Your SlideShare is downloading. ×
0
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Vl alles.in.een.
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×
Saving this for later? Get the SlideShare app to save on your phone or tablet. Read anywhere, anytime – even offline.
Text the download link to your phone
Standard text messaging rates apply

Vl alles.in.een.

571

Published on

Published in: Education
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
571
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1
Actions
Shares
0
Downloads
1
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide

Transcript

  • 1. Haihai, dit is een dagboek dat begin oktober 2009 op de simmsite stond. Nu ga ik het dus overzetten op LJ (en dan ook weer vervolgen als jullie dat leuk lijkt…) Veel leesplezier!
  • 2. Dit ben ik, die jongen met het mutsje. Naast mij, op het andere paardje, zit mijn beste vriendin Aisha. Proloog
  • 3. Mijn kindertijd spendeerde ik ook vaak met Aisha.
  • 4. En nu, nu zit ik in mijn tienerfase! Ik ga nog steeds heel vaak om met Aisha en we zijn nog steeds de beste vrienden. Sommige mensen zeggen dat dat niet kan: jongen + meisje = just best friends. Volgens hen kan dat niet, er kan alleen maar liefde zijn tussen een jongen en een meisje. Wel, soms weet ik het niet. Misschien ben ik wel verliefd? Nee, dat kan niet. Ik heb al jaren met haar gespeeld.
  • 5. En oja, eventjes de rest van mijn familie. Hier, mijn moeder, een gewone huisvrouw zonder werk.
  • 6. Mijn vader, die het altijd zo druk heeft met zijn werk...
  • 7. En tenslotte: Luna! De liefste kat van de hele wereld, ik houd van haar.
  • 8. Ik sta op. Ik stap met mijn toegeknepen oogjes naar het raam en zet hem open. Luna duwt al miauwend tegen mijn been. 'Wat is er?' vraag ik met een lief stemmetje, 'Wat is er?' Einde Proloog
  • 9. Samen met Luna slenter ik de trap af. Ik zet de tv aan en loop naar Luna's etensbakje. 'Ooh, heb je geen brokjes meer?' Ik haal de zak met kattenbrokjes en giet wat in het bakje. 'Nu kan je weer lekker eten hé.'
  • 10. Ik plof neer op de bank en kijk naar de tv. Ik zucht. Er is niks op, alleen van die vrolijke kinderprogramma's. Ik herinner me plots dat ik dit vroeger ook altijd keek. Die huppelende diertjes en dat vrolijke meisje.
  • 11. Mijn maag begint te grommen. Ik begin al stilletjes buikpijn te krijgen en wandel dan toch maar naar de keuken om een ontbijtje te maken.
  • 12. Het is al zondag! God, wat gaan die dagen toch snel! Morgen is het alweer school, moet ik nu alweer met Aisha rondhangen? Niet dat ik haar niet leuk vind maar ik ben een jongen. Ik heb altijd al met haar gespeeld en niemand anders. Weet je wat, ik ga morgen gewoon naar dat jongensgroepje. Ik wil een man worden!
  • 13. Ik zie nog wat dozen cornflakes staan, zielig naast wat frambozen. 'Zal ik je dan toch maar opeten?' denk ik. Er verschijnt een lachje op mijn gezicht. Ik giet de bruine vormen in de kom. Ze knetteren in mijn kommetje en het wordt stil aan een hoopje bruin spul. Dan nog wat melk wat ik erbij giet.
  • 14. Een koude lepel glijdt mijn mond in en de knapperige cornflakes drijven op het melk. Hmmm... dat is lang geleden. Toch denk ik nogsteeds aan mijn beslissing ven net. Is het niet stom voor Aisha zelf? Wat als de jongens mij belachelijk maken? En mijn ouders?
  • 15. Nadat mijn ontbijt op is, verveel ik me. Mijn ouders zijn nog niet op. Zal ik me dan toch maar klaarmaken? Ja, we hebben straks een feest van mijn oom. Oom Nico. Ik heb totaal geen zin, maar wat moet dat moet.
  • 16. Als ik bij mijn kast aankom, zie ik dat ik nogmaar weinig heb om aan te doen. Toch zoek ik er iets uit. Ik ga niet wachten tot mijn ouders wakker zijn om te winkelen, dat gaat nog eventjes duren dan. Zou ik Aisha bellen om te vragen of ze mee wilt winkelen met mij? Ja, dan zie ik haar nog, want als ik morgen toch naar die jongens ga...
  • 17. De telefoontoetsen zijn hard en moeilijk in te drukken. Ik toets het nummer van Aisha in en houdt de ijskoude telefoon tegen mijn oor aan en vraag of ze wee wilt gaan. 'Ja!' zegt ze enthousiast. 'Waar moet je zijn dan?' vraagt Aisha. 'Nou, ik moet wat nieuwe kleren want ik moet zo naar een feest', zeg ik met een zucht, ‘en ook nog een cadeau voor de jarige.’ 'Prima! Ik laat nog wel iets weten wanneer ik klaar ben.'
  • 18. Daar stonden we dan. Voor een winkeltje, vol kleren. Aah, ik hou van dit, dit winkeltje, deze kleren. Dan denk ik weer aan de jongens, mijn plan. Zou ik het aan haar vertellen? Nee, dat doe ik niet. Straks wordt ze nog boos… Maar zo is Aisha ook weer niet. Ik ga er niet over nadenken, ik ga shoppen met mijn beste vriendin. In de winkel
  • 19. Ik hoor iets. Gegiechel. Het is Aisha haar stem. Ik draai me om en zeg: ‘Wat is er?’ ‘Haha,’ lacht ze, ‘wat staan we hier? We gingen toch winkelen?’ ‘Uh, ja,’ antwoord ik, ‘natuurlijk, ja!’ Ik zie daar al wat liggen, ik stap er naar toe zonder iets te zeggen tegen Aisha. Zij loopt naar een tafel met shirtjes, allemaal netjes per kleur gesorteerd. Ik zie haar en blijf naar haar kijken. Ze kijkt naar mij en fluistert wat. ‘Wat is er? Je doet zo raar.’ ‘Oja’, antwoord ik terug. Wat was dat? Ik blijf naar haar kijken. Laat ik me concentreren op het shoppen.
  • 20. ‘Ik, eh, ik ga wat passen’, zeg ik. ‘Oké, ik wacht wel eventjes’, antwoordt Aisha vriendelijk. Ik doe het gordijn van de paskamer open en leg mijn kleren op een stoel. De rits van mijn vest gaat makkelijk los. Mijn broek daarentegen krijg ik niet uit. Uiteindelijk lukt het me toch om alles uit te doen en mijn nieuwe kleren te passen. Ik kijk in een spiegel. ‘Mooi!’ hoor ik ineens. Ik schrik. ‘Yamino, wat bezielt jou vandaag toch!’ ‘Niks hoor, gewoon, omdat het morgen school is, ik heb niet zo’n zin’, verzin ik snel, ‘Maar je vindt het mooi dan?’ vraag ik. ‘Ja, tuurlijk’ zegt met een knipoog. Ik kleed me terug aan en wandel naar de kassa.
  • 21. Een vriendelijk meisje in werkkledij staat voor mijn neus. ‘Hallo!’ zegt ze vriendelijk. ‘Goedemorgen!’ antwoord ik. Ze drukt op wat knopjes, heel snel. ’25.95 is dat dan.’ Ik haal een portemonnee uit mijn broekzak. ‘Alstublieft’ en ik geef haar het geld. ‘Bedankt, en een fijne dag nog!’
  • 22. ‘En nu, Yamino, moest je ook geen boeketje bloemen ofzo?’ vraagt ze. ‘Jawel, zullen we eventjes snel gaan dan?’ antwoord ik. Een taxi brengt ons naar een bloemenwinkel. ‘Het is daar spotgoedkoop’ zei de chauffeur. Dat zal wel zijn ja, er zijn hier helemaal geen bloemen. ‘Jammer dan’ zeg ik lachend tegen Aisha. ‘Arme oom van je, hij krijgt nog niet eens een boeketje bloemen’, lacht Aisha. ‘Ze hebben hier niet eens
  • 23. ‘Ik heb geen zin’, mekker ik voor de zesde keer in de auto. ‘Kom aan, Yamino, het duurt niet zo lang…’ We stappen uit de auto. Een harde wind waait tegen me aan. Mijn haren wapperen naar achter. Oh nee, daar staat ie al. Kon hij niks beters aan trekken? Het is ZIJN verjaardag. Maargoed, een handje geven, wat taart eten en we kunnen weer naar huis. ‘Gefeli-ci-teerd’ zegt mijn moeder tussen 3 kussen door. Hetzelfde geldt voor mijn vader, alleen geeft hij een soort van high five en geeft geen zoen. En nu ben ik aan de beurt. ‘Gefeliciteerd’ probeer ik zo blij mogelijk te zeggen. Hij steekt een vuist uit. ‘Moet ik…’ vraag ik en kijk naar zijn vuist. ‘Ja’ zegt hij kort. Ik klop er zachtjes tegenaan. Op het feest
  • 24. We gaan naar boven, naar het balkon. Ik zie een mooie tafel met bijpassende stoelen staan. Op die leuke tafel staat een taart met blauwe kaarsjes. Mijn ouders halen wat toeters tevoorschijn en beginnen er op te blazen. En ik, ik heb weer geen toeter. Voorzichtig blaast oom Nico de kaarsjes uit. Die toeters, wat een kabaal! Daarna verandert Nico in een oude kerel.
  • 25. Een ongelooflijke taart. Hoog, dik en in verschillende lagen. Nico houdt van eten, maar dit zijn grote stukken. Ik neem ook een stuk, maar ik vindt het niet zo lekker. Als het op is, ga ik naar de WC. Terwijl ik wegga hoor ik mijn ouders praten met Nico, ze praten over saaie dingen: het werk, de politiek en nog wat volwassen dingen.
  • 26. Ik kom terug van de WC, ik voel me nogsteeds niet zo goed. Dan denk ik aan morgen, aan de jongens. Wat zou ik gaan zeggen? Zou Aisha het zien? Argh, Aisha, Aisha, Aisha. Maar goed dat ik naar die jongens ga, ik moet haar toch echt niet meer… Ik weet niet waarom. Het woord Aisha blijft in mijn hoofd ronddwalen.
  • 27. Dan hoor ik iets. Ik sta op en kijk rond. Och, het zal vast wel Nico zijn, hij zal wel chips gaan halen of zo iets. Maar nee, ik kijk om en Nico zit gewoon verder te eten. Zijn derde stuk taart begint hij te eten. Wie is dat dan? Ik zet de stoel, waar ik net op zat, een stukje verder.
  • 28. Wie daar aan komt, raad je nooit. Ik krijg nog meer buikpijn. Nu word ik helemaal gek. Wat een stom feest zeg! Ik kan het wel schreeuwen! En dan hoor ik Nico iets zegge. ‘Ha, die Bjorn!’ Ik zucht. Ja, Bjorn is hier, de jongen van het groepje waar ik morgen naar toe wou gaan. Hij kijkt naar mij en ik naar hem. Zou ik het nu al vragen? Snel bedenk ik wat zinnetjes om die straks tegen hem te vertellen.
  • 29. Ik stap zenuwachtig naar hem toe. Met een trillende stem roep ik hem. ‘Bjorn, ehm, Bjorn?’ Hij draait zich om. Zijn ‘stoere’ blik irriteert me, en zijn kleding is totaal niet mijn stijl. ‘Ehh, ik wou je wat vragen…’ Even twijfel ik. ‘Ja, vraag het dan’ zegt hij ongeduldig. ‘Eh, ja, wat doe je hier?’ flap ik er maar snel uit. Hij zucht en rolt met zijn ogen. ‘Nico is mijn buurman en ik moest maar eens komen.’ Hij draait zich om en wilt aan een stuk taart beginnen. ‘Wacht,’ roep ik hem nog toe, ‘ik heb nog een vraag.’ zeg ik zenuwachtig ‘Je kent Aisha toch?’ ‘Aisha…’ even denkt hij na, ‘Dat meisje waar je altijd bij staat?’ vraagt hij. ‘Ja, dat is ze.’ antwoord ik, ‘Ik wil niet meer altijd bij haar staan, ik eh, ik wil, voortaan bij jullie staan, ik wil zoals jullie
  • 30. Bjorn barst in lachen uit. ‘Meen je dat nu echt?’ vraagt hij. ‘Naja, eh, ja’ zeg ik zenuwachtig. ‘Haha, Yamino wordt een man!’ Ik sta daar dan maar, wachtend op een antwoord. ‘M-mag het?’ vraag ik zenuwachtig. ‘Pft, als jij het wilt, ik zie je morgen wel. Ik moet er maar weer eens van door. Ik laat wel iets weten. Ik moet nog eens overleggen met mijn vrienden.’
  • 31. Ineens steekt hij zijn hand in de lucht en begint hij wat te roepen. Ik versta er niks van maar ik steek ook maar mijn hand omhoog. O, het moet een high-five voorstellen. Ik snap ‘m niet echt meer: eerst lacht hij zich rot als ik vraag of ik in hun groepje mag, en nu gaat hij me ineens als een kameraad beschouwen. ‘Zie je morgen’ zegt hij. ‘Tot morgen’ zeg ik met een vriendelijke toon terug. Wow, dat is afgerond. Wat heb ik
  • 32. Nog snel dram ik mijn lessenrooster in mijn hoofd. ‘Engels, wiskunde, 2 uur nederlands… Nee, engels, nederlands, 2 uur wiskunde… Argh, ik moet in ieder geval mijn engels wiskunde en nederlands nemen.’ Ik doe mijn kluisje open en neem mijn boeken er uit. Op school
  • 33. Dan zie ik Bjorn. ‘Hey’, zeg ik stil en knik lichtjes met mijn hoofd. ‘Hallo,’ zegt hij terug, ‘ik moet je wat zeggen…’ ‘Ja’ antwoord ik. ‘Je mag van mijn kameraden.’ Zegt hij snel. ‘Dus, ik hoor erbij?’ zeg ik tegen Bjorn. Ik kan het niet geloven! Ik had nooit gedacht dat het mocht! ‘Bijna,’ zegt hij, ‘eerst moet je aan een aantal voorwaarden voldoen.' Na die zin loopt hij weg. ‘Ojee, voorwaarden, wat zullen ze met me doen!?’ denk ik
  • 34. ‘Eerst moet je aan een aantal voorwaarden voldoen.’ De zin blijft in mijn hoofd rondspoken. ‘Wat zullen ze gaan doen?’ denk ik de hele tijd. Ik zie Luna rondlopen en til haar op. Haar lange, zachte haren voelen fijn aan. ‘Hé, Luna, aan welke voorwaarden zou ik moeten voldoen?’ Ik krijg een miauwtje terug. ‘Denk je?’ lach ik. Luna geeft me een kopje en ze krijgt een flinke knuffel terug Thuis
  • 35. Dan zet ik haar terug op de grond en ga naar boven. Ik ben uitgeput van die schooldag, en van het feest gister. Ik wil gewoon eventjes relaxen nu. Ik ga op mijn bed liggen. Ik heb het hier best koud. Ik overtrek de bolletjes, die tegen die muur zitten, met mijn vinger. Vroeger deed ik dat altijd als ik niet kon slapen. Tja, vroeger… Ik geeuw.
  • 36. Dan hoor ik iets… Gerinkel. Na een tijdje merk ik dat op de grond lig. Wow, ben ik dus echt in slaap gevallen? Ik sta met moeite op en hoor dan dat dat gerinkel de telefoon is.
  • 37. Ik neem het toestel op. ‘Hallo? Met Yamino’ Het is Bjorn. Zullen we nù al beginnen met die voorwaardes? ‘…’ ‘Naar het park?’ '…' ‘Nu?’ '…' ’Oke, tot zo’ Ik leg de telefoon terug op zijn plek. ‘Nu al!’ denk ik bij mezelf, ‘meteen van school en hij begint al!
  • 38. Ik kijk voor me uit en zie een bankje. Ik zal daar maar gaan zitten dan: hij is er nog niet. In het water zie ik enge vissen die soepele bewegingen maken. Het is stil. Alleen een paar mannen achter me schaken. Op de afgesproken plaats
  • 39. De stilte wordt verbroken door lompe voetstappen. Bjorn… Daar is ie dan. ‘Verassing!’ probeert hij zo blij mogelijk. Ik blijf zitten en kijk hem met een vragende blik aan. ‘Kom gewoon mee’, en hij neemt me mee naar een auto.
  • 40. Eindelijk, die deur open! Wat is het warm in die auto, zeg. Meteen valt mijn blik op de naam van de zaak. Een kapper. Mijn hart gaat sneller kloppen. Ik krijg het nog warmer dan in de auto. ‘Nou,’ begint Bjorn, ‘dit is stap één. Die domme haren van je moeten er af. Kom je nog of wil je misschien geen man meer zijn?’ ‘Ja, oke’, antwoord ik terug. Eigenlijk wil ik helemaal niet! Maar als ik weiger, krijg ik vast een klop ofzo. Waar ben
  • 41. Met een bang hart wandel ik naar binnen. Een jonge vrouw met rode haren staat voor een stoel. ‘Zo, jullie zijn er al!’ zegt de kapster ‘Ga maar zitten’, en ze wijst naar de stoel. Ik wandel naar de stoel en ga zitten. Bjorn en de rest kijken me aan. Dit vinden ze wel leuk hé, dit vinden ze leuk.
  • 42. Ze haalt een schaar uit haar jeans en begint me te knippen. Ze doet alles wat de jongens zeggen, maar ik hoor het niet. Ik wil het ook niet horen. Er begint een grote roze wolk rond mij te groeien. Haren vliegen door de kamer.
  • 43. De roze wolk begint langzaam te verdwijnen en de kapster houdt op. ‘Klaar’, zegt ze met een zucht. De jongens komen nieuwsgierig een kijkje nemen. Ik laat mijn hand over mijn haren glijden. Ik schrik. Wat is dit?! Waar zijn mijn lange haren?! Ik bedank de vrouw. Ze weet ook niet beter.
  • 44. Ik stap langzaam uit de stoel. Bjorn lacht. ‘Dit is niet grappig!’ schreeuw ik tegen hem. Hij lacht nog meer. ‘Stop ermee, ik vind dit niet leuk! Kappen nou, ja?’ schreeuw ik nogmaals. Die Bjorn haalt het bloed onder mijn nagels vandaan.
  • 45. Ik ren naar buiten zonder te betalen of iets te zeggen. Wat denken ze wel niet. De taxi staat er nog. Hij moest wachten, en heeft dus geluisterd. Ik ren de taxi in en de jongens achtervolgen me. Ik ga voorin zitten. Ik haat ze, vooral Bjorn. Die andere doen ook maar wat Bjorn zegt. Misschien hebben de andere hetzelfde verhaal als ik?
  • 46. De taxi rijdt naar een winkel. De winkel waar ik eergisteren met Aisha naartoe ging. Ik ga niet mee naar binnen. Ik kan hun niet meer zien. Ik ga op een rood bankje zitten, naast de struiken. De andere jongens wandelen mee naar binnen. Het zijn precies slaven van Bjorn.
  • 47. Ik word geroepen. Bjorn. Argh, Bjorn! Met tegenzin slenter ik de winkel binnen. Hij heeft een stapel kleren vast en ik moet het aantrekken. Ik zucht. Ik neem het pakketje aan en loop naar de paskamers. Het zelfde hokje kruip ik in. Waarom doe ik dit nu eigenlijk? Ik wil het niet maar toch doe ik het!
  • 48. Ik wil mezelf niet zien, maar ik word gedwongen door Bjorn. En zijn kameraden? Ja, die hebben ook nog niks tegen mij gezegd, ik moet eens met hun praten. Ik sleep het gordijn open en kom verlegen uit het hokje. Naast mij staat een spiegel. ‘Zie hier, de nieuwe Yamino’ roept Bjorn lachend. Had je gedacht ja, ik kijk hem met een kwade blik aan en loop terug in het hokje. Hup, die vieze kleren weg en mijn warme vest terug
  • 49. Ik geef de kleren aan Bjorn en hij loopt meteen naar de kassa. ‘Weet je het zeker?’ herhaalt de man nogmaals. ‘Ja, hij moet er maar aan wennen’ probeert Bjorn zo vriendelijk mogelijk. Met een zucht drukt de man achter de kassa verschillende knopjes in. We lopen naar buiten en de man knipoogt naar me. Toch iemand die me begrijpt.
  • 50. Nu moet ik naar huis. Mijn ouders, daar heb ik nog niet aan gedacht! Hoe zullen ze reageren? Mama doet er niet moeilijk over volgens mij, maar papa zoekt er altijd een verhaal achter. Als ik op de stenen trap loop hoor je mijn voetstappen.
  • 51. De televisie staat hard aan en mama heeft me niet horen binnenkomen. ‘Boe!’ roep ik. Ze hoort het niet. ‘Mama?’ ze kijkt nog niet. Ik ga voor haar neus staan. ‘Hallo?’ zeg ik terwijl ik zwaai.
  • 52. ’Liefje?’ zegt ze bezorgd. ‘Wat is er met je mooie haren gebeurd, schat?’ ‘Ach, ik wou eens wat anders’ en ik zet een neplachje op. ‘Oke, als jij het wil’, zegt ze terwijl ze wat haartjes van mijn gezicht wegveegt. ‘Ik herken je bijna niet meer, liefje’. Ik lach verlegen terug.
  • 53. Vermoeid wandel ik naar mijn kluisje. Ik haal mijn sleutel uit mijn zak en steek het in het slot. Met moeite krijg ik hem open. De lompe zware voetstappen van Bjorn zijn weer te horen. Je weet meteen wanneer hij in de buurt is. Op school
  • 54. Daar is ie. Hij blijft voor mijn neus staan. ‘Wat is er?’ vraag ik. Hij blijft staren. Ik kijk naar beneden. Ik volg mijn schoenen tot mijn shirt. Opeens schiet mij het te binnen. Shit! Ik heb mijn kleren niet aan ‘Eh, sorry van mijn kleding’ zeg ik nog beleefd.
  • 55. ’Ja het zal wel!’ roept hij uit. ‘Ho eens even, ik heb al geen muts of pet aangetrokken omdat ik me dood schaam voor mijn oerlelijk kapsel en nu ben je nog kwaad?’ kaats ik terug. Het wordt stil. Enkel de dichtklappende kluisjes zijn te horen.
  • 56. Dan duwt hij mij. Waar was dat nou goed voor? Mijn schouders doen pijn. Vooral de riempjes van zijn jack zijn hard. ‘Auw’, roep ik. ‘Auw? Deed dat pijn?’ zegt hij.
  • 57. ’Ja’ zeg ik moedig. ‘Als dat pijn deed, ga dan maar terug naar je Aisha!’ Dat deed pas pijn. Ik heb mijn haren laten afknippen wat al vreselijk moeilijk is, en dan kan ik terug naar Aisha gaan? De drang om een klap op zijn smoel te geven, wordt steeds groter. Ik probeer weg te lopen maar hij houdt me tegen.
  • 58. ’Waar ben jij van plan om naar toe te gaan?’ zegt hij. Ik zwijg. Opeens voel ik een hand op mijn schouder, die schouder waar ik pijn had. Elke schouder wordt bedekt door een hand. Mijn hoofd ondersteunt een kin. En dan val ik op de grond. Bjorn is op me gesprongen.
  • 59. Hij brabbelt wat. ‘Waarom loop je weg!’ krijg ik te horen. Ik moest toch gaan zei hij toch? Een hand waait tegen mijn wang aan. Klets! Tranen springen in mijn ogen. Nog een schop tegen mijn knie. Ik wil hem terugslaan, maar hij is te sterk.
  • 60. Ik duw zo hard ik kan tegen Bjorn. Maar ik win niet. Hij is zo sterk en alweer die stomme riempjes bij zijn pols raken mij. Deze keer tegen mijn kin. Het doet vreselijk pijn.
  • 61. Ik word woedend. Alles komt terug. Mijn haren, Aisha, het feest, de kleding. Alles! Ik duw Bjorn. Harder dan daarnet. Ik wil verder duwen maar ik glijd met mijn hand uit. Zijn jack is te glad. Mijn hand schuift in zijn mond. Gelukkig had hij het niet in de gaten en had hij niet gebeten.
  • 62. Na een hoop klappen en schoppen beland ik op de grond. Niet bepaald zacht. Het doet pijn. Ik sta met moeite op en Bjorn staat er nog wat bij te lachen. Overal krijg ik pijn. Overal waar ik ben geraakt, al die plekken begin ik te voelen. ‘Mietje’, zegt hij kortaf. ‘Morgen,’ blaft hij ‘morgen, doe je de kleren aan die ik heb uitgekozen. Begrepen?!’ brult hij verder. ‘Ja’, zeg ik met een snik.
  • 63. Ik probeer recht te komen maar ik word onderbroken daar Aisha. Haar zomerse outfit en haar zoete lach verzacht de pijn. ‘Gaat het een beetje?’ vraagt ze bezorgd. ‘Ja, nu wel ja…’ antwoord ik met een zucht. ‘Kom, ik help je recht’. Ze neemt me bij de hand. Het opstaan gaat nu veel gemakkelijker.
  • 64. Heb je echt geen pijn?’ vraagt ze nogmaals. ‘Ach, nee, Bjorn wou gewoon eventjes stoer doen. ‘Bjorn? Hoe ken je zijn naam?’ vraagt ze verbaasd. ‘Gewoon, iedereen juichte ‘m toe, toch?’ verzin ik snel. ‘Oké, maar als er iets is, ben je altijd welkom bij mij hé, dat weet je.’ Na die zin wandelt ze naar haar les.
  • 65. Ik ga huilen. Aisha ziet het toch niet. Al de pijn komt terug. Waarom ben ik hier aan begonnen? Waarom!? Kan ik niet stoppen en verdergaan met mijn oude leventje?
  • 66. Alweer wordt mijn rust verbroken door het vervelende gerinkel van de telefoon. Kwaad wandel ik de trap af. Per trede voel ik de pijn meer en meer terugkomen. Wat deed hij net toch? En waarom? Voor die domme stinkkleren? Alsof ik ze ooit aan ga doen… Maar, ik wil niet opnieuw een vechten. Thuis
  • 67. Het is Bjorn. Ik had het kunnen weten. Ik moet alweer naar dat park. Opnieuw naar het water kijken met de enge glibberige vissen erin. Maar, ik moet mijn sportkleding aandoen. Liever dat dan zijn uniformpje.
  • 68. Sportkleding, wat gaat hij nu weer met me doen? O nee, zal hij misschien mij een nieuwe sportoutfit aanschaffen. Elke dag een nieuwe outfit? Dat kan niet, alhoewel. Als hij me ooit zou moeten vragen voor te gaan zwemmen keurt hij mijn zwemshort ook wel af? Laat ik die gedachte gewoon eventjes vergeten.
  • 69. Sport, sport, sport… Mijn ogen dwalen mijn kleding af. Maar geen sport. Ik doe het ook nooit aan… Ik blijf zoeken, want ik kan daar natuurlijk niet aankomen in mijn alledaags kledij. Ik zucht. Volgende lade dan maar?
  • 70. Na veel zoeken vind ik toch een sportoutfit. Niet slecht. Past nog perfect en niet echt lelijk. Toch blijf ik maar denken aan wat ik zou moeten doen? Zelf sport hij ook niet volgens mij. Als je sport, ben je niet zo dik als hij is hoor. Maar goed, nu nog zorgen dat ik niet word gezien door mijn ouders.
  • 71. Stilletjes loop ik naar beneden. Mijn moeder kijkt televisie. Ze zal me waarschijnlijk weer niet horen, maar toch probeer en zo zachtjes mogelijk naar buiten te lopen. Stil sluit ik de deur achter me. En dan ren ik naar buiten. Rennen naar het park met de enge vissen.
  • 72. Alweer kom ik als eerste aan. Het bankje van de vorige keer is bezet. Vind ik niet erg. In de verte staat een schommel. Laat ik daar op ze wachten. Op de afgesproken plaats
  • 73. Ik wandel langs de vissen af. Hun staarten zijn zo soepel. Ik begin de schommel te naderen. Voorzichtig neem ik de metalen hangsels vast en ga zitten. Ik wieg wat heen en weer. Wachtend op Bjorn en zijn slaafjes.
  • 74. Zijn lompe voetstappen zijn al te horen. Deze keer wat lichter, waarschijnlijk door zijn sportschoenen. Met zijn handen in zijn zakken vraagt hij of ik mee wil komen. ‘Oke’, antwoord ik en we wandelen naar de taxi. Waarom doet hij ineens niet zo bot? Dat gevecht was toch vanmiddag gebeurd en niet eergisteren?
  • 75. Het is stil onderweg. Alleen hoor je harde, zware voetstappen die onderbroken worden door het getik van onze ritsen. ‘Waarom moet ik mijn sportkleding aandoen?’ vraag ik. ‘Luister, ik vond je gevecht maar niks, en je moet harder worden.’ antwoord hij met een zucht. Harder worden. Ik? ‘Hah, oke.’
  • 76. Kijk’, zegt hij. ‘Naar wat moet ik kij…’ ik kan mijn zin niet afmaken want hij duwt me. Bijna val ik in het water. ‘Zie je?’ vraagt hij alsof hij altijd gelijk heeft. ‘Ja… ik heb het gezien’, zeg ik bang. Dan gaan we de taxi in.
  • 77. Meteen moet ik hem volgen naar binnen. Door de glazen deur zie ik al een paar fitnesstoestellen staan. Hij vliegt als de bliksem naar de apparaten. ‘Weg jij!’ roept hij tegen een kindje bij het toestel, ‘Dat apparaat is van mij!’ brult hij verder.
  • 78. Nou, hup’ dringt hij aan en hij wijst naar het toestel. ‘Moet ik op dat ding daar?’ vraag ik. ‘Ja, en snel een beetje! Ik heb niet de hele dag de tijd!’ zegt hij haastig. Met tegenzin kruip ik het toestel op.
  • 79. Het zit in ieder geval wel comfortabel. Mijn benen leg ik achter een staaf die ik straks op moet tillen. ‘Doe eens’, zegt Bjorn. ‘Dit is moeilijk’ antwoord ik kreunend. ‘Als je dit al moeilijk vindt…’ zegt Bjorn terwijl hij met zijn ogen rolt. Ik zucht.
  • 80. Na een aantal keer het geprobeerd te hebben, lukt het me nog steeds niet om de staag omhoog te krijgen. ‘Doe toch eens niet zo moeilijk.’ zegt Bjorn vervelend. ‘Kom, laat het al maar zitten.’ zegt hij dan. We schakelen direct over naar het toestel er naast.
  • 81. He, gek, in je balletpakje. Hoepel eens op ja?’ zegt Bjorn op een onbeleefde toon. ‘Je hebt geluk dat ik net klaar ben jongeman.’ antwoord de man. ‘Jaja het zal wel.’ Begint Bjorn weer.
  • 82. Houd jij eens op!’ Je hoort aan de stem van de man dat hij het echt meent. ‘Ik zeg gewoon dat je moet ophoepelen.’ zegt Bjorn dan weer. De man heeft geen zin in een discussie en loopt woedend weg. ‘En nu, jij, hier komen.’ Commandeert hij naar mij.
  • 83. Een loopband. Perfect. ‘Had je gezien hoe dat moet?’ vraagt hij. ‘Wat moet?’ vraag ik ‘De discussie met de man, domkop!’ Ik knik ja en stap op de loopband.
  • 84. De machine begint al te draaien. Onhandig begin ik wat te lopen. ‘Kom aan, wat is dat voor tempo! Slome!’ zeurt Bjorn. Ik doe m’n best maar hij blijft commentaar geven. Hij zucht. ‘Ja, stop maar, het is genoeg…’ Zegt hij.‘ Maar ik ben nog maar net...’ begin ik. ‘Stop!’ roept hij, ‘Je bakt er toch niks van!’
  • 85. Met stampende voeten loopt hij de deur uit. Hij gaat met zijn handen door zijn rossig haar en stapt in een auto. Blijkbaar moest hij om een bepaalde tijd ergens zijn.
  • 86. Blij ga ik van het toestel af. Buiten zitten zijn slaafjes. Stil aan een tafel. Ik ga naar hen, ik ga met ze praten. Net voor ik wil gaan zitten krijg ik een raar gevoel. Ik voel me ineens veel sterker en magerder. Wat voelt dit fijn!
  • 87. Dan kan ik gaan zitten. De jongens in training kijken me raar aan. ‘Wat was dat net?’ vraagt de blonde. ‘Ik weet het zelf ook niet.’ lach ik terug. Het blijft stil. ‘Maar jongens, eens even een serieuze vraag. Jullie weten toch dat ik een nieuweling ben?’ vraag ik. Ze knikken ja. ‘Hoe zijn jullie in het stoere groepje terecht gekomen?’ Beide jongens zuchten. ‘Thomas, jij eerst?’ vraagt degene met de bruine haren terwijl hij zijn gezicht naar de
  • 88. Gister werd het al snel laat en besloten we om naar huis te gaan. Randy, de jongen met de zwarte haren, was een maand geleden bij de groep gekomen. Thomas, de blonde, was er al veel eerder. Je ziet het aan hun kapsels. Thomas zijn haren kon hij nog omhoog steken, Randy heeft hetzelfde kapsel als ik. Thuis
  • 89. Beide moesten ze hetzelfde doen als ik heb gedaan. Behalve moest Randy het sporten niet doen. Thomas was vroeger een soort van nerd. Randy niet, hij had ook niet het verhaal dat ik heb. Randy hield van sporten, hij deed werkelijk alle sporten; van zwemmen tot voetbal. Beide kregen ze genoeg van hun zelfde patroon en besloten ze, netzoals ik, naar Bjorn te gaan.
  • 90. Ik heb Randy en Thomas beter leren kennen. In het weekend gaan we samen bowlen, zonder Bjorn, en zonder Aisha. Ik zal ooit nog wel eens gaan winkelen met haar maar niet zo vaak als anders.
  • 91. Mijn nieuwe outfit loopt erg ongemakkelijk. Randy en Thomas zijn het al gewend. Gister hebben ze ook verteld dat ze niet uit het groepje mogen vertrekken, want dan zwaait er wat. ‘Hey, jongens, hebben jullie het ook al opgemerkt dat als je zware voetstappen hoort, dat het dan meestal Bjorn is?’ vraag ik lachend naar de jongens. ‘Ja, maar wij zijn het al gewoon.’ zegt Thomas. ‘Maar nu hebben wij ook zware schoenen aan hé? De andere mensen merken nu ook dat wij er zijn.’ Gaat Randy verder. Op school
  • 92. Nee, dat wil ik niet, ik wil niet herkend worden door mijn lelijke schoenen!’ zeg ik vervelend, ‘Ik heb al moeite moeten doen om mezelf in dit pak te stoppen, ik haat deze stijl!’ ‘Wij ook’ zeggen ze tegelijk. Ik hoor geslof, voeten worden over de grond getrokken, zwaar en vermoeid. Tot mijn grote verbazing is het Bjorn.
  • 93. Wat is er met jou gebeurd?’ vraagt Thomas. ‘Niks!’ en Bjorn slentert verder langs de kluisjes. ‘Bjorn’ roept hij Thomas verder. ‘Ik zou maar niks meer vragen,’ zegt Randy, ‘we zien straks wel wat er aan de hand is.’ Ik doe mijn kluisje open en neem de boeken voor de komende lessen.
  • 94. Wat zou Bjorn hebben? Komt het misschien door mijn slechte prestaties gister? Weer komt het geslof tevoorschijn. Hij ziet er bleek uit. Hij draait zich om en steekt een duim op van ‘je hebt je kleren aan, goed zo’. Hij slentert daarna gewoon verder de school uit. Na de lessen
  • 95. Als ik me omdraai staat Thomas ineens voor mijn neus. ‘Wat zou er toch met hem zijn?’ vraagt hij bedenkend. ‘Wat kom jij hier nu eens uit de lucht gevallen!’ schrik ik. ‘Zag je ook dat hij een duim op stak? Het zal vast wel betekenen dat hij zich goed voelt’ verzint Thomas. Hij voelt zich wel slim. ‘Nee, hij bedoelt dat ik mijn kleren aan heb.’ Zeg ik kortaf. ‘Kan ook!’ zegt Thomas terwijl hij zijn schouders ophaalt.
  • 96. Randy komt ook piepen. ‘Hey, jongens!’ zegt hij vrolijk. ‘Hoi.’ antwoorden we. ‘Eh, jongens?’ zeg ik. ‘Ja?’ en ze draaien zich meteen naar me. ‘In het weekend als we gaan bowlen, doe dan wel je normale kledij aan hé!’ Ze kijken elkaar verbaasd aan. ‘Als Bjorn ons betrapt dat we de kleding van hem niet aan hebben, dan wordt hij serieus kwaad.’ Antwoordt Thomas. ‘En, ik heb nog niet eens andere kledij,’ vertelt Randy, ‘ik moest
  • 97. Ik wordt er stil van. Wat een tiran! Mogen ze nog niet eens hun eigen klerenkast behouden?! ‘Weet je wat? We gaan naar de kledingwinkel!’besluit ik. ‘Nu?’ vragen ze geschokt. ‘Ja, nu! Morgen is het weekend en dan gaan we bowlen. Je neemt dus alles wat je aanspreekt uit de rekken, en ik zal wel betalen’ vertel ik. Nu kan ik ook hun smaak eens zien. ‘M… Maar onze ouders weten er niks van.’ Zeuren ze. ‘Bjorn heeft jullie toch ook eens ergens mee naar toe genomen, terwijl jullie ouders het niet wisten? Dus niet zeuren kom mee!
  • 98. We staan buiten. ‘Zo, jullie hebben nu wel de Bjorn-kleding aan maar dat gaat snel veranderen. We gaan naar binnen en je neemt wat je wilt. Ik zal wel wat neuzen voor mezelf’ zeg ik en zet een lachje op. Terwijl we naar binnengaan aarzelen de jongens nog wat. ‘Kom aan, ik zal jullie niet uitlachen ofzo, moest je een totaal andere stijl hebben!’ Na die zin wandelen ze rustig verder. ‘Ik ben niet zoals Bjorn!’ voeg ik er nog aan Bij de winkel
  • 99. Beide lopen ze een totaal verschillende kant op. Thomas, de slimme jongen, wandelt naar hemden en truien. Al vlug heeft hij wat in zijn handen. Hij loopt verlegen het pashokje in, maar komt er zelfverzekerd uit. Typisch voor hem, hij staat er wel mee vind ik. Niet bepaald een bowl- outfit, maar als hij dat lekker vindt zitten.
  • 100. Randy, de sportieveling, wandelt meer naar de donkere richting. Een zwarte polo met een donkere broek wordt het resultaat. Allebei hebben ze dus een veel andere stijl dan ik, en Bjorn.
  • 101. Ik neem ook wat uit die rekken, en dan betaal ik. ‘En jongens, zijn jullie tevreden over je outfit?’ vraag ik terwijl ik de deur open doe. Ze knikken. ‘Nu kunnen jullie tenminste jezelf zijn.’ Randy en Thomas grinniken. Ze worden er steeds enthousiaster over. ‘Wat nou?’ zeg ik lachend. ‘Niks.’ Zeggen ze terwijl ze elkaar lachend aan kijken.
  • 102. Ja, eindelijk thuis! Ik heb geshopt, morgen gaan we bowlen en het is weekend! Eerst deze ongemakkelijke outfit uittrekken en fatsoenlijke kleren aandoen, mijn ouders hebben me trouwens ook nog nooit gezien in deze kleding. Ze komen straks pas thuis, mama is boodschappen doen en papa werkt. Thuis
  • 103. Fijn, eventjes mijn oude vertrouwde kleding aandoen. Een miauw raakt mijn oren. ‘Luna! He poes!’ zeg ik met een lief stemmetje, ‘Wil je spelen? He? Wil je spelen?’ Ik maak kromme bewegingen met mijn vinger. Luna volgt de cirkels en probeert mijn vinger te grijpen.
  • 104. De avond valt en ik krijg honger. Beneden neem ik een zak chips. Mama is inmiddels thuis en heeft me gezien. ‘Hoi!’ roep ik blij. ‘Hoi.’ een lach verschijnt op haar gezicht. De chips zijn nogal taai, en dat is niet lekker. ‘Hier, ik heb andere chips meegenomen.’ zegt ze terwijl ze de rest uitpakt. Snel neem ik het nieuwe pakje.
  • 105. Samen met mama tv kijken, is dat niet gezellig? De chips raakt snel op, en we krijgen dorst. Mama had net nieuwe blikjes gekocht en die ga ik nemen. Het koude stevige randje van het blik raakt mijn onderlip. Voorzichtig vloeit er een lekker smaak in mijn mond.
  • 106. Het zalige drinken van de blikjes wordt verstoort door de vermoeide vader van me. Hij ziet er moe uit, hij steekt zijn hand op en wandelt meteen naar boven. ‘Zouden we ook niet gaan slapen?’ merkt mijn moeder op. Ze wilt gewoon bij haar man liggen. Toch zeg ik ja want ik heb het koud en wil in mijn zacht bedje kruipen.
  • 107. De ochtend nadert en de zonnestralen schijnen door mijn raam. Luna miauwt. Ik merk het niet en slaap verder. Alweer miauwt ze. Ik hoor het deze keer wel en sta op. Als ik beneden kom staat er weer een leeg etensbakje. Ik gooi er wat kattenbrokjes in en ga tv kijken.
  • 108. Na een tijdje komt mama tevoorschijn. ‘Goedemorgen.’ zegt ze zacht. Ik herhaal wat ze zegt en we moeten lachen. ‘Je weet toch dat ik straks ga bowlen hé?’ vraag ik voor de zekerheid. ‘Hm’ krijg ik als antwoord. Dat beschouw ik als een ja. Ze doet de ijskast open en maakt een maaltijd klaar.
  • 109. Een warm vruchtengebak is het resultaat. Mama roept me aan tafel. Ik zet op me een koude stoel en eet mijn ontbijt op. ‘Met wie ga je straks bowlen?’ vraagt ze met een volle mond. ‘Gewoon, vrienden van school.’ antwoord ik. Ze knikt en ik ga naar boven.
  • 110. Eerst douchen, en daarna kleed ik me aan. De harde stralen doen me de pijnlijke plekken terug voelen. Snel was ik mijn kort haar. Dit gaat eigenlijk veel makkelijker dan het oude haar van me, besef ik. Toch vind ik mijn oude haar fijner. Ik doe de douche uit en dan droog ik me af. De handdoeken schuren over de plekken die pijn blijven doen.
  • 111. Ik haal de kleren die ik gisteravond aan had terug uit mijn kast. Een avondje, dan kan ik ze toch nog aan doen? Er zit hier en daar nog wat chips op en een plekje sap van het blikje. Nee, dan maar liever iets anders. Ik besluit om een vest met een t-shirt eronder, een smalle broek en oude schoenen aan te doen. Dan wordt het ieder zijn eigen stijl. Hmm… Ik kan mijn fotocamera meenemen? Nee, er zijn daar vast en
  • 112. Ik begin me onderhand te vervelen. Ik verheug me op straks. Maar dat is straks pas, nu is het saai. Ik zal mijn tanden gaan poetsen. Een frisse adem is ook altijd aangenaam. En ookal heb ik bijna geen haren meer, ik ga er toch nog eens door met wat gel.
  • 113. 'Yamino, word eens wakker, het eten is klaar!’ Pas dan besef ik dat ik lag te slapen op de bank. En ook pas dan besef ik dat ik honger heb en zo weg moet. ‘Hm, ik kom zo’, mompel ik. Als ik recht zit word ik eventjes duizelig en krijg wat hoofdpijn. Vast door de honger. ‘We eten vroeger vandaag, je ging toch bowlen?’ vraagt mijn moeder. ‘Hm’, antwoord ik. Na een tijdje
  • 114. Toch krijg ik me overeind en zet me op een keukenstoel. We eten spaghetti, niet mijn favoriete gerecht maar ik heb honger. Lag ik dan zo lang te slapen? Het maakt allemaal niet zo veel uit. Dat ik maar zorg dat ik op tijd kom.
  • 115. De spaghetti smaakte toch. Ik laat het bord staan en strik mijn veters, trek mijn rits open tot de goede lengte en veeg kruimels van mijn broek af. Ik haal diep adem. Nu kan ik gaan genieten, eindelijk heb ik vrienden. Vrienden die jongens zijn, vrienden die geen slaafjes meer zijn van een tiran, vrienden die nu zich zelf kunnen zijn.
  • 116. Als ik in de taxi zit, bel ik even naar Randy en Thomas. ‘Het is eventjes om te zeggen dat ik onderweg ben’, vertel ik hen zacht. Zij zijn ook al onderweg. Ik kom als eerste aan. Niet veel later stapt Thomas uit een mooie auto. Ook Randy verschijnt na een paar minuten. We lopen naar binnen. Bij de bowling
  • 117. Ze hebben hun kleding aan. Wat geeft dit een goed gevoel! Thomas verkiest om de eerste bowlingbaan te nemen... We gaan er mee akkoord. Hij begint, daarna volg ik en als laatste Randy. Thomas gooit en de bal rolt over de gladde baan. Hij mist.
  • 118. Nu ben ik aan de beurt. Ik neem een bowlingbal en steek mijn vingers in de gaatjes. De bal is best zwaar. Ik kijk goed naar de kegels en ik wil gooien, maar mijn vingers bleven hangen. Ik plof neer op de grond. De jongens lachen, en ik kom ook niet bij van het lachen.
  • 119. Uiteindelijk deed die knal toch wel zeer. Weer een paar blauwe plekken erbij. Maar ach, we zijn hier voor de lol! Iedereen gooit een paar keer tot we ‘uitgebowld’ zijn. We nemen plaats op krukjes en bestellen wat te drinken.
  • 120. De glaasjes zijn op en mijn oog valt meteen op het fotohokje. ‘Jongens!’ roep ik. Ze kijken verschrikt om. Ik wijs naar het fotohokje. Ze begrijpen meteen wat ik bedoel en wandelen me achterna. Jammer genoeg passen we er niet alle drie in. Randy en ik gaan er als eerste in. Thomas wacht geduldig bij het gordijntje. Hij hoort ons gelach en geroep.
  • 121. We stappen met een brede glimlach uit het hokje. Thomas vliegt er in. ‘Wie gaat er nu met mij?’ vraagt hij ongeduldig. Randy en ik kijken elkaar aan. ‘Jij?’ stel ik voor. Hij stapt naar binnen. De flitsen vliegen uit het hokje. Ik glimlach. Wat een fun kan je hebben! Ik neem plaats op de dansvloer.
  • 122. Aan de kant!’ roept een stem. Ik kijk om. ‘Wie we hier hebben’, gaat de stem verder. Het is Bjorn. Wat doet hij hier! Ik schrik nog meer door Aisha die hem achterna loopt. ‘B… Bjorn?’ stotter ik. Hij duwt me. ‘Wat heb je nu weer aan?’ vraagt hij alsof ik iets uit de middeleeuwen aan heb. Ik raap al mijn moed bij elkaar en vertel: ‘Iets fatsoenlijks! En wat heb jij aan?!’ Zo, dat is er uit. ‘Ho, gaan we zo beginnen?’
  • 123. De jongens komen uit het hokje en staan versteld. ‘Bjorn!’ roept Aisha uit de deuropening. ‘Bjorn?’ roepen Randy en Thomas. Bjorn lacht. ‘Jullie zijn blijkbaar ook gaan winkelen!’ hij proest het uit. De jongens worden rood van schaamte en verlegenheid. Maar wat doet Aisha hier met Bjorn?
  • 124. Ik loop naar Aisha. Laat Bjorn zich maar eventjes bezighouden met Randy en Thomas. ‘Aisha? Wat doe jij hier met Bjorn?’ vraag ik geschokt. Ze zwijgt en kijkt weg. ‘Aisha?’ vraag ik nogmaals. Dan roept ze het uit. ‘Bjorn heeft me gevraagd te bowlen. Natuurlijk zeg ik ja, zou jij me niet beter mee kunnen nemen. Je doet zo afstandelijk. Jij bent Yamino niet meer sinds Bjorn!'
  • 125. Bjorn en de rest komen ook aanwandelen. Randy en Thomas zijn kwaad op mij, dat zie je. ‘Raak mijn Aishatje niet aan!’ dreigt Bjorn. ‘Aishatje?’ vraag ik. En dan begint hij weer. Hij springt op me. De riempjes, de schoppen, alles komt weer terug.
  • 126. Thomas en Randy zijn weggelopen, ergens waar ik niet weet. Ik kan me niet meer verdedigen. Ik ben als een pop. Slap, waardeloos en stom. Toch houdt hij op en neemt Aisha vast. Hij begint haar te kussen. Dit wordt me allemaal te veel. Ik ren naar buiten, met al de pijn. De pijn op mijn schouder, knie en kin. Maar ook met pijn in mijn hart.

×