• Like
  • Save

Loading…

Flash Player 9 (or above) is needed to view presentations.
We have detected that you do not have it on your computer. To install it, go here.

Landsverordening pensioenregeling politieke gezagdragers

  • 1,210 views
Uploaded on

Landsverordening pensioenregeling politieke gezagdragers

Landsverordening pensioenregeling politieke gezagdragers

  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
1,210
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0

Actions

Shares
Downloads
0
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. Landsverordening tot regeling van de uitkering en het pensioen voor politieke gezagdragers en van het pensioen voor hun nabestaanden (Pensioenregeling politieke gezagdragers) HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. politieke gezagdrager: de minister, de gevolmachtigde minister of het lid van de Staten; b. gewezen politieke gezagdrager: degene die uit hoofde van ontslag uitzicht heeft op pensioen op grond van deze landsverordening; c. gepensioneerde politieke gezagdrager: degene die recht heeft op pensioen op grond van deze landsverordening; d. ontslag: de op enigerlei wijze formele beëindiging van de benoeming tot politieke gezagdrager; e. overheidsdienaren: de ambtenaren in dienst van het Land Sint Maarten; f. nabestaande: degene met wie de politieke gezagdrager, de gewezen politieke gezagdrager of de gepensioneerde politieke gezagdrager op de dag van overlijden gehuwd was. g. bevoegde gezag: de Gouverneur wat betreft zowel gewezen als gepensioneerde ministers, gevolmachtigde ministers en Statenleden. HOOFDSTUK 2 DE UITKERING Artikel 2 1. De politieke gezagdrager aan wie ontslag is verleend en die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 60 jaar nog niet heeft bereikt, heeft met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering ingevolge de volgende artikelen. 2. Geen recht op uitkering bestaat indien de politieke gezagdrager: a. zonder onderbreking opnieuw als politieke gezagdrager optreedt; b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit blijkt dat deze zich naar het oordeel van de Gouverneur uit nationaal oogpunt onwaardig heeft gedragen. Artikel 3 1. Het recht wordt toegekend voor de duur gelijk aan de tijd waarin betrokkene politieke gezagdrager is geweest, maar ten minste voor de duur van één jaar en ten hoogste voor de duur van twee jaren. 2. Indien betrokkene de functie van politieke gezagdrager met één of meer onderbrekingen heeft vervuld, wordt voor de berekening van de duur van de uitkering in aanmerking genomen de tijd waarin de betrokkene in een tijdvak direct voorafgaande aan het laatste ontslag een functie van politieke gezagdrager heeft vervuld, indien die functies voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak zijn onderbroken. 3. In het geval van beëindiging van de uitkering op grond van artikel 8, sub c, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop de eerstbedoelde uitkering zou zijn geëindigd, indien daarvan het recht niet tussentijds was geëindigd. 1
  • 2. Artikel 4 1. De uitkering bedraagt gedurende de eerste drie maanden 95 procent, de daarop volgende zeven maanden 85 procent, de daarop volgende tien maanden 75 procent en vervolgens 70 procent van de bezoldiging als politieke gezagdrager. 2. Onder bezoldiging bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de vaste inkomensbestanddelen waarop de politieke gezagdrager op de dag voorafgaande aan het ontslag aanspraak had. 3. In afwijking van het tweede lid, worden onkostenvergoedingen, onder welke benaming dan ook, niet gerekend tot de bezoldiging. 4. Indien in de bezoldiging van de overheidsdienaren een algemene wijziging in verband met welvaartsvastheid of waardevastheid wordt aangebracht, wordt de uitkering bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig deze wijziging aangepast met ingang van de datum waarop die algemene wijziging ingaat. 5. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen omtrent de vaststelling van de bezoldiging bedoeld in het tweede lid, en de overeenkomstige wijziging bedoeld in het vierde lid, nadere regels worden gesteld. Artikel 5 1. Indien de gewezen politieke gezagdrager op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt, door ziekten of gebreken ongeschikt is om zijn vroegere functie van politieke gezagdrager te vervullen, wordt de uitkering voor de duur van de ongeschiktheid voortgezet met inachtneming van artikel 6. 2. De voortgezette uitkering bedraagt 70 procent van de bezoldiging bedoeld in artikel 4, eerste lid. 3. Ter beantwoording van de vraag of sprake is van ongeschiktheid bedoeld in het eerste lid, doet het bevoegde gezag een onderzoek instellen door een door hem aangewezen commissie van geneeskundigen. Artikel 6 1. De voortzetting van de uitkering geschiedt op aanvraag van betrokkene en voor termijnen niet langer dan twee jaar, onverminderd het in deze landsverordening bepaalde over de beëindiging van de uitkering. 2. Een aanvraag bedoeld in het eerste lid, wordt door betrokkene uiterlijk drie maanden voor het einde van de uitkering, respectievelijk het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan. 3. Ter beantwoording van de vraag of sprake is van ongeschiktheid na afloop van een in het eerste lid bedoelde termijn, kan het bevoegde gezag een onderzoek doen instellen als bedoeld in artikel 5, derde lid. Artikel 7 1. De inkomsten die de gewezen politieke gezagdrager geniet, worden met de uitkering verrekend over de maand waarop die inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. 2. Onder inkomsten bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het gezamenlijk bedrag dat de betrokkene wegens het verrichten van activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na de dag van het ontslag als politieke gezagdrager, geniet als: 2
  • 3. a. winst uit onderneming; b. inkomsten uit of in verband met arbeid. 3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden mede als inkomsten aangemerkt: a. de inkomsten wegens in het tweede lid bedoelde activiteiten ter hand genomen binnen één jaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag; b. de inkomsten die worden genoten uit een betrekking waarin de politieke gezagdrager in verband met de vervulling van dat ambt op non- activiteit was gesteld. 4. Indien de betrokkene op of na de dag van het ontslag inkomsten of hogere inkomsten, anders dan ten gevolge van een algemene loonsverhoging, verkrijgt uit in het tweede lid bedoelde activiteiten, ter hand genomen voor de dag van het ontslag, anders dan bedoeld in het derde lid, is op die inkomsten of hogere inkomsten het eerste lid van toepassing. 5. De verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de bezoldiging waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Artikel 8 Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de gewezen politieke gezagdrager: a. is overleden; b. de 60-jarige leeftijd bereikt; c. opnieuw politieke gezagdrager wordt; d. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit blijkt dat deze zich naar het oordeel van de Gouverneur uit nationaal oogpunt onwaardig heeft gedragen. Artikel 9 1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen politieke gezagdrager die recht heeft op een uitkering, wordt aan diens nabestaande, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de uitkering van de politieke gezagdrager over een tijdvak van drie maanden. 2. Laat de overledene geen betrekking na als bedoeld in het eerste lid, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag ten behoeve van kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, of van kinderen die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. 3. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, indien de overledene kostwinner was van de ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen. 4. Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en de lijkbezorging, indien de nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is. 3
  • 4. Artikel 10 De uitkering wordt, over een maand berekend, in maandelijkse termijnen betaald. HOOFDSTUK 3 HET OUDERDOMSPENSIOEN Artikel 11 1. Een politieke gezagdrager heeft na ontslag recht op pensioen, indien hij op de dag van ingang van het ontslag de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, tenzij hij op dat tijdstip opnieuw als politieke gezagdrager optreedt. 2. Een gewezen politieke gezagdrager verkrijgt recht op pensioen bij het bereiken van die leeftijd, tenzij hij op dat tijdstip opnieuw politieke gezagdrager is of wordt. Artikel 12 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. diensttijd: 1. de tijd gedurende welke de politieke gezagdrager een functie als genoemd in artikel 1 sub a, heeft vervuld; 2. de tijd waarin recht bestond op een uitkering ingevolge hoofdstuk 2; b. berekeningsgrondslag: de bezoldiging, bedoeld in artikel 4, gerekend over een jaar, die de betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag in die functie ontving. c. franchise: 10/7 van de tot een jaarbedrag herleide uitkering van het wettelijk ouderdomspensioen, zoals deze geldt op de dag waarop het recht op pensioen ingaat. De franchise wordt naar boven afgerond op hele guldens; d. pensioengrondslag: de berekeningsgrondslag op de dag waarop het recht op pensioen ingaat, zonodig aangepast overeenkomstig de bepalingen in artikel 14, verminderd met de franchise. 2. De tijd bedoeld in het eerste lid, sub a, onderdeel 2, geldt voor de helft van die tijd als diensttijd. Voor zover en voor zolang de uitkering wordt verminderd op grond van artikel 7 geldt die tijd niet als diensttijd. 3. Indien de betrokkene meerdere malen in dezelfde categorie als bedoeld in artikel 1, sub a, een functie als politieke gezagdrager heeft vervuld, geldt voor de toepassing van het eerste lid, sub b, het laatste ontslag in de functie behorend tot die categorie. Artikel 13 1. Het pensioen bedraagt jaarlijks: a. voor ieder geheel jaar diensttijd vijf procent van de pensioengrondslag en b. voor elke resterende gehele maand diensttijd 1/12 deel van drie procent, tot een maximum van 70 procent. 2. Voor de toepassing van het eerste lid, sub b, wordt een resterende diensttijd van minder dan een maand voor een gehele maand gerekend. 3. Het pensioen van de politieke gezagdrager en gewezen politieke gezagdrager die in meerdere categorieën als bedoeld in artikel 1, sub a, een functie als politieke gezagdrager heeft vervuld, bedraagt het 4
  • 5. pensioen de som van de voor ieder van die categorieën afzonderlijk berekende bedragen op basis van de bij de onderscheiden categorieën behorende diensttijd, berekeningsgrondslag en pensioengrondslag. Artikel 14 1. Indien in de bezoldigingen van de overheidsdienaren een algemene wijziging in verband met waardevastheid of welvaartsvastheid wordt aangebracht, wordt de pensioengrondslag met ingang van de dag waarop die bezoldigingswijziging ingaat overeenkomstig deze wijziging aangepast. De toegekende pensioenen worden dienovereenkomstig opnieuw vastgesteld. 2. Indien een wijziging van de bezoldigingen bedoeld in het eerste lid, een verlaging van deze bezoldigingen inhoudt ten opzichte van het van het voorafgaande peil, vindt aanpassing van de pensioengrondslag niet plaats. Indien een later volgende wijziging als hiervoor bedoeld, een verhoging inhoudt, wordt deze verhoging geheel of gedeeltelijk achterwege gelaten totdat de aanpassing die de pensioengrondslag bij toepassing van het eerste lid zou hebben ondergaan, geheel is gecompenseerd. 3. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen voor de uitvoering van het eerste en tweede lid nadere regels worden gesteld. HOOFDSTUK 4 HET NABESTAANDENPENSIOEN EN WEZENPENSIOEN Artikel 15 1. Recht op nabestaandenpensioen heeft de nabestaande van een politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager. 2. Geen recht op nabestaandenpensioen bestaat indien het huwelijk was gesloten nadat het ontslag van de echtgenoot was ingegaan, tenzij a. de echtgenoot ten tijde van het sluiten van het huwelijk recht had op uitkering ter zake van zijn ontslag als politieke gezagdrager, of b. de echtgenoten reeds voor het ontslag met elkaar gehuwd waren geweest en mits het huwelijk was gesloten voordat de politieke gezagdrager de 60-jarige leeftijd had bereikt. 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt het ontslag geacht niet te zijn ingegaan, indien zonder wezenlijke onderbreking de echtgenoot weer als politieke gezagdrager optreedt. 4. Van een wezenlijke onderbreking is geen sprake indien deze ten hoogste twee maanden heeft geduurd. Artikel 16 1. Recht op bijzonder nabestaandenpensioen heeft de vrouw of man met wie een overleden politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager gehuwd is geweest, mits hij of zij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien de politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager zou zijn overleden op de dag, waarop het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken, is ingeschreven in het daartoe krachtens de wet ingestelde register. 5
  • 6. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de desbetreffende vrouw of man als gevolg van een huwelijk met dezelfde politieke gezagdrager ter zake van diens overlijden recht op nabestaandenpensioen verkrijgt. Artikel 17 1. Recht op wezenpensioen hebben na het overlijden van een politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager: a. de kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn; b. de kinderen van een mannelijke politieke gezagdrager tot wie hij niet in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, indien hem ten behoeve van deze kinderen ten tijde van zijn overlijden een wettelijke onderhoudsplicht was opgelegd, dan wel door hem bij authentieke akte een onderhoudsplicht was erkend; c. de kinderen die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn voor wie de overledene ten tijde van diens overlijden de pleegouderlijke zorg droeg. 2. Het eerste lid is eveneens van toepassing op de kinderen die de leeftijd van 18 maar niet van 25 jaren hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, naar de onderscheidingen en voorwaarden in het eerste lid gesteld, en: a. van wie de tijd, behoudens in geval van ziekte of vakantie, geheel of grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs; of b. die naar het oordeel van het bevoegde gezag ten gevolge van ziekten of gebreken blijvend buiten staat zijn om met arbeid die voor hun krachten is berekend, eenderde te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen van gelijke leeftijd in staat zijn met zodanige arbeid te verdienen. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op deze kinderen, indien zij zijn geboren, dan wel de pleegouderlijke zorg is begonnen nadat aan de betrokkene ontslag als politieke gezagdrager is verleend. Artikel 15, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 18 1. Indien een politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager naar het oordeel van het bevoegde gezag is vermist, hebben degenen die aan het overlijden van de politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager recht op pensioen zouden ontlenen, recht op tijdelijk pensioen op dezelfde voet als in de voorgaande artikelen van dit hoofdstuk is omschreven. 2. Het tijdelijke pensioen gaat van rechtswege over in een voortdurend pensioen zodra het vermoedelijke overlijden van de vermiste is vastgesteld. Artikel 19 1. Het nabestaandenpensioen bedraagt zeventig procent van het pensioen, waarop de overleden politieke gezagdrager als zodanig recht zou hebben gehad indien hij met ingang van de dag na die van het 6
  • 7. overlijden was ontslagen of waarop de overleden gewezen of gepensioneerde politieke gezagdrager als zodanig op de dag van overlijden uitzicht respectievelijk recht had. 2. In afwijking van het vorige lid bedraagt het pensioen van de nabestaande van degene die overlijdt: a. als politieke gezagdrager vóór het bereiken van de leeftijd van 60 jaar, vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop die politieke gezagdrager aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij het ambt tot het bereiken van genoemde leeftijd zou hebben bekleed; b. als gewezen politieke gezagdrager in de periode, waarover hem een uitkering is toegekend, vijf zevende deel van het pensioen waarop die gewezen politieke gezagdrager recht zou hebben, indien hij tot het bereiken van de leeftijd van 60 jaar recht op uitkering zou hebben gehad, met dien verstande, dat voor de berekening van het pensioen de diensttijd wordt doorgeteld in de mate waarin deze op grond van het bepaalde in artikel 12, tweede lid, als diensttijd geldt op de dag van overlijden. Artikel 20 1. Het bijzonder nabestaandenpensioen van de nabestaande van een politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager wordt op dezelfde wijze berekend als het pensioen van de nabestaande van een politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager, met dien verstande dat slechts de diensttijd meetelt die is gelegen vóór de ontbinding van het huwelijk. 2. Indien er aan hetzelfde overlijden recht op meer dan een bijzonder nabestaandenpensioen als bedoeld in dit hoofdstuk, wordt ontleend, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de berekening van het bijzonder nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk waaraan een eerder huwelijk voorafgaat, slechts de diensttijd meetelt die samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de huwelijksduur. 3. Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer bijzondere nabestaandenpensioenen wordt het nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt ontleend met het bedrag daarvan verminderd. Artikel 21 Indien een nabestaande hertrouwt, wordt het pensioen van betrokkene opnieuw vastgesteld vanaf de maand volgende op die waarin de nabestaande hertrouwt. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking komende diensttijd van de politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager in aanmerking genomen, die gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden. Artikel 22 1. Het wezenpensioen bedraagt: a. voor elk kind wiens overlevende ouder aan het overlijden van de politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager recht op pensioen ontleent, veertien procent; b. voor elk ander kind, achtentwintig procent, van het pensioen van de overledene, berekend met inachtneming van artikel 19. 7
  • 8. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ouder mede begrepen de nabestaande die op het tijdstip van het overlijden van de politieke gezagdrager, gewezen politieke gezagdrager of gepensioneerde politieke gezagdrager de pleegouderlijke zorg had van het kind, bedoeld in artikel 17, eerste lid, sub c. Artikel 23 1. Het wezenpensioen wordt overeenkomstig artikel 22 herberekend, wanneer het nabestaandenpensioen of het bijzonder nabestaandenpensioen van de ouder wegens diens overlijden is geëindigd. 2. Wanneer het nabestaandenpensioen van de ouder krachtens artikel 21 wegens hertrouwen opnieuw wordt vastgesteld, wordt het wezenpensioen bedoeld in artikel 22, eerste lid, sub a, verhoogd met een bedrag, dat zich verhoudt tot het bedrag van dat wezenpensioen, zoals het verschil tussen het nabestaandenpensioen bedoeld in artikel 19, vóór en na toepassing van artikel 21 zich verhoudt tot dat nabestaandenpensioen vóór die toepassing. 3. Voor de toepassing van dit artikel is artikel 22, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Artikel 24 Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou bestaan indien de vermiste op de dag van de vermissing was overleden. Artikel 25 1. Het gezamenlijk bedrag van de pensioenen, bedoeld in dit hoofdstuk, gaat het pensioenbedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven. 2. Indien wegens toepassing van het eerste lid de daarbedoelde pensioengedeelten een vermindering moeten ondergaan, geschiedt deze in evenredigheid van de onderscheidene bedragen. Artikel 26 1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerde politieke gezagdrager wordt aan diens nabestaande, van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van het pensioen van die politieke gezagdrager over een tijdvak van twee maanden. 2. Laat de overledene geen betrekking na als bedoeld in het eerste lid, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag ten behoeve van kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, of van kinderen die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. 3. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, indien de overledene kostwinner was van de ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen. 4. Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte 8
  • 9. en de lijkbezorging, indien de nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is. HOOFDSTUK 5 TOEKENNING EN BETALING VAN PENSIOEN EN UITKERING Artikel 27 1. Het bevoegde gezag beslist over de toekenning van uitkering en pensioen op aanvraag van de politieke gezagdragers. De stukken die het bevoegde gezag nodig acht voor de behandeling van de aanvraag dienen te worden overgelegd. 2. Het bevoegde gezag is ook bevoegd de uitkering en pensioen ambtshalve toe te kennen. 3. Het bevoegde gezag beslist over de toekenning van een uitkering en pensioen bij een gedagtekende beschikking waarin de gronden van de beslissing worden vermeldt, alsmede de bepalingen van de wet waarop die beslissing steunt. 4. In een beschikking tot toekenning worden de voor de uitkering in aanmerking genomen, dan wel voor het pensioen medetellende diensttijd, alsmede het bedrag waarover deze zijn berekend, vastgesteld. Artikel 28 1. Het bevoegde gezag draagt zorg voor de betaling van de uitkeringen van de politieke 2. De betaling geschiedt in maandelijkse termijnen. 3. De invorderbare termijnen van een uitkering of een pensioen die gedurende twee achtereenvolgende jaren niet zijn geïnd, worden niet uitgekeerd, tenzij naar het oordeel van het bevoegde gezag de betrokkene redelijkerwijs niet geacht kan worden in gebreke te zijn geweest. 4. Het bevoegde gezag is bevoegd een voorschot op een uitkering of een pensioen te verlenen. 5. Bij of krachtens landsbesluit houdende algemene maatregelen kan het bevoegde gezag een instantie aanwijzen die belast wordt met de uitvoering van deze landsverordening ten aanzien van de pensioenen, bedoeld in de hoofdstukken 3 en 4 en kunnen hieromtrent nadere regels worden gesteld. Artikel 29 Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden. In geval van vermissing van de rechthebbende eindigt het pensioen met ingang van de dag, waarop zijn vermoedelijke overlijden is vastgesteld. HOOFDSTUK 6 FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 30 Op de bezoldiging van de politieke gezagdrager en op de uitkering van de gewezen politieke gezagdrager wordt, volgens bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te stellen regels een bedrag ingehouden overeenkomstig de inhouding op de bezoldiging van 9
  • 10. overheidsdienaren ter zake van aanspraken bij ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Artikel 31 De uitkeringen en pensioenen, daaronder begrepen de pensioenen bedoeld in hoofdstuk 4, die voortvloeien uit de aanspraken die ministers, gevolmachtigde ministers en leden van het parlement op grond van deze landsverordening hebben, komen ten laste van de begroting van het land. Artikel 32 1. Indien langer pensioen is betaald dan overeenstemt met de artikelen 8 en 29, wordt het teveel betaalde teruggevorderd. 2. Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan tijdelijk pensioen, bedoeld in artikel 18, is betaald, worden teruggevorderd. 3. De betaling van teruggevorderde bedragen als bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt binnen de termijnen die het bevoegde gezag vaststelt. Artikel 33 1. Zowel degene die op grond van hoofdstuk 3 recht of uitzicht op pensioen heeft als diens nabestaanden, hebben recht op tegemoetkoming in de ziektekosten op basis van de regeling welke geldt voor overheidsgepensioneerden. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt betrokkene gerekend tot de categorie waartoe de ambtenaar behoort die wordt bezoldigd volgens het maximum van schaal 17. 3. Ter zake van de overeenkomstige toepassing, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij landsbesluit houdende algemene maatregelen, onverminderd het tweede lid, nadere regels worden gesteld. HOOFDSTUK 7 INFORMATIEVERPLICHTINGEN Artikel 34 1. Een ieder die recht heeft op uitkering of pensioen, is verplicht het bevoegde gezag onmiddellijk mededeling te doen van alle hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering of pensioen dan wel op de hoogte daarvan. 2. Het bevoegde gezag is bevoegd van degene die aan de bij of op grond van deze landsverordening gegeven regels rechten ontleent of aan wie door die regels verplichtingen worden opgelegd, van het lichaam dat de bezoldiging van de politieke gezagdrager uitbetaalde, van de Inspecteur der Directe Belastingen en van de Sociale Verzekeringsbank de inlichtingen te vorderen die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van de betreffende rechten en verplichtingen. Een vordering geschiedt schriftelijk. 3. Van de in het eerste lid genoemde personen en instellingen is het bevoegde gezag tevens bevoegd de inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover de kennisneming van de inhoud daarvan redelijkerwijs nodig is voor een beoordeling van de in dat lid bedoelde rechten en verplichtingen. 10
  • 11. 4. Het bevoegde gezag is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden waar de gegevens en bescheiden zich bevinden, is de Minister bevoegd deze voor dat doel voor korte tijd mee te nemen, tegen een door het bevoegde gezag af te geven schriftelijk bewijs van ontvangst. 5. Het bevoegde gezag kan één of meer personen machtigen om de in het eerste tot en met derde lid bedoelde bevoegdheden uit te oefenen. 6. De in het vierde lid bedoelde personen dragen bij de uitoefening van hun bevoegdheid een legitimatiebewijs, alsmede de machtiging of een kopie daarvan bij zich. Zij tonen deze desgevraagd aanstonds. Artikel 35 1. Een ieder die recht heeft op uitkering of pensioen is verplicht aan het bevoegde gezag alle medewerking te verlenen die dit gezag redelijkerwijs kan vorderen ter uitoefening van zijn bevoegdheden. 2. De personen die uit hoofde van hun ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit. Artikel 36 1. Een ieder die recht heeft op uitkering of pensioen, die niet voldoet aan het bepaalde in de artikelen 34 en 35, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand, een geldboete van ten hoogste eenduizend gulden of beide straffen. 2. Een ieder die recht heeft op uitkering of pensioen, die ter uitvoering van de artikelen 34 en 35 een inlichting verstrekt waarvan de onjuistheid hem bekend is, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste een maand, een geldboete van ten hoogste eenduizend gulden of beide straffen. 3. Een ieder die recht heeft op uitkering of pensioen, die ter uitvoering van de artikelen 34 en 35 een onjuiste inlichting verstrekt met het oogmerk het bevoegde gezag, dan wel het personeel dat namens dit gezag met de uitvoering van deze landsverordening is belast, te bewegen tot een handeling die door de genoemden zonder die inlichting niet zou zijn verricht, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar, een geldboete van ten hoogste tienduizend gulden, of met beide straffen. 4. De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen, het in het derde lid strafbaar gestelde feit is een misdrijf. HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALING Artikel 37 Deze landsverordening kan worden aangehaald als: Pensioenregeling politieke gezagdragers. 11
  • 12. MEMORIE VAN TOELICHTING 1. Inleiding De artikelen 42, 43, zevende lid, en 58 van de ontwerp-Staatsregeling van Sint Maarten schrijven voor dat het pensioen van de ministers, de gevolmachtigde minister en de leden van de Staten bij landsverordening worden geregeld. Dit ontwerp strekt tot uitvoering van die bepalingen. Als kader voor dit ontwerp heeft model gestaan de Landverordening van 24 maart 2006 tot regeling van de uitkering en het pensioen voor politieke gezagdragers van de Nederlandse Antillen en de eilandgebieden Bonaire, Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba en van pensioen van hun nabestaanden. Die regeling strekte er toe de verschillende regelingen voor pensioenaanspraken van alle ambtsdragers op elkaar af te stemmen waardoor de uitvoering wordt vereenvoudigd, alsmede het voorkomen van bovenmatige pensioeninkomsten. Vanzelfsprekend is het voorliggende ontwerp beperkt tot de politieke gezagsdragers van het nieuwe Land Sint Maarten te weten: de Minister-President, de overige ministers, de Statenleden en Gevolmachtigde Minister. 2. Korte inhoud van het ontwerp Uitkering De regeling kent een uitkeringsdeel en een pensioendeel. In geval de politieke gezagdrager het politieke ambt niet meer bekleedt en hij of zij de leeftijd van 60 jaar nog niet heeft bereikt, bestaat er recht op een overbruggingsuitkering van aflopend 95% naar 85%, 75% en 70% van de bezoldiging die hij laatstelijk ontving. De uitkering is in duur gelijk aan de tijd waarin de betrokkene politieke gezagdrager was, maar ten minste één jaar en ten hoogste twee jaar. Uitkering bij invaliditeit De politieke gezagdrager die na afloop van de uitkering door ziekte of gebreken arbeidsongeschikt is, heeft recht op een verlenging van de uitkering. Deze uitkering bedraagt 70% van de laatste bezoldiging. Anti-cumulatie De uitkering moet, zoals gezegd, worden gezien als een overbrugging naar het verwerven van nieuwe inkomsten. Wanneer de politieke gezagdrager tijdens de periode van het recht op uitkering inkomsten verwerft, worden deze inkomsten met de uitkering verrekend. Aan uitkering en nieuwe inkomsten tezamen kan de betrokkene nooit meer ontvangen dan het bedrag van de laatste bezoldiging als politieke gezagdrager. Ouderdomspensioen In de praktijk zal een politieke gezagdrager nooit zijn hele arbeidzame leven als politieke gezagdrager doorbrengen; ook in andere functies zal in de regel pensioen worden opgebouwd. 12
  • 13. Het totaal van de in verschillende functies opgebouwde pensioenaanspraken moet op een algemeen geaccepteerde pensioenleeftijd leiden tot een aanvaardbaar ouderdomspensioen. Dat neemt niet weg dat het gerechtvaardigd is om, zowel vanwege het politieke risico als vanwege de aantrekkelijkheid en het aanzien van het politieke ambt, het opbouwpercentage per dienstjaar iets hoger te stellen dan gebruikelijk is bij pensioenregelingen met eindloonrechten. Voorgesteld wordt een opbouwpercentage van drie procent per jaar te hanteren. Over de periode waarover recht op uitkering bestaat, wordt ook pensioen opgebouwd. Deze tijd telt voor de helft mee als diensttijd voor pensioen. Dit geldt alleen als er geen verrekening wegens inkomsten plaatsvindt, omdat in dat geval wordt aangenomen dat men op basis van die inkomsten een pensioen opbouwt. De leeftijd tot welke als politieke gezagdrager pensioen kan worden opge- bouwd bedraagt 60 jaar. Vanaf die leeftijd wordt de politieke gezagdrager pensioengerechtigd. Deze leeftijd komt overeen met de gebruikelijke leeftijd waarop pensioenrechten ontstaan. De pensioenrechten zijn verbonden aan de verschillende categorieën waarin men politieke gezagdrager kan zijn (minister, Statenlid en gevolmachtigde minister). Per categorie wordt een pensioen opgebouwd over de tijd waarin men één of meerdere malen een functie in die categorie heeft bekleed. In de periode waarin het ouderdomspensioen wordt uitgekeerd, vindt geen anti-cumulatie van inkomsten uit arbeid of van ander pensioen plaats. Het pensioen wordt geacht te zijn inverdiend en opgebouwd over een bepaalde periode van het arbeidzame leven. Eventueel tezamen met opbouw van andere pensioenen over andere werkzame periodes levert dit een pensioen op dat een afspiegeling is van de totaal gewerkte periode. De uitzichten op pensioen en de ingegane pensioenen worden aangepast overeenkomstig de wijziging in de bezoldiging van de overheidsdienaren met het oog op de welvaartsvastheid en waardevastheid van die bezoldiging. Bij de berekening van het pensioen wordt met behulp van een franchise rekening gehouden met het recht op wettelijk ouderdomspensioen. Nabestaandenpensioen en wezenpensioen Het nabestaandenpensioen en wezenpensioen komen in hoge mate overeen met het nabestaanden- en wezenpensioen van overheidsdienaren. Daarmee wijken deze pensioenrechten wat betreft aanspraken, omvang en duur ook nauwelijks af van de rechten zoals die op grond van andere regelingen zouden kunnen zijn. In het kort zijn de rechten als volgt: De nabestaande van een overleden politieke gezagdrager, dat wil zeggen de man of vrouw waarmee deze gehuwd was, heeft recht op een nabestaanden- pensioen ter hoogte van 70% van het ouderdomspensioen. Is de politieke gezagdrager op het moment van overlijden nog geen 60 jaar, dan wordt het nabestaandenpensioen afgeleid van het pensioen berekend naar het moment waarop de overledene 60 jaar zou zijn geworden. Overlijden tijdens het recht op uitkering geeft recht op doortelling van diensttijd tot de 60-jarige 13
  • 14. leeftijd naar de mate waarin de diensttijd op het moment van overlijden meetelde. Voor de nabestaande waarmee de politieke gezagdrager gehuwd is geweest, is er recht op bijzonder nabestaandenpensioen voor zover het huwelijk samenviel met de periode waarin de politieke gezagdrager in functie was, recht had op een uitkering of gepensioneerd was. De kinderen onder 18 jaar en in sommige gevallen onder 25 jaar die de overledene nalaat hebben recht op wezenpensioen. Het gaat hier om de kinderen met een familierechtelijke betrekking en om de kinderen voor wie de overledene een onderhoudsplicht of pleegouderlijke zorg had. Het wezenpensioen voor het kind van de overlevende ouder bedraagt 14% van het ouderdomspensioen en voor de "volle" wees 28%. Het totale nabestaanden- en wezenpensioen bedraagt maximaal het bedrag van het ouderdomspensioen. Overlijdensuitkering De nabestaande van een overleden politieke gezagdrager met recht op een uitkering en van een gepensioneerde politieke gezagdrager heeft recht op een eenmalige uitkering van twee maal de maandelijkse uitkering, respectievelijk van het maandelijkse pensioen. 3. Uitvoering van de regeling De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze regeling, dat is de berekening, de toekenning en de betaling van de uitkeringen en pensioenen, ligt bij de Gouverneur, op voordracht van de minister van Financiën. 4. De financiering van de uitkeringen en de pensioenen De uit te keren bedragen, uitkeringen en pensioenen, komen rechtstreeks ten laste van de landsbegroting. In de memorie van toelichting bij de Nederlands- Antilliaanse Landsverordening is gesteld dat naar verwachting voor Sint Maarten op jaarbasis een pensioenbedrag van NAF 120.000 moet worden uitbetaald. Tegenover de belasting van de begrotingen met de uitkeringen en de pensioenen staan inkomsten in de vorm van een inhouding op de bezoldiging van de politieke gezagdragers. Deze inhouding komt overeen met de inhouding op de salarissen van het overheidspersoneel wegens gelijksoortige voorzieningen als in dit ontwerp geregeld (te weten ziekte, ouderdom en overlijden). De precieze vormgeving van deze inhouding zal bij nader te stellen regels plaatsvinden. De door de politieke gezagdrager te betalen inhouding heeft geen recht- streekse relatie met de hoogte of de financiering van de uitkering of het pensioen. De betaling van de inhouding kan dan ook nooit aangevoerd worden als grond voor het recht op uitkering of pensioen. De inhouding vloeit terug in de kas van het land. 5. Bezwaar en beroep 14
  • 15. De landsverordening bevat geen eigen bezwaar- en beroepsprocedure. Bezwaar en beroep vinden plaats volgens de regels van de landsverordening administratieve rechtspraak. 6. Artikelsgewijze toelichting Artikel 2 De politieke gezagdrager die na verkiezingen opnieuw als politieke gezag- drager optreedt, heeft geen recht op uitkering. Er is voor gekozen om de totale tijd van een aaneengesloten periode als politieke gezagdrager te laten meetellen voor de duur van de uitkering. Dit betekent ook dat bij gelijktijdige vervulling van meerdere functies als politieke gezagdrager er geen recht is wanneer één van de functies eindigt en de andere voortduurt. De regeling inhoudende het vervallen van pensioenaanspraken, ziet toe op uitzonderlijke strafrechtelijke situaties met uitzonderlijke politieke consequenties (idem artikel 8, sub d). De regeling is analoog aan die voor politieke gezagdragers in Nederland. Artikel 3 Het komt regelmatig voor dat een persoon meerdere keren, al dan niet met onderbrekingen, een functie als politieke gezagdrager bekleedt. Dat kunnen zowel verschillende als gelijksoortige functies zijn. Ingevolge artikel 8, sub c, eindigt het recht op uitkering bij het opnieuw aanvaarden van een functie als politieke gezagdrager. In elke functie wordt dan opnieuw een recht op een uitkering opgebouwd op grond van deze wet. Gezien de onzekerheid over de continuïteit van het politieke ambt zou de aanvaarding ervan kunnen betekenen dat de betrokkene voor wat betreft de duur van de toekomstige uitkering in een nadeliger positie terecht zou kunnen komen. Daarom is bepaald dat bij de aanvaarding van een politiek ambt in de bedoelde situaties de toegekende uitkeringsrechten als volgt bewaard blijven. Voor de duur van de uitkering wordt rekening gehouden met vroegere ambtsperiodes als de onderbreking of onderbrekingen tezamen niet meer dan 1/6 deel van het in aanmerking te nemen tijdvak beslaan. Een onderbreking van b.v. een half jaar heeft geen gevolgen als het totale tijdvak dat in aanmerking genomen wordt meer dan zes jaar lang is. Bij een korter tijdvak of een langere onderbreking wordt alleen rekening gehouden met de duur van de laatste functie. Artikel 4 Voor de grondslag en de hoogte van de uitkering heeft de wachtgeldregeling voor overheidsdienaren van de Nederlandse Antillen als voorbeeld gediend. Alleen de inkomensbestanddelen die gezien kunnen worden als een tegenprestatie voor de uitoefening van het politieke ambt, dienen als grondslag voor de uitkering en het pensioen. Onkostenvergoedingen worden niet meegerekend, omdat er van uitgegaan wordt dat het maken van die onkosten aan de uitoefening van het ambt zijn verbonden. Het inkomen van politieke gezagdragers kan in verschillende vormen en met verschillende benamingen voor komen. Om in twijfelgevallen vast te stellen 15
  • 16. wat onder bezoldiging moet worden verstaan, kunnen daarover bij of krachtens landsbesluit h.a.m. nadere regels gegeven worden. Bij een recht op uitkering dat volgt op de uitoefening van opeenvolgende functies (artikel 3) is de grondslag voor de uitkering steeds de laatste bezoldiging van de politieke gezagdrager. Afhankelijk van de soort functie en de daaraan verbonden bezoldiging kan de laatst toegekende uitkering hoger of lager uitvallen dan de voorafgaande uitkering, uiteraard behoudens het eventueel doorlopen van voorafgaande rechten. Het kan voorkomen dat de wijziging van de bezoldiging van overheidsdienaren een gedifferentieerd karakter draagt of dat er toeslagen in vaste bedragen worden uitgekeerd. In die gevallen en in de gevallen waarin de bezoldigingswijziging niet zonder meer in een gemiddeld percentage is uit te drukken, kunnen bij landsbesluit nadere regels gesteld worden, die een evenwichtige weergave zijn van die bezoldigingswijziging. Artikel 5 en 6 De onderhavige bepaling biedt de gewezen politieke gezagdrager na ommekomst van de uitkeringsperiode een stuk inkomensgarantie in geval van arbeidsongeschiktheid. Wel dient er een gedegen geneeskundig onder- zoek plaats te vinden. De uitkering kan worden verlengd met een uitkering wegens ongeschiktheid door ziekten of gebreken. De betrokken gewezen politieke gezagdrager dient dit zelf aan te vragen. Voor het recht op een voortzetting van de uitkering stelt een commissie van geneeskundigen de ongeschiktheid vast. Elke twee jaar tegen het einde van de termijn wordt op verzoek van betrokkene nagegaan of de ongeschiktheid nog voortduurt. Indien betrokkene nalaat een dergelijk verzoek in te dienen, eindigt de uitkering na afloop van de termijn van twee jaar. Artikel 7 Gedurende het recht op uitkering worden alle inkomsten met de uitkering verrekend. De term "uit of in verband met arbeid" betekent dat zowel inkomsten uit actieve arbeid als inkomsten die voortkomen uit vroegere arbeid (uitkeringen) in aanmerking genomen worden. Inkomsten die de betrokkene reeds had vóór het ontslag als ambtsdrager en die op dat tijdstip nog steeds aanwezig zijn, zijn in beginsel vrij van verrekening met de uitkering. Deze inkomsten werden immers ook genoten tezamen met de bezoldiging als politieke gezagdrager. Op deze vrijstelling van verrekening wordt een uitzondering gemaakt voor de inkomsten die vanaf één jaar voorafgaand aan het ontslag zijn aangevangen. Er wordt van uitgegaan dat dit inkomsten zijn, die zijn gestart met het oog op het aflopen van het politieke ambt. Voorts vallen ook niet onder de vrijstelling van verrekening de inkomsten of hogere inkomsten die na ontslag ontstaan uit activiteiten, die reeds voor het ontslag zijn aangevangen. Artikel 9 16
  • 17. Deze bepaling komt overeen met de huidige in verschillende rechtspositie- en pensioenregelingen voorkomende bepalingen inzake de overlijdensuitkering. Artikel 12 Eerste lid sub a De tijd doorgebracht in alle functies als politieke gezagdrager telt mee als dienstijd voor de berekening van het pensioen. De tijd doorgebracht met recht op uitkering telt eveneens mee voor pensioen, zij het voor de helft (tweede lid). Als de uitkering echter wordt verminderd wegens inkomsten uit arbeid, wordt er van uitgegaan dat in die activiteit ook pensioenrechten worden opgebouwd. Ter voorkoming van een dubbele pensioenopbouw telt de tijd met recht op uitkering in dat geval niet mee voor pensioen. Eerste lid sub b De berekeningsgrondslag waarnaar het pensioen wordt berekend wordt vastgesteld voor elk van de (verschillende) functies die de betrokkene als politieke gezagdrager heeft bekleed. De bezoldigingen kunnen per functie van elkaar verschillen, derhalve ook de berekeningsgrondslagen. De berekening van een pensioen in een dergelijke situatie is bij artikel 13 toegelicht. Eerste lid sub c De franchise wordt vastgesteld op de dag waarop het recht op pensioen ingaat. Dat kan zijn op 60-jarige leeftijd, maar ook later als de betrokkene op dat moment een functie als politieke gezagdrager bekleedt. Eerste lid sub d De pensioengrondslag wordt gevormd door de berekeningsgrondslag te verminderen met de franchise. Indien het laatste ontslag uit een functie als politieke gezagdrager niet direct voorafgaat aan het tijdstip waarop recht op pensioen ontstaat – in de meeste gevallen op de 60-jarige leeftijd – moet die "oude" berekeningsgrondslag op het niveau gebracht worden van de bezoldigingen zoals die op de pensioneringsdatum gelden (indexering). De berekeningsgrondslag wordt dan ingevolge het bepaalde in artikel 14 aan- gepast aan de algemene bezoldigingswijzigingen die zich sinds de laatste vaststelling van de bezoldiging die bij die berekeningsgrondslag hoort, hebben voorgedaan. Tweede lid Zie de toelichting op het eerste lid, sub a. Derde lid Wanneer betrokkene in een zelfde categorie meerdere keren politieke gezag- drager is geweest, wordt één pensioengrondslag vastgesteld, afgeleid van de berekeningsgrondslag behorend bij de bezoldiging voorafgaand aan het laatste ontslag in die functie. Artikel 13 De pensioenberekening vindt plaats door het aantal dienstjaren te vermenigvuldigen met vijf procent van de pensioengrondslag. Het maximumpensioen is vastgesteld op 70%. 17
  • 18. Het pensioen van degene die verschillende functies als politieke gezagdrager heeft vervuld, bestaat uit een samentelling van de voor ieder van die functies berekende pensioenen. De reden daarvoor is dat de hoogte van de bezoldiging of vergoeding van die functies onderling verschilt. De berekening van een pensioen uitsluitend gebaseerd op de laatst vervulde functie zou, afhankelijk van de hoogte van die functie relatief hoog of relatief laag kunnen uitvallen. Daarom wordt voorgesteld om de pensioenberekening te baseren op de bij die functies behorende pensioengrondslagen, ieder naar rato van de bij die functie behorende diensttijd. Dit geeft een juiste afspiegeling van het totaal van de als politieke gezagdrager doorgebrachte tijd en het gemiddeld ontvangen inkomen. Artikel 14 De aanpassing van de ingegane pensioenen wordt berekend aan de hand van een algemene bezoldigingswijziging van de overheidsdienaren in verband met de welvaartsvastheid en waardevastheid van deze bezoldigingen. Het kan voorkomen dat de wijziging een gedifferentieerd karakter draagt of dat er toeslagen in vaste bedragen worden uitgekeerd. In die gevallen en in de gevallen waarin de bezoldigingswijziging niet zonder meer in een gemiddeld percentage is uit te drukken, kunnen bij landsbesluit nadere regels gesteld worden die een evenwichtige weergave zijn van die bezoldigingswijziging. Artikel 14, tweede lid, houdt in dat bezoldigingsverlagingen niet doorwerken in de pensioenen, maar dat verlagingen “op de lat worden geschreven’ en worden verrekend met later weer optredende stijgingen als gevolg van bezoldigingsverhogingen. Artikel 15 tot en met 26 Deze artikelen zijn in hoge mate gelijk aan de bepalingen omtrent de nabestaandenpensioenen in de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren welke voor de ambtenaren van de Nederlandse Antillen hebben gegolden. Artikel 25 sluit aan bij artikel 50 van de hierboven bedoelde landsverordening. Het schrijft een evenredige vermindering voor van de pensioenbedragen, wanneer het totaal aan nabestaandenpensioen, bijzonder nabestaandenpensioen en wezenpensioen het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid, dus het fictieve, eigen pensioen van de overleden politieke gezagdrager, zou overschrijden. Hiervan is al sprake indien er naast een weduwe/weduwnaar meer dan twee wezen zijn. Artikel 31 Deze verordening regelt centraal de pensioenen van de politieke gezag- dragers. Artikel 34 en 35 De bevoegdheid zorg te dragen voor de betaling van uitkering en pensioen brengt mee dat het bevoegde gezag eveneens controleert of de betrokken uitkerings- en pensioengerechtigden steeds voldoen aan de voorwaarden voor de periodieke betalingen. Vooral in de periode waarin recht op uitkering bestaat is de controle intensief. Dan dient de uitvoerder er namelijk op toe te zien of de uitkeringsgerechtigde inkomsten ontvangt naast de uitkering. 18