Das Vollverb
Demeeste werkwoorden zijn Vollverben(= volledige werkwoorden)
Alleen met onderwerp in de zin
Voorbeelden zijn:
Schreiben
Tanzen
Lesen
Fahren
Heiraten
3.
Das Hilfsverb
Staatbijna altijd samen met een volledig werkwoord
De drie Hilfsverben(= hulpwerkwoorden) zijn:
Haben
Sein
Werden
Ich werde lesen
Hilfsverb werden + Vollverb lesen
Ich habe eine Katze
Hilfsverb haben als Vollverb
4.
Das Modalverb
Modalverben(=modale hulpwerkwoorden) beschrijven een verhouding
tussen persoon en handeling
Ze drukken bijvoorbeeld een vaardigheid of noodzaak uit;
Ich kann sehr gut kochen (vaardigheid
Ich muss einen Brief schreiben (noodzaak)
De Modalverben zijn:
Können
Müssen
Sollen
Dürfen
Mögen
Wollen
5.
Das Mischverb
EenMischverb(= mix werkwoord) heeft de eigenschap van een
stamverandering van de sterke werkwoorden en de uitgangen
van de zwakke werkwoorden in de verleden tijd.
Voorbeelden zijn:
Brennen
Bringen
Kennen
Nennen
Rennen
Wissen