SlideShare a Scribd company logo
1 of 25
Download to read offline
Moet hoger onderwijs gesubsidieerd worden?
22 mei 2015
Seminarie Actuele economische problemen
Pieter-Jan Hoedt
Kevin Kleykens
Nathalie Orye
Tobias Vercammen
FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSWETENSCHAPPEN
INHOUDSTAFEL | 3
Inhoudstafel
Inleiding……………………………………………………………………………………........................5
1. Actuele subsidiërinssituatie in Vlaanderen…………………………………………………..6
2. Werking en effecten van subsidies……………………...……………………………………….9
2.1 Economische analyse………………………………………………………………………..9
2.2 Voordelen van gesubsidieerd hoger onderwijs……………………………….13
2.3 Nadelen van gesubsidieerd hoger onderwijs…………………………………..15
3. Alternatieve subsidiëring: Verenigde Staten van Amerika…………………………..17
Besluit…………………………………………………………………………………………………………….20
Bibliografie……………………………………………………………………………………………………..22
INLEIDING | 5
Inleiding
“Afgelopen woensdag trotseerden een driehonderdtal studenten de eerste
herfstkoude voor een fakkeltocht. De deelnemers maakten op het Ladeuzeplein
duidelijk dat ze niet akkoord gaan met het besparingsbeleid van
onderwijsminister Hilde Crevits.” (Tuyaerts, 2015)
De subsidiëring van het hoger onderwijs kwam aan het begin van het academiejaar in het
midden van de belangstelling te staan. Op 5 november kwamen in verschillende
studentensteden misnoegde studenten op straat, zij uitten hun ongenoegen over de
verhoging van het inschrijvingsgeld. De verlaging van het budget dat de Vlaamse overheid
spendeert aan de hogere onderwijsinstellingen, zal vanaf volgend academiejaar namelijk
leiden tot een verhoging van het maximale inschrijvingsgeld van €619,9 naar €890. (Moens,
2014) Ook de Vlaamse Vereniging van Studenten (VVS) uitte kritiek, zij vinden dat deze
beslissing niet te rijmen valt met een beleid dat streeft naar de democratisering van het
onderwijs. (VVS, 2014)
Deze paper bespreekt de voor- en nadelen van gesubsidieerd hoger onderwijs en biedt
een antwoord op de vraag of hoger onderwijs al dan niet gesubsidieerd moet worden. Het
eerste deel van de paper heeft aandacht voor de actuele situatie: in welke mate wordt het
hoger onderwijs in Vlaanderen gesubsidieerd en waar wordt dit geld voor gebruikt? Het
tweede deel biedt een economische analyse van de subsidies voor hoger onderwijs en
bespreekt de voor- en nadelen van deze subsidies. In het derde deel wordt er gekeken naar
de subsidies op hoger onderwijs in andere regio’s en landen. Ten slotte vat een besluit al de
bevindingen van de paper kort samen.
6 | INLEIDING
1 Actuele subsidiëringssituatie in Vlaanderen
Onderwijs is een bevoegdheid van de Vlaamse overheid. De begroting van 2015 voorziet een
budget van €10,9 miljard voor het beleidsdomein “onderwijs en vorming”, dit
vertegenwoordigt 28,42% van alle uitgaven en vormt hiermee de grootste post. (Vlaamse
Overheid, 2015) Uiteraard gaat deze som niet in zijn totaliteit naar het hoger onderwijs, de
subsidies voor hoger onderwijs in 2014 bedroegen €1,75 miljard of 17% van het totale budget
voor onderwijs en vorming.
TABEL 1. Verdeling aantal studenten, niveausubsidie en subsidie per student (2013-2014)
BRON: Eigen tabel op basis van Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming (2015)
De Vlaamse overheid voorziet voor elke student in het hoger onderwijs een subsidie van
ongeveer €6840, enkel de studenten van het secundair onderwijs ontvangen een hogere
subsidie. De relatief hoge kost per student in het hoger onderwijs is vooral een gevolg van de
hoge kost voor universiteitsstudenten. Deze groep, die 42% van alle hoger
onderwijsstudenten vertegenwoordigt, kost de overheid ongeveer €12000 per student. (Tirez,
2014) Verder is het opvallend dat het hoger onderwijs slechts 13% van het totale aantal
studenten in Vlaanderen omvat, en toch 17% van de totale subsidies voor onderwijs en
vorming ontvangt. Het hoger onderwijs in Vlaanderen geniet dus in vergelijking met de andere
onderwijsniveaus een relatief hoge subsidie door de overheid.
INLEIDING | 7
FIGUUR 1. Onderwijsbegroting per uitgavecategorie (2013-2014)
BRON: Eigen figuur op basis van Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming (2015)
Over het algemeen worden de meeste subsidies voor onderwijs (69%) gebruikt om de
salarissen van het personeel te betalen, het overige budget gaat grotendeels naar werking
(27%). De subsidies voor hoger onderwijs kennen een andere verdeling, bijna het volledige
budget gaat naar werking (94%). Dit is echter een vertekend beeld: de instellingen van het
hoger onderwijs bepalen zelf de salarissen die zij uitkeren aan hun personeelsleden, de
overheid voorziet hiervoor een hoger werkingsbudget. (Vlaams ministerie van Onderwijs en
Vorming, 2015)
TABEL 2. Evolutie budget hoger onderwijs, aantal studenten en personeelsleden (2009-2014)
BRON: Eigen tabel op basis van Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming (2015)
Tabel 2 toont aan dat er de voorbije jaren een grote groei van het aantal studenten in het
hoger onderwijs was: een groei van 23.95% tegenover 2009 en een groei van 13.75%
tegenover 2010. Deze groei werd duidelijk niet volledig gedekt door een groeiend
onderwijsbudget: een groei van 8,41% tegenover 2009 en een groei van 6% tegenover 2010.
Op zich hoeft dit niet alarmerend te zijn. De marginale meerkost van één extra student is
relatief klein, en het is dus zeker niet noodzakelijk dat het onderwijsbudget evenredig groeit
met de studentenpopulatie. Een grote toename van het aantal studenten zal uiteindelijk wel
nieuwe investeringen in capaciteitsuitbreiding vereisen, waardoor de krimpende verhouding
van het budget per student op lange termijn wel nefaste gevolgen kan hebben. Het personeel
dat actief is in het hoger onderwijs kent net zoals het budget een tragere groei in vergelijking
8 | INLEIDING
met de studenten: een groei van 10,91% tegenover 2009, en een groei van 3,96% tegenover
2010. Er is dus ook een krimpende verhouding van het aantal personeelsleden per student.
Dit kan wel op korte termijn nefaste gevolgen hebben zoals de beperkte bereikbaarheid van
het personeel.1
We stellen vast dat de Vlaamse overheid omvangrijke subsidies toekent aan het hoger
onderwijs.
1 Opmerking: de grote verschillen tussen 2009 en 2010 zijn een gevolg van de afwezigheid van de
cijfers voor de opleidingen HBO5 Verpleegkunde en SLO, die ook onder hoger onderwijs vallen.
Gezien het lage aandeel dat deze opleidingen hebben in de volgende jaren, is deze afwezigheid
echter niet problematisch voor de statische evolutie die wordt aangetoond in de tabel.
BIJLAGEN | 9
2 Werking en effecten van subsidies
2.1 Economische analyse
Om betrouwbare modellen op te stellen, is het belangrijk om te bepalen welk soort publiek
goed hoger onderwijs is. Ten eerste is hoger onderwijs een uitsluitbaar goed, dit wil zeggen
dat het mogelijk is om personen te weerhouden van de consumptie van het goed. Concreet
betekent dit dat men moet voldoen aan twee voorwaarden om deel te nemen aan het hoger
onderwijs: men moet beschikken over een diploma van het secundair onderwijs en men moet
het inschrijvingsgeld betalen. Ten tweede is het hoger onderwijs niet-rivaal, dit wil zeggen dat
de marginale kost om hoger onderwijs aan te bieden aan één extra persoon gelijk is aan nul.
Het hoger onderwijs is echter geen zuiver publiek goed, die voldoen namelijk aan twee
eigenlijkschappen: niet-rivaliteit en niet-uitsluitbaarheid. De uitsluitbaarheid van hoger
onderwijs zorgt ervoor dat dit eerder gecategoriseerd dient te worden als een clubgoed.
(Decoster, 2013) Wel is hoger onderwijs een verdienstengoed, dit wil zeggen dat de overheid
de consumptie moet stimuleren omdat de consumenten er spontaan te weinig belang aan
hechten. Dit komt doordat er naast het individueel nut van onderwijs heel wat positieve
externe effecten komen kijken. Zo heeft de maatschappij er baat bij als studenten beschikken
over een hoger diploma (zie infra). Deze positieve externe effecten moeten we dan ook
verwerken om een pareto-efficiënte situatie te bereiken. Een pareto-efficiënte situatie
ontstaat wanneer we de situatie van minstens 1 persoon niet meer kunnen verbeteren zonder
dat van een ander in te perken. (Moesen, 2015)
BIJLAGEN | 10
GRAFIEK 1. Vraageffecten bij positieve externaliteiten
Bron: Eigen grafiek op basis van Bruce (2000)
In grafiek 1 wordt op de verticale as de prijs van het inschrijvingsgeld van hoger onderwijs
weergegeven en op de horizontale as de hoeveelheid leerlingen die zich inschrijven voor hoger
onderwijs. De stijgende curve geeft de marginale aanbodkost weer, dit weerspiegelt de
private kosten van onderwijs. De onderste vraagcurve toont de marginale private bereidheid
tot betalen en de bovenste toont de sociale bereidheid tot betalen. De sociale bereidheid tot
betalen ligt hoger omdat ze ook de maatschappelijke baten mee in rekening neemt. Uit de
grafiek kunnen we besluiten dat de prijs voor hoger onderwijs een stuk hoger ligt voor de
V(MB) ten opzichte van de V(MBB). Er ontstaat een welvaartsverlies, weergegeven door de
grijze driehoek, dat de overheid wegwerkt met subsidies.
BIJLAGEN | 11
GRAFIEK 2. Het principe van aanbodssubsidies GRAFIEK 3. Toegepast
Bron: Eigen voorstellingen
In grafiek 2 zien we op de verticale as de prijs van het inschrijvingsgeld van hoger onderwijs
en op de horizontale as de hoeveelheid inschrijvingen. Verder zijn de vraag- en aanbodcurven
weergegeven voor de situatie zonder subsidies. Door subsidiëring zal de aanbodcurve naar
beneden bewegen, richting Asub, aangezien de kosten voor de instellingen dalen. We bereiken
hierdoor een nieuwe evenwichtssituatie in E1 . Hieruit kunnen we afleiden dat het
inschrijvingsgeld zal dalen van p0 naar p1 en het aantal inschrijvingen zal toenemen van q0 naar
q1. Grafiek 3 is een aangepaste versie van grafiek 1, waarop het systeem van subsidiëring is
toegepast. Het punt Esub geeft dus het nieuwe evenwicht weer voor gesubsidieerd onderwijs.
Dit systeem werkt enkel als de subsidies niet te hoog worden. Een extreme onderprijzing van
het onderwijs kan immers leiden tot misbruik. (Moesen, 2015)
Relatie onderwijssubsidie met het onderwijssysteem
In Vlaanderen zijn er verschillende systemen die ervoor zorgen dat studenten niet kunnen
blijven gebruik maken van de subsidies indien ze niet voldoen aan onderstaande
voorwaarden.
BIJLAGEN | 12
Studiegelden
Wanneer een student zich inschrijft voor een hogeschool of universiteit betaalt hij hiervoor
inschrijvingsgeld. Het studiegeld bestaat altijd uit een vast bedrag en een variabel bedrag per
studiepunt. Het vaste bedrag verschilt naargelang de soort studie en het aantal studiepunten
waarvoor men zich inschrijft. Het variabel bedrag daarentegen varieert naargelang de
gesteldheid van de student.
Iemand die recht heeft op een studietoelage van de Vlaamse overheid, is een beursstudent.
Dit is een financiële steun die de Vlaamse Gemeenschap aanbied voor het helpen dragen van
de studiekosten. Indien de student zijn inkomen tussen het referentie inkomen en de
maximum grens ligt, is hij een bijna-beursstudent en krijgt hij geen studietoelage maar geniet
hij wel van een vermindering van het studiegeld. In alle andere gevallen betaald men aan het
normale tarief.
Tabel 3. Inschrijvingstarieven Vlaamse universiteiten 2014-2015
Bron: Eigen tabel op basis van Onderwijs Vlaanderen (2015)
Aan de hand van tabel 3 tonen wij het verschil aan tussen de verschillende tarieven door
middel van een simpel voorbeeld. Per jaar neemt een student 60 studiepunten op. Dit houdt
in dat het inschrijvingsgeld per jaar voor een beurstariefstudent 103 euro, een bijna-
beurstariefstudent 409 euro en in alle andere gevallen 619 euro bedraagt. Een beurstarief
student moet dus wel degelijk minder betalen. Vanzelfsprekend komt bovenop dit
inschrijvingsgeld nog een hoop andere kosten zoals cursussen, schrijfgerief,
verplaatsingskosten en/of kot.
Quota’s
Verder wordt er in bepaalde richtingen van hoger onderwijs gebruik gemaakt van quota’s. Een
quota is een ingeperkte hoeveelheid. Zo moet men bijvoorbeeld alvorens geneeskunde te
studeren slagen voor een toelatingsproef. Het invoeren van milde al-dan-niet bindende
toelatingsproeven voor alle richtingen zou positieve effecten en efficiëntiewinsten opleveren.
Tarief Vast gedeelte Variabel gedeelte per studiepunt
Niet-beurstarief 61.90 € 9.30 €
Bijna-beurstarief 61.90 € 5.80 €
Beurstarief 61.90 € 0.70 €
BIJLAGEN | 13
Het aantal diploma’s zou stijgen omdat studenten sneller de juiste studierichting kiezen,
minder studenten zouden hun studies nooit afmaken en de studieduur zou dalen. (Declercq
en Verboven, 2014)
2.2 Voordelen van gesubsidieerd onderwijs
Er wordt vaak gewezen op de positieve effecten van onderwijs, in dit opzicht is het dan ook
wenselijk dat de overheid (hoger) onderwijs subsidieert. Het is duidelijk dat het behalen van
een diploma aan een hogere onderwijsinstelling financiële voordelen met zich meebrengt
voor de student. Volgens OESO verdienen mensen met een hogere opleiding namelijk
gemiddeld 70% meer dan mensen met enkel een diploma van het secundaire onderwijs.
(OESO, 2014) Naast financiële voordelen zijn er ook verschillende niet-financiële voordelen
voor de studenten, deze zijn op te splitsen in twee categorieën. De eerste categorie omvat
niet-financiële voordelen die te maken hebben met de professionele carrière. Hoger
opgeleiden halen meer voldoening uit hun carrière, kunnen onafhankelijker werken en
hebben meer positieve sociale interacties op de werkvloer. (Oreopoulos en Salvanes, 2009)
De kans dat mensen met een hogere opleiding werkloos geraken is ook beduidend kleiner dan
bij laag- en middengeschoolden. Figuur 2 toont aan dat in Vlaanderen in de periode 2009 tot
2013 gemiddeld 8,6% van de laaggeschoolden werkloos was, voor eenzelfde periode was
slechts 3% van de hooggeschoolden werkloos. In de gehele Europese Unie waren de
verschillen nog duidelijker. Maar liefst gemiddeld 17% van de laaggeschoolden was over deze
periode werkloos, bij de hooggeschoolden bedraagt dit percentage slechts 5.8%. Zowel in
Vlaanderen als in de gehele Europese Unie is er bovendien een opmerkelijk verschil tussen de
middengeschoolden en de hooggeschoolden, ook hier kan deze laatste groep de beste cijfers
voorleggen. (FOD Werkgelegenheid, Arbeid, Sociaal overleg, 2015)
BIJLAGEN | 14
FIGUUR 2. Werkloosheidspercentage van de actieve bevolking (15 – 65 jaar) per
opleidingsniveau
Bron: Eigen figuur op basis van FOD Werkgelegenheid, Arbeid, Sociaal overleg (2015)
De tweede categorie omvat niet-financiële voordelen die te maken hebben met het
privéleven. Hoger opgeleiden gaan over het algemeen duurzamere huwelijken aan, bovendien
zijn hun kinderen over ook een stuk succesvoller. Verder zijn de ratio’s voor
tienerzwangerschappen en criminele activiteiten opmerkelijk lager bij hoger opgeleiden.
(Oreopoulos en Salvanes, 2009)
Deze positieve effecten zijn in de eerste plaats vooral goed voor de student, al haalt
een overheid ook zijn voordelen uit bijvoorbeeld een lagere criminaliteit. Toch zijn er nog
sterkere argumenten die pleiten in het voordeel van overheidssubsidiëring. Volgens de OESO
behaalt België een netto winst van ongeveer €175.000 voor elke man met een hogere
opleiding en ongeveer €165.000 voor elke vrouw met een hogere opleiding. Aangezien elke
Belgische student ongeveer €205.000 opbrengt voor de overheid, is de kost voor de overheid
van ongeveer €40.000 zeker verdedigbaar. Het overheidsrendement wordt gerealiseerd door
het progressief belastingssysteem, mensen met een hogere opleiding hebben over het
algemeen een hoger loon en betekenen dus meer inkomsten voor de overheid. Kortom, de
baten voor de Belgische overheid overstijgen ruim de kosten. De geldt ook voor de overheden
van andere OESO-landen, ook hier verdient de overheid aan elke student. (OESO, 2014)
FIGUUR 3. Kosten en baten van hoger onderwijs voor studenten en overheid (2010, in PPP $)
BIJLAGEN | 15
BRON: Eigen figuur op basis van OESO (2014)
2.3 Nadelen van gesubsidieerd hoger onderwijs
Een eerste nadeel is dat in een gesubsidieerd systeem elke belastingbetaler meebetaalt voor
een product dat lang niet door iedereen geconsumeerd wordt. Tegenstanders van het
systeem pleitten dat de consumenten van hoger onderwijs zelf de prijs betalen. Ze wijzen erop
dat in een systeem met hoge of gehele betaling door de overheid en in een systeem van
private betaling de kost van studeren gelijkaardig is, maar dat in het tweede systeem de
student wel de vrijheid heeft om al dan niet het bedrag te betalen, terwijl in het eerste
systeem de belastingbetaler geen keuze heeft. Als onderwijs niet langer door de overheid
gefinancierd wordt, kunnen de belastingen gevoelig dalen, en wordt het voor de
middeninkomens en hogere inkomens eenvoudiger om hoge inschrijvingsgelden te betalen.
Bovendien wordt er ook geld uitgespaard doordat er heel wat ambtenaren die de financiering
van hoger onderwijs regelen, niet meer nodig zijn. Tegenstanders van subsidiëring zijn van
mening dat er voor studenten die financieel moeilijk in staat zijn hoge inschrijvingsgelden te
betalen, er verschillende oplossing bestaan zoals sparen, studieleningen en –verzekeringen,
een jaar op voorhand gaan werken en financiering vanuit de instellingen door middel van
beurzen of nauwe samenwerking met het bedrijfsleven. Met deze verhoogde drempel voor
toegang tot onderwijs, zal het bestaande talent efficiënter gefilterd worden. Zo zullen
studenten met goede punten makkelijker een studielening bij de banken of een beurs van een
universiteit kunnen verkrijgen. (Vrijspreker, 2010) Het volgende concrete
voorstel van de voorgestelde lastenverlaging toont aan dat het stopzetten van hoger
onderwijsfinanciering met belastinggeld echter een eerder kleine invloed zal hebben op de
individuele belastingbetaler. In 2012 waren er in Vlaanderen 3.588.650 belastingbetalers en
bedroeg het budget voor hoger onderwijs €1.644.017.000. (Bestat, 2015) Dit betekent dat de
BIJLAGEN | 16
Vlaamse belastingbetaler gemiddeld €458,12 euro per jaar bijdraagt aan hoger onderwijs.
Aangezien de overheid jaarlijks ongeveer €12.000 bijdraagt per universiteitsstudent, zou het
wegvallen van het belastingsysteem toch leiden tot een significant verhoogde eigen inbreng
die nauwelijks gedekt wordt door de uitgespaarde belastingen.
Op de lijsten van beste universiteiten ter wereld
staan de Angelsaksische –en dan vooral de Amerikaanse- instellingen steevast op de hoogste
plaatsen. Op de drie meest prominente ranglijsten (de Shanghai Ranking, de Times Higher
Education Ranking en de QS World Universities Ranking) staan enkel Amerikaanse en Britse
instellingen in de top tien. (Academic Ranking of World Universities, 2015; Timer Higher
Education World Universities Ranking, 2015; QS Top Univirsities, 2015)
TABEL 4. Beste 10 universiteiten volgens verschillende ranglijsten
Bron: Eigen tabel op basis van Academic Ranking of World Universities, Times Higher Education Ranking,
QS Top Universities (2015)
Al deze topuniversiteiten zijn private instellingen (VS) of instellingen waar de overheid
wel tussenkomst in subsidies en wetgeving rond inschrijvingsgeld, maar dan in vrij beperkte
mate (VK). Tegenover de hoge private kosten die student zelf moet betalen, staan vele
voordelen. Deze universiteiten kunnen vaak les geven in kleine groepen. Zo worden
individuele noden van een student beter aangepakt, is er meer dialoog met de professoren en
kunnen de cursussen specifieker worden. Vrije instellingen die beschikken over een hoog
budget omdat ze veel inschrijvingsgeld kunnen vragen, kunnen ook de meest gerenomeerde
professoren aantrekken en hoogwaardig onderzoek financieren. De positieve effecten hiervan
sijpelen ook door naar de studenten. Ten slotte kan een deel van de financiële last voor de
student ook verminderd worden omdat deze instellingen hun studenten vaak steunen als ze
zich verdienstelijk maken. Op die manier worden de studenten ook gemotiveerd om hoog te
scoren. (Gocollege, 2015; Scholarships.com, 2015) De omvang aan
subsidiegelden die de Vlaamse universiteiten ontvangen zijn deels afhankelijk van het aantal
BIJLAGEN | 17
studenten dat slaagt. (Portaal belgium.be, 2015) Het is dus in het voordeel van deze
instellingen dat er zo veel mogelijk van hun studenten slagen. Daarom bestaat het gevaar dat
instellingen te licht omspringen met de slaagnormen om het slaagcijfer op te krikken,
waardoor de studenten niet op een optimale manier afstuderen. Een ander probleem aan de
Vlaamse universiteiten is dat de slaagcijfers van studenten in hun eerste jaar laag zijn, minder
dan de helft behaalt minstens 90% van de opgenomen studiepunten. (Vlaamse
Onderwijsraad, 2015) Hoewel de oorzaak hiervan zeker breder is dan het systeem van
onderwijsfinanciering, ligt het relatief beperkte inschrijvingsgeld mee aan de basis. Aangezien
de private inbreng vrij klein is, is er een veel lagere druk op studenten om een doordachte
studiekeuze te maken of om voldoende motivatie op te brengen. Studenten die zelf moeten
lenen of werken om hun opleiding te betalen zullen sneller een tandje bijsteken als dit nodig
is.
3 Alternatieve subsidiëring: Verenigde Staten van Amerika
Amerikaanse subsidies voor hoger onderwijs zijn niet bedoeld voor het financieren van de
instellingen. In de VS zijn de universiteiten doorgaans onafhankelijke, niet-overheidsgebonden
instellingen die zelf instaan voor hun financiering. Daarnaast is een hoge eigen inbreng van de
studenten zelf noodzakelijk. Waar men in
Vlaanderen de werking van de instellingen financiert en het bedrag van de inschrijvingen
aanpast aan de middelen die de overheid kan spenderen in de universiteiten, komt de
Amerikaanse overheid rechtstreeks tussen bij de student om de last van het hoge
inschrijvingsbedrag te verlichten: Geen subsidiëring van het hoger onderwijs, wel van haar
consumenten. De
Amerikaanse student kan zich registreren op Free Application for Federal Student Aid (FAFSA).
FAFSA geeft jaarlijks ongeveer $150 miljard aan verschillende manieren van financiële steun
aan studenten. Het steunfonds geeft verschillende subsidies uit, afhankelijk van de financiële
situatie van de student. Daarnaast hebben ze ook verschillende leningen, waarbij de intrest
afhankelijk is van de financiële nood van de student. Ten slotte bieden ze ook een werk-
studeerprogramma aan, waarbij studenten hun opleiding kunnen combineren met een job
BIJLAGEN | 18
tijdens het academiejaar. (FAFSA, 2015) Naast
directe steun kunnen studenten in het Amerikaanse systeem ook terugvallen op indirecte
steun in de vorm van belastingverlagingen. De American Opportunity Tax Credit en de Lifetime
Learning Credit zijn programma’s die studenten of hun ouders een eenmalige respectievelijk
onbeperkte vermindering van hun jaarlijkse belastingsschuld geven. (Forbes, 2012)
GRAFIEK 4. Het principe van vraagssubsidies
Bron: Eigen voorstelling
P staat voor de prijs van het inschrijvingsgeld van hoger onderwijs en q staat voor het aantal
inschrijvingen. Zonder enige subsidies bevinden we ons in het evenwichtspunt E0, met het
aantal inschrijvingen q0 en de prijs p0. In Amerika gaat men de consument subsidiëren
waardoor de vraag-curve omhoog zal verschuiven. Hierdoor ontstaat een nieuw
evenwichtspunt in E1 met bijbehorende p1 en q1. De werkelijke prijs voor hogeronderwijs is
p2. Maar dankzij de subsidies betaald de consument slechts een prijs p1. Dus net zoals in
België zal ook hier het inschrijvingsgeld verminderen en de hoeveelheid inschrijvingen zullen.
De voordelen van dit systeem komen sterk overeen met de nadelen van een substitutie
langs de aanbodzijde. De vrije Amerikaanse instellingen kunnen zelf hun manier van lesgeven
BIJLAGEN | 19
organiseren, topacademici aantrekken en hoogwaardig onderzoek produceren, waardoor ze
een hoge kwaliteit aanbieden. Een ander voordeel is dat als studenten een hoog
inschrijvingsbedrag moeten betalen en hiervoor eventueel een zware lening moeten aangaan
die ze jarenlang moeten meedragen, ze doorgaans gemotiveerder zijn om hard te werken om
hun slaagkansen te verhogen. De
nadelen van het systeem zijn vrij evident: de hoge inschrijvingskosten maken het voor veel
mensen moeilijk om zich in te schrijven aan een universiteit, zeker aan een dure
topuniversiteit. Zelfs al zijn er overheidsgedragen steunprogramma’s, dan kan het vooruitzicht
om vele jaren een lening te moeten afbetalen een reden zijn om af te haken. Op die manier is
er een nefaste correlatie tussen de rijkdom van de ouders en de mogelijkheden van het kind,
die de optimale ontplooiing van ieders intellectuele talenten belemmert. (The Economist,
2015) Er is ook
kritiek op de overheidsprogramma’s die leningen of tax credits voorzien voor studenten met
financiële moeilijkheden. De programma’s zijn geldverslindend (in 2013 bedroeg het gehele
bedrag van leningen bedoeld voor universitaire inschrijvingen 54 miljard dollar; gezien de
enorme Amerikaanse staatsschuld groeit de kritiek hierop), ze kennen veel misbruik (een deel
van het geld komt terecht bij mensen die er eigenlijk niet in aanmerking voor komen), en de
effecten lijken niet zo sterk te zijn. (Forbes, 2012) Het Amerikaanse
systeem balanceert dus tussen de voordelen van vrije, hoogkwalitatieve instellingen en de
nadelen van een niet-wettelijk vastgelegd inschrijvingsgeld dat zeer hoog is en moeilijk te
dragen is, zowel voor de studenten als voor de ondersteunende overheidsprogramma’s.
BIJLAGEN | 20
Besluit
Deze paper behandelde de vraag of hoger onderwijs gesubsidieerd moet worden, een thema
dat door de recent aangekondigde verhoging van het inschrijvingsgeld sterk in de actualiteit
staat. De Vlaamse instellingen van hoger onderwijs worden op twee manieren gefinancierd.
Hun eerste, en voornaamste bron van inkomsten zijn de subsidies die ze ontvangen van de
Vlaamse overheid. Deze subsidies bedragen ruim 1,75 miljard euro. De universiteiten en
hogescholen vragen daarnaast ook inschrijvingsgeld aan hun studenten. De recente
aanpassing van het inschrijvingsgeld betekent dus een verschuiving van minder
overheidsinbreng tegenover meer private inbreng.
Onderwijs is een niet-zuiver publiek verdienstengoed. Er komen dus positieve externe
effecten voort uit onderwijs. De economische analyse van deze paper toonde aan dat de
consument welvaartsverlies lijdt omdat de marginale betalingsbereidheid lager ligt dan
marginale baten. Daarom subsidieerd de overheid hoger onderwijs. Het subsidiëren van de
instellingen zorgt voor een nieuw marktevenwicht waarbij de instellingen een relatief laag
inschrijvingsbedrag moeten vragen. Subsidiëring leidt dus tot aan verhoogde vraag aan een
verlaagde prijs.
De voordelen van gesubsidieerd hoger onderwijs vloeien voort uit het feit dat meer
mensen een hoger diploma behalen. Hooggeschoolden verdienen meer en hebben minder
kans op werkloosheid. Veel hooggeschoolden betekent dus een hogere gemiddelde welvaart.
Hooggeschoolden halen ook meer voldoening uit hun werk en hebben doorgaans minder
sociale problemen in hun leven. Ook de overheid heeft baat bij het hoger onderwijs. Hoge
lonen betekenen veel inkomsten, wegens het progressieve inkomstenbelastingensysteem en
de sociale inkomsten van hooggeschoolden. In België zijn de baten van hooggeschoolden zelfs
sterk hoger voor de overheid dan voor de afgestudeerden zelf. Daarnaast zijn er ook nadelen
aan gesubsidieerd hoger onderwijs. Belastingbetalers dragen bij aan een product dat ze niet
zelf direct consumeren, en zouden meer voordeel kunnen hebben bij lagere belastingen of
een andere aanwending van belastingen. Ook halen gesubsidieerde instellingen vaak niet
hetzelfde kwaliteitsniveau van hun private tegenhangers. Ten slotte kan subsidiëring ook
leiden tot inefficiëntie bij studenten en instellingen.
Daarom behandelde de paper ook een alternatief systeem: het
BIJLAGEN | 21
subsidiëren van de vraag in het Amerikaanse onderwijssysteem. In de VS zijn er veel private
instellingen, die hoge inschrijvingsbedragen vragen. De overheid intervenieert hier door de
studenten zelf te steunen. De meeste voordelen van het gesubsidieerde systeem zijn tegelijk
de nadelen van het vrije systeem en vice versa.
De conclusie van de paper is daarom dat het subsidiëren van hoger
onderwijs positieve effecten heeft voor de hooggeschoolde, de maatschappij en de overheid.
Er is echter geen beste manier waarop deze subsidiëring gebeurt, elk systeem heeft zijn voor-
en nadelen.
Bibliografie
Academic Ranking of World Universities. (2015). Geraadpleegd op 25 mei 2015 via
http://www.shanghairanking.com/; Times Higher Education World Universities Ranking.
Geraadpleegd op 25 mei 2015 via http://www.timeshighereducation.co.uk/world-university-
rankings
Bruce, N. (2000). Public Finance and the American Economy, Boston, Prentice Hall, pp. 93.
Declercq, K. en Verboven, F. (2014). Zijn toelatingsvoorwaarden in het hoger onderwijs
wenselijk?, Leuven, FEB, pp. 10-15.
Decoster, A. (2013). Economie een inleiding, (7de druk), Leuven: universitaire pers Leuven.
Federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. (2015). Volledig
overzicht van alle beschikbare indicatoren: INC03 - Werkloosheidsgraad volgens
opleidingsniveau. Geraadpleegd op 25 maart 2015 via
http://www.werk.belgie.be/moduleDefault.aspx?id=21166.
Fiscale statistiek van de inkomsten onderworpen aan de belasting van de natuurlijke personen
per woonplaats. (2015). Geraadpleegd op 25 maart 2015 via
http://bestat.economie.fgov.be/BeStat/BeStatMultidimensionalAnalysis?loadDefaultId=153
Vlaams ministerie voor Onderwijs en Vorming. (2015). Vlaams onderwijs in cijfers 2013-2014.
Geraadpleegd op 25 maart 2015 via http://onderwijs.vlaanderen.be/node/2567
Forbes. (2015). It's Well Past Time To Slash Higher Education Subsidies. Geraadpleegd op 25
maart 2015 via http://www.forbes.com/sites/realspin/2012/09/17/its-well-past-time-to-
slash-higher-education-subsidies
Free Application for Federal Student Aid. (2015) What types of aid are available?.
Geraadpleegd op 26 maart 2015 via https://fafsa.ed.gov/fotw1415/help/typesofAid.htm
Gocollege, Private Four-Year Colleges and Universities. (2015) Geraadpleegd op 25 maart 2015
via http://www.gocollege.com/options/private-universities/; Scholarships.com,
KU Leuven. (2015). Leerkrediet. Geraadpleegd op 25 maart 2015,
onderwijs.vlaanderen.be/studenten/kosten-toelagen-en-werken/studiegelden
Moens, B. (2014), Inschrijvingsgeld hoger onderwijs stijgt naar 890 euro. Geraadpleegd op 23
maart 2015 via http://www.tijd.be/detail.art?a=9557828.
Moesen, W.A. (2015) De kwaliteit van instellingen en economische welvaart. geraadpleegd op
25 maart 2015 http://hiw.kuleuven.be/ned/lessen/cursusmateriaal/0607/moesen.pdf
OESO. (2014), Education at a Glance 2014, p 132-138. Geraadpleegd op 25 maart 2015 via
http://www.oecd.org/edu/Education-at-a-Glance-2014.pdf.
Onderwijs Vlaanderen. (2015). Toelatingsvoorwaarden hoger onderwijs. Geraadpleegd op 25
maart 2015 via
http://onderwijs.vlaanderen.be/studenten/toelatingsvoorwaarden/toelatingsvoorwaarden
Oreopoulos, P en Salvanes, K.G. (2015) How large are returns to schooling? Hint: Money isn’t
everything, National Bureau of Economic Research, 2009, pp. 26-29.
Portaal Belgium.be. (2015) Toelatinsvoorwaarden in het hoger onderwijs. Geraadpleegd op 25
maart 2015 via
http://www.belgium.be/nl/Leren/onderwijs/hoger_onderwijs/Toelatingsvoorwaarden/
Privaat hoger onderwijs is voor iedereen. (2010). Geraadpleegd op 25 maart 2015 via
http://www.vrijspreker.nl/wp/2010/06/privaat-hoger-onderwijs-is-voor-iedereen/
QS Top Universities. (2015). Geraadpleegd op 25 mei via
http://www.topuniversities.com/university-rankings/world-university-
rankings/2014#sorting=rank+region=+country=+faculty=+stars=false+search=
Tirez, A. (2015). Overheid verdient meer aan hoger onderwijs dan afgestudeerde.
Geraadpleegd op 25 maart 2015 via
http://www.tijd.be/dossier/mobiliteit/Overheid_verdient_meer_aan_hoger_onderwijs_dan
_afgestudeerde.9561925-2336.art
Tuyaerts, M. (2015). Fakkeltocht tegen besparing lokt bijna 300 deelnemers. Geraadpleegd op
24 maart 2015 via http://www.veto.be/jg41/veto4107/fakkeltocht-tegen-besparingen-voor-
een-kwalitatief-en-toegankelijk-onderwijs-gaan-wij
The Economist. (2015). Excellence v equity. The Economist 414, pp. 1-18.
Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming. (2015). Statistisch jaarboek van het Vlaams
onderwijs (schooljaar 2013-2014), Brussel, pp. 503-508.
Vlaams ministerie voor Onderwijs en Vorming. (2015)., Veelgestelde vragen personeelsstatuut
hogescholen. Geraadpleegd op 24 maart 2015 via
http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/vgv/personeelhogescholen.htm
Vlaams ministerie voor Onderwijs en Vorming. (2015). Vlaams onderwijs in cijfers 2013-2014.
Geraadpleegd op 25 maart 2015 via http://onderwijs.vlaanderen.be/node/2567 en Vlaams
ministerie van Onderwijs en Vorming (2015), Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs
(schooljaar 2013-2014), Brussel, pp. 463-472.
Vlaamse Onderwijsraad. (2015). Studiekeuzebegeleiding naar hoger onderwijs moet beter om
slaagcijfers te verhogen. Geraadpleegd op 25 maart 2015 via
http://www.vlor.be/studiekeuzebegeleiding
Vlaamse Overheid. (2015). De Vlaamse begroting in cijfers. Geraadpleegd op 23 maart 2015
via http://www.vlaanderen.be/nl/vlaamse-overheid/werking-van-de-vlaamse-overheid/de-
vlaamse-begroting-cijfers#
VVS. (2014). Verhoging van inschrijvingsgelden is niet de oplossing voor onderfinanciering
hoger onderwijs. Geraadpleegd op 23 maart 2015 via http://www.vvs.ac/verhoging-
inschrijvingsgelden-niet-oplossing-onderfinanciering-hoger-onderwijs

More Related Content

Similar to HHOIV paper volledig

FEROS maart 2013 Studeren op kosten van de baas
FEROS maart 2013 Studeren op kosten van de baasFEROS maart 2013 Studeren op kosten van de baas
FEROS maart 2013 Studeren op kosten van de baas
Rob Hoeks
 
Tussenrapportage Stimuleringsfonds Joint Degrees VSNU
Tussenrapportage Stimuleringsfonds Joint Degrees VSNUTussenrapportage Stimuleringsfonds Joint Degrees VSNU
Tussenrapportage Stimuleringsfonds Joint Degrees VSNU
Guido Van Leerzem
 
22 05-13 brief leven lang leren ao febr 2014 - 11.225.02
22 05-13 brief leven lang leren ao febr 2014 - 11.225.0222 05-13 brief leven lang leren ao febr 2014 - 11.225.02
22 05-13 brief leven lang leren ao febr 2014 - 11.225.02
CNV Vakcentrale
 
Nederland laat subsidies liggen
Nederland laat subsidies liggenNederland laat subsidies liggen
Nederland laat subsidies liggen
QDiG
 
080102 Phase One Leeuwenborg
080102 Phase One Leeuwenborg080102 Phase One Leeuwenborg
080102 Phase One Leeuwenborg
jankorterink
 

Similar to HHOIV paper volledig (20)

informatienota uitkomsten meicirculaire gemeentefonds 2014
informatienota uitkomsten meicirculaire gemeentefonds 2014informatienota uitkomsten meicirculaire gemeentefonds 2014
informatienota uitkomsten meicirculaire gemeentefonds 2014
 
FEROS maart 2013 Studeren op kosten van de baas
FEROS maart 2013 Studeren op kosten van de baasFEROS maart 2013 Studeren op kosten van de baas
FEROS maart 2013 Studeren op kosten van de baas
 
Vergrijzing en wie betaald de rekening?
Vergrijzing en wie betaald de rekening?Vergrijzing en wie betaald de rekening?
Vergrijzing en wie betaald de rekening?
 
Novelle begroting 2015
Novelle begroting 2015Novelle begroting 2015
Novelle begroting 2015
 
Doorrekening+herfstakkoord
Doorrekening+herfstakkoordDoorrekening+herfstakkoord
Doorrekening+herfstakkoord
 
Gedurfd realisme prioriteiten voor 25 mei
Gedurfd realisme   prioriteiten voor 25 meiGedurfd realisme   prioriteiten voor 25 mei
Gedurfd realisme prioriteiten voor 25 mei
 
Gedurfd realisme prioriteiten voor 25 mei
Gedurfd realisme   prioriteiten voor 25 meiGedurfd realisme   prioriteiten voor 25 mei
Gedurfd realisme prioriteiten voor 25 mei
 
H5 SE 4 met antwoorden
H5 SE 4 met antwoordenH5 SE 4 met antwoorden
H5 SE 4 met antwoorden
 
EducatiePartners - Regeling kwaliteitsafspraken mbo
EducatiePartners - Regeling kwaliteitsafspraken mbo EducatiePartners - Regeling kwaliteitsafspraken mbo
EducatiePartners - Regeling kwaliteitsafspraken mbo
 
Tussenrapportage Stimuleringsfonds Joint Degrees VSNU
Tussenrapportage Stimuleringsfonds Joint Degrees VSNUTussenrapportage Stimuleringsfonds Joint Degrees VSNU
Tussenrapportage Stimuleringsfonds Joint Degrees VSNU
 
22 05-13 brief leven lang leren ao febr 2014 - 11.225.02
22 05-13 brief leven lang leren ao febr 2014 - 11.225.0222 05-13 brief leven lang leren ao febr 2014 - 11.225.02
22 05-13 brief leven lang leren ao febr 2014 - 11.225.02
 
Nederland laat subsidies liggen
Nederland laat subsidies liggenNederland laat subsidies liggen
Nederland laat subsidies liggen
 
Voet2010
Voet2010 Voet2010
Voet2010
 
Voet2010
Voet2010Voet2010
Voet2010
 
Regeerakkoord Vlaamse regering 2019-2024
Regeerakkoord Vlaamse regering 2019-2024Regeerakkoord Vlaamse regering 2019-2024
Regeerakkoord Vlaamse regering 2019-2024
 
Miljardeninjectie in het onderwijs en sleutelrol medezeggenschap
Miljardeninjectie in het onderwijs en sleutelrol medezeggenschapMiljardeninjectie in het onderwijs en sleutelrol medezeggenschap
Miljardeninjectie in het onderwijs en sleutelrol medezeggenschap
 
Splits de onderwijskolom naar doelstelling van onderwijs
Splits de onderwijskolom naar doelstelling van onderwijsSplits de onderwijskolom naar doelstelling van onderwijs
Splits de onderwijskolom naar doelstelling van onderwijs
 
080102 Phase One Leeuwenborg
080102 Phase One Leeuwenborg080102 Phase One Leeuwenborg
080102 Phase One Leeuwenborg
 
De kwaliteit van kinderopvang, gemeten in werknemers per kind, is bij commerc...
De kwaliteit van kinderopvang, gemeten in werknemers per kind, is bij commerc...De kwaliteit van kinderopvang, gemeten in werknemers per kind, is bij commerc...
De kwaliteit van kinderopvang, gemeten in werknemers per kind, is bij commerc...
 
Gebakken Peren
Gebakken PerenGebakken Peren
Gebakken Peren
 

HHOIV paper volledig

  • 1. Moet hoger onderwijs gesubsidieerd worden? 22 mei 2015 Seminarie Actuele economische problemen Pieter-Jan Hoedt Kevin Kleykens Nathalie Orye Tobias Vercammen FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSWETENSCHAPPEN
  • 2.
  • 3. INHOUDSTAFEL | 3 Inhoudstafel Inleiding……………………………………………………………………………………........................5 1. Actuele subsidiërinssituatie in Vlaanderen…………………………………………………..6 2. Werking en effecten van subsidies……………………...……………………………………….9 2.1 Economische analyse………………………………………………………………………..9 2.2 Voordelen van gesubsidieerd hoger onderwijs……………………………….13 2.3 Nadelen van gesubsidieerd hoger onderwijs…………………………………..15 3. Alternatieve subsidiëring: Verenigde Staten van Amerika…………………………..17 Besluit…………………………………………………………………………………………………………….20 Bibliografie……………………………………………………………………………………………………..22
  • 4.
  • 5. INLEIDING | 5 Inleiding “Afgelopen woensdag trotseerden een driehonderdtal studenten de eerste herfstkoude voor een fakkeltocht. De deelnemers maakten op het Ladeuzeplein duidelijk dat ze niet akkoord gaan met het besparingsbeleid van onderwijsminister Hilde Crevits.” (Tuyaerts, 2015) De subsidiëring van het hoger onderwijs kwam aan het begin van het academiejaar in het midden van de belangstelling te staan. Op 5 november kwamen in verschillende studentensteden misnoegde studenten op straat, zij uitten hun ongenoegen over de verhoging van het inschrijvingsgeld. De verlaging van het budget dat de Vlaamse overheid spendeert aan de hogere onderwijsinstellingen, zal vanaf volgend academiejaar namelijk leiden tot een verhoging van het maximale inschrijvingsgeld van €619,9 naar €890. (Moens, 2014) Ook de Vlaamse Vereniging van Studenten (VVS) uitte kritiek, zij vinden dat deze beslissing niet te rijmen valt met een beleid dat streeft naar de democratisering van het onderwijs. (VVS, 2014) Deze paper bespreekt de voor- en nadelen van gesubsidieerd hoger onderwijs en biedt een antwoord op de vraag of hoger onderwijs al dan niet gesubsidieerd moet worden. Het eerste deel van de paper heeft aandacht voor de actuele situatie: in welke mate wordt het hoger onderwijs in Vlaanderen gesubsidieerd en waar wordt dit geld voor gebruikt? Het tweede deel biedt een economische analyse van de subsidies voor hoger onderwijs en bespreekt de voor- en nadelen van deze subsidies. In het derde deel wordt er gekeken naar de subsidies op hoger onderwijs in andere regio’s en landen. Ten slotte vat een besluit al de bevindingen van de paper kort samen.
  • 6. 6 | INLEIDING 1 Actuele subsidiëringssituatie in Vlaanderen Onderwijs is een bevoegdheid van de Vlaamse overheid. De begroting van 2015 voorziet een budget van €10,9 miljard voor het beleidsdomein “onderwijs en vorming”, dit vertegenwoordigt 28,42% van alle uitgaven en vormt hiermee de grootste post. (Vlaamse Overheid, 2015) Uiteraard gaat deze som niet in zijn totaliteit naar het hoger onderwijs, de subsidies voor hoger onderwijs in 2014 bedroegen €1,75 miljard of 17% van het totale budget voor onderwijs en vorming. TABEL 1. Verdeling aantal studenten, niveausubsidie en subsidie per student (2013-2014) BRON: Eigen tabel op basis van Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming (2015) De Vlaamse overheid voorziet voor elke student in het hoger onderwijs een subsidie van ongeveer €6840, enkel de studenten van het secundair onderwijs ontvangen een hogere subsidie. De relatief hoge kost per student in het hoger onderwijs is vooral een gevolg van de hoge kost voor universiteitsstudenten. Deze groep, die 42% van alle hoger onderwijsstudenten vertegenwoordigt, kost de overheid ongeveer €12000 per student. (Tirez, 2014) Verder is het opvallend dat het hoger onderwijs slechts 13% van het totale aantal studenten in Vlaanderen omvat, en toch 17% van de totale subsidies voor onderwijs en vorming ontvangt. Het hoger onderwijs in Vlaanderen geniet dus in vergelijking met de andere onderwijsniveaus een relatief hoge subsidie door de overheid.
  • 7. INLEIDING | 7 FIGUUR 1. Onderwijsbegroting per uitgavecategorie (2013-2014) BRON: Eigen figuur op basis van Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming (2015) Over het algemeen worden de meeste subsidies voor onderwijs (69%) gebruikt om de salarissen van het personeel te betalen, het overige budget gaat grotendeels naar werking (27%). De subsidies voor hoger onderwijs kennen een andere verdeling, bijna het volledige budget gaat naar werking (94%). Dit is echter een vertekend beeld: de instellingen van het hoger onderwijs bepalen zelf de salarissen die zij uitkeren aan hun personeelsleden, de overheid voorziet hiervoor een hoger werkingsbudget. (Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming, 2015) TABEL 2. Evolutie budget hoger onderwijs, aantal studenten en personeelsleden (2009-2014) BRON: Eigen tabel op basis van Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming (2015) Tabel 2 toont aan dat er de voorbije jaren een grote groei van het aantal studenten in het hoger onderwijs was: een groei van 23.95% tegenover 2009 en een groei van 13.75% tegenover 2010. Deze groei werd duidelijk niet volledig gedekt door een groeiend onderwijsbudget: een groei van 8,41% tegenover 2009 en een groei van 6% tegenover 2010. Op zich hoeft dit niet alarmerend te zijn. De marginale meerkost van één extra student is relatief klein, en het is dus zeker niet noodzakelijk dat het onderwijsbudget evenredig groeit met de studentenpopulatie. Een grote toename van het aantal studenten zal uiteindelijk wel nieuwe investeringen in capaciteitsuitbreiding vereisen, waardoor de krimpende verhouding van het budget per student op lange termijn wel nefaste gevolgen kan hebben. Het personeel dat actief is in het hoger onderwijs kent net zoals het budget een tragere groei in vergelijking
  • 8. 8 | INLEIDING met de studenten: een groei van 10,91% tegenover 2009, en een groei van 3,96% tegenover 2010. Er is dus ook een krimpende verhouding van het aantal personeelsleden per student. Dit kan wel op korte termijn nefaste gevolgen hebben zoals de beperkte bereikbaarheid van het personeel.1 We stellen vast dat de Vlaamse overheid omvangrijke subsidies toekent aan het hoger onderwijs. 1 Opmerking: de grote verschillen tussen 2009 en 2010 zijn een gevolg van de afwezigheid van de cijfers voor de opleidingen HBO5 Verpleegkunde en SLO, die ook onder hoger onderwijs vallen. Gezien het lage aandeel dat deze opleidingen hebben in de volgende jaren, is deze afwezigheid echter niet problematisch voor de statische evolutie die wordt aangetoond in de tabel.
  • 9. BIJLAGEN | 9 2 Werking en effecten van subsidies 2.1 Economische analyse Om betrouwbare modellen op te stellen, is het belangrijk om te bepalen welk soort publiek goed hoger onderwijs is. Ten eerste is hoger onderwijs een uitsluitbaar goed, dit wil zeggen dat het mogelijk is om personen te weerhouden van de consumptie van het goed. Concreet betekent dit dat men moet voldoen aan twee voorwaarden om deel te nemen aan het hoger onderwijs: men moet beschikken over een diploma van het secundair onderwijs en men moet het inschrijvingsgeld betalen. Ten tweede is het hoger onderwijs niet-rivaal, dit wil zeggen dat de marginale kost om hoger onderwijs aan te bieden aan één extra persoon gelijk is aan nul. Het hoger onderwijs is echter geen zuiver publiek goed, die voldoen namelijk aan twee eigenlijkschappen: niet-rivaliteit en niet-uitsluitbaarheid. De uitsluitbaarheid van hoger onderwijs zorgt ervoor dat dit eerder gecategoriseerd dient te worden als een clubgoed. (Decoster, 2013) Wel is hoger onderwijs een verdienstengoed, dit wil zeggen dat de overheid de consumptie moet stimuleren omdat de consumenten er spontaan te weinig belang aan hechten. Dit komt doordat er naast het individueel nut van onderwijs heel wat positieve externe effecten komen kijken. Zo heeft de maatschappij er baat bij als studenten beschikken over een hoger diploma (zie infra). Deze positieve externe effecten moeten we dan ook verwerken om een pareto-efficiënte situatie te bereiken. Een pareto-efficiënte situatie ontstaat wanneer we de situatie van minstens 1 persoon niet meer kunnen verbeteren zonder dat van een ander in te perken. (Moesen, 2015)
  • 10. BIJLAGEN | 10 GRAFIEK 1. Vraageffecten bij positieve externaliteiten Bron: Eigen grafiek op basis van Bruce (2000) In grafiek 1 wordt op de verticale as de prijs van het inschrijvingsgeld van hoger onderwijs weergegeven en op de horizontale as de hoeveelheid leerlingen die zich inschrijven voor hoger onderwijs. De stijgende curve geeft de marginale aanbodkost weer, dit weerspiegelt de private kosten van onderwijs. De onderste vraagcurve toont de marginale private bereidheid tot betalen en de bovenste toont de sociale bereidheid tot betalen. De sociale bereidheid tot betalen ligt hoger omdat ze ook de maatschappelijke baten mee in rekening neemt. Uit de grafiek kunnen we besluiten dat de prijs voor hoger onderwijs een stuk hoger ligt voor de V(MB) ten opzichte van de V(MBB). Er ontstaat een welvaartsverlies, weergegeven door de grijze driehoek, dat de overheid wegwerkt met subsidies.
  • 11. BIJLAGEN | 11 GRAFIEK 2. Het principe van aanbodssubsidies GRAFIEK 3. Toegepast Bron: Eigen voorstellingen In grafiek 2 zien we op de verticale as de prijs van het inschrijvingsgeld van hoger onderwijs en op de horizontale as de hoeveelheid inschrijvingen. Verder zijn de vraag- en aanbodcurven weergegeven voor de situatie zonder subsidies. Door subsidiëring zal de aanbodcurve naar beneden bewegen, richting Asub, aangezien de kosten voor de instellingen dalen. We bereiken hierdoor een nieuwe evenwichtssituatie in E1 . Hieruit kunnen we afleiden dat het inschrijvingsgeld zal dalen van p0 naar p1 en het aantal inschrijvingen zal toenemen van q0 naar q1. Grafiek 3 is een aangepaste versie van grafiek 1, waarop het systeem van subsidiëring is toegepast. Het punt Esub geeft dus het nieuwe evenwicht weer voor gesubsidieerd onderwijs. Dit systeem werkt enkel als de subsidies niet te hoog worden. Een extreme onderprijzing van het onderwijs kan immers leiden tot misbruik. (Moesen, 2015) Relatie onderwijssubsidie met het onderwijssysteem In Vlaanderen zijn er verschillende systemen die ervoor zorgen dat studenten niet kunnen blijven gebruik maken van de subsidies indien ze niet voldoen aan onderstaande voorwaarden.
  • 12. BIJLAGEN | 12 Studiegelden Wanneer een student zich inschrijft voor een hogeschool of universiteit betaalt hij hiervoor inschrijvingsgeld. Het studiegeld bestaat altijd uit een vast bedrag en een variabel bedrag per studiepunt. Het vaste bedrag verschilt naargelang de soort studie en het aantal studiepunten waarvoor men zich inschrijft. Het variabel bedrag daarentegen varieert naargelang de gesteldheid van de student. Iemand die recht heeft op een studietoelage van de Vlaamse overheid, is een beursstudent. Dit is een financiële steun die de Vlaamse Gemeenschap aanbied voor het helpen dragen van de studiekosten. Indien de student zijn inkomen tussen het referentie inkomen en de maximum grens ligt, is hij een bijna-beursstudent en krijgt hij geen studietoelage maar geniet hij wel van een vermindering van het studiegeld. In alle andere gevallen betaald men aan het normale tarief. Tabel 3. Inschrijvingstarieven Vlaamse universiteiten 2014-2015 Bron: Eigen tabel op basis van Onderwijs Vlaanderen (2015) Aan de hand van tabel 3 tonen wij het verschil aan tussen de verschillende tarieven door middel van een simpel voorbeeld. Per jaar neemt een student 60 studiepunten op. Dit houdt in dat het inschrijvingsgeld per jaar voor een beurstariefstudent 103 euro, een bijna- beurstariefstudent 409 euro en in alle andere gevallen 619 euro bedraagt. Een beurstarief student moet dus wel degelijk minder betalen. Vanzelfsprekend komt bovenop dit inschrijvingsgeld nog een hoop andere kosten zoals cursussen, schrijfgerief, verplaatsingskosten en/of kot. Quota’s Verder wordt er in bepaalde richtingen van hoger onderwijs gebruik gemaakt van quota’s. Een quota is een ingeperkte hoeveelheid. Zo moet men bijvoorbeeld alvorens geneeskunde te studeren slagen voor een toelatingsproef. Het invoeren van milde al-dan-niet bindende toelatingsproeven voor alle richtingen zou positieve effecten en efficiëntiewinsten opleveren. Tarief Vast gedeelte Variabel gedeelte per studiepunt Niet-beurstarief 61.90 € 9.30 € Bijna-beurstarief 61.90 € 5.80 € Beurstarief 61.90 € 0.70 €
  • 13. BIJLAGEN | 13 Het aantal diploma’s zou stijgen omdat studenten sneller de juiste studierichting kiezen, minder studenten zouden hun studies nooit afmaken en de studieduur zou dalen. (Declercq en Verboven, 2014) 2.2 Voordelen van gesubsidieerd onderwijs Er wordt vaak gewezen op de positieve effecten van onderwijs, in dit opzicht is het dan ook wenselijk dat de overheid (hoger) onderwijs subsidieert. Het is duidelijk dat het behalen van een diploma aan een hogere onderwijsinstelling financiële voordelen met zich meebrengt voor de student. Volgens OESO verdienen mensen met een hogere opleiding namelijk gemiddeld 70% meer dan mensen met enkel een diploma van het secundaire onderwijs. (OESO, 2014) Naast financiële voordelen zijn er ook verschillende niet-financiële voordelen voor de studenten, deze zijn op te splitsen in twee categorieën. De eerste categorie omvat niet-financiële voordelen die te maken hebben met de professionele carrière. Hoger opgeleiden halen meer voldoening uit hun carrière, kunnen onafhankelijker werken en hebben meer positieve sociale interacties op de werkvloer. (Oreopoulos en Salvanes, 2009) De kans dat mensen met een hogere opleiding werkloos geraken is ook beduidend kleiner dan bij laag- en middengeschoolden. Figuur 2 toont aan dat in Vlaanderen in de periode 2009 tot 2013 gemiddeld 8,6% van de laaggeschoolden werkloos was, voor eenzelfde periode was slechts 3% van de hooggeschoolden werkloos. In de gehele Europese Unie waren de verschillen nog duidelijker. Maar liefst gemiddeld 17% van de laaggeschoolden was over deze periode werkloos, bij de hooggeschoolden bedraagt dit percentage slechts 5.8%. Zowel in Vlaanderen als in de gehele Europese Unie is er bovendien een opmerkelijk verschil tussen de middengeschoolden en de hooggeschoolden, ook hier kan deze laatste groep de beste cijfers voorleggen. (FOD Werkgelegenheid, Arbeid, Sociaal overleg, 2015)
  • 14. BIJLAGEN | 14 FIGUUR 2. Werkloosheidspercentage van de actieve bevolking (15 – 65 jaar) per opleidingsniveau Bron: Eigen figuur op basis van FOD Werkgelegenheid, Arbeid, Sociaal overleg (2015) De tweede categorie omvat niet-financiële voordelen die te maken hebben met het privéleven. Hoger opgeleiden gaan over het algemeen duurzamere huwelijken aan, bovendien zijn hun kinderen over ook een stuk succesvoller. Verder zijn de ratio’s voor tienerzwangerschappen en criminele activiteiten opmerkelijk lager bij hoger opgeleiden. (Oreopoulos en Salvanes, 2009) Deze positieve effecten zijn in de eerste plaats vooral goed voor de student, al haalt een overheid ook zijn voordelen uit bijvoorbeeld een lagere criminaliteit. Toch zijn er nog sterkere argumenten die pleiten in het voordeel van overheidssubsidiëring. Volgens de OESO behaalt België een netto winst van ongeveer €175.000 voor elke man met een hogere opleiding en ongeveer €165.000 voor elke vrouw met een hogere opleiding. Aangezien elke Belgische student ongeveer €205.000 opbrengt voor de overheid, is de kost voor de overheid van ongeveer €40.000 zeker verdedigbaar. Het overheidsrendement wordt gerealiseerd door het progressief belastingssysteem, mensen met een hogere opleiding hebben over het algemeen een hoger loon en betekenen dus meer inkomsten voor de overheid. Kortom, de baten voor de Belgische overheid overstijgen ruim de kosten. De geldt ook voor de overheden van andere OESO-landen, ook hier verdient de overheid aan elke student. (OESO, 2014) FIGUUR 3. Kosten en baten van hoger onderwijs voor studenten en overheid (2010, in PPP $)
  • 15. BIJLAGEN | 15 BRON: Eigen figuur op basis van OESO (2014) 2.3 Nadelen van gesubsidieerd hoger onderwijs Een eerste nadeel is dat in een gesubsidieerd systeem elke belastingbetaler meebetaalt voor een product dat lang niet door iedereen geconsumeerd wordt. Tegenstanders van het systeem pleitten dat de consumenten van hoger onderwijs zelf de prijs betalen. Ze wijzen erop dat in een systeem met hoge of gehele betaling door de overheid en in een systeem van private betaling de kost van studeren gelijkaardig is, maar dat in het tweede systeem de student wel de vrijheid heeft om al dan niet het bedrag te betalen, terwijl in het eerste systeem de belastingbetaler geen keuze heeft. Als onderwijs niet langer door de overheid gefinancierd wordt, kunnen de belastingen gevoelig dalen, en wordt het voor de middeninkomens en hogere inkomens eenvoudiger om hoge inschrijvingsgelden te betalen. Bovendien wordt er ook geld uitgespaard doordat er heel wat ambtenaren die de financiering van hoger onderwijs regelen, niet meer nodig zijn. Tegenstanders van subsidiëring zijn van mening dat er voor studenten die financieel moeilijk in staat zijn hoge inschrijvingsgelden te betalen, er verschillende oplossing bestaan zoals sparen, studieleningen en –verzekeringen, een jaar op voorhand gaan werken en financiering vanuit de instellingen door middel van beurzen of nauwe samenwerking met het bedrijfsleven. Met deze verhoogde drempel voor toegang tot onderwijs, zal het bestaande talent efficiënter gefilterd worden. Zo zullen studenten met goede punten makkelijker een studielening bij de banken of een beurs van een universiteit kunnen verkrijgen. (Vrijspreker, 2010) Het volgende concrete voorstel van de voorgestelde lastenverlaging toont aan dat het stopzetten van hoger onderwijsfinanciering met belastinggeld echter een eerder kleine invloed zal hebben op de individuele belastingbetaler. In 2012 waren er in Vlaanderen 3.588.650 belastingbetalers en bedroeg het budget voor hoger onderwijs €1.644.017.000. (Bestat, 2015) Dit betekent dat de
  • 16. BIJLAGEN | 16 Vlaamse belastingbetaler gemiddeld €458,12 euro per jaar bijdraagt aan hoger onderwijs. Aangezien de overheid jaarlijks ongeveer €12.000 bijdraagt per universiteitsstudent, zou het wegvallen van het belastingsysteem toch leiden tot een significant verhoogde eigen inbreng die nauwelijks gedekt wordt door de uitgespaarde belastingen. Op de lijsten van beste universiteiten ter wereld staan de Angelsaksische –en dan vooral de Amerikaanse- instellingen steevast op de hoogste plaatsen. Op de drie meest prominente ranglijsten (de Shanghai Ranking, de Times Higher Education Ranking en de QS World Universities Ranking) staan enkel Amerikaanse en Britse instellingen in de top tien. (Academic Ranking of World Universities, 2015; Timer Higher Education World Universities Ranking, 2015; QS Top Univirsities, 2015) TABEL 4. Beste 10 universiteiten volgens verschillende ranglijsten Bron: Eigen tabel op basis van Academic Ranking of World Universities, Times Higher Education Ranking, QS Top Universities (2015) Al deze topuniversiteiten zijn private instellingen (VS) of instellingen waar de overheid wel tussenkomst in subsidies en wetgeving rond inschrijvingsgeld, maar dan in vrij beperkte mate (VK). Tegenover de hoge private kosten die student zelf moet betalen, staan vele voordelen. Deze universiteiten kunnen vaak les geven in kleine groepen. Zo worden individuele noden van een student beter aangepakt, is er meer dialoog met de professoren en kunnen de cursussen specifieker worden. Vrije instellingen die beschikken over een hoog budget omdat ze veel inschrijvingsgeld kunnen vragen, kunnen ook de meest gerenomeerde professoren aantrekken en hoogwaardig onderzoek financieren. De positieve effecten hiervan sijpelen ook door naar de studenten. Ten slotte kan een deel van de financiële last voor de student ook verminderd worden omdat deze instellingen hun studenten vaak steunen als ze zich verdienstelijk maken. Op die manier worden de studenten ook gemotiveerd om hoog te scoren. (Gocollege, 2015; Scholarships.com, 2015) De omvang aan subsidiegelden die de Vlaamse universiteiten ontvangen zijn deels afhankelijk van het aantal
  • 17. BIJLAGEN | 17 studenten dat slaagt. (Portaal belgium.be, 2015) Het is dus in het voordeel van deze instellingen dat er zo veel mogelijk van hun studenten slagen. Daarom bestaat het gevaar dat instellingen te licht omspringen met de slaagnormen om het slaagcijfer op te krikken, waardoor de studenten niet op een optimale manier afstuderen. Een ander probleem aan de Vlaamse universiteiten is dat de slaagcijfers van studenten in hun eerste jaar laag zijn, minder dan de helft behaalt minstens 90% van de opgenomen studiepunten. (Vlaamse Onderwijsraad, 2015) Hoewel de oorzaak hiervan zeker breder is dan het systeem van onderwijsfinanciering, ligt het relatief beperkte inschrijvingsgeld mee aan de basis. Aangezien de private inbreng vrij klein is, is er een veel lagere druk op studenten om een doordachte studiekeuze te maken of om voldoende motivatie op te brengen. Studenten die zelf moeten lenen of werken om hun opleiding te betalen zullen sneller een tandje bijsteken als dit nodig is. 3 Alternatieve subsidiëring: Verenigde Staten van Amerika Amerikaanse subsidies voor hoger onderwijs zijn niet bedoeld voor het financieren van de instellingen. In de VS zijn de universiteiten doorgaans onafhankelijke, niet-overheidsgebonden instellingen die zelf instaan voor hun financiering. Daarnaast is een hoge eigen inbreng van de studenten zelf noodzakelijk. Waar men in Vlaanderen de werking van de instellingen financiert en het bedrag van de inschrijvingen aanpast aan de middelen die de overheid kan spenderen in de universiteiten, komt de Amerikaanse overheid rechtstreeks tussen bij de student om de last van het hoge inschrijvingsbedrag te verlichten: Geen subsidiëring van het hoger onderwijs, wel van haar consumenten. De Amerikaanse student kan zich registreren op Free Application for Federal Student Aid (FAFSA). FAFSA geeft jaarlijks ongeveer $150 miljard aan verschillende manieren van financiële steun aan studenten. Het steunfonds geeft verschillende subsidies uit, afhankelijk van de financiële situatie van de student. Daarnaast hebben ze ook verschillende leningen, waarbij de intrest afhankelijk is van de financiële nood van de student. Ten slotte bieden ze ook een werk- studeerprogramma aan, waarbij studenten hun opleiding kunnen combineren met een job
  • 18. BIJLAGEN | 18 tijdens het academiejaar. (FAFSA, 2015) Naast directe steun kunnen studenten in het Amerikaanse systeem ook terugvallen op indirecte steun in de vorm van belastingverlagingen. De American Opportunity Tax Credit en de Lifetime Learning Credit zijn programma’s die studenten of hun ouders een eenmalige respectievelijk onbeperkte vermindering van hun jaarlijkse belastingsschuld geven. (Forbes, 2012) GRAFIEK 4. Het principe van vraagssubsidies Bron: Eigen voorstelling P staat voor de prijs van het inschrijvingsgeld van hoger onderwijs en q staat voor het aantal inschrijvingen. Zonder enige subsidies bevinden we ons in het evenwichtspunt E0, met het aantal inschrijvingen q0 en de prijs p0. In Amerika gaat men de consument subsidiëren waardoor de vraag-curve omhoog zal verschuiven. Hierdoor ontstaat een nieuw evenwichtspunt in E1 met bijbehorende p1 en q1. De werkelijke prijs voor hogeronderwijs is p2. Maar dankzij de subsidies betaald de consument slechts een prijs p1. Dus net zoals in België zal ook hier het inschrijvingsgeld verminderen en de hoeveelheid inschrijvingen zullen. De voordelen van dit systeem komen sterk overeen met de nadelen van een substitutie langs de aanbodzijde. De vrije Amerikaanse instellingen kunnen zelf hun manier van lesgeven
  • 19. BIJLAGEN | 19 organiseren, topacademici aantrekken en hoogwaardig onderzoek produceren, waardoor ze een hoge kwaliteit aanbieden. Een ander voordeel is dat als studenten een hoog inschrijvingsbedrag moeten betalen en hiervoor eventueel een zware lening moeten aangaan die ze jarenlang moeten meedragen, ze doorgaans gemotiveerder zijn om hard te werken om hun slaagkansen te verhogen. De nadelen van het systeem zijn vrij evident: de hoge inschrijvingskosten maken het voor veel mensen moeilijk om zich in te schrijven aan een universiteit, zeker aan een dure topuniversiteit. Zelfs al zijn er overheidsgedragen steunprogramma’s, dan kan het vooruitzicht om vele jaren een lening te moeten afbetalen een reden zijn om af te haken. Op die manier is er een nefaste correlatie tussen de rijkdom van de ouders en de mogelijkheden van het kind, die de optimale ontplooiing van ieders intellectuele talenten belemmert. (The Economist, 2015) Er is ook kritiek op de overheidsprogramma’s die leningen of tax credits voorzien voor studenten met financiële moeilijkheden. De programma’s zijn geldverslindend (in 2013 bedroeg het gehele bedrag van leningen bedoeld voor universitaire inschrijvingen 54 miljard dollar; gezien de enorme Amerikaanse staatsschuld groeit de kritiek hierop), ze kennen veel misbruik (een deel van het geld komt terecht bij mensen die er eigenlijk niet in aanmerking voor komen), en de effecten lijken niet zo sterk te zijn. (Forbes, 2012) Het Amerikaanse systeem balanceert dus tussen de voordelen van vrije, hoogkwalitatieve instellingen en de nadelen van een niet-wettelijk vastgelegd inschrijvingsgeld dat zeer hoog is en moeilijk te dragen is, zowel voor de studenten als voor de ondersteunende overheidsprogramma’s.
  • 20. BIJLAGEN | 20 Besluit Deze paper behandelde de vraag of hoger onderwijs gesubsidieerd moet worden, een thema dat door de recent aangekondigde verhoging van het inschrijvingsgeld sterk in de actualiteit staat. De Vlaamse instellingen van hoger onderwijs worden op twee manieren gefinancierd. Hun eerste, en voornaamste bron van inkomsten zijn de subsidies die ze ontvangen van de Vlaamse overheid. Deze subsidies bedragen ruim 1,75 miljard euro. De universiteiten en hogescholen vragen daarnaast ook inschrijvingsgeld aan hun studenten. De recente aanpassing van het inschrijvingsgeld betekent dus een verschuiving van minder overheidsinbreng tegenover meer private inbreng. Onderwijs is een niet-zuiver publiek verdienstengoed. Er komen dus positieve externe effecten voort uit onderwijs. De economische analyse van deze paper toonde aan dat de consument welvaartsverlies lijdt omdat de marginale betalingsbereidheid lager ligt dan marginale baten. Daarom subsidieerd de overheid hoger onderwijs. Het subsidiëren van de instellingen zorgt voor een nieuw marktevenwicht waarbij de instellingen een relatief laag inschrijvingsbedrag moeten vragen. Subsidiëring leidt dus tot aan verhoogde vraag aan een verlaagde prijs. De voordelen van gesubsidieerd hoger onderwijs vloeien voort uit het feit dat meer mensen een hoger diploma behalen. Hooggeschoolden verdienen meer en hebben minder kans op werkloosheid. Veel hooggeschoolden betekent dus een hogere gemiddelde welvaart. Hooggeschoolden halen ook meer voldoening uit hun werk en hebben doorgaans minder sociale problemen in hun leven. Ook de overheid heeft baat bij het hoger onderwijs. Hoge lonen betekenen veel inkomsten, wegens het progressieve inkomstenbelastingensysteem en de sociale inkomsten van hooggeschoolden. In België zijn de baten van hooggeschoolden zelfs sterk hoger voor de overheid dan voor de afgestudeerden zelf. Daarnaast zijn er ook nadelen aan gesubsidieerd hoger onderwijs. Belastingbetalers dragen bij aan een product dat ze niet zelf direct consumeren, en zouden meer voordeel kunnen hebben bij lagere belastingen of een andere aanwending van belastingen. Ook halen gesubsidieerde instellingen vaak niet hetzelfde kwaliteitsniveau van hun private tegenhangers. Ten slotte kan subsidiëring ook leiden tot inefficiëntie bij studenten en instellingen. Daarom behandelde de paper ook een alternatief systeem: het
  • 21. BIJLAGEN | 21 subsidiëren van de vraag in het Amerikaanse onderwijssysteem. In de VS zijn er veel private instellingen, die hoge inschrijvingsbedragen vragen. De overheid intervenieert hier door de studenten zelf te steunen. De meeste voordelen van het gesubsidieerde systeem zijn tegelijk de nadelen van het vrije systeem en vice versa. De conclusie van de paper is daarom dat het subsidiëren van hoger onderwijs positieve effecten heeft voor de hooggeschoolde, de maatschappij en de overheid. Er is echter geen beste manier waarop deze subsidiëring gebeurt, elk systeem heeft zijn voor- en nadelen.
  • 22. Bibliografie Academic Ranking of World Universities. (2015). Geraadpleegd op 25 mei 2015 via http://www.shanghairanking.com/; Times Higher Education World Universities Ranking. Geraadpleegd op 25 mei 2015 via http://www.timeshighereducation.co.uk/world-university- rankings Bruce, N. (2000). Public Finance and the American Economy, Boston, Prentice Hall, pp. 93. Declercq, K. en Verboven, F. (2014). Zijn toelatingsvoorwaarden in het hoger onderwijs wenselijk?, Leuven, FEB, pp. 10-15. Decoster, A. (2013). Economie een inleiding, (7de druk), Leuven: universitaire pers Leuven. Federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. (2015). Volledig overzicht van alle beschikbare indicatoren: INC03 - Werkloosheidsgraad volgens opleidingsniveau. Geraadpleegd op 25 maart 2015 via http://www.werk.belgie.be/moduleDefault.aspx?id=21166. Fiscale statistiek van de inkomsten onderworpen aan de belasting van de natuurlijke personen per woonplaats. (2015). Geraadpleegd op 25 maart 2015 via http://bestat.economie.fgov.be/BeStat/BeStatMultidimensionalAnalysis?loadDefaultId=153 Vlaams ministerie voor Onderwijs en Vorming. (2015). Vlaams onderwijs in cijfers 2013-2014. Geraadpleegd op 25 maart 2015 via http://onderwijs.vlaanderen.be/node/2567 Forbes. (2015). It's Well Past Time To Slash Higher Education Subsidies. Geraadpleegd op 25 maart 2015 via http://www.forbes.com/sites/realspin/2012/09/17/its-well-past-time-to- slash-higher-education-subsidies
  • 23. Free Application for Federal Student Aid. (2015) What types of aid are available?. Geraadpleegd op 26 maart 2015 via https://fafsa.ed.gov/fotw1415/help/typesofAid.htm Gocollege, Private Four-Year Colleges and Universities. (2015) Geraadpleegd op 25 maart 2015 via http://www.gocollege.com/options/private-universities/; Scholarships.com, KU Leuven. (2015). Leerkrediet. Geraadpleegd op 25 maart 2015, onderwijs.vlaanderen.be/studenten/kosten-toelagen-en-werken/studiegelden Moens, B. (2014), Inschrijvingsgeld hoger onderwijs stijgt naar 890 euro. Geraadpleegd op 23 maart 2015 via http://www.tijd.be/detail.art?a=9557828. Moesen, W.A. (2015) De kwaliteit van instellingen en economische welvaart. geraadpleegd op 25 maart 2015 http://hiw.kuleuven.be/ned/lessen/cursusmateriaal/0607/moesen.pdf OESO. (2014), Education at a Glance 2014, p 132-138. Geraadpleegd op 25 maart 2015 via http://www.oecd.org/edu/Education-at-a-Glance-2014.pdf. Onderwijs Vlaanderen. (2015). Toelatingsvoorwaarden hoger onderwijs. Geraadpleegd op 25 maart 2015 via http://onderwijs.vlaanderen.be/studenten/toelatingsvoorwaarden/toelatingsvoorwaarden Oreopoulos, P en Salvanes, K.G. (2015) How large are returns to schooling? Hint: Money isn’t everything, National Bureau of Economic Research, 2009, pp. 26-29. Portaal Belgium.be. (2015) Toelatinsvoorwaarden in het hoger onderwijs. Geraadpleegd op 25 maart 2015 via http://www.belgium.be/nl/Leren/onderwijs/hoger_onderwijs/Toelatingsvoorwaarden/ Privaat hoger onderwijs is voor iedereen. (2010). Geraadpleegd op 25 maart 2015 via http://www.vrijspreker.nl/wp/2010/06/privaat-hoger-onderwijs-is-voor-iedereen/
  • 24. QS Top Universities. (2015). Geraadpleegd op 25 mei via http://www.topuniversities.com/university-rankings/world-university- rankings/2014#sorting=rank+region=+country=+faculty=+stars=false+search= Tirez, A. (2015). Overheid verdient meer aan hoger onderwijs dan afgestudeerde. Geraadpleegd op 25 maart 2015 via http://www.tijd.be/dossier/mobiliteit/Overheid_verdient_meer_aan_hoger_onderwijs_dan _afgestudeerde.9561925-2336.art Tuyaerts, M. (2015). Fakkeltocht tegen besparing lokt bijna 300 deelnemers. Geraadpleegd op 24 maart 2015 via http://www.veto.be/jg41/veto4107/fakkeltocht-tegen-besparingen-voor- een-kwalitatief-en-toegankelijk-onderwijs-gaan-wij The Economist. (2015). Excellence v equity. The Economist 414, pp. 1-18. Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming. (2015). Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs (schooljaar 2013-2014), Brussel, pp. 503-508. Vlaams ministerie voor Onderwijs en Vorming. (2015)., Veelgestelde vragen personeelsstatuut hogescholen. Geraadpleegd op 24 maart 2015 via http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/vgv/personeelhogescholen.htm Vlaams ministerie voor Onderwijs en Vorming. (2015). Vlaams onderwijs in cijfers 2013-2014. Geraadpleegd op 25 maart 2015 via http://onderwijs.vlaanderen.be/node/2567 en Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming (2015), Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs (schooljaar 2013-2014), Brussel, pp. 463-472. Vlaamse Onderwijsraad. (2015). Studiekeuzebegeleiding naar hoger onderwijs moet beter om slaagcijfers te verhogen. Geraadpleegd op 25 maart 2015 via http://www.vlor.be/studiekeuzebegeleiding
  • 25. Vlaamse Overheid. (2015). De Vlaamse begroting in cijfers. Geraadpleegd op 23 maart 2015 via http://www.vlaanderen.be/nl/vlaamse-overheid/werking-van-de-vlaamse-overheid/de- vlaamse-begroting-cijfers# VVS. (2014). Verhoging van inschrijvingsgelden is niet de oplossing voor onderfinanciering hoger onderwijs. Geraadpleegd op 23 maart 2015 via http://www.vvs.ac/verhoging- inschrijvingsgelden-niet-oplossing-onderfinanciering-hoger-onderwijs