Your SlideShare is downloading. ×
De kap
De kap
De kap
De kap
De kap
De kap
De kap
De kap
De kap
De kap
De kap
De kap
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×
Saving this for later? Get the SlideShare app to save on your phone or tablet. Read anywhere, anytime – even offline.
Text the download link to your phone
Standard text messaging rates apply

De kap

1,248

Published on

Published in: Education
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
1,248
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
45
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide

Transcript

  • 1. DE KAP hoofdstuk 5 blz. 75 t/m 79De belangrijkste balken van de kap zijn de voeghouten. Ze zijn enigszins gebogen.(bij voorkeur gezaagd uit kromgegroeide eiken om ruimte te maken voor bovenwielen vang) Op de voeghouten liggen de belangrijke balken van de kap.windpeluw: zwaarste balk van de kap, ligt met zwaluwstaartverbindingen op dekoppen van de voeghouten.Verder ondersteund door steunder (of tempelbalk, of burgemeester). DE KAP 1
  • 2. voorkeuvelens: hellend en staat op de windpeluw.keerstijl: vangt zijdelingse druk van de as op (vnl. bij t vangen)weerstijl: is uitneembaar om de as er eventueel uit te kunnen halen.Voorkeuvelens is aan de voorkant bedekt met steenbord, stormluiken; enzwaardstukken. Erboven stormschild (gepotdekseld)steenbed: wiggen; planken (zacht enkwastvrij, halssteen kan zichdaardoor beter zetten)Halssteen ligt schuin.steenbord vangt de krachten opwanneer de as naar voren wil.Het steenbord is aan de voorkant vande kap goed te herkennen aan destevige bouten en moeren. (niet elkemolen heeft een steenbord. Somsalleen een “stuk blik”.)steunder ofstormbalk/burgemeester:zorgt voor ondersteuning van dewindpeluw, die de grote drukvan het wiekenkruis moetopvangen. DE KAP 2
  • 3. steunderbalk voor bevestiging steunder en brengt verband aan tussen devoeghouten.steunder/burgemeester/storm balk/tempelbalk)Lange spruit ligt op de voeghouten.Vaak ligt de lange spruit op de plaats van de steunderbalk (voor het bovenwiel) enneemt dus de taak van de steunderbalk over!!Ook loopt de lange spruit wel door het hart van de kap en dient dan als midden- ofijzerbalk. (lagering koningsspil) hanger (tegen doorbuigen lange schoor) galghout IJzer - of busbalk: verstelbaar. Bovenlager koningsspil zit in de ijzerbalk. (hart van de kap) Soms neemt de lange spruit deze taak over. Lange spruit en ijzerbalk komen ook wel samen voor. (ijzerbalk is beter verstelbaar) DE KAP 3
  • 4. Met duw en trekwiggen wordt de ijzerbalk versteld.Poortstokken: één of twee poortstokken vangen de druk op ( vooral de linker) dietijdens het draaien ontstaat op het lager (tap) van de koningsspil. De poortstokkendrukken tegen de busplaat (of slotplaat) en lopen schuin naar de penbalk.penbalk: ook verstelbaar; in het midden ligt de pensteen DE KAP 4
  • 5. penlager: ligt in dezelfde hoek als de bovenas.Penbalk vangt asdruk van het gevlucht op. Het penlager vangt plm.10% van hetgewicht van as/bovenwiel en gevlucht op!Soms is er tussen de pensteen en de korte spruit een extra ondersteuning aangebracht nl. broekstuk of broekbalk. korte spruit of achterbalk (voor binnenkruiers) maakt deel uit van de staart, net als de lange spruit.achterkeuvelens staat op de kortespruit.staartbalk kruirad,kruilier,haspel,lange schoren; korte schoren.Schoren zijn tegen het inwaterenafgedekt met een zgn. pet (vaakrood) DE KAP 5
  • 6. Overring: voeghouten en steunder(s) rustenop de overring. Taak overring is om het gewicht van de kap te verdelen en over tebrengen op het kruiwerk. roosterhouten of zonnestralen: zitten met pennen in de voeghouten en dragen de spantring. Spantring ligt op de buitenzijde van de roosterhouten en draagt de kapspanten en rietlatten. DE KAP 6
  • 7. stormschild: wolfsdak, nokbalk (vorst) gording geven vorm aan de kap en voorkomen inwateren. Vorstplank: ligt boven op de kap. Rinkellatten liggen over de rietlatten (of rietsporen) horizontaal dus. Duivenjager: De koppen van de balken die buiten de kap steken zijn versierd met de zgn. duivejagers. De pet beschermt de schoren tegen inwaterenBaard: voor de sier en tegen het inwateren. Hanetree DE KAP 7
  • 8. Leklatjes: zorgen ervoor dat het regenwater niet op de kwetsbare verbindingenkomen. Kees Vanger december 2008 :Vragen Overijssel. (bewerkt door Ron Keizer)Het gaande werkBasiscursus hoofdstuk 6 1. Noem enkele typen molenassen. 2. Noem de onderdelen van de as, behorend bij elk type. 3. Waarvoor dient de walpen? 4. Hoe wordt een insteekkop en een pen aan een houten as bevestigt? 5. Wat zijn schenen en waarvoor dienen ze? 6. Bij welk soort as worden schenen aangebracht? 7. Wat is de functie van een kraag bij de houten bovenas? 8. Waarom is er een waterhol in de as gemaakt? 9. Wat is de hals?10. Wat is de pen?11. Waarop rust de as?12. Noem de voor- en nadelen van resp. houten en ijzeren bovenassen.13. Noem een gieterij waar nog molenassen gegoten worden.14. Waarop rust de halssteen?15. Noem enige soorten halslagers.16. Wat kan de reden zijn dat de halssteen springt?17. Hoe diep is de holte in een nieuwe halssteen ongeveer?18. Hoe warm mag het halslager worden?19. Noem mogelijke oorzaken van warmlopen van het halslager.20. Welke maatregelen treft men in zon geval?21. Beschrijf de constructies die het naar binnen lopen van water langs de bovenas moeten voorkomen.22. Is de straal van de holte van de hals gelijk aan de straal van de halssteen?23. Waarop rust de pensteen? DE KAP 8
  • 9. 24. Noem enkele constructies voor het opvangen van de achterwaarts gerichte druk van de bovenas.25. Noem een variatie van het peneind van de molenas.26. Noem enige oorzaken van het warm worden van het hals- en het penlager.27. Wat is de springbeugel?28. Waar zit de springbeugel? (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)29. Waarvoor dient de springbeugel? (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)30. Hoeveel weegt een as met gevlucht enz. ongeveer?31. Hoe is de gewichtsverhouding van de bovenas op de lagers32. Hoe noemt men het wiekenkruis?33. Hoeveel roeden heeft een Nederlandse molen?34. Van welk materiaal kan een roe gemaakt zijn?35. Van welke houtsoort kunnen houten roeden gemaakt zijn?36. Hoe werden vroeger roeden gemaakt?37. Noem de onderdelen van een tweedelige houten roede.38. Beschrijf een borstroede?39. Wat kan er t. a. v. de roewiggen gebeuren in een droge zomer?40. Hoe ziet een Franse roede er uit?41. Hoe ziet een Potroede er uit?42. Noem een firma waar gelaste stalen roeden werden gemaakt.43. Sinds wanneer worden roeden gelast?44. Worden tegenwoordig nog gelaste ijzeren roeden gemaakt en zo ja, door wie?45. Wat is porring?46. Wat is de binnen- en wat de buitenroede?47. Hoe worden de roeden in de askop bevestigd?48. Wat verstaat men onder een spitijzer?49. Wat is winsing?50. Noem enkele wiekstanden en verklaar ze.51. Zijn de wiekstanden door het hele land hetzelfde?Antwoorden Overijssel.Het gaande werk Basiscursus hoofdstuk 6 1. A. houten as, b. houten as met insteekkop, c. gietijzeren as. (Zie hoofdstuk 6.1.1) 2. A. houten as: walpen, askop met ijzeren hoeken en stroppen, roegaten, kraag, hals met schenen, staart, pen met schenen of muts. (Zie hoofdstuk 6.1.1.a) b. houten as met insteekkop: Gietijzeren askop met walpen, roegaten, waterhol, hals en vier vleugels vastgezet met knuppelstroppen en spijlbouten op de houten staart, pen met schenen of muts. (Zie hoofdstuk 6.1.1.c) c. gietijzeren as: walpen, askop, roegaten, waterhol, hals, staart met ribben, vulstukken vastgezet met ijzeren stroppen t.b.v. het bovenwiel, pen of pen met taats. (Zie hoofdstuk 6.1.1.b) 3. De walpen is gebruikt bij het draaien van de as en is een aangrijpingspunt bij het hijsen van de as. (Stokhuyzen blz 77) DE KAP 9
  • 10. 4. De oude houten askop wordt met de hals van de as afgezaagd. De as wordt voorzien van kruisvormige inkepingen voor de vleugels van de insteekkop. T.b.v. de spijlbouten worden gaten geboord in de as. Verder wordt het geheel vastgezet met ijzeren knuppelstroppen. De muts zit strak op de, evt. tot een zeskant gevormde, pen geslagen. (Zie hoofdstuk 6.1.1.a) 5. Schenen zijn ijzeren strippen ter bescherming van de houten as tegen slijtage. In de hals zijn ze langwerpig en in de pen vaak met een hoek. (Zie figuur 6.1.1.2) 6. Schenen worden aangebracht bij een houten as. (Zie hoofdstuk 6.1.1.a) 7. De kraag dient tegen inwateren via de as. (Zie hoofdstuk 6.1.1.a) 8. Om te voorkomen dat regenwater langs de as naar binnen sijpelt. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d) 9. De hals is het voorste lager. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)10. De pen is het achterste lager en vangt ook de achterwaartse druk op evt. via een taats. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)11. De as rust voor op het halssteen en achter in de pen- of broeksteen. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)12. Van een houten as rot de kop in en is de hals aan slijtage onderhevig. Een gietijzeren bovenas is steviger, rot nooit maar gietijzer is bros en kan breken zeker bij lage temperaturen. De as breekt dan, bij te zwaar vangen, tussen de hals en het bovenwiel. (Zie hoofdstuk 6.1.1.b/c)13. De Gieterij Hardinxveld te Hardinxveld-Giessendam. (Zie hoofdstuk 6.1.1.b)14. De halssteen ligt op het steenbed op de windpeluw. Het steenbed bestaat uit een aantal steenbedwiggen, -blokken en opvulplankjes. Het bovenste plankje van vurenhouten moet kwastvrij zijn. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)15. De arduiner halssteen, het pokhouten lager, het gietijzeren of houten lagerblok met bronzen of witmetalen voering, het schommellager en het Dekkerlager. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)16. Vocht in een scheur en dan vorst, ongelijkmatige ondersteuning door b.v. kwasten in het hout eronder. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)17. 2 tot 3 cm diep. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)18. Handwarm. (Den Besten blz 84)19. Een te diep ingesleten halssteen, een niet goed afgesteld of scheef liggend (gekanteld) lager door inrotten windpeluw of voeghoutkoppen, een gebroken halssteen en onvoldoende smeren. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d en Den Besten blz 84)20. Bij een te diep ingesleten halssteen de bovenkanten afkappen (let op dat de uithollong breder is dan de hals). Voor een verzakte halssteen en een gebroken halssteen de molenmaker laten komen, smeren. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d en Den Besten blz 84)21. Bij een houten as een ronde schijf de kraag onder het pothok, bij een ijzeren het waterhol en soms een kraag. (Zie hoofdstuk 6.1.1.a en d)22. De uitholling in de halsteen is wat ruimer. Dit is de zgn inloopspleet voor het smeervet. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)23. De pensteen ligt met wiggen verankerd in de penbalk. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)24. Bij een pensteen staat in de broekbalk een tegelsteen of bronzen tegelplaat die de druk opvangt. Is de pen voorzien van een taats dan een knolplaat. Bij een broeksteen fungeert het niet uitgeholde deel als tegelsteen. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d) DE KAP 10
  • 11. 25. De pen kan voorzien zijn van een geharde stalen taats. Deze draait tegen een gehard stalen knol op de knolplaat. De smering geschiedt door een meedraaiend kettinkje wat olie uit een onder de knolplaat liggend smeeroliebakje meeneemt. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)26. Een niet goed afgesteld lager, een ingesleten pen- of broeksteen, te weinig vet. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d en Den Besten blz 84)27. De springbeugel voorkomt dat de as voorover dompt bij wind van achteren of tijdens het vangen. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)28. De springbeugel zit over de pen heen aan de penbalk bevestigd. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)29. De springbeugel voorkomt dat de as voorover dompt. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)30. 10 tot 11,25 ton. (Hoofdstuk 6.1.1.d vermeldt 8 à 9 ton druk op halslager en dat 80% van het gewicht rust op het halslager. 8 x (100%:80%) = 10 ton en 9 x (10:8) = 11,25 ton)31. De hals draagt ca. 80 %, de pen ca. 20 %. (Zie hoofdstuk 6.1.1.d)32. Het gevlucht. (Zie hoofdstuk 6.2.0)33. Twee roeden elk met 2 enden. (Zie hoofdstuk 6.2.0)34. Hout, geklonken ijzer of gelast staal. (Zie hoofdstuk 6.2.1/2)35. Bij een borstroede de borst uit eiken en de oplangers uit dennen of grenenhout Gehele houten assen voor kleine molens uit Amerikaans grenen. (Wiessner blz 57)36. Eerst de borstroede. In de 19e eeuw kwam de tweedelige houten roede. Voor een kleine molen soms uit één stuk. Daarnaast bestaat nog het haspelkruis. (Zie hoofdstuk 6.2.1)37. Twee gelijke enden met een lange haaklas aan elkaar gekoppeld. Het midden van de las bevindt zich in de askop. De las is verder versterkt met metalen roedeplaten, bouten en stroppen. (Zie hoofdstuk 6.2.1)38. Het ca 6 tot 7 meter lange middenstuk, de borst, zit vast in de askop. Voor het verkrijgen van de juiste wieklengte werden de beide zijden verlengd met oplangers die voor op de borst zijn vastgezet met stroppen en bouten. (Zie hoofdstuk 6.2.1)39. De roewiggen kunnen los gaan zitten omdat ze krimpen door de droogte. (Zie hoofdstuk 8.6.1)40. Een "Fransenroede" is een roede van Gebr. Fransen uit Vierlingsbeek. De Fransenroede bestaan uit ijzeren platen met omgezette randen waartegen vlakke stroken zijn geklonken. Dus zonder hoekijzers. De Fransenroede is herkenbaar aan de holle zijde aan de kant van de heklatten en ronde hoeken aan de bordzijde. (Tekening 9 in figuur 6.2.1.1 is fout. Zie Wieksystemen blz 20 van G. Pouw) (Zie hoofdstuk 6.2.2)41. Een potroede is een roede van de firma Pot uit Elshout. De potroede bestaat uit lange platen die met klinknagels op vier hoeklijnen zijn vastgezet. De potroede heeft aan één zijde een biljoening. (Zie hoofdstuk 6.2.2 en figuur 6.2.1.1)42. De firma Bremer uit Adorp (Gn). (Zie hoofdstuk 6.2.2).43. Sinds 1945. (Zie hoofdstuk 6.2.2)44. Ja o.a. door Derckx uit Beegden, Buurma uit Oude Schans en Groot Wesseldijk uit Laren. (Meestal voor eigen bedrijf.) (Zie Wieksystemen blz 21 van G. Pouw verder kennis van eigen en bezochte molens) DE KAP 11
  • 12. 45. De buitenroede is nagenoeg recht, de binnenroede is naar voren gebogen, zodat de roedentoppen zoveel mogelijk in één vlak draaien Deze buiging heet porring. (Een verbastering van sporing.) (Zie hoofdstuk 6.2.3)46. De binnenroede zit het dichtst bij het molenlijf De buitenroede zit voor de binnenroede in de askop. (Zie hoofdstuk 6.2.3)47. De roeden worden aan een zijde gestoken tot ze stuiten op een keerklos. De andere keerklos wordt bijgeplaatst. Daarna worden aan de andere zijde en voor in de askop de acht roewiggen geslagen. (Zie hoofdstuk 6.2.3)48. Met het spitijzer worden de roewiggen geborgd. Het bestaat uit een trekstang en twee beugels. (Zie hoofdstuk 6.2.3)49. Winsing is de Zaanse benaming voor biljoening. Dit is de afschuining van de houten roede aan voor en achterzijde t.b.v. de stroomlijning. Kwam bij de metalen roede enkel voor bij de Potroede en dan alleen aan de voorzijde. (Zie hoofdstuk 6.2.3)50. De top van het bovenste end voor het hoogste punt = vreugd (komende stand), na het hoogste punt = rouw (gaande stand), recht omhoog =korte rust (rechtstand of voor de borst) en het gevlucht als een X = lange rust (overhek). (Stokhuyzen blz 166)51. Nee, in Limburg gaat men niet van het bovenste end uit maar van het onderste. Het onderste end voorbij het laagste punt is daar geboorte. (Begin van een nieuwe cyclus. De top staat dan in de rouw van elders) en voor het laagste punt is daar rouw. (Eind van de cyclus. De top staat dan in de vreugd van elders.) Overhek is daar de vreugd. DE KAP 12

×