Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.

Persbericht Jan Haak

748 views

Published on

Achtergrondinformatie bij het Dodenleger van Jan Haak tijdens de N8vdN8 Middelburg 2015.

Published in: Entertainment & Humor
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

Persbericht Jan Haak

  1. 1. persbericht persbericht persbericht Jan Haak terug van weg Volksmythische personificatie van de verdrinkingsdood Tijdens de verduisterde maskerparade in de Nacht van de Nacht op zaterdag 24 oktober 2015, waarmee Middelburg zijn binnenstadsfestijn van het Duister afsluit, verschijnt als primeur in de processie van «Het Dodenleger», de solitaire maskerpersonage Jan Haak, geest der Zeeuwse zoete binnenwateren in ballingschap, en voor oudere Zeeuwen zeker geen onbekende. Decennia lang werd het fantoom door eenieder op het droge verguisd omdat hij het nooit zou nalaten om zwemmers in diep water met een haak naar beneden te trekken ten einde hen de verdrinkingsdood op te dringen. Zijn verschijning in «Het Dodenleger» staat in het teken van de uitbeelding van oud-europese volksmythische wezens welke eeuwenlang de taak op zich hebben genomen om ééns per jaar een leefgemeenschap te bevrijden van haar gestorven zielen. Als Zeeuws-oudgediende is Jan Haak gehouden temidden van andere illustere figuren, andermaal zijn taak ‘museaal’ uit te voeren binnen het stramien van een indrukwekkende fakkeloptocht door de verduisterde Middelburgse binnenstad. ________________________________________________ manifestatie: N8vdN8 – Nacht van de Nacht 2015, Middelburg Centrum datum: zaterdag 24 oktober tijdstip: 22.00 -23.15 u plaats: binnenstad Middelburg parcours: Kloveniersbrug  Langeviele  Pottenmarkt  Plein 1940  Markt  Vlasmarkt uitvoerder: Maskertheatergroep Pandaemonium en fakkelaars regie/productie: Phons Bakx teskt publicatie: Stichting Antropodium interviews: Andreas Oosthoek, Marco Evenhuis, Phons Bakx voor eventueelcontact: Phons Bakx 0118 – 624 934 /phonsbakx@antropodium.tweakdsl.nl
  2. 2. --- ENIGE UITWIJDING ---- Nu we van tijd tot tijd moedwillig op de hoogte worden gebracht hoe in Nederland christelijke kerken in het verleden met hun zwaktebod zijn omgegaan, heeft dat tot dusver niet belet dat ook hun vroegere doctrines ons een flink aantal ballingen heeft opgeleverd. En soms mogen we de tijd rijp genoeg achten om bijvoorbeeld iets van zo’n oude balling weer onder de collectieve aandacht terug te zien keren. Heel wat volksmythische personificaties moesten het op die manier in het Zeeuwse eilandenrijk laten afweten. En één ervan was beslist beroemd en berucht, en hem kan met recht worden toegerekend dat hij lang buiten de gemeenschapscollectiviteit is komen te bivakkeren zònder helemaal in vergetelheid te zijn geraakt. Althans, daarvan getuigt toch het helderste gedeelte van onze tijdheugenis, ja ook aan de uiterste rand daarvan. Het gaat hier om niets minder dan om het imaginaire fenomeen Jan Haak en zijn verguisde equivalenten Slokkevent, Ooszepik, Nekker of den Âkervint. Ook bleek een ´persoonsverwisseling´ mogelijk met de Osschaart, een ongure trawant eveneens in de luwtes van waterkant en kreek terug te vinden, en destijds louter geducht door de enkeling die er in verlatenheid nog op uit moest. Op indicatie van het calvinisme verliet Jan ‘Aèk alras het Walcherse volksgeheugen, ofschoon over generaties heen enkelen altijd nog de flarden opvingen waarvoor de gevreesde geest van de binnenwateren eigenlijk niet had gestaan. Zijn teloorgang vorderde beduidend minder snel op de Bevelanden en in het Zeeuwse Vlaanderen, alwaar hij resp. gekend stond als Jan ‘Eêk en Jan ‘Aâk maar ook als Pietjen ´Aâk. ▲Het Napoleonkanaal in Sluis – foto genomen vanaf ’t Schep (foto: infosluis.nl)
  3. 3. Zeeuws-Vlaanderen In de vorige eeuw hielden Zeeuws-Vlamingen tot ver in de jaren ‘60 zijn reputatie onvervalst, waarvan getuige antropologisch publicist Phons Bakx: “Rond 1961 werd ik als 5-jarige in Sluis aan ’t Schep voorgelicht over de verraderlijkheid van Jan ‘Aâk. ’t Schep was een speciale oeverglooiing aan de vaart (het Napoleonkanaal of Kanaal van Sluis naar Brugge, foto boven) waar vaartuigen in en uit het water werden gehaald, direct gelegen naast het voormalige natuurzwembad. Ik herinner me hoe ik op die plaats, hoe wij, kinderen bijeen, van een oudere persoon te horen kregen, dat wij nooit naar het diepe midden van het kanaal zwemmen mochten, want al was je alleen of niet, daar onmiddellijk sloeg Jan ‘Aâk toe met een grote haak en tegen al je macht in trok hij je naar de diepte van de vaartbodem, zodat je daar het leven liet. De waarschuwing aan ons werd met het voorbeeld afgerond van de verdrinkingsdood van de 4-jarige Marijke Musson uit ons dorp. Ik had het al niet zo hoog op met al dat zwemmen, maar na die waarschuwing hield ik het zowat helemaal voor gezien!” Watergang Dat dit soort waarschuwingen bij kinderen ten alle tijden hun effect sorteerde, illustreren de reminiscenties van schrijver Andreas Oosthoek over de Zuid-Bevelandse Jan ‘Êêk: “Ik zie d’n waetergank nog voor me, het bruggetje en het loerende gevaar: d’n aek en het verzwelgende water!” Op een dag ging Andreas als kind met twee vriendjes naar iemand’s huis waarvoor zij eerst via een houten loopbrug een watergang moesten oversteken. Van hun ouders werd stringent opgelegd om in het midden van het gangpad van die brug te lopen, àchter elkaar, niet naast elkaar! En… o wee, als er maar iemand in de buurt van één van die brugleuningen kwam. Die schrok zich van de harde klap alleen al dood, die de waterdemon met zijn haak tegen de brug geven zou! En al is het maar door een kiertje dat hij zijn prooi kan zien …, hij sleurt hem over de brugleuning het water in om hem een onmiddellijke verdrinkingsdood te bezorgen. Woordelijk volgden de jonge Oosthoek en de zijnen wat was opgedragen. Iezendieke Het algemene beeld dat met de verschijning van Jan Haak wordt opgeroepen is die van een haast onzichtbaar wezen dat in een hoop watergekletter iemand vanuit het oppervlaktewater met zijn haak naar de diepte trekt. Daarom gold de waarschuwing voor Jan ‘Ââk in hoofdzaak altijd tegen het te water gaan in het diepe. Het schijnt dat Jan Haak met name rond IJzendijke zijn activiteiten listiger heeft uitgevoerd dan waar dan ook, aldus zo men stelde. Los van het gegeven dat men hem ook Nekker noemde (wellicht afgeleid van necare, het doden), fabriceerde hij met zichtbaar genoegen in het dorre riet een aantal warnesten. Een enkeling hield staande dat een nekker het liefst kinderbloed zoog, waardoor het monster zijn voorkeur bekend werd voor de menselijke soort. In het polderland rond Iezendieke schijnt Jan Haak natuurgetrouwe klankimitaties te hebben voortgebracht van jonge kinderen die in paniek aan de waterkant gilden en om hulp schreeuwden, waarop altijd vliegensvlug het antwoord van de volwassene volgde in het toesnellen naar het oeverslijk. En juist dáárop wachtte de watergeest
  4. 4. met zijn haak, want in dit landschap bediende hij zich van maar liefst zeven handlangers achter zich, op één rij klaar in aanslag, om een volwassene zijn dodelijk terratorium binnen te sleuren, want kennelijk wist Jan Haak dit in zijn ééntje niet te klaren. Volksverdichtsels Marco Evenhuis, documentalist voor Zeeuwse folklore, brengt met het voorbeeld van Jan Haak in dat deze watergeest lange tijd een belangwekkende plaats heeft ingenomen temidden van voornamelijk agrarische leefgemeenschappen. Mede door ontzenuwing van het kerkelijke gezag op de Zeeuwse eilanden bond de geloofwaardigheid en emanatie voor het fantoom Jan Haak zich behoorlijk in. Daarmee verloor de mythe nopens hem aan essentie, maar niet geheel zijn reputatie. Het fantoom bleek eigenlijk nog enige gelding over te houden ten opzichte van het fanatasierijke voorstellingsvermogen van het kind. Maar als de geloofwaardigheid naar een bepaalde periferie begint af te glijden, dan is het met zo’n volksmythe eigenlijk wel gedaan. Verkeert bijvoorbeeld de mythe rond Sinterklaas en zijn helpers dan niet in zo’n zelfde ‘afglijd-fase’, nu de discussies in onze samenleving omtrent het racisme zo oplaaien? In de publieke opinie zien we beslist een stroming aanwezig die hen graag volledig uit het culturele beeld wil zien verdwijnen. Marco Evenhuis: “Al staat het wetenschappelijk niet vast, maar in vele oude volkse verschijnselen laat zich de logica zien dat het ooit serieuze waarheidszaken zijn geweest waarmee de volwassenen weldegelijk altijd rekening hebben gehouden. Wanneer een dergelijke cultus op zijn waarheidsgehalte begon af te kabbelen, dan zie je dat de geloofwaardigheid van die cultus alsnog in staat is om naar het verbeeldingsrijk van een kind over te vloeien. En dat uit zich in volksrijmpjes, volksliedjes en orale overleveringen over volksmythische wezens zoals Jan Haak er eigenlijk één van is.” “Als de folklore in zijn laatste levensfase aanbelandt, zien we dat de imaginaire verschijnselen tot het voorkomen van een of andere kinderschrik degraderen. En dan gaan de talloos geuite waarschuwingen van kracht tegen het dreigende gevaar bij het zwemmen in diep water, het verbieden om bij waterkanten te spelen, alsook het lopen in graanvelden of bossages waar de oppas de kinderen uit het oog dreigt te verliezen.” In de voortzetting van dit soort volksverdichtsels zit iets verholen dat op het ‘onbewust verlengen van het oude volksgeloof’ gelijkt, zeker als het zich in de richting van bijgeloof of kindergeloof transformeert. Marco hierover: “Het lijkt wel of de mensen eigenlijk geen afscheid willen nemen van hun oude demonen, verhalen en liederen. Maar misschien dat de hedendaagse cultivering ervan door het opnemen van oude verhalen en volkstradities in allerlei bundeltjes, juist door ons weer kan worden opgevat als de vòlgende fase in het voortbestaan van onze volkscultuur. Er echt nog in geloven?..., nee, dat doen we niet meer, ook de kinderen niet, maar we lezen er wel graag nog over.”
  5. 5. Straattheater Verantwoordelijk voor het kostuumontwerp van de gevreesde watergeest is Phons Bakx. Hij hield zich al een tijd bezig met het kledingontwerp van andere volksmythische figuren uit een oud-europese diversiteit, zij het wel in masker- uitdossing. In zijn speurtocht stuitte hij onverhoeds op ‘Der Hakemann’ of ‘Hokama’ als fantoom uit rivier en waterstroom in de Duitse Eifel, Schwarzwald en hertogdom Frankenland. Der Hakemann bezon zich op eenzelfde soort listen als de vroegere Jan Haak, Waterwolf, Ooszepik, Slokkevent, Watersnaak, Nekker(man) en Boezehappert uit de noordelijke en zuidelijke Lage Landen. ‘Der Hakemann’ maakt als solitair deel uit van de jaarlijkse carnaval-optochten in de Duitse regio’s. Als centraal ritueel ‘vist’ een grote schare heksen hem van de rivierbodem omhoog en rijdt hem vervolgens op het droge in een kar rond in de carnavalstoet. -- In Midden-Europa en zeker in Duitsland heeft men zeer veel van dit soort oude folklore secuur weten te conserveren in de jaarlijkse optochten. Niet zomaar opbergen in een streekmuseum, maar levend houden in voornamelijk Fastnacht-optochten. Elzenkoning De ontdekking van Der Hakemann roerden Bakx’ eigen jeugdherinneringen aan Jan Haak. Kort tevoren fabriceerde hij uit eigen beweging in zijn achtertuin een maskergedaante zijnde de ‘Erle-König’, een doodsfantoom uit de vroegere noordduitse wouden, immer van zins om een reizende solitair te beslachtofferen. Goethe wijdde in 1782 een ballade aan «Der Erlkönig» waarin hij deze oude folklore in betekenis aanmerkelijk heeft weten te verbuigen. Phons: “Die Erle-König blijkt een Duits-Deense overlevering te zijn waarin één van de vormen van de harlekijn uit het oudeuropese cultuurgoed aan ons oog verschijnt. Let eens op woorden als ‘Erle- König’, het Deense ‘Ellerkunen’ of het Engelse ‘Herla King’ dan valt direct op dat in alledrie de term ‘harlekijn’ goed te herkennen is.” Erle-König wordt in het Nederlands vertaald als ‘Elzenkoning’. Zijn levensverhaal in de Duitse wouden is dat hij van de heerseres over het oudgermaanse Dodenrijk afstamt, ja, Frau Hella, Vrouw Holle of Holda. ‘Hela-Kjon’, zoals hij in de Germaanse oudheid al is aangeduid, sleurde een weerloze sterveling eigenhandig het rijk van zijn mythische moeder binnen. Allicht blijkt hier de gepersonifieerde weerzin uit van de mens jegens zijn eigen sterfelijkheid. “Wat mij aan die figuur fascineert is dat hij vroeger voor de gewone mensen onomstotelijk als een afbakening moest worden begrepen en uitgelegd. Een personificatie die als waarschuwing op een ander werd overgedragen. De oplegging die in hun naam bezegeld ligt in uitspraken als “Ga niet alleen dat woud in! Ga niet in dat diepe water zwemmen!”, maakte het voor mij maar tot een kleine stap tussen Erle- König en Jan Haak. Bovendien passen ze allebei goed in mijn theatraal opgezette creatie van het mythische ‘Dodenleger’ waaraan ik sinds 2012 ben begonnen.”
  6. 6. Gewoonte van projectie Maar rijst daar niet zeer pregnant de vraag: hoe ongepast is het eigenlijk dat iemand een dergelijke oude mythische volksvijand zoals Jan Haak terug onder de collectieve aandacht brengt, hem tot straattheater vormt, maar waarvan toch met zekerheid beweerd kan worden dat men hem na jaren met welke middelen dan ook voorgoed heeft weten te bezweren? Phons: “Ja, dat is op zich zeker boeiend in het verhaal van zijn terugkeer als straattheater. Nu en dan mag ik opmaken dat mensen niet altijd even duidelijk een grens trekken tussen wat enerzijds ooit een mythe was, en dat nu als verhaal is overgebleven, en anderzijds de werkelijkheid van alledag waarin we nu leven. De emotie daartussen kan zeer beslist troebelen. En ik geef grif toe dat het differentiëren ook wel neerkomt op het toepassen van een klein specialisme. Voor een liefdevolle grootmoeder is er bijvoorbeeld totaal geen bekoring te vinden in een theatrale terugkeer van Jan Haak, als zij haar kleinkinderen zo aan de waterkant ziet spelen en opgroeien. Hij is eerder een gruwel die zoiets in elkaar steekt en het tot straattheater omtovert. Eervol de terugkeer van een mensenmoordenaar, om het zo maar eens te zeggen? Ook in dit opzicht blijft de aanwezige emotie goed te begrijpen. Het echte bijzondere van Jan Haak is dat hij nooit daadwerkelijk in de diepe wateren van ons natuurlandschap heeft bestaan, maar dat hij plaats kreeg aangeboden in de collectieve aandacht van de vroegere agrarische bevolking. Hij existeerde alleen maar in hun lichaamssystemen waartoe hun hersenen behoren! Maar daar moest je vroeger niet mee aankomen! Het was niet meer dan een gewoonte om ten volle die aandacht in het landschap en al zijn diepe sloten en poelen te projecteren. Iemand projecteert zijn verbeelding en wijst de poel aan waarin Jan Haak verscholen zit. ‘Ge zijt gewaarschuwd!’ Op die manier heeft een collectieve, sociale bescherming vroeger altijd gedegen werk verricht. Op die manier pakte de projectie altijd gunstig uit omdat die afdoende bescherming bood. We zouden zoiets tegenwoordig alleen nog maar kunnen vertalen in het plaatsen van prikkeldraad of Heras-hekwerk met toezichtcamera’s. Ja, ook in en aan het water. Stel dat Jan Haak op deze legendarische, imaginaire wijze er nooit was geweest? Dat zijn aanwezigheid nooit geprojecteerd werd in de diepe sloten en plassen, en dat daardoor ook nooit één waarschuwing zou zijn uitgegaan naar hen die in diep water wilde zwemmen? Zouden er niet meer verdrinkingsgevallen zijn voorgekomen? Tjee…, wat voor een excentriek stukje wetenschap schuilt er toch in dit soort vragen? Ik persoonlijk acht het goed mogelijk dat door de aanwezig geachte Jan Haak minder verdrinkingsgevallen zijn voorgekomen, maar we zullen dat natuurlijk nooit echt te weten komen. Essentieel is dat de reputatie van een hoogverachte volksvijand decennia lang op een allergunstigste wijze werd gebruikt. Nou…, ik zeg je, is dat niet de moeite waard om hem eens theatraal te belichten? In zover ik weet bevindt Jan Haak zich niet echt uitgebreid in onze natuurhistorische musea.”
  7. 7. Diepe wateren Met het historisch gegeven van Jan Haak komen we in algemene zin ook in aanraking met de oeroude voorstellingen over de Dood als een onkenbaar en ongenaakbaar domein dat kennelijk alleen vrijwillig toegang verschafte aan haar eigen imaginaire koeriers. Ook de Wilde Jacht was zo’n fantoom dat uit een horde lawaaischoppers bestond dat bij nacht en ontij door het luchtruim trok, teneinde op aarde telkens weer dode zielen op te komen halen. De Wilde Jacht is in geografisch opzicht overal in het oude Europa bekend geweest, en het fantoom getuigt dat het van alle (vóór- christelijke) tijden is geweest. Beweerd wordt dat het de waarlijke voorloper was van het Vagevuur en de Louterberg. Door de eeuwen heen werd de imaginaire hemelse horde van De Wilde Jacht door tallozen aangevoerd zoals Frau Holle, Frau Perchta, Fro Gode, Odinn, Wodan, Hellequin, Herla King, Hela Kjon, Herlething, etc., kortom, ook weer door vele verschillende gedaanten van de harlekijn. In Duitsland trok de visionaire horde ’s nachts door het luchtruim en aan het einde van al hun jagende acties verdween het als een gesterkt leger tijdens het ochtendgloren in een diepe poel, ja, vaak ook in een waterput of in een meer (de Mummelsee en de Titisee in Schwarzwald merkte men hiervoor aan). De diepe wateren maakten verbinding mogelijk met onderwereld en hiernamaals, dus met het Dodenrijk. In de volksmond stonden deze wateren bekend als ‘kinderbronnen’ omdat volgens overlevering uit dit soort diepe wateren de zielen van de kinderen regelmatig tevoorschijn waren gekomen, en vanwaaruit zij door zielevogels (ja, ooievaars) naar barende moeders werden overgebracht als begin van een nieuwe leefcyclus voor een nieuw mens. En de aanduiding ‘kinderbron’ spreekt weldegelijk weer de vermeende activiteit van Jan Haak aan. De specifieke waterlocaties werden later vaak gesataniseerd en ontvingen benamingen als Duivelsgat, Duivelswater, Duivelspoel en zo meer. Gesataniseer trof ook Jan Haak, en met zijn verblijfplaats als voorbeeld valt op te maken dat een dergelijke diepe poel eigenlijk een anti-chambre inhield met toegang tot de diepere onderwereld van het Dodenrijk. Ja, in paganistisch opzicht werd de Dood vaak in een donkere waterdiepte geprojecteerd, en wat kon in dit opzicht Jan Haak meer betekenen dan een wachter te zijn bij die doorgang naar de Dood? Als de verdrinkingsdood zich doorzette omdat Jan Haak er zijn stempel op had weten te drukken, dan kwam het karkas van de drenkeling later bovendrijven, maar diens ziel streek Jan Haak op als zijn dagwinst, en verborg deze voorlopig in een opgebonden urn op zijn rug. Daarin zaten minstens één of meer zielen waarover beweerd werd dat zij terdege de mogelijkheid bezaten om in een nieuw leven op aarde terug te keren. Enkele geschreven bronnen: Teenstra, A. 1941. Nederlandse Volkskunst. Amsterdam Teenstra, Marten Douwes s.a. Nederlandse Volksverhalen I & II Nooijer, G. de -. s.a. Geloofsleven, Zeden en Tradities. Arnemuiden Veen, Abe van der - . 2015. Abe de Verteller – De Nekker: Geest van het Water Sinninghe, Jacques R.W. & Anke 1933. Zeeuws Sagenboek.

×