Coping with the climate crisis: Effects of fear appeals, efficacy and contribution of 
others on intentions to reduce energy consumption and support for policy measures. 
Omgaan met de klimaatcrisis: Effecten van fear appeals, efficacy en bijdrage 
van anderen op intenties tot energie besparen en steun voor beleidsmaatregelen. 
Faculteit der Gedrags- en Maatschappijwetenschappen 
Masterthese 2009 
Auteur: Nynke Sijbesma s1217402 
Supervisor: Dr. M. van Zomeren
1 
Voorwoord 
In het kader van de afronding van mijn master sociale psychologie aan de Rijksuniversiteit 
van Groningen, ben ik in december 2008 gestart met mijn masterthese. Graag wil ik mijn 
begeleider, Dr. M. van Zomeren, bedanken voor zijn steun en begeleiding. Zijn kennis en 
ervaring hebben onmiskenbaar bijgedragen aan de succesvolle totstandkoming van deze 
masterthese en bovendien ben ik hem dankbaar voor de mogelijkheid om een onderwerp te 
kiezen dat aansluit bij mijn interesse. In dit onderzoek staat de klimaatcrisis centraal, een 
onderwerp naar mijn hart. 
Nynke Sijbesma, augustus 2009
2 
Inhoudsopgave 
Samenvatting ........................................................................................................................................... 4 
Summary ................................................................................................................................................. 4 
1. Introductie ........................................................................................................................................... 5 
1.1 Achtergrond ................................................................................................................................... 5 
1.2 Fear appeals .................................................................................................................................. 6 
1.3 Sociale dilemma modellen ............................................................................................................ 8 
1.4 Samenvatting en hypothesen ...................................................................................................... 11 
2. Methode ............................................................................................................................................. 12 
2.1 Deelnemers, design, procedure ................................................................................................... 12 
2.2 Stimulusmateriaal ....................................................................................................................... 12 
2.2.1 Fear appeal ........................................................................................................................... 12 
2.2.2. Vertrouwen .......................................................................................................................... 14 
2.3 Vragenlijst ................................................................................................................................... 15 
3. Resultaten .......................................................................................................................................... 17 
3.1 Manipulatiechecks ...................................................................................................................... 17 
3.2 Afhankelijke variabelen .............................................................................................................. 20 
3.3 Mediatie-effecten ......................................................................................................................... 22
4. Discussie ............................................................................................................................................. 24 
4.1 Samenvatting resultaten .............................................................................................................. 24 
4.2 Fear appeals ................................................................................................................................ 25 
4.3 Vertrouwen .................................................................................................................................. 27 
4.4 Beperkingen en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek ...................................................... 29 
4.4.1 Beperkingen .......................................................................................................................... 29 
4.4.2 Aanbevelingen voor toekomstig onderzoek .......................................................................... 30 
4.5 Conclusie ..................................................................................................................................... 31 
Referenties ............................................................................................................................................. 32 
Bijlage 1 Fear appeal tekst ................................................................................................................ 38 
Bijlage 2 Waargenomen effectiviteit manipulatie .......................................................................... 42 
Bijlage 3 Items & factorladingen ..................................................................................................... 44 
Bijlage 4 Histogrammen Kans & Overheid .................................................................................... 48 
3
4 
Samenvatting 
Het inzetten van fear appeals als communicatiemiddel m.b.t. de klimaatcrisis is een 
controversiële en verwaarloosde strategie vanwege mogelijke schadelijke fear control 
reacties. Het huidige onderzoek integreert theoretische modellen van fear appeals, collectieve 
actie en sociale dilemma’s om tot een concrete communicatiestrategie te komen voor het 
oplossen van de milieuproblematiek. Met een 2 x 2 factorieel experiment is het effect 
onderzocht van (a) een fear appeal boodschap en (b) het gezamenlijke effect van efficacy en 
bijdrage van anderen, samen aangeduid met ‘vertrouwen’. De resultaten onthulden dat 
blootstelling aan de fear appeal leidde tot hogere intenties tot energie besparen en steun voor 
beleidsmaatregelen. Bovendien zijn er geen aanwijzingen gevonden voor schadelijke fear 
control reacties. Het verhogen van vertrouwen leidde ook tot hogere intenties tot energie 
besparen. Dit suggereert dat een goede communicatiestrategie om mensen aan te zetten tot 
energiebesparing zowel gebruik maakt van een fear appeal als van informatie dat vertrouwen 
– in eigen kunnen en anderen – aanwakkert. Mijn conclusie luidt dat onderzoek naar fear 
appeals en vertrouwen een veelbelovend startpunt is voor het verbeteren van de communicatie 
bij collectieve problemen zoals de klimaatcrisis. 
Summary 
The use of fear appeals for coping with the climate crisis has been a neglected and 
controversial strategy because of the potential to backfire (e.g. fear control reactions). The 
current study combines theoretical models of fear appeals, collective action and social 
dilemmas in an attempt to develop an effective communication strategy that can contribute to 
a solution. A 2 by 2 factorial experiment is conducted to examine the effect of (a) a fear 
appeal message and (b) the combined effect of efficacy and contribution of others, here 
indicated by ‘trust’. The results disclosed that the fear appeal strengthened intentions to 
reduce energy consumption and support for policy measures. Increasing trust also lead to 
higher intentions to reduce energy consumption. Moreover, no signs were found of 
detrimental fear control reactions. This suggests that a good communication strategy for 
stimulating energy conservation among people consists of a fear appeal as well as information 
that increases trust (e.g. efficacy and trust in others). My conclusion is that research on fear 
appeals and trust offers a promising starting point for improving the communication with 
regard to collective problems like the climate crisis.
5 
1. Introductie 
1.1 Achtergrond 
Van alle milieuproblematiek wordt de klimaatcrisis als het belangrijkste en het meest 
bedreigende probleem van de 21ste eeuw beschouwd. Het Intergovernmental Panel on Climate 
Change waarschuwt voor ernstige gevolgen indien de wereldwijde uitstoot van CO2 niet binnen 
tien jaar drastisch wordt gereduceerd (IPCC, 2007). Hoewel de preventie van deze crisis 
economische en technische maatregelen vereist, betreft het grotendeels ook een gedragsmatig 
probleem dat vraagt om veranderingen in levensstijl, consumptiepatronen, autogebruik e.a. De 
psychologie kan in dit opzicht verhelderen hoe mensen gestimuleerd kunnen worden om zulke 
veranderingen aan te gaan. 
Huidige communicatiestrategieën zijn echter ontoereikend gebleken in het creëren van 
draagvlak voor de vereiste maatregelen (Moser & Luganda, 2006). Er is een groot contrast 
tussen de hoge mate van bezorgdheid en urgentie die vanuit de wetenschap gecommuniceerd 
wordt en het gebrek aan actie in de maatschappij dat vereist is om het probleem aan te pakken. 
Eén van de verklaringen voor deze tweespalt betreft het gebrek aan risicobeleving onder 
mensen (Etkin, 2007; Leizerowitz, 2006; Lorenzoni, Leiserowitz, De Franca Doria, Poortinga & 
Pidgeon, 2006; Weber, 2006). De ernst en kwetsbaarheid voor de risico’s van 
klimaatverandering worden vaak onderschat of de persoonlijke relevantie en urgentiebeleving 
ontbreekt. 
Dit stimuleerde Al Gore tot het uitbrengen van de wereldberoemd geworden 
documentairefilm An Inconvenient Truth, waarin hij probeert de ernst van de situatie duidelijk 
te maken en bovendien een oproep doet tot daadkracht. Hoewel deze film wereldwijd het 
klimaatbewustzijn heeft vergroot, heeft het tot op heden niet tot voldoende maatregelen geleid 
om de klimaatcrisis af te wenden, en dit onderstreept het belang van het ontwikkelen van 
effectieve risicocommunicatie. Met het oog op de klimaatcrisis is daarom onderzoek nodig om 
kennis te verkrijgen over de wijze waarop massamediale campagnes kunnen bijdragen aan 
oplossingen voor dergelijke milieuproblematiek. 
In het huidige onderzoek probeer ik een nieuw antwoord te geven op de vraag, of fear 
appeals zoals aanwezig in An Inconvenient Truth (bijv. het beeld van Nederland onder water) 
een goede manier zijn om mensen aan te zetten tot energiebesparend gedrag. Er is nog weinig 
bekend over de effectiviteit van angstaanjagende boodschappen bij problemen van collectieve
aard, zoals de klimaatcrisis. Collectieve problemen gaan vaak gepaard met situaties waarin het 
eigenbelang in conflict komt met het collectieve belang (zogenaamde sociale dilemma’s), 
waarbij voor mensen ook vaak een rol speelt wat andere mensen doen of zullen doen. Daarom 
kijk ik in het onderzoek niet alleen naar fear appeals, maar ook naar het vertrouwen dat mensen 
hebben in eigen kunnen en in anderen. 
1.2 Fear appeals 
Angstaanjagende boodschappen (fear appeals) zijn voornamelijk binnen de gezondheids-voorlichting 
een veelgebruikte vorm van risicocommunicatie. De afgelopen vijftig jaar is 
uitgebreid onderzoek gedaan naar de overtuigende effecten van fear appeals en is het een 
effectief middel gebleken voor het veranderen van attitudes, intenties en gedrag (Witte & Allen, 
2000), bijvoorbeeld ter preventie van borstkanker, roken, drugs- en alcoholmisbruik en seksueel 
overdraagbare aandoeningen. 
Verschillende theoretische modellen geven een verklaring voor de effectiviteit van fear 
appeals. Leventhal (1968, 1970) vond geen ondersteuning voor het Drive Model, dat een 
omgekeerde u-vormige relatie tussen angst en attitudeverandering veronderstelt, en 
introduceerde vervolgens het Parallel Process Model, dat twee mogelijke reacties op een fear 
appeal beschrijft: ‘danger control’ (acceptatie van de boodschap) en ‘fear control’ (beheersing 
van angst). Wanneer individuen reageren met een fear control reactie wordt de boodschap 
genegeerd, verworpen of ontkend. Fear control zou volgens dit model een barrière voor 
gedragsverandering kunnen vormen wat mensen ervan weerhoudt om tot milieuvriendelijk 
gedrag over te gaan. De Protectie Motivatie Theorie (Rogers 1975, 1983) verklaart de 
cognitieve factoren die tot acceptatie van een fear appeal boodschap leiden. Het model is 
schematisch weergegeven in Figuur 1. Acceptatie van de boodschap is waarschijnlijk indien: de 
waargenomen ernst en kwetsbaarheid voor het risico groot is; individuen geloven dat ze het 
aanbevolen gedrag goed kunnen uitvoeren (zelf-efficacy); en de overtuiging hebben dat de 
respons effectief is in het afwenden van de dreiging (respons-efficacy). Zelf-efficacy en 
respons-efficacy worden samen aangeduid met waargenomen effectiviteit. Volgens Rogers is 
angst een motiverende kracht voor zelfbeschermend gedrag, maar alleen wanneer deze 
cognitieve factoren aanwezig zijn. Hij veronderstelt dat fear appeals met name effectief zijn 
wanneer de waargenomen effectiviteit en de waargenomen dreiging hoog is. Mensen kunnen 
dan immers iets constructiefs doen met de waargenomen dreiging. Een meta-analyse van Witte 
et al. (2000) biedt sterke ondersteuning voor Rogers’ Protectie Motivatie Model. 
6
7 
WAARGENOMEN 
EFFECTIVITEIT 
(zelf-efficacy, 
respons-efficacy) 
--------------- 
WAARGENOMEN 
DREIGING 
(ernst, 
kwetsbaarheid) 
Protectie motivatie 
Angst 
Defensie motivatie 
Figuur 1: Schematisch overzicht van Rogers’ Protectie Motivatie Model. 
DANGER CONTROL 
(acceptatie 
van de boodschap) 
FEAR CONTROL 
(verwerpen, negeren, 
ontkennen van de boodschap) 
Al Gore gebruikt in zijn documentairefilm indringende beelden van gevolgen van 
orkanen, terugtrekkende gletsjers, ijskappen die in de zee storten en effecten van verdroging en 
verwoestijning, waarmee een beroep op angst wordt gedaan om mensen tot actie aan te zetten. 
Ook het taalgebruik is indringend: “I want to testify today about what I believe is a planetary 
emergency; a crisis that threatens the survival of our civilization and the habitability of the 
Earth.” Maar hoewel fear appeals zoals in An Inconvenient Truth met succes zijn toegepast 
binnen de gezondheidswetenschappen, is het gebruik ervan bij grootschalige milieuproblemen 
als de klimaatcrisis omstreden (Moser & Dilling, 2004). De klimaatcrisis is namelijk, in 
tegenstelling tot veel gezondheidsproblemen, een typisch collectief probleem dat zich voordoet 
op mondiale schaal. Een oplossing is daarom niet haalbaar op individueel niveau; alle actoren 
moeten meewerken aan de oplossing. Dit laat veel ruimte voor mensen om hun gedrag aan te 
passen aan wat ze denken dat anderen zullen doen. Als mensen weinig vertrouwen hebben in 
anderen (bijvoorbeeld omdat ze denken dat anderen toch niets zullen doen) is de waargenomen 
effectiviteit van collectieve actie vaak erg laag (Van Zomeren, Spears, Fischer & Leach, 2004). 
Dit heeft implicaties voor de veronderstelde effectiviteit van fear appeals met betrekking tot de 
klimaatcrisis, zoals aanwezig in An Inconvenient Truth. Wanneer fear appeals namelijk een 
hoge mate van angst veroorzaken en de waargenomen effectiviteit om de dreiging weg te 
nemen laag is, is het waarschijnlijk dat individuen reageren met een ongewenste fear control 
reactie die niet tot collectieve actie leidt, zoals het verwerpen, negeren of ontkennen van de 
boodschap m.b.t. de klimaatcrisis (Niemeyer, Petts & Hobson, 2005; Roser & Thompson, 1995; 
Tan, Ogawa & Matsumara, 2008).
Het is inderdaad nog maar de vraag welke respons een fear appeal met betrekking tot de 
klimaatcrisis kan uitlokken. Enerzijds kan lage waargenomen effectiviteit in combinatie met 
hoge angst ervoor zorgen dat individuen overweldigd worden door de omvang van het 
probleem en reageren met fear control, resulterend in apathie. Anderzijds zullen fear appeals 
waarschijnlijk slechts matige niveaus van angst oproepen, vanwege het ‘ver weg karakter’ van 
de gevolgen in temporeel en geografisch opzicht. In dat geval zou een fear appeal een positieve 
uitwerking kunnen hebben. Emoties zoals angst, bezorgdheid en schuldgevoelens motiveren 
dan waarschijnlijk tot zelfbeschermend gedrag dat gericht is op het reduceren van de 
risicobeleving, zoals het nemen van de aanbevolen energiebesparende maatregelen (Weber, 
2006). In de hoop een antwoord te vinden op bovenstaande vraag manipuleer ik in mijn studie 
een fear appeal met betrekking tot de klimaatcrisis, waarbij het probleem wordt beschouwd als 
een klassiek sociaal dilemma. 
1.3 Sociale dilemma modellen 
Veel milieuproblemen worden veroorzaakt doordat individuen geneigd zijn om te kiezen voor 
persoonlijk gewin met nadelige gevolgen voor het collectief dat afhankelijk is van de gedeelde 
natuurlijke bron (Samuelson, 1990; Steg, 2003; VanVugt, 2002). Hardin (1968: p. 1244) 
beschreef deze situatie in een beroemd geworden essay The Tragedy of the Commons: “Ruin is 
the destination toward which all men rush, each pursuing his own best interest in a society that 
believes in the freedom of the commons. Freedom in a commons brings ruin to all.” 
Elk individu wordt geconfronteerd met een sociaal dilemma: een situatie waar 
gemeenschappelijke belangen en individuele belangen van individuen met elkaar in conflict 
zijn. Gedrag dat op korte termijn individuele beloningen oplevert, heeft op lange termijn 
ernstige gevolgen voor de gemeenschap als teveel mensen dit vertonen. In het kader van de 
klimaatcrisis is de wereldwijde gemeenschap gebaat bij energiebesparende maatregelen, maar 
dit gaat gepaard met kosten en is daarom in strijd met individuele belangen. Het is daarmee de 
vraag of fear appeals een goede manier zijn om mensen aan te zetten tot de gewenste 
gedragsverandering, want wellicht hebben ze, gezien de collectieve schaal waarop het probleem 
zich afspeelt, geen vertrouwen in de bereidheid van anderen om mee te doen, en daarmee in hun 
eigen kunnen. 
Bij grootschalige sociale dilemma problemen is de waargenomen effectiviteit erg laag 
(Kerr, 1989). Mede als gevolg daarvan wordt het kiezen voor gemeenschappelijk belang 
8
ontmoedigd en de keuze voor eigenbelang aantrekkelijk. Bij de problematiek van de 
klimaatcrisis bijvoorbeeld, zijn mensen zich bewust van de verwaarloosbare impact van hun 
energiebesparende maatregelen. De overtuiging dat hun eigen respons effectief is in het 
afwenden van de dreiging ontbreekt. Om dit te bereiken is namelijk de bijdrage van anderen 
noodzakelijk. Dit vormt wellicht een barrière om tot energie besparen over te gaan vanwege de 
sociale onzekerheid die hiermee gepaard gaat. Het is de vraag of mensen voldoende vertrouwen 
hebben in de medewerking van andere individuen en relevante partijen, zoals de landbouw- en 
industriesector. 
Verschillende theorieën richten zich om deze reden op de bijdrage van anderen. De Goal 
Expectation Theory voorspelt dat individuen in sociale dilemma situaties alleen bereid zijn om 
hun eigenbelang op te offeren als ze de verwachting hebben dat andere mensen ook zullen 
bijdragen (Pruit & Kimmel, 1977). In overeenstemming met Goal Expectation Theory stelt 
Dawes (1980, geciteerd in Steg, 2003) dat mensen in sociale dilemma situaties bereid zijn om 
mee te werken wanneer (a) ze de aard van het dilemma begrijpen en de voordelen van 
meewerken inzien, en (b) ze ervan overtuigd zijn dat voldoende anderen dit ook zullen doen. 
Uit experimenteel onderzoek is inderdaad gebleken dat mensen eerder meewerken wanneer ze 
verwachten dat andere groepsleden dit ook zullen doen (Pruit & Kimmel, 1977; Staats, Wit & 
Midden, 1996; Wit & Wilke, 1998). Echter, de meeste resultaten met betrekking tot sociale 
dilemma’s zijn afkomstig van laboratoriumstudies met eenvoudige experimentele modellen 
(bijv. spelletjes). Het is onzeker of dergelijke resultaten succesvol kunnen worden toegepast in 
interventiestrategieën voor echt bestaande sociale dilemma’s, die veel complexer van aard zijn 
(Nemeth, 1972; Steg, 2003). 
Het geven van informatie over de bijdrage van anderen (bijv. een opiniepeiling) is 
wellicht een goede manier om mensen aan te zetten tot energiebesparend gedrag, vanwege de 
verwachte positieve invloed op waargenomen effectiviteit. In grote groepen zijn mensen er niet 
zeker van dat hun bijdrage de moeite waard is, omdat dit grotendeels afhankelijk is van het 
gedrag van anderen (sociale onzekerheid). Wanneer mensen weten dat meer anderen bereid zijn 
om tot actie over te gaan, zal de waargenomen effectiviteit hoger zijn (Niemeyer et al., 2005; 
Van Zomeren et al., 2004) en als gevolg hiervan zal de actiebereidheid tot milieuvriendelijk 
gedrag waarschijnlijk groter zijn. Om dit effect te onderzoeken, worden waargenomen 
effectiviteit en actiebereidheid van anderen in dit onderzoek samen gemanipuleerd en 
aangeduid met 'vertrouwen’. Deze term omvat de manipulatie van: het vertrouwen in de 
bijdrage van anderen, het vertrouwen in eigen kunnen (zelf-efficacy), en het vertrouwen in de 
effectiviteit van het energiebesparende gedrag (respons-efficacy). 
9
Het geven van informatie over anderen kan echter ook averechts werken. In 
grootschalige sociale dilemma situaties als de klimaatcrisis bestaat de mogelijkheid dat de 
actiebereidheid van anderen de ervaren noodzaak van een eigen bijdrage wegneemt, door Olson 
(1965) het ‘free-rider effect’ genoemd. Wanneer mensen hun eigen pogingen tot energie 
besparen niet langer als noodzakelijk beschouwen voor het groepssucces zullen ze hun bijdrage 
verminderen (Ames & Marwell, 1979; Kerr & Bruun, 1983; Kim & Walker, 1984). Het free-rider 
effect kan zo een barrière vormen die mensen ervan weerhoudt om tot het gewenste 
10 
gedrag over te gaan. (“Ik hoef niets te doen want anderen lossen het probleem toch al op.”) 
Om de klimaatcrisis te kunnen tegengaan, is het belangrijk om naast intenties tot energie 
besparen ook de steun voor overheidsmaatregelen te verhogen. Structurele maatregelen zoals 
wetten, regels en financiële stimulansen (incentives) veranderen de kosten-baten structuur van 
het gewenste milieuvriendelijke gedrag (bijv. zodat energiebesparing aantrekkelijker wordt dan 
energieverspilling) en zijn daarom cruciaal voor het doorbreken van het sociale dilemma en 
daarmee het vermijden van Hardin’s ‘tragedy of the commons’. Volgens Yamagishi’s 
Structural Goal Expectation Theory (1986, 1988) zullen mensen pleiten voor structurele 
maatregelen wanneer ze bezorgd zijn om de collectieve gevolgen van milieu-onvriendelijk 
gedrag en weinig vertrouwen hebben in de bijdrage van anderen (bijvoorbeeld vanwege het 
free-rider effect). Resultaten van Staats et al. (1996) bieden ondersteuning voor deze theorie. 
Met betrekking tot de klimaatcrisis zullen fear appeals daarom wellicht een positieve invloed 
uitoefenen op structurele maatregelen, omdat het waarnemen van de boodschap waarschijnlijk 
de bezorgdheid om het milieu vergroot. Het is bovendien de vraag of een gebrek aan 
vertrouwen - in eigen kunnen en anderen - overheidsmaatregelen m.b.t. de klimaatcrisis kan 
stimuleren. Wellicht zullen mensen bij weinig vertrouwen niet hun eigen gedrag veranderen, 
maar wel een actievere rol van de overheid verwachten. 
Concluderend: Ik manipuleer in het experiment niet alleen een fear appeal, maar ook 
waargenomen effectiviteit en de mate van actiebereidheid van anderen met betrekking tot de 
klimaatverandering (‘vertrouwen’), waarbij ik door middel van specifieke informatie in de 
boodschap het free-rider effect probeer te voorkomen. Het algemene idee hierbij is dat mensen 
eerder geneigd zijn tot milieuvriendelijk gedrag als ze het risico ervan onderkennen (d.m.v. de 
fear appeal), hun eigen bijdrage als noodzakelijk beschouwen, en niet geremd worden door 
zorgen over een gebrek aan steun en daarmee effectiviteit. Omdat de overheid d.m.v. structurele 
maatregelen wellicht een belangrijke rol zou kunnen spelen in het stimuleren van 
energiebesparend gedrag, wordt er zowel gekeken naar het effect van de manipulaties op
intenties tot energiebesparend gedrag, als naar het effect op steun voor energiebesparende 
beleidsmaatregelen. 
1.4 Samenvatting en hypothesen 
Het huidige onderzoek integreert fear appeal modellen en modellen van sociale dilemma’s en 
collectieve actie om tot een concrete oplossing te komen van het dilemma van het 
communiceren van milieuproblematiek. Er is nog weinig bekend over hoe effectief het gebruik 
van fear appeals bij een probleem van collectieve aard is, en wat de rol van sociale onzekerheid 
en daarmee gepaard gaande waargenomen effectiviteit is. Het onderzoek zal dus een nieuw 
antwoord geven op de vraag of fear appeals een goede manier zijn om mensen aan te zetten tot 
energiebesparend gedrag en wat de rol van vertrouwen hierin is. Ik verwacht dat: (a) fear 
appeals een positief effect hebben op intenties tot energie besparen en op de waargenomen 
noodzaak voor beleidsmaatregelen, en (b) dat vertrouwen een positief effect heeft op intenties 
tot energie besparen en waargenomen noodzaak voor beleidsmaatregelen, en (c) dat het effect 
van fear appeals op intenties tot energie besparen groter zal zijn bij veel dan weinig vertrouwen, 
en (d) dat waargenomen noodzaak voor beleidsmaatregelen groter is bij weinig vertrouwen. 
Ik test de hypothesen met een psychologisch experiment, waarin mensen random 
toegewezen worden over vier experimentele condities. De eerste manipulatie bedraagt een korte 
angstaanjagende boodschap, waarin de gevolgen van de klimaatcrisis, specifiek de 
zeespiegelstijging, zichtbaar worden gemaakt (versus een controle-conditie). De tweede 
manipulatie betreft informatie over vertrouwen (versus een controle-conditie). Middels een 
vragenlijst worden alle metingen (afhankelijke variabelen en controlevariabelen) verzameld. De 
kernvariabelen zijn: Angst; Waargenomen effectiviteit (ofwel efficacy) en bijdrage van 
anderen; Intenties tot energie besparen en Waargenomen noodzaak van beleidsmaatregelen. Ik 
analyseer de data met behulp van variantie-analyses om te testen voor gemiddelde verschillen 
tussen de experimentele condities, zoals voorspeld in de hypothesen. 
11
12 
2. Methode 
2.1 Deelnemers, design, procedure 
Achtenzeventig psychologiestudenten aan de Rijksuniversiteit van Groningen (64 vrouwen en 
14 mannen, gemiddelde leeftijd 20 jaar) namen deel aan een experiment aan de betreffende 
universiteit in ruil voor studiepunten of een financiële beloning. Het experiment had de vorm 
van een vragenlijstonderzoek. De onderzoeksdeelnemers werden gerandomiseerd toegewezen 
aan één van de vier experimentele condities. Het onderzoeksdesign betrof een 2 (Fear appeal: 
Ja / Nee) X 2 (Vertrouwen: Groot / Klein) factorieel design. Aan elke conditie werden twintig 
deelnemers toegewezen, behalve in de groot vertrouwen conditie (18 personen). 
Bij aankomst werden de deelnemers verwelkomd en toegewezen aan een deels 
afgescheiden ruimte met een computer. Vervolgens werd een onderzoekspakket uitgedeeld, 
bestaande uit een vragenlijst, een informed consent formulier en - afhankelijk van de conditie 
- één of twee teksten. Aan de deelnemers werd gevraagd om na het bestuderen van de teksten 
(en evt. de film) de vragenlijst in te vullen door antwoorden te kiezen op een zeven-punt 
Likert schaal (1= helemaal niet, 7=heel erg). 
In de fear appeal conditie werd een angstaanjagende boodschap getoond in de vorm 
van een tekst gevolgd door een korte film, waarin de gevolgen van de klimaatcrisis in beeld 
waren gebracht. Deelnemers in de vertrouwen conditie lazen een tekst met aanbevolen acties, 
de effectiviteit ervan en informatie over de actiebereidheid van anderen. In de fear appeal + 
vertrouwen conditie kregen de deelnemers zowel de angstaanjagende boodschap als de 
waargenomen effectiviteit informatie. De deelnemers in de controleconditie kregen alleen de 
vragenlijst, waarin hen werd gevraagd aan te geven wat hun attitude ten opzichte van de 
klimaatverandering was. 
2.2 Stimulusmateriaal 
2.2.1 Fear appeal 
De tekst 
De tekst (Zie bijlage 1) begon met een korte uitleg over de klimaatcrisis en de hoofdoorzaken 
ervan. Met concrete voorbeelden werd duidelijk gemaakt hoe de deelnemer bijdraagt aan dit 
probleem. Vervolgens werd onderstreept dat de klimaatcrisis een feit is, met een opsomming
van de eerste zichtbare gevolgen van de klimaatcrisis. Na een korte toelichting op het IPCC 
werd de urgentie van de crisis benadrukt, waarop een beschrijving volgde van de ernstigste 
scenario’s over de gevolgen van de wereldwijde opwarming. De tekst eindigde met de 
gevolgen van de zeespiegelstijging en de implicaties die dit heeft voor Nederland. 
De fear appeal is ontworpen met inachtneming van Witte’s (2000) richtlijnen voor het 
ontwerpen van een effectieve angstaanjagende boodschap, gebaseerd op de resultaten van een 
omvangrijke meta-analyse. Om de effectiviteit van de fear appeal optimaal te maken, is 
zorgvuldig gekeken naar de waargenomen ernst en kwetsbaarheid met betrekking tot de 
klimaatcrisis, de persoonlijke relevantie ervan en de geloofwaardigheid van de boodschap 
(efficacy-informatie is in de vertrouwen-tekst opgenomen). Hier volgt per factor een 
beschrijving van hoe de fear appeal is ontworpen: 
- Waargenomen ernst: Om de waargenomen ernst van de dreiging zo groot mogelijk te 
maken, is gebruik gemaakt van levendige afbeeldingen (film) en taalgebruik en aangrijpende 
citaten van VN-secretaris-generaal Ban Ki Moon, bijvoorbeeld: “De ergste scenario's van het 
IPCC zijn zo angstwekkend als een sciencefictionfilm”, en: “Met meer dan 70% van de 
wereldpopulatie gevestigd in kustgebieden zal een rijzende zeespiegel enorme menselijke en 
socio-economische kosten met zich meebrengen.” 
- Waargenomen kwetsbaarheid & persoonlijke relevantie: Om de persoonlijke relevantie en 
de waargenomen kwetsbaarheid optimaal te maken is in de film en de tekst de nadruk gelegd 
op de ergste gevolgen voor Nederland, specifiek de mogelijke zeespiegelstijging van 6 meter. 
De tekst bevat bijvoorbeeld een afbeelding van de nieuwe kaart van Nederland, waarin 
Groningen tot het ondergelopen gebied behoord, met de tekst: “Een zes meter stijging 
betekent emigratie van tien miljoen Nederlanders.” De boodschap wordt verder 
gepersonaliseerd door de lezer te wijzen op zijn verantwoordelijkheid: “In welke mate wij de 
komende jaren actie ondernemen zal bepalen welke wereld wij achterlaten voor onze kinderen 
en kleinkinderen”, en: “Hoe minder wij in actie komen, hoe meer opwarming, hoe ernstiger 
de gevolgen.” 
- Geloofwaardigheid: De tekst is gebaseerd op uitspraken van geloofwaardige bronnen, 
namelijk het IPCC en VN-secretaris-generaal Ban Ki Moon. Het IPCC wordt algemeen 
beschouwd als de meest neutrale bron en wereldwijde autoriteit op het gebied van informatie 
over de klimaatverandering. Om de tekst zo geloofwaardig mogelijk te maken, is een korte 
toelichting gegeven op het IPCC, het logo op elke pagina vermeld en de onzekerheid rondom 
de ergste scenario’s aangegeven. 
13
De film 
De tekst werd gevolgd door een korte film (1 min. 27 sec.), waarin de gevolgen van de 
zeespiegelstijging voor Nederland zichtbaar waren gemaakt. Net als in Al Gore’s 
documentairefilm An Inconvenient Truth, werden in hoog tempo beelden getoond van 
terugtrekkende gletsjers en smeltend poolijs van Groenland en Antarctica, waarbij op 
indringende wijze werd aangegeven hoeveel meter de zeespiegel zal stijgen als deze gebieden 
geheel verdwijnen. Om de waargenomen ernst en kwetsbaarheid zo groot mogelijk te maken, 
werden vervolgens zwart-wit beelden vertoond van een stormvloed aan de Nederlandse kust 
met de tekst “Zijn we op tijd?”... “Of weer te laat?”, waarna beelden van de watersnoodramp 
in 1953 verschenen. Tot slot verscheen (in lijn met Gore’s film) een satellietbeeld van 
Nederland, waarin de contouren van Nederland langzaam verdwenen door de oprukkende zee. 
Om de ervaren dreiging optimaal te maken, werd gebruik gemaakt van onheilspellende Punk 
muziek (Foreign Legion, 1987). De film werd getoond op een computer met een 
geluidssterkte van 70 decibel, waarbij gebruik werd gemaakt van een koptelefoon. 
2.2.2. Vertrouwen 
Vertrouwen werd gemanipuleerd d.m.v. het aanbieden van een korte tekst (zie Bijlage 2). Het 
doel van de tekst was de lezer ervan te overtuigen dat er door gezamenlijke inspanning een 
verschil kan worden gemaakt, met uitspraken als: 
“ Maar er is hoop. Het is zeker dat we dit probleem kunnen oplossen. We zijn nog niet te laat. 
De oplossingen voor de klimaatcrisis zijn er al. De technologieën zijn al beschikbaar en het 
inzetten ervan brengt immense economische voordelen. Maar we moeten het nog wel doen.” 
Om zelf-efficacy te vergroten, werden vervolgens vijf tips gegeven voor wat de lezer kan 
doen om te helpen de dreiging af te wenden (bijvoorbeeld “koop energiezuinige apparaten”). 
Om respons-efficacy te vergroten, is ook vermeld dat de aanbevolen acties effectief bijdragen 
aan het afwenden van de dreiging, bijvoorbeeld: “Kleine veranderingen in je dagelijkse 
routine kunnen samen een groot verschil maken in het stoppen van de wereldwijde 
opwarming.” Tot slot bevatte de tekst de volgende informatie over de bijdrage van anderen: 
“Gelukkig laten mensen over de hele wereld ons zien wat er allemaal mogelijk is. Overheden 
maken afspraken over maatregelen. Vele gemeenschappen en individuen dragen al effectief 
bij aan het oplossen van de klimaatcrisis. Ook in Nederland zijn meer dan honderdduizend 
14
huishoudens CO2 neutraal. Dit betekent dat we op de goede weg zijn. Maar we zijn er nog 
lang niet. Met elkaar kunnen we de ergste gevolgen van de klimaatverandering voorkomen. 
Maar daarvoor is jouw bijdrage ook nodig.” 
Om te voorkomen dat het free-rider effect zou kunnen optreden (m.a.w. dat mensen 
verwachten dat anderen het probleem wel oplossen, zodat ze zelf niets hoeven te doen), werd 
de deelnemer op het belang van een eigen bijdrage gewezen, met opmerkingen als: “Maar 
daarvoor is jouw bijdrage ook nodig.” 
2.3 Vragenlijst 
De vragenlijst bestond uit zelf samengestelde subschalen welke getest werden via 
factoranalyse (zie Bijlage 3 voor tabellen met een overzicht van de items en bijbehorende 
factorladingen per subschaal). We controleerden onze fear appeal manipulatie met zeven 
items over hoe de deelnemers zich op dit moment voelden (Cronbach’s α = .91). Vertrouwen 
werd geoperationaliseerd door middel van elf items, verdeeld over twee subschalen, namelijk: 
Efficacy (7 items; α = .90) over het vertrouwen in eigen kunnen m.b.t. energie besparen, en 
Bijdrage van anderen (4 items; α = .90) over het vertrouwen dat genoeg andere mensen ook 
zullen meewerken. Factoranalyse onthulde een drie-factor structuur voor de waargenomen 
ernst en kwetsbaarheid items, te weten: Ernst (5 items; α = .87) waarbij de deelnemers 
aangeven hoe ernstig ze de klimaatcrisis vinden; Kans (2 items, r = .83, p < .001) over hoe 
groot de kans is dat de zeespiegel zal stijgen en de temperatuur op aarde zal toenemen, en 
Persoonlijke Relevantie (6 items; α = .90) met betrekking tot de waargenomen persoonlijke 
kwetsbaarheid voor de gevolgen van de klimaatcrisis. De items voor Intentie tot energie 
besparen vormden na factoranalyse een drie-factor structuur: Algemene Intentie (4 items; α = 
.79) met items over algemene beloften om tot actie over te gaan en laagdrempelige 
handelingen die weinig kosten; Structurele Actieve Intentie (2 items; r = .52, p < .001) met 
handelingen die de structurele context veranderen en een actieve en/of activistische houding 
vergen, en Specifieke Intentie (3 items; α = .74) met betrekking tot energiebesparende 
handelingen in het huishouden die nieuwe gewoonten en zelfbeheersing (curtailment) 
vereisen. Waargenomen noodzaak van beleidsmaatregelen werd gemeten met de schaal 
Overheid (4 items; α = .68). Het item “Ik vind dat de overheid de prijs van benzine en diesel 
moet verhogen” laadde niet op deze schaal en is daarom apart geanalyseerd. Tot slot schreven 
de deelnemers een korte samenvatting ter indicatie van hoe nauwkeurig de teksten waren 
15
bestudeerd: “Geef in je eigen woorden een samenvatting van de tekst die je hebt gelezen.” De 
samenvatting had een vereiste minimale omvang die in verhouding was met de omvang van 
de aangeboden teksten: vijf regels in de vertrouwen-condities en zeven regels in de fear 
appeal condities. 
16
17 
3. Resultaten 
Alvorens de hypothesetoetsen te presenteren, wordt eerst een algemeen overzicht gegeven van 
de uitkomsten van het onderzoek. Er is een serie van ANOVAs uitgevoerd met fear appeal en 
vertrouwen als de onafhankelijke variabelen en intenties tot energie besparen en 
waargenomen noodzaak voor beleidsmaatregelen als de afhankelijke variabelen. Er volgt 
eveneens een mediatie-analyse volgens de criteria van Baron en Kenny (1986) om eventuele 
procesvariabelen te kunnen aanwijzen. 
3.1 Manipulatiechecks 
Alle deelnemers hadden een correcte samenvatting geschreven wat erop wees dat ze de 
teksten goed hadden bestudeerd. Tabel 1 bevat een overzicht van de gemiddelden en 
standaarddeviaties voor de variabelen angst, ernst, persoonlijke relevantie en kans. 
- Angst: De gemiddelde angstscores waren laag, wat erop wees dat de fear appeal slechts 
milde angstniveaus opriep en daarom waarschijnlijk geen fear control reacties veroorzaakte. 
Om te toetsen of de fear appeal manipulatie succesvol was geweest, voerde ik een ANOVA 
uit met fear appeal en vertrouwen als de onafhankelijke variabelen en angst als de 
afhankelijke variabele, waarbij ik alleen voor de fear appeal condities een significant 
hoofdeffect vond, F (1, 74) = 14.6, p < .001, η2 = .17; voor vertrouwen, F (1, 74) = 0.22, p < 
.64, η2 = .02. Ook was er geen interactie, F (1, 74) = 2.701, p < .11. In de fear appeal condities 
voelden mensen meer angst (M = 2.94, SD = 1.25) dan in de geen fear appeal condities (M = 
1.96, SD = 0.98). Het aanbieden van de fear appeal boodschap was dus succesvol in het 
manipuleren van angst. 
- Ernst: In tegenstelling tot de verwachting dat blootstelling aan de fear appeal de 
waargenomen ernst van de klimaatcrisis zou vergroten, wezen de ANOVA resultaten met fear 
appeal en vertrouwen als de onafhankelijke variabelen en ernst als de afhankelijke variabele 
niet op een hoofdeffect, voor fear appeal, F (1, 74) = 1.55, p < .22, η2 = .02; voor vertrouwen, 
F (1, 74) = 0.26, p < .61, η2 = .00. Ook was er geen interactie, F (1, 74) = 0.75, p < .39. Dit 
kan echter het gevolg zijn van een plafondeffect. Een exploratieve analyse wees uit dat de 
data links-scheef waren verdeeld: 17.9% van de deelnemers vond de klimaatcrisis niet ernstig, 
33.4% vond het een beetje ernstig en de resterende 60.3% vond het erg tot heel erg ernstig.
18 
26 
22 
18 
14 
10 
Controle Vertrouwen Fear Appeal Fear Appeal + 
Vertrouwen 
Conditie 
Angst 
Figuur 1: Gemiddelden voor Angst, opgesplitst naar conditie. 
Tabel 1 
Gemiddelden en standaarddeviaties voor Angst, Ernst, Persoonlijke Relevantie en Kans. 
Angst Ernst Persoonlijke 
Relevantie Kans 
Conditie M SD M SD M SD M SD 
Controle 1.82 0.76 4.72 1.45 3.78 1.13 5.63 1.26 
Vertrouwen 2.12 1.17 5.11 1.10 3.13 1.50 5.61 1.17 
Fear Appeal 3.21 1.33 5.32 1.13 3.01 1.61 5.80 1.33 
Fear Appeal + Vertrouwen 2.67 1.13 5.22 1.29 3.28 1.31 5.40 1.07 
Tabel 2 
Gemiddelden en standaarddeviaties voor Efficacy 
en Bijdrage van anderen, opgesplitst naar conditie. 
Efficacy Bijdrage 
van anderen 
Conditie M SD M SD 
Controle 4.41 1.28 3.30 1.36 
Vertrouwen 4.99 1.07 3.31 1.17 
Fear Appeal 4.67 1.04 3.03 1.35 
Fear Appeal + Vertrouwen 4.88 1.29 3.11 1.27
Hoewel geen significant hoofdeffect was gevonden, onthulden geplande (simple) contrasten 
dat deelnemers in de fear appeal condities de klimaatcrisis marginaal significant ernstiger 
vonden, vergeleken met die in de controlegroep: voor fear appeal, t (74) = 1.50, p < .07 
(eenzijdig); voor fear appeal + vertrouwen, t (74) = 1.26, p < .10 (eenzijdig). 
- Persoonlijke Relevantie: De fear appeal manipulatie heeft geen invloed uitgeoefend op 
persoonlijke relevantie: een ANOVA met fear appeal en vertrouwen als de onafhankelijke 
variabelen en persoonlijke relevantie als de afhankelijke variabele onthulde geen 
hoofdeffecten, voor fear appeal, F (1, 74) = 0.37, p < .55, η2 = .01; voor vertrouwen, F (1, 
74) = 0.98 p < .33, η2 = .00. Ook was er geen interactie, F (1, 74) = 0.02, p < .89. Gevoelens 
van kwetsbaarheid verschilden dus niet significant tussen de condities. Bovendien voelden de 
deelnemers zich gemiddeld hooguit een beetje kwetsbaar, wat er op wees dat de klimaatcrisis 
voor de meeste onderzoeksdeelnemers niet persoonlijk relevant was. 
- Kans: Ook een ANOVA met fear appeal en vertrouwen als de onafhankelijke variabelen 
en kans als de afhankelijke variabele liet geen hoofdeffecten zien, voor fear appeal, F (1, 74) 
= 0.00, p < .95, η2 = .00; voor vertrouwen, F (1, 74) = 0.98, p < .33, η2 = .01. Ook was er geen 
interactie, F (1, 74) = 0.49, p < .48. Exploratieve analyses suggereerden dat dit het gevolg van 
een plafondeffect zou kunnen zijn (zie Bijlage 1). De deelnemers schatten de kans op de 
zeespiegelstijging en de temperatuurstijging hoog in: 81% van de 78 deelnemers vond deze 
kans groot tot erg groot. De klimaatcrisis werd dus door het merendeel van de 
onderzoeksdeelnemers als ernstig beschouwd en de kans op de dreigende gevolgen van de 
klimaatcrisis groot. Dit wijst erop dat het risicobesef aanwezig was. 
- Efficacy: In Tabel 2 zijn de gemiddelden en standaarddeviaties voor efficacy en bijdrage 
van anderen weergegeven. In alle condities was efficacy niet laag en niet hoog. De resultaten 
van een ANOVA met fear appeal en vertrouwen als de onafhankelijke variabelen en efficacy 
als de afhankelijke variabele, onthulden geen hoofdeffecten: voor fear appeal, F (1, 74) = 
0.07, p < .95, η2 = .00; voor vertrouwen, F (1, 74) = 2.13, p < .15, η2 = .03. Ook was er geen 
interactie, F (1, 74) = 0.47, p < .49. Hoewel geen significant hoofdeffect voor vertrouwen was 
gevonden, onthulden geplande (simple & helmert) contrasten dat efficacy marginaal 
significant groter was in de vertrouwen-condities, vergeleken met de controlegroep: voor 
vertrouwen, t (74) = 1.50, p <.07 (eenzijdig); voor fear appeal + vertrouwen, t (74) = 1.25, p 
< .10 (eenzijdig). In beide condities scoorden de deelnemers gemiddeld even hoog. 
- Bijdrage van anderen: Zoals te zien in Tabel 2 hadden de onderzoeksdeelnemers weinig 
vertrouwen in de bijdrage van anderen. Het was niet gelukt om met de manipulatie dit 
vertrouwen in de bijdrage van anderen te vergroten. Een ANOVA met fear appeal en 
19
vertrouwen als de onafhankelijke variabelen en bijdrage van anderen als de afhankelijke 
variabele liet geen hoofdeffecten zien: voor fear appeal, F (1, 74) = 0.64, p < .43, η2 = .01; 
voor vertrouwen, F (1, 74) = 0.03, p < .85, η2 = .00. Er was geen interactie, F (1,74) = 0.02, p 
< .89. 
Kortom: deze analyses wijzen uit dat de fear appeal succesvol was in het opwekken 
van angst en ernst, terwijl de manipulatie van vertrouwen op zijn best efficacy licht 
verhoogde. De vraag is nu of deze manipulaties ook effect hebben gehad op de afhankelijke 
variabelen. 
3.2 Afhankelijke variabelen 
Om het effect van de manipulaties op de afhankelijke variabelen te kunnen vaststellen is een 
serie van ANOVAs uitgevoerd, met fear appeal en vertrouwen als de onafhankelijke 
variabelen en intenties tot energie besparen en waargenomen noodzaak van beleidmaatregelen 
als de afhankelijke variabelen. Zie Tabel 3 voor een overzicht van de gemiddelden en 
standaarddeviaties voor algemene intentie, structurele actieve intentie en specifieke intentie, 
opgesplitst naar conditie. 
- Algemene Intentie: De algemene bereidheid tot energie besparen was gemiddeld redelijk 
groot aanwezig bij de onderzoeksdeelnemers. Er was een tweeweg ANOVA uitgevoerd met 
fear appeal en vertrouwen als de onafhankelijke variabelen en algemene intentie als de 
afhankelijke variabele. Uit de resultaten kwam voor algemene intentie een significant 
hoofdeffect voor de fear appeal conditie naar voren, F (1, 74) = 4.56, p < .05, η2 = .06, wat 
betekent dat het vertonen van de angstaanjagende boodschap effectief is geweest in het 
verhogen van algemene intenties tot energie besparen. Algemene intentie was zoals verwacht 
het grootst in de fear appeal + vertrouwen conditie. Voor vertrouwen was het effect op 
algemene intenties marginaal significant, F (1, 74) = 2.92, p < .07, η2 = .04, en dit betekent 
dat proefpersonen in de vertrouwen-condities wat hogere intenties hadden dan proefpersonen 
die niet in deze condities zaten. Er werd geen interactie-effect gevonden, F (1, 74) = 0.04, p < 
.85, η2 = .00. Dit betekent dat een groter vertrouwen in eigen kunnen het effect van de fear 
appeal op algemene intenties niet heeft vergroot. Deze resultaten zijn in strijd met Rogers 
‘Protectie Motivatie Model’, dat veronderstelt dat fear appeals effectiever zijn wanneer de 
waargenomen effectiviteit hoog is. 
- Structurele Actieve Intentie: Uit de resultaten van een tweeweg ANOVA bleek dat er geen 
hoofd- en interactie-effecten voor structurele actieve intentie waren: voor fear appeal, 
20
21 
Tabel 3 
Scores op de afhankelijke variabelen als een functie van Geen Fear Appeal versus Fear Appeal 
en Geen Vertrouwen versus Vertrouwen. 
Geen Fear Appeal Fear Appeal 
Variabele Geen Vertrouwen Vertrouwen Geen Vertrouwen Vertrouwen 
Algemene Intentie 
M 4.16 4.58 4.70 5.23 
SD 1.42 1.31 1.09 1.03 
Structurele Actieve Int. 
M 3.05 3.25 3.58 3.20 
SD 1.43 1.73 1.60 1.64 
Specifieke Intentie 
M 4.45 4.83 5.00 4.60 
SD 1.37 1.59 .86 1.69 
Overheid 
M 5.54 5.67 6.08 6.19 
SD 0.99 0.87 0.72 0.61 
Item Brandstofkosten 
M 2.90 3.22 3.45 3.60 
SD 1.71 1.77 1.61 1.64 
F (1, 74) = 0.43, p < .52, η2 = .01; voor vertrouwen, F (1, 74) = 0.06, p < .81, η2 = .00; voor 
fear appeal x vertrouwen, F (1, 74) = 0.63, p < .43, η2 = .01. Dit wijst erop dat het aanbieden 
van zowel de fear appeal als de informatie voor vertrouwen geen invloed had op de meer 
activistische vorm van intenties tot energie besparen. Gemiddeld was de bereidheid tot deze 
vorm van energie besparen laag. 
- Specifieke Intentie: Voor specifieke intentie gold hetzelfde, namelijk dat zowel de fear 
appeal boodschap als de vertrouwen tekst hierop geen significante invloed had uitgeoefend: 
voor fear appeal, F (1, 74) = 0.25, p < .62, η2 = .00; en vertrouwen, F (1,74) = 0.00, p < .98, 
η2= .00; en fear appeal x vertrouwen, F (1, 74) = 1.50, p < .22, η2 = .01. Desondanks was er 
net als voor algemene intentie, sprake van een goede bereidheid van de onderzoeksdeelnemers 
om specifieke energiebesparende (curtailment-) handelingen te verrichten, zoals het lager 
zetten van de thermostaat. 
- Waargenomen noodzaak van beleidsmaatregelen: De resultaten lieten zien dat de fear 
appeal manipulatie leidde tot grotere steun voor beleidsmaatregelen, F (1, 74) = 8.37, p <.01 
η2 = .51. Dit wees erop dat de fear appeal de bezorgdheid om het milieu had vergroot. Steun 
voor overheidsmaatregelen was significant groter in de fear appeal condities (M = 6.13, SD = 
0.66) vergeleken met de geen fear appeal condities (M = 5.60, SD = 0.92). Zie Tabel 3 voor 
een overzicht van de gemiddelden weergegeven per conditie. Er werd geen hoofdeffect voor 
vertrouwen gevonden, F (1, 74) = 0.44 p < .51. Eveneens was er geen interactie-effect,
F (1, 74) = 0.00, p < .96. Inspectie van de data duidde op een plafondeffect (zie Bijlage 1, 
histogram ‘Overheid’). Zestig procent van de deelnemers scoorde gelijk aan of hoger dan vijf 
t.o.v. het maximum van zeven, wat betekent dat ze het erg of heel erg eens waren met de 
genoemde energiebesparende beleidsmaatregelen van de overheid. De manipulaties hebben 
geen invloed uitgeoefend op steun voor brandstofkosten-verhogende maatregelen: de 
gemiddelde scores op het item waren laag (zie Tabel 3, item ‘Brandstofkosten’) en 
verschilden niet tussen de fear appeal condities, F (1, 74) = 1.49, p < .23, η2 = .02, en de 
vertrouwen-condities, F (1, 74) = 1.39, p < .54, η2 = .01. Vergeleken met de intenties tot 
energie besparen was de steun voor beleidsmaatregelen het grootst. 
Kortom: Deze analyses laten zien dat, hoewel structurele actieve- en specifieke 
intenties niet zijn beïnvloed, de fear appeal succesvol was in het verhogen van algemene 
intenties tot energie besparen en de steun voor beleidsmaatregelen, en dat ook de manipulatie 
van vertrouwen tot hogere algemene intenties heeft geleid. Het veronderstelde interactie-effect 
22 
op intenties tot energie besparen is echter niet gevonden. 
3.3 Mediatie-effecten 
Om vast te kunnen stellen waardoor de gevonden significante effecten op algemene intenties 
en steun voor beleidsmaatregelen werden veroorzaakt, is een mediatie-analyse uitgevoerd 
volgens de criteria van Baron en Kenny (1986) met de variabelen ernst, angst en efficacy. De 
gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten zijn voor elke variabele apart weergegeven in 
Figuur 2. De mediatie-analyses hebben geen procesvariabelen onthuld. Zoals Figuur 2a en 2b 
laten zien, onthulden regressie-analyses een positieve directe relatie tussen de fear appeal 
condities en de afhankelijke variabelen (β = .24 /.60, p < .05), maar de veronderstelde 
indirecte relaties werden slechts gedeeltelijk gevonden: de fear appeal manipulatie voorspelde 
namelijk gevoelens van angst (β = .40, p < .001), maar angstgevoelens waren geen 
significante predictor van algemene intenties en steun voor beleidsmaatregelen. 
Waargenomen ernst echter, was wel een sterke voorspeller van algemene intenties (β =.63, p 
< .001) en steun voor overheidsmaatregelen (β =.58, p < .001), maar werd niet voorspeld door 
de fear appeal condities. Zoals Figuur 2c en 2d laten zien, was efficacy een sterke voorspeller 
van zowel algemene intenties (β =.60, p < .001) als steun voor beleidsmaatregelen (β =.44, p 
< .001), maar efficacy werd niet voorspeld door de vertrouwen-condities en de vertrouwen-manipulatie 
had ook geen directe relatie met steun voor beleidsmaatregelen. Kortom, deze 
analyses hebben geen mediatoren onthuld en het is daarom onduidelijk waarvan de verhoogde
algemene intenties op energie besparen en steun voor beleidsmaatregelen het gevolg zijn 
geweest. 
23 
.40*** 
.12 
Angst 
Algemene 
Intentie Fear Appeal (2a) 
.24* (.15) 
.15 .63*** 
Fear Appeal Overheid (2b) 
.17 
.01 
Ernst 
Angst 
.60* (.25) 
.15 .58*** 
Efficacy 
Vertrouwen (2c) 
Algemene 
Intentie 
Overheid (2d) Vertrouwen 
.44*** 
.17 
Ernst 
.20* (.10) 
.08 (.01) 
.40*** 
.60*** 
Efficacy 
Figuur 2: Gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten voor de relatie tussen de fear appeal condities 
en algemene intentie (a) en overheid (b), gemedieerd door waargenomen ernst en angst, en voor de 
relatie tussen de vertrouwen-condities en algemene intentie (c) en overheid (d), gemedieerd door 
efficacy. De gestandaardiseerde regressiecoëfficiënt tussen conditie en intentie controlerend voor de 
mediatoren is tussen haakjes weergegeven. * p < .05. ** p < .01. *** p < .001.
24 
4. Discussie 
4.1 Samenvatting resultaten 
Het doel van dit onderzoek was drieledig. Ten eerste heb ik geprobeerd om een antwoord te 
verkrijgen op de vraag of fear appeals effectieve middelen zijn om mensen aan te zetten tot 
milieuvriendelijk gedrag bij problemen van collectieve aard, zoals de klimaatcrisis. Ten 
tweede werd de problematiek van de klimaatcrisis beschouwd vanuit het perspectief van een 
klassiek sociaal dilemma, waarbij is onderzocht of het vergroten van het vertrouwen in de 
bijdrage van anderen en waargenomen effectiviteit (in dit onderzoek samen aangeduid met 
‘vertrouwen’) een positief effect heeft op de bereidheid om tot energiebesparing over te gaan. 
Ten derde heb ik geprobeerd vast te stellen of fear appeals en de informatie voor vertrouwen 
naast de individuele actiebereidheid ook invloed uitoefenen op steun voor overheids-maatregelen. 
De resultaten bieden gedeeltelijke ondersteuning voor de hypotheses. In lijn met de 
verwachting vergrootte het waarnemen van de angstaanjagende boodschap algemene intenties 
tot energie besparen onder individuen, evenals de steun voor energiebesparende 
beleidsmaatregelen. Vertrouwen speelde ook een unieke rol: het lezen van deze informatie 
verhoogde algemene intenties tot energiebesparing. Er werd echter geen interactie-effect 
gevonden op de intenties tot energie besparen en de vertrouweninformatie had geen effect op 
steun voor energiebesparende beleidsmaatregelen. De fear appeal manipulatie heeft angst, 
waargenomen ernst en waargenomen effectiviteit succesvol beïnvloed, maar had geen effect 
op persoonlijke relevantie en kans (dit laatste kan het gevolg zijn van een plafondeffect). Het 
is niet gelukt om met de vertrouwen manipulatie de verwachte bijdrage van anderen te 
verhogen, maar waargenomen effectiviteit werd wel marginaal vergroot. 
De resultaten hebben het eerste doel behaald: ze bevestigen de waarde van fear 
appeals voor het stimuleren van milieuvriendelijk gedrag m.b.t. de klimaatcrisis. Het lezen 
van de vertrouweninformatie had ook een positief effect op energie besparen, maar de data 
heeft geen invloed van waargenomen effectiviteit en de verwachte bijdrage van anderen 
getoond. Ook het derde doel is gedeeltelijk behaald. Alleen fear appeals lijken namelijk een 
effectief instrument voor het vergroten van de noodzakelijke steun voor 
overheidsmaatregelen.
4.2 Fear appeals 
Eerder onderzoek naar fear appeals is bijna volledig uitgevoerd binnen het domein van de 
gezondheidspsychologie. Het huidige onderzoek laat zien dat fear appeals ook goed ingezet 
kunnen worden bij het mobiliseren van mensen m.b.t. milieuproblemen. De resultaten wezen 
op een positieve uitwerking van fear appeals op milieuvriendelijk gedrag. Het waarnemen van 
de angstaanjagende boodschap had een behoorlijk positief effect op de steun voor 
overheidsmaatregelen (r = .71). Ook het effect op algemene intenties tot energie besparen 
was veelbelovend (r = .25), gezien de uitkomsten van Witte’s (2000) meta-analyse waar de 
effectgroottes van de fear appeals consistent varieerden tussen .11 en .15. Fear appeals lijken 
dus een effectief risicocommunicatiemiddel voor problemen van collectieve aard, zoals de 
klimaatcrisis. 
Deze resultaten spreken de heersende opvatting tegen dat het inzetten van fear appeals 
bij collectieve problemen onverstandig is (Moser et al., 2004). Volgens het Protectie 
Motivatie Model van Rogers (1975, 1983) kunnen fear appeals namelijk averechts werken 
door fear control reacties en om die reden is het gebruik van fear appeals bij grootschalige 
milieuproblemen omstreden. In dit onderzoek werden echter geen aanwijzingen voor een 
dergelijke reactie gevonden (zie Tabel 1 en 2): efficacyniveaus waren niet laag en niet hoog, 
de onderzoeksdeelnemers ervoeren slechts milde angst, en de boodschap stimuleerde 
gedeeltelijk het gewenste gedrag (d.w.z. een danger control reactie). Er lijkt dus geen reden 
voor deze ongerustheid te zijn. Integendeel, het onderzoek bevestigt dat fear appeals een 
nuttige bijdrage kunnen leveren aan de preventie van de klimaatcrisis. Het is mogelijk dat de 
fear appeal niet sterk genoeg was om de fear control reactie te veroorzaken. Vanwege een 
gebrek aan persoonlijke relevantie van de ernstige gevolgen van de klimaatcrisis (bijv. omdat 
ze ver weg zijn in de tijd en gepaard gaan met wetenschappelijke onzekerheid), was de 
dreiging mogelijk niet groot genoeg en als gevolg daarvan resulteerde de fear appeal wellicht 
in milde angstgevoelens, waarbij de waargenomen effectiviteit hoog genoeg was om het 
gewenste gedrag te stimuleren. 
Uit de analyses werd niet duidelijk door welke factoren de fear appeal effectief is 
geweest. Algemene intentie was zoals verwacht het hoogst in de fear appeal + vertrouwen 
conditie. In overeenstemming met het Protectie Motivatie Model voldeed de fear appeal aan 
de voorwaarden voor effectiviteit: de fear appeal riep milde angstgevoelens op en 
waargenomen effectiviteit en risicobeleving waren bij de deelnemers aanwezig. De 
veronderstelde causale keten van dit model werd echter niet bevestigd, want mediatie- 
25
analyses onthulden geen significante procesvariabelen. Hoewel de fear appeal manipulatie een 
beroep op angst deed (een medium effect, r = .41), was er geen aanwijzing voor de 
motiverende kracht van angst voor energiebesparing of steun voor overheidsmaatregelen. Het 
waarnemen van de fear appeal vergrootte wellicht angstgevoelens, maar door een gebrek aan 
persoonlijke relevantie was deze milde angst mogelijk geen voldoende drijfveer voor actie. 
Een gebrek aan persoonlijke relevantie kan de effectiviteit van fear appeals ondermijnen 
(Witte, 2000). In lijn met eerdere bevindingen (Weber, 2006; Leizerowitz, 2006; Lorenzoni 
et. al, 2006; Etkin, 2007) beschouwden de onderzoeksdeelnemers de klimaatcrisis als een 
dreiging op grote afstand, zowel geografisch als in de tijd. Deze gebrekkige urgentiebeleving 
is een barrière voor sociale actie gebleken (Weber, 2006). Ondanks de bezorgdheid om het 
milieu en het risicobewustzijn gaan mensen in dergelijke situaties niet gemakkelijk tot de 
gewenste actie over. Desondanks had het waarnemen van de angstaanjagende boodschap een 
positieve uitwerking op intenties tot milieuvriendelijk gedrag en steun voor overheids-maatregelen. 
Het is mogelijk dat een besef van morele verantwoordelijkheid voor de grotere 
actiebereidheid heeft gezorgd. De fear appeal bevatte indringende beelden van mogelijke 
ernstige gevolgen op lange termijn en werd gepersonaliseerd door de deelnemers te wijzen op 
hun verantwoordelijkheid, met uitspraken als: “In welke mate wij de komende jaren actie 
ondernemen zal bepalen welke wereld wij achterlaten voor onze kinderen en kleinkinderen.” 
Het zou kunnen dat hierdoor een morele norm is geactiveerd. Het Norm Activation Model 
(Schwarz, 1977) en de Value Belief Norm Theory (Stern, 2000) richten zich op de invloed van 
ervaren morele verantwoordelijkheid en zijn succesvol gebleken in het verklaren van 
milieuvriendelijk gedrag dat weinig moeite kost, zoals de hierboven genoemde algemene 
intenties tot energie besparen (Norldlund & Garvill, 2003; Stern et al., 1999, geciteerd in Steg 
& Vlek, 2000). Ook een omvangrijke meta-analyse van Bamber en Möser (2006) bevestigt de 
relevantie van morele normen als determinant van milieuvriendelijk gedrag. De huidige 
dataset bevatte echter geen metingen van morele normen en kan hier dus geen definitief 
antwoord op geven. 
Blootstelling aan de fear appeal had geen effect op structurele actieve- en specifieke 
intenties. Een mogelijke verklaring is een gebrekkige geloofwaardigheid van de boodschap, 
volgens Witte (2000) naast persoonlijke relevantie, efficacy en risicobesef een vereiste voor 
een optimale effectiviteit van fear appeals. De wetenschappelijke onzekerheid rondom de 
klimaatscenario’s wordt overbelicht door de media en het is bekend dat dit verwarring 
veroorzaakt (Smith, 2005). Vooral studenten zullen hier vanuit hun wetenschappelijke 
achtergrond rekening mee houden. Door een gebrek aan persoonlijke relevantie of 
26
geloofwaardigheid was de motivatie wellicht niet groot genoeg om maatregelen te nemen die 
moeite kosten en beperkte de actiebereidheid zich daarom tot verhoogde algemene intenties. 
Toch tonen de resultaten de praktische waarde van fear appeals voor het 
communiceren over de klimaatcrisis. De deelnemers waren bijvoorbeeld bereid om hun 
gloeilampen te vervangen met spaarlampen en om te stemmen op een politieke partij die zich 
sterk maakt tegen de klimaatcrisis. Bovendien was de steun voor relevante beleidsmaatregelen 
vergroot en dit is een vereiste voor de noodzakelijke politieke actie. De fear appeal verhoogde 
ook bezorgdheid om het milieu, een factor die noodzakelijk is gebleken voor het veranderen 
van de structurele context op de lange termijn (Poortinga, Steg & Vlek, 2004; Schultz & 
Zelezny, 1998; Vining & Ebreo, 1992, geciteerd in Steg & Vlek, 2000). Het feit dat deze 
effecten gevonden werden bij een kritische wetenschappelijke doelgroep is veelbelovend voor 
de maatschappelijke toepasbaarheid van fear appeals. Wanneer fear appeals worden ingezet 
bij massamediale campagnes zullen kleine verhogingen van algemene intenties vanwege het 
grote publieke bereik tot noemenswaardige veranderingen kunnen leiden. Bovendien is de 
kans groot dat de effecten bij het algemene publiek groter zullen zijn, bijvoorbeeld door het 
verhogen van het risicobesef dat in de maatschappij veelal ontbreekt (Weber, 2006) en door 
de wellicht grotere geloofwaardigheid van de fear appeal bij de algemene bevolking. 
4.3 Vertrouwen 
De resultaten bevestigen het verwachte positieve effect van de aangeboden vertrouwen-informatie 
op intenties tot energie besparen, want de informatie verhoogde namelijk algemene 
intenties. Het is echter niet duidelijk geworden wat dit heeft veroorzaakt, omdat de dataset 
geen invloed van waargenomen effectiviteit en de verwachte bijdrage van anderen heeft 
getoond. 
Het lijkt er op dat sociale dilemma’s geen rol hebben gespeeld. Sociale dilemma 
modellen richten zich op de invloed van een belangenconflict: kiezen voor eigenbelang of 
voor het gemeenschapsbelang. Volgens het sociale dilemma perspectief is de klimaatcrisis 
mede het gevolg van lage waargenomen effectiviteit en sociale onzekerheid, waardoor 
mensen minder geneigd zijn om te kiezen voor energiebesparende maatregelen (wat in het 
belang is van de internationale gemeenschap). De dataset geeft echter geen ondersteuning 
voor de veronderstelde negatieve invloed van lage waargenomen effectiviteit en sociale 
onzekerheid. Integendeel: vertrouwen vormde geen barrière voor milieuvriendelijk gedrag, 
maar stimuleerde dit juist. Het algemene idee was dat mensen geconfronteerd worden met een 
27
hoge mate van onzekerheid over de bijdrage van anderen met als gevolg dat lage 
waargenomen effectiviteit een barrière vormt voor energiebesparend gedrag. Zoals te zien in 
Tabel 2 was er inderdaad sprake van sociale onzekerheid onder de deelnemers, maar de 
waargenomen effectiviteit was echter niet laag. Bovendien waren ze bereid om tot actie over 
te gaan. Dit is in strijd met de notie van Kerr (1989) dat de waargenomen effectiviteit bij 
grootschalige problemen zeer laag is en dat dit een barrière vormt voor actie. De resultaten 
zijn ook in strijd met Goal Expectation Theory (Pruit et al., 1977) en de veronderstellingen 
van Dawes (1980) over de noodzaak van een positieve verwachting van de bijdrage van 
anderen voor prosociaal gedrag in sociale dilemma’s. De deelnemers waren namelijk bereid 
om te kiezen voor het gemeenschapsbelang – d.w.z. energie besparen - ondanks het lage 
vertrouwen in de bijdrage van anderen. Het onderzoek van Van Zomeren et al. (2004) biedt 
een mogelijke verklaring voor de tegenstrijdige bevindingen. Daaruit kwam naar voren dat het 
uiteindelijke gedrag wordt bepaald door de mate van waargenomen effectiviteit, waarvan de 
bijdrage van anderen een antecedent is. Wellicht was waargenomen effectiviteit in voldoende 
mate aanwezig, zodat de deelnemers niet geremd werden om tot actie over te gaan (m.a.w., er 
was een zogenaamde critical mass). 
Het is niet duidelijk waardoor de manipulatie van vertrouwen de actiebereidheid van 
de deelnemers heeft vergroot. De manipulatie had geen invloed op het vertrouwen in de 
bijdrage van anderen en mediatie-analyses onthulden geen mediërende rol van waargenomen 
effectiviteit. Desondanks waren de deelnemers bereid om gemeenschappelijke belangen 
voorop te stellen en energie te besparen. Wellicht activeerde het lezen van de informatie over 
de bijdrage van anderen een descriptieve sociale norm. Sociale normen die verwijzen naar wat 
de meeste mensen doen (descriptieve normen) en goedkeuren (injunctieve normen), zijn 
sterke motivatoren voor milieuvriendelijk gedrag gebleken, bijvoorbeeld voor: recyclen 
(Schulz, 1999); het tegengaan van rondslingerend afval (Cialdini, Kallgren & Reno, 1991) en 
het reduceren van autogebruik (Bamberg, Ajzen & Schmidt, 2003). De invloed van sociale 
normen lijkt tegenstrijdig, gezien de lage gemiddelde scores op de items m.b.t. het vertrouwen 
in de bijdrage van anderen, maar dit kan echter aan de meting liggen. De vertrouwen-manipulatie 
en de vragenlijst richtten zich op de bijdrage van individuen en huishoudens. 
Mogelijk waren de studenten op de hoogte van de vereiste bijdrage van andere partijen, zoals 
de industrie (de industrie staat in de tekst als medeoorzaak vermeld) en hadden ze weinig 
vertrouwen in de bijdrage van deze sector. Wellicht dachten ze daarom dat onvoldoende 
anderen zullen bijdragen om de klimaatcrisis te voorkomen. Een inspectie van de 
28
samenvattingen en de data bevestigde inderdaad dat de meeste studenten goed op de hoogte 
waren van de oorzaken en de risico’s van de klimaatcrisis. 
De resultaten van dit onderzoek komen verder overeen met Yamagishi’s (1986, 1988) 
Structural Goal Expectation Theory over de invloed van sociale onzekerheid op steun voor 
overheidsmaatregelen. In lijn met het model was de waargenomen noodzaak voor 
overheidsmaatregelen in alle condities groot en daarbij was het gemiddelde vertrouwen in de 
bijdrage van anderen laag. Dit is goed nieuws voor ‘groene’ politieke partijen die steun 
zoeken voor de vereiste structurele maatregelen tegen de klimaatcrisis. Acceptatie is een 
belangrijke factor voor een effectieve implementatie van beleidsmaatregelen. Mogelijk zorgt 
de sociale onzekerheid ervoor dat mensen graag willen dat de overheid een actievere rol gaat 
spelen in het omgaan met de klimaatcrisis en is dit een geschikt moment voor politieke actie. 
4.4 Beperkingen en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek 
4.4.1 Beperkingen 
Het onderzoek heeft een aantal beperkingen. De resultaten zijn afkomstig van een 
laboratoriumstudie. Het is maar de vraag of blootstelling aan een fear appeal ook effectief is 
in het dagelijkse leven, waar selectieve blootstelling en aandacht de systematische verwerking 
van de boodschap kunnen ondermijnen. Systematische verwerking is echter noodzakelijk voor 
het verkrijgen van het gewenste effect (Chen & Chaiken, 1999). Toch zijn er veelbelovende 
resultaten behaald met eerdere massamediale campagnes, zoals: het voorkomen van 
overgewicht (Wammes, Oenema, & Brug, 2007), het reduceren van rijden met alcohol (Elder 
et al., 2004), het stimuleren van seksuele voorlichting door ouders (DuRant et al., 2004) en 
betere bescherming tegen de zon (Smith, Ferguson, McKenzie, Bauman, & Vita, 2002). 
Het is niet zeker of de gevonden effecten groot genoeg zijn, zodat intenties ook 
daadwerkelijk vertalen in milieuvriendelijk handelen. Gedrag is namelijk in hoge mate een 
gewoonte en dit geldt ook voor energiebesparend gedrag (Bargh, 1997). Het is bekend dat 
gewoonten moeilijk te veranderen zijn. Ze resulteren bijvoorbeeld in selectieve aandacht, 
mensen denken niet langer na over het gedrag, of overtuigingen worden aan de gewoonte 
aangepast (Steg & Vlek, 2008). Verder bestaan er veel barrières die de praktische waarde van 
fear appeals voor energiebesparing in twijfel trekken, zoals de verwachte reductie van 
kwaliteit van leven (Steg & Gifford, 2005) en financiële barrières. Echter, de 
energiebesparende maatregelen die de deelnemers bereid waren te nemen zijn relatief simpel 
29
en gaan met weinig kosten en ongemak gemoeid. Het is daarom onwaarschijnlijk dat deze 
factoren mensen zullen weerhouden van het gewenste gedrag. Bovendien bevestigen Van 
Zomeren, Postmes en Spears (2008) het klassieke attitude-gedrag model van Ajzen & 
Fishbein (1977, geciteerd in Van Zomeren et al., 2008) in die zin dat ze laten zien dat hoewel 
effecten op gedrag kleiner zijn dan effecten op intenties, de achterliggende processen niet 
verschillend lijken te zijn. 
De resultaten van dit onderzoek kunnen niet zonder meer gegeneraliseerd worden naar 
de algemene Nederlandse bevolking. Het is aannemelijk dat studenten meer kennis, begrip en 
probleembewustzijn hebben m.b.t. de klimaatcrisis, vanwege het hoge opleidingsniveau. 
Inspectie van de data wees bijvoorbeeld uit dat het risicobesef duidelijk aanwezig was, in 
tegenstelling tot de wijdverbreide notie dat een gebrek aan risicobeleving in de maatschappij 
een belangrijke barrière vormt voor de gewenste sociale actie (Lazo, Kinnell & Fisher, 2000; 
O’Connor, Bord, Yarnal & Wiefek, 2002; Moser et al. 2004; Leizerowitz, 2005; Lorenzoni et 
al. 2006). Het kan zijn dat de impact van de fear appeal bij deze doelgroep minder groot is 
dan bij de algemene bevolking, omdat studenten meer rekening houden met de 
wetenschappelijke onzekerheid rondom de klimaatmodellen. Echter, het feit dat zelfs leden 
van deze kritische doelgroep gemotiveerd werden om actie te ondernemen is veelbelovend 
voor het gebruik van fear appeals in massamediale campagnes die gericht zijn op de algemene 
bevolking. 
4.4.2 Aanbevelingen voor toekomstig onderzoek 
Er is weinig wetenschappelijke aandacht voor de overtuigende kracht van fear appeals voor 
het verminderen van energiegebruik. Dit onderzoek bevestigt echter de waarde van fear 
appeals als instrument voor risicocommunicatie bij problemen van collectieve aard, zoals de 
klimaatcrisis, en biedt veelbelovende mogelijkheden voor toekomstig onderzoek. 
Het is bijvoorbeeld niet duidelijk waardoor de fear appeal effectief is geweest. Verder 
onderzoek zal de verklarende waarde van Rogers’ Protectie Motivatie Model moeten 
uitwijzen en duidelijkheid geven over de motiverende invloed van morele en sociale normen. 
Bovendien is verder onderzoek nodig naar factoren die het effect van de fear appeal kunnen 
vergroten, zoals persoonlijke relevantie en vertrouwen in de bijdrage van anderen, om naast 
algemene intenties ook het nemen van structurele actieve en specifieke maatregelen te 
stimuleren. 
30
Fear appeals lijken een effectief middel voor het vergroten van steun voor 
energiebesparende beleidsmaatregelen. Bestraffende maatregelen zoals het verhogen van 
brandstofkosten waren echter niet populair. Het is de vraag of fear appeal interventies ook de 
steun voor de vereiste minder populaire overheidsmaatregelen kunnen vergroten. Zoals Steg, 
Dreijerink en Abrahamse (2005) opmerken, is het belangrijk dat onderzoek gedaan wordt naar 
de factoren die de acceptabiliteit van milieubeleid beïnvloeden, omdat beleid het gedrag van 
veel mensen tegelijk kan veranderen. Dat heeft grote effecten op bijvoorbeeld de CO2- 
emissie. 
Hoewel uit het onderzoek veelbelovende resultaten naar voren kwamen, is niet bekend 
of deze effecten ook zichtbaar zullen zijn op de lange termijn. Het kan zijn dat de hier 
beschreven invloed van de fear appeal na enkele uren of dagen is verdwenen. Verder 
onderzoek is nodig om hier duidelijkheid over te verkrijgen. Dit betekent overigens niet dat 
korte termijn effecten van fear appeals weinig waard zouden zijn. De implicatie hiervan zou 
wel zijn dat fear appeals regelmatiger zouden moeten worden getoond, zodat mensen zich niet 
alleen bewust zijn van de milieuproblematiek, maar hiervan ook bewust blijven. 
4.5 Conclusie 
De strijd tegen de klimaatcrisis is een enorme taak, waarbij de noodzaak voor individuele 
gedragsverandering een leidende rol voor de psychologie benadrukt. Het huidige onderzoek 
onderstreept dit en demonstreert de waarde van fear appeals voor het omgaan met de crisis, 
zoals Al Gore’s wereldberoemd geworden documentatiefilm An Inconvenient Truth. Het 
waarnemen van de angstaanjagende boodschap heeft de onderzoeksdeelnemers overtuigd hun 
energiegebruik te verminderen en hun steun voor relevante overheidsmaatregelen vergroot. In 
dit onderzoek zijn daarbij geen aanwijzingen voor schadelijke fear control reacties gevonden 
en de heersende ongerustheid hierover lijkt daarom onterecht. Het lijkt er op dat sociale 
dilemma’s geen barrières vormen voor het reduceren van energiegebruik. Vertrouwen 
stimuleert mensen om actie te ondernemen tegen de klimaatcrisis. Dit brengt mij tot de 
conclusie dat onderzoek naar fear appeals en vertrouwen veelbelovend is voor het verbeteren 
van de communicatie met betrekking tot collectieve problemen zoals de klimaatcrisis. 
31
32 
Referenties 
Bamberg, S. W., Ajzen, I., & Schmidt, P. (2003). Choice of travel mode in the theory of 
planned behavior: the roles of past behavior, habit, and reasoned action. Basic and Applied 
Social Psychology, 25(3), 175-187. 
Bargh, J. A. (1997). The automaticity of everyday life. In: Wyer, R. S. (Ed). The automaticity 
of everyday life: Advances in social cognition (pp. 1-61).Mahwah, NJ: Erlbaum. 
Baron, R. M., & Kenny, D. A. (1986). The moderator-mediator variable distinction in social 
psychological research: Conceptual, strategic, and statistical considerations. Journal of 
Personality & Social Psychology, 51(6), 1173-1182. 
Bamberg, S., & Möser, G. (2006). Twenty years after Hines, Hungerford, and Tomera: A new 
meta-analysis of psycho-social determinants of pro-environmental behaviour. Journal of 
Environmental Psychology, 27, 14-25. 
Chen, S., & Chaiken, S. (1999). The heuristic-systematic model in its broader context. In: 
Chaiken, S. & Trope, Y. (Eds.), Dual-proces theories in social psychology (pp. 73-96). New 
York: Guilford. 
Cialdini, R. B., Kallgren, C. A., & Reno, R. R. (1991). A focus theory of normative conduct: 
A theoretical refinement and re-evaluation of the role of norms in human behavior. Advances 
in Experimental Social Psychology, 24, 201-234. 
Dawes, R. M. (1980). Social dilemmas. Annual Review of Psychology, 31, 169-193. 
DuRant, R. H., Wolfson, M., LaFrance, B., Balkrishnan, R., Pharm, M. S., & Altman, D. 
(2006). An evaluation of a mass media campaigns to encourage parents of adolescents to talk 
to their children about sex. Journal of Adolescent Health, 38, 298-308.
Elder, R. W., Shults, R. A., Sleet, D. A., Nichols, J. L., Thompson, R. S., & Rajab, W., et al. 
(2004). Effectiveness of mass media campaigns for reducing drinking and driving and 
alcohol-involved crashes, a systematic review. American Journal of Preventive Medicine, 27, 
57-65. 
Etkin, D., & Ho, E. (2007). Climate change: perceptions and discourses of risk. Journal of 
Risk Research, 10(5), 623-641. 
33 
Foreign Legion (n.d.). Opgehaald op 12 januari, 2009, van http://freeplaymusic.com/search 
/download_file.php?id=1059&dur=0&type=mp3. 
Gardner, G. T., & Stern, P. C. (2002). Environmental problems and human behavior (2nd 
ed.). Boston, MA: Pearson Custom Publishing. 
Hardin, G. (1968). The tragedy of the commons. Science, 162, 1243-1248. 
Intergovernmental Panel On Climate Change. Fourth Assessment Report (AR4). Opgehaald 
op 5 januari, 2009, van http://ipcc.ch. 
Kerr, N. L. (1989). Illusions of efficacy: the effects of group size on perceived efficacy in 
social dilemmas. Journal of Experimental Social Psychology 25, 287–313. 
Kerr, N. L., & Bruun, S. E. (1983). The dispensability of member effort and group motivation 
losses: Free-rider effects. Journal of Personality and Social Psychology, 44, 78-94. 
Kim, O., & Walker, M. (2005). The free rider problem: experimental evidence. Public 
Choice, 43(1), 3-24. 
Lazo, J. K., Kinnell, J. C., & Fisher, A. (2000). Expert and layperson perceptions of 
ecosystem risk. Risk Analysis, 20(2), 179-194. 
Leiserowitz, A. A. (2005). American risk-perceptions: Is climate change dangerous? Risk 
Analysis, 25(6), 1433-1442.
Leventhal, H. (1970). Findings and theory in the study of fear communications. In: 
Berkowitz, L. (ed.): Advances in Experimental Social Psychology (pp. 119-186). New York, 
Academic Press. 
Leventhal, H., & Trembly, G. (1968). Negative emotions and persuasion. Journal of 
Personality, 36, 154-168. 
Lorenzoni, I., Leiserowitz, A., De Franca Doria, M., Poortinga, W., & Pidgeon, N. F. (2006). 
Cross-national comparisons of image associations with ‘global warming’ and ‘climate 
change’. Journal of Risk Research, 9(3), 265-281. 
Marwell, G., & Ames, R. E. (1979). Experiments on the provision of public goods. 
Resources, interest, group size, and the free-rider problem. The American Journal of 
Sociology, 84(6), 1335-1360. 
Meijnders, A., Midden., C. J. H., & Wilke, H. A. M. (2001). Role of negative emotion in 
communication about CO2 risks. Risk Analysis, 21(5), 955-965. 
Moser, S. C., & Dilling, L. (2004). Making climate change hot; communicating the urgency 
and challenge of global climate change. Environment, 46(10), 32-46. 
Moser, S. C., & Luganda, P. (2006). Talk for a Change: Communication in Support of Societal 
Response to Climate Change. IHDP Update (Newsletter of the International Human Dimensions 
Programme on Global Environmental Change) 6, 17-20. 
Nemeth, C. (1972). A critical analysis of research utilizing the prisoner’s dilemma paradigm for 
the study of bargaining. In: Berkowitz, L. Advances in experimental social psychology ( pp. 203- 
234). Academic Press. 
Niemeyer, S., Petts, J., & Hobson, K. (2005). Rapid climate change and society: assessing 
responses and thresholds. Risk Analysis, 25(6), 1443-1458. 
O’Connor, R. E., Bord, R. J., Yarnal, B., & Wiefek, N. (2002). Who wants to reduce 
greenhouse gas emissions? Social Science Quarterly, 83(1), 1-17. 
34
Olson, M. (1965). The logic of collective action: Public goods and the theory of groups. 
Cambridge, Harvard University Press. 
Pruitt, D. M., & Kimmel, M. (1977). Twenty years of experimental gaming: Critique, 
synthesis, and suggestions for the future. Annual review of psychology, 28, 363-392. 
Rogers, R. W. (1975). A protection motivation theory of fear appeals and attitude change. 
Journal of psychology, 91, 93-114. 
Rogers, R. W. (1983). Cognitive and physiological processes in fear appeals and attitude 
change: A revised theory of protection motivation. In: Cacioppo, J. T., & Petty, R. E. Social 
psychophysiology: A sourcebook (pp. 153–176). New York: Guilford. 
Roser, C., & Thompson, M. (1995). Fear appeals and the formation of active publics. Journal 
of communication, 45(1), 103-122. 
Samuelson, C. D. (1990). Energy conservation: a social dilemma approach. Social Behaviour, 
5, 207-230. 
Schultz, P. W. (1999). Changing behavior with normative feedback interventions: A field 
experiment on curbside recycling. Basic and Applied Social Psychology, 21(1), 25-36. 
Schwarz, S. H. (1977). Normative infuence on altruism. In: Berkowitz, L. Advances in 
experimental social psychology, 10, 221-279. 
Smith, B. J., Ferguson, C., McKenzie, J., Bauman, A., & Vita, P. (2002). Impacts from 
repeated mass media campaigns to promote sun protection in Australia. Health Promotion 
International, 17(1), 51-61. 
Smith, J. (2005). Dangerous news: media decision making about climat change risk. Risk 
Analysis, 25(6), 1471-1484. 
35
Staats, H. J., Wit, A. P., & Midden, C. Y. H. (1996). Communicating the greenhouse effect to 
the public: evaluation of a mass media campaign from a social dilemma perspective. Journal 
of environmental management, 45, 189-203. 
Steg, L. (2003). Motives and behaviour in social dilemmas relevant to the environment. In: 
Hendricks, L., Jager, W., & Steg, L. (Eds.). Human decision making and environmental 
perception. Understanding and assisting human decision making in real-life settings (pp.83- 
102). Groningen: University of Groningen, Department of Psychology. 
Steg, L., Dreijerink, L., & Abrahamse, W. (2005). Factors influencing the acceptability of 
energy policies: A test of VBN theory. Journal of Environmental Psychology, 25, 415-425. 
Steg, L., & Gifford, R. (2005). Sustainable transport and quality of life. Journal of Transport 
Geography, 13 (1), 59-69. 
Steg, L., & Vlek, C. (2008). Encouraging pro-environmental behaviour: An intergrative 
review and research agenda. Journal of environmental psychology,12, 1-9. 
Stern, P. C. (2000). Toward a coherent theory of environmentally significant behaviour. 
Journal of Social Issues, 56, 407-424. 
Tan, C. K., Ogawa, A., & Matsumura, T. (2008, oktober). Innovative climate change 
communication. Team minus 6%. (GEIC Working Paper 001). Tokyo: GEIC. Verkregen op 
20 februari, 2009, van http://geic.hq.unu.edu/ENV/publication1.cfm?type=1&ID=492. 
Thompson, S. C. (1991). Water use as a commons dilemma; the effects of education that 
focuses on long term consequences and individual action. Environment and behaviour, 23(3), 
314-333. 
Van Vugt, M. (2002). Central, individual, or collective control? Social dilemma strategies for 
natural resource management. American Behavioural Scientist, 45(5), 783-800. 
36
Van Zomeren, M., Spears, R., Fischer, A. H., & Leach, C. W. (2004). Put your money where 
your mouth is!: Explaining collective action rendencies through group-based anger and group 
efficacy. Journal of Personality and Social Psychology, 87, 649-664. 
Wammes, B., Oenema, A., & Brug, J. (2007). The evaluation of a mass media campaign 
aimed at weight gain prevention among young dutch adults. Obesity, 15(11), 2780-2790. 
Weber, E. U. (2006). Experience-based and description-based perceptions of long-term risk: 
why global waming does not scare us (yet). Climatic Change, 77, 103-120. 
Witte, K., & Allen, M. (2000). A meta-analysis of fear appeals: implications for effective 
public health campaigns. Health Education & Behaviour, 27(5), 608-632. 
Wit, A. P., & Wilke, H. A. M. (1998). Public good provision under environmental and social 
uncertainty. European Journal of Social Psychology, 28, 249-256. 
Yamagishi, T. (1985). The provision of a sanctioning system as a public good. Journal of 
Personality and Social Psychology, 51(1), 110-116. 
Yamagishi, T. (1988). Exit from the group as an individualistic solution to the free rider 
problem in the United States and Japan. Journal of Experimental Social Psychology, 24, 530- 
542. 
37
38 
Bijlage 1 
(Bron)
De klimaatcrisis 
De afgelopen decennia is de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer gigantisch toegenomen. 
Wereldwijde ontbossing veroorzaakt een kwart van dit probleem. Maar de hoofdoorzaak 
(75%) is de verbranding van fossiele brandstoffen. Deze worden verbrand voor transport 
(bv. autorijden), electriciteit, verwarming van woningen en de industrie. Door de toename van 
CO2 in de atmosfeer stijgt de gemiddelde temperatuur op aarde. Het gevolg hiervan is 
klimaatverandering, ook wel de klimaatcrisis genoemd. 
De klimaatcrisis is een feit. De afgelopen 100 jaar is het klimaat op aarde 0,6 graad Celsius 
warmer geworden. Dat lijkt weinig maar zelfs een kleine stijging van de gemiddelde 
temperatuur wereldwijd kan al problemen geven voor mensen, dieren en planten. Overal zien 
we de eerste gevolgen van het opwarmen van de aarde: felle bosbranden, grote 
overstromingen, smeltende gletsjers, en ongekende hittegolven. 
Het IPCC of het Intergovernmental Panel 
on Climate Change is een nobelprijs-winnende 
39 
organisatie van de Verenigde 
Naties, opgericht om de risico's van 
klimaatverandering te evalueren. Het IPCC 
wordt algemeen beschouwd als de meest neutrale bron en wereldwijde authoriteit op het 
gebied van informatie over klimaatverandering. 
“De wereldwijde uitstoot van CO2 moet binnen tien jaar drastisch dalen.” 
Het IPCC waarschuwt dat de gevolgen van de klimaatverandering anders niet meer te 
beperken zijn. In welke mate wij de komende jaren actie ondernemen zal bepalen welke 
wereld wij achterlaten voor onze kinderen en kleinkinderen.
40 
“De ergste scenario's van het IPCC zijn zo 
angstwekkend als een sciencefictionfilm", 
zei VN-secretaris-generaal Ban Ki Moon 
“Hoe minder wij in actie komen, hoe meer opwarming, hoe ernstiger de gevolgen.” 
Het IPCC heeft verschillende scenarios omtrent de gevolgen van de opwarming in kaart 
gebracht. De ergste scenario’s zijn zeer verontrustend! Letterlijk álles staat op het spel: 
sociale samenhang, economieën, welvaartverdeling, ontwikkeling, gezondheid, natuur, vrede 
en toekomst. Denk bijvoorbeeld aan: 
- Ernstige schade aan de wereldwijde economie (bron: Stern- rapport) 
- Miljarden doden door o.a. hongersnood en watertekort 
- Honderden miljoenen vluchtelingen 
- Grote toename van droogtes, overstromingen, bosbranden, orkanen etc. 
- Het verdwijnen van Groenland en Antarctica 
- Zeespiegelstijging 
“Met meer dan 70% van de wereldpopulatie gevestigd in kustgebieden zal een rijzende 
zeespiegel enorme menselijke en socioeconomische kosten met zich meebrengen” 
Zowel Antarctica als Groenland en het landijs smelt met alarmerende snelheid. Het is nog 
onzeker in welke mate deze poolgebieden zullen bijdragen aan de zeespiegelstijging. Maar de 
buitengewone omvang van deze potentiële impact dwingt ons om dit risico serieus te nemen!
41 
Een zes meter stijging betekent emigratie van tien miljoen Nederlanders! 
. . 
Nieuwe kaart van Nederland bij 6 meter stijging. Groningen behoort tot het ondergelopen 
gebied. 
§ Donkergrijs: overstroomd gebied 
§ Lichtgrijs: behouden gebied.
42 
Bijlage 2 
“Maar er is hoop. De mogelijkheden om het 
op te lossen zijn er en ze zijn betaalbaar”. 
Het is zeker dat we dit probleem kunnen oplossen. We zijn nog niet te laat. 
De oplossingen voor de klimaatcrisis zijn er al. De technologiëen zijn reeds beschikbaar 
en het inzetten ervan brengt immense economische voordelen. Maar we moeten het nog 
wel doen. 
Gelukkig laten mensen over de hele wereld ons zien 
wat er allemaal mogelijk is. Overheden maken 
afspraken over maatregelen. Vele gemeenschappen en 
individuen dragen al effectief bij aan het oplossen van 
de klimaatcrisis. Ook in Nederland zijn meer dan 
honderdduizend huishoudens CO2 neutraal. Dit 
betekent dat we op de goede weg zijn. Maar we zijn er 
nog lang niet. Met elkaar kunnen we de ergste gevolgen 
van de klimaatverandering voorkomen. Maar daarvoor 
is jouw bijdrage ook nodig.
“Kleine veranderingen in je dagelijkse routine kunnen samen een groot verschil maken in 
het stoppen van de wereldwijde opwarming.” 
43 
. 
Wat jij kunt doen: 
- Stem op politieke partijen die plannen ondernemen om de 
klimaatcrisis te beheersen. 
- Probeer je eigen verontreiniging via CO2 zo veel mogelijk 
te verminderen en de rest te compenseren. 
- Koop van ondernemingen die meehelpen aan het oplossen 
van het broeikaseffect. 
- Plant nieuwe bomen en help mee de bossen te 
beschermen. 
- Koop energiezuinige apparaten.
44 
Bijlage 3 
Tabel 1 
Items en factorladingen voor een oblique direct oblimin drie-factor structuur voor waargenomen 
ernst en kwetsbaarheid 
Item Factorlading 
Persoonlijke Relevantie 
1. De klimaatcrisis heeft gevolgen voor mijzelf. 
.68 
2. Ik voel me bedreigd door de klimaatcrisis. 
.87 
3. Ik voel me kwetsbaar voor de gevolgen van de klimaatcrisis. 
.91 
4. Ik ben ongerust over de gevolgen van klimaatcrisis voor mezelf en mijn 
familie. 
.78 
5. Ik ben ongerust over de gevolgen van de klimaatcrisis voor Nederland. 
.90 
6. Ik ben ongerust over de gevolgen van de klimaatcrisis voor mijn lokale 
omgeving. 
.67 
Kans 
1. Ik denk dat de kans dat de gemiddelde temperatuur op aarde toeneemt 
(erg klein is / erg groot is) 
.94 
2. Ik denk dat de kans dat zeespiegel stijgt 
(erg klein is / erg groot is) 
.95 
Ernst 
1. Als de gemiddelde temperatuur zal toenemen, dan vind ik dat 
(helemaal niet ernstig / zeer ernstig) 
.73 
2. Als de zeespiegel zal stijgen, dan vind ik dat 
(helemaal niet ernstig / zeer ernstig) 
.83 
3. De klimaatcrisis bestaat niet. 
.91 
4. De klimaatcrisis is een natuurlijk verschijnsel. 
.63 
5. De klimaatcrisis is niet zo ernstig als de media stelt. 
.66
45 
Tabel 2 
Items en factorladingen voor een oblique direct oblimin twee-factor structuur voor waargenomen 
effectiviteit 
Item Factorlading 
Efficacy 
1. Er zijn eenvoudige dingen die ik kan doen die de negatieve effecten van de 
klimaatcrisis kunnen verminderen. 
.66 
2. Ik kan veranderingen in mijn dagelijkse routine aanbrengen om de klimaatcrisis 
tegen te gaan. 
.84 
3. Er is weinig dat ik kan doen om de negatieve effecten van de klimaatcrisis te 
verminderen. 
.75 
4. De dingen die ik kan doen maken een verschil in het verminderen van de 
negatieve effecten van de klimaatcrisis. 
.87 
5. De bijdrage die ik lever zal helpen om de klimaatcrisis tegen te gaan. 
.88 
6. De veranderingen die ik aanbreng in mijn dagelijkse routine zullen helpen om de 
klimaatcrisis tegen te gaan. 
.92 
7. Als ik iets zou proberen te doen aan de klimaatcrisis, betwijfel ik of dat zal 
helpen. 
.81 
Bijdrage van anderen 
1. Ik ben er zeker van dat voldoende anderen zullen bijdragen om de negatieve 
effecten van de klimaatcrisis te verminderen. 
.91 
2. Ik vertrouw erop dat genoeg Nederlandse huishoudens zullen bijdragen om de 
negatieve effecten van de klimaatcrisis te verminderen. 
.89 
3. Ik betwijfel of voldoende anderen zullen bijdragen om de negatieve effecten van 
de klimaatcrisis te verminderen. 
.92 
4. Ik ben er niet zeker van of genoeg Nederlanders iets zullen proberen te doen 
tegen de klimaatcrisis. 
.78
Tabel 3 
Items en factorladingen voor een oblique direct oblimin drie-factor structuur voor Intentie tot energie 
besparen 
Item Factorlading 
46 
Algemene Intentie 
1. Ik ben van plan om concrete stappen te nemen om de negatieve effecten van de 
klimaatcrisis te verminderen. 
.82 
2. Ik zal enkele maatregelen nemen om de negatieve effecten van de klimaatcrisis te 
verminderen. 
.52 
3. Ik ben van plan om mijn gloeilampen te vervangen met spaarlampen. 
.68 
4. Ik ben van plan om te stemmen op een politieke partij die zich sterk maakt tegen de 
klimaatcrisis. 
.97 
Structurele Actieve Intentie 
1. Ik ben van plan om een oproep aan het parlement te ondertekenen om een subsidie 
regeling voor duurzame energie te realiseren (www.milieudefensie.nl/klimaat). 
.90 
2. Ik ben van plan te onderzoeken of ik mijn geld op een klimaatvriendelijke bank kan 
zetten (www.nietmetmijngeld.nl). 
.72 
Specifieke Intentie 
1. Ik ben van plan om mijn thermostaat 1 graad lager te zetten. 
.87 
2. Ik ben van plan om de verwarming een uur eerder uit te zetten voor het slapen gaan/ 
weggaan. 
.87 
3. Ik ben van plan om een waterbesparende douchekop aan te schaffen en/of korter te 
douchen. 
.50
47 
Tabel 4 
Items en factorladingen voor een oblique direct oblimin één-factor structuur voor Angst 
Tabel 5 
Items en factorladingen voor een oblique direct oblimin één-factor structuur voor Overheid 
Items (Ik vind dat de overheid..) Factorlading 
1. Hogere subsidies moet geven voor energiebesparende maatregelen. 
.72 
2. Ontbossing moet tegengaan. 
.73 
3. Energieleveranciers moet verplichten om groene stroom te produceren. 
.70 
4. De verkoop van spaarlampen moet stimuleren. 
.74 
Item Factorlading 
1. Op dit moment ben ik bang. 
.82 
2. Op dit moment ben ik ongerust. 
.69 
3. Op dit moment ben ik nerveus. 
.85 
4. Op dit moment ben ik wanhopig. 
.84 
5. Op dit moment ben ik geschokt. 
.82 
6. Op dit moment ben ik ontdaan. 
.85 
7. Op dit moment ben ik ontmoedigd. 
.79
48 
Bijlage 4 
10 15 20 25 30 
som overheid 
20 
15 
10 
5 
0 
Frequency 
Mean =23,49 
Std. Dev. =3,349 
N =78 
Histogram 
6 8 10 12 14 
som kans factor 2 
20 
15 
10 
5 
0 
Frequency 
Mean =11.22 
Std. Dev. =2.394 
N =78 
Histogram

Master thesis

  • 1.
    Coping with theclimate crisis: Effects of fear appeals, efficacy and contribution of others on intentions to reduce energy consumption and support for policy measures. Omgaan met de klimaatcrisis: Effecten van fear appeals, efficacy en bijdrage van anderen op intenties tot energie besparen en steun voor beleidsmaatregelen. Faculteit der Gedrags- en Maatschappijwetenschappen Masterthese 2009 Auteur: Nynke Sijbesma s1217402 Supervisor: Dr. M. van Zomeren
  • 2.
    1 Voorwoord Inhet kader van de afronding van mijn master sociale psychologie aan de Rijksuniversiteit van Groningen, ben ik in december 2008 gestart met mijn masterthese. Graag wil ik mijn begeleider, Dr. M. van Zomeren, bedanken voor zijn steun en begeleiding. Zijn kennis en ervaring hebben onmiskenbaar bijgedragen aan de succesvolle totstandkoming van deze masterthese en bovendien ben ik hem dankbaar voor de mogelijkheid om een onderwerp te kiezen dat aansluit bij mijn interesse. In dit onderzoek staat de klimaatcrisis centraal, een onderwerp naar mijn hart. Nynke Sijbesma, augustus 2009
  • 3.
    2 Inhoudsopgave Samenvatting........................................................................................................................................... 4 Summary ................................................................................................................................................. 4 1. Introductie ........................................................................................................................................... 5 1.1 Achtergrond ................................................................................................................................... 5 1.2 Fear appeals .................................................................................................................................. 6 1.3 Sociale dilemma modellen ............................................................................................................ 8 1.4 Samenvatting en hypothesen ...................................................................................................... 11 2. Methode ............................................................................................................................................. 12 2.1 Deelnemers, design, procedure ................................................................................................... 12 2.2 Stimulusmateriaal ....................................................................................................................... 12 2.2.1 Fear appeal ........................................................................................................................... 12 2.2.2. Vertrouwen .......................................................................................................................... 14 2.3 Vragenlijst ................................................................................................................................... 15 3. Resultaten .......................................................................................................................................... 17 3.1 Manipulatiechecks ...................................................................................................................... 17 3.2 Afhankelijke variabelen .............................................................................................................. 20 3.3 Mediatie-effecten ......................................................................................................................... 22
  • 4.
    4. Discussie .............................................................................................................................................24 4.1 Samenvatting resultaten .............................................................................................................. 24 4.2 Fear appeals ................................................................................................................................ 25 4.3 Vertrouwen .................................................................................................................................. 27 4.4 Beperkingen en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek ...................................................... 29 4.4.1 Beperkingen .......................................................................................................................... 29 4.4.2 Aanbevelingen voor toekomstig onderzoek .......................................................................... 30 4.5 Conclusie ..................................................................................................................................... 31 Referenties ............................................................................................................................................. 32 Bijlage 1 Fear appeal tekst ................................................................................................................ 38 Bijlage 2 Waargenomen effectiviteit manipulatie .......................................................................... 42 Bijlage 3 Items & factorladingen ..................................................................................................... 44 Bijlage 4 Histogrammen Kans & Overheid .................................................................................... 48 3
  • 5.
    4 Samenvatting Hetinzetten van fear appeals als communicatiemiddel m.b.t. de klimaatcrisis is een controversiële en verwaarloosde strategie vanwege mogelijke schadelijke fear control reacties. Het huidige onderzoek integreert theoretische modellen van fear appeals, collectieve actie en sociale dilemma’s om tot een concrete communicatiestrategie te komen voor het oplossen van de milieuproblematiek. Met een 2 x 2 factorieel experiment is het effect onderzocht van (a) een fear appeal boodschap en (b) het gezamenlijke effect van efficacy en bijdrage van anderen, samen aangeduid met ‘vertrouwen’. De resultaten onthulden dat blootstelling aan de fear appeal leidde tot hogere intenties tot energie besparen en steun voor beleidsmaatregelen. Bovendien zijn er geen aanwijzingen gevonden voor schadelijke fear control reacties. Het verhogen van vertrouwen leidde ook tot hogere intenties tot energie besparen. Dit suggereert dat een goede communicatiestrategie om mensen aan te zetten tot energiebesparing zowel gebruik maakt van een fear appeal als van informatie dat vertrouwen – in eigen kunnen en anderen – aanwakkert. Mijn conclusie luidt dat onderzoek naar fear appeals en vertrouwen een veelbelovend startpunt is voor het verbeteren van de communicatie bij collectieve problemen zoals de klimaatcrisis. Summary The use of fear appeals for coping with the climate crisis has been a neglected and controversial strategy because of the potential to backfire (e.g. fear control reactions). The current study combines theoretical models of fear appeals, collective action and social dilemmas in an attempt to develop an effective communication strategy that can contribute to a solution. A 2 by 2 factorial experiment is conducted to examine the effect of (a) a fear appeal message and (b) the combined effect of efficacy and contribution of others, here indicated by ‘trust’. The results disclosed that the fear appeal strengthened intentions to reduce energy consumption and support for policy measures. Increasing trust also lead to higher intentions to reduce energy consumption. Moreover, no signs were found of detrimental fear control reactions. This suggests that a good communication strategy for stimulating energy conservation among people consists of a fear appeal as well as information that increases trust (e.g. efficacy and trust in others). My conclusion is that research on fear appeals and trust offers a promising starting point for improving the communication with regard to collective problems like the climate crisis.
  • 6.
    5 1. Introductie 1.1 Achtergrond Van alle milieuproblematiek wordt de klimaatcrisis als het belangrijkste en het meest bedreigende probleem van de 21ste eeuw beschouwd. Het Intergovernmental Panel on Climate Change waarschuwt voor ernstige gevolgen indien de wereldwijde uitstoot van CO2 niet binnen tien jaar drastisch wordt gereduceerd (IPCC, 2007). Hoewel de preventie van deze crisis economische en technische maatregelen vereist, betreft het grotendeels ook een gedragsmatig probleem dat vraagt om veranderingen in levensstijl, consumptiepatronen, autogebruik e.a. De psychologie kan in dit opzicht verhelderen hoe mensen gestimuleerd kunnen worden om zulke veranderingen aan te gaan. Huidige communicatiestrategieën zijn echter ontoereikend gebleken in het creëren van draagvlak voor de vereiste maatregelen (Moser & Luganda, 2006). Er is een groot contrast tussen de hoge mate van bezorgdheid en urgentie die vanuit de wetenschap gecommuniceerd wordt en het gebrek aan actie in de maatschappij dat vereist is om het probleem aan te pakken. Eén van de verklaringen voor deze tweespalt betreft het gebrek aan risicobeleving onder mensen (Etkin, 2007; Leizerowitz, 2006; Lorenzoni, Leiserowitz, De Franca Doria, Poortinga & Pidgeon, 2006; Weber, 2006). De ernst en kwetsbaarheid voor de risico’s van klimaatverandering worden vaak onderschat of de persoonlijke relevantie en urgentiebeleving ontbreekt. Dit stimuleerde Al Gore tot het uitbrengen van de wereldberoemd geworden documentairefilm An Inconvenient Truth, waarin hij probeert de ernst van de situatie duidelijk te maken en bovendien een oproep doet tot daadkracht. Hoewel deze film wereldwijd het klimaatbewustzijn heeft vergroot, heeft het tot op heden niet tot voldoende maatregelen geleid om de klimaatcrisis af te wenden, en dit onderstreept het belang van het ontwikkelen van effectieve risicocommunicatie. Met het oog op de klimaatcrisis is daarom onderzoek nodig om kennis te verkrijgen over de wijze waarop massamediale campagnes kunnen bijdragen aan oplossingen voor dergelijke milieuproblematiek. In het huidige onderzoek probeer ik een nieuw antwoord te geven op de vraag, of fear appeals zoals aanwezig in An Inconvenient Truth (bijv. het beeld van Nederland onder water) een goede manier zijn om mensen aan te zetten tot energiebesparend gedrag. Er is nog weinig bekend over de effectiviteit van angstaanjagende boodschappen bij problemen van collectieve
  • 7.
    aard, zoals deklimaatcrisis. Collectieve problemen gaan vaak gepaard met situaties waarin het eigenbelang in conflict komt met het collectieve belang (zogenaamde sociale dilemma’s), waarbij voor mensen ook vaak een rol speelt wat andere mensen doen of zullen doen. Daarom kijk ik in het onderzoek niet alleen naar fear appeals, maar ook naar het vertrouwen dat mensen hebben in eigen kunnen en in anderen. 1.2 Fear appeals Angstaanjagende boodschappen (fear appeals) zijn voornamelijk binnen de gezondheids-voorlichting een veelgebruikte vorm van risicocommunicatie. De afgelopen vijftig jaar is uitgebreid onderzoek gedaan naar de overtuigende effecten van fear appeals en is het een effectief middel gebleken voor het veranderen van attitudes, intenties en gedrag (Witte & Allen, 2000), bijvoorbeeld ter preventie van borstkanker, roken, drugs- en alcoholmisbruik en seksueel overdraagbare aandoeningen. Verschillende theoretische modellen geven een verklaring voor de effectiviteit van fear appeals. Leventhal (1968, 1970) vond geen ondersteuning voor het Drive Model, dat een omgekeerde u-vormige relatie tussen angst en attitudeverandering veronderstelt, en introduceerde vervolgens het Parallel Process Model, dat twee mogelijke reacties op een fear appeal beschrijft: ‘danger control’ (acceptatie van de boodschap) en ‘fear control’ (beheersing van angst). Wanneer individuen reageren met een fear control reactie wordt de boodschap genegeerd, verworpen of ontkend. Fear control zou volgens dit model een barrière voor gedragsverandering kunnen vormen wat mensen ervan weerhoudt om tot milieuvriendelijk gedrag over te gaan. De Protectie Motivatie Theorie (Rogers 1975, 1983) verklaart de cognitieve factoren die tot acceptatie van een fear appeal boodschap leiden. Het model is schematisch weergegeven in Figuur 1. Acceptatie van de boodschap is waarschijnlijk indien: de waargenomen ernst en kwetsbaarheid voor het risico groot is; individuen geloven dat ze het aanbevolen gedrag goed kunnen uitvoeren (zelf-efficacy); en de overtuiging hebben dat de respons effectief is in het afwenden van de dreiging (respons-efficacy). Zelf-efficacy en respons-efficacy worden samen aangeduid met waargenomen effectiviteit. Volgens Rogers is angst een motiverende kracht voor zelfbeschermend gedrag, maar alleen wanneer deze cognitieve factoren aanwezig zijn. Hij veronderstelt dat fear appeals met name effectief zijn wanneer de waargenomen effectiviteit en de waargenomen dreiging hoog is. Mensen kunnen dan immers iets constructiefs doen met de waargenomen dreiging. Een meta-analyse van Witte et al. (2000) biedt sterke ondersteuning voor Rogers’ Protectie Motivatie Model. 6
  • 8.
    7 WAARGENOMEN EFFECTIVITEIT (zelf-efficacy, respons-efficacy) --------------- WAARGENOMEN DREIGING (ernst, kwetsbaarheid) Protectie motivatie Angst Defensie motivatie Figuur 1: Schematisch overzicht van Rogers’ Protectie Motivatie Model. DANGER CONTROL (acceptatie van de boodschap) FEAR CONTROL (verwerpen, negeren, ontkennen van de boodschap) Al Gore gebruikt in zijn documentairefilm indringende beelden van gevolgen van orkanen, terugtrekkende gletsjers, ijskappen die in de zee storten en effecten van verdroging en verwoestijning, waarmee een beroep op angst wordt gedaan om mensen tot actie aan te zetten. Ook het taalgebruik is indringend: “I want to testify today about what I believe is a planetary emergency; a crisis that threatens the survival of our civilization and the habitability of the Earth.” Maar hoewel fear appeals zoals in An Inconvenient Truth met succes zijn toegepast binnen de gezondheidswetenschappen, is het gebruik ervan bij grootschalige milieuproblemen als de klimaatcrisis omstreden (Moser & Dilling, 2004). De klimaatcrisis is namelijk, in tegenstelling tot veel gezondheidsproblemen, een typisch collectief probleem dat zich voordoet op mondiale schaal. Een oplossing is daarom niet haalbaar op individueel niveau; alle actoren moeten meewerken aan de oplossing. Dit laat veel ruimte voor mensen om hun gedrag aan te passen aan wat ze denken dat anderen zullen doen. Als mensen weinig vertrouwen hebben in anderen (bijvoorbeeld omdat ze denken dat anderen toch niets zullen doen) is de waargenomen effectiviteit van collectieve actie vaak erg laag (Van Zomeren, Spears, Fischer & Leach, 2004). Dit heeft implicaties voor de veronderstelde effectiviteit van fear appeals met betrekking tot de klimaatcrisis, zoals aanwezig in An Inconvenient Truth. Wanneer fear appeals namelijk een hoge mate van angst veroorzaken en de waargenomen effectiviteit om de dreiging weg te nemen laag is, is het waarschijnlijk dat individuen reageren met een ongewenste fear control reactie die niet tot collectieve actie leidt, zoals het verwerpen, negeren of ontkennen van de boodschap m.b.t. de klimaatcrisis (Niemeyer, Petts & Hobson, 2005; Roser & Thompson, 1995; Tan, Ogawa & Matsumara, 2008).
  • 9.
    Het is inderdaadnog maar de vraag welke respons een fear appeal met betrekking tot de klimaatcrisis kan uitlokken. Enerzijds kan lage waargenomen effectiviteit in combinatie met hoge angst ervoor zorgen dat individuen overweldigd worden door de omvang van het probleem en reageren met fear control, resulterend in apathie. Anderzijds zullen fear appeals waarschijnlijk slechts matige niveaus van angst oproepen, vanwege het ‘ver weg karakter’ van de gevolgen in temporeel en geografisch opzicht. In dat geval zou een fear appeal een positieve uitwerking kunnen hebben. Emoties zoals angst, bezorgdheid en schuldgevoelens motiveren dan waarschijnlijk tot zelfbeschermend gedrag dat gericht is op het reduceren van de risicobeleving, zoals het nemen van de aanbevolen energiebesparende maatregelen (Weber, 2006). In de hoop een antwoord te vinden op bovenstaande vraag manipuleer ik in mijn studie een fear appeal met betrekking tot de klimaatcrisis, waarbij het probleem wordt beschouwd als een klassiek sociaal dilemma. 1.3 Sociale dilemma modellen Veel milieuproblemen worden veroorzaakt doordat individuen geneigd zijn om te kiezen voor persoonlijk gewin met nadelige gevolgen voor het collectief dat afhankelijk is van de gedeelde natuurlijke bron (Samuelson, 1990; Steg, 2003; VanVugt, 2002). Hardin (1968: p. 1244) beschreef deze situatie in een beroemd geworden essay The Tragedy of the Commons: “Ruin is the destination toward which all men rush, each pursuing his own best interest in a society that believes in the freedom of the commons. Freedom in a commons brings ruin to all.” Elk individu wordt geconfronteerd met een sociaal dilemma: een situatie waar gemeenschappelijke belangen en individuele belangen van individuen met elkaar in conflict zijn. Gedrag dat op korte termijn individuele beloningen oplevert, heeft op lange termijn ernstige gevolgen voor de gemeenschap als teveel mensen dit vertonen. In het kader van de klimaatcrisis is de wereldwijde gemeenschap gebaat bij energiebesparende maatregelen, maar dit gaat gepaard met kosten en is daarom in strijd met individuele belangen. Het is daarmee de vraag of fear appeals een goede manier zijn om mensen aan te zetten tot de gewenste gedragsverandering, want wellicht hebben ze, gezien de collectieve schaal waarop het probleem zich afspeelt, geen vertrouwen in de bereidheid van anderen om mee te doen, en daarmee in hun eigen kunnen. Bij grootschalige sociale dilemma problemen is de waargenomen effectiviteit erg laag (Kerr, 1989). Mede als gevolg daarvan wordt het kiezen voor gemeenschappelijk belang 8
  • 10.
    ontmoedigd en dekeuze voor eigenbelang aantrekkelijk. Bij de problematiek van de klimaatcrisis bijvoorbeeld, zijn mensen zich bewust van de verwaarloosbare impact van hun energiebesparende maatregelen. De overtuiging dat hun eigen respons effectief is in het afwenden van de dreiging ontbreekt. Om dit te bereiken is namelijk de bijdrage van anderen noodzakelijk. Dit vormt wellicht een barrière om tot energie besparen over te gaan vanwege de sociale onzekerheid die hiermee gepaard gaat. Het is de vraag of mensen voldoende vertrouwen hebben in de medewerking van andere individuen en relevante partijen, zoals de landbouw- en industriesector. Verschillende theorieën richten zich om deze reden op de bijdrage van anderen. De Goal Expectation Theory voorspelt dat individuen in sociale dilemma situaties alleen bereid zijn om hun eigenbelang op te offeren als ze de verwachting hebben dat andere mensen ook zullen bijdragen (Pruit & Kimmel, 1977). In overeenstemming met Goal Expectation Theory stelt Dawes (1980, geciteerd in Steg, 2003) dat mensen in sociale dilemma situaties bereid zijn om mee te werken wanneer (a) ze de aard van het dilemma begrijpen en de voordelen van meewerken inzien, en (b) ze ervan overtuigd zijn dat voldoende anderen dit ook zullen doen. Uit experimenteel onderzoek is inderdaad gebleken dat mensen eerder meewerken wanneer ze verwachten dat andere groepsleden dit ook zullen doen (Pruit & Kimmel, 1977; Staats, Wit & Midden, 1996; Wit & Wilke, 1998). Echter, de meeste resultaten met betrekking tot sociale dilemma’s zijn afkomstig van laboratoriumstudies met eenvoudige experimentele modellen (bijv. spelletjes). Het is onzeker of dergelijke resultaten succesvol kunnen worden toegepast in interventiestrategieën voor echt bestaande sociale dilemma’s, die veel complexer van aard zijn (Nemeth, 1972; Steg, 2003). Het geven van informatie over de bijdrage van anderen (bijv. een opiniepeiling) is wellicht een goede manier om mensen aan te zetten tot energiebesparend gedrag, vanwege de verwachte positieve invloed op waargenomen effectiviteit. In grote groepen zijn mensen er niet zeker van dat hun bijdrage de moeite waard is, omdat dit grotendeels afhankelijk is van het gedrag van anderen (sociale onzekerheid). Wanneer mensen weten dat meer anderen bereid zijn om tot actie over te gaan, zal de waargenomen effectiviteit hoger zijn (Niemeyer et al., 2005; Van Zomeren et al., 2004) en als gevolg hiervan zal de actiebereidheid tot milieuvriendelijk gedrag waarschijnlijk groter zijn. Om dit effect te onderzoeken, worden waargenomen effectiviteit en actiebereidheid van anderen in dit onderzoek samen gemanipuleerd en aangeduid met 'vertrouwen’. Deze term omvat de manipulatie van: het vertrouwen in de bijdrage van anderen, het vertrouwen in eigen kunnen (zelf-efficacy), en het vertrouwen in de effectiviteit van het energiebesparende gedrag (respons-efficacy). 9
  • 11.
    Het geven vaninformatie over anderen kan echter ook averechts werken. In grootschalige sociale dilemma situaties als de klimaatcrisis bestaat de mogelijkheid dat de actiebereidheid van anderen de ervaren noodzaak van een eigen bijdrage wegneemt, door Olson (1965) het ‘free-rider effect’ genoemd. Wanneer mensen hun eigen pogingen tot energie besparen niet langer als noodzakelijk beschouwen voor het groepssucces zullen ze hun bijdrage verminderen (Ames & Marwell, 1979; Kerr & Bruun, 1983; Kim & Walker, 1984). Het free-rider effect kan zo een barrière vormen die mensen ervan weerhoudt om tot het gewenste 10 gedrag over te gaan. (“Ik hoef niets te doen want anderen lossen het probleem toch al op.”) Om de klimaatcrisis te kunnen tegengaan, is het belangrijk om naast intenties tot energie besparen ook de steun voor overheidsmaatregelen te verhogen. Structurele maatregelen zoals wetten, regels en financiële stimulansen (incentives) veranderen de kosten-baten structuur van het gewenste milieuvriendelijke gedrag (bijv. zodat energiebesparing aantrekkelijker wordt dan energieverspilling) en zijn daarom cruciaal voor het doorbreken van het sociale dilemma en daarmee het vermijden van Hardin’s ‘tragedy of the commons’. Volgens Yamagishi’s Structural Goal Expectation Theory (1986, 1988) zullen mensen pleiten voor structurele maatregelen wanneer ze bezorgd zijn om de collectieve gevolgen van milieu-onvriendelijk gedrag en weinig vertrouwen hebben in de bijdrage van anderen (bijvoorbeeld vanwege het free-rider effect). Resultaten van Staats et al. (1996) bieden ondersteuning voor deze theorie. Met betrekking tot de klimaatcrisis zullen fear appeals daarom wellicht een positieve invloed uitoefenen op structurele maatregelen, omdat het waarnemen van de boodschap waarschijnlijk de bezorgdheid om het milieu vergroot. Het is bovendien de vraag of een gebrek aan vertrouwen - in eigen kunnen en anderen - overheidsmaatregelen m.b.t. de klimaatcrisis kan stimuleren. Wellicht zullen mensen bij weinig vertrouwen niet hun eigen gedrag veranderen, maar wel een actievere rol van de overheid verwachten. Concluderend: Ik manipuleer in het experiment niet alleen een fear appeal, maar ook waargenomen effectiviteit en de mate van actiebereidheid van anderen met betrekking tot de klimaatverandering (‘vertrouwen’), waarbij ik door middel van specifieke informatie in de boodschap het free-rider effect probeer te voorkomen. Het algemene idee hierbij is dat mensen eerder geneigd zijn tot milieuvriendelijk gedrag als ze het risico ervan onderkennen (d.m.v. de fear appeal), hun eigen bijdrage als noodzakelijk beschouwen, en niet geremd worden door zorgen over een gebrek aan steun en daarmee effectiviteit. Omdat de overheid d.m.v. structurele maatregelen wellicht een belangrijke rol zou kunnen spelen in het stimuleren van energiebesparend gedrag, wordt er zowel gekeken naar het effect van de manipulaties op
  • 12.
    intenties tot energiebesparendgedrag, als naar het effect op steun voor energiebesparende beleidsmaatregelen. 1.4 Samenvatting en hypothesen Het huidige onderzoek integreert fear appeal modellen en modellen van sociale dilemma’s en collectieve actie om tot een concrete oplossing te komen van het dilemma van het communiceren van milieuproblematiek. Er is nog weinig bekend over hoe effectief het gebruik van fear appeals bij een probleem van collectieve aard is, en wat de rol van sociale onzekerheid en daarmee gepaard gaande waargenomen effectiviteit is. Het onderzoek zal dus een nieuw antwoord geven op de vraag of fear appeals een goede manier zijn om mensen aan te zetten tot energiebesparend gedrag en wat de rol van vertrouwen hierin is. Ik verwacht dat: (a) fear appeals een positief effect hebben op intenties tot energie besparen en op de waargenomen noodzaak voor beleidsmaatregelen, en (b) dat vertrouwen een positief effect heeft op intenties tot energie besparen en waargenomen noodzaak voor beleidsmaatregelen, en (c) dat het effect van fear appeals op intenties tot energie besparen groter zal zijn bij veel dan weinig vertrouwen, en (d) dat waargenomen noodzaak voor beleidsmaatregelen groter is bij weinig vertrouwen. Ik test de hypothesen met een psychologisch experiment, waarin mensen random toegewezen worden over vier experimentele condities. De eerste manipulatie bedraagt een korte angstaanjagende boodschap, waarin de gevolgen van de klimaatcrisis, specifiek de zeespiegelstijging, zichtbaar worden gemaakt (versus een controle-conditie). De tweede manipulatie betreft informatie over vertrouwen (versus een controle-conditie). Middels een vragenlijst worden alle metingen (afhankelijke variabelen en controlevariabelen) verzameld. De kernvariabelen zijn: Angst; Waargenomen effectiviteit (ofwel efficacy) en bijdrage van anderen; Intenties tot energie besparen en Waargenomen noodzaak van beleidsmaatregelen. Ik analyseer de data met behulp van variantie-analyses om te testen voor gemiddelde verschillen tussen de experimentele condities, zoals voorspeld in de hypothesen. 11
  • 13.
    12 2. Methode 2.1 Deelnemers, design, procedure Achtenzeventig psychologiestudenten aan de Rijksuniversiteit van Groningen (64 vrouwen en 14 mannen, gemiddelde leeftijd 20 jaar) namen deel aan een experiment aan de betreffende universiteit in ruil voor studiepunten of een financiële beloning. Het experiment had de vorm van een vragenlijstonderzoek. De onderzoeksdeelnemers werden gerandomiseerd toegewezen aan één van de vier experimentele condities. Het onderzoeksdesign betrof een 2 (Fear appeal: Ja / Nee) X 2 (Vertrouwen: Groot / Klein) factorieel design. Aan elke conditie werden twintig deelnemers toegewezen, behalve in de groot vertrouwen conditie (18 personen). Bij aankomst werden de deelnemers verwelkomd en toegewezen aan een deels afgescheiden ruimte met een computer. Vervolgens werd een onderzoekspakket uitgedeeld, bestaande uit een vragenlijst, een informed consent formulier en - afhankelijk van de conditie - één of twee teksten. Aan de deelnemers werd gevraagd om na het bestuderen van de teksten (en evt. de film) de vragenlijst in te vullen door antwoorden te kiezen op een zeven-punt Likert schaal (1= helemaal niet, 7=heel erg). In de fear appeal conditie werd een angstaanjagende boodschap getoond in de vorm van een tekst gevolgd door een korte film, waarin de gevolgen van de klimaatcrisis in beeld waren gebracht. Deelnemers in de vertrouwen conditie lazen een tekst met aanbevolen acties, de effectiviteit ervan en informatie over de actiebereidheid van anderen. In de fear appeal + vertrouwen conditie kregen de deelnemers zowel de angstaanjagende boodschap als de waargenomen effectiviteit informatie. De deelnemers in de controleconditie kregen alleen de vragenlijst, waarin hen werd gevraagd aan te geven wat hun attitude ten opzichte van de klimaatverandering was. 2.2 Stimulusmateriaal 2.2.1 Fear appeal De tekst De tekst (Zie bijlage 1) begon met een korte uitleg over de klimaatcrisis en de hoofdoorzaken ervan. Met concrete voorbeelden werd duidelijk gemaakt hoe de deelnemer bijdraagt aan dit probleem. Vervolgens werd onderstreept dat de klimaatcrisis een feit is, met een opsomming
  • 14.
    van de eerstezichtbare gevolgen van de klimaatcrisis. Na een korte toelichting op het IPCC werd de urgentie van de crisis benadrukt, waarop een beschrijving volgde van de ernstigste scenario’s over de gevolgen van de wereldwijde opwarming. De tekst eindigde met de gevolgen van de zeespiegelstijging en de implicaties die dit heeft voor Nederland. De fear appeal is ontworpen met inachtneming van Witte’s (2000) richtlijnen voor het ontwerpen van een effectieve angstaanjagende boodschap, gebaseerd op de resultaten van een omvangrijke meta-analyse. Om de effectiviteit van de fear appeal optimaal te maken, is zorgvuldig gekeken naar de waargenomen ernst en kwetsbaarheid met betrekking tot de klimaatcrisis, de persoonlijke relevantie ervan en de geloofwaardigheid van de boodschap (efficacy-informatie is in de vertrouwen-tekst opgenomen). Hier volgt per factor een beschrijving van hoe de fear appeal is ontworpen: - Waargenomen ernst: Om de waargenomen ernst van de dreiging zo groot mogelijk te maken, is gebruik gemaakt van levendige afbeeldingen (film) en taalgebruik en aangrijpende citaten van VN-secretaris-generaal Ban Ki Moon, bijvoorbeeld: “De ergste scenario's van het IPCC zijn zo angstwekkend als een sciencefictionfilm”, en: “Met meer dan 70% van de wereldpopulatie gevestigd in kustgebieden zal een rijzende zeespiegel enorme menselijke en socio-economische kosten met zich meebrengen.” - Waargenomen kwetsbaarheid & persoonlijke relevantie: Om de persoonlijke relevantie en de waargenomen kwetsbaarheid optimaal te maken is in de film en de tekst de nadruk gelegd op de ergste gevolgen voor Nederland, specifiek de mogelijke zeespiegelstijging van 6 meter. De tekst bevat bijvoorbeeld een afbeelding van de nieuwe kaart van Nederland, waarin Groningen tot het ondergelopen gebied behoord, met de tekst: “Een zes meter stijging betekent emigratie van tien miljoen Nederlanders.” De boodschap wordt verder gepersonaliseerd door de lezer te wijzen op zijn verantwoordelijkheid: “In welke mate wij de komende jaren actie ondernemen zal bepalen welke wereld wij achterlaten voor onze kinderen en kleinkinderen”, en: “Hoe minder wij in actie komen, hoe meer opwarming, hoe ernstiger de gevolgen.” - Geloofwaardigheid: De tekst is gebaseerd op uitspraken van geloofwaardige bronnen, namelijk het IPCC en VN-secretaris-generaal Ban Ki Moon. Het IPCC wordt algemeen beschouwd als de meest neutrale bron en wereldwijde autoriteit op het gebied van informatie over de klimaatverandering. Om de tekst zo geloofwaardig mogelijk te maken, is een korte toelichting gegeven op het IPCC, het logo op elke pagina vermeld en de onzekerheid rondom de ergste scenario’s aangegeven. 13
  • 15.
    De film Detekst werd gevolgd door een korte film (1 min. 27 sec.), waarin de gevolgen van de zeespiegelstijging voor Nederland zichtbaar waren gemaakt. Net als in Al Gore’s documentairefilm An Inconvenient Truth, werden in hoog tempo beelden getoond van terugtrekkende gletsjers en smeltend poolijs van Groenland en Antarctica, waarbij op indringende wijze werd aangegeven hoeveel meter de zeespiegel zal stijgen als deze gebieden geheel verdwijnen. Om de waargenomen ernst en kwetsbaarheid zo groot mogelijk te maken, werden vervolgens zwart-wit beelden vertoond van een stormvloed aan de Nederlandse kust met de tekst “Zijn we op tijd?”... “Of weer te laat?”, waarna beelden van de watersnoodramp in 1953 verschenen. Tot slot verscheen (in lijn met Gore’s film) een satellietbeeld van Nederland, waarin de contouren van Nederland langzaam verdwenen door de oprukkende zee. Om de ervaren dreiging optimaal te maken, werd gebruik gemaakt van onheilspellende Punk muziek (Foreign Legion, 1987). De film werd getoond op een computer met een geluidssterkte van 70 decibel, waarbij gebruik werd gemaakt van een koptelefoon. 2.2.2. Vertrouwen Vertrouwen werd gemanipuleerd d.m.v. het aanbieden van een korte tekst (zie Bijlage 2). Het doel van de tekst was de lezer ervan te overtuigen dat er door gezamenlijke inspanning een verschil kan worden gemaakt, met uitspraken als: “ Maar er is hoop. Het is zeker dat we dit probleem kunnen oplossen. We zijn nog niet te laat. De oplossingen voor de klimaatcrisis zijn er al. De technologieën zijn al beschikbaar en het inzetten ervan brengt immense economische voordelen. Maar we moeten het nog wel doen.” Om zelf-efficacy te vergroten, werden vervolgens vijf tips gegeven voor wat de lezer kan doen om te helpen de dreiging af te wenden (bijvoorbeeld “koop energiezuinige apparaten”). Om respons-efficacy te vergroten, is ook vermeld dat de aanbevolen acties effectief bijdragen aan het afwenden van de dreiging, bijvoorbeeld: “Kleine veranderingen in je dagelijkse routine kunnen samen een groot verschil maken in het stoppen van de wereldwijde opwarming.” Tot slot bevatte de tekst de volgende informatie over de bijdrage van anderen: “Gelukkig laten mensen over de hele wereld ons zien wat er allemaal mogelijk is. Overheden maken afspraken over maatregelen. Vele gemeenschappen en individuen dragen al effectief bij aan het oplossen van de klimaatcrisis. Ook in Nederland zijn meer dan honderdduizend 14
  • 16.
    huishoudens CO2 neutraal.Dit betekent dat we op de goede weg zijn. Maar we zijn er nog lang niet. Met elkaar kunnen we de ergste gevolgen van de klimaatverandering voorkomen. Maar daarvoor is jouw bijdrage ook nodig.” Om te voorkomen dat het free-rider effect zou kunnen optreden (m.a.w. dat mensen verwachten dat anderen het probleem wel oplossen, zodat ze zelf niets hoeven te doen), werd de deelnemer op het belang van een eigen bijdrage gewezen, met opmerkingen als: “Maar daarvoor is jouw bijdrage ook nodig.” 2.3 Vragenlijst De vragenlijst bestond uit zelf samengestelde subschalen welke getest werden via factoranalyse (zie Bijlage 3 voor tabellen met een overzicht van de items en bijbehorende factorladingen per subschaal). We controleerden onze fear appeal manipulatie met zeven items over hoe de deelnemers zich op dit moment voelden (Cronbach’s α = .91). Vertrouwen werd geoperationaliseerd door middel van elf items, verdeeld over twee subschalen, namelijk: Efficacy (7 items; α = .90) over het vertrouwen in eigen kunnen m.b.t. energie besparen, en Bijdrage van anderen (4 items; α = .90) over het vertrouwen dat genoeg andere mensen ook zullen meewerken. Factoranalyse onthulde een drie-factor structuur voor de waargenomen ernst en kwetsbaarheid items, te weten: Ernst (5 items; α = .87) waarbij de deelnemers aangeven hoe ernstig ze de klimaatcrisis vinden; Kans (2 items, r = .83, p < .001) over hoe groot de kans is dat de zeespiegel zal stijgen en de temperatuur op aarde zal toenemen, en Persoonlijke Relevantie (6 items; α = .90) met betrekking tot de waargenomen persoonlijke kwetsbaarheid voor de gevolgen van de klimaatcrisis. De items voor Intentie tot energie besparen vormden na factoranalyse een drie-factor structuur: Algemene Intentie (4 items; α = .79) met items over algemene beloften om tot actie over te gaan en laagdrempelige handelingen die weinig kosten; Structurele Actieve Intentie (2 items; r = .52, p < .001) met handelingen die de structurele context veranderen en een actieve en/of activistische houding vergen, en Specifieke Intentie (3 items; α = .74) met betrekking tot energiebesparende handelingen in het huishouden die nieuwe gewoonten en zelfbeheersing (curtailment) vereisen. Waargenomen noodzaak van beleidsmaatregelen werd gemeten met de schaal Overheid (4 items; α = .68). Het item “Ik vind dat de overheid de prijs van benzine en diesel moet verhogen” laadde niet op deze schaal en is daarom apart geanalyseerd. Tot slot schreven de deelnemers een korte samenvatting ter indicatie van hoe nauwkeurig de teksten waren 15
  • 17.
    bestudeerd: “Geef inje eigen woorden een samenvatting van de tekst die je hebt gelezen.” De samenvatting had een vereiste minimale omvang die in verhouding was met de omvang van de aangeboden teksten: vijf regels in de vertrouwen-condities en zeven regels in de fear appeal condities. 16
  • 18.
    17 3. Resultaten Alvorens de hypothesetoetsen te presenteren, wordt eerst een algemeen overzicht gegeven van de uitkomsten van het onderzoek. Er is een serie van ANOVAs uitgevoerd met fear appeal en vertrouwen als de onafhankelijke variabelen en intenties tot energie besparen en waargenomen noodzaak voor beleidsmaatregelen als de afhankelijke variabelen. Er volgt eveneens een mediatie-analyse volgens de criteria van Baron en Kenny (1986) om eventuele procesvariabelen te kunnen aanwijzen. 3.1 Manipulatiechecks Alle deelnemers hadden een correcte samenvatting geschreven wat erop wees dat ze de teksten goed hadden bestudeerd. Tabel 1 bevat een overzicht van de gemiddelden en standaarddeviaties voor de variabelen angst, ernst, persoonlijke relevantie en kans. - Angst: De gemiddelde angstscores waren laag, wat erop wees dat de fear appeal slechts milde angstniveaus opriep en daarom waarschijnlijk geen fear control reacties veroorzaakte. Om te toetsen of de fear appeal manipulatie succesvol was geweest, voerde ik een ANOVA uit met fear appeal en vertrouwen als de onafhankelijke variabelen en angst als de afhankelijke variabele, waarbij ik alleen voor de fear appeal condities een significant hoofdeffect vond, F (1, 74) = 14.6, p < .001, η2 = .17; voor vertrouwen, F (1, 74) = 0.22, p < .64, η2 = .02. Ook was er geen interactie, F (1, 74) = 2.701, p < .11. In de fear appeal condities voelden mensen meer angst (M = 2.94, SD = 1.25) dan in de geen fear appeal condities (M = 1.96, SD = 0.98). Het aanbieden van de fear appeal boodschap was dus succesvol in het manipuleren van angst. - Ernst: In tegenstelling tot de verwachting dat blootstelling aan de fear appeal de waargenomen ernst van de klimaatcrisis zou vergroten, wezen de ANOVA resultaten met fear appeal en vertrouwen als de onafhankelijke variabelen en ernst als de afhankelijke variabele niet op een hoofdeffect, voor fear appeal, F (1, 74) = 1.55, p < .22, η2 = .02; voor vertrouwen, F (1, 74) = 0.26, p < .61, η2 = .00. Ook was er geen interactie, F (1, 74) = 0.75, p < .39. Dit kan echter het gevolg zijn van een plafondeffect. Een exploratieve analyse wees uit dat de data links-scheef waren verdeeld: 17.9% van de deelnemers vond de klimaatcrisis niet ernstig, 33.4% vond het een beetje ernstig en de resterende 60.3% vond het erg tot heel erg ernstig.
  • 19.
    18 26 22 18 14 10 Controle Vertrouwen Fear Appeal Fear Appeal + Vertrouwen Conditie Angst Figuur 1: Gemiddelden voor Angst, opgesplitst naar conditie. Tabel 1 Gemiddelden en standaarddeviaties voor Angst, Ernst, Persoonlijke Relevantie en Kans. Angst Ernst Persoonlijke Relevantie Kans Conditie M SD M SD M SD M SD Controle 1.82 0.76 4.72 1.45 3.78 1.13 5.63 1.26 Vertrouwen 2.12 1.17 5.11 1.10 3.13 1.50 5.61 1.17 Fear Appeal 3.21 1.33 5.32 1.13 3.01 1.61 5.80 1.33 Fear Appeal + Vertrouwen 2.67 1.13 5.22 1.29 3.28 1.31 5.40 1.07 Tabel 2 Gemiddelden en standaarddeviaties voor Efficacy en Bijdrage van anderen, opgesplitst naar conditie. Efficacy Bijdrage van anderen Conditie M SD M SD Controle 4.41 1.28 3.30 1.36 Vertrouwen 4.99 1.07 3.31 1.17 Fear Appeal 4.67 1.04 3.03 1.35 Fear Appeal + Vertrouwen 4.88 1.29 3.11 1.27
  • 20.
    Hoewel geen significanthoofdeffect was gevonden, onthulden geplande (simple) contrasten dat deelnemers in de fear appeal condities de klimaatcrisis marginaal significant ernstiger vonden, vergeleken met die in de controlegroep: voor fear appeal, t (74) = 1.50, p < .07 (eenzijdig); voor fear appeal + vertrouwen, t (74) = 1.26, p < .10 (eenzijdig). - Persoonlijke Relevantie: De fear appeal manipulatie heeft geen invloed uitgeoefend op persoonlijke relevantie: een ANOVA met fear appeal en vertrouwen als de onafhankelijke variabelen en persoonlijke relevantie als de afhankelijke variabele onthulde geen hoofdeffecten, voor fear appeal, F (1, 74) = 0.37, p < .55, η2 = .01; voor vertrouwen, F (1, 74) = 0.98 p < .33, η2 = .00. Ook was er geen interactie, F (1, 74) = 0.02, p < .89. Gevoelens van kwetsbaarheid verschilden dus niet significant tussen de condities. Bovendien voelden de deelnemers zich gemiddeld hooguit een beetje kwetsbaar, wat er op wees dat de klimaatcrisis voor de meeste onderzoeksdeelnemers niet persoonlijk relevant was. - Kans: Ook een ANOVA met fear appeal en vertrouwen als de onafhankelijke variabelen en kans als de afhankelijke variabele liet geen hoofdeffecten zien, voor fear appeal, F (1, 74) = 0.00, p < .95, η2 = .00; voor vertrouwen, F (1, 74) = 0.98, p < .33, η2 = .01. Ook was er geen interactie, F (1, 74) = 0.49, p < .48. Exploratieve analyses suggereerden dat dit het gevolg van een plafondeffect zou kunnen zijn (zie Bijlage 1). De deelnemers schatten de kans op de zeespiegelstijging en de temperatuurstijging hoog in: 81% van de 78 deelnemers vond deze kans groot tot erg groot. De klimaatcrisis werd dus door het merendeel van de onderzoeksdeelnemers als ernstig beschouwd en de kans op de dreigende gevolgen van de klimaatcrisis groot. Dit wijst erop dat het risicobesef aanwezig was. - Efficacy: In Tabel 2 zijn de gemiddelden en standaarddeviaties voor efficacy en bijdrage van anderen weergegeven. In alle condities was efficacy niet laag en niet hoog. De resultaten van een ANOVA met fear appeal en vertrouwen als de onafhankelijke variabelen en efficacy als de afhankelijke variabele, onthulden geen hoofdeffecten: voor fear appeal, F (1, 74) = 0.07, p < .95, η2 = .00; voor vertrouwen, F (1, 74) = 2.13, p < .15, η2 = .03. Ook was er geen interactie, F (1, 74) = 0.47, p < .49. Hoewel geen significant hoofdeffect voor vertrouwen was gevonden, onthulden geplande (simple & helmert) contrasten dat efficacy marginaal significant groter was in de vertrouwen-condities, vergeleken met de controlegroep: voor vertrouwen, t (74) = 1.50, p <.07 (eenzijdig); voor fear appeal + vertrouwen, t (74) = 1.25, p < .10 (eenzijdig). In beide condities scoorden de deelnemers gemiddeld even hoog. - Bijdrage van anderen: Zoals te zien in Tabel 2 hadden de onderzoeksdeelnemers weinig vertrouwen in de bijdrage van anderen. Het was niet gelukt om met de manipulatie dit vertrouwen in de bijdrage van anderen te vergroten. Een ANOVA met fear appeal en 19
  • 21.
    vertrouwen als deonafhankelijke variabelen en bijdrage van anderen als de afhankelijke variabele liet geen hoofdeffecten zien: voor fear appeal, F (1, 74) = 0.64, p < .43, η2 = .01; voor vertrouwen, F (1, 74) = 0.03, p < .85, η2 = .00. Er was geen interactie, F (1,74) = 0.02, p < .89. Kortom: deze analyses wijzen uit dat de fear appeal succesvol was in het opwekken van angst en ernst, terwijl de manipulatie van vertrouwen op zijn best efficacy licht verhoogde. De vraag is nu of deze manipulaties ook effect hebben gehad op de afhankelijke variabelen. 3.2 Afhankelijke variabelen Om het effect van de manipulaties op de afhankelijke variabelen te kunnen vaststellen is een serie van ANOVAs uitgevoerd, met fear appeal en vertrouwen als de onafhankelijke variabelen en intenties tot energie besparen en waargenomen noodzaak van beleidmaatregelen als de afhankelijke variabelen. Zie Tabel 3 voor een overzicht van de gemiddelden en standaarddeviaties voor algemene intentie, structurele actieve intentie en specifieke intentie, opgesplitst naar conditie. - Algemene Intentie: De algemene bereidheid tot energie besparen was gemiddeld redelijk groot aanwezig bij de onderzoeksdeelnemers. Er was een tweeweg ANOVA uitgevoerd met fear appeal en vertrouwen als de onafhankelijke variabelen en algemene intentie als de afhankelijke variabele. Uit de resultaten kwam voor algemene intentie een significant hoofdeffect voor de fear appeal conditie naar voren, F (1, 74) = 4.56, p < .05, η2 = .06, wat betekent dat het vertonen van de angstaanjagende boodschap effectief is geweest in het verhogen van algemene intenties tot energie besparen. Algemene intentie was zoals verwacht het grootst in de fear appeal + vertrouwen conditie. Voor vertrouwen was het effect op algemene intenties marginaal significant, F (1, 74) = 2.92, p < .07, η2 = .04, en dit betekent dat proefpersonen in de vertrouwen-condities wat hogere intenties hadden dan proefpersonen die niet in deze condities zaten. Er werd geen interactie-effect gevonden, F (1, 74) = 0.04, p < .85, η2 = .00. Dit betekent dat een groter vertrouwen in eigen kunnen het effect van de fear appeal op algemene intenties niet heeft vergroot. Deze resultaten zijn in strijd met Rogers ‘Protectie Motivatie Model’, dat veronderstelt dat fear appeals effectiever zijn wanneer de waargenomen effectiviteit hoog is. - Structurele Actieve Intentie: Uit de resultaten van een tweeweg ANOVA bleek dat er geen hoofd- en interactie-effecten voor structurele actieve intentie waren: voor fear appeal, 20
  • 22.
    21 Tabel 3 Scores op de afhankelijke variabelen als een functie van Geen Fear Appeal versus Fear Appeal en Geen Vertrouwen versus Vertrouwen. Geen Fear Appeal Fear Appeal Variabele Geen Vertrouwen Vertrouwen Geen Vertrouwen Vertrouwen Algemene Intentie M 4.16 4.58 4.70 5.23 SD 1.42 1.31 1.09 1.03 Structurele Actieve Int. M 3.05 3.25 3.58 3.20 SD 1.43 1.73 1.60 1.64 Specifieke Intentie M 4.45 4.83 5.00 4.60 SD 1.37 1.59 .86 1.69 Overheid M 5.54 5.67 6.08 6.19 SD 0.99 0.87 0.72 0.61 Item Brandstofkosten M 2.90 3.22 3.45 3.60 SD 1.71 1.77 1.61 1.64 F (1, 74) = 0.43, p < .52, η2 = .01; voor vertrouwen, F (1, 74) = 0.06, p < .81, η2 = .00; voor fear appeal x vertrouwen, F (1, 74) = 0.63, p < .43, η2 = .01. Dit wijst erop dat het aanbieden van zowel de fear appeal als de informatie voor vertrouwen geen invloed had op de meer activistische vorm van intenties tot energie besparen. Gemiddeld was de bereidheid tot deze vorm van energie besparen laag. - Specifieke Intentie: Voor specifieke intentie gold hetzelfde, namelijk dat zowel de fear appeal boodschap als de vertrouwen tekst hierop geen significante invloed had uitgeoefend: voor fear appeal, F (1, 74) = 0.25, p < .62, η2 = .00; en vertrouwen, F (1,74) = 0.00, p < .98, η2= .00; en fear appeal x vertrouwen, F (1, 74) = 1.50, p < .22, η2 = .01. Desondanks was er net als voor algemene intentie, sprake van een goede bereidheid van de onderzoeksdeelnemers om specifieke energiebesparende (curtailment-) handelingen te verrichten, zoals het lager zetten van de thermostaat. - Waargenomen noodzaak van beleidsmaatregelen: De resultaten lieten zien dat de fear appeal manipulatie leidde tot grotere steun voor beleidsmaatregelen, F (1, 74) = 8.37, p <.01 η2 = .51. Dit wees erop dat de fear appeal de bezorgdheid om het milieu had vergroot. Steun voor overheidsmaatregelen was significant groter in de fear appeal condities (M = 6.13, SD = 0.66) vergeleken met de geen fear appeal condities (M = 5.60, SD = 0.92). Zie Tabel 3 voor een overzicht van de gemiddelden weergegeven per conditie. Er werd geen hoofdeffect voor vertrouwen gevonden, F (1, 74) = 0.44 p < .51. Eveneens was er geen interactie-effect,
  • 23.
    F (1, 74)= 0.00, p < .96. Inspectie van de data duidde op een plafondeffect (zie Bijlage 1, histogram ‘Overheid’). Zestig procent van de deelnemers scoorde gelijk aan of hoger dan vijf t.o.v. het maximum van zeven, wat betekent dat ze het erg of heel erg eens waren met de genoemde energiebesparende beleidsmaatregelen van de overheid. De manipulaties hebben geen invloed uitgeoefend op steun voor brandstofkosten-verhogende maatregelen: de gemiddelde scores op het item waren laag (zie Tabel 3, item ‘Brandstofkosten’) en verschilden niet tussen de fear appeal condities, F (1, 74) = 1.49, p < .23, η2 = .02, en de vertrouwen-condities, F (1, 74) = 1.39, p < .54, η2 = .01. Vergeleken met de intenties tot energie besparen was de steun voor beleidsmaatregelen het grootst. Kortom: Deze analyses laten zien dat, hoewel structurele actieve- en specifieke intenties niet zijn beïnvloed, de fear appeal succesvol was in het verhogen van algemene intenties tot energie besparen en de steun voor beleidsmaatregelen, en dat ook de manipulatie van vertrouwen tot hogere algemene intenties heeft geleid. Het veronderstelde interactie-effect 22 op intenties tot energie besparen is echter niet gevonden. 3.3 Mediatie-effecten Om vast te kunnen stellen waardoor de gevonden significante effecten op algemene intenties en steun voor beleidsmaatregelen werden veroorzaakt, is een mediatie-analyse uitgevoerd volgens de criteria van Baron en Kenny (1986) met de variabelen ernst, angst en efficacy. De gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten zijn voor elke variabele apart weergegeven in Figuur 2. De mediatie-analyses hebben geen procesvariabelen onthuld. Zoals Figuur 2a en 2b laten zien, onthulden regressie-analyses een positieve directe relatie tussen de fear appeal condities en de afhankelijke variabelen (β = .24 /.60, p < .05), maar de veronderstelde indirecte relaties werden slechts gedeeltelijk gevonden: de fear appeal manipulatie voorspelde namelijk gevoelens van angst (β = .40, p < .001), maar angstgevoelens waren geen significante predictor van algemene intenties en steun voor beleidsmaatregelen. Waargenomen ernst echter, was wel een sterke voorspeller van algemene intenties (β =.63, p < .001) en steun voor overheidsmaatregelen (β =.58, p < .001), maar werd niet voorspeld door de fear appeal condities. Zoals Figuur 2c en 2d laten zien, was efficacy een sterke voorspeller van zowel algemene intenties (β =.60, p < .001) als steun voor beleidsmaatregelen (β =.44, p < .001), maar efficacy werd niet voorspeld door de vertrouwen-condities en de vertrouwen-manipulatie had ook geen directe relatie met steun voor beleidsmaatregelen. Kortom, deze analyses hebben geen mediatoren onthuld en het is daarom onduidelijk waarvan de verhoogde
  • 24.
    algemene intenties openergie besparen en steun voor beleidsmaatregelen het gevolg zijn geweest. 23 .40*** .12 Angst Algemene Intentie Fear Appeal (2a) .24* (.15) .15 .63*** Fear Appeal Overheid (2b) .17 .01 Ernst Angst .60* (.25) .15 .58*** Efficacy Vertrouwen (2c) Algemene Intentie Overheid (2d) Vertrouwen .44*** .17 Ernst .20* (.10) .08 (.01) .40*** .60*** Efficacy Figuur 2: Gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten voor de relatie tussen de fear appeal condities en algemene intentie (a) en overheid (b), gemedieerd door waargenomen ernst en angst, en voor de relatie tussen de vertrouwen-condities en algemene intentie (c) en overheid (d), gemedieerd door efficacy. De gestandaardiseerde regressiecoëfficiënt tussen conditie en intentie controlerend voor de mediatoren is tussen haakjes weergegeven. * p < .05. ** p < .01. *** p < .001.
  • 25.
    24 4. Discussie 4.1 Samenvatting resultaten Het doel van dit onderzoek was drieledig. Ten eerste heb ik geprobeerd om een antwoord te verkrijgen op de vraag of fear appeals effectieve middelen zijn om mensen aan te zetten tot milieuvriendelijk gedrag bij problemen van collectieve aard, zoals de klimaatcrisis. Ten tweede werd de problematiek van de klimaatcrisis beschouwd vanuit het perspectief van een klassiek sociaal dilemma, waarbij is onderzocht of het vergroten van het vertrouwen in de bijdrage van anderen en waargenomen effectiviteit (in dit onderzoek samen aangeduid met ‘vertrouwen’) een positief effect heeft op de bereidheid om tot energiebesparing over te gaan. Ten derde heb ik geprobeerd vast te stellen of fear appeals en de informatie voor vertrouwen naast de individuele actiebereidheid ook invloed uitoefenen op steun voor overheids-maatregelen. De resultaten bieden gedeeltelijke ondersteuning voor de hypotheses. In lijn met de verwachting vergrootte het waarnemen van de angstaanjagende boodschap algemene intenties tot energie besparen onder individuen, evenals de steun voor energiebesparende beleidsmaatregelen. Vertrouwen speelde ook een unieke rol: het lezen van deze informatie verhoogde algemene intenties tot energiebesparing. Er werd echter geen interactie-effect gevonden op de intenties tot energie besparen en de vertrouweninformatie had geen effect op steun voor energiebesparende beleidsmaatregelen. De fear appeal manipulatie heeft angst, waargenomen ernst en waargenomen effectiviteit succesvol beïnvloed, maar had geen effect op persoonlijke relevantie en kans (dit laatste kan het gevolg zijn van een plafondeffect). Het is niet gelukt om met de vertrouwen manipulatie de verwachte bijdrage van anderen te verhogen, maar waargenomen effectiviteit werd wel marginaal vergroot. De resultaten hebben het eerste doel behaald: ze bevestigen de waarde van fear appeals voor het stimuleren van milieuvriendelijk gedrag m.b.t. de klimaatcrisis. Het lezen van de vertrouweninformatie had ook een positief effect op energie besparen, maar de data heeft geen invloed van waargenomen effectiviteit en de verwachte bijdrage van anderen getoond. Ook het derde doel is gedeeltelijk behaald. Alleen fear appeals lijken namelijk een effectief instrument voor het vergroten van de noodzakelijke steun voor overheidsmaatregelen.
  • 26.
    4.2 Fear appeals Eerder onderzoek naar fear appeals is bijna volledig uitgevoerd binnen het domein van de gezondheidspsychologie. Het huidige onderzoek laat zien dat fear appeals ook goed ingezet kunnen worden bij het mobiliseren van mensen m.b.t. milieuproblemen. De resultaten wezen op een positieve uitwerking van fear appeals op milieuvriendelijk gedrag. Het waarnemen van de angstaanjagende boodschap had een behoorlijk positief effect op de steun voor overheidsmaatregelen (r = .71). Ook het effect op algemene intenties tot energie besparen was veelbelovend (r = .25), gezien de uitkomsten van Witte’s (2000) meta-analyse waar de effectgroottes van de fear appeals consistent varieerden tussen .11 en .15. Fear appeals lijken dus een effectief risicocommunicatiemiddel voor problemen van collectieve aard, zoals de klimaatcrisis. Deze resultaten spreken de heersende opvatting tegen dat het inzetten van fear appeals bij collectieve problemen onverstandig is (Moser et al., 2004). Volgens het Protectie Motivatie Model van Rogers (1975, 1983) kunnen fear appeals namelijk averechts werken door fear control reacties en om die reden is het gebruik van fear appeals bij grootschalige milieuproblemen omstreden. In dit onderzoek werden echter geen aanwijzingen voor een dergelijke reactie gevonden (zie Tabel 1 en 2): efficacyniveaus waren niet laag en niet hoog, de onderzoeksdeelnemers ervoeren slechts milde angst, en de boodschap stimuleerde gedeeltelijk het gewenste gedrag (d.w.z. een danger control reactie). Er lijkt dus geen reden voor deze ongerustheid te zijn. Integendeel, het onderzoek bevestigt dat fear appeals een nuttige bijdrage kunnen leveren aan de preventie van de klimaatcrisis. Het is mogelijk dat de fear appeal niet sterk genoeg was om de fear control reactie te veroorzaken. Vanwege een gebrek aan persoonlijke relevantie van de ernstige gevolgen van de klimaatcrisis (bijv. omdat ze ver weg zijn in de tijd en gepaard gaan met wetenschappelijke onzekerheid), was de dreiging mogelijk niet groot genoeg en als gevolg daarvan resulteerde de fear appeal wellicht in milde angstgevoelens, waarbij de waargenomen effectiviteit hoog genoeg was om het gewenste gedrag te stimuleren. Uit de analyses werd niet duidelijk door welke factoren de fear appeal effectief is geweest. Algemene intentie was zoals verwacht het hoogst in de fear appeal + vertrouwen conditie. In overeenstemming met het Protectie Motivatie Model voldeed de fear appeal aan de voorwaarden voor effectiviteit: de fear appeal riep milde angstgevoelens op en waargenomen effectiviteit en risicobeleving waren bij de deelnemers aanwezig. De veronderstelde causale keten van dit model werd echter niet bevestigd, want mediatie- 25
  • 27.
    analyses onthulden geensignificante procesvariabelen. Hoewel de fear appeal manipulatie een beroep op angst deed (een medium effect, r = .41), was er geen aanwijzing voor de motiverende kracht van angst voor energiebesparing of steun voor overheidsmaatregelen. Het waarnemen van de fear appeal vergrootte wellicht angstgevoelens, maar door een gebrek aan persoonlijke relevantie was deze milde angst mogelijk geen voldoende drijfveer voor actie. Een gebrek aan persoonlijke relevantie kan de effectiviteit van fear appeals ondermijnen (Witte, 2000). In lijn met eerdere bevindingen (Weber, 2006; Leizerowitz, 2006; Lorenzoni et. al, 2006; Etkin, 2007) beschouwden de onderzoeksdeelnemers de klimaatcrisis als een dreiging op grote afstand, zowel geografisch als in de tijd. Deze gebrekkige urgentiebeleving is een barrière voor sociale actie gebleken (Weber, 2006). Ondanks de bezorgdheid om het milieu en het risicobewustzijn gaan mensen in dergelijke situaties niet gemakkelijk tot de gewenste actie over. Desondanks had het waarnemen van de angstaanjagende boodschap een positieve uitwerking op intenties tot milieuvriendelijk gedrag en steun voor overheids-maatregelen. Het is mogelijk dat een besef van morele verantwoordelijkheid voor de grotere actiebereidheid heeft gezorgd. De fear appeal bevatte indringende beelden van mogelijke ernstige gevolgen op lange termijn en werd gepersonaliseerd door de deelnemers te wijzen op hun verantwoordelijkheid, met uitspraken als: “In welke mate wij de komende jaren actie ondernemen zal bepalen welke wereld wij achterlaten voor onze kinderen en kleinkinderen.” Het zou kunnen dat hierdoor een morele norm is geactiveerd. Het Norm Activation Model (Schwarz, 1977) en de Value Belief Norm Theory (Stern, 2000) richten zich op de invloed van ervaren morele verantwoordelijkheid en zijn succesvol gebleken in het verklaren van milieuvriendelijk gedrag dat weinig moeite kost, zoals de hierboven genoemde algemene intenties tot energie besparen (Norldlund & Garvill, 2003; Stern et al., 1999, geciteerd in Steg & Vlek, 2000). Ook een omvangrijke meta-analyse van Bamber en Möser (2006) bevestigt de relevantie van morele normen als determinant van milieuvriendelijk gedrag. De huidige dataset bevatte echter geen metingen van morele normen en kan hier dus geen definitief antwoord op geven. Blootstelling aan de fear appeal had geen effect op structurele actieve- en specifieke intenties. Een mogelijke verklaring is een gebrekkige geloofwaardigheid van de boodschap, volgens Witte (2000) naast persoonlijke relevantie, efficacy en risicobesef een vereiste voor een optimale effectiviteit van fear appeals. De wetenschappelijke onzekerheid rondom de klimaatscenario’s wordt overbelicht door de media en het is bekend dat dit verwarring veroorzaakt (Smith, 2005). Vooral studenten zullen hier vanuit hun wetenschappelijke achtergrond rekening mee houden. Door een gebrek aan persoonlijke relevantie of 26
  • 28.
    geloofwaardigheid was demotivatie wellicht niet groot genoeg om maatregelen te nemen die moeite kosten en beperkte de actiebereidheid zich daarom tot verhoogde algemene intenties. Toch tonen de resultaten de praktische waarde van fear appeals voor het communiceren over de klimaatcrisis. De deelnemers waren bijvoorbeeld bereid om hun gloeilampen te vervangen met spaarlampen en om te stemmen op een politieke partij die zich sterk maakt tegen de klimaatcrisis. Bovendien was de steun voor relevante beleidsmaatregelen vergroot en dit is een vereiste voor de noodzakelijke politieke actie. De fear appeal verhoogde ook bezorgdheid om het milieu, een factor die noodzakelijk is gebleken voor het veranderen van de structurele context op de lange termijn (Poortinga, Steg & Vlek, 2004; Schultz & Zelezny, 1998; Vining & Ebreo, 1992, geciteerd in Steg & Vlek, 2000). Het feit dat deze effecten gevonden werden bij een kritische wetenschappelijke doelgroep is veelbelovend voor de maatschappelijke toepasbaarheid van fear appeals. Wanneer fear appeals worden ingezet bij massamediale campagnes zullen kleine verhogingen van algemene intenties vanwege het grote publieke bereik tot noemenswaardige veranderingen kunnen leiden. Bovendien is de kans groot dat de effecten bij het algemene publiek groter zullen zijn, bijvoorbeeld door het verhogen van het risicobesef dat in de maatschappij veelal ontbreekt (Weber, 2006) en door de wellicht grotere geloofwaardigheid van de fear appeal bij de algemene bevolking. 4.3 Vertrouwen De resultaten bevestigen het verwachte positieve effect van de aangeboden vertrouwen-informatie op intenties tot energie besparen, want de informatie verhoogde namelijk algemene intenties. Het is echter niet duidelijk geworden wat dit heeft veroorzaakt, omdat de dataset geen invloed van waargenomen effectiviteit en de verwachte bijdrage van anderen heeft getoond. Het lijkt er op dat sociale dilemma’s geen rol hebben gespeeld. Sociale dilemma modellen richten zich op de invloed van een belangenconflict: kiezen voor eigenbelang of voor het gemeenschapsbelang. Volgens het sociale dilemma perspectief is de klimaatcrisis mede het gevolg van lage waargenomen effectiviteit en sociale onzekerheid, waardoor mensen minder geneigd zijn om te kiezen voor energiebesparende maatregelen (wat in het belang is van de internationale gemeenschap). De dataset geeft echter geen ondersteuning voor de veronderstelde negatieve invloed van lage waargenomen effectiviteit en sociale onzekerheid. Integendeel: vertrouwen vormde geen barrière voor milieuvriendelijk gedrag, maar stimuleerde dit juist. Het algemene idee was dat mensen geconfronteerd worden met een 27
  • 29.
    hoge mate vanonzekerheid over de bijdrage van anderen met als gevolg dat lage waargenomen effectiviteit een barrière vormt voor energiebesparend gedrag. Zoals te zien in Tabel 2 was er inderdaad sprake van sociale onzekerheid onder de deelnemers, maar de waargenomen effectiviteit was echter niet laag. Bovendien waren ze bereid om tot actie over te gaan. Dit is in strijd met de notie van Kerr (1989) dat de waargenomen effectiviteit bij grootschalige problemen zeer laag is en dat dit een barrière vormt voor actie. De resultaten zijn ook in strijd met Goal Expectation Theory (Pruit et al., 1977) en de veronderstellingen van Dawes (1980) over de noodzaak van een positieve verwachting van de bijdrage van anderen voor prosociaal gedrag in sociale dilemma’s. De deelnemers waren namelijk bereid om te kiezen voor het gemeenschapsbelang – d.w.z. energie besparen - ondanks het lage vertrouwen in de bijdrage van anderen. Het onderzoek van Van Zomeren et al. (2004) biedt een mogelijke verklaring voor de tegenstrijdige bevindingen. Daaruit kwam naar voren dat het uiteindelijke gedrag wordt bepaald door de mate van waargenomen effectiviteit, waarvan de bijdrage van anderen een antecedent is. Wellicht was waargenomen effectiviteit in voldoende mate aanwezig, zodat de deelnemers niet geremd werden om tot actie over te gaan (m.a.w., er was een zogenaamde critical mass). Het is niet duidelijk waardoor de manipulatie van vertrouwen de actiebereidheid van de deelnemers heeft vergroot. De manipulatie had geen invloed op het vertrouwen in de bijdrage van anderen en mediatie-analyses onthulden geen mediërende rol van waargenomen effectiviteit. Desondanks waren de deelnemers bereid om gemeenschappelijke belangen voorop te stellen en energie te besparen. Wellicht activeerde het lezen van de informatie over de bijdrage van anderen een descriptieve sociale norm. Sociale normen die verwijzen naar wat de meeste mensen doen (descriptieve normen) en goedkeuren (injunctieve normen), zijn sterke motivatoren voor milieuvriendelijk gedrag gebleken, bijvoorbeeld voor: recyclen (Schulz, 1999); het tegengaan van rondslingerend afval (Cialdini, Kallgren & Reno, 1991) en het reduceren van autogebruik (Bamberg, Ajzen & Schmidt, 2003). De invloed van sociale normen lijkt tegenstrijdig, gezien de lage gemiddelde scores op de items m.b.t. het vertrouwen in de bijdrage van anderen, maar dit kan echter aan de meting liggen. De vertrouwen-manipulatie en de vragenlijst richtten zich op de bijdrage van individuen en huishoudens. Mogelijk waren de studenten op de hoogte van de vereiste bijdrage van andere partijen, zoals de industrie (de industrie staat in de tekst als medeoorzaak vermeld) en hadden ze weinig vertrouwen in de bijdrage van deze sector. Wellicht dachten ze daarom dat onvoldoende anderen zullen bijdragen om de klimaatcrisis te voorkomen. Een inspectie van de 28
  • 30.
    samenvattingen en dedata bevestigde inderdaad dat de meeste studenten goed op de hoogte waren van de oorzaken en de risico’s van de klimaatcrisis. De resultaten van dit onderzoek komen verder overeen met Yamagishi’s (1986, 1988) Structural Goal Expectation Theory over de invloed van sociale onzekerheid op steun voor overheidsmaatregelen. In lijn met het model was de waargenomen noodzaak voor overheidsmaatregelen in alle condities groot en daarbij was het gemiddelde vertrouwen in de bijdrage van anderen laag. Dit is goed nieuws voor ‘groene’ politieke partijen die steun zoeken voor de vereiste structurele maatregelen tegen de klimaatcrisis. Acceptatie is een belangrijke factor voor een effectieve implementatie van beleidsmaatregelen. Mogelijk zorgt de sociale onzekerheid ervoor dat mensen graag willen dat de overheid een actievere rol gaat spelen in het omgaan met de klimaatcrisis en is dit een geschikt moment voor politieke actie. 4.4 Beperkingen en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek 4.4.1 Beperkingen Het onderzoek heeft een aantal beperkingen. De resultaten zijn afkomstig van een laboratoriumstudie. Het is maar de vraag of blootstelling aan een fear appeal ook effectief is in het dagelijkse leven, waar selectieve blootstelling en aandacht de systematische verwerking van de boodschap kunnen ondermijnen. Systematische verwerking is echter noodzakelijk voor het verkrijgen van het gewenste effect (Chen & Chaiken, 1999). Toch zijn er veelbelovende resultaten behaald met eerdere massamediale campagnes, zoals: het voorkomen van overgewicht (Wammes, Oenema, & Brug, 2007), het reduceren van rijden met alcohol (Elder et al., 2004), het stimuleren van seksuele voorlichting door ouders (DuRant et al., 2004) en betere bescherming tegen de zon (Smith, Ferguson, McKenzie, Bauman, & Vita, 2002). Het is niet zeker of de gevonden effecten groot genoeg zijn, zodat intenties ook daadwerkelijk vertalen in milieuvriendelijk handelen. Gedrag is namelijk in hoge mate een gewoonte en dit geldt ook voor energiebesparend gedrag (Bargh, 1997). Het is bekend dat gewoonten moeilijk te veranderen zijn. Ze resulteren bijvoorbeeld in selectieve aandacht, mensen denken niet langer na over het gedrag, of overtuigingen worden aan de gewoonte aangepast (Steg & Vlek, 2008). Verder bestaan er veel barrières die de praktische waarde van fear appeals voor energiebesparing in twijfel trekken, zoals de verwachte reductie van kwaliteit van leven (Steg & Gifford, 2005) en financiële barrières. Echter, de energiebesparende maatregelen die de deelnemers bereid waren te nemen zijn relatief simpel 29
  • 31.
    en gaan metweinig kosten en ongemak gemoeid. Het is daarom onwaarschijnlijk dat deze factoren mensen zullen weerhouden van het gewenste gedrag. Bovendien bevestigen Van Zomeren, Postmes en Spears (2008) het klassieke attitude-gedrag model van Ajzen & Fishbein (1977, geciteerd in Van Zomeren et al., 2008) in die zin dat ze laten zien dat hoewel effecten op gedrag kleiner zijn dan effecten op intenties, de achterliggende processen niet verschillend lijken te zijn. De resultaten van dit onderzoek kunnen niet zonder meer gegeneraliseerd worden naar de algemene Nederlandse bevolking. Het is aannemelijk dat studenten meer kennis, begrip en probleembewustzijn hebben m.b.t. de klimaatcrisis, vanwege het hoge opleidingsniveau. Inspectie van de data wees bijvoorbeeld uit dat het risicobesef duidelijk aanwezig was, in tegenstelling tot de wijdverbreide notie dat een gebrek aan risicobeleving in de maatschappij een belangrijke barrière vormt voor de gewenste sociale actie (Lazo, Kinnell & Fisher, 2000; O’Connor, Bord, Yarnal & Wiefek, 2002; Moser et al. 2004; Leizerowitz, 2005; Lorenzoni et al. 2006). Het kan zijn dat de impact van de fear appeal bij deze doelgroep minder groot is dan bij de algemene bevolking, omdat studenten meer rekening houden met de wetenschappelijke onzekerheid rondom de klimaatmodellen. Echter, het feit dat zelfs leden van deze kritische doelgroep gemotiveerd werden om actie te ondernemen is veelbelovend voor het gebruik van fear appeals in massamediale campagnes die gericht zijn op de algemene bevolking. 4.4.2 Aanbevelingen voor toekomstig onderzoek Er is weinig wetenschappelijke aandacht voor de overtuigende kracht van fear appeals voor het verminderen van energiegebruik. Dit onderzoek bevestigt echter de waarde van fear appeals als instrument voor risicocommunicatie bij problemen van collectieve aard, zoals de klimaatcrisis, en biedt veelbelovende mogelijkheden voor toekomstig onderzoek. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk waardoor de fear appeal effectief is geweest. Verder onderzoek zal de verklarende waarde van Rogers’ Protectie Motivatie Model moeten uitwijzen en duidelijkheid geven over de motiverende invloed van morele en sociale normen. Bovendien is verder onderzoek nodig naar factoren die het effect van de fear appeal kunnen vergroten, zoals persoonlijke relevantie en vertrouwen in de bijdrage van anderen, om naast algemene intenties ook het nemen van structurele actieve en specifieke maatregelen te stimuleren. 30
  • 32.
    Fear appeals lijkeneen effectief middel voor het vergroten van steun voor energiebesparende beleidsmaatregelen. Bestraffende maatregelen zoals het verhogen van brandstofkosten waren echter niet populair. Het is de vraag of fear appeal interventies ook de steun voor de vereiste minder populaire overheidsmaatregelen kunnen vergroten. Zoals Steg, Dreijerink en Abrahamse (2005) opmerken, is het belangrijk dat onderzoek gedaan wordt naar de factoren die de acceptabiliteit van milieubeleid beïnvloeden, omdat beleid het gedrag van veel mensen tegelijk kan veranderen. Dat heeft grote effecten op bijvoorbeeld de CO2- emissie. Hoewel uit het onderzoek veelbelovende resultaten naar voren kwamen, is niet bekend of deze effecten ook zichtbaar zullen zijn op de lange termijn. Het kan zijn dat de hier beschreven invloed van de fear appeal na enkele uren of dagen is verdwenen. Verder onderzoek is nodig om hier duidelijkheid over te verkrijgen. Dit betekent overigens niet dat korte termijn effecten van fear appeals weinig waard zouden zijn. De implicatie hiervan zou wel zijn dat fear appeals regelmatiger zouden moeten worden getoond, zodat mensen zich niet alleen bewust zijn van de milieuproblematiek, maar hiervan ook bewust blijven. 4.5 Conclusie De strijd tegen de klimaatcrisis is een enorme taak, waarbij de noodzaak voor individuele gedragsverandering een leidende rol voor de psychologie benadrukt. Het huidige onderzoek onderstreept dit en demonstreert de waarde van fear appeals voor het omgaan met de crisis, zoals Al Gore’s wereldberoemd geworden documentatiefilm An Inconvenient Truth. Het waarnemen van de angstaanjagende boodschap heeft de onderzoeksdeelnemers overtuigd hun energiegebruik te verminderen en hun steun voor relevante overheidsmaatregelen vergroot. In dit onderzoek zijn daarbij geen aanwijzingen voor schadelijke fear control reacties gevonden en de heersende ongerustheid hierover lijkt daarom onterecht. Het lijkt er op dat sociale dilemma’s geen barrières vormen voor het reduceren van energiegebruik. Vertrouwen stimuleert mensen om actie te ondernemen tegen de klimaatcrisis. Dit brengt mij tot de conclusie dat onderzoek naar fear appeals en vertrouwen veelbelovend is voor het verbeteren van de communicatie met betrekking tot collectieve problemen zoals de klimaatcrisis. 31
  • 33.
    32 Referenties Bamberg,S. W., Ajzen, I., & Schmidt, P. (2003). Choice of travel mode in the theory of planned behavior: the roles of past behavior, habit, and reasoned action. Basic and Applied Social Psychology, 25(3), 175-187. Bargh, J. A. (1997). The automaticity of everyday life. In: Wyer, R. S. (Ed). The automaticity of everyday life: Advances in social cognition (pp. 1-61).Mahwah, NJ: Erlbaum. Baron, R. M., & Kenny, D. A. (1986). The moderator-mediator variable distinction in social psychological research: Conceptual, strategic, and statistical considerations. Journal of Personality & Social Psychology, 51(6), 1173-1182. Bamberg, S., & Möser, G. (2006). Twenty years after Hines, Hungerford, and Tomera: A new meta-analysis of psycho-social determinants of pro-environmental behaviour. Journal of Environmental Psychology, 27, 14-25. Chen, S., & Chaiken, S. (1999). The heuristic-systematic model in its broader context. In: Chaiken, S. & Trope, Y. (Eds.), Dual-proces theories in social psychology (pp. 73-96). New York: Guilford. Cialdini, R. B., Kallgren, C. A., & Reno, R. R. (1991). A focus theory of normative conduct: A theoretical refinement and re-evaluation of the role of norms in human behavior. Advances in Experimental Social Psychology, 24, 201-234. Dawes, R. M. (1980). Social dilemmas. Annual Review of Psychology, 31, 169-193. DuRant, R. H., Wolfson, M., LaFrance, B., Balkrishnan, R., Pharm, M. S., & Altman, D. (2006). An evaluation of a mass media campaigns to encourage parents of adolescents to talk to their children about sex. Journal of Adolescent Health, 38, 298-308.
  • 34.
    Elder, R. W.,Shults, R. A., Sleet, D. A., Nichols, J. L., Thompson, R. S., & Rajab, W., et al. (2004). Effectiveness of mass media campaigns for reducing drinking and driving and alcohol-involved crashes, a systematic review. American Journal of Preventive Medicine, 27, 57-65. Etkin, D., & Ho, E. (2007). Climate change: perceptions and discourses of risk. Journal of Risk Research, 10(5), 623-641. 33 Foreign Legion (n.d.). Opgehaald op 12 januari, 2009, van http://freeplaymusic.com/search /download_file.php?id=1059&dur=0&type=mp3. Gardner, G. T., & Stern, P. C. (2002). Environmental problems and human behavior (2nd ed.). Boston, MA: Pearson Custom Publishing. Hardin, G. (1968). The tragedy of the commons. Science, 162, 1243-1248. Intergovernmental Panel On Climate Change. Fourth Assessment Report (AR4). Opgehaald op 5 januari, 2009, van http://ipcc.ch. Kerr, N. L. (1989). Illusions of efficacy: the effects of group size on perceived efficacy in social dilemmas. Journal of Experimental Social Psychology 25, 287–313. Kerr, N. L., & Bruun, S. E. (1983). The dispensability of member effort and group motivation losses: Free-rider effects. Journal of Personality and Social Psychology, 44, 78-94. Kim, O., & Walker, M. (2005). The free rider problem: experimental evidence. Public Choice, 43(1), 3-24. Lazo, J. K., Kinnell, J. C., & Fisher, A. (2000). Expert and layperson perceptions of ecosystem risk. Risk Analysis, 20(2), 179-194. Leiserowitz, A. A. (2005). American risk-perceptions: Is climate change dangerous? Risk Analysis, 25(6), 1433-1442.
  • 35.
    Leventhal, H. (1970).Findings and theory in the study of fear communications. In: Berkowitz, L. (ed.): Advances in Experimental Social Psychology (pp. 119-186). New York, Academic Press. Leventhal, H., & Trembly, G. (1968). Negative emotions and persuasion. Journal of Personality, 36, 154-168. Lorenzoni, I., Leiserowitz, A., De Franca Doria, M., Poortinga, W., & Pidgeon, N. F. (2006). Cross-national comparisons of image associations with ‘global warming’ and ‘climate change’. Journal of Risk Research, 9(3), 265-281. Marwell, G., & Ames, R. E. (1979). Experiments on the provision of public goods. Resources, interest, group size, and the free-rider problem. The American Journal of Sociology, 84(6), 1335-1360. Meijnders, A., Midden., C. J. H., & Wilke, H. A. M. (2001). Role of negative emotion in communication about CO2 risks. Risk Analysis, 21(5), 955-965. Moser, S. C., & Dilling, L. (2004). Making climate change hot; communicating the urgency and challenge of global climate change. Environment, 46(10), 32-46. Moser, S. C., & Luganda, P. (2006). Talk for a Change: Communication in Support of Societal Response to Climate Change. IHDP Update (Newsletter of the International Human Dimensions Programme on Global Environmental Change) 6, 17-20. Nemeth, C. (1972). A critical analysis of research utilizing the prisoner’s dilemma paradigm for the study of bargaining. In: Berkowitz, L. Advances in experimental social psychology ( pp. 203- 234). Academic Press. Niemeyer, S., Petts, J., & Hobson, K. (2005). Rapid climate change and society: assessing responses and thresholds. Risk Analysis, 25(6), 1443-1458. O’Connor, R. E., Bord, R. J., Yarnal, B., & Wiefek, N. (2002). Who wants to reduce greenhouse gas emissions? Social Science Quarterly, 83(1), 1-17. 34
  • 36.
    Olson, M. (1965).The logic of collective action: Public goods and the theory of groups. Cambridge, Harvard University Press. Pruitt, D. M., & Kimmel, M. (1977). Twenty years of experimental gaming: Critique, synthesis, and suggestions for the future. Annual review of psychology, 28, 363-392. Rogers, R. W. (1975). A protection motivation theory of fear appeals and attitude change. Journal of psychology, 91, 93-114. Rogers, R. W. (1983). Cognitive and physiological processes in fear appeals and attitude change: A revised theory of protection motivation. In: Cacioppo, J. T., & Petty, R. E. Social psychophysiology: A sourcebook (pp. 153–176). New York: Guilford. Roser, C., & Thompson, M. (1995). Fear appeals and the formation of active publics. Journal of communication, 45(1), 103-122. Samuelson, C. D. (1990). Energy conservation: a social dilemma approach. Social Behaviour, 5, 207-230. Schultz, P. W. (1999). Changing behavior with normative feedback interventions: A field experiment on curbside recycling. Basic and Applied Social Psychology, 21(1), 25-36. Schwarz, S. H. (1977). Normative infuence on altruism. In: Berkowitz, L. Advances in experimental social psychology, 10, 221-279. Smith, B. J., Ferguson, C., McKenzie, J., Bauman, A., & Vita, P. (2002). Impacts from repeated mass media campaigns to promote sun protection in Australia. Health Promotion International, 17(1), 51-61. Smith, J. (2005). Dangerous news: media decision making about climat change risk. Risk Analysis, 25(6), 1471-1484. 35
  • 37.
    Staats, H. J.,Wit, A. P., & Midden, C. Y. H. (1996). Communicating the greenhouse effect to the public: evaluation of a mass media campaign from a social dilemma perspective. Journal of environmental management, 45, 189-203. Steg, L. (2003). Motives and behaviour in social dilemmas relevant to the environment. In: Hendricks, L., Jager, W., & Steg, L. (Eds.). Human decision making and environmental perception. Understanding and assisting human decision making in real-life settings (pp.83- 102). Groningen: University of Groningen, Department of Psychology. Steg, L., Dreijerink, L., & Abrahamse, W. (2005). Factors influencing the acceptability of energy policies: A test of VBN theory. Journal of Environmental Psychology, 25, 415-425. Steg, L., & Gifford, R. (2005). Sustainable transport and quality of life. Journal of Transport Geography, 13 (1), 59-69. Steg, L., & Vlek, C. (2008). Encouraging pro-environmental behaviour: An intergrative review and research agenda. Journal of environmental psychology,12, 1-9. Stern, P. C. (2000). Toward a coherent theory of environmentally significant behaviour. Journal of Social Issues, 56, 407-424. Tan, C. K., Ogawa, A., & Matsumura, T. (2008, oktober). Innovative climate change communication. Team minus 6%. (GEIC Working Paper 001). Tokyo: GEIC. Verkregen op 20 februari, 2009, van http://geic.hq.unu.edu/ENV/publication1.cfm?type=1&ID=492. Thompson, S. C. (1991). Water use as a commons dilemma; the effects of education that focuses on long term consequences and individual action. Environment and behaviour, 23(3), 314-333. Van Vugt, M. (2002). Central, individual, or collective control? Social dilemma strategies for natural resource management. American Behavioural Scientist, 45(5), 783-800. 36
  • 38.
    Van Zomeren, M.,Spears, R., Fischer, A. H., & Leach, C. W. (2004). Put your money where your mouth is!: Explaining collective action rendencies through group-based anger and group efficacy. Journal of Personality and Social Psychology, 87, 649-664. Wammes, B., Oenema, A., & Brug, J. (2007). The evaluation of a mass media campaign aimed at weight gain prevention among young dutch adults. Obesity, 15(11), 2780-2790. Weber, E. U. (2006). Experience-based and description-based perceptions of long-term risk: why global waming does not scare us (yet). Climatic Change, 77, 103-120. Witte, K., & Allen, M. (2000). A meta-analysis of fear appeals: implications for effective public health campaigns. Health Education & Behaviour, 27(5), 608-632. Wit, A. P., & Wilke, H. A. M. (1998). Public good provision under environmental and social uncertainty. European Journal of Social Psychology, 28, 249-256. Yamagishi, T. (1985). The provision of a sanctioning system as a public good. Journal of Personality and Social Psychology, 51(1), 110-116. Yamagishi, T. (1988). Exit from the group as an individualistic solution to the free rider problem in the United States and Japan. Journal of Experimental Social Psychology, 24, 530- 542. 37
  • 39.
    38 Bijlage 1 (Bron)
  • 40.
    De klimaatcrisis Deafgelopen decennia is de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer gigantisch toegenomen. Wereldwijde ontbossing veroorzaakt een kwart van dit probleem. Maar de hoofdoorzaak (75%) is de verbranding van fossiele brandstoffen. Deze worden verbrand voor transport (bv. autorijden), electriciteit, verwarming van woningen en de industrie. Door de toename van CO2 in de atmosfeer stijgt de gemiddelde temperatuur op aarde. Het gevolg hiervan is klimaatverandering, ook wel de klimaatcrisis genoemd. De klimaatcrisis is een feit. De afgelopen 100 jaar is het klimaat op aarde 0,6 graad Celsius warmer geworden. Dat lijkt weinig maar zelfs een kleine stijging van de gemiddelde temperatuur wereldwijd kan al problemen geven voor mensen, dieren en planten. Overal zien we de eerste gevolgen van het opwarmen van de aarde: felle bosbranden, grote overstromingen, smeltende gletsjers, en ongekende hittegolven. Het IPCC of het Intergovernmental Panel on Climate Change is een nobelprijs-winnende 39 organisatie van de Verenigde Naties, opgericht om de risico's van klimaatverandering te evalueren. Het IPCC wordt algemeen beschouwd als de meest neutrale bron en wereldwijde authoriteit op het gebied van informatie over klimaatverandering. “De wereldwijde uitstoot van CO2 moet binnen tien jaar drastisch dalen.” Het IPCC waarschuwt dat de gevolgen van de klimaatverandering anders niet meer te beperken zijn. In welke mate wij de komende jaren actie ondernemen zal bepalen welke wereld wij achterlaten voor onze kinderen en kleinkinderen.
  • 41.
    40 “De ergstescenario's van het IPCC zijn zo angstwekkend als een sciencefictionfilm", zei VN-secretaris-generaal Ban Ki Moon “Hoe minder wij in actie komen, hoe meer opwarming, hoe ernstiger de gevolgen.” Het IPCC heeft verschillende scenarios omtrent de gevolgen van de opwarming in kaart gebracht. De ergste scenario’s zijn zeer verontrustend! Letterlijk álles staat op het spel: sociale samenhang, economieën, welvaartverdeling, ontwikkeling, gezondheid, natuur, vrede en toekomst. Denk bijvoorbeeld aan: - Ernstige schade aan de wereldwijde economie (bron: Stern- rapport) - Miljarden doden door o.a. hongersnood en watertekort - Honderden miljoenen vluchtelingen - Grote toename van droogtes, overstromingen, bosbranden, orkanen etc. - Het verdwijnen van Groenland en Antarctica - Zeespiegelstijging “Met meer dan 70% van de wereldpopulatie gevestigd in kustgebieden zal een rijzende zeespiegel enorme menselijke en socioeconomische kosten met zich meebrengen” Zowel Antarctica als Groenland en het landijs smelt met alarmerende snelheid. Het is nog onzeker in welke mate deze poolgebieden zullen bijdragen aan de zeespiegelstijging. Maar de buitengewone omvang van deze potentiële impact dwingt ons om dit risico serieus te nemen!
  • 42.
    41 Een zesmeter stijging betekent emigratie van tien miljoen Nederlanders! . . Nieuwe kaart van Nederland bij 6 meter stijging. Groningen behoort tot het ondergelopen gebied. § Donkergrijs: overstroomd gebied § Lichtgrijs: behouden gebied.
  • 43.
    42 Bijlage 2 “Maar er is hoop. De mogelijkheden om het op te lossen zijn er en ze zijn betaalbaar”. Het is zeker dat we dit probleem kunnen oplossen. We zijn nog niet te laat. De oplossingen voor de klimaatcrisis zijn er al. De technologiëen zijn reeds beschikbaar en het inzetten ervan brengt immense economische voordelen. Maar we moeten het nog wel doen. Gelukkig laten mensen over de hele wereld ons zien wat er allemaal mogelijk is. Overheden maken afspraken over maatregelen. Vele gemeenschappen en individuen dragen al effectief bij aan het oplossen van de klimaatcrisis. Ook in Nederland zijn meer dan honderdduizend huishoudens CO2 neutraal. Dit betekent dat we op de goede weg zijn. Maar we zijn er nog lang niet. Met elkaar kunnen we de ergste gevolgen van de klimaatverandering voorkomen. Maar daarvoor is jouw bijdrage ook nodig.
  • 44.
    “Kleine veranderingen inje dagelijkse routine kunnen samen een groot verschil maken in het stoppen van de wereldwijde opwarming.” 43 . Wat jij kunt doen: - Stem op politieke partijen die plannen ondernemen om de klimaatcrisis te beheersen. - Probeer je eigen verontreiniging via CO2 zo veel mogelijk te verminderen en de rest te compenseren. - Koop van ondernemingen die meehelpen aan het oplossen van het broeikaseffect. - Plant nieuwe bomen en help mee de bossen te beschermen. - Koop energiezuinige apparaten.
  • 45.
    44 Bijlage 3 Tabel 1 Items en factorladingen voor een oblique direct oblimin drie-factor structuur voor waargenomen ernst en kwetsbaarheid Item Factorlading Persoonlijke Relevantie 1. De klimaatcrisis heeft gevolgen voor mijzelf. .68 2. Ik voel me bedreigd door de klimaatcrisis. .87 3. Ik voel me kwetsbaar voor de gevolgen van de klimaatcrisis. .91 4. Ik ben ongerust over de gevolgen van klimaatcrisis voor mezelf en mijn familie. .78 5. Ik ben ongerust over de gevolgen van de klimaatcrisis voor Nederland. .90 6. Ik ben ongerust over de gevolgen van de klimaatcrisis voor mijn lokale omgeving. .67 Kans 1. Ik denk dat de kans dat de gemiddelde temperatuur op aarde toeneemt (erg klein is / erg groot is) .94 2. Ik denk dat de kans dat zeespiegel stijgt (erg klein is / erg groot is) .95 Ernst 1. Als de gemiddelde temperatuur zal toenemen, dan vind ik dat (helemaal niet ernstig / zeer ernstig) .73 2. Als de zeespiegel zal stijgen, dan vind ik dat (helemaal niet ernstig / zeer ernstig) .83 3. De klimaatcrisis bestaat niet. .91 4. De klimaatcrisis is een natuurlijk verschijnsel. .63 5. De klimaatcrisis is niet zo ernstig als de media stelt. .66
  • 46.
    45 Tabel 2 Items en factorladingen voor een oblique direct oblimin twee-factor structuur voor waargenomen effectiviteit Item Factorlading Efficacy 1. Er zijn eenvoudige dingen die ik kan doen die de negatieve effecten van de klimaatcrisis kunnen verminderen. .66 2. Ik kan veranderingen in mijn dagelijkse routine aanbrengen om de klimaatcrisis tegen te gaan. .84 3. Er is weinig dat ik kan doen om de negatieve effecten van de klimaatcrisis te verminderen. .75 4. De dingen die ik kan doen maken een verschil in het verminderen van de negatieve effecten van de klimaatcrisis. .87 5. De bijdrage die ik lever zal helpen om de klimaatcrisis tegen te gaan. .88 6. De veranderingen die ik aanbreng in mijn dagelijkse routine zullen helpen om de klimaatcrisis tegen te gaan. .92 7. Als ik iets zou proberen te doen aan de klimaatcrisis, betwijfel ik of dat zal helpen. .81 Bijdrage van anderen 1. Ik ben er zeker van dat voldoende anderen zullen bijdragen om de negatieve effecten van de klimaatcrisis te verminderen. .91 2. Ik vertrouw erop dat genoeg Nederlandse huishoudens zullen bijdragen om de negatieve effecten van de klimaatcrisis te verminderen. .89 3. Ik betwijfel of voldoende anderen zullen bijdragen om de negatieve effecten van de klimaatcrisis te verminderen. .92 4. Ik ben er niet zeker van of genoeg Nederlanders iets zullen proberen te doen tegen de klimaatcrisis. .78
  • 47.
    Tabel 3 Itemsen factorladingen voor een oblique direct oblimin drie-factor structuur voor Intentie tot energie besparen Item Factorlading 46 Algemene Intentie 1. Ik ben van plan om concrete stappen te nemen om de negatieve effecten van de klimaatcrisis te verminderen. .82 2. Ik zal enkele maatregelen nemen om de negatieve effecten van de klimaatcrisis te verminderen. .52 3. Ik ben van plan om mijn gloeilampen te vervangen met spaarlampen. .68 4. Ik ben van plan om te stemmen op een politieke partij die zich sterk maakt tegen de klimaatcrisis. .97 Structurele Actieve Intentie 1. Ik ben van plan om een oproep aan het parlement te ondertekenen om een subsidie regeling voor duurzame energie te realiseren (www.milieudefensie.nl/klimaat). .90 2. Ik ben van plan te onderzoeken of ik mijn geld op een klimaatvriendelijke bank kan zetten (www.nietmetmijngeld.nl). .72 Specifieke Intentie 1. Ik ben van plan om mijn thermostaat 1 graad lager te zetten. .87 2. Ik ben van plan om de verwarming een uur eerder uit te zetten voor het slapen gaan/ weggaan. .87 3. Ik ben van plan om een waterbesparende douchekop aan te schaffen en/of korter te douchen. .50
  • 48.
    47 Tabel 4 Items en factorladingen voor een oblique direct oblimin één-factor structuur voor Angst Tabel 5 Items en factorladingen voor een oblique direct oblimin één-factor structuur voor Overheid Items (Ik vind dat de overheid..) Factorlading 1. Hogere subsidies moet geven voor energiebesparende maatregelen. .72 2. Ontbossing moet tegengaan. .73 3. Energieleveranciers moet verplichten om groene stroom te produceren. .70 4. De verkoop van spaarlampen moet stimuleren. .74 Item Factorlading 1. Op dit moment ben ik bang. .82 2. Op dit moment ben ik ongerust. .69 3. Op dit moment ben ik nerveus. .85 4. Op dit moment ben ik wanhopig. .84 5. Op dit moment ben ik geschokt. .82 6. Op dit moment ben ik ontdaan. .85 7. Op dit moment ben ik ontmoedigd. .79
  • 49.
    48 Bijlage 4 10 15 20 25 30 som overheid 20 15 10 5 0 Frequency Mean =23,49 Std. Dev. =3,349 N =78 Histogram 6 8 10 12 14 som kans factor 2 20 15 10 5 0 Frequency Mean =11.22 Std. Dev. =2.394 N =78 Histogram