1Verder zonderde Davidmet de
legerbevelhebbers mensen af
voor het dienstwerk uit de
nakomelingen van Asaf,
Heman en Jeduthun. Zij
profeteerden onder het spel
van harpen, luiten en
cimbalen. Dit is hun aantal,
van de mannen werkzaam voor
hun dienstwerk.
29.
2Wat betreft dezonen van
Asaf: Zakkur, Jozef, Nethanja
en Asarela, zonen van Asaf;
onder leiding van Asaf, die
profeteerde onder leiding
van de koning.
3Wat betreft Jeduthun: de
zonen van Jeduthun waren
Gedalja, Zeri, Jesaja, Hasabja
en Mattithja, zes.
30.
Zij stonden onderleiding van
hun vader Jeduthun die bij het
spel van de harp profeteerde
onder het loven en prijzen van
de HEERE.
4Wat betreft Heman: de zonen
van Heman waren Bukkia,
Mattanja, Uzziël, Sebuel,
Jerimoth,
31.
Hananja, Hanani, Eliatha,
Giddalti, Romamti-Ezer,
Josbekasa, Mallothi,
Hothir en Mahazioth.
5Deze allen waren zonen van
Heman, de ziener van de
koning, met woorden van God
om de hoorn op te heffen. God
had Heman veertien zonen
gegeven en drie dochters
32.
6Deze allen stondenonder
leiding van hun
vader opgesteld voor het lied
in het huis van de HEERE met
cimbalen, luiten, en harpen,
voor de dienst in het huis van
God, onder leiding van de
koning – Asaf, Jeduthun en
Heman.
33.
7Hun aantal wassamen met
hun broeders die onderwezen
waren in het lied voor de
HEERE,
tweehonderdachtentachtig,
allen volleerd. 8Zij wierpen het
lot over de taken, zowel de
jongste als de oudste, de
volleerde samen met de
leerling.
34.
9Het eerste lotkwam uit op
Asaf, namelijk op Jozef. Het
tweede kwam uit op Gedalja,
hij en zijn broeders en zijn
zonen, twaalf.
10Het derde op Zakkur; zijn
zonen en zijn broeders, twaalf.
35.
11Het vierde opJizri; zijn zonen
en zijn broeders, twaalf.
12Het vijfde op Nethanja; zijn
zonen en zijn broeders, twaalf.
13Het zesde op Bukkia; zijn
zonen en zijn broeders, twaalf.
14Het zevende op Jesarela; zijn
zonen en zijn broeders, twaalf.
36.
15Het achtste opJesaja; zijn
zonen en zijn broeders, twaalf.
16Het negende op Mattanja;
zijn zonen en zijn broeders,
twaalf.
17Het tiende op Simeï; zijn
zonen en zijn broeders, twaalf.
18Het elfde op Azareël; zijn
zonen en zijn broeders, twaalf.
37.
19Het twaalfde opHasabja; zijn
zonen en zijn broeders, twaalf.
20Het dertiende op Subaël; zijn
zonen en zijn broeders, twaalf.
21Het veertiende op Mattithja;
zijn zonen en zijn broeders,
twaalf.
22Het vijftiende op Jeremoth;
zijn zonen en zijn broeders,
twaalf.
38.
23Het zestiende opHananja;
zijn zonen en zijn broeders,
twaalf. 24Het zeventiende op
Josbekasa; zijn zonen en zijn
broeders, twaalf. 25Het
achttiende op Hanani; zijn
zonen en zijn broeders, twaalf.
26Het negentiende op Mallothi;
zijn zonen en zijn broeders,
twaalf.
39.
27Het twintigste opEliatha; zijn
zonen en zijn broeders, twaalf.
28Het eenentwintigste op
Hothir; zijn zonen en zijn
broeders, twaalf.
29Het tweeëntwintigste op
Giddalti; zijn zonen en zijn
broeders, twaalf.
40.
30Het drieëntwintigste op
Mahazioth; zijn zonen en
zijn broeders, twaalf.
31Het vierentwintigste op
Romamti-Ezer; zijn zonen
en zijn broeders, twaalf.