1. Vreugde, vreugde,louter vreugde is bij U van eeuwigheid. Schepper, die 't heelal verheugde, bron van eeuw'ge vreugde zijt. Gij, die woont in licht en luister, drijft de schaduwen uiteen. Hij, die zoekend doolt in 't duister, vindt het licht bij U alleen.
4.
3 Duizend lichten,duizend kleuren zijn de weerglans van uw pracht; daarmee wilt Gij mensen beuren uit hun zorgen, uit hun nacht. Op een zee van licht en zangen voert Gij ons tot U omhoog. Gij, Heer, zijt ons hoogst verlangen; doof niet voor uw licht ons oog.
5.
5 Wil onsvan uw vreugde geven, hef ons op tot U omhoog, Gever van onsterflijk leven, die tot ons U nederboog. Dan gaan wij hier zingend voorwaarts, onbevreesd in smart en pijn. Laat ons Heer, door uwe liefde eeuwig in uw vreugde zijn.
6.
Welkom bij dezeochtenddienst Voorganger dhr Oosterhof organist dhr Joh. de Vries Vandaag hogepriester A ä ron volgende week Jozua.
1 O Heer,mijn God, Gij koning van 't heelal, ik wil uw naam verheffen boven al. Van dag tot dag roem ik uw majesteit, ik zegen U voor eeuwig en altijd.
15.
Groot is deHEER, zijn grootheid zij geprezen, groot is zijn naam, zijn ondoorgrondlijk wezen. Van mond tot mond gaan uw geduchte daden, van eeuw tot eeuw slaat men uw werken gade.
16.
4 Zij roemenin uw koningschap, o HEER, zij stellen in uw heerlijkheid hun eer. Al wie hen hoort zal weten wie Gij zijt: een vorst, bekleed met macht en majesteit.
17.
Uw heerschappij isover alle tijden, ieder geslacht zal zich in U verblijden. Die dreigen te bezwijken wilt Gij schragen en Gij richt op, die zijn terneergeslagen.
18.
6 Al wieGod vreest, verhoort en zegent Hij, zijn redding is elk die Hem roept nabij. Wie Hem bemint, is bij Hem welbehoed, maar wie Hem haat, betaalt het met zijn bloed.
19.
Ik zal volvreugde zingen Hem ter ere, mijn mond zal vol zijn van de lof des HEREN. Laat al wat leeft Gods heilge naam belijden, Hem zegenen tot aan het eind der tijden.
15 Broeders, ikspreek op menselijke wijze: zelfs het testament van een mens, dat rechtskracht verkregen heeft – niemand kan het ongeldig maken of er iets aan toevoegen. 16 Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad.
22.
Hij zegt niet:en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus. 17 Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderd dertig jaar later is gekomen, maakt het testament, waaraan door God tevoren rechtskracht verleend was, niet ongeldig, zodat zij de belofte haar kracht zou doen verliezen.
23.
18 Immers, alsde erfenis van de wet afhangt, dan niet van de belofte; en juist door een belofte heeft God aan Abraham zijn gunst bewezen. 19 Waartoe dient dan de wet? Om de overtredingen te doen blijken is zij erbij gevoegd, totdat het zaad zou komen,
24.
waarop de beloftesloeg, en zij is op last van (God) door engelen in de hand van een middelaar gegeven. 20 Een middelaar is niet (de vertegenwoordiger) van één; God echter is één. 21 Is de wet dan in strijd met de beloften [Gods]? Volstrekt niet!
25.
Want indien ereen wet gegeven was, die levend kon maken, dan zou inderdaad uit een wet de gerechtigheid voortgekomen zijn. 22 Neen, de Schrift heeft alles besloten onder de zonde, opdat ten gevolge van het geloof in Jezus Christus de belofte het deel zou worden van hen, die geloven.
Heilig, heilig, heilig,Here God almachtig vroeg in de morgen wordt U mijn zang gewijd. Heilig, heilig, heilig, liefdevol en machtig, drieënig God, die één in wezen zijt.
28.
Heilig, heilig, heilig,Gij blijft ons verborgen, wijl' voor zondig' ogen uw glans verdwijnt in nacht. Gij alleen zijt heilig, geen is uws gelijke, volmaakt in liefde, heiligheid en macht!
29.
Heilig, heilig, heilig!Here God almachtig, heel de schepping prijst U in aard' en hemel wijd. Gij alleen zijt heilig, liefdevol en machtig, drieënig God, die één in wezen zijt.
5 Want iederzal zijn eigen last dragen. 6 En hij, die onderricht wordt in het woord, dele van alle goed mede aan wie dat onderricht geeft. 7 Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten.
32.
8 Want wieop (de akker van) zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie op (de akker van) de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten. 9 Laten wij niet moede worden goed te doen, want, wanneer het eenmaal tijd is,
33.
zullen wij oogsten,als wij niet verslappen. 10 Laten wij dus, daar wij de gelegenheid hebben, doen wat goed is voor allen, maar inzonderheid voor onze geloofsgenoten.
5 God boogzich neer, zijn hand heeft mij gevonden toen mij de waatren aan de lippen stonden. Hij redde mij, toen 's vijands overmacht mij totterdood in d'engte had gebracht.
36.
Te kwader uretraden zij mij tegen, maar God geleidde mij op goede wegen, maakte ruim baan hoezeer ik werd benauwd. Hij is het die in liefde mij behoudt.
37.
8 Gij immerszult het arme volk verhogen, en Gij vernedert, HEER, de trotse ogen. Gij zijt mijn licht, de lamp die voor mij schijnt, waarvoor de dichte duisternis verdwijnt.
38.
Met U durfik mij in de strijd te wagen, de legerbenden op de vlucht te jagen. Met U ga ik door water en door vuur, en met mijn God spring ik over een muur.
Alle kind'ren mogenkomen, zelfs de kleinsten erbij. Elk jongetje, elk meisje maakt Hij van zonden vrij. Als zij komen tot Jezus, hun Heiland en Heer, dan wast Hij hun hartjes en daalt daarin neer
42.
Alle kind'ren mogenkomen, zelfs de kleinsten erbij. Elk jongetje, elk meisje maakt Hij van zonden vrij. Als zij komen tot Jezus, hun Heiland en Heer, dan wast Hij hun hartjes en daalt daarin neer
2 Toen devergadering geen water had, liep zij te hoop tegen Mozes en Aäron, 3 en het volk twistte met Mozes en zeide: Waren wij maar gestorven, toen onze broeders voor het aangezicht des HEREN stierven! 4 Waarom hebt gij de gemeente des HEREN in deze woestijn gebracht, zodat wij en ons vee daar moeten sterven?
46.
5 Waarom hebtgij ons uit Egypte doen optrekken, om ons in dit barre oord te brengen, waar geen koren, vijgeboom, wijnstok en granaatappel groeien en waar geen water is om te drinken. 6 Toen ging Mozes met Aäron van de gemeente weg naar de ingang van de tent der samenkomst
47.
en zij wierpenzich neder op hun aangezicht, en de heerlijkheid des HEREN verscheen hun. 7 Toen sprak de HERE tot Mozes: 8 Neem de staf en laat de vergadering samenkomen, gij en uw broeder Aäron; spreek dan in hun tegenwoordigheid tot de rots,
48.
dan zal zijhaar water geven; gij zult voor hen water uit de rots te voorschijn doen komen en de vergadering en hun vee drenken. 9 Toen nam Mozes de staf van vóór het aangezicht des HEREN, zoals Hij hem geboden had. 10 Toen Mozes en Aäron de gemeente vóór de rots hadden doen samenkomen,
49.
zeide hij tothen: Hoort toch, wederspannigen, zullen wij uit deze rots voor u water te voorschijn doen komen? 11 Daarop hief Mozes zijn hand op en sloeg de rots met zijn staf tweemaal, en er kwam veel water uit, zodat de vergadering kon drinken en ook het vee.
50.
12 Maar deHERE zeide tot Mozes en Aäron: Aangezien gij op Mij niet vertrouwd hebt en Mij ten aanschouwen van de Israëlieten niet geheiligd hebt, daarom zult gij deze gemeente niet brengen in het land, dat Ik hun geef. 13 Dit is het water van Meriba, waar de Israëlieten met de HERE twistten en Hij Zich onder hen de Heilige betoonde.
22 Nadat zijuit Kades opgebroken waren, kwamen de Israëlieten, de gehele vergadering, bij de berg Hor. 23 Toen zeide de HERE tot Mozes en Aäron bij de berg Hor, aan de grens van het land Edom: 24 Aäron zal tot zijn voorgeslacht vergaderd worden, want hij zal niet komen in het land,
53.
dat Ik deIsraëlieten geef, omdat gijlieden bij het water van Meriba tegen mijn bevel weerspannig zijt geweest. 25 Neem Aäron en zijn zoon Eleazar en laat hen de berg Hor beklimmen; 26 laat Aäron zijn klederen uittrekken en bekleed zijn zoon Eleazar daarmee,
54.
dan zal Aärontot zijn voorgeslacht vergaderd worden en daar sterven. 27 En Mozes deed, zoals de HERE geboden had en zij beklommen de berg Hor ten aanschouwen van de gehele vergadering. 28 En Mozes liet Aäron zijn klederen uittrekken en bekleedde daarmee zijn zoon Eleazar.
55.
Toen stierf Aärondaar op de top van de berg, en Mozes daalde met Eleazar van de berg af. 29 Toen de gehele vergadering bemerkte, dat Aäron de geest gegeven had, beweende het ganse huis Israëls Aäron dertig dagen.
1 Neem, Heer,mijn beide handen en leid uw kind, tot ik aan d'eeuw'ge stranden de ruste vind! Te zwaar valt m'elke schrede, als 'k U verlaat. O, neem mij met U mede, daar waar Gij gaat!
58.
2 O, doegenaad' ervaren aan 't bevend hart, en breng het tot bedaren bij vreugd en smart! Laat m'aan uw voeten rusten, mij, hulp'loos kind, vertrouwen en berusten. voor d'uitkomst blind!
59.
3 En blijftm'ook soms verborgen uw grote macht, Gij voert mij tot de morgen, ook door de nacht. Neem dan mijn beide handen en leid uw kind, tot ik aan d'eeuw'ge stranden de ruste vind!
Een mens tezijn op aarde in deze wereldtijd, is leven van genade buiten de eeuwigheid, is leven van de woorden die opgeschreven staan en net als Jezus worden die 't ons heeft voorgedaan.
63.
Een mens tezijn op aarde in deze wereldtijd, dat is de dood aanvaarden, de vrede en de strijd, de dagen en de nachten, de honger en de dorst, de vragen en de angsten, de kommer en de koorts.
64.
Een mens tezijn op aarde in deze wereldtijd, dat is de Geest aanvaarden die naar het leven leidt; de mensen niet verlaten, Gods woord zijn toegedaan, dat is op deze aarde de duivel wederstaan.
1 Ere zijaan God, de Vader, ere zij aan God, de Zoon, eer de Heilge Geest, de Trooster, de Drieeenge in zijn troon. Halleluja, halleluja, de Drieeenge in zijn troon!
69.
2 Ere zijaan Hem, wiens liefde ons van alle smet bevrijdt, eer zij Hem die ons gekroond heeft, koningen in heerlijkheid. Halleluja, halleluja, ere zij het Lam gewijd.
70.
3 Ere zijde Heer der englen, ere zij de Heer der kerk, ere aan de Heer der volken; aard' en hemel looft uw werk! Halleluja, halleluja, looft de Koning, heel zijn kerk!
71.
4 Halleluja, lof,aanbidding brengen englen U ter eer, heerlijkheid en kracht en machten legt uw schepping voor U neer. Halleluja, halleluja, lof zij U, der heren Heer!