Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.

Beweging in beeld

570 views

Published on

Slides bij het V4 natuurkunde hoofdstuk Beweging in Beeld

Published in: Education
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

Beweging in beeld

  1. 1. Beweging in beeld (H. 1)
  2. 2. Het jaar in zes hoofdstukken Beweging in beeld (h1) Kracht & Beweging (h3) Energie & Beweging (h6) Trillingen & Cirkelbewegingen (h4)Straling (h5) Elektriciteit (h2)
  3. 3. Natuurkunde
  4. 4. Uitleg Opdracht maken Vastlopen Klaar zijn Informatie zoeken Nakijken Niet gevonden Fout Goed Nieuwe opdracht kiezen Gevonden Uitleg vragen Informatie opzoeken en uitleg vragen zijn leerzaam, maar afsnijden is pure tijdverspilling
  5. 5. Check of je geen fouten maakt in 5 stappen NIET Fz = 800 N WEL Fz = m • g = 800 N NIET Het duurt 59 s WEL Ja, binnen 1 minuut NIET Hij rent 3 km/s WEL Hij rent 3 m/s NIET 2 • 3 = 6,000 WEL 2 • 3 = 6 NIET De lengte is 10 WEL De lengte is 10 meter F A L S EFormule Antwoord Logisch Significantie Eenheid
  6. 6. Oplossingsstrategie in 5 stappen Opdracht Een aquarium heeft de volgende afmetingen: 20 cm x 30 cm x 40 cm (l x b x h). Hoeveel liter past er in het aquarium? 1. Gevraagd 2. Gegegeven 3. Kennis 5. Antwoord4. Oplossen ● “Hoeveel liter past er in het aquarium?” ➔ Wat is het volume? ● Lengte l is 20 cm ● Breedte b is 30 cm ● Hoogte h is 40 cm ● V = l • b • h = 20 cm • 30 cm • 40 cm = 2 dm • 3 dm • 4 dm = 24 dm3 = 24 liter ● Het volume van het aquarium is 24 liter ● Volume V = l • b • h ● 1 liter = 1 dm3 ● 1 dm = 10 cm Formule? Antwoord? Logisch? Significantie? Eenheid?
  7. 7. Voorbeeld 1 000 1•103 nano0,000 000 001 1•10-9 n micro0,000 001 1•10-6 μ milli0, 001 1•10-3 m –1 1•100 – centi deci deca hecto 0,01 0,1 10 100 1•10-2 1•10-1 1•101 1•102 c d da h kilo k mega1 000 000 1•106 M giga1 000 000 000 1•109 G tera1 000 000 000 000 1•1012 T NaamGetal Wet. not. Symb. centimeter decimeter nanometer micrometer millimeter byte / meter kilobyte megabyte gigabyte terabyte
  8. 8. Iets waarmee je grootheden in uitdrukt (bijv. meter, seconde en kilogram) Eenheid Iets wat je kunt meten (bijv. afstand, tijd en massa) Grootheid Alles in de natuurkunde wordt beschreven met grootheden en eenheden
  9. 9. Een grafiek geeft in vijf stappen informatie over grootheden 0 6 12 18 24 0 2 4 6 8 10 0 5 10 15 20 Neerslag(mm/h) Temperatuur(ºC) Tijd (h) 15,5 ºC om 12:00 9 mm/h rond 20:30 Laagste T om 05:30 1. Grootheden Wat staat er op de assen? 2. Eenheden In welke eenheden zijn de grootheden gegeven? 3. As-labels Welke waarden staan er op de assen? 4. Vraag Wat wil je uit de grafiek halen? 5. Aflezen Kijk op de goede plek
  10. 10. Het aantal significante cijfers in een getal geeft de nauwkeurigheid aan 1 cm kleine significantie (1) 10 mm normale significantie (2) 10,5 mm 0,5 cm 1,5 cm 9,5 mm 9,95 mm 10,05 mm kleine nauwkeurigheid grote nauwkeurigheid normale nauwkeurigheid 10,0 mm grote significantie (3) 0
  11. 11. weten- schappelijke notatie 1,2 • 103 SI- voorvoegsels 123 km Cijfers zijn significant als ze aan bepaalde voorwaarden voldoen 4 significante cijfers (s.c.’s) beginnullen 0,01 12,30 Alle cijfers zijn significant … … met uitzondering van: 1 s.c. 2 s.c.’s 3 s.c.’s
  12. 12. Er bestaan rekenregels voor de afronding op het goede aantal significante cijfers (s.c.’s) kleinste aantal decimalen kleinste aantal s.c.’s 1,1 + 2,22 = 3,32 = 3,3 min. 1 decimaal 1 decimaal 1 x 2,3 = 2,3 = 2 min. 1 s.c. 1 s.c.
  13. 13. b l Drie dimensies (3D) Afstand (s) geeft de ruimte tussen objecten aan en vormt de eerste drie dimensies: lengte (l), breedte (b) en hoogte (h) l Een dimensie (1D) l Twee dimensies (2D) b h Groot Doorsnede melkweg 1021 m s s s Normaal Voetstap 1 m Klein Doorsnede atoomkern 10-15 m
  14. 14. De meter (m) is de SI-eenheid die hoort bij afstand Vroeger gekoppeld aan slinger en sec. 1 m Nu gekoppeld aan lichtsnelheid en sec. 0 s 1 m 1 s0 s s 1 299792458
  15. 15. Tijd (t) is de vierde dimensie en zorgt ervoor dat dingen na elkaar kunnen gebeuren NU (2017) Big Bang 14.000.000.000 j Aarde 4.500.000.000 j Homo sapiens 200.000 j Boekdrukkunst 600 j Internet 50 j WWW (1991) NatuurKunJe (2017) Snapchat (2011) iPhone (2007)Macintosh (1984)
  16. 16. Nu gekoppeld aan Cs-133 133 55Cs De seconde (s) is de SI-eenheid die hoort bij tijd (t) Vroeger gekoppeld aan de zonnedag 1 s = (1/86.400) dag 1 s = 9192631770 TCs-133 TCs-133 = 1 dag x 24 h/d x 60 m/h x 60 s/m = 86.400 s
  17. 17. Er is een verschil tussen afgelegde weg en verplaatsing Afgelegde weg De totale lengte van de route Verplaatsing De kortste afstand tussen het begin- en eindpunt
  18. 18. Bij een st-meting noteer je de plaats op meerdere tijdstippen t1 t2 t3 tijd (s) hoogte (m) h1 h2 h3 t1 h1 t2 h2 t3 h3
  19. 19. Een st-diagram laat zien hoe de plaats (s) van een object verandert in de tijd (t) t (s) s (m) wandeling interval heen-en-weer
  20. 20. De snelheid (v) van een voorwerp geeft aan hoeveel afstand (s) er in een bepaalde tijd (t) wordt afgelegd kleine s t = 0 s t = 1 s v = 0 grote v kleine v grote s
  21. 21. v De snelheid (v) is recht evenredig met de afgelegde weg (s) en omgekeerd evenredig met de benodigde tijd (t) s tGemiddelde snelheid [m/s] Afstand [m] Δx Δt of Tijd [s] Verschil in plaats [m] Verschil in tijd [s]
  22. 22. 0 10 m Om snelheid (v) te meten, wordt vaak een verschil in plaats (Δx) en een verschil in tijd (Δt) gebruikt 7,2 s 3 7 7,7 s Δt Δx v v = Δx / Δt Δx = 7 m - 3 m = 4 m Δt = 7,7 s - 7,2 s = 0,5 s v = 4 m / 0,5 s = 8 m/s
  23. 23. Het omrekenen van snelheid vereist dat je de eenheden van afstand en tijd afzonderlijk omrekent m/s km/h 1 m s km h 1 1000 1 3600 3,6 km/h 3600 1000 km h 1 km h 1000 m 3600 s m/s 1 3,6 1 m/s = 3,6 km/h
  24. 24. De lichtsnelheid is de hoogst haalbare snelheid in het heelal 300.000.000 299.792.458 Snelheid (m/s) 10.000 Rakket 100 Auto 10 Fiets 1 Wandelen Licht
  25. 25. 1 JAN Een lichtjaar (ly) is de afstand die licht in één jaar aflegt 1 ly 31 DEC ly = vlicht • tjaar vlicht = 3 • 108 m/s tjaar = 365 d • 24 h/d • 60 m/h • 60 s/m = 31.536.000 s = 31,5 • 106 s ly = 3•108 m/s • 31,5•106 s ≈ 1016 m s = v • t v = s / t
  26. 26. Een vt-diagram laat zien hoe de snelheid (v) van een object verandert in de tijd (t) t (s) v (m/s) constant rennen versnellen vanuit stilstand stilstaan
  27. 27. Er is een verschil tussen de gemiddelde snelheid en de momentele snelheid Momentele snelheid (v) op één tijdstip s (m) t (s) Gemiddelde snelheid (v) gedurende een tijdsinterval A B Δt Δs s (m) t (s) dt dsC1 C2vc = ds dt vAB = Δs Δt C
  28. 28. a = 0 a > 0 Als een voorwerp versnelt (a), wordt de snelheid (v) groter
  29. 29. De gemiddelde versnelling is recht evenredig met het snelheidsverschil en omgekeerd evenredig met het tijdsverschil Δv Δt aGemiddelde versnelling [(m/s)/s of m/s2 ] Verschil in snelheid [m/s] Verschil in tijd [s]
  30. 30. Bij versnellen wordt de snelheid steeds groter en bij vertragen wordt de snelheid steeds kleiner Versnellen VertragenConstante snelheid v t v t v t
  31. 31. Een at-diagram laat zien hoe de versnelling (a) van een object verandert in de tijd (t) t (s) a (m/s2 ) tijdelijke vrije val constante snelheid constante versnelling
  32. 32. Een eenparige beweging heeft een constante snelheid en constante richting a (m/s2 ) t (s) s (m) t (s) v (m/s) t (s)
  33. 33. Een eenparig versnelde beweging heeft een constante versnelling a (m/s2 ) t (s) v (m/s) t (s) s (m) t (s)
  34. 34. y x Met de raaklijnmethode bepaal je de helling van een grafiek P Δx Δy B A aAB = Δy Δx AB 1 2 3 y x P = Kies het punt P in de grafiek waar je de helling wilt weten Teken in punt P de raaklijn (een rechte met dezelfde helling als de grafiek in punt P) Bepaal helling a van de raaklijn met behulp van ‘makkelijke’ punten A en B
  35. 35. Met de raaklijnmethode kun je in bewegingsdiagrammen de snelheid of de versnelling bepalen s (m) t (s) T Δt Δs A B helling(t=T) = (Δs/Δt)AB = (ds/dt)T = v (t =T) v (m/s) t (s) helling(t=T) = (Δv/Δt)AB = (dv/dt)T = a (t =T) T Δt Δv A B helling in st-diagram = snelheid helling in vt-diagram = versnelling
  36. 36. y x Met de oppervlaktemethode bepaal je het oppervlak onder een grafiek O1 O2 x1 x2 1 2 3 4 5 y1 y2 Kies de punten waartussen je het oppervlak wilt bepalen Geef met hulplijnen aan om welk oppervlak het gaat Deel het oppervlak op in eenvoudige vormen Bepaal het oppervlak per deel O1 = (x2 - x1 ) • y1 O2 = (x2 - x1 ) • (y2 - y1 ) • 0,5 Bepaal het totale oppervlak Opp. = O1 + O2
  37. 37. Met de oppervlaktemethode kun je in bewegingsdiagrammen de verplaatsing of de snelheidsverandering bepalen Opp. = aantal blokjes = snelheidsveranderingOpp. = aantal blokjes = verplaatsing v (m/s) t (s) 1 s 1 m/s = 1 m/s • 1 s = 1 m a (m/s2 ) t (s) 1 s 1 m/s2 = 1 m/s2 • 1 s = 1 m/s Opp. onder vt-diagram = Δs Opp. onder at-diagram = Δv
  38. 38. Met de raaklijnmethode en oppervlaktemethode kun je bewegingsdiagrammen in elkaar omzetten a (m/s2 ) t (s) v (m/s) t (s) s (m) t (s) v = s / t bepaal helling a = v / t bepaal helling v = a • t + v0 bepaal oppervlak s = v • t + s0 bepaal oppervlak

×