Hoofdstuk 8

307
-1

Published on

Published in: Travel, Entertainment & Humor
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
307
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1
Actions
Shares
0
Downloads
1
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Hoofdstuk 8

  1. 1.
  2. 2. ‘Julia?’ Fiona, die Julia’s kamer is binnen gekomen in opdracht haar te wekken staart ongemakkelijk naar haar vriendin. ‘Juuul, slaapkop?’ Ze krijgt geen antwoord. ‘Juul, je gaat trouwen, je hoort doodzenuwachtig wakker te zijn, muts.’ Nog steeds geen antwoord. ‘Julia?’ Iets van paniek klinkt door in haar stem. Ze legt haar hand tegen Julia’shals, op de plek waar haar hartslag voelbaar zou zijn. Snel trekt ze hem terug. ‘Oh god. Oh god, oh mijn god. Mevrouw!’ roept ze paniekerig.<br />
  3. 3. Mevrouw Capulet komt de kamer binnen. ‘Fiona, waarom maak je zo’n lawaai?’ ‘Dood! Dood! Oh mevrouw, wat de mooiste dag van haar leven had moeten worden is een nachtmerrie! Een nachtmerrie!’ gilt Fiona. Mevrouw Capulet kijkt verstoord van Julia naar Fiona. ‘Fiona, waar heb je het over?’ ‘Julia, ze is dood!’ Ook meneer Capulet komt op het lawaai af. Hij ziet bijna net zo bleek als Julia. ‘Dood? Mijn kindje, dood?’ Fiona bijt op haar lip en knikt. Mevrouw Capulet begint wanhopig te huilen. <br />
  4. 4. Een beetje verbouwereerd staat het gezelschap daar. Capulet die zachtjes “Noodlot, oh noodlot, mijn kindje…” mompelt, mevrouw Capulet, die hysterisch huilt en Fiona die met een verwilderde blik naar het hele tafereel staart. Plots gaat de deur open. Capulet kijkt woest op, naar wie hun moment van rouw wil verstoren. ‘Is mijn bruidje klaar om naar de kerk te gaan?’ vraagt de stem van Roderick opgewekt.<br />
  5. 5. In de deuropening staan Broeder Laurens en Roderick. Zijn gezicht betrekt als hij Julia ziet liggen- nog steeds in slaap en nog steeds in haar normale jurk. ‘Moet ze niet een beetje op gaan schieten?’ Capulet zucht dramatisch. ‘Ze is klaar om mee te gaan, en nooit meer terug te keren, oh jongen, je bruid is in de nacht voor haar huwelijk overleden. Oh mijn dochter, mijn kindje.’ Er valt een stilte, waarin enkel het gesnik van mevrouw Capulet te horen is. <br />
  6. 6. ‘Moet dit dan de mooiste dag van mijn leven worden?’ mompelt Roderick dan verontwaardigd. Fiona zucht. ‘We bereiden en feest voor, en het word een begrafenis. Het bruidsmaal word een doodsmaal, feestliederen worden een treurmars, het bruidsboeket een rouwkrans…’ Broeder Laurens heft plots zijn hand op. ‘Stop, nu word ze zo’n beetje heilig verklaard. Ik weet dat dit een tijd van rouw is, maar ook tijd om te handelen. Meneer verlaat de kamer, mevrouw en Roderick gaan met u mee. Maak u klaar om deze kleine, dode schoonheid naar haar graf te volgen.’<br />~<br />
  7. 7. Romeo staart voor zich uit op een bankje bij het plein. Hij staart met een genietende blik naar het stromende water. ‘Oh mijn liefste,’ fluistert hij zachtjes voor zich uit. ‘Oh, mijn lieve Julia. We zullen samen gelukkig worden. Ik weet nog niet hoe, maar we zullen samen gelukkig worden, dat weet ik zeker, elke dag die we samen hebben doorgebracht zie ik als een zege.’ Hij staart de winkels af. Uit de kroeg komt een man stommelen.<br />
  8. 8. ‘M-Montaqueees!’ brult hij. Hij wankelt op zijn benen en loopt –voor zover je het lopen kunt noemen- over het plein naar Romeo, die hij bij zijn schouder omhoog trekt. ‘We h-hebben een voorsprong, jongen!’ Romeo probeert zich ongemakkelijk los te maken. ‘Dat zal wel, maar-’ ‘Montaqueeeees, Montaqueees!’ lalt de man opnieuw, alsof het om een voetbalclub gaat. Hij hikt. ‘He-heb je ’t al gehoord, jongen?’ Hij barst in een genadeloos lachen uit, en Romeo probeert wanhopig onder de bierlucht door te duiken. <br />
  9. 9. ‘Die dochter van die Capulets,’ Plots is Romeo een en al oor. ‘Julia?’ De man lacht. ‘J-ja die! Ze is dood!’ Hij barst nogmaals in lachen uit. Romeo verslapt in zijn greep en maakt zich nijdig los. ‘Dood?’ ‘Dood!’ Romeo kijkt hysterisch om zich heen. Dood? Dood, zijn geliefde, zijn lieve, mooie Julia, het kan niet, het mag niet, het kan niet waar zijn. Hij duwt de man aan de kant en stormt naar de eerstvolgende voorbijganger die hij ziet. Ze wijkt een beetje uit als ze zijn furieuze blik ziet. <br />
  10. 10. ‘Ben jij niet Romeo, die moordenaar?’ ‘Dat doet er niet toe!’ brult hij terug. Hij ademt diep in en sist in haar gezicht: ‘Klopt het dat Julia, de dochter van de Capulets-’ hij slikt. ‘Dood is?’ De vrouw knikt, met een beetje een angstige uitdrukking. ‘Ja, het is een beetje een verdrietig geval.’ Hoofdschuddend loopt Romeo weg. Hij was geen moordenaar, en hij wilde niet dat mensen hem zo zagen. Met een machteloos gevoel ploft hij op de rand van de fontein neer. <br />
  11. 11. Hoewel. Hij was wel een moordenaar. Hij had de neef van zijn geliefde vermoord, en nu- nu was ook zijn lieve Julia dood. Machteloos grijpt hij met zijn handen naar zijn hoofd. Hij kan niet leven zonder zijn Julia. Ze was de zuurstof in zijn longen, het licht die de zon verspreidde, de reden om zijn bloed te laten stromen en zijn hart te laten kloppen… Nee, zonder haar zou hij niet verder leven. <br />
  12. 12. Ze waren nu beiden eenzaam, en hij wilde haar volgen waar ze ook heenging, ook al was dat de dood. Onwillekeurig gaat zijn blik naar de apotheker. Hij zou hem wel een vergif kunnen verkopen, dan zou hij het opdrinken bij haar graf, en zouden ze tenminste samen zijn. Ja, dat zou hij doen. Met een vastberaden blik beent hij naar binnen in de lugubere apothekersvestiging. Er gingen wel vaker geruchten dat de man die daar werkte zich niet helemaal aan de gewoonten hield. <br />
  13. 13. De man achter de toonbank draait zich meteen om als hij de deur stevig achter zich dichtslaat. ‘Apotheker, geef me je beste vergif. Ik wil een vergif dat me van binnenuit doet branden en me binnen een paar tellen dood neer laat vallen.’ De apotheker trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Zulk dodelijk gif heb ik wel, maar weet je wel wat voor vreselijke straf op de verkoop daarvan staat? Ik ben niet gek.’ <br />
  14. 14. ‘Maar wel ongelofelijk arm, als ik de geruchten mag geloven. Ik ben bereid je grof te betalen, en dan weiger je nog?’ De apotheker neemt hem even in zich op en zucht dan. Hij kijkt om zich heen en pakt een donker flesje van de plank af. ‘Giet dit in welke vloeistof dan ook, en hoe sterk je ook bent, je valt bijna onmiddellijk dood neer. Maar, alleen mijn armoede geeft toe, niet mijn geweten, dat blijft zuiver.’ Romeo rolt met zijn ogen. ‘Ik betaal toch alleen je armoede, niet je geweten.’ Hij legt het geld op de toonbank en pakt het flesje aan. ‘En nu op naar Julia’s graf.’<br />~<br />
  15. 15. ‘Ah, Pieter, daar ben je, wat zei Romeo, stuurt hij een bericht terug? Laat het me lezen.’ Laurens maakt de deur open voor een ietwat zenuwachtig ventje. Hij laat een behoorlijk ongeschonden brief zien. Laurens pakt hem aan en zodra hij de afzender ziet, weet hij genoeg. ‘Je weet dat dit mijn originele brief voor Romeo is? Hij heeft de brief niet gehad?’ vraagt hij dreigend. <br />
  16. 16. Pieter schud ongemakkelijk met zijn hoofd en kleurt dieprood. ‘I-ik dacht, dat ik nog wel even tijd had om bij Brian langs te gaan en,’ zo mogelijk word hij nog roder. ‘Het liep een beetje uit, en toen ik terug kwam was het te laat, de post was al opgehaald.’ Broeder Laurens smijt de brief met een woest gebaar op tafel. ‘Idioot! Weet je wel hoe ongelofelijk die brief was!’ Hij kreunt ‘Oh, ik moet zo snel mogelijk bij Julia zien te komen.’<br />

×