1 Hoe lieflijk,hoe goed is mij, HEER, het huis waar Gij uw naam en eer hebt laten wonen bij de mensen. Hoe brand ik van verlangen om te komen in uw heiligdom. Wat zou mijn hart nog liever wensen dan dat het juichend U ontmoet die leven zijt en leven doet.
4.
2 Het heildat uw altaar omgeeft beschermt en koestert al wat leeft. De mus, de zwaluw vindt een woning. Haar jongen zijn in veiligheid. Mij is een schuilplaats toebereid in het paleis van U, mijn Koning. Heil hen die toeven aan uw hof en steeds zich wijden aan uw lof.
5.
Het eeuwige levenbeërven Voorganger: Dhr. Van Rheenen Organist: Mw. Diever
1 Zing, mijnziel, voor God uw HERE, zing die u het leven geeft. Zing, mijn ziel, uw God ter ere, zing voor Hem zolang gij leeft. Ziel, gij zijt geboren tot zingen voor den HEER uw God.
9.
2 Reken nietop mensenwaarde, want bij mensen is geen baat. Aarde wordt een mens tot aarde, als zijn adem uit hem gaat. Ligt niet alles wat hij wil met zijn laatste adem stil?
3 Heil wienJakobs God wil bijstaan, heil die God ter hulpe riep. Want zijn heil zal niet voorbijgaan, God is trouw aan wat Hij schiep. Wat in hemel, zee of aard woont, is in zijn hand bewaard.
1 Het woorddat u ten leven riep is niet te hoog, is niet te diep voor mensen die 't zo traag beamen. Het is een teken in uw hand, een licht dat in uw ogen brandt. Het roept u dag aan dag bij name.
19.
2 Het isniet aan de overzij. Wat zegt gij dan: wie zal voor mij de wijde oceaan bevaren, wie brengt van de overkant der zee de schat der diepe wijsheid mee, die 's levens raadsel kan verklaren?
20.
3 Het isook in de hemel niet, hoe vaak gij ook naar boven ziet en droomt van bovenaardse streken. Wat gij ook in de sterren leest, alleen de Geest beroert de geest, alleen het woord kan 't hart toespreken.
21.
4 Het woordvan liefde, vrede en recht is in uw eigen mond gelegd, is in uw eigen hart geschreven. Rondom u klinkt de stem van God: vrijspraak, vertroosting en gebod, vlak voor u ligt de weg ten leven.
Een rivier volvan vrede, een rivier vol van vrede, een rivier vol van vrede in mijn hart. Een rivier vol van vrede, een rivier vol van vrede, een rivier vol van vrede in mijn hart.
39.
Een fontein volvan blijdschap Een fontein vol van blijdschap Een fontein vol van blijdschap in mijn hart. Een fontein vol van blijdschap Een fontein vol van blijdschap Een fontein vol van blijdschap in mijn hart.
40.
Ik heb liefals mijn Jezus Ik heb lief als mijn Jezus Ik heb lief als mijn Jezus in mijn hart. Ik heb lief als mijn Jezus Ik heb lief als mijn Jezus Ik heb lief als mijn Jezus in mijn hart.
41.
Een rivier volvan vrede, een fontein vol van blijdschap, ik heb lief als mijn Jezus in mijn hart. Een rivier vol van vrede, een fontein vol van blijdschap, ik heb lief als mijn Jezus in mijn hart.
17 Toen hij zijnweg vervolgde, kwam er iemand naar hem toe die voor hem op zijn knieën viel en vroeg: ‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ 18 Jezus antwoordde: ‘Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, behalve God. 19 U kent de geboden: pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, bedrieg niemand, toon eerbied voor uw vader en uw moeder.’
44.
20 Toen zei deman: ‘Meester, sinds mijn jeugd heb ik me daaraan gehouden.’ 21 Jezus keek hem liefdevol aan en zei tegen hem: ‘Eén ding ontbreekt u: ga naar huis, verkoop alles wat u hebt en geef het geld aan de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten; kom dan terug en volg mij.’ 22 Maar de man werd somber toen hij dit hoorde en ging terneergeslagen weg; hij had namelijk veel bezittingen.
45.
23 Jezus keek dekring rond en zei tegen zijn leerlingen: ‘Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ 24 De leerlingen schrokken van zijn woorden. Maar Jezus zei nog eens uitdrukkelijk: ‘Kinderen, wat is het moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan: 25 het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’
46.
26 Nu waren zenog meer ontzet, en ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ 27 Jezus keek hen aan en zei: ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar niet bij God, want bij God is alles mogelijk.’ 28 Petrus nam het woord en zei: ‘Maar wij hebben alles achtergelaten om u te volgen!’ 29 Jezus zei: ‘Ik verzeker jullie: iedereen die broers of zusters, moeder, vader of kinderen, huis of akkers heeft achtergelaten omwille van mij en het evangelie,
47.
30 zal het honderdvoudigeontvangen: in deze tijd broers en zusters, moeders en kinderen, huizen en akkers, al zal dat gepaard gaan met vervolging, en in de tijd die komt het eeuwige leven. 31 Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.’
1 Ik geloofin God de Vader die een bron van vreugde is, louter goedheid en genade, licht in onze duisternis. Hij, de Koning van de kosmos, het gesternte zingt zijn eer heeft uit liefde mij geschapen en tot liefde keer ik weer.
56.
2 Ik geloofin Jezus Christus die voor ons ter wereld kwam. Zoon van God en Zoon des Mensen goede Herder, Offerlam. Door te lijden en te sterven groot is het geheimenis schenkt Hij mij het eeuwig leven, dat uit God en tot God is.
57.
3 Ik geloofdat mijn Verlosser door de dood is heengegaan en op Pasen, God zij glorie, uit het graf is opgestaan. Door het brood, dit is mijn lichaam door de wijn, dit is mijn bloed geeft de Vredevorst mij vrede, maakt Hij alle dingen goed.