321 Hoor mijaan, hemel, dan zal ik
spreken! Laat de aarde de woorden
van mijn mond horen. 2Laat mijn leer
neerdruppelen als de regen,
laten mijn woorden stromen als de
dauw,
als een zachte regen op het groen,
en als regendruppels op het gewas.
34.
3Want ik zalde Naam van
de HEERE uitroepen;
geef grootheid aan onze God!
4Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,
want al Zijn wegen zijn een en al recht.
God is waarheid en geen onrecht;
rechtvaardig en waarachtig is Hij.
35.
5Zij hebben verderfelijktegen Hem
gehandeld; het zijn Zijn kinderen niet.
Een schandvlek!
Het is een slinkse en verdorven
generatie.
6Doet u dit de HEERE aan,
dwaas en onwijs volk?
Is Hij niet uw Vader,
Die u verworven heeft,
36.
Die u gemaaktheeft en u stand
heeft doen houden?
7Denk aan de dagen van vroeger
tijd;
let op de jaren van generatie op
generatie. Vraag het uw vader, hij
zal het u vertellen, vraag het uw
oudsten, zij zullen het u zeggen.
Afzender, geadresseerde
11De ouderlingaan de geliefde Gajus,
die ik in waarheid liefheb.
Lof over Gajus
2Geliefde, ik wens dat het u in alles
goed gaat en dat u gezond bent, zoals
het uw ziel goed gaat.
46.
3Want ik waszeer verblijd, toen er
broeders kwamen die van uw
waarheid getuigden, hoe u in de
waarheid wandelt. 4Ik heb geen
grotere blijdschap dan hierover dat ik
hoor dat mijn kinderen in de waarheid
wandelen.
5Geliefde, u handelt trouw in alles wat
u doet voor de broeders en voor de
vreemdelingen,
47.
6die getuigd hebbenvan uw liefde, in
aanwezigheid van de gemeente. U zult
er goed aan doen wanneer u hen
verder op weg helpt op een voor God
waardige manier. 7Want zij zijn voor
Zijn Naam uit gegaan, zonder iets aan
te nemen van de heidenen.
48.
8Wij moeten dan
zulkemensen ontvangen, opdat wij
medearbeiders van de waarheid
mogen worden.
Klacht over Diotrefes
9Ik heb aan de gemeente geschreven;
maar Diotrefes, die steeds onder hen
de eerste wil zijn, erkent ons niet.
49.
10Daarom zal ik,als ik kom, de werken
die hij doet, in herinnering brengen.
Hij belastert ons met kwaadaardige
praatjes; en hiermee nog niet
tevreden, erkent hijzelf de broeders
niet en verhindert het hun die
het wel willen doen en stoot hen uit
de gemeente.
50.
11Geliefde, volg niethet kwade na
maar het goede. Wie goeddoet, is uit
God; maar wie kwaad doet, heeft God
niet gezien.
Mededelingen en groeten
12Van Demetrius is en goed getuigenis
gegeven door allen en door de
waarheid zelf; en ook wij geven
een goed getuigenis van hem,
51.
en u weetdat ons getuigenis waar is.
13Veel had ik te schrijven, maar ik wil u
niet schrijven met inkt en pen.
14Ik hoop u namelijk spoedig te zien,
en dan zullen wij van mond tot mond
spreken.
15Vrede zij u. De vrienden groeten u.
Groet de vrienden ieder bij naam.