. In de bijlage vind u een korteverantwoording van onderstaande vragen. Ik breng u na het afronden van dit onderzoek graagop de hoogte van de resultaten.Alvast hartelijk bedankt voor uw medewerking en tijd en ik hoop snel uw mening in mijnonderzoek te kunnen opnemen.Met vriendelijke groeten,Ine Cardoen 87
  • 98. Bijlage 2: Eerste herinneringsberichtOnderwerp: Herinnering, Thesis Criminologie: Salduz en Audiovisuele registratie van het verhoorGeachte korpschefEen week geleden heeft u een uitnodiging ontvangen om mee te werken aan mijnthesisonderzoek. Ik heb momenteel nog geen antwoord ontvangen van uw politiezone. Ikbegrijp dat u met uw functie ongetwijfeld veel ander en belangrijker werk hebt, maar ik wilgraag benadrukken ook uw mening van belang is voor mijn onderzoek. Ik zou het dan ookzeer op prijs stellen als u alsnog de tijd kunt vinden om de vragenlijst te beantwoorden. Uvindt de vragenlijst en de oorspronkelijke mail hieronder terug.Alvast bedankt voor uw medewerking.Met vriendelijke groeten,Ine Cardoen 88
  • 99. Bijlage 3: Tweede herinneringsberichtOnderwerp: Herinnering, Thesis Criminologie: Salduz en Audiovisuele registratie van het verhoor (laatste)Geachte korpschefOnlangs heeft u een uitnodiging en herinneringsmail ontvangen om mee te werken aan mijnthesisonderzoek. Indien u toch reeds een antwoord heeft gegeven, wil ik u graag bedankenvoor uw medewerking: De resultaten zullen u zo snel mogelijk bezorgd worden. Indien u devragenlijst nog niet heeft kunnen beantwoorden, zou ik met deze mail een laatste keer om uwmedewerking willen vragen. Ik ben zeker geïnteresseerd in de mening van uw politiezone enzou het zeer op prijs stellen als u alsnog de tijd kunt vinden om de vragenlijst tebeantwoorden. U vindt de vragenlijst en de vorige e-mails hier onder terug.Alvast bedankt voor uw medewerking.Met vriendelijke groeten,Ine Cardoen 89
  • 100. Bijlage 4: BedankingOnderwerp: Thesis Criminologie: Salduz en Audiovisuele registratie van het verhoorGeachte meneer/mevrouw familienaam,Van harte bedankt voor uw medewerking aan dit onderzoek. Ik breng u graag op de hoogtevan de resultaten zodra het onderzoek is afgerond.Met vriendelijke groeten,Ine Cardoen 90
  • 101. Bijlage 5: Vragenlijst1. In welke mate verwacht u problemen en/of verbeteringen voor uw zone wanneer de Salduz- regeling wordt toegepast? Op welke domeinen verwacht u deze?2. In hoeverre denkt u met uw huidig aantal beschikbare politieambtenaren de Salduz-regeling naar behoren te kunnen uitvoeren?3. In hoeverre denkt u met de huidige faciliteiten en infrastructuur van uw politiezone de Salduz-regeling naar behoren te kunnen uitvoeren?4. In welke mate verwacht u dat de verplichte aanwezigheid van de advocaat het politioneel onderzoek in positieve of negatieve zin kan beïnvloeden?5. In welke mate verwacht u dat de audiovisuele registratie van het eerste politieverhoor al dan niet een waardevol alternatief kan bieden voor de Salduz-regeling?6. In welke mate verwacht u problemen en/of verbeteringen voor uw zone wanneer u de audiovisuele registratie toepast? Wat houden deze problemen of verbeteringen in?7. Zijn er eventueel andere of betere alternatieven die het recht op een eerlijk proces voor de verdachte voldoende kunnen waarborgen? 91
  • 102. Bijlage 6: Contactinfo politiezonesDe gecontacteerde politiezones zijn geordend per gerechtelijk arrondissement. Per zone wordthet zonenummer, de korpschef en diens e-mailadres opgesomd.BRUSSEL-HOOFDSTAD 5407 UYTTERSPROT Eric eric.uyttersprot@tarl.be5339 VAN WYMERSCH Guidopolbrutel@polbru.irisnet.be 5408 TIREZ Kurt kurt.tirez@amow.vera.be5340 DE BECKERsecret.korpschefdecorps@zpz5340.be 5409 MEERTS Alain alain.meerts@politiezoneklm.be5341 PEETERS Alphonsecdc@zpz5341.irisnet.be 5410 MUYLDERMANS Jean jean.muyldermans@grimbergen.be5342 DERAEMAEKER Michelz5342.-cc@publilink.be 5411 COENEN Frits frits.coenen@pzvima.be 5343 BRABANT Jean-Mariejean-marie.brabant@mail.be 5412 DE MUNTER Patrick korpschef@kastze.be5344 YANSENNE Davidinfozone5344@belgacom.net 5413 VANWEZER Johan johanvanwezer@politiehalle.beBRUSSEL-HALLE-VILVOORDE 5414 CRISPEL Mark mark.crispel@polleeuw.be5400 VAN THIENEN Jean-Pierrejp.vanthienen@skynet.be ANTWERPEN5401 VANDERVEKEN Johankorpschef@wokra.be 5345 BAELEMANS eddy.baelemans@ve.antwerpen.be5402 VAN ERCK Johnkorpschef@politiedruivenstreek.be 5346 NOENS Frank politie.zwijndrecht@pandora.be5403 BREYDELS Lucbreydels.luc@skynet.be 5347 MERCKX Gwen korpschef@politiezonerupel.be5404 KOEKS Jozefjozef.koeks@politiebeersel.be 5348 GERS Luc Christiaan zonechef@pznoord.be5405 HELLINCKX Marcpolitie.pajottenland@skynet.be 5349 NOËL Frank korpschef@hekla.be5406 DE BRUYN Patrickpatrick.debruyn@politiedilbeek.be 5350 VERBEECK Rudy korpschef@pzgrens.be 92
  • 103. 5351 DEBOEL Bob 5365 WANDELSECK Crisbob.deboel@politieminos.be korpschef@politiezuiderkempen.be5352 VAN CLEUVENBERGEN 5366 VAN LOMMEL Jefkc@politiebrasschaat.be korpschef@pzglm.be5353 LEMMENS Dirk 5367 HANNES Daniëldirk.lemmens@schoten.be daniel.hannes@politiekempennoordoost.be5354 VERBIST Robert 5368 MOL Rogerpolitiezara@skynet.be korpschef@politiebalendesselmol.be5355 SMET Geert 5369 SMEYERS Luckorpschef@politie-voorkempen.be politie.neteland@skynet.beMECHELEN HASSELT5356 VERVOORT Marc 5370 BECKERS Michelkorpschef@pz-klein-brabant.be michel.beckers@hazodi.be5357 DE LEY William 5371 VOORDECKERS Bartwilliam.deley@willebroek.be korpschef@politie.lommel.be5358 BOGAERTS Yves 5372 CLAES Paulpolitie@mechelen.be lokpol.hano.paulclaes@skynet.be5359 DONDEYNE Marc 5373 HAMAEKERS Hubertuskorpschef@politie-bodukap.be bertie.hamaekers.bht@telenet.be5360 CAZAERCK Werner 5374 RENDERS Ivowerner.cazaerck@lpl.be korpschef@politiewestlimburg.be5361 VAN ASCH Jan 5375 LUYPAERT Geertkorpschef@berlaar-nijlen.be politie.korpschef@heusden-zolder.be5362 GEENS Luc 5376 PIRARD Philipkorpschef_pzheist@telenet.be korpschef@poltrudo.be 5377 CREMERS André andre.cremers@politiekempenland.beTURNHOUT 5378 LUCAS Jean-Paul5363 SNELS Marc politie@Houthalen-Helchteren.bepolitie.noorderkempen@skynet.be5364 LEYS Rogerroger.leys@turnhout.be 93
  • 104. TONGEREN 5394 GEUDENS Eric info@politiezoneaarschot.vera.be5379 REENAERS BenedictPZLoon.staf@pandora.be 5395 PELGRIMS Ivo ivo.pelgrims@politiezonehaacht.vera.be5380 VERLACKT Tonytony.verlackt@stadtongeren.be 5396 PACOLET Roland korpschef@politie-demerdal-dsz.be5381 CLAES Dirkdirk.claes@pzbhr.be 5397 RONDAS Herman pzdijleland@pzdijleland.vera.be5382 VANDERHOVEN Rikzone.5382.management@police.be 5398 VAN HOYLAND Peter petervanhoyland@hotmail.com5383 GERARTS Fredfred.gerarts.polmaasland@maaseik.be 5399 TRUYENS Patrick patrick.truyens@tremelo.be5384 MULLENERSfrank.mulleners@politiezone-gaoz.be5385 NEYENS Jozef GENTneyens.jos@skynet.be 5415 RASSCHAERT Filip5463 SCHEPERS Jozef kabinet.korpschef@politie.gent.bejos.schepers@maasmechelen.be 5416 EECKHAUT Koen korpschef.puy@telenet.beLEUVEN 5417 VANDEN BOSSCHE Antoinette avb@pzmeetjesland.be5388 MOUCHAERSjeanpaul.mouchaers@leuven.be 5418 ASSELMAN Yves yves.asselman@telenet.be5389 LIBOTON Luckorpschef@politiehageland.be 5419 MAES Pascal maespas@pzschelde-leie.be5390 SIMONS Chrisc.simons@landen.be 5420 VAN WABEKE Benny benny.vanwabeke@deinze.be5391 VERCOUTTER Hermanpz.lubbeek@belgacom.net 5421 MERVIELDE Franky franky.mervielde@assenede-evergem.be5392 SCHIPPERS Pierrekorpschef@politiezonetienen- 5422 GEERAERT Johan)hoegaarden.be korpschef@lowazone.be5393 ENDELS Walter 5423 DEBAETS Rolandkorpsleiding@politieherko.be roland.debaets@aalter.be 94
  • 105. 5424 VANAVERMAETE Yasmine 5438 MAES Gerritjanpolitie@maldegem.be korpschef@pzwlw.be 5439 HUYGE Roland roland.huyge@pz5439.beOUDENAARDE 5440 BERGMANS Denis5425 DUHAMEL Joost d.bergmans@pandora.bejoost.duhamel@pz-vlaamseardennen.be 5441 DE SCHUTTER Patrick5426 De COCK Philippe pz5441@hotmail.comphilippe.decock@pzbrakel.be 5442 DE BOLLE Catherine5427 SCHIETTECATTE Roland catherine.debolle@ninove.bezone.5427.management@police.be 5443 PUTTEMAN Paul 5428 DE PAUW Kristof paul.putteman@dendermonde.bekristof.depauw@politiegeraardsbergenlierde.be5429 DE SUTTER Jan BRUGGEkorpschef@pz5429.be 5444 DE WULF Philippe korpschef.politie@brugge.beDENDERMONDE 5445 QUAGHEBEUR Hans politie@blankenberge.be5430 MARES Leoleo.mares@beveren.be 5446 VAN NUFFEL Dirk korpsleiding@politie5446.be5431 DE WITTE Lucasluc.dewitte@sint-gillis-waas-stekene.be 5447 VAN DAELE Eddy eddy.van.daele@hethoutsche.be5432 VAN PEER Jackpolitie@sint-niklaas.be 5448 VANDEPITTE Claude vandepitte.c@pzregiotielt.be5433 BOUDIN Jean-Mariezonechef@temse.be 5449 CAESTECKER Philip kabinet@politie-oostende.be5434 TRIENPONT Patrickpolitiecommissaris@lokeren.be 5450 VAN PARYS Erik info@politiebredenedehaan.be5435 KETELS Jeanpzhammewaasmunster@skynet.be 5451 DUCHI Joos joos.duchi@middelkerke.be5436 DE ROCKER Christianchristian.derocker.5550@police.be 5452 MORTIER Paul paul.mortier@pzkouter.be5437 DE MAESSCHALCK Wimkorpschef@pz5437.be 95
  • 106. KORTRIJK VEURNE5453 NEYRINCK Curd 5459 CLAUW Josézonesecretariaat@politiezoneRIHO.be politie@veurne.be5454 MALYSSE Hans 5460 DE LAENDER Alainkorpschef@politiezone-midow.be alain.de.laender@pzpolder5460.be5455 DEMEY Dominique 5461 PAELINCK Nicholaskorpschef@pzgrensleie.be nicholas.paelinck@politiewestkust.be 5456 EECKHOUT Stefaanstefaan.eeckhout@pzvlas.be IEPER5457 COUDENYS Jean-Pierrekorpschef@pzmira.be 5462 DERYCKERE Luc korpschef@arroieper.be5458 NUYTTENS Eddyeddy.nuyttens@pzgavers.be 96
  • 107. Bijlage 7: ReactiesPZ Aalter-Knesselare PZ Kempen-NoordoostPZ AMOW PZ KLMPZ Antwerpen PZ Lanaken-MaasmechelenPZ ARRO IEPER PZ LierPZ Assenende-Evergem PZ LokerenPZ Beringen-Ham-Tessenderloo PZ LOWAZONEPZ Beveren PZ LubbeekPZ Blankenberge PZ MaldegemPZ Borgloon PZ Meetjesland CentrumPZ Buggenhout-Lebbeke PZ MIDOWPZ Damme-Knokke-Heist PZ NetelandPZ Deinze-Zulte PZ NinovePZ Dendermonde PZ Noordoost-LimburgPZ Druivenstreek PZ OostendePZ Erpe-Mere/Lede PZ RodePZ Gavers PZ RupelPZ Geel-Laakdal-Meerhout PZ Schelde-LeiePZ Genk-As-Opglabbeek-Zutendaal PZ Sint-Gillis-Waas-StekenePZ Gingelom-Nieuwerkerken-Sint- PZ Sint-Niklaas Truiden PZ Sint-Pieters-LeeuwPZ Grens PZ SPOORKINPZ Grensleie PZ Tienen-HoegaardenPZ Grimbergen PZ Tongeren-HerstappePZ Hageland PZ Vilvoorde-MachelenPZ Halle PZ Vlaamse ArdennenPZ HANO PZ VLASPZ HEKLA PZ VoerenPZ HERKO PZ Wetteren-Laarne-WichelenPZ Het Houtsche PZ WOKRAPZ Houthalen-Helchteren PZ ZaventemPZ Kempenland 97

×