• Share
  • Email
  • Embed
  • Like
  • Save
  • Private Content
Verslag kunst en cultuur onder 1 dak
 

Verslag kunst en cultuur onder 1 dak

on

  • 175 views

Verslag sessie 'kunst en cultuur onder 1 dak' trefdag Pulse 23/9/2013.

Verslag sessie 'kunst en cultuur onder 1 dak' trefdag Pulse 23/9/2013.

Statistics

Views

Total Views
175
Views on SlideShare
143
Embed Views
32

Actions

Likes
0
Downloads
0
Comments
0

1 Embed 32

http://pulsenetwerk.be 32

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

    Verslag kunst en cultuur onder 1 dak Verslag kunst en cultuur onder 1 dak Document Transcript

    • Voor de verandering (Pulse) 24/09/2013 11u15 – 12u05 publiek rondetafelgesprek Kunst en cultuur onder één dak. artistieke leiders en directeurs over hun beweegredenen om ruimte, materiaal, kennis en ideeën te delen met partners en de buurt. presentatie van de 7 gebouwen (met slides) en de partners die erbij betrokken zijn: OPEK Leuven, Gert Naessens en Stijn Devillé (artistiek leider Braakland/Zhebilding) Matterhorn Borgerhout, Jo Roets (artistiek leider Laika) en Karen Van Ginderachter Kazematten Gent, Koen Van Overmeiren (zakelijk leider Ultima Thule) Budafabriek Kortrijk, Franky Devos (directeur kunstencentrum BUDA) bij' De Vieze Gasten Gent, Pat De Wit (coördinator) De Expeditie Gent, Veerle De Waele (coördinator) Scala Kortrijk, Geert Six (artistiek leider Unie der Zorgelozen) OPEK Mijn naam is Gert Naessens, coördinator van de infrastructuur OPEK. OPEK is een totaal samengaan van 9 organisaties (zie slide met alle logo’s). Het is in 2000 dat het begonnen is, met enkele organisaties, die samen huisvesting zochten en gevonden hebben in de buurt van het gebouw dat je daar ziet. In 2005 zijn daar nog een aantal organisaties bijgekomen. In 2010, toen zij verhuisden naar OPEK, zijn er nog wat partners bijgekomen. Het gebouw was vroeger een openbaar entrepot, een douanekantoor. Dat was een totaal leeg gebouw waar open ruimte was. Dan hebben we dat gaan invullen tot werkruimtes, ateliers, en ook één grote presentatieruimte, die wij onze Grote Zaal noemen, met 200 zitplaatsen. En vandaag de dag huizen er daarin, zoals ik zei: 9 organisaties. MATTERHORN Ik ben Jo Roets, ik ben artistiek leider van Laika, theater der zinnen, één van de 3 partners die begonnen zijn met Matterhorn, in de Rodenbachstraat, Borgerhout. We zitten daar nu nog niet, we zijn dat gebouw volop aan het renoveren. Het collectieve gebouwproject is eigenlijk al begonnen in 2002, vanuit de vaststelling dat we als gezelschappen veel huur betalen elk jaar, en dat we daar eigenlijk relatief weinig kwaliteit voor terugkrijgen. Uniek aan dit gebouw wordt dat we een hele hoge repetitieruimte hebben, waar wij kunnen werken tot de laatste dag voor we in de schouwburg gaan, wat we nu niet hebben. Het gebouw wordt ongelooflijk akoestisch geïsoleerd, om buren niet lastig te vallen. Voor de rest zijn er veel collectieve ruimtes: kantoor, bibliotheek, keuken… Je ziet hier op deze slide de mensen van Het Keerpunt (brede school) en Kopspel aan het werk, buurtpartners en actief in sociale economie. KunstZ (sociaal-artistieke werking) krijgt daar ook een ruimte, maar is geen initiatiefnemer. 1
    • KAZEMATTEN Ik ben Koen Van Overmeire, ik werk voor Ultima Thule en coördineer het project Kazematten. Het pand is te vergelijken met Matterhorn, maar gewoon veel kleiner, aan het Gentse Dampoortstation, voor twee theatergezelschappen, 4Hoog Kindertheater, Ultima Thule Figurentheater. Onze beweegreden: we zijn reizende gezelschappen met een kantoortje die veel spelen, die een eigen repetitieplek wilden, willen afmonteren in eigen zaal enz. Wij zitten in de 19e eeuwse gordel, de rand van Gent, die aan opwaardering doet en die buurt proberen we te betrekken. Het project zelf, staat van alle projecten nog het meest in zijn kinderschoenen, in die zin, dat er bij ons nog geen steen verlegd is, behalve één: en dat was de eerste steenlegging. We werken in drie fases: de eerste fase is concreet, daar is budget voor, die komt er deze winter aan, de volgende twee fases zijn concreet getekend, maar er is nog geen budget, dus we zijn zoekende. De twee laatste slides gaan een beetje samen: dit is de huidige toestand van ons dak, en dit ook. Wat wou ik daarmee mee geven? Dat twee kleine gezelschappen in één huis zitten. Het regent binnen, we hebben kou in de winter, het is afzien. De andere kant van het verhaal: we hebben een mooi, waardevol gebouw, waar we heel graag zouden gaan werken in de toekomst. Ik wou daarmee afsluiten, het is heel dubbel als kunstenorganisatie, om daarmee bezig te zijn. BUDAFABRIEK Franky Devos: dit is Budafabriek, een pand die vorig jaar is opengegaan en waar er vandaag 8 organisaties hun activiteiten ontplooien. We gebruiken dat niet permanent, en niet alleen uit de kunstensector. En dat is een absolute keuze, om dat zo te doen. Nu, wat bindt deze 8 partners? Het feit dat zij geloven dat innovatie in hun eigen praktijk ontstaat door samenwerking met andere sectoren. Het is niet alleen maar de ingenieur de zijn eigen innovatieve zaken ontwikkelt, maar het is door het samengaan met artiesten, of van mensen uit de zorgsector, dat je tot innovatieve projecten komt. Het is zo, dat wij intens elkaar zien, op een aantal niveau’s: de directeurs zien elkaar 1 keer per maand, de mensen op inhoudelijk vlak zien elkaar 1 keer per maand, de mensen van communicatie werken samen aan een gezamenlijke bundeling van hun communicatie e.d.m. We organiseren een pak workshops, lezingen, tentoonstellingen en er is ook BUDA::lab, een permanent prototype-lab in de Budafabriek, het is het enige dat daar permanent is. Dat is een beetje om terug te refereren aan wat Guy Gypens vanmorgen zei, dat we proberen te zoeken naar andere manieren om met productie of met economie om te gaan, waarbij het aanvankelijk gaat om het produceren van grote mondiale dingen van: hoe kun je economie een stuk lokaler maken, en hoe kun je zorgen dat je met die verschillende partners die economie ook wat sterker kan maken? En hoe maak je een soort shift bij je bezoekers? Niet alleen maar als consument, maar ook als producent vb. volgende week opent de Maakbar, dat zijn 6 tentoonstellingen onder één dak, die voornamelijk de 2
    • maakbaarheid van producten, processen en van steden toont, en dat is mogelijk door het samenwerkingsverband van de organisaties in de Budafabriek. DE VIEZE GASTEN Pat De Wit: wij zijn een sociaalartistieke organisatie, wij beschikken over een eigen theaterinfrastructuur, en wij hebben de keuze gemaakt, specifiek, om buurtgericht te werken. Een aantal jaren terug hebben we de opportuniteit gehad om de infrastructuur te renoveren en uit te breiden met een nieuwbouw. Die nieuwbouw, dat is het inkomgebouw, dat hebben we rechtgezet met mensen uit de buurt en met vrijwilligers, dat is kostenbesparend, en we hebben gekozen voor de passiefhuis-standaard. Die keuze heeft gewerkt als een hefboom: enerzijds intern, om verder een aantal acties te nemen rond vegetarische catering, rond mobiliteit, rond promotie, rond betere energieafspraken. Ook heeft dat gewerkt als een externe hefboom, rechtstreeks naar partners, onze buurtpartners die huizen op dezelfde site: ik denk dan aan parkbeheer, gemeenschappelijk afvalbeheer, enz. Maar ook omgekeerd heeft het gewerkt, dat tal van organisaties zich aangetrokken voelden om zich bij ons aan te sluiten. Noem het de precaire puzzel wat een zeer brede organisatie is: volkstuinen, stadsimkerij, een fietskeuken, zo hebben we een grote pool. Wat de rijkdom is van ons verhaal, is de evolutie, hoe we initieel ingestapt zijn als een eigenaar met verantwoordelijkheid. Hoe we ingestapt zijn op die economische duurzaamheid hoe dat verder geëvolueerd is naar sociale en rechtvaardige duurzaamheid. En dan verder naar de transitiebeweging en hoe dat we daarin dezelfde methodieken, dezelfde uitgangspunten herkennen die ook aanwezig zijn in onze dagdagelijkse praktijk als sociaalartistieke organisatie. En dan heb ik het over de mondigheid van de mensen waarmee we werken, het eigenaarschap dat ze opeisen in cultuurparticipatie, creatie, de responsabilisering. DE EXPEDITIE Ik ben Veerle Dewaele, ik vertegenwoordig DE EXPEDITIE, een gebouw in Gent, dok Noord. We noemen onszelf een cultureel bedrijvencentrum en zijn een vzw. We focussen op zes kantoorruimtes, twee vergaderzaaltjes en vooral ook repetitieruimtes. We hebben 3 grote ruimtes voor artiesten. Er is ook mogelijkheid tot presentatie, maar eigenlijk is productie belangrijker. De drie oorspronkelijke stichters van de Expeditie, DAStheater, Bazuko, en Videots zijn intussen allemaal verdwenen, dus de 5 organisaties die er nu zitten, zijn nieuwe partners. We zitten er nu 2 jaar en de overkoepelende vereniging is nog niet goed uitgewerkt, iedereen zit een beetje op zijn eigen eilandje, dat zal de uitdaging zijn voor de toekomst. En het gebouw is ook nog niet klaar, dat is ook nog een handicap, de repetitieruimte is nog niet echt gebruikswaardig, maar we zijn aan de weg aan het bouwen. 3
    • De UNIE DER ZORGELOZEN Ik ben Geert Six, artistiek leider van de Unie der Zorgelozen. Dit is net als De Vieze Gasten een sociaalartistieke organisatie. Wij hebben in de Veemarktbuurt een geschiedenis van 15 jaar: onze eerste wijkproject was een samenwerking tussen Theater Antigone en het OCMW-Kortrijk. We zijn in die buurt gebleven, maar we hebben ondertussen een zaal aangekocht, een 100 jaar oude feestzaal, De Scala. Die zaal gaat na de winter in renovatie. Het is ondertussen al 4 à 5 jaar, dat we naar de juiste middelen zoeken om dat gebouw op de juiste manier te renoveren en het opnieuw een geschiedenis te geven voor 100 jaar dans en feest, theater, muziek. Wij werken voornamelijk rond theater, maar wij hebben een ruime sociale beweging. Wij hebben nauwe banden met het OCMW, buurtwerk, straathoekwerk, sociale economie, ed. Wij werken ook rond beeldend werk, doen ook aan journalistiek en wij koken ook veel samen. Wij werken voor een groot stuk met 4 voltijdse equivalenten maar zonder de 25 full-time vrijwilligers zou die organisatie niet een dergelijke omvang kunnen hebben. De 120 à 130 vrijwilligers gaan ook mee in het uittekenen van de renovatie en het aanpakken van de renovatie. We hopen met De Scala ons sociaal werk, zowel als ons artistiek werk verder te ontplooien en te ontginnen. Wij zijn nu bezig met een bredere zoektocht, we zijn op zoek naar een coöperatie van verschillende mensen uit de buurt en organisaties. We hopen dus met die andere partners iets te doen aan de heroriëntering van het werk. De motor om op verschillende vlakken zowel aan sociale renovatie, mentale renovatie, als letterlijke renovatie te doen. Eén van de belangrijkste projecten van de laatste twee, drie jaar, vind ik persoonlijk, los van ons theater, was de bouwblokrenovatie, samen aangepakt met het buurtwerk. Waarbij we de mensen, die in aanmerking kwamen voor de renovatie van die huizen mee begeleid hebben, mee ondervraagd hebben en hun geschiedenis opgetekend hebben, zodanig dat de mensen die voor de renovatie instonden op één of andere manier laagdrempelig konden instappen om dat tot een goed einde te brengen. We doen dus meer dan theater, het gaat over renovatie van fysische gebouwen, maar ook van mensen zelf. Mensen zijn voor ons nog altijd belangrijker, dan infrastructuur, ook in het verhaal van de Scala. 4
    • Voor de verandering 24/09/2013 11u15 – 12u05 publiek rondetafelgesprek Kunst en cultuur onder één dak. artistieke leiders en directeurs over hun beweegredenen om ruimte, materiaal, kennis en ideeën te delen met partners en de buurt. In dit gesprek over gedeelde infrastructuur willen we 3 thema’s aanpakken: - waarom heb je dat eigenlijk gedaan? - hogere doelen, niet louter pragmatische doelen : wat zijn die dan? Hoe werkt dat dan? - en wat kom je allemaal tegen, in het proberen te realiseren? Wat zijn dan de zaken waar je op botst, en hoe ga je daar dan mee om? presentatie van de 7 gebouwen (met slides) en de partners die erbij betrokken zijn (zie apart verslag): OPEK Leuven, Gert Naessens en Stijn Devillé (artistiek leider Braakland/Zhebilding) Matterhorn Borgerhout, Jo Roets (artistiek leider Laika) en Karen Van Ginderachter Kazematten Gent, Koen Van Overmeiren (zakelijk leider Ultima Thule) Budafabriek Kortrijk, Franky Devos (directeur kunstencentrum BUDA) bij' De Vieze Gasten Gent, Pat De Wit (coördinator) De Expeditie Gent, Veerle De Waele (coördinator) Scala Kortrijk, Geert Six (artistiek leider Unie der Zorgelozen) StefSteyaert: Ik hoor in de presentatie van deze zeven gebouwen motieven die gaan van het echt pragmatische: kosten, nood aan ruimte en het is nu eenmaal gemakkelijker met meer… en toch een aantal organisaties, die van bij den beginne echt meer voor het inhoudelijke gaan. Wat mij interesseert is: wat was de eerste trigger, wat is de initiële motivatie geweest, om het te doen, met verschillende organisaties onder één dak gaan zitten? Jo Roets: Voor ons was het de onzekerheid, omdat we als gezelschap in een gebouw zaten en niet goed wisten: ‘hoe lang kunnen we daar blijven? Kunnen we investeren of niet?’ Het klinkt heel banaal, maar bij ons is het begonnen met een te lage repetitieruimte. En merken dat we daar op veel momenten mee vast zaten en eigenlijk niet goed konden werken. En die onzekerheid, van een eigenaar, waarvan je voelt dat de dag dat hier iets lucratiever kan komen dan een theatergezelschap, we hier weg vliegen. We hebben van in het begin gezegd: we willen niet als gezelschap een gebouw verwerven, en op dat moment wordt het toch wel al inhoudelijk. Dat je zegt : we overstijgen ons eigenbelang. De dag dat Laika geen subsidie meer krijgt, moet daar iemand anders kunnen inschuiven. En we hebben dus ook vanaf dag 1 een overkoepelende vzw opgericht, die het belang van één gezelschap overstijgt. Dat is eigenlijk bij OPEK, ik ben Stijn Devillé van Braakland/Zhebilding, in het begin ook ons probleem. We zaten met drie organisaties aanvankelijk in de Molens van Orshoven, een oud industrieel pand, waar we elk apart huurden van de eigenaar. Dat was een heel onzekere situatie. Tegelijkertijd waren er andere situaties in Leuven met gelijkaardige problemen: onzekerheid, te hoge huur en we kregen dat niet aangekaart bij de regionale overheden, niet bij de Stad, niet bij de Provincie. We hadden geen gewicht, elk afzonderlijk, om daar iets aan te doen. Op het moment dat we dat van elkaar begonnen door te hebben, zijn we gaan samen zitten en plots waren we met z’n 5
    • vijven, en hadden we wel een gewicht, een stem waarmee we konden spreken. In de loop van 2005 hadden we al een vzw opgericht om onze belangen naar die huisbaas te bundelen en van toen af hebben we ook het idee: we kunnen ook elkaar versterken. We zagen ook daar een inhoudelijke kruisbestuiving, dat door samen te zitten op één plek, er nieuwe perspectieven openden. Het pand waar we toen zaten, werd verkocht aan een grote makelaar, die ons wel wou sussen om daar te blijven, maar we voelden echt dat het geen goede zaak zou zijn. We kregen ook heel veel overlast van de nieuwbouwplannen die de man had vlak naast onze deur. We moesten daar weg, en dan heeft de stad inderdaad gezegd van ‘Ok, we hebben hier nog een douanegebouw leeg staan, daar kunnen jullie naartoe’. Dus voor ons heeft het met de nood te maken en, -het klink zwaar- het strategische inzicht van: ‘samen staan we sterk’. Geert Six: Bij ons komt het eigenlijk vanuit een mislukking, we hebben heel lang in de Vetexfabriek gespeeld en gewerkt, die toen nog eigenlijk heel bouwvallig was, waar we veel kosten hadden om er een voorstelling te kunnen spelen. We hebben dan heel lang samen gezeten met verschillende partners in de buurt om ervoor te zorgen dat het gebouw zou gerenoveerd worden. De stad is daarin meegegaan en we reden dan met een volle autobus rond in het Vlaamse land, naar voorbeelden van dergelijke infrastructuur. Er is dan door de stad een Europees dossier ingediend waar ze 300.000 euro voor gekregen hebben. Ze hebben die fabriek op een abominabele manier aangepakt waardoor het eigenlijk voor geen enkele van de partners bevredigend was. Voor ons veranderde er niets. De verwarming maakt veel teveel lawaai, we moeten die afzetten voor een voorstelling, in de winter kunnen we er niet repeteren en spelen. En akoestisch is het gewoon nog slechter dan vroeger. Het werd voor ons dan duidelijk, dat we het alleen moesten aanpakken. Ik was op zoek naar een locatie en de buurtwerker zei: ‘Laat ons een keer gaan kijken naar de oude feestzaal’. In 2009 hebben we dat pand gekocht en als je zo’n verhaal ontwikkelt, dan is het logisch dat je dat gaat delen met de gemeenschap. Vanuit een mislukking hebben we dan de keuze gemaakt om het deze keer beter aan te pakken en de regie zelf in de hand nemen, om verdere stappen te kunnen zetten. Pat De Wit: Dat we op dat passiefhuis zijn gekomen en dat we de opportuniteit hebben gekregen om te investeren in onze infrastructuur binnen een stadsvernieuwingsprogramma was een toevallige keuze. Uiteraard, die waarden van samenwerking, van netwerking, van fair trade waren wel al wat aanwezig. Passiefbouw was in die tijd nog redelijk nieuw, haast onbekend in Vlaanderen, en dat heeft de bal toen doen rollen, tot onze eigen verrassing. En uiteraard genieten we van een aantal opportuniteiten die financieel ook doorwegen: onze werkoppervlakte is haast verdubbeld, terwijl onze energiekost ongeveer status quo is gebleven. Ook ons werkvolume, onze intensiteit is zeer verhoogd.OK dat het intern een aantal effecten ging hebben, maar dat het extern zo’n vlucht ging nemen, dat konden we niet vermoeden. En dan die aansluiting bij de transitiegedachte, ja, dat klikte! En nu is er een eigen dynamiek, die rond die site hangt en waarin wij slechts een schakel zijn. We proberen ons steentje bij te dragen, maar we zijn geen buurtwerkers. Koen Van Overmeiren Bij ons zou je het ook kunnen vertalen als zo’n praktische zoektocht naar plaats, die stap is nodig om artistiek te groeien. We zijn twee kleine gezelschappen, die vrij goed aan het boeren zijn en vooruitgaan, die elkaar gevonden hebben door persoonlijke kennissen, in de nood dat artistiek project zichtbaarder te maken, en die zoiets hadden van: moesten we nu de ruimte hebben, bij voorkeur in Gent, waar we kunnen maken, ook tonen op termijn… En dan is het een beetje hetzelfde verhaal denk ik: dan huur je een pand, privé-eigendom, dat ligt toevallig in één van die wijken rond Gent, waar de stad op werkt, waar nog geen culturele infrastructuur zit. Je wordt opgepikt, krijgt ineens steun van de Stad Gent. Dan begin je ook te beseffen wat je akoestisch nodig hebt en hoeveel centen dat het kost… Is Buda een uitzondering in dit verhaal in die zin dat het meer overheidsgestuurd is geweest? Franky Devos Absoluut! Ik ging juist zeggen, wij zijn ontstaan uit paniek, omdat het bijna gemeenteraadsverkiezingen waren. Het gemeentebestuur heeft het gebouw zoveel jaar geleden gekocht want wanneer komt er nog eens een plek beschikbaar van 4000m2 op 150 meter van de 6
    • Grote Markt? Dus die zeiden toen, we gaan het kopen en vraag ons niet wat we er mee gaan doen, de tijd zal het wel uitwijzen. En dan is er zeer lang gedacht om er een puur artistieke inhoud aan te geven. Er werd gekeken naar het kunstencentrum dat er al actief was, maar we hebben altijd de bal afgehouden omdat het zo’n enorme ruimte is. Voor mensen die er nog niet geweest zijn: het is de oppervlakte van Wiels, om daar nog eens een plek voor hedendaagse beeldende kunst te maken, in een stad met maar 75.000 inwoners, qua schaal past dat niet zo bij elkaar. En dan is er eigenlijk gezocht naar een soort coalitie van partners die goesting hebben om er innovatieve dingen in te doen. Dat vind ik wel straf en in die zin zelfs interessanter dan wat aanvankelijk het plan was. En sindsdien is het stadsbestuur een beetje op het achterplan geraakt. We zitten nu rond de tafel met de partners die er inhoud aan geven. Het is niet zo dat we bezig zijn een groot stadsplan uit te voeren. De stad voorziet het gebouw, voor de rest kan je de inhoud zelf gaan maken en zelf betalen ook. Hoe simpel is het? Doe je het voor je plezier? Ja of neen? Stijn Devillé Ik wil daar even kort iets op zeggen, een boutade op tafel gooien: samen leven, dat doe je niet voor uw plezier! Eigenlijk gaat het daarover: zo simpel is het niet om in één gebouw te zitten dat je samen beheert en, in ons geval met 9 partners, die er in samenwonen. Het is een beetje getrapt: de vijf initiatiefnemers zijn degenen die het pand beheren en de anderen zijn huurders van die vijf eerste, maar je moet wel met vijf van die organisaties, die vijf verschillende ‘bedrijfsculturen’ hebben, overeenkomen. Dat gaat over alles: welke investering je doet, wat je ervoor terugkrijgt, hoe de keuken onderhouden wordt, hoe de ruimten onder elkaar verdeeld worden, hoe het in contracten vastligt… We hebben een erfpacht afgesloten, die over 36 jaar loopt. Dat zijn lange engagementen. Dus dat klinkt allemaal heel rooskleurig, als je zegt: we zitten samen met 9 organisaties, dat heeft een enorme dynamiek, en dat is een fantastische plek, maar er zit ook een werkkant achter. Jo Roets Soms zeggen wij ook, in kwade dagen, er kruipt veel energie in. De gesprekken zijn bezig: we hebben 4 zalen voor 3 partners, hoe gaan we dat allemaal doen? Soms zeggen we: we gaan eigenlijk achteruit. We hebben nu een gebouw dat in veel minder goede staat is, we zijn wel ons eigen baas, we hebben twee repetitieruimtes enz. Straks gaan we naar een beter gebouw, in betere condities, maar wel met iets mindere autonomie. En het echte effect zullen we binnen 10 jaar kunnen afwegen: is het de moeite geweest of niet? Dat is voor een aantal van ons: we weten het nog niet goed. We moeten daar intern toch wel wat mensen van overtuigen. Veerle Dewaele Dat is inderdaad iets wat we ook merken, we kunnen niet in de toekomst kijken: hoe gaat dat zijn? Bij OPEK is het al zover. En bij ons is het nog een beetje zien: hoe kunnen we dat doen, en proberen we de mogelijkheden bij iedereen uit te stippelen, maar het is inderdaad iets wat we pas achteraf kunnen gaan evalueren. Is het goed wat we van plan waren? Hadden we het beter anders gedaan? Maar dat is iets wat nu allemaal open ligt en dat zullen we merken, dat we er echt ook in samen moeten leven. Jo Roets Hadden we het beter niet gedaan? Ik sluit me een beetje aan bij u. Eigenlijk ben je als artistiek gezelschap niet bezig met een gebouw. Je wilt producties maken en opeens komt daar zo’n gigantisch ding, waarvan je in begin denkt van: tof! Waarbij je geleidelijk aan merkt, hoeveel werk het is. Onze zakelijk leider heeft zich de afgelopen drie jaar bijna voor de helft van de tijd beziggehouden met dat EFRO-dossier omdat het echt heel complex is. Met veel succes, maar wel ook met veel tijd en energie. Geert Six Ik denk dat je eigenlijk moet werken, om plezier te genereren. Ik sluit me als maker volledig aan bij Jo, dat we daar eigenlijk ook niet mee moeten bezig zijn. Maar goed, eens je in dat verhaal stapt, heb je een zekere verantwoordelijkheid en persoonlijk vind ik het zeer inspirerend om te onderhandelen met een stadsbestuur bijvoorbeeld, om te zien wat voor een krabbenmand dat is. Later ga ik daar zeker een voorstelling over maken, ik vind dat echt onvoorstelbaar interessant, dat proces van de laatste 4 à 5 jaar. We hebben een groep van bedrijfsleiders die mee de plannen hebben ontwikkeld, die meeschrijven, met de architect samen zitten, en die meedenken over hoe we 7
    • sponsoring gaan zoeken, welke campagnes daarvoor nodig hebben…. Ik moet zeggen dat er enorm veel bereidwilligheid is en genoeg middelen, om mee te stappen in zo’n verhaal. Niet omdat je daarvoor op je buik moet gaan, maar dat je je eigenheid verdedigt, dat je zegt waarvoor je staat. Net omdat je zegt dat je liever ziet dat de sociale renovatie zich ontwikkelt dan de fysische renovatie. En men staat daarvoor open en ik ben daar zelf een beetje van verbaasd. Maakt het u meer verantwoordelijk voor dingen als ecologie, het transitiegebeuren? Geert Six Maar natuurlijk, dat je zo in dat verhaal stapt, dan ben je daar veel meer mee bezig. We moeten opletten dat het niet té sexy wordt, dat verhaal van transitie en gerecupereerd wordt door de mensen die al 20 jaar aan de macht zijn, doordat ze met die transitie hun verhaal nog gaan verlengen ook. Dat is één en twee: denk ik ook, als de samenwerking vanuit de overheid gestuurd wordt en als het een besparingsmaatregel is, die samenwerking, dan versterkt het mijn inhoud niet. Dan is het zeggen: we gaan een deel van het Buurtwerk afschaffen, en je moet dat maar overnemen, en we geven u daar zoveel voor. Sorry, ik wil daar wel een rol in spelen, en ik denk dat ik daar wel een rol kan in spelen, maar ik ben geen buurtwerker. Dat is een beetje het gevaar van de transitie. Dat is een vanuit de overheid gestuurde zakelijke pragmatische aanpak, die eigenlijk een verdoken besparingsmaatregel is en de andere kant, dat de pen van de transitie vastgehouden wordt door de mensen die al jaren de dienst uitmaken. Veerle Dewaele De Expeditie is nu ook aan het zoeken van: hoe gaat het met die vijf verschillende organisaties samenleven? Ieder heeft zijn eigen sterkte en zwakte daarin en je wil dat een meerwaarde geven in die overkoepelende organisatie. Een voorbeeld: bij ons is het zoeken naar contact met de buurt, we zijn van plan om daar een koffie/theehuis te maken, een ontmoetingsplek. Voor één organisatie is dat interessant, dit zit een beetje in de kernopdracht van Victoria Deluxe, zij willen naar die buurt gaan. Terwijl Compagnie Cecilia meer met het pure theatermaken bezig is. Dan is het zoeken naar wat voor hen de meerwaarde is om die buurt te betrekken. Maakt samenwerking dat je je eigen rol eigenlijk meer gaat uitpuren en versterken? Geert Six Ik ben daar echt van overtuigd. Pat De Wit Onze plannen hebben we enerzijds moeten terugschroeven. We vertrekken niet van een gedeelde infrastructuur, maar van een gedeelde visie. Wij wilden veel verder gaan op vlak van sociale economie, maar omdat we tussen de verschillende organisaties er niet toe kwamen om die coördinerende rol erbij te pakken, lukte dat niet. Dus in die zin is dat teruggeschroefd, maar als je dat achteraf ziet heeft dat ook wel zijn voordelen. Je gaat veel meer uit van de kracht van de verschillende entiteiten terwijl je anders altijd maar zou doorschuiven naar de coördinator die dat moet oplossen. Nu hebben we een los/vast verband, maar gebruik makend van die losheid kan je veel verder gaan. Is dat een verschil, want dat is wel iets boeiend: ik hoor een aantal een structuur hebben, er boven, een overkoepelende structuur? Gert Naessens Ik denk dat we de enigen zijn die een persoon boven op de koepel hebben staan, wat ikzelf dus ben, en ik kan ergens Stijn wel bevestigen: het is niet eenvoudig, om allemaal samen te leven. Anderzijds, de dynamiek die ontstaat, is zo enorm groot. Elke organisatie tot het café toe, wat een private onderneming is, die ook één van die partners is, is zo gemotiveerd om daar aan bij te dragen, ze behouden hun eigenheid, en dat geheel samen, dat blijkt dan OPEK te zijn. En iedereen ziet wel OPEK maar iedereen ziet ook die organisaties, en dat is eigenlijk iets dat ik nog nooit heb meegemaakt in mijn carrière voordien. Ik kan een klein voorbeeldje geven: onlangs kreeg ik een telefoontje van iemand. ‘Ken je geen subsidioloog? Ik zeg: ‘wat is dat nu weer: een subsidioloog?’ En hij legde uit: ‘dat is iemand die je advies geeft, hoe je subsidies moet aanvragen.’ Ik ken geen subsidioloog, maar ik heb dat dus ook niet nodig, we zijn met zoveel organisaties, als we nu samen overleggen: hoe gaan we nu verder? Dat komt onmiddellijk naar boven: er is zoveel ervaring, die samen zit, de moeilijkheid van het samenleven valt echt in het niets in vergelijking met de dynamiek, die er uit voortkomt. 8
    • Stijn Devillé Dat is echt een investering, vind ik. We hebben twee jaar eerst het verbouwingstraject gehad en we hebben één jaar samengeleefd in het pand zonder Gert. Hij heeft wel gemaakt dat het samenleven echt gemakkelijker geworden is, dat iedereen zich terug meer op zijn eigen kerntaken en werking kan richten. Want er is iemand anders bezig met de planning en de contracten. Daardoor wordt de dynamiek nog groter. Jo Roets: Dat is bij ons ook nadrukkelijk afgesproken, dat die drie organisaties niet inhoudelijk gaan samenwerken in coproducties of zo. Het is de bedoeling dat het gebouw onze coproductie is, dat we elkaar vinden in het openstellen van het gebouw naar buurt en stad en daarin samenwerken met andere partners, maar het is dus een complementaire samenstelling. Dat vind ik ook wel een goeie: bij jullie is het afgesproken om geen coproductie te hebben? Veerle Dewaele Bij ons is het juist een meerwaarde: de vrijwilligers van Victoria Deluxe zijn ook de vrijwilligers van MiraMiro. Ook inhoudelijk: het Circuscentrum en Compagnie Cecilia werken samen bij producties. Het is wel fijn, dat het eruit ontstaat. Jo Roets Dat zou kunnen, maar we hebben dat niet als doel. Je wordt ook een soort van punt in de buurt, want het is niet neutraal, je aanwezigheid daar. Heel dat gegeven: wat is de betekenis, de zingeving van het gebouw, de samenwerking in de buurt, en hoe gaan we daarmee om, tussen de organisaties, hoe geven we dat vorm? Hoe moeilijk is dat, wat kom je daarin tegen? Koen Van Overmeiren Bij ons is dat een zoektocht en die blijft duren, omdat we als twee kleine gezelschappen theater maken, meer dan onze full-time jobs gaan daar naartoe. Plots krijg je daar een gebouw bij, daar hangt werklast aan vast. En dan komt daar ook nog eens de verwachting, dat je je plek in die buurt inneemt, wat we allemaal graag willen, maar dat is zo iets waar dat je in dossiers over schrijft, omdat het bijna zo hoort. Maar dat is een zoektocht die veel tijd, werk en goesting vergt. Voor mij voelt dat bijna aan als een onredelijke eis om dat daar nog eens bovenop te leggen, naast al de andere druk. Ik vind die woordkeuze interessant: onredelijk, in de zin van: is het geen verdomde plicht, die ermee samenhangt? Geert Six Ik weet het niet: alles vertrekt vanuit je inhoud. Voor ons is het logisch: alle inspiratie komt vanuit de buurt, alles dat je maakt of wat je aanpakt, omdat je dat wil doen, omdat je als maker daarvoor hebt gekozen. Als je kiest voor ‘werken in de wijk’ dan interview je 60 mensen in de wijk, en je gaat daar een documentaire of een voorstelling van maken. Omdat je daarvoor staat. Als je gestuurd wordt, dan gaat iedereen dat doen. Er zijn makers die kiezen om in een ivoren toren te zitten en te spelen voor twee man per avond. Voor mij is dat legitiem, dat is een even goede keuze, maar die maker die voor die twee man gaat, we gaan die dan toch niet verplichten om ook nog betekenis te hebben voor de buurt? Als die dat absoluut niet wil, dan moet die dat niet doen, vind ik. Zijn daar consequenties aan verbonden? Ah ja, zeker! Maar goed: dat is de keuze van die maker. Zijn aan ons soort werk consequenties verbonden: ja, dat is de keuze van het sociaalartistieke werk om dat op die manier te doen. We hoeven toch niet allemaal hetzelfde te doen? We hoeven toch niet allemaal buurtgerichte dingen te doen? Pat De Wit: Wij opteren heel duidelijk voor een buurtwerking, wel als een sociaalartistieke organisatie, die opereert binnen een Kunstendecreet, binnen een artistieke omgeving. En dat heeft ook voor onszelf, een tijd geduurd om dat evenwicht juist aan te voelen. En dikwijls worden wij nog geconfronteerd met verwachtingspatronen, die wij niet kunnen terugkoppelen naar onze eigen werking. En dat vraagt inderdaad energie, aan andere organisaties, overheden zeggen ‘maar zeg, we zijn daarin wel een schakel, maar dat kunnen we niet, daarvoor zijn we niet opgeleid, en hebben we geen instrumenten’. Wij spelen een belangrijke rol in bv. de problematiek van hangjongeren in dat park rond ons, maar we gaan het niet oplossen. Wat in ons geval belangrijk is, is dat we een zeer 9
    • goed functionerend netwerk hebben van alle mogelijke organisaties. Zodanig dat we zeer snel naar elkaar kunnen doorverwijzen. Wij kunnen dat gemakkelijker aansluiten bij onze werking en ik neem aan dat dat niet altijd gemakkelijk is. Geert Six Een concrete voorbeeld van moeilijke samenwerking: ook in het sociaal werk, waar we veel mee te maken hebben, is er een professionalisering: er zijn 3 à 4 sociale werkers, die met een individu bezig zijn. Bij ons zijn er bepaalde mensen die in zeer precaire omstandigheden leven, moeilijke omstandigheden. We moeten voorbij die dichtgeslibde structuren, die dichtgeslibde manieren van professioneel met elkaar om te gaan. En helpt het dan, om in een positie te zitten, waar je met een aantal partners samen zit, onder één dak? Geert Six Ja, dan kan je zeggen, ‘doe een keer jullie paraplu weg, gasten, durf een keer brutaal te zijn, zeg aan uw oversten, dat het zo niet werkt, die droge dossiers.’ Karen Van Ginderachter Positie en positionering is een heel goede woordkeuze, want hoe dan ook, als je je ergens vestigt in een gebouw, in een buurt, dan moet je je positioneren. Inderdaad als het met verschillende partners is, tegenover elkaar, maar dan ook tegenover een buurt. In ons geval is dat ook zeker waar, en net zoals Koen zegt, een beetje een zoektocht. Want je kunt je niet helemaal voorstellen, hoe dat gaat zijn, en uiteraard wil je de buurtwerking of buurtorganisaties betrekken in uw vestiging van een nieuwe organisatie als drie partners samen, en dan de relatie tot die buurtorganisaties. In dat opzicht willen we ook proberen, als we daar dan gevestigd zijn, om daar bv. door het opzetten van jongerenateliers, een soort samenwerking met jongeren uit de buurt op te zetten. En dat is maar één voorbeeld, maar gewoon uw huis openstellen naar buurtorganisaties, die op zoek zijn naar een ruimte, of die op zoek zijn naar een plaats om iets te doen, is wel heel belangrijk denk ik, als je je ergens vestigt. Jo Roets Bij ons is Kopspel heel actief in dat gebouw. In plaats van studenten die een vak studeren, loodgieters, bezetters, enz in een technische school wandjes te laten bezetten, doen ze daar, in dat gebouw. Waardoor je twee keer winst hebt: één: het is goedkoper, maar vooral ook, de mensen van die buurt voelen zich daardoor ook al meer verbonden, omdat ze geholpen hebben, letterlijk dan, die jonge gasten, om dat gebouw in orde te maken, dat voel je nu al. Ik zei het daarstraks al: we hebben echt bewust in akoestiek zwaar geïnvesteerd, omdat we dus ook die problemen met de buurt willen vermijden. Franky Devos De moeilijkheid van het feit dat het bij ons over andere sectoren gaat, is net dat je heel uw kennis en netwerk verliest, en dat je infiltreert, dat je eigenlijk tussenkomt in de economische wereld, in die zorgsector, in de mensen die met productontwikkeling en design bezig zijn. Plots word je uit die comfortzone van je eigen netwerk weggetrokken en dan moet je je verhaal ook gaan brengen voor een ander publiek. Waar je geen referentie hebt, waar je zelfs dezelfde taal niet spreekt. Ik vind dat bijzonder lastig, en dat zal met iedere sector zo zijn, zo sterk een eigen wereldje. Je woont onder hetzelfde dak en je hebt zeer veel woorden en zeer veel tijd nodig om elkaar gewoon te snappen. Dat is eigenlijk een pleidooi om die samenwerking nog veel breder te gaan zoeken in de sociale en de artistieke sector. Het Kunstendecreet faciliteert dit soort van gebeurtenissen, samenwerkingen? Organisatievormen? Stijn Devillé De organisaties waar wij mee samenwonen, die vallen onder het Kunstendecreet, Decreet Sociaal-Cultureel werk voor volwassenen, het jeugddecreet, Onderwijs, en er zit een ook sociaalartistieke organisatie ook bij in huis, een deel van het cultuurcentrum in Leuven, dat eigenlijk onder de stad valt. Dat is niet evident, tegelijkertijd is dat ook net interessant. Je weet dat niet iedereen tegelijk zijn subsidies zal verliezen al was het maar omdat die periodes verschillen. Maar tegelijkertijd is het effectief ook moeilijk om een dossier in te dienen voor een gezamenlijke werking. Wij zetten wel met verschillende partners projecten op, waar we echte synergie zoeken tussen kunst 10
    • maken, en kunsteducatie langs de ene kant en bemiddeling en sociaalartistiek aan de andere kant, daar zitten kruispunten in of witruimten in die interessant zijn om te benutten. Maar dat wordt vooralsnog beschouwd als dubbele subsidiëring, wat niet mag. De Vlaamse Gemeenschap pakt heel dikwijls uit met OPEK als voorbeeld, maar de Beoordelingscommissies binnen het Kunstendecreet zijn er dan toch niet van overtuigd. Koen Van Overmeiren Daarnet sprak je over verdoken besparingen, als het over het kunstendecreet gaat, is het voor ons ook interessant. Vanaf dat wij met twee theatergezelschappen in dat gebouw zaten, bij de vorige subsidieronde was het van: ‘jullie kunnen toch fusioneren?’ Dat is al direct de besparingsmaatregel zwart op wit. Gelukkig zijn er dan in de beoordelingscommissie genoeg mensen, die zeggen: ‘die maken alle twee theater, dat zijn artistiek twee uitersten’. En zo vind ik wel, dat je vaak op voorbeelden botst, waar je je moet inschrijven in een bepaald dossiermatig denken, maar als je kritisch kijkt, je eigenlijk de verdoken besparing ziet. En dat mag het niet worden. Pat De Wit Het is niet alleen het Kunstendecreet, maar ook, bij ons de stedelijke overheid, waar je voortdurend botst op het vakjesdenken. Wij zijn een project, dat zowel op de budgetten cultuur zou moeten doorwegen, als op de sociale budgetten, jeugdbudgetten. En telkens als je dat probeert te doorbreken, bots je op een muur, kom je van een kale reis terug, wordt je zelfs de mist in gestuurd. Geert Six Om een antwoord te geven op het risico. De lening voor de aankoop konden wij zelfstandig doen, maar we hebben van in het begin gekozen om een borg te vragen aan het OCMW. Ik denk dat subsidie ooit zal eindigen of toch anders zal zijn. Voor mezelf als maker, ben ik daar niet bang van. Maar als we al die kosten doen aan die zaal, dan moet ze op één of andere manier kunnen teruggegeven worden aan een organisatie, die dat verder kan beheren, en dat ze inhoudelijk kan dienen voor wat ze het ooit gedroomd hadden. Daarom hadden we in het begin gekozen, om die borg te vragen aan het OCMW. Ik vond dat toen echt heel belangrijk. Het is kwart na 12, we moeten stoppen. Dankuwel allemaal. Moderatie: Stef Steyaert Transcriptie: Diane Bal Eindredactie: Nikol Wellens 11