• Share
  • Email
  • Embed
  • Like
  • Save
  • Private Content
Medisch beroepsgeheim
 

Medisch beroepsgeheim

on

  • 3,633 views

 

Statistics

Views

Total Views
3,633
Views on SlideShare
3,633
Embed Views
0

Actions

Likes
0
Downloads
28
Comments
0

0 Embeds 0

No embeds

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

    Medisch beroepsgeheim Medisch beroepsgeheim Document Transcript

    • Het medisch beroepsgeheim in relatie tot de opsporing van strafbare feiten Oktober 2010 Mr. L.M.L. Stuive-Huisman Recherchekundige loes.stuive-huisman@amsterdam.politie.nl Afstudeerrichting Algemene recherchekunde Wetenschappelijke expertise en opsporing
    • di lem ma het; o -’s lastige keus tussen twee onaangename zaken be roeps ge heim het; o -en geheim dat menberoepshalve te weten is gekomen en dat men verplicht is te bewaren af we gen woog -, h -gewogen 1 met zorgwegen: de suiker ~ 2 overwegen, overdenken: voor- en nadelen ~ dis cre pan tie de; v 1 tegenstrijdigheid 2 verschilge nees kun de de; v wetenschap die de oorzaak en de aard van ziekten opspoort en er de geneesmiddelen vooraanwijst psy chi a ter de; m,v -s dokter voor psychische ziekten psy cho loog de; m,v -logen kenner, beoefenaarvd psychologie be lang het; o -en 1 iets dat iem raakt doordat zijn voordeel ermee gemoeid is of omdat het zijngevoel van nieuwsgierigheid opwekt: hij heeft er ~ bij voordeel; ~ in iets stellen 2 betekenis: een drukte van ~pri va cy [prajvesie] de; v(m) de mogelijkheid om in eigen omgeving helemaal zichzelf te zijn toe gan ke lijk bn 1te betreden; bereikbaar 2 bereid toegang te geven: ~ voor nieuwe ideeën bereid ze te horen en over te nemenop spo ren spoorde -, h -gespoord door zoeken vinden: een dief ~ straf recht het; o deel vh recht waarin wordtbepaald, wie, wanneer en hoe gestraft zal worden wet de; v(m) -ten 1 het geheel van geldende rechtsvoorschriften:boven de ~ staan niet aan de wet gebonden zijn; (christendom) de Wet (van Mozes) de tien geboden 2 blijvendeverordening, door de overheid uitgevaardigd 3 natuurlijke gang van zaken in de natuur: de ~ vd zwaartekracht; de~ van Murphy stelregel die zegt dat iets dat mis kan gaan ook ooit mis zal gaan 1ge heim bn, bw verborgengehouden: ~e dienst dienst die spionage bedrijft 2ge heim het; o 1 het verborgen-zijn: in het ~ 2 -en; -pje iets datniet openbaar mag worden span nings veld het; o -en 1 (nat) veld waarin de spanning (4) invloed heeft 2 terreinwaarop tegengestelde krachten werken keu ze, keus de; v(m) keuzen, keuzes 1 de daad vh kiezen 2 degelegenheid, de vrijheid om te kiezen: we hebben geen (andere) keus er kan slechts één ding gedaan worden 3voorkeur ge we ten het; o -s innerlijk besef van goed en kwaad richt lijn de; v(m) -en aanwijzing voor te volgengedrag ver trou we lijk bn, bw 1 van vertrouwen blijk gevend 2 niet voor openbaarheid bestemdge zond heids zorg de; v(m) zorg voor de gezondheid po li tie de; v 1 organisatie, belast met het toezicht op deopenbare orde en veiligheid, het tegengaan van strafbare feiten enz. 2 de gezamenlijke werknemers van dieorganisatie pa ti ënt [paasjent] de; m,v -en, pa tiën te de; v -s, -n zieke die onder behandeling is hulp ver le nerde; m,v -s iem die medische, sociale hulp verleent pro fes si o neel bn, bw 1 van beroep 2 aan het beroep eigen 3(als) ve vakman: een -nele aanpak 1cri mi neel bn 1 misdadig 2 vreselijk: het is ~ 2cri mi neel de; m,v -nelenmisdadig iem waar heid de; v -heden 1 het ware; overeenstemming van woorden met feiten: antwoorden naar ~;iem de ~ zeggen waar het op staat 2 iets dat waar is ra tio de; v 1 rede, verstand 2 oorzaak, grond; beweegreden 3-’s verhouding frus tra tie de; v -s gevoel van teleurstelling mar gi naal bn 1 aan de rand geplaatst 2 zich op degrens bevindend: een ~ geval grensgeval; een -nale winst zeer geringe wrij ving de; v 1 het wrijven 2 weerstand dieoptreedt als een voorwerp ten opzichte ve ander bewogen wordt 3 -en onenigheid con ve nant het; o -enovereenkomst zwijg plicht de; m en v (opgelegde) verplichting tot zwijgen2 Politie Amsterdam-Amstelland
    • InhoudsopgaveI Inleiding 5II Doel- en probleemstelling 72.1 Doelstelling 72.2 Probleemstelling en onderzoeksvragen 72.3 Definiëring en operationalisering begrippen 82.4 Leeswijzer 8III Methoden van onderzoek 93.1 Literatuur- en jurisprudentieonderzoek 93.2 Interviews 93.3 Beperkingen onderzoek 10IV Theoretisch kader medisch beroepsgeheim 114.1 Inleiding 114.2 Ratio 114.3 Het wettelijk kader 124.4 Het recht van binnen 154.5 Doorbreken van het geheim 164.6 Relevante jurisprudentie 194.7 Convenanten 234.8 Rechterlijke sancties 244.9 Conclusie theoretisch kader medisch beroepsgeheim 25V Het medisch beroepsgeheim in de praktijk 275.1 Inleiding 275.2 Effectiviteit van convenanten 275.3 Opvattingen uit de medische praktijk 275.4 Bevindingen KNMG-ledenpanel 335.5 Conclusie werking van het beroepsgeheim in de praktijk 33VI Conclusies en aanbevelingen 356.1 Conclusies 356.2 Aanbevelingen 37BijlagenA Beroepscode voor psychiaters 39B Beroepscode voor psychotherapeuten 41C Beroepscode voor psychologen 43D Literatuurlijst 45E Geïnterviewde personen 47F Interviewformat 49G Uitnodigingsbrief interview 533 Politie Amsterdam-Amstelland
    • 4 Politie Amsterdam-Amstelland
    • I InleidingOp 6 december 2007 worden de levenloze lichamen van de 32-jarige Mark de Vries en zijn 60-jarigemoeder, Maja de Vries, aangetroffen in een sloot op het terrein van psycho-medisch centrum 1Parnassia te Den Haag. Mark en Maja zijn die dag om 17.30 uur niet komen opdagen op eenafspraak bij de crisisdienst van Parnassia. In een paar maanden weet het Haagse rechercheteamveel informatie te vergaren en komt er een mogelijk verdachte patiënt in beeld; het team krijgt een tipover een patiënt die meer zou weten over ‘de zaak’. Het rechercheteam nodigt deze patiënt uit voorverhoor. Eenmaal op het bureau aangekomen zegt de man zich plotseling niets meer te herinneren.Een dag later krijgt het team telefonisch een nieuwe tip over de bewuste patiënt. De tipgever weet tevertellen dat de man op 6 december vlak vóór 18.00 uur boos was weggelopen bij zijn behandelaaren de kliniek op het Parnassia-terrein had verlaten (Salome, 2009). De omstandigheden waaronderdat gebeurd zou zijn, geeft het team aanleiding te veronderstellen dat deze patiënt betrokken zoukúnnen zijn bij de dood van Mark en Maja. Het team is ervan overtuigd dat het patiëntendossier vanParnassia cruciale informatie bevat. Het grootste struikelblok in het onderzoek blijkt het medischberoepsgeheim te zijn, waarop de directie en psychiaters van het medische centrum zich beroepen.Het rechercheteam krijgt zodoende geen inzage in de patiëntendossiers. “Het medischberoepsgeheim weegt kennelijk zwaarder dan het oplossen van een zaak waarbij één of meerdereslachtoffers zijn gevallen. En wie weet wat er nog komen gaat”, stelt teamleider Gijs Folsche in deKorpskrant van regiopolitie Haaglanden (Salome, 2009, p. 1).Het rechercheteam dat de dood van Mark en Maja onderzoekt, wordt bij gebrek aanaanknopingspunten begin 2009 opgeheven. Niet alleen in de politiewereld leidt deze gang van zakentot hevige commotie, ook de politiek bemoeit zich met deze zaak. De publiciteit rond de‘Parnassiadoden’ leidt in de Tweede Kamer en in de Haagse gemeenteraad tot vragen over hetmedisch beroepsgeheim. Zo meent VVD-kamerlid Van Miltenburg dat er sprake is van een botsingvan twee maatschappelijke belangen: het recht op privacy van patiënten en het recht dat desamenleving en slachtoffers hebben dat een moordzaak wordt opgelost. “Het mag natuurlijk nooit hetgeval zijn dat om deze reden een politieonderzoek wordt stopgezet”, aldus Van Miltenburg (“Oplossenmoord belangrijker dan beroepsgeheim”, 2009). “Privacy patiënt frustreert rechercheurs” (2009)Bovenstaande zaak geeft weer dat het medisch beroepsgeheim een prominente rol kan spelen in eenopsporingsonderzoek. In de praktijk blijkt de toepassing van het medisch beroepsgeheim vragen enonduidelijkheden op te leveren (zie ook Biesaart & Meersbergen, 2004). Niet alleen in regioHaaglanden lopen de rechercheurs tegen het medisch beroepsgeheim aan. Uit een gesprek met devoormalig chef van Bureau Districtsrecherche Zuid van regiopolitie Amsterdam-Amstelland blijkt dater behoefte is aan meer duidelijkheid omtrent deze materie.Het medisch beroepsgeheim staat in toenemende mate ter discussie. Het beroepsgeheim kan demogelijkheden beperken voor de opsporing van strafbare feiten en waarheidsvinding. Politie enmedische instellingen kunnen tegenstrijdige belangen hebben en dit kan wel eens tot wrijving leiden.Eén van de taken van politie is gelegen in de opsporing van strafbare feiten, dat als gevolg heeft datde informatiebehoefte van deze organisatie groot is. De medewerkers van medische instellingendaarentegen hebben een geheimhoudingsplicht en kunnen op grond hiervan politiemedewerkers (inbepaalde gevallen) niet in hun informatiebehoefte voorzien.1 N.B. Namen van slachtoffers die ruimschoots in de media naar voren zijn gekomen, zijn ten behoeve van de leesbaarheid nietgeanonimiseerd.5 Politie Amsterdam-Amstelland
    • 6 Politie Amsterdam-Amstelland
    • II Doel- en probleemstelling2.1 DoelstellingHet doel van het onderzoek is het versterken van de informatiepositie van de opsporing metbetrekking tot de hantering van het medisch beroepsgeheim door medisch hulpverleners in het gevaler een opsporingsbelang aan de orde is.Theoretische en praktische relevantieEr zijn in de loop der tijd veel regels in de vorm van wettelijke normen, convenanten, beroepscodesen jurisprudentie omtrent het medisch beroepsgeheim ontstaan wat leidt tot een grote mate vanonoverzichtelijkheid in de toepasbaarheid hiervan. In de praktijk – hiermee zowel doelend op deopsporings- als op de medische praktijk – heerst onduidelijkheid wanneer en welke informatie al dan 2niet onder het medisch beroepsgeheim valt. Middels dit rapport wordt inzicht geboden in de(juridisch) wetenschappelijke materie van het medisch beroepsgeheim en het hiermeesamenhangende verschoningsrecht. Echter, ondanks de codificatie van het beroepsgeheim, deneerlegging ervan in convenanten en beroepscodes en de aanwezigheid van een enormehoeveelheid aan jurisprudentie is een zogenaamd ‘grijs gebied’ niet uit te sluiten. Binnen dit gebiedprioriteert de medisch hulpverlener de verschillende belangen die zich voor kunnen doen. Hoe dezeafweging door de hulpverlener wordt gemaakt, is (uiteindelijk) door de rechter – over het algemeen –slechts marginaal te toetsen.Voor de opsporing van strafbare feiten – en het hieraan verbonden oplossen van een zaak – kan hetvan belang zijn de grenzen van het medisch beroepsgeheim op te zoeken, vanzelfsprekend zonderhet vertrouwen van de burgers in het recht op privacy en het recht op zorg te ondermijnen. Bovendienkan het bieden van inzicht in de (interne) afweging die de medisch hulpverlener maakt, het voorpolitieambtenaren en de maatschappij in zijn algemeenheid begrijpelijk(er) worden waarom eenmedisch hulpverlener zijn beroepsgeheim in concrete gevallen al dan niet schendt. Zodoende kaneventuele frustratie voortvloeiende uit het niet vrijgeven van medische gegevens door een medischgeheimhouder bij een opsporingsteam beperkt worden. Daarnaast kan door inzicht te verkrijgen in deafwegingen die door medisch hulpverleners worden gemaakt bij het al dan niet schenden van hetberoepsgeheim, mogelijk de opsporingspositie van politie worden versterkt. Met deze inzichten kaneen optimale verhouding worden bewerkstelligd tussen politie en medisch geheimhouders zodat allegegevens die verstrekt kúnnen worden – volgens de wettelijke bepalingen, jurisprudentie enrechtsliteratuur – ook daadwerkelijk gegeven worden, opdat van deze informatie gebruik kan wordengemaakt in strafrechtelijke opsporingsonderzoeken.2.2 Probleemstelling en onderzoeksvragenOm aan de doelstelling te voldoen, is onderstaande probleemstelling met bijhorendeonderzoeksvragen geformuleerd.ProbleemstellingIn welke gevallen dienen medisch hulpverleners – op basis van wet, jurisprudentie en(rechts)literatuur – over te gaan tot doorbreking van het medisch beroepsgeheim en in welke gevallengaan zij (daadwerkelijk) over tot het doorbreken van hun medisch beroepsgeheim ten behoeve van deopsporing van strafbare feiten?Onderzoeksvragen- Wat is de ratio van het medisch beroepsgeheim?- Wat is de wettelijke en jurisprudentiële omvang van het medisch beroepsgeheim?- In welke gevallen kán het medisch beroepsgeheim ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten doorbroken worden?- Wat doet medisch hulpverleners ertoe bewegen hun beroepsgeheim te doorbreken ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten, met andere woorden; wat is de onderliggende argumentatie c.q. motivatie hiervoor?2 Zie bijvoorbeeld het empirisch onderzoek van Duijst, Morsink & De Vries (2006).7 Politie Amsterdam-Amstelland
    • 2.3 Definiëring en operationalisering begrippenHieronder volgt een korte toelichting van bepaalde, relevante, in de probleemstelling ofonderzoeksvragen voorkomende termen.- Medisch hulpverleners: hiermee worden psychiaters, psychologen en psychotherapeuten werkzaam 3in de ambulante geestelijke gezondheidszorg bedoeld.- Medisch beroepsgeheim: de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht ex. art. 272 Sr, art.7:457 BW, art. 88 Wet BIG en art. 218 Sv.- Opsporing: “Het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitiemet als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen”, ex art. 132a Sv. Opsporing is onderdeel vande daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde, zoals bedoeld in de taakstelling van politieneergelegd in art. 2 PW. Zowel de vóórkoming als oplossing van zaken aangaande strafbare feitenworden onder de opsporing verstaan.- Strafbare feiten: in het bijzonder worden hier levensdelicten mee bedoeld. De volgende strafbarefeiten zijn in het uit te voeren onderzoek van belang; doodslag, moord, kinderdoodslag, kindermoord,levensbeëindiging op verzoek, aanzetten tot/hulp bij zelfdoding en (zware) mishandeling de dood tengevolge hebbend. De juridische kwalificaties zijn te vinden in titel XIX, XX en XXI van het Wetboek 4van Strafrecht.- Ratio medisch beroepsgeheim: de reden van bestaan van het medisch beroepsgeheim, het doel dathet dient.- Motivatie: wordt door Van Dale beschreven als “beweegreden, drijfveer”.- Argumentatie: wordt door Van Dale beschreven als “bewijsvoering”.2.4 LeeswijzerIn het volgende hoofdstuk worden de onderzoeksmethoden beschreven en onderbouwd. In hoofdstuk4 wordt vervolgens de theorie van het medisch beroepsgeheim beschreven. De toepassing van ditberoepsgeheim in de praktijk wordt in hoofdstuk 5 beschreven. In hoofdstuk 6 zijn tot slot deconclusies en aanbevelingen weergegeven.3 Het ligt niet in de reikwijdte van dit onderzoek om alle in de gezondheidszorg werkzame actoren mee te nemen. Er is eenafbakening gemaakt tot de geestelijke gezondheidszorg aangezien over het algemeen juist deze hulpverleners te makenhebben met patiënten die ten overstaan van hen een boekje open doen over een reeds gepleegd of nog te plegen(levens)delict.4 Achtereenvolgens de artikelen 287, 289, 290, 291, 293, 294, 300, 301, 302, 303, 307 Sr.8 Politie Amsterdam-Amstelland
    • III Methoden van onderzoekOm tot beantwoording van de hiervoor geformuleerde probleemstelling en onderzoeksvragen tekomen en daarmee gevolg te geven aan de doelstelling, is kwalitatief onderzoek verricht.Kenmerkend voor dergelijk onderzoek is de gebruikmaking van verschillende databronnen en denadruk die gelegd wordt op het “begrijpen of doorgronden van individuele mensen, groepen ofsituaties” (Baarda, De Goede en Teunissen, 2005, p. 7).3.1 Literatuur- en jurisprudentieonderzoekOm het eerste deel van de probleemstelling en de hiermee samenhangende eerste drieonderzoeksvragen te beantwoorden, is er gebruik gemaakt van ‘bestaande gegevens’ in de vorm van 5literatuur- en jurisprudentieonderzoek. De bronnen zijn gezocht en verzameld middelsbibliotheekcatalogi van de Politieacademie en de Vrije Universiteit te Amsterdam. Daarnaast vormdehet internet een belangrijke bron voor het vergaren van documenten van beroepsgroepen enrechterlijke uitspraken.3.2 InterviewsOm tot beantwoording van het tweede deel van de probleemstelling en de vierde onderzoeksvraag tekomen, zijn er interviews onder psychiaters, psychologen en psychotherapeuten afgenomen. Deinterviews zijn afgenomen om de opvattingen omtrent het medisch beroepsgeheim en de afwegingvan belangen die zij in bepaalde situaties (zullen) moeten maken, in kaart te brengen.Om de antwoorden c.q. opvattingen van de psychologen en psychiaters de concrete situatie te laten 6overstijgen en een “dwarsdoorsnede van opinies, gevoelens, gedragingen en dergelijke te krijgen” –daarbij de wens om het onderzoek binnen redelijke termijn af te ronden in acht nemend – is ergekozen voor een groep van 15 respondenten. De groep respondenten betreft geestelijk, medischhulpverleners die werkzaam zijn in de ambulante zorg en een juridisch adviseur van een groteinstelling voor geestelijke gezondheidszorg. Met de medisch hulpverleners wordt zowel gedoeld ophulpverleners die in particuliere praktijken werkzaam zijn, als hulpverleners werkzaam in centra voorgeestelijke gezondheidszorg (GGZ). De forensische psychiatrische zorg is buiten schot gebleven,aangezien de psychiaters c.q. psychologen die werkzaam zijn in deze tak in een bijzondere relatie 7staan tot de opsporende instanties en de rechterlijke macht.Aangezien uit de interviews bleek dat verschillende respondenten in een aantal gevallen een juridischadviseur zouden raadplegen in zich voordoende dilemma’s met betrekking tot het medischberoepsgeheim, is ervoor gekozen om naast de medisch hulpverleners een bij een GGZ-instellingwerkzame juridisch adviseur te interviewen. Dezelfde vragen en cases zijn aan deze adviseurvoorgelegd met de vraag wat haar advies zou luiden in het geval een collega-hulpverlener haar meteen dergelijke case benadert.Afbakening en benaderingTer afbakening van het onderzoek is gekozen voor in de regio Amsterdam-Amstelland werkzamehulpverleners. Aangezien kinderen geen of een beperkte rol spelen in het strafrecht is de tak vankinder- en jeugdpsychiatrie buiten beschouwing gelaten.Sinds 1998 bestaat er voor regio Amsterdam-Amstelland een convenant tussen verschillende GGZ-instellingen en onder andere de politie. De partijen beogen met deze overeenkomst tot een werkwijzete komen waarbij aan ieders positie recht wordt gedaan. Later in dit rapport zal op dit convenantworden teruggekomen (SIGRA, 2005). Via de website www.ggznederland.nl zijn de verschillendeGGZ-instellingen die zijn aangesloten bij het convenant opgezocht. De GGZ-instellingen die als 8convenantpartner zijn aangesloten zijn Arkin – waaronder Mentrum, Jellinek en NPI -, GGZ inGeesten De Bascule. Er is telefonisch en e-mailcontact gelegd met verschillende hulpverleners van dezeinstellingen om hen te verzoeken hun medewerking te verlenen aan het onderzoek. Aangezien De5 De onderzoeksmethode ‘documentanalyse’ is tevens verkend; het blijkt echter praktisch niet haalbaar de zaken te achterhalenwaarin in regiopolitie Amsterdam-Amstelland sprake is geweest van (al dan niet) doorbreking van het medisch beroepsgeheimdoor medewerkers uit de geestelijke gezondheidszorg ten behoeve van het opsporingsbelang inzake levensdelicten.6 Baarda, De Goede & Teunissen (2005, p. 109).7 Een taak voor forenisch psychologen/psychiaters kan zijn advisering aan de rechterlijke macht (over de persoon van deverdachte) middels een Pro Justitia rapportage; het moge duidelijk zijn dat in dat geval het medisch beroepsgeheim nietonverminderd van kracht is.8 Nederlands Psychoanalytisch Instituut.9 Politie Amsterdam-Amstelland
    • Bascule een academisch centrum is voor kinder- en jeugdpsychiatrie en zodoende niet onder dereikwijdte van dit onderzoek valt is deze instelling niet benaderd.Vervolgens zijn middels de website van de Nederlandse Vereniging van Vrijgevestigde Psychologenen Psychotherapeuten (www.nvvp.nl) de contactgegevens van vrijgevestigde hulpverlenersverzameld. Deze hulpverleners zijn – in tegenstelling tot de medewerkers bij de hiervoor beschreveninstellingen – niet aangesloten bij het convenant. Ook met (een deel van) hen is telefonisch contactopgenomen om vervolgens schriftelijk (per e-mail) nadere informatie met betrekking tot het onderzoeken verzoek tot deelname hieraan te verzenden. In de bijlage is een (voorbeeld)e-mail toegevoegdzoals die aan de verschillende, potentiële respondenten is verstuurd.InterviewvormDe respondenten zijn mondeling en op individuele basis geïnterviewd. Het mondelinge interview lietruimte tot doorvragen op momenten waar dat wenselijk was. De interviews waren gedeeltelijkgestructureerd van aard. Het eerste deel van het interview zijn er open vragen gesteld betrekkinghebbend op onder meer het medisch beroepsgeheim in zijn algemeenheid, werkgerelateerdeervaringen met politie en conflictsituaties met betrekking tot het al dan niet vrijgeven van informatiedie onder het beroepsgeheim valt. Deze open vragen zijn van te voren op papier gezet, maar tijdenshet interview is de ruimte gelaten voor nieuwe en onverwachte informatie waar eventueel op konworden doorgevraagd.Daarna zijn er verschillende cases aan de respondenten voorgelegd. In deze cases zijn situaties 9geschetst waarin de respondent door zijn patiënt op de hoogte wordt gesteld van een door hemgepleegd of nog te plegen levensdelict en/of waarin de respondent door de politie wordt benaderdmet een informatieverzoek. In deze cases zijn nuances aangebracht met betrekking tot onder anderede omstandigheid waaronder het delict heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden, de mate vangevaar, het (forensisch) verleden van de patiënt en de mogelijke informatiebehoefte en –verstrekkingdoor politie. Vervolgens is de respondenten gevraagd wat zij in een dergelijke situatie zullen doen enwelke overwegingen hieraan ten grondslag liggen. De hoofdvraag waar het hier om gaat is wat voorde respondent doorslaggevend is om tot doorbreking van zijn beroepsgeheim te komen. Het is echteronmogelijk alle denkbare variaties en situaties in cases te verwerken. Om deze reden is er – in hetgeval er door de respondent verschilllende antwoorden werden gegeven op de cases – per case ookdoorgevraagd waar het mogelijke verschil met de vorige case zat. Bovendien zijn de verschillendecriteria die eventueel zouden kunnen leiden tot doorbreking van het beroepsgeheim met derespondenten nabesproken om zodoende de ‘grens’ te bepalen. Op deze plaats wordt verwezen naarbijlage C waar het interviewformat zoals dat is gebruikt tijdens het afnemen van de interviews, isopgenomen.3.3 Beperkingen onderzoekEr kleven, net zoals bij kwantitatief onderzoek, aan kwalitatief onderzoek in zijn algemeenheid eenaantal beperkingen. De afgenomen interviews onder de 15 respondenten vormen een klein deel vanhet totaal aantal werkzame hulpverleners. Het is nu eenmaal praktisch gezien niet mogelijk deopvattingen van de gehele groep hulpverleners te inventariseren. Daarnaast zijn de interviewsafgenomen door een politiemedewerker. Dit heeft mogelijk de afweging van de medisch hulpverlenerbeïnvloed, doordat hij zich wellicht geneigd voelt meer belang toe te dichten aan eenopsporingsbelang waar hij dat ‘normaal gesproken’ niet zou doen. Aan de andere kant hoeft het geen(bijzondere) invloed te hebben; de situaties die de hulpverleners zijn voorgelegd hebben immers 10betrekking op de opsporing (en onder meer ook op informatieverzoeken van de kant van politie) .Een andere beperking kan gelegen zijn in het feit dat de situaties fictief zijn. Er zijn de respondenten‘stel dat’-situaties voorgelegd waarna vervolgens naar de opvattingen van de respondent is gevraagd.De respondent heeft aangeven wat hij in zo’n geval denkt te doen (c.q. welke afweging hij denkt temaken en waarom), maar dat kan in een situatie die zich daadwerkelijk voordoet wellicht toch (weer) 11anders liggen.9 Uit de afname van interviews bleek dat psychiaters veelal verwijzen naar gebruik van het woord ‘patiënt’, in tegenstelling toteen aantal psychologen en psychotherapeuten die liever refereerden naar ‘cliënt’. Omwille van de leesbaarheid wordt gekozenvoor het gebruik van het woord ‘patiënt’ in dit rapport.10 In de praktijjk worden immers ook informatieverzoeken door een politiemedewerker/rechercheur voorgelegd.11 Bijvoorbeeld omdat er dan emoties (mee)spelen die de afweging zouden kunnen beïnvloeden.10 Politie Amsterdam-Amstelland
    • IV Theoretisch kader medisch beroepsgeheim4.1 InleidingEen aantal beroepen kent een beroepsgeheim. Advocaten, notarissen, geestelijken, artsen enmaatschappelijk werkers bijvoorbeeld hebben de plicht te zwijgen omtrent hetgeen hen bekend isgeworden in de uitoefening van hun beroep. Alle medewerkers in de gezondheidszorg hebben inprincipe een geheimhoudingsplicht (Duijst, 2007). Het medisch beroepsgeheim bestaat uit dezwijgplicht en het verschoningsrecht. Laatstgenoemde is het recht om af te zien van het afleggen vaneen verklaring voor de rechter. Er wordt in de literatuur ook wel gesteld dat het beroepsgeheim hetgeheim van de patiënt is, niet van de hulpverlener. Uit dit geheim volgt op zijn beurt voor dehulpverlener een geheimhoudingsplicht en het recht tot verschoning (Van Wijk, 1995).In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe het medisch beroepsgeheim wettelijk is neergelegd en welkehistorie het kent. Met behulp van de (rechts)literatuur wordt bezien welke betekenis er aan dezewettelijke bepalingen moet worden gegeven. Naast wettelijke bepalingen kunnen convenanten endoor de verschillende beroepsgroepen opgestelde regels een rol spelen in het denken over hetmedisch beroepsgeheim. Bovendien vormt de jurisprudentie een belangrijke aanvulling, of betergezegd invulling, op de ontwikkeling en concretisering van het medisch beroepsgeheim. De term‘theoretisch kader’ moet in deze zin dan ook breed opgevat worden, aangezien rechtspraak wordtgevormd naar aanleiding van in de praktijk ontstane situaties.4.2 RatioHet beroepsgeheim kent een tweeledig doel: naast het algemene belang van toegankelijkheid van dezorg, dient het de privacy van de patiënt te waarborgen. Patiënten delen met artsen informatie die zesoms met niemand anders delen. De hulpverlener krijgt de informatie toevertrouwd in zijnhoedanigheid als behandelaar. De patiënt verwacht dat de hulpverlener deze informatie, voor zoverniet noodzakelijk met het oog op de behandeling, niet met anderen zal delen. De hulpverlener draagthier de verantwoordelijkheid voor. Dit vertrouwen in het bewaren van het ‘geheim’ is van belang vooreen goede relatie tussen de hulpverlener en patiënt. Deze goede relatie is op zijn beurt van belangvoor de medische behandeling; er moet voorkomen worden dat patiënten (relevante) informatieachterhouden of zich zelfs laten weerhoudende medische hulp in te roepen die ze nodig hebben, danwel wensen. Een voorbeeld van een dergelijk negatief gevolg komt naar voren uit Amerikaansonderzoek waarin is aangetoond dat patiënten informatie achterhouden voor hun psychotherapeutindien zij er niet op kunnen vertrouwen dat de therapeut het beroepsgeheim in acht neemt (Shuman &Weiner in Duijst, 2007).Het medisch beroepsgeheim waarborgt de vertrouwelijkheid van (medische) gegevens. Het zorgtervoor dat hetgeen de hulpverlener over de patiënt te weten komt binnen de vertrouwensrelatiehulpverlener-patiënt blijft. Het primaire doel hiervan is de toegankelijkheid van de zorg te waarborgen,opdat een ieder zich vrijelijk tot een hulpverlener kan wenden zonder te vrezen dat zijn (gevoelige)gegevens aan derden verstrekt zullen worden en hij hierdoor zichzelf zou schaden. In eerste instantiegold deze geheimhouding als een beroepsplicht van de medisch hulpverlener, tegenwoordig wordtdeze zwijgplicht tevens als recht van de patiënt gezien (Gevers, 1995). Genoemd recht op privacy iswettelijk neergelegd in de artt. 8 EVRM en 17 IVBPR. Bovendien is in 1983 in art. 10 van onzeGrondwet het recht op eerbiediging en bescherming van de persoonlijke levenssfeer neergelegd.Hieronder is tevens begrepen dat er wettelijke regels zijn opgesteld in verband met het vastleggen enverstrekken van persoonsgegevens (art. 10 lid 2 Gw). Deze privacy is zoals hiervoor beschreven vanbelang voor een goede behandelrelatie. De relatie tussen hulpverlener en patiënt is onderdeel van depersoonlijke levenssfeer van het individu. De privacyregels waarborgen deze persoonlijkelevenssfeer. Het meer algemene belang van toegankelijkheid van de zorg vloeit voort uit art. 22 GWwaarin het (afgeleid) recht op zorg neergelegd is: “De overheid treft maatregelen ter bevordering vande volksgezondheid”.Ontwikkelingen in het medisch beroepsgeheimReeds in de vierde eeuw voor Christus werd het belang van geheimhouding door artsen doorHippocrates vastgelegd in de eed. Ook in de Indische Veda’s, het oude Egypte en bij de Romeinenwerd het artsenberoep gezien als het zwijgende beroep. Echter, getuige het feit dat de artseeuwenlang niet was vrijgesteld van aangifte- en getuigeplichten betekende dit niet dat anderemaatschappelijke belangen zonder meer voor het beroepsgeheim moesten wijken (Gevers, 1995).11 Politie Amsterdam-Amstelland
    • Het beroepsgeheim is geen statisch gegeven, dat onafhankelijk van tijd en plaats bestaat; het isonderhevig aan maatschappelijke ontwikkelingen. In de samenleving kunnen er in de loop der tijdverschillende, misschien wel tegengestelde, belangen prioriteit genieten. Deze dynamiek inopvattingen en prioriteiten beïnvloedt ook het denken over het (medisch) beroepsgeheim (Nortier,2006). In de jaren ’80 werd er steeds meer belang gehecht aan de rechten van het individu. De ratiovan het medisch beroepsgeheim was dan ook vooral gelegen in het recht op privacy van de patiënt.In de loop der tijd heeft er een verschuiving plaatsgevonden van een individualistisch getinte politieknaar meer bemoeienis van de overheid ten behoeve van de bescherming van groepen minderweerbare burgers waardoor de verhouding in de verschillende maatschappelijke belangen isopgeschoven.Ook ontwikkelingen in de medische wetenschap beïnvloeden het denken over het medischberoepsgeheim. Op het gebied van strafrecht hebben er dientengevolge tevens veranderingenplaatsgevonden. Een voorbeeld hiervan vormen de artt. 151a en 151b Sv waarin een betrokkene mettoestemming, dan wel een verdachte met bevel van de officier van justitie aan een DNA-onderzoekkan worden onderworpen. In deze gevallen wordt medische informatie gebruikt ten behoeve van deopsporingspraktijk. De verkregen DNA-profielen worden verwerkt voor de voorkoming, opsporing,vervolging en berechting van strafbare feiten. Veiligheid is steeds hoger op de (politieke) agendakomen te staan: aan de opsporing van strafbare feiten is de laatste jaren steeds meer waardetoegekend. De strafvorderlijke bevoegdheden werden uitgebreid en ‘zero tolerance’ werd een meergebruikte term (Duijst, 2007). In de afgelopen jaren heeft een verdergaande verschuivingplaatsgevonden, in die zin dat naast de bescherming van de zwakkere groepen in de samenleving er 12aandacht is voor bescherming en veiligheid voor alle burgers (Nortier, 2006). Veiligheidsbeleid isook in de medische wereld doorgedrongen. Te denken valt bijvoorbeeld aan beveiliging door middelvan het ophangen van camera’s in een ziekenhuis en regels voor patiënten. Het strafrecht maakt opzijn beurt ook gebruik van de expertise uit de medische wetenschap, zoals blijkt uit het gebruik vanDNA-profielen in het strafproces. Er ontstaat zo een verwevenheid tussen de medische en juridischewereld die op sommige momenten tot tegenstrijdige belangen kan leiden. Zoals duidelijk moge zijnkan het beroepsgeheim dan ook niet als een op zichzelf staand goed in de medische wereld wordenbeschouwd (zie ook Gevers, 1995). De belangen van het medisch beroepsgeheim kunnen somstegenstrijdig zijn met andere (maatschappelijke) belangen, zoals waarheidsvinding en veiligheid. Omdeze reden is het van belang dat het doel en de inhoud van het medisch beroepsgeheim steedsopnieuw wordt gelegitimeerd, zoals Gevers (1995) beschrijft: “(…)het beroepsgeheim [is] nimmer een rustig bezit geweest van arts en patiënt, maar een precaire verworvenheid, waarvan het voorbestaan is gekenmerkt door het steeds zoeken naar nieuwe evenwichten” (p. 6)4.3 Het wettelijk kaderRichtlijnen die verschillende (medische) beroepsorganisaties in het verleden hebben uitgebracht,hebben tevens het denken over het medisch beroepsgeheim beïnvloed. Zo heeft de KoninklijkeNederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) richtlijnen en gedragsregelsvoor haar leden uitgebracht. Ook andere beroepsverenigingen – het Nederlands instituut vanpsychologen (NIP) is hier een voorbeeld van – kennen hun eigen richtlijnen of beroepscodes.Uiteindelijk heeft dit geleid tot verankering van het medisch beroepsgeheim in de Wet op degeneeskundige behandelingsovereenkomst (WBGO) en de Wet op de beroepen in de individuelegezondheidszorg (Wet BIG); art. 7:457 BW en art. 88 Wet BIG. Deze wetten zijn van toepassing opde groep hulpverleners waar dit rapport betrekking op heeft.De WGBO is opgenomen in boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In art. 457 van genoemd boekis het beroepsgeheim opgenomen.Art. 7:457 lid 1 BWOnverminderd het in art. 448 lid 3 tweede volzin bepaalde, draagt de hulpverlener zorg dat aananderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van debescheiden bedoeld in art. 454 worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt. Indienverstrekking plaatsvindt, geschiedt deze slechts voorzover daardoor de persoonlijke levenssfeer vaneen ander niet wordt geschaad. De verstrekking kan geschieden zonder inachtneming van debeperkingen, bedoeld in de voorgaande volzinnen, indien het bij of krachtens de wet bepaaldedaartoe verplicht.12 Zie hiervoor ook Bannier, Duijst, Fanoy, Meijers en Tempelaar, 2008.12 Politie Amsterdam-Amstelland
    • Voor de beroepen die betrekking hebben op de individuele gezondheidszorg is in art. 88 Wet BIG eengeheimhoudingsplicht opgenomen. Uit art. 3 van deze wet volgt dat onder andere psychiaters,gezondheidszorgpsychologen en psychotherapeuten onder de werking van deze wet vallen.Art. 88 Wet BIGEen ieder is verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij hetuitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim istoevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijkkarakter moest begrijpen.Vóór deze periode van wettelijke verankering was het beroepsgeheim slechts indirect af te leiden uitde wet. In de Wet regelende de uitoefening der geneeskunst was neergelegd dat een eed moestworden afgelegd door artsen en verloskundigen. In deze eed was op zijn beurt de plicht totgeheimhouding opgenomen. Daarnaast ontleenden medisch hulpverleners hun plicht tot zwijgen aande algemene wettelijke basis zoals neergelegd in art. 272 Sr. Dit artikel stelt schending van hetberoepsgeheim strafbaar. Ook het opzettelijk delen van informatie met collega’s over een patiënt kanstrafbaarheid op grond van art. 272 Sr voor de hulpverlener opleveren.Art. 272 SrHij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt,beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren,opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van devierde categorie.Lid 2 van genoemd artikel maakt echter duidelijk dat het hier een zogenaamd klachtdelict betreft. Voorvervolging is het noodzakelijk dat degene wiens geheim is geschonden een klacht indient. Zoalseerder beschreven dient het beroepsgeheim zowel een individueel belang, namelijk de privacy van depatiënt, als het collectieve belang van toegankelijkheid van de zorg. De in lid 2 gestelde voorwaardevan het indienen van een klacht ligt voor de hand met het oog op het individuele privacybelang, maarlijkt daarentegen niet tegemoet te komen aan het collectieve (algemene) belang dat hetberoepsgeheim dient; toegankelijkheid van de zorg voor een ieder (Duijst, 2007). Echter, het instellenvan een klacht laat de keus aan de patiënt om zijn geheim als gevolg van een strafrechtelijkevervolging naar alle waarschijnlijkheid in een nog grotere kring openbaar te maken. Hieruit is tevensweer de importantie af te leiden die aan het bewaren van het geheim van de patiënt moet wordengehecht.In beginsel geldt de geheimhouding van de medische gegevens ten opzichte van een ieder, inclusieffamilieleden – met uitzondering van de wettelijke vertegenwoordigers van wilsonbekwamemeerderjarigen en minderjarigen jonger dan zestien jaar –, politie, verzekeraars en andere potentiëlebelanghebbenden. Dat op deze stelregel uitzonderingen mogelijk zijn, zal later in dit rapport blijken.Het verschoningsrechtZoals reeds naar voren kwam behelst het medisch beroepsgeheim zowel een zwijgplicht als eenverschoningsrecht. De zwijgplicht geldt in principe tegenover een ieder behalve de rechter. Hetverschoningsrecht geeft het recht om ook tegen de rechter te zwijgen. In art. 218 Sv is dit rechtneergelegd.Art. 218 SvVan het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ookverschoonen zij die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht 13zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.Dit artikel staat in contrast met de aangifteplicht van misdrijven voor elke burger (art. 160 lid 1 Sv) ende plicht om te getuigen voor de rechter (art. 213 Sv). Lid 2 van art. 160 Sv maakt een uitzonderingop de plicht om aangifte van een misdrijf te doen voor verschoningsgerechtigden. Bovendien is deverschoningsgerechtigde op basis van art. 137 Sr tevens vrijgesteld van de in art. 136 Sr neergelegde13 Art. 218 Sv heeft overigens betrekking op getuigen in het gerechtelijk vooronderzoek, terwijl art. 290 Sv (juncto art. 218 Sv)betrekking heeft op opgeroepen getuigen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.13 Politie Amsterdam-Amstelland
    • burgerplicht om melding te maken van het op de hoogte zijn een voorgenomen moord, verkrachting ofeen misdrijf tegen de veiligheid van personen en goederen, terwijl het misdrijf nog voorkomen kanworden. Niet alle geheimhouders hebben overigens een verschoningsrecht. Door de rechter is aanbepaalde beroepen het verschoningsrecht toegekend of ontzegd. Uit jurisprudentie volgt dat de groepmedisch hulpverleners waar dit rapport betrekking op heeft een verschoningsrecht toekomt (Jongkind,2010).Wat onder ‘hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd’ valt, wordt in derechtspraak en rechtsliteratuur breed uitgelegd. In 1990 stelt de Hoge Raad dat het beroepsgeheimzich niet alleen uitstrekt tot de feiten die betrekking hebben op de behandeling en de verzorging vande patiënt, maar dat dit tevens geldt ten aanzien van feiten die de beroepsbeoefenaar in dienshoedanigheid zijn medegedeeld of waarvan deze in zijn hoedanigheid heeft kennis gekregen enwaarvan de openbaarmaking het vertrouwen zou beschamen dat de patiënten met het oog op zijnhulpverlenende taak in hem moeten kunnen stellen (HR 23 november 1990, TvGr 1991, 19).Dus naast hetgeen door de patiënt aan de hulpverlener ten behoeve van de hulpverlening bewust istoevertrouwd, valt ook de informatie die de hulpverlener heeft verkregen middels (eigen ofandermans) waarneming en mededelingen van derden onder de geheimhoudingsplicht, ook al is dezeinformatie niet rechtstreeks van belang voor de hulpverlening (Van Wijk, 1995).Het verschoningsrecht betekent niet dat de hulpverlener niet bij de rechter hoeft te verschijnen om tegetuigen. Hij zal moeten verschijnen en zich dan vooraf of tijdens de vragen op het verschoningsrechtkunnen beroepen. In beginsel is het oordeel of de hulpverlener zich op het recht zal beroepen eenafweging die hij zelf zal maken. Hoewel het de benaming verschoningsrecht draagt, kan ook welgesteld worden dat op de hulpverlener de plicht rust zich te verschonen tenzij er bijzondere redenenzijn die het spreken rechtvaardigen (Van Wijk, 1995). Het belang dat met schending van hetberoepsgeheim wordt gediend weegt in dergelijke gevallen dan zwaarder dan de belangen dievoortvloeien uit het in stand houden van het beroepsgeheim c.q. het erkennen van hetverschoningsrecht in deze.In het geval de arts zich op het verschoningsrecht beroept, beslist de rechter of hij dit beroephonoreert. De rechter kan hier slechts een marginale toetsing verrichten en heeft derhalve beperktemiddelen om deze afweging te toetsen. Immers, een diepgaand onderzoek zou met zich meebrengendat het geheim (alsnog) geopenbaard moet worden; iets wat het wettelijk neergelegdeverschoningsrecht nu juist moet voorkomen. En andersom, in geval de arts zijn verschoningsrechtnaast zich neerlegt en besluit te spreken, toetst de rechter deze afweging ook marginaal: “hij kijkt ofhetgeen de arts ter rechtvaardiging van zijn spreken aanvoert dat oordeel in redelijkheid wel kandragen” (Van Wijk, 1995, p. 31).Dwangmiddelen en bevoegdheden bij verschoningsgerechtigdenHet verschoningsrecht heeft ook zijn werking voor de strafvorderlijke dwangmiddelen enbevoegdheden van inbeslagneming, doorzoeking, opnemen telecommunicatie en onderzoek vangegevens in een computer. Zo is in art. 98 lid 1 Sv neergelegd dat brieven of geschriften die onder deplicht tot geheimhouding vallen niet onder verschoningsgerechtigden – tenzij met hun toestemming –in beslag mogen worden genomen. Onder ‘brieven en geschriften’ worden ook andere voorwerpendie geheime informatie bevatten begrepen, zoals röntgenfoto’s en tekstdragers zoals diskettes. In lid2 van genoemd artikel is bepaald dat een doorzoeking bij verschoningsgerechtigden alleen plaatsvindt – tenzij met hun toestemming – voor zover dat zonder schending van het beroepsgeheim kangeschieden. Bovendien mag de zoeking zich niet uitstrekken tot andere brieven of geschriften dan diehet voorwerp van het strafbare feit uitmaken of die daartoe hebben gediend.Daarnaast is het niet toegestaan telecommunicatie van een verschoningsgerechtigde op te nemen(ex. artt. 126m en 126t Sv) en – tenzij met toestemming van de verschoningsgerechtigde – gegevensin de computer te onderzoeken, mits deze gegevens onder het beroepsgeheim vallen. Deverschoningsgerechtigde oordeelt zelf of de gegevens onder het beroepsgeheim vallen, behoudenseen marginale toetsing achteraf door de rechter (artt. 125i Sv, 125j Sv juncto 125l Sv). Het tapverbodop verschoningsgerechtigden is overigens niet expliciet wettelijk bepaald. Het verbod is indirect af teleiden uit lid 2 van art. 126aa Sv waarin is neergelegd dat processen-verbaal of andere voorwerpenbetreffende mededelingen van verschoningsgerechtigden dienen te worden vernietigd.Uit het voorgaande is op te maken dat het beroepsgeheim ver reikt: het geheim heeft niet alleenbetrekking op de directe patiëntengegevens, maar de hulpverlener is tevens verplicht te zwijgen overalle zaken waarvan hij in die hoedanigheid kennis heeft gekregen. Deze zwijgplicht gaat voor14 Politie Amsterdam-Amstelland
    • verschoningsgerechtigden ook op voor het doen van aangifte van ernstige misdrijven (ex art. 160 Sv).Bovendien is de verschoningsgerechtigde hulpverlener vrijgesteld van de plicht om melding te makenvan onder meer een voorgenomen moord. De waarde die aan het beroepsgeheim gehecht moetworden is dus groot, zo blijkt uit de wettelijke bepalingen die hierop betrekking hebben. Voor deopsporingspraktijk betekent dit dat strafvorderlijke dwangmiddelen en bevoegdheden jegens(voorwerpen van) verschoningsgerechtigden maar beperkt ingezet en benut kunnen worden.4.4 Het recht van binnenNaast de door de wetgever geformuleerde bepalingen zijn er door veel medische beroepsgroepen, ofspecifieker gezegd de beroepsverenigingen, regels opgesteld hoe in bepaalde situaties te handelen.Om het theoretisch kader volledig in kaart te brengen is het van belang de relevante bepalingen metbetrekking tot het medisch beroepsgeheim te beschrijven. Voor de in dit rapport relevante beroepenzijn de KNMG Handreiking, de Beroepscode voor psychotherapeuten en de Beroepscode voorpsychologen van belang. Maar wat is de juridische betekenis van de normen en regels die uit deberoepsgroep afkomstig zijn? Hoe verhouden deze regels – het zogenaamde ‘recht van binnen’ – 14zich tot de wettelijk (en verdragsrechtelijk) neergelegde normen?Om een antwoord te vinden op deze vragen is het van belang de bestaansreden van dergelijke regelste achterhalen. In art. 7:457 lid 1 BW is de geheimhouding voor de hulpverlener neergelegd.Aangezien het onwerkbaar is in alle gevallen strikte geheimhouding na te leven, bijvoorbeeld met hetoog op de noodzaak om medische gegevens met (mede)behandelaars uit te wisselen, zijn in de leden2 en 3 van dit artikel uitzonderingen gemaakt op de geheimhoudingsplicht. Het is echter voor dewetgever onmogelijk alle denkbare, wenselijke uitzonderingssituaties (wettelijk) te verankeren,getuige de (uitzonderings)bepaling in lid 3 van genoemd artikel: “Daaronder zijn evenmin begrependegenen wier toestemming ter zake van de uitvoering van de behandelingsovereenkomst op grondvan de artikelen 450 en 465 is vereist. Indien de hulpverlener door inlichtingen over de patiënt danwel inzage in of afschrift van de bescheiden te verstrekken niet geacht kan worden de zorg van eengoed hulpverlener in acht te nemen, laat hij zulks achterwege”. Door het opnemen van de zinsnede‘de zorg van een goed hulpverlener’ heeft de wetgever een vangnet opgenomen, omdat nu eenmaalniet elke denkbare situatie is te ondervangen in een wet (Legemaate, 1995). Dat de hulpverlener bijzijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen is tevens algemeengeregeld in art. 7:453 BW. Bovendien moet hij daarbij handelen in overeenstemming met de op hemrustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionelestandaard.In de toelichting van het wetsontwerp van de WGBO is het volgende te lezen: “De rechter zal bij detoetsing van de in art. 7:453 BW neergelegde norm, regels en normen die op het gebied van dehulpverlening in de gezondheidszorg gelden gebruiken als bouwstenen voor zijn oordeel. Zo zullen terzake van het handelen van een individuele beroepsbeoefenaar gedragsregels die worden gehanteerddoor de desbetreffende beroepsorganisatie van belang kunnen zijn” (Kamerstukken II 1990/1991,21561, nr. 3, p. 33). Zoals ook hoogleraar Gezondheidszorgbeleid en Gezondheidsrecht Legemaate(1995) onderschrijft dat de wetgever middels de WGBO de relevantie van de eigen professioneleverantwoordelijkheid van de hulpverlener én de relevantie van de normen, regels en ervaringen uit deberoepsgroep onderstreept. De professionele standaard omvat het geheel van regels en normenwaarmee de hulpverlener in zijn beroepsuitoefening rekening dient te houden. Met dit ‘basisartikel’ uitde WGBO worden de regels die door verschillende beroepsgroepen opgesteld kunnen worden,indirect van toepassing verklaard.De regels – gedragsregels of beroepscodes – die beroepsgroepen opstellen zijn in beginsel ‘slechts’bindend voor hulpverleners die lid zijn van de beroepsorganisatie (binnen de betreffendeberoepsgroep) die de regels heeft opgesteld. Echter, deze regels krijgen een bredere werking enzullen ook bindend zijn voor niet-leden indien de regels door de beroepsgroep in het algemeenworden opgevat als normen waaraan iedere hulpverlener uit de beroepsgroep zich te houden heeft(Legemaate, 1995). Een voorbeeld hiervan kan gevonden worden in verschillende uitspraken van hetCentraal Medisch Tuchtcollege waarin de gedragsregels van de KNMG van toepassing wordenverklaard met betrekking tot het omgaan met medische gegevens.De rechter zal per geval beoordelen in hoeverre hij ter onderbouwing van zijn overwegingen ‘het rechtvan binnen’ zal toepassen.Normen en regels uit medische beroepsgroepen hebben indirect juridische betekenis. Het is dus vanbelang de verschillende codes nader te bekijken voor wat betreft de bepalingen die betrekking14 N.B. art. 10 Gw, art. 8 EVRM, art. 17 IVBPR, art. 272 Sr, art. 7:457 BW en art. 88 BIG.15 Politie Amsterdam-Amstelland
    • hebben op het beroepsgeheim. Door middel van dergelijke beroepscodes vindt er een nadereconcretisering van de privacybescherming van medische (persoons)gegevens plaats die de patiënt énde hulpverlener ‘praktische diensten kunnen bewijzen’ (Roscam Abbing, 1995). Nu dergelijke codeshet handelen van de medisch hulpverlener beïnvloeden, is het voor de opsporingspraktijk ook van(indirect) belang indien zij een hulpverlener benaderen met de vraag om informatie: aangezien dehulpverlener aan de code is gebonden, is een opsporingsteam dat informatie van deze hulpverlenerverlangt dat indirect ook. In de bijlagen A, B en C is een omschrijving van de relevante beroepsregelsvoor wat betreft de omgang met het medisch beroepsgeheim voor psychiaters, psychotherapeuten enpsychologen opgenomen.4.5 Doorbreken van het geheimDe wetgever heeft met de codificatie van het beroepsgeheim en het verschoningsrecht onderkend dater grenzen zijn aan de waarheidsvinding in een strafrechtelijk onderzoek. Echter, het betreft hier geenabsoluut recht. Naast de wetgever, heeft de rechter middels rechterlijke uitspraken een nadereconcretisering van de omvang van het medisch beroepsgeheim gegeven. Er zijn een aantal grondenom het medisch beroepsgeheim te doorbreken. Zo kan op grond van een (andere) wettelijke regeling,de aanwezigheid van toestemming van de patiënt of een conflict van plichten waarin de medischhulpverlener verzeild kan raken het beroepsgeheim worden doorbroken. Daarnaast is in de civielejurisprudentie nog het criterium van ‘zwaarwegende belangen’ ontwikkeld als grond voor doorbrekingvan het geheim.Wettelijke regelingIn een wettelijke regeling kan zijn neergelegd dat een ander belang moet prevaleren boven hetberoepsgeheim. De keuze wordt in dit geval door de wetgever gemaakt. Een voorbeeld vormen deartt. 4 en 5 van de Infectieziektenwet waarin de verplichting tot aangifte van bepaalde infectieziektenis neergelegd. Het belang van de volksgezondheid heeft hier voorrang boven het belang van hetberoepsgeheim, en dan met name op het individuele privacy-aspect dat het medisch beroepsgeheimdient. De strafbaarheid van de betreffende arts voor schending van het beroepsgeheim vervalt opgrond van art. 42 Sr: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijkvoorschrift”. Van belang te vermelden is dat in een voorkomend geval niet meer informatie mag 15worden verstrekt dan op basis van dit voorschrift noodzakelijk is. Een ander voorbeeld van eenwettelijke uitzondering op de bescherming van medische persoonsgegevens is neergelegd in de Wetop de lijkbezorging in verband met de overlijdensverklaring.Uit jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat deze(wettelijke) inbreuken op de persoonlijke levenssfeer in ieder geval noodzakelijk moeten zijn; er moeteen zogenaamd ‘pressing social need’ aanwezig zijn. Bovendien moet de (wettelijke) inbreukdoeltreffend zijn en voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Onder subsidiariteitwordt in dit geval verstaan dat er geen andere mogelijkheden zijn om hetzelfde doel te bereikenzonder dat sprake is van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De eis van proportionaliteit houdt opdeze plaats in het bijzonder in dat de mate waarin de persoonlijke levenssfeer wordt beperkt zo geringmogelijk moet zijn en in verhouding staat tot het te bereiken doel (Roscam Abbing, 1995). Er is tot opheden in de verschillende wetten geen specifieke bepaling opgenomen die het opsporingsbelangboven het belang van geheimhouding stelt.Toestemming van de patiëntHet is ook mogelijk dat de patiënt de aanzet geeft tot doorbreking van het beroepsgeheim;toestemming van de patiënt is in dit geval de reden om een ander belang te laten prevaleren bovenhet beroepsgeheim. Indien de patiënt toestemming geeft tot doorbreking van zijn geheim, dan is dezwijgplicht ten aanzien van die patiënt over het algemeen opgeheven. Deze toestemming moetduidelijk en vrijwillig zijn en de patiënt moet de reikwijdte van zijn toestemming begrijpen. De medischhulpverlener behoudt hierbij overigens zijn professionele verantwoordelijkheid in die zin dat deeindverantwoordelijkheid voor het prijsgeven van de informatie bij de hulpverlener ligt, ondanks detoestemming van de patiënt (Duijst, 2007; Rb Haarlem 21 mei 1987, NJ 1988, 624; HR 2 oktober1990, NJ 1991, 124). De hulpverlener zal verder moeten kijken dan slechts naar de aard en omvangvan de gegeven toestemming. Hij zal zich er ook in enige mate van moeten vergewissen of er door dederde – namelijk, de ontvanger van de gegevens – op zorgvuldige wijze met deze privacygevoeligeinformatie wordt omgegaan. Hier gaat het zorgvuldigheidsvereiste op: “Binnen de grenzen van deredelijkheid en de billijkheid kan de behandelaar aangesproken worden voor het niet in acht nemen15 In art. 6 lid 3 Infectieziektenwet is overigens ook opgenomen dat (overige) gegevens die niet door de wet worden genoemd,slechts met toestemming van de patiënt kunnen worden verstrekt.16 Politie Amsterdam-Amstelland
    • van de nodige zorgvuldigheid bij verstrekking van gegevens aan een derde” (Roscam Abbing, 1995,p. 21). Ook dient de hulpverlener rekening te houden met het feit dat naast het privacybelang dat methet medisch beroepsgeheim wordt gediend, het algemeen belang van toegankelijkheid van de zorgeen rol speelt: de (andere) patiënten baseren hun vertrouwen in de hulpverlener op basis van diens 16gedrag. Dit gegeven kan ook met zich meebrengen, dat ondanks de toestemming van de patiënt totdoorbreking van zijn geheim, de hulpverlener er verstandig aan doet zijn zwijgplicht niet tedoorbreken. Toestemming van de patiënt heft wel de strafbaarheid ex. art. 172 Sr op, echter dehulpverlener kan wel een tuchtrechtelijk verwijt krijgen indien hij ondanks de toestemming geen eigen 17zorgvuldige afweging heeft gemaakt om z’n geheimhoudingsplicht te doorbreken (Van Wijk, 1995).Er zijn situaties denkbaar dat de medisch hulpverlener van te voren inschat dat de patiënt geentoestemming zal verlenen het geheim te doorbreken. De hulpverlener kan in zo’n geval beslissen hetgeheim te doorbreken zonder een verzoek tot toestemming te hebben gedaan. Echter, in geval vaneen eventuele klachtprocedure op grond van het doorbreken van de zwijgplicht die door een patiëntwordt ingezet tegen zijn behandelend arts, kan dit handelen als ‘onzorgvuldig’ worden bestempeld.Bovendien kan een dergelijke handelswijze het (algemene) vertrouwen in de medische standbeschadigen. Het geniet dan ook de voorkeur om, indien mogelijk, toestemming van de patiënt teverzoeken (Nortier, 2006). Echter, indien er praktische redenen zijn of redenen die samenhangen metgevaar voor personen dan kan het verzoek om toestemming worden overgeslagen en worden bezienof er mogelijk sprake is van een situatie waarin er sprake is van een conflict van plichten (Baeten &Janssen, 2007).Conflict van plichtenIn de situatie dat er sprake is van een conflict van plichten geeft niet de wetgever of patiënt de aanzettot doorbreking van het beroepsgeheim, maar de hulpverlener beslist (geheel) zelf zijngeheimhoudingsplicht te doorbreken. In een situatie waarin er sprake is van een conflict van plichten 18beroept de hulpverlener zich op een (relatieve) overmachtsituatie ex art. 40 Sr waarin hij zichgenoodzaakt ziet zijn geheim te doorbreken. Er wordt dan een beroep gedaan op eenrechtvaardigingsgrond. De schending van de zwijgplicht is niet meer strafbaar (c.q. niet verwijtbaar ofniet-toerekenbaar), indien het beroep op overmacht gehonoreerd wordt. Het niet schenden van hetberoepsgeheim zou ten koste gaan van een ander individueel of algemeen belang (bijvoorbeeldveiligheid van andere burgers) dat zwaarder weegt dan de belangen die voortvloeien uit het bewarenvan het geheim (Dolman, 2006). Vanzelfsprekend spelen de eisen van proportionaliteit ensubsidiariteit hierbij een rol: doorbreken van het geheim staat in verhouding tot het te beschermenbelang en het ‘conflict’ kan niet op een andere manier worden opgelost. In de wetenschappelijkeliteratuur zijn door Leenen nadere criteria ontwikkeld voor het doen van een geslaagd beroep op een‘conflict van plichten’. Veel auteurs c.q. onderzoekers in de rechtsliteratuur halen de criteria vanLeenen aan om een conflict van plichten te omschrijven. De criteria houden achtereenvolgens in:“Alles is in het werk gesteld om toestemming tot doorbreking van het geheim te krijgen;het niet doorbreken van het geheim levert voor een ander ernstige schade op;de zwijgplichtige verkeert in gewetensnood door het handhaven van de zwijgplicht;er is geen andere weg dan doorbreking van het geheim om het probleem op te lossen;het moet vrijwel zeker zijn dat door de geheimdoorbreking de schade aan de ander kan wordenvoorkomen of beperkt;het geheim wordt zo min mogelijk geschonden” (Leenen, Gevers & Legemaate, 2007, p. 205).Het conflict van plichten biedt de medisch hulpverlener ruimte om naar eigen beoordeling een beroepte doen op een overmachtsituatie waarin hij zijn geheimhoudingsplicht kan doorbreken. Het gaat in demeeste gevallen om situaties waar het kwaad nog niet is geschied: er moet sprake zijn van direct 19gevaar om een beroep te kunnen doen op deze uitzonderingsgrond. In rechterlijke uitspraken wordtgetoetst of de hulpverlener in voorkomende gevallen terecht een beroep heeft gedaan op een conflict16 En meer specifiek: diens omgang met betrekking tot het medisch beroepsgeheim c.q. zwijgplicht.17 Het gaat hier specifiek om de afweging met betrekking tot het algemeen belang dat het beroepsgeheim dient en devertrouwensfunctie van zijn beroep in het algemeen.18 Art. 40 Sr: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen”. De civielrechtelijke variant vaneen beroep op overmacht is neergelegd in art. 6:75 BW.19 Zie bijvoorbeeld de Balpenzaak (College van Beroep NIP, 20 juni 1997, TvGR 1999,5) waarin een patiënt zijn psychologe hadverteld zijn moeder te hebben vermoord. Een jaar na de acht maanden durende behandeling, deed de hulpverlener hiervanaangifte op grond van een conflict van plichten aangezien zij een kans op herhaling aanwezig achtte. Het College was er incasu onder andere niet van overtuigd dat er een direct gevaar dan wel een noodtoestand aanwezig was die een doorbrekingvan het beroepsgeheim rechtvaardigde.17 Politie Amsterdam-Amstelland
    • van plichten. Echter, er is in de jurisprudentie ook een voorbeeld van een uitspraak te vinden waarineen hulpverlener het nalaten van het doen van een beroep op een conflict van plichten werdverweten. Hieruit is af te leiden dat de rechter in dit geval het conflict van plichten niet als recht erkentdat de medisch hulpverlener de ruimte geeft zelf te beslissen of hij een beroep op een (mogelijk)conflict van plichten doet, maar eerder ziet als een plicht tot melden als de hulpverlener deverschillende criteria voor de aanwezigheid van een conflict van plichten positief heeft ingevuld, dan 20wel naar het oordeel van de rechter positief dient in te vullen. Dat deze uitspraak vervolgens doorhet gerechtshof werd genuanceerd is te lezen in paragraaf 4.6 waar uitgebreider op relevantejurisprudentie wordt ingegaan.In de verschillende beroepscodes zijn vergelijkbare criteria opgenomen voor het aanwezig zijn vaneen conflict van plichten. De meer uitgebreide uitwerking is zoals eerder beschreven te raadplegen inde bijlagen, zodat op deze plaats wordt volstaan met een korte duiding van verschillen in de criteria invergelijking met de weergegeven opsomming van Leenen. Geconstateerd kan worden dat deberoepscode voor psychiaters, neergelegd in de KNMG Handreiking, voor wat betreft de criteria vande aanwezigheid van een conflict van plichten op één punt afwijkt: het verkeren in gewetensnood isniet opgenomen (KNMG, 2005). Nu kan dit verschil niet noemenswaardig worden geacht aangezienhet ‘verkeren in gewetensnood’ zeer subjectief is. De ene hulpverlener zal zich eerder een zaakaantrekken dan de andere hulpverlener. Het is ook niet te objectiveren, waar de andere criteria dat (ingrotere mate) wel zijn. Met betrekking tot de beroepscode voor psychotherapeuten kan gesteldworden dat deze niet expliciet de proportionaliteitsbepaling zijnde “het geheim wordt zo min mogelijkgeschonden” heeft opgenomen (Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie, 2007). Uit het feit datdaarentegen de bepaling is opgenomen dat een therapeut bij een rechterlijke afwijzing van zijnverschoningsrecht zich moet beperken tot feitelijkheden en gevraagde informatie kan indirect eenproportionaliteitstoets worden afgeleid. In de beroepscode voor psychologen is de aanwezigheid vangewetensnood – net zoals in de KNMG Handreiking – niet opgenomen als (apart) criterium(Nederlands Instituut voor Psychologen, 2007). En hoewel er niet expliciet als criterium is opgenomendat alles in het werk moet worden gesteld om toestemming te verkrijgen, is wel als ‘basisvoorwaarde’opgenomen dat gegevens uitsluitend met een door de cliënt vooraf verleende en gerichtetoestemming aan een derde mogen worden verstrekt. Hieruit kan worden afgeleid dat dit ook in deberoepscode voor psychologen als belangrijk goed kan worden gezien.Kortom: de in de beroepsregels gestelde criteria om te toetsen of er sprake is van een conflict vanplichten op basis waarvan het beroepsgeheim mag worden geschonden, zijn overeenkomstig decriteria zoals Leenen deze heeft opgesteld.Het moge duidelijk zijn dat deze uitzonderingsgrond voor hulpverleners van groot belang kan zijn voorde opsporingspraktijk. Een (dreigend) ernstig strafbaar feit (te) begaan door een patiënt kan voor dehulpverlener – ondanks de vrijstelling van de aangifteplicht (160 Sv) en meldplicht (art. 137 Sr) – tóchaanleiding zijn om het geheim van de patiënt te doorbreken. Hoewel het conflict van plichten wordtingevuld door de hulpverlener, kan de politie daar indirect wel aan bij dragen door middel van hetverschaffen van informatie (zie ook: “Geef hulpverleners reden beroepsgeheim te doorbreken”, 2009).Zwaarwegende belangenNaast deze ‘klassieke’ gevallen van doorbreking van het medisch beroepsgeheim, is er in dejurisprudentie een vierde grond voor het schenden van de zwijgplicht ontstaan: het zogenaamdezwaarwegende belang. In dit geval wordt een bepaald belang afgezet tegen het belang van het instand houden van het beroepsgeheim. Net zoals de situatie waarin een conflict van plichten kanontstaan gaat het dus om de afweging van verschillende belangen. Bij het zwaarwegend belang 21echter, speelt de overweging of ernstig nadeel voor een ander kan worden voorkomen geen rol, integenstelling tot hetgeen het geval is bij een beroep op een conflict van plichten (Duijst, 2007). Bij eensituatie waarin er sprake kan zijn van een zwaarwegend belang, gaat het ‘slechts’ om het tegenelkaar afwegen van twee belangen. Een ander verschil is dat in geval van een (mogelijk) geval vaneen conflict van plichten de medisch hulpverlener zelf oordeelt of hij zich een dergelijke situatie 22voordoet en dat deze beoordeling door de rechter slechts marginaal te toetsen is. Wat onder eenzwaarwegend belang wordt begrepen wordt over het algemeen door de rechter vastgesteld (Bannieret al., 2008). Er zijn een aantal redenen die als zwaarwegend belang kunnen gelden om hetberoepsgeheim te doorbreken. Zo is uit de jurisprudentie af te leiden dat het belang om zijn afkomst20 Rb Assen 16 juli 2003, NJ 2003, 585.21 C.q. de aanwezigheid van ‘dreigend gevaar’ (Bannier et al., 2008).22 Voor rechterlijke toetsingen wordt op deze plaats verwezen naar par. 4.8.18 Politie Amsterdam-Amstelland
    • te weten, het gezondheidsbelang van een derde en de verdediging van de arts in rechte alszwaarwegende belangen zijn aangenomen die het beroepsgeheim opzij kunnen zetten (Duijst, 2007,p. 248). Een opsporingsbelang daarentegen wordt niet als een zwaarwegend belang gezien, zo volgtuit de jurisprudentie. Indien een opsporingsbelang strijdig is met het in stand houden van het medischberoepsgeheim, moet deze over het algemeen de toets van de geldende criteria voor een conflict van 23plichten doorstaan .KortomDat het medisch beroepsgeheim niet altijd onverminderd van kracht is volgt uit de in deze paragraafgenoemde uitzonderingen. In sommige gevallen kan een nadere wettelijke bepaling hetberoepsgeheim aan de kant schuiven. Andere belangen, zoals het belang van de volksgezondheid,genieten door de wetgever dan een hogere prioriteit dan de belangen die met het in stand houdenvan het beroepsgeheim gediend zijn. Voor de opsporingspraktijk is er echter geen specifiekewettelijke bepaling die het opsporingsbelang in bepaalde gevallen boven het medisch beroepsgeheimstelt. Duidelijke en vrijwillige toestemming van de patiënt kan de medisch hulpverlener wel doenbewegen ten overstaan van politie en justitie te spreken in plaats van te zwijgen. De hulpverlenermoet zich er dan wel van vergewissen dat de patiënt de reikwijdte van zijn toestemming overziet endat de ‘ontvanger’ van de informatie op zorgvuldige wijze met deze informatie zal omgaan. Eenverdere beperking om de geheimhoudingsplicht te doorbreken ondanks de verleende toestemmingkan zijn gelegen in het algemeen belang dat het beroepsgeheim dient; ook hier dient de hulpverlenerbij zijn overweging rekening mee te houden. Een andere relevante uitzonderingssituatie is die vaneen conflict van plichten waarin een medisch hulpverlener kan komen te verkeren. Een (ernstig)strafbaar feit kan voor de medisch hulpverlener aanleiding zijn om te bepalen dat hij in een conflictvan plichten verkeert en hij gerechtigd is zijn geheimhoudingsplicht te schenden. In deze situatiewordt het belang van de opsporing (ten behoeve van de waarheidsvinding) dus boven het belang vanhet in stand houden van het medisch beroepsgeheim geplaatst. Deze afweging van verschillendebelangen komt (in beginsel) de medisch hulpverlener toe. Tot slot is er door de (civiele) rechter nogeen vierde grond ontwikkeld op basis waarvan de zwijgplicht doorbroken kan worden. Deze grondheeft voor de opsporingspraktijk echter geen directe consequenties.4.6 Relevante jurisprudentieHoewel in het voorgaande terloops al een aantal rechterlijke uitspraken aan bod zijn gekomen, volgtin deze paragraaf een verdiepingsslag voor een aantal bijzondere uitspraken die relevant zijn voor debepaling van de invulling van het medisch beroepsgeheim.Meldplicht?In bepaalde gevallen is een geslaagd beroep op grond van een conflict van plichten door eenmedisch hulpverlener mogelijk. In tegenstelling tot een situatie waarin er sprake is van een wettelijkvoorschrift of toestemming van de patiënt dat leidt (of kan leiden) tot doorbreking van hetberoepsgeheim, komt in dit geval de verantwoordelijkheid van de afweging volledig bij de medischhulpverlener te liggen.Zoals eerder in het rapport naar voren is gekomen, heeft zich in de rechtspraak tevens een situatievoorgedaan waarbij een medisch hulpverlener werd verweten dat hij – naar het oordeel van derechtbank – géén beroep op een conflict van plichten had gedaan waar hij dat wel had dienen tedoen. In 2003 oordeelde de (civiele) rechtbank te Assen dat een psychotherapeut zich onterecht nietop een conflict van plichten had beroepen en zodoende niet was overgegaan tot schending van zijnberoepsgeheim en het inlichten van het Consultatiebureau voor alcohol en drugs en/of OpenbaarMinisterie (Rb Assen 16 juli 2003, NJ 2003, 585). Familieleden van de om het leven gebrachteslachtoffer Tjirk van Wijk hadden de therapeut op grond van onrechtmatige daad aangeklaagd omdathij op de hoogte zou zijn geweest van de plannen van zijn cliënt om iemand te vermoorden. Deplannen om iemand te vermoorden hadden overigens betrekking op een andere persoon dan hetuiteindelijk om het leven gebrachte slachtoffer. Bij het vertellen van zijn voornemens om de met naamgenoemde persoon te vermoorden, had de cliënt tevens een alarmpistool laten zien. Dit alarmpistoolhad de hulpverlener de volgende dag bij zijn cliënt opgehaald en meegenomen naar zijn eigen huismet de bedoeling het op te slaan in een kluis. De rechtbank verwijst in haar vonnis naar deBeroepscode voor Psychotherapeuten om te bepalen wat van een redelijk handelend en redelijkbekwaam psychotherapeut, met betrekking tot het al dan niet doorbreken van degeheimhoudingsplicht, mag worden verwacht. De inhoud van deze code wordt direct van toepassing23 Of er moet sprake zijn van een zeer uitzonderlijke omstandigheid; deze uitzonderingsgrond heeft specifiek betrekking opstrafvorderlijke bevoegdheden – zoals inbeslagneming van brieven of geschriften – toegepast op verschoningsgerechtigden.19 Politie Amsterdam-Amstelland
    • verklaard als zijnde ‘feit van algemene bekendheid’. Bovendien stelt zij dat een psychotherapeut deplicht heeft “in redelijke mate ervoor te zorgen dat een mogelijk slachtoffer van een gevaar beschermdwordt” (Rb Assen 16 juli, NJ 2003, 585). Ondanks de verwijzing van de rechtbank dat eenpsychotherapeut pas dán ontheven is van zijn geheimhoudingsplicht indien aan de vijf in deberoepscode genoemde, cumulatieve voorwaarden is voldaan, oordeelt zij dat de therapeutonrechtmatig heeft gehandeld aangezien er aan twee voorwaarden voor een conflict van plichten isvoldaan: het was vrijwel zeker dat er schade zou optreden (schadecriterium) en het was vrijwel zekerdat schade voorkomen had kunnen worden met doorbreking van het geheim (noodzaakcriterium).Overigens stelt de rechtbank vervolgens dat de therapeut niet aansprakelijk wordt gesteld voor degeleden schade aangezien het nog maar de vraag zou zijn geweest of doorbreking van het geheimhad kunnen voorkomen dat deze persoon zou worden vermoord.De criteria voor de beoordeling of zich eventueel een situatie van een conflict van plichten voordoetworden in deze uitspraak door de rechtbank niet gezien als vrije – en geheel aan de hulpverlenertoekomende – mogelijkheid. De criteria worden daarentegen gebruikt als ‘hard’ toetsingsinstrumentvoor (ook) de rechter waarbij een positieve uitslag moet leiden tot doorbreking. Niet doorbrekenbetekent in dat geval onrechtmatig handelen, naar het oordeel van de rechtbank. Het meldrecht, datduidt op een uitzonderingssituatie waarbij de hulpverlener gerechtigd is zijn beroepsgeheim aan dekant te schuiven, wordt door deze uitspraak vervangen in een meldplicht; de hulpverlener is in eenuitzonderingssituatie verplicht te melden. Verder is het opmerkelijk te noemen dat het voldoen aanslechts twee van de vijf criteria voldoende wordt geacht om van een conflict van plichten te spreken.Deze uitspraak zou grote consequenties voor de interpretatie en toepassing van het beroepsgeheimdoor hulpverleners kunnen hebben en dus ook voor de opsporingsmogelijkheden in politieland, zij hetniet dat dit oordeel van rechtbank Assen een vreemde eend in de bijt is. Er zijn tot dus ver geenandere uitspraken waarin er sprake is van een dergelijke meldplicht voor hulpverleners. Er is in deliteratuur overigens, zeker vanuit de medische en juridische hoek, veel kritiek op dit oordeel vanrechtbank Assen gekomen. Daarnaast is het op deze plaats zeker niet onbelangrijk te vermelden dathet gerechtshof te Leeuwarden in deze zaak in hoger beroep oordeelde dat de therapeut nietonrechtmatig heeft gehandeld omdat hij mocht aannemen dat de door hem direct genomenmaatregelen afdoende waren om de dreiging van het specifieke gevaar weg te nemen (HofLeeuwarden 22 december 2004, LJN: AS2157). De genomen maatregelen betroffen het de cliëntdoen voorzien van methadon en het de volgende dag ophalen van het alarmpistool. Het hof laat deBeroepscode voor Psychotherapeuten en de toetsing aan de criteria voor een conflict van plichtengeheel buiten beschouwing. Het hof toetst of er sprake is van een zwaarwegend belang dat prevaleertboven het belang dat het beroepsgeheim bewaard blijft, opdat de geheimhoudingsplicht in casudoorbroken had moeten worden. Het hof toetst hierbij aan de zogenaamde ‘zorgvuldigheidsnorm’voor het al dan niet aanwezig zijn van een onrechtmatige daad: dit “betekent dat moet worden 24nagegaan of op ‘geïntimeerde’ in het licht van de zorgvuldigheid die hij in het maatschappelijkverkeer in acht diende te nemen een rechtsplicht rustte om het alarmpistool-incident te melden aanhet CAD, waardoor hij gehouden was zijn beroepsgeheim te doorbreken. Genoemdezorgvuldigheidsnorm kan immers meebrengen dat men behoort te waarschuwen voor het ontstaanvan een (dreigende) gevaarsituatie” (Hof Leeuwarden 22 december 2004, LJN: AS2157).Hoewel de uitspraak van rechtbank Assen in de literatuur veelal wordt aangehaald ter aanduiding vande ‘uitholling’ van het gedachtegoed van het medisch beroepsgeheim en een prioriteitverschuiving inhet voordeel van de opsporingspraktijk, zijn deze beweringen niet juist. Er kunnen dan ook geenconsequenties worden verbonden aan deze uitspraak in de medische en politiepraktijk.Zeer uitzonderlijke omstandighedenZoals eerder beschreven is inbeslagneming van brieven of geschriften die onder hetverschoningsrecht vallen niet mogelijk ex. art. 98 Sv, tenzij hiertoe toestemming is van deverschoningsgerechtigde. Een verschoningsgerechtigde zou toestemming kunnen verlenen indien depatiënt toestemming geeft of indien hij in een conflict van plichten komt te verkeren.In 2002 oordeelde de Hoge Raad dat politie en justitie het standpunt van eenverschoningsgerechtigde dat brieven of geschriften geen voorwerp van het strafbare feit uitmaken,noch tot het begaan daarvan hebben gediend en de kennisneming zou leiden tot schending van hetberoepsgeheim, hebben te eerbiedigen. Dit gaat niet op indien er redelijkerwijze geen twijfel over kan24 De rol van ‘geïntimeerde’ wordt toegeschreven aan de gedaagde in het civiele hoger beroep.20 Politie Amsterdam-Amstelland
    • bestaan dat dit standpunt van de verschoningsgerechtigde onjuist is en er sprake is van zeeruitzonderlijke omstandigheden (HR 12 februari 2002, NJ 2002, 439).In de rechtspraak zijn deze zeer uitzonderlijke omstandigheden ontwikkeld. Het verschoningsrecht isniet absoluut, in die zin dat er zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voor kunnen doen, waarin hetbelang van waarheidsvinding zwaarder weegt dan het belang dat met het verschoningsrecht isgemoeid. Tot enkele jaren geleden werden deze zeer uitzonderlijke omstandigheden slechtsaanwezig geacht in het geval de verschoningsgerechtigde zelf – eventueel samen met depatiënt/cliënt – verdachte was van een ernstig strafbaar feit. Zoals ook in 2005 door de Hoge Raad 25werd geoordeeld dat het belang van de cliënt, die ervan uit moet kunnen gaan dat de geheimhoudergeheim houdt wat hem in die criminele aangelegenheid is toevertrouwd, moet wijken voor het belangdat de waarheid aan het licht komt (HR 14 juni 2005, NJ 2005, 353).De laatste jaren hebben de rechtbanken tevens uitzonderlijke omstandigheden aanwezig geacht 26indien ‘slechts’ de patiënt verdachte was. De Hoge Raad heeft in navolging van de rechtbank in2004 aangenomen dat in een dergelijk geval uitzonderlijke omstandigheden kunnen bestaan diedoorbreking van het geheim rechtvaardigen ten behoeve van het aan het licht brengen van dewaarheid (HR 29 juni 2004, NJ 2005, 273). Dit is de eerste (en tot op heden enige) keer dat de HogeRaad zeer bijzondere omstandigheden aanwezig acht die het opsporingsbelang laten prevalerenboven het verschoningsrecht, terwijl de hulpverlener niet zelf verdachte is.In deze zaak ging het om patiënten uit een centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie die strafbarefeiten gepleegd zouden hebben tegen een medepatiënt. De patiënten- en personeelsbestanden bijdeze inrichting waren in beslag genomen omdat het vermoeden bestond dat zes jaar daarvoorseksuele delicten door twee veertienjarige bewoners zouden zijn gepleegd tegen een elfjarigemedebewoner van de inrichting. De ouders van het vermeende slachtoffer hadden aangifte gedaantegen de (destijds) veertienjarige bewoners. Het doel van de inbeslagneming van de dossiers was het 27achterhalen van de naw-gegevens van verdachten. De psychiatrische inrichting deed tegen deinbeslagneming beklag op grond van art. 552a Sv. De rechter-commissaris bewaarde de in beslaggenomen gegevens in een gesloten envelop om het oordeel van de rechter met betrekking tot derechtmatigheid van de inbeslagneming af te wachten. Vooropgesteld wordt dat de klagerverschoningsrecht toekomt en dat de in beslag genomen naw-gegevens onder het verschoningsrechtvallen. In deze zaak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er zich zeer uitzonderlijke omstandighedenvoordeden die rechtvaardigden dat het belang van waarheidsvinding prevaleerde boven het belangvan het verschoningsrecht en zodoende de gegevens in beslag genomen konden worden. Defactoren die in dit geval tot de aanwezigheid van een zeer uitzonderlijke omstandigheid leiden zijn: deaard van de gegevens, de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen wordenverkregen, de ernst van de vermeende gepleegde delicten, de plaats van het delict; te weten deverdenking dat de delicten tegen een patiënt door medepatiënten in de inrichting zijn gepleegd, het 28belang van het slachtoffer dat in een zodanige zaak een objectief onderzoek wordt ingesteld en dewaarheid wordt vastgesteld, en als laatste factor; dat het slachtoffer dezelfde aanspraak opstrafrechtelijke bescherming tegen dergelijke delicten als ieder ander moet hebben en de hiermeegepaard gaande aanspraak op een onafhankelijk onderzoek naar deze ernstige misdrijven (HR 29juni 2004, NJ 2005, 273). Bij dit laatste punt neemt de HR in zijn overweging mee dat hetverschoningsrecht er niet aan in de weg mag staan dat iemand in een dergelijk geval strafrechtelijkebescherming geniet. Uitoefening van het verschoningsrecht kan er in deze zaak dan toe leiden dat hetafbreuk doet aan het maatschappelijk belang van ouders van een kind om zich vrijelijk en zondervrees voor het wegvallen van die bescherming van hun kind als patiënt in een psychiatrische instellingte laten opnemen. Het waarborgen van de toegankelijkheid van de zorg wordt hier juist als aanleidinggezien om het beroepsgeheim te doorbreken, waar het normaliter juist als argument wordt gebruiktom het beroepsgeheim niet te doorbreken. Medische instellingen mogen voor patiënten geenvrijplaats worden om strafbare feiten (al dan niet tegen een medepatiënt) te plegen omdat hetverschoningsrecht ‘helpt’ de waarheid verborgen te houden.De Hoge Raad laat met deze zaak zien dat onder omstandigheden het belang van waarheidsvindingc.q. opsporing zwaarder kan wegen dan het belang van het in stand houden van hetverschoningsrecht. Welke gevolgen heeft deze uitspraak nu voor de medische en opsporingspraktijk?De mogelijkheden om het beroepsgeheim te schenden ten behoeve van de opsporingspraktijk lijkenmet deze zaken wat ruimer te worden. Het opsporingsbelang lijkt dus aan terrein te winnen ten kostevan het belang van geheimhouding. Met de nadruk op ‘lijkt’ want deze voorzichtige conclusie moet25 In dit geval was de verschoningsgerechtigde advocaat.26 En dus niet (ook) de geheimhouder.27 ‘naw’ staat voor naam, adres, woonplaats.28 Hiermee wordt door de HR gedoeld op een zaak die seksueel misbruik betreft.21 Politie Amsterdam-Amstelland
    • 29gerelativeerd worden. Er dient namelijk wel sprake te zijn van een zeer uitzonderlijke omstandigheiddie niet op voorhand is vast te leggen. In het besproken arrest zat die bijzonderheid voornamelijk inde omstandigheden waaronder het ernstige delict begaan zou zijn; zowel verdachten als slachtofferwaren destijds patiënt en de locatie van het misdrijf was tevens een medische instelling. Zoals deHoge Raad ook in 1999 reeds vaststelt: er is niet in een algemene regel samen te vatten welkeomstandigheden als zeer uitzonderlijk te boek kunnen gaan (HR 30 november 1999, NJ 2002, 438).Van geval tot geval zal afgewogen moeten worden of de situatie uitzonderlijk genoeg is om meerwaarde toe te kennen aan de waarheidsvinding dan aan het beroepsgeheim. Dus hoewel dezejurisprudentie een uitbreiding is op de tot dan toe bestaande wettelijke mogelijkheden, moet het wel inperspectief worden geplaatst. Dit neemt niet weg dat politie/justitie in voorkomende gevallen kunnenoverwegen of zij bij een gewenste inbeslagneming een geslaagd beroep kunnen doen op deaanwezigheid van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Maar een algemene, stijgende lijn totverruiming van de mogelijkheden van de opsporingspraktijk ten behoeve van waarheidsvinding in zijnalgemeenheid is uit dit arrest niet direct af te leiden, zoals uit voorstaand betoog duidelijk moge zijn.Nortier (2006) beschrijft in haar scriptie dat indien de rechter op basis van zeer uitzonderlijkeomstandigheden beslist dat de hulpverlener onterecht zijn beroepsgeheim niet heeft doorbroken, dehulpverlener hiermee kennelijk binnen zijn toetsing aan een conflict van plichten het gewicht van een 30bepaald maatschappelijk belang dat met de opsporing is gediend zou hebben miskend. “Hetopmerkelijke hiervan is dat de rechters moreel inhoudelijke aanwijzingen geven aan de arts hoe hij deverschillende belangen binnen zijn conflict van plichten (in het vervolg) moet waarderen. Hiermeewordt de afweging in feite bij de arts weggenomen en blijft er weinig over van de ‘hoogst persoonlijke 31opvattingen’ waaraan volgens het klassieke CMT-arrest uit 1972 de arts zijn doorbrekingen zoumoeten toetsen”, aldus Nortier (2006, p. 47). Bij dit standpunt van Nortier zijn echter wel watkanttekeningen te plaatsen. Vooropgesteld dat een hulpverlener uiteraard de ruimte moet krijgen omzelf te beoordelen of de geheimen van zijn spreekkamer eventueel geopenbaard dienen te worden,mag deze vrijheid niet eindeloos zijn; de hulpverlener kan niet op de stoel van de rechter gaan zittenop het moment dat er ook andere, zeer gewichtige, maatschappelijke belangen spelen. Het is dan ookvan belang dat de rechter in ieder geval de mogelijkheid heeft te toetsen op de aanwezigheid vanzeer uitzonderlijke omstandigheden, waarmee hij de beslissing van een hulpverlener zich niet teberoepen op een conflict van plichten – en zodoende zijn beroepsgeheim aan de kant te zetten – kan‘overrulen’. Dat er weinig overblijft van de ‘hoogst persoonlijke opvattingen’ c.q. vrijebeoordelingsruimte van de hulpverlener is een doorgeschoten redenering, getuige het feit dat de zeeruitzonderlijke omstandigheden (terwijl de verschoningsgerechtigde niet zelf verdachte was) tot opheden slechts eenmaal door de Hoge Raad aanwezig zijn geacht.Zeer uitzonderlijke omstandigheden in de Parnassia-zaak?Ook in de inleiding omschreven zaak omtrent de ‘Parnassia-doden’ beriep de officier van justitie zichop de aanwezigheid van zeer uitzonderlijke omstandigheden op basis waarvan het verschoningsrechtopzij kon worden geschoven (Rb ’s-Gravenhage 17 juni 2008, LJN: BH2222). De arts die verbondenis aan de Haagse Parnassia-instelling, oordeelde dat er geen grond aanwezig was tot doorbrekingvan zijn beroepsgeheim ten aanzien van zijn patiënt. Het rechercheteam en de (zaaks)officier kaartende zaak aan bij de rechter-commissaris. Deze laat beslag leggen op enkele stukken uit hetpatiëntendossier van de eerder genoemde patiënt en verleent toestemming voor inzage. Parnassiaechter, dient een klaagschrift tegen de inzage en de inbeslagneming van de stukken in bij deraadkamer van de rechtbank.De officier is van mening dat er in casu een beroep op uitzonderlijke omstandigheden kan wordengedaan en eist inzage in het dossier van patiënt X, aangezien er sprake is van een ernstig misdrijfwaarvan de waarheid nog niet aan het licht is gekomen ondanks maandenlang intensiefrechercheonderzoek. De rechtbank overweegt dat hoewel er sprake kan zijn van een zeer ernstigstrafbaar feit, namelijk de mogelijke doodslag op twee personen door een onbekende derde, nog nietmet zich meebrengt dat het verschoningsrecht doorbroken dient te worden. Voorts overweegt derechtbank dat niet is uitgesloten dat op een andere wijze – dan doorbreking van het29 Deze relativering ontbreekt soms bij verschillende juridische auteurs in de literatuur, zie bijvoorbeeld de standpunten vanDuijst (2007, p. 121) hieromtrent.30 Want de eerste toetsing wordt door de hulpverlener zelf verricht; ziet hij zich genoodzaakt zijn beroepsgeheim te doorbreken(met behulp van de criteria voor een zgn. conflict van plichten)? Het oordeel van de rechter komt pas later ter sprake; namelijkwanneer justitie overgaat tot inbeslagneming van de stukken - ondanks het feit dat de hulpverlener kennelijk de mening istoegedaan dat hij niet in een conflict komt door het achterhouden van de vertrouwelijke stukken - en de hulpverlener hierop bijde rechter in beklag gaat.31 Nortier verwijst hier naar een uitspraak van het Centraal Medisch Tuchtcollege: CMT 28 september 1972, NJ 1973, 270.22 Politie Amsterdam-Amstelland
    • verschoningsrecht – de gewenste gegevens verkregen zullen worden, aangezien het onderzoek nogin volle gang is en ook nog andere personen, aan wie geen verschoningsrecht toekomt, gehoordzullen worden. Bovendien hebben de verlangde gegevens betrekking “op een persoon die niet alsverdachte wordt aangemerkt en zich mitsdien, in relatie tot het vermoedelijk gepleegde misdrijf, nietwezenlijk onderscheidt van andere patiënten die in de betreffende inrichting verblijven of destijdsverbleven. Doorbreking van het verschoningsrecht ten aanzien van X zal onder deze omstandighedenkunnen meebrengen dat andere patiënten, daarvan kennisnemend, de vrees zullen koesteren datverstrekking van gegevens die hen betreffen evenzeer, met doorbreking van het medischverschoningsrecht, ter beschikking van vervolgende instanties kunnen komen. Een dergelijke vreeszou tot het onwenselijk gevolg kunnen leiden dat die andere patiënten zich belemmerd zouden voelenzich vrijelijk tot hun behandelaars te wenden” (Rb ’s-Gravenhage 17 juni 2008, LJN: BH2222). Ditpotentiële gevolg staat tevens in de weg aan doorbreking van het verschoningsrecht.Deze uitspraak bevestigt maar eens het standpunt dat zeer uitzonderlijke omstandigheden niet ‘zomaar’ aanwezig kunnen worden geacht, zeker niet indien de gevraagde patiëntgegevens ‘slechts’betrekking hebben op een getuige in plaats van een verdachte. De rol van de patiënt zou dus eenfactor kunnen zijn in de overweging of van een uitzonderlijke omstandigheid gesproken kan worden.Bovendien maakt deze uitspraak duidelijk dat in het geval er nog andere mogelijkheden tot onderzoekzijn, deze eerst moeten worden benut alvorens de pijlen te richten op een vertrouwelijk dossier.4.7 ConvenantenAangezien het medisch beroepsgeheim regelmatig in conflict komt met het opsporingsbelang heeft ditin de praktijk geresulteerd in het afsluiten van convenanten tussen medische instellingen en politie enjustitie. Dit zijn (privaatrechtelijke) overeenkomsten waarin afspraken worden gemaakt over de wijzewaarop strafvordering in medische instellingen moet worden toegepast.ConvenantenDuijst (2007) heeft onder andere onderzoek gedaan naar convenanten tussen politie (en OM) en 32ziekenhuizen. De meeste convenanten vormen een bindende overeenkomst voor de partijen. Indiende gemaakte afspraken in strijd zijn met de wet zijn deze niet afdwingbaar zijn. In enkele convenantenis echter uitdrukkelijk neergelegd dat afdwingbaarheid van nakoming van de afspraken is uitgesloten.Het doel van convenanten is tot procedure-afspraken te komen. Er worden zoal afspraken gemaaktover betreding van het ziekenhuis, doorzoeking en inbeslagneming, beroepsgeheim en niet-natuurlijke dood. Het doel van een dergelijke overeenkomst moet voor de betreffende partijen enbelanghebbenden helder zijn. De bedoeling kan slechts gelegen zijn in het soepel laten verlopen vande noodzakelijke contacten, waarbij recht moet worden gedaan aan het opsporingsbelang én hetbelang dat het medisch beroepsgeheim dient. 33Zo is er voor de regio Amsterdam-Amstelland en omstreken een Convenant & InformatieveHandreiking opgesteld. Verschillende ziekenhuizen, GGZ-instellingen, GGD, de RegionaleAmbulance Voorziening, het Openbaar Ministerie, de politie en de Koninklijke Marechaussee Schipholhebben met elkaar om tafel gezeten. De essentie van het convenant is dat de verschillendeinstellingen contactfunctionarissen benoemen. De contacten tussen de zorginstellingen enpolitie/justitie dienen altijd via deze functionarissen te verlopen. Procedures en gedragsregels vooreen aantal veel voorkomende situaties zijn in de Informatieve Handreiking neergelegd (SIGRA, 2005).In de handreiking staat onder meer beschreven wat het medisch beroepsgeheim inhoudt, wanneer er(medische) informatie mag worden verstrekt en in welke gevallen en op welke manier patiëntenmogen worden bezocht, gehoord en aangehouden door de politie. Deze beschreven situaties hebbenveelal betrekking op patiënten die zijn opgenomen (in het ziekenhuis) en vallen dan ook niet binnende reikwijdte van dit rapport. De volgende, in de handreiking opgenomen bepaling is daarentegen welvan direct belang voor de (ambulante) geestelijke gezondheidszorg: “Medische geschriften zoalsmedische dossiers en verpleegkundige dossiers en ambulanceritformulieren kunnen niet door depolitie in beslag worden genomen (ex art. 98 juncto 28 Sv), tenzij de arts (geheimhouder) daarmee(schriftelijk) instemt. Indien de arts deze schriftelijke instemming niet verleent, verloopt het verderecontact tussen zorginstelling en OM via de contactfunctionarissen” (SIGRA, 2005). Nu de32 Dit onderzoek behelst de beschrijving van de wijze van tot stand komen en de inhoud van de convenanten die in 2002 tussenpolitie en ziekenhuizen bestonden. In totaal waren er in dat jaar 26 convenanten gesloten of in conceptversie aanwezig. Determ ‘ziekenhuis’ moet overigens breed uitgelegd worden; ook andere medische – zoals geestelijke – instellingen wordenhieronder begrepen.33 Waaronder begrepen: Diemen, Zaanstreek Waterland, Meerlanden en Gooi- en Vechtstreek.23 Politie Amsterdam-Amstelland
    • inbeslagneming van medische dossiers reeds wettelijk is geregeld – zoals eerder is gebleken inparagraaf 4.3 – vormt deze convenantbepaling geen (nieuwe) bijdrage c.q. aanvulling. Bestuderingvan het convenant leidt zodoende tot de conclusie dat het praktische, inhoudelijke nut van ditconvenant ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten met betrekking tot de geestelijke 34gezondheidszorg gering is.In het volgende hoofdstuk, waarin de ‘werking’ van het medisch beroepsgeheim in de praktijk wordtbeschreven, zullen de uitkomsten van een empirisch onderzoek naar de effectiviteit van convenantenworden besproken (Duijst, Morsink & De Vries, 2006).4.8 Rechterlijke sanctiesSchenden beroepsgeheim door politieIndien de politie een medisch hulpverlener wil horen, staat hieraan in beginsel het beroepsgeheim inde weg. De hulpverlener kan zich beroepen op zijn verschoningsrecht en hij bepaalt – in beginsel –zelf welke informatie door dit recht beschermd wordt. De politieambtenaren mogen, vanzelfsprekend,geen druk op de medisch hulpverlener uitoefenen om tot doorbreking van zijn beroepsgeheim over tegaan. Gevolg hiervan zou kunnen zijn dat hieruit voortvloeiend bewijs als onrechtmatig verkregenwordt aangemerkt en wordt uitgesloten voor de bewijsvoering, ex art. 359a Sv. Andere voorbeeldenvan het onterecht schenden van het beroepsgeheim door politie/OM kunnen worden gevonden in hetopnemen van telecommunicatie van een verschoningsgerechtigde en het voegen van de uitwerkingvan deze communicatie in het (proces)dossier. In geval een medisch hulpverlener op eigen initiatiefinformatie die onder zijn beroepsgeheim valt op oneigenlijke gronden verstrekt, kan deze informatiedaarentegen ‘gewoon’ in rechte worden gebruikt.Schenden beroepsgeheim door medisch hulpverlenerDe afweging van de verschillende belangen omtrent het al dan niet doorbreken van hetberoepsgeheim komt in eerste instantie aan de hulpverlener toe. Een tuchtrechtelijk verwijt of eenciviele actie kunnen het gevolg zijn van het (ongegrond) schenden van het medisch beroepsgeheim.Een illustratie van – op het moment van schrijven – arts en Regionaal Inspecteur voor deVolksgezondheid Spiers (1995) met betrekking tot het tuchtrecht: “De grote valkuil die uit dejurisprudentie van de Medische Tuchtwet naar voren komt is, zoals gezegd, het zonder toestemmingdoorbreken van de geheimhoudingsplicht. Maar ook het bewust nalaten de geheimhoudingsplicht te 35doorbreken kan reden zijn voor tuchtrechtelijk onderzoek” (p. 65). Tuchtrechtelijke uitsprakenbetreffende het schenden van het beroepsgeheim komen zeer regelmatig voor. Een tuchtrechtelijkemaatregel voor het ten onrechte niet doorbreken van het geheim is tot op heden echter nog nietvoorgekomen (Duijst, 2007).Van een tuchtrechtelijk verwijt kan sprake zijn als de klager - een belanghebbende of de inspecteurvan volksgezondheid -een klacht heeft ingediend bij het Medisch Tuchtcollege. Indien er schade isgeleden door het handelen van een arts, dan kan de benadeelde bij de civiele rechter een vordering 36tot schadevergoeding instellen op grond van een onrechtmatige daad. De rechter kan de gemaakteafweging van de medisch hulpverlener ‘slechts’ marginaal toetsen; er wordt beoordeeld of dehulpverlener in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Deze marginale toetsing impliceertdat niet de rechter, maar de hulpverlener de (inhoudelijke) beslissing over het medischberoepsgeheim neemt.Een voorbeeld van de terughoudendheid van de tuchtrechter ten aanzien van de beoordeling of dehulpverlener gerechtigd is een beroep te doen op de noodtoestand in zijn conflict van plichten, volgtuit een uitspraak van het CMT uit 1972 (CMT 28 september 1972, NJ 1973, 270). Hieruit blijkt dat detuchtrechter zich beperkt tot een onderzoek “naar de vraag of de arts over wie is geklaagd hetonderzoek waarop zijn bevindingen berusten op medisch verantwoorde en dus ook voldoendezorgvuldige wijze heeft verricht” (Van Wijk, 1995). Verder hoeft de tuchtrechter ‘slechts’ te beoordelenof de arts in redelijkheid – op grond van de uit zijn onderzoek voortkomende bevindingen – hadmogen komen tot de conclusie dat zijn plicht als arts hem noodzaakte zijn beroepsgeheim tedoorbreken.34 Opmerkelijk is bovendien dat in het convenant wordt gesproken over ‘arts’ in plaats van het bredere begrip ‘medischhulpverlener’. Niet alle hulpverleners op wie het convenant immers (indirect) betrekking heeft dragen de titel ‘arts’. Dezeconstatering draagt wellicht bij aan het standpunt dat dit convenant geen grote invloed heeft op de (inhoudelijke) samenwerkingtussen politie en de medewerkers van de geestelijke gezondheidszorg.35 De Medische Tuchtwet is met de invoering van de Wet BIG – waarin een nieuwe regeling van het tuchtrecht is opgenomen –komen te vervallen.36 Art. 6:162 BW.24 Politie Amsterdam-Amstelland
    • De maatregelen die het tuchtcollege de hulpverlener kan opleggen bestaan uit een waarschuwing,berisping, schorsing, ontzetting uit het beroep en/of een geldboete (Duijst, 2009).Daarnaast kan het schenden van het beroepsgeheim, zoals eerder is beschreven, leiden totstrafrechtelijke vervolging op basis van art. 272 Sr. Er moet dan sprake zijn van een opzettelijke 37schending; de schending van het beroepsgeheim moet willens en wetens hebben plaatsgevonden.In geval een arts door schuld of nalatigheid het beroepsgeheim geschonden heeft, is er geenstrafrechtelijke veroordeling mogelijk. Zo’n schending kan wel tucht- of civielrechtelijk wordenafgedaan (Van Wijk, 1995). Echter, de strafrechtelijke toetsing is een andere dan hierboven werdbeschreven. Aangezien de strafrechter moet bepalen of door de arts een strafbaar feit is begaan, kanhij dat niet beoordelen door middel van een terughoudende, marginale toets en toetst hij ten gronde ofde arts de juiste afweging heeft gemaakt. De strafrechter dient te onderzoeken of de arts, “in hetbijzonder volgens wetenschappelijk verantwoord medisch inzicht en overeenkomstig de medischeethiek geldende normen, uit de onderling strijdige plichten een keuze heeft gemaakt die, objectiefbeschouwd en tegen de achtergrond van de bijzondere omstandigheden van het geval,gerechtvaardigd is te achten” (Van Wijk, 1995, p. 29).Strafrechtelijke uitspraken op basis van art. 272 Sr die betrekking hebben op medisch hulpverlenerszijn zeldzaam (Duijst, 2007). Het bestanddeel ‘opzet’ blijkt vaak moeilijk bewijsbaar en patiëntenzullen niet snel de voorkeur geven aan een openbare terechtzitting waarbij hun ‘geheim’ (uitgebreid)besproken wordt. Er is slechts één relevant voorbeeld bekend waarbij een medisch hulpverlener werdveroordeeld op grond van art. 272 Sr (Hof Arnhem 3 december 2003, MC 2004, p. 86). Naaraanleiding van een tegen hem ingediende klacht verschafte de hulpverlener informatie in deklachtprocedure. Hij verschafte hierbij tevens niet noodzakelijke informatie. De hulpverlener ginghiermee door, ondanks de tuchtrechtelijke verwijten die hem hieromtrent werden gemaakt. De HRoordeelde dat hoewel een hulpverlener ter verdediging van zijn eigen belangen in rechte informatiekan verstrekken, dit kan leiden tot een schending van art. 272 Sr (HR 8 april 2003, TvGR 2003, 47).Het hof kwam vervolgens – na terugverwijzing door de HR – tot een veroordeling vanwege hetstelselmatig en ongevraagd verschaffen van patiënteninformatie.Naast het feit dat de medisch hulpverlener bij een overweging om het beroepsgeheim al dan niet teschenden het tweeledig doel dat het beroepsgeheim dient in acht moet nemen, kunnen bij zijnafweging persoonlijke consequenties – zoals het riskeren van een tuchtrechtelijk en/of civielrechtelijkverwijt of strafrechtelijke veroordeling – een rol spelen. Zoals in het preadvies van de Vereniging voorGezondheidsrecht deze angst staat verwoord: “Want alhoewel geaccepteerd is dat de zwijgplichtsoms ook zonder toestemming van de patiënt geschonden mag worden, zal altijd de kans bestaan datde (tucht)rechter de afwegingen van de hulpverlener niet zal accepteren” (Van Veen, De Jong &Kastelein, 2004, p. 190). Het is dan ook zeer goed denkbaar dat dit voor een medisch hulpverlener(tevens) een reden kan zijn het beroepsgeheim niet te doorbreken. Professionele moed om totdoorbreking van de zwijgplicht over te gaan is wel vereist.4.9 Conclusie theoretisch kader medisch beroepsgeheimHet medisch beroepsgeheim bestaat uit een zwijgplicht en een verschoningsrecht. Het gedachtegoeddat hieraan ten grondslag ligt is het individuele belang van de privacy van de patiënt waarborgen en(hiermee) het algemene belang van de toegankelijkheid van de zorg dienen. Het medischberoepsgeheim is omgeven door een wirwar van wettelijke regels, beroepscodes, convenanten,jurisprudentie en literatuur. In de artt. 7:457 BW en art. 88 Wet Big is het beroepsgeheimgecodificeerd. Art. 272 Sr stelt schending van het beroepsgeheim strafbaar. De zwijgplicht geldt tenopzichte van een ieder, behalve de rechter. Het verschoningsrecht ex art. 218 Sv geeftverschoningsgerechtigden ook het recht om ten overstaan van de rechter te zwijgen. Hetberoepsgeheim reikt ver: het omvat namelijk alle gegevens die een hulpverlener in de uitoefening vanzijn beroep over de patiënt te weten is gekomen. De wetgever heeft het belang van geheimhoudingboven het belang van de opsporing gesteld. Dit is tevens terug te zien in de strafvorderlijke bepalingenomtrent de dwangmiddelen en bevoegdheden van opsporingsambtenaren: er gelden een aantalbeperkingen in de toepassing hiervan jegens verschoningsgerechtigden. Het oordeel van eenverschoningsgerechtigde dat een voorwerp c.q. medisch dossier niet in beslag mag worden genomen,dient door politie en justitie in beginsel gerespecteerd te worden.Het beroepsgeheim is echter geen absoluut geheim. Er zijn een aantal uitzonderingen in wetten,beroepscodes en jurisprudentie te vinden op grond waarvan het beroepsgeheim doorbroken kan37 Daarnaast kan de arts ook bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het geheim werd geschonden, zgn.voorwaardelijk opzet.25 Politie Amsterdam-Amstelland
    • worden. Voor de opsporingspraktijk zijn de volgende uitzonderingen van belang: toestemming van depatiënt, de aanwezigheid van een conflict van plichten en de door de rechter geformuleerde zeeruitzonderlijke omstandigheden.Indien een patiënt hiertoe toestemming geeft kan een medisch hulpverlener zijn beroepsgeheim aande kant zetten. Hij behoudt hierbij overigens wel zijn professionele verantwoordelijkheid. Hij moet eroptoezien dat de patiënt de reikwijdte van zijn toestemming overziet en bovendien moet de hulpverlenerzich er in enige mate van vergewissen dat de ontvanger van de gegevens op zorgvuldige wijze metdeze privacygevoelige gegevens zal omgaan. De hulpverlener mag naast deze privacy-aspecten ookhet algemeen belang niet uit het ook verliezen. Hoewel een patiënt toestemming geeft voorverstrekking van zijn gegevens, kan het dus zo zijn dat een hulpverlener hier (uiteindelijk) niet toe overgaat om de toegankelijkheid van de zorg te waarborgen. Het is bij deze uitzonderingsgrond echter welde vraag in hoeverre het realistisch is te denken dat een patiënt de hulpverlener toestemming zalverlenen (opsporings)informatie aan de politie te verstrekken.Belangrijker voor de opsporingspraktijk is de situatie waarin een hulpverlener in een conflict vanplichten kan komen te verkeren. Hoewel de hulpverlener op basis van de artt. 160 Sv en 137 Sr isuitgezonderd van een aangifte- en meldplicht, kan hij in een zodanig conflict komen te verkeren dathet hem doet besluiten zijn beroepsgeheim te schenden op grond van een overmachtsituatie. Hoewelhet conflict van plichten wordt ingevuld door de hulpverlener, kan de politie daar indirect wel aanbijdragen door middel van het verschaffen van relevante informatie. Dit gaat dan uiteraard alleen opvoor de situatie waarin al sprake is van strafrechtelijke ‘bemoeienis’; indien er nog geenopsporingsonderzoek loopt waarin de patiënt enige rol speelt, zal de politie de medisch hulpverlenerniet kunnen benaderen met vragen over de patiënt dan wel een (uitleverings)bevel ter inbeslagneminguitvaardigen. In dit geval kan de politie geen invloed uitoefenen op de ‘invulling’ van de criteria voor deaanwezigheid van een conflict van plichten.Op basis van de jurisprudentiële zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn de wettelijke restricties voorwat betreft de strafvorderlijke dwangmiddelen en bevoegdheden iets ingekrompen. Hoewel eenmedisch dossier in beginsel niet in beslag mag worden genomen (tenzij deze voorwerp is van hetstrafbare feit), is dit wel mogelijk indien er sprake is van een zeer uitzonderlijke omstandigheid. Echter,hiervan is – in geval de verschoningsgerechtigde niet zelf als verdachte is aangemerkt – in derechtspraak slechts één voorbeeld te vinden. Bovendien waren in dit arrest de omstandigheden zouitzonderlijk, dat er op basis hiervan niet een algemene, praktisch hanteerbare regel voor depolitiepraktijk uit af te leiden is.Hoewel er dus uitzonderingsgronden voor een schending van het beroepsgeheim ten behoeve van deopsporing van strafbare feiten bestaan, zijn er tuchtrechtelijke, civielrechtelijke en/of strafrechtelijkeconsequenties voor de hulpverlener die aan een onterecht schenden van de geheimhoudingsplichtverbonden kunnen worden. Zodoende is het begrijpelijk dat hulpverleners niet over één nacht ijs gaanen is de aanwezigheid van professionele moed tevens een vereiste om tot doorbreking over te gaan.26 Politie Amsterdam-Amstelland
    • V Het medisch beroepsgeheim in de praktijk5.1 InleidingZoals uit het voorgaande naar voren is gekomen is het medisch beroepsgeheim niet absoluut en kanin sommige gevallen het beroepsgeheim worden doorbroken. Zo kan een medisch hulpverlener zichin een noodtoestand beroepen op een conflict van plichten, met als gevolg dat hij een ander belanglaat prevaleren boven het beroepsgeheim. De toepassing van het medisch beroepsgeheim vindt(deels) plaats in dit schemergebied. Wat doet medisch hulpverleners ertoe bewegen om totdoorbreking van het beroepsgeheim te komen? Om te achterhalen hoe in de praktijk met het medischberoepsgeheim wordt omgegaan zijn psychiaters, psychologen, psychotherapeuten en een juridischadviseur geïnterviewd. De analyse van hun opvattingen omtrent het medisch beroepsgeheim volgt inparagraaf 5.3. In de paragraaf die daarop volgt wordt een vergelijking met het onderzoek dat in 1999door de KNMG is uitgevoerd gemaakt. Alvorens daaraan toe te komen, wordt in de volgendeparagraaf besproken welke bijdrage convenanten aan de praktijk bieden.5.2 Effectiviteit convenantenDuijst, Morsink en De Vries (2006) hebben een empirisch onderzoek verricht naar opsporing in hetziekenhuis om zodoende inzicht te verkrijgen in de kennis, meningen en het gedrag van medischhulpverleners en politieambtenaren aangaande de opsporing van strafbare feiten in relatie tot hetmedisch beroepsgeheim. Het onderzoek werd uitgevoerd in de vorm van een enquête die door 501hulpverleners – zowel artsen als verpleegkundigen – en 316 politiemedewerkers uit verschillenderegio’s is ingevuld. Uit het onderzoek blijkt dat er regelmatig contact is in het kader van de opsporingtussen politieambtenaren en medisch hulpverleners en dat hierbij wel eens een verschil vanmening/conflict bij ontstaat (Duijst et al., 2006). De convenanten zijn slecht bekend bij medischhulpverleners. De politiemedewerkers zijn beter bekend met het bestaan van convenanten, al wetenslechts weinigen wat er precies in staat. Uit het onderzoek komt onder meer naar voren dat met namepolitiemedewerkers ontevreden zijn over de samenwerking tussen hen en de medisch hulpverlenersin ziekenhuizen, omdat de hulpverleners naar hun mening vaak onterecht een beroep doen op hetberoepsgeheim. Een opmerkelijke bevinding is dat naast de politiemedewerkers, de hulpverlenersaangeven dat zij over het algemeen niet zelf de grenzen van hun medisch beroepsgeheim bepalen.“Mogelijk menen hulpverleners dat politieagenten de grenzen van het beroepsgeheim bepalen enpolitieagenten dat hulpverleners dit doen. Ook is het mogelijk dat beide partijen menen dat een derde,zoals een officier van justitie of een rechter-commissaris dit doet”, aldus Duijst, Morsink en De Vries(2006, p. 60). Een kwart van de politiemedewerkers geeft aan informatie aan een hulpverlener tevragen in ruil voor bescherming. De helft van hen zegt nooit druk op een medisch hulpverlener uit teoefenen om informatie te verkrijgen. Dit betekent op zijn beurt dat de andere helft dit wel eens (inmeer of mindere mate) doet. Een kleine helft van de politierespondenten respecteert hetberoepsgeheim, terwijl het overige deel respondenten van opsporingszijde aangeeft “dat hij gewoonzijn werk moest doen en daarbij weinig met beroepsgeheim te maken te hebben” (Duijst et al., 2006,p. 60). Het lijkt erop dat de politiemedewerkers die deze uitspraken doen zich niet bewust zijn van debelangen die het medisch beroepsgeheim dient.De invloed van convenanten blijkt voor beide ‘partijen’ minimaal te zijn. Uit de antwoorden komt naarvoren dat de convenanten in geen enkele (deelnemende) regio invloed hebben op de gemaaktekeuzes met betrekking tot de wijze van handelen door medisch hulpverleners of politiemedewerkers(Duijst et al., 2006). In het vorige hoofdstuk werd reeds geconcludeerd dat het convenant voor depolitieregio Amsterdam-Amstelland (inhoudelijk gezien) niets toevoegt aan de samenwerking tussenpolitie en de partners in de geestelijke gezondheidszorg.5.3 Opvattingen uit de medische praktijkRatio medisch beroepsgeheimHet beroepsgeheim wordt door de respondenten beschreven als een plicht om de gesprekken metcliënten ‘binnenskamers’ te houden, omdat het belangrijk is een sfeer te creëren van veiligheid envertrouwen. Dit laatste is van belang omdat iemand zich vrij moet voelen om te spreken en er op diemanier een goede (behandel)relatie kan worden opgebouwd. Patiënten kunnen dingen vertellen waarze zich bijvoorbeeld voor schamen. Een geïnterviewde psychotherapeut zegt hier het volgende over:“Zonder beroepsgeheim is psychotherapie onmogelijk. Het zorgt ervoor dat de sociale controle voor27 Politie Amsterdam-Amstelland
    • 38de duur van de sessie ‘tussenhaakjes’ wordt gezet” en “psychotherapie moet een vrijplaats zijn”. Hetdoel van de geheimhouding is het waarborgen van de anonimiteit c.q. privacy van de cliënt, hierondervalt ook dat niet bekend mag worden dat iemand in therapie/behandeling is. Eén van de respondentengeeft het voorbeeld dat als zij een patiënt tegenkomt op straat, zij de patiënt (zelfs) niet zal groeten inbijzijn van gezelschap, behalve als de patiënt het initiatief tot groeten neemt. Ook wordt door hetmerendeel van de respondenten verwezen naar het algemeen belang dat het beroepsgeheim dientopdat mensen ongehinderd hulp vragen aan hulpverleners. Het antwoord “als het bekend wordt dat ikmijn rol niet helder heb, dan komen mensen echt niet meer” op de vraag waarom het beroepsgeheimvan belang is, illustreert dit algemeen belang. Bovendien wordt nog een ander doel genoemd, één diein de literatuur een veel minder vooraanstaande rol heeft: bescherming tegen misbruik vanpatiëntgegevens door bijvoorbeeld verzekeringsmaatschappijen.Redenen om het beroepsgeheim te doorbrekenIn onderstaande worden de redenen – hoewel deze lang niet in alle gevallen breed gedragen wordendoor de respondenten – om tot mogelijke doorbreking van het beroepsgeheim over te gaanbesproken.Doodslag of moord (reeds gepleegd)Hoewel de geïnterviewde hulpverleners dezelfde mening delen over de doelen die het medischberoepsgeheim dient, zijn de meningen over de omstandigheden die tot doorbreking van het geheimkunnen leiden verdeeld. Zo zeggen vier respondenten in het geval een patiënt een levensdelict –zoals een moord of doodslag – opbiecht hun geheimhoudingsplicht per definitie niet te doorbreken engeen melding te maken van dit strafbare feit. De voornaamste redenen hiervoor zijn het feit dat debehandeling van de patiënt prioriteit geniet én het gegeven dat het delict reeds gepleegd is enzodoende niet meer te voorkomen. Overigens zullen zij over het algemeen hun patiënt wel aansporen 39zichzelf bij de politie aan te geven met als doel ‘in het reine te komen met zichzelf’. Hier staattegenover dat vijf hulpverleners in de situatie van een opgebiecht levensdelict (uiteindelijk) wel tot hetmaken van melding bij de politie over te zullen gaan: primair zullen zij de patiënt motiveren zichzelfaan te geven en in het geval de patiënt hiertoe niet zal overgaan, zullen zij melding van hetlevensdelict maken. Er wordt hierbij onder meer ter argumentatie aangevoerd dat het wel om eenernstig delict gaat, de hulpverlener niet ‘medeplichtig’ wil zijn door hiervan kennis te dragen en degedachte dat nu de patiënt reeds ‘over de schreef’ is gegaan dit nog wel een keer zou kunnengebeuren. Er dient hierbij wel opgemerkt te worden dat de meesten van hen nog met collegae willenoverleggen alvorens hiertoe over te gaan: dit zou hun overweging nog kunnen beïnvloeden.Daarnaast zijn er nog vier geïnterviewden die de te kiezen handelswijze vooral laten afhangen van dezienswijzen van collega’s en het juridisch advies van een jurist (al dan niet werkzaam bij eenberoepsvereniging): zij zullen dit advies volledig volgen. Slechts twee respondenten – waaronder degeïnterviewde juridisch adviseur – pakken op hun beurt de criteria voor de aanwezigheid van eenconflict van plichten (en dus de ruimte om het geheim te doorbreken) uit de beroepscode erbij om decasus hieraan te toetsen. Een mogelijkheid die hieruit naar voren komt is het aansturen van de patiëntom zichzelf aan te geven, aldus deze respondenten.In lijn met de bevindingen van het empirisch onderzoek van Duijst, Morsink en De Vries (2006)hebben een drietal respondenten tevens aangegeven de politie in een voorkomende situatie te bellenen het dilemma – in hoofdlijnen – voor te leggen om vervolgens de betreffende politiemedewerker omadvies te vragen.Emotioneel belangInteressant te vermelden is dat een respondent die in beginsel – namelijk op grond van eengepleegde doodslag of moord – niet zou overgaan tot doorbreking van zijn beroepsgeheim, ditmogelijk wel zou doen in het geval het slachtoffer niet gevonden zou zijn. Hij zou dan eerst de patiëntproberen te bewegen (anoniem) melding te doen van de vindplaats. Mocht deze hier geen gehoor aangeven, dan zou hij overwegen zijn zwijgplicht te schenden door een (eventueel anonieme) melding temaken bij de politie. De hulpverlener acht in een dergelijke situatie het belang dat de nabestaandenweten waar hun overleden dierbare is en de mogelijkheid voor hen om afscheid te nemen, groter danhet belang dat voortvloeit uit de zwijgplicht.38 Quotes zijn in dit hoofdstuk zonder bronvermelding opgenomen zodat de weergegeven opvattingen niet herleidbaar zijn toteen specifieke respondent (dit op verzoek van een aantal respondenten).39 Dit is wel afhankelijk van de psychische problematiek waar de patiënt mee kampt.28 Politie Amsterdam-Amstelland
    • Voornemens tot plegen levensdelict: indicatie voor gevaar voor derde(n)Uit de interviews komt voorts naar voren dat indien er een (grotere) indicatie voor gevaar voorderde(n) is, de alarmbellen bij de hulpverleners over het algemeen eerder gaan rinkelen dan desituatie waarin er geen potentieel gevaar voor een ander (meer) is. Deze indicatie wordt vooralaanwezig geacht in het geval het delict nog niet is gepleegd. Voor het merendeel van derespondenten zou de casus waarin de patiënt voornemens is een levensdelict te plegen eerderaanleiding geven het beroepsgeheim te doorbreken dan in het geval waar het kwaad reeds isgeschied. Een reactie van een hulpverlener luidt bijvoorbeeld: “dat moeten we zelfs aangeven”.Alle respondenten geven aan een inschatting te maken in welke mate de patiënt zijn voornemensdaadwerkelijk ten uitvoer zal brengen, of meer algemeen geformuleerd: in welke mate de cliënt eengevaar voor zichzelf en/of zijn omgeving vormt. Opsommend achten de hulpverleners bij dezeinschatting de volgende aspecten zoal van belang: - De aanwezigheid van een (gewelddadig) forensisch verleden - In hoeverre de patiënt in staat is een logische gevolgtrekking te verrichten - Eventuele eerdere impulsuitbraken - In hoeverre de patiënt in staat is zijn gedrag te sturen - Het verkeren in een staat van psychose - Wat voor een indruk de patiënt maakt - Drank- en/of drugsgebruik - In wat voor een gezelschap de patiënt zich omgeeft - Of de patiënt in staat kan worden geacht een levensdelict te plegen - De ontvankelijkheid van de patiënt voor een andere invalshoek - De acuutheid; is hij van plan op korte termijn de daad bij het woord te voegenMet name de gevallen waarin de hulpverlener het risico dat de patiënt zijn plan op korte termijn uit zoukunnen voeren groot acht, zullen eerder leiden tot het waarschuwen van de politie.Twee respondenten hebben echter een afwijkende mening op deze ‘algemene’ opvatting uit depraktijk. Eén van hen vertelt: “Ik denk in principe dat je geen recht hebt om het geheim te doorbrekenals het nog niet is gebeurd”.De andere respondent die een afwijkende mening heeft geeft aan dat indien een patiënt in eenpsychose verkeert en hierdoor ontoerekeningsvatbaar is, hij zal aansturen op de maatregel van 40inbewaringstelling (IBS) en in het kader hiervan zijn beroepsgeheim zal schenden. In anderegevallen geeft hij aan zeer terughoudend te zullen zijn in dergelijke situaties, aangezien melding bij depolitie naar zijn opinie het risicogedrag van de patiënt alleen maar groter zal maken en zodoendeaverechts zal kunnen uitpakken. Aanwezigheid van bepaalde psychische problematiek kan op dezemanier dus een reden zijn om niet over te gaan tot schending van het beroepsgeheim.Toestemming patiëntUit de interviews komt naar voren dat verleende toestemming van de patiënt een grote rol speelt in deoverweging van de hulpverleners om al dan niet het geheim te schenden. Bij de aanwezigheid vandeze toestemming, zijn de hulpverleners van mening dat zij veel eerder het geheim opzij kunnenzetten en informatie betreffende de patiënt aan derden kunnen verstrekken. Een citaat uit eeninterview op het moment dat werd gesproken over de inzage in een patiëntendossier, luidt: “In gevalvan toestemming van de patiënt, wie ben ik dan om inzage niet te verlenen?” Aan de andere kantvertellen twee andere respondenten op hun beurt dat zij, hoewel er toestemming is van de patiënt, welbekijken of de te verstrekken informatie geen voor de patiënt nadelige informatie bevat. Dit kan voorhen namelijk reden zijn het beroepsgeheim, ondanks de gegeven toestemming, niet te doorbreken.RechtsgangDoor één geïnterviewd hulpverlener wordt het belang dat hij toedicht aan het zegevieren van het(straf)recht boven het belang van het bewaren van het beroepsgeheim gesteld: “Ook al heeft hetlevensdelict tien jaar geleden plaatsgevonden, dat betekent niet dat ik het patiëntgeheim niet gadoorbreken. Los van de aanwezigheid van een eventueel herhalingsrisico, vind ik wel dat derechtsgang moet plaatsvinden. Het mag dus niet, maar ik zou me toch geroepen voelen om er ietsmee te doen”.40 In het kader van de Wet BOPZ.29 Politie Amsterdam-Amstelland
    • Redenen om het beroepsgeheim niet te doorbrekenUit de interviews zijn de volgende redenen die hulpverleners ervan weerhouden om hetberoepsgeheim te doorbreken – ondanks het gegeven dat de hulpverlener dat in bepaalde situatieswél wenselijk zou kunnen achten – naar voren gekomen.Angst voor wraak patiëntAngst van de hulpverlener zou er aan in de weg kunnen staan dat geen melding wordt gemaakt bij depolitie, hoewel hij dat wel wenselijk acht. Uit bescherming voor zichzelf zou hij deze doorbreking vanzijn geheimhoudingsplicht achterwege kunnen laten.Tuchtrechtelijke consequentiesNaast de angst die voor (de daden van) een patiënt kan bestaan, zijn veel hulpverleners bang voor detuchtrechter. De juridisch adviseur meent dat hulpverleners om deze reden heel vaak hun mondhouden: “ze zeggen liever te weinig dan te veel”.Nadeel voor patiëntEen andere reden die aan het doorbreken in de weg zou kunnen staan – zoals in de vorigesubparagraaf al reeds ter sprake is gekomen – is dat ondanks de toestemming van de patiënt om degeheimhoudingsplicht te schenden, de hulpverlener het nadelig voor de patiënt acht de vertrouwelijkeinformatie vrij te geven. Twee respondenten geven aan dat zij dit zullen afwegen en dit hen zoukunnen doen besluiten (bepaalde) informatie niet vrij te geven.Politie heeft andere mogelijkhedenDe gedachte dat er voor de politie andere manieren zijn om aan informatie te komen is een anderereden die uit de interviews naar voren komt om het beroepsgeheim niet te doorbreken is. Bijvoorbeeldin het geval er media-aandacht voor een zaak is. Twee respondenten zien de media-aandacht als eenandere weg die ervoor kan zorgen dat de patiënt in het geval hij een (levens)delict begaan heeft wordtopgepakt en het om deze reden wellicht minder noodzakelijk het beroepsgeheim te schenden.Rol patiënt bij levensdelictIn het geval de patiënt kennis draagt van een levensdelict omdat hij hiervan getuige is geweest, zullende meeste respondenten de verkregen informatie hieromtrent niet met de politie willen delen. Dezesituatie kan zich voordoen indien de getuige niet wil of kan verklaren ten overstaan van de politie ende politie dan de hulpverlener benadert met de vraag of deze informatie – bijvoorbeeld door middelvan het verlenen van inzage in het medisch dossier – wil verschaffen om zodoende bij te dragen aan 41het oplossen van de zaak. Een groot deel van de respondenten zal daarentegen wel deze informatiemet de politie delen indien zij hiervoor toestemming krijgt van de patiënt. Zes respondenten geven aandat indien er gevaar voor derden bestaat, bijvoorbeeld naar aanleiding van een opnieuw gepleegdlevensdelict met vergelijkbare modus operandi, zij wél met relevante informatie naar de politie zullenstappen ongeacht de aanwezigheid van toestemming van de patiënt hiervoor of niet.Eén respondent antwoordt in een dergelijke casus in geen geval met door de patiënt verkregeninformatie naar de politie te stappen, omdat het maar de vraag is hoe waarheidsgetrouw de informatievan de patiënt is op het moment dat deze in behandeling is voor (onder meer) verwerking van hettrauma als gevolg van het aanschouwen van het delict.Twijfel aan verhaal patiëntEr kunnen redenen zijn om aan het verhaal van een patiënt over een door hem begaan levensdelict tetwijfelen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een patiënt (veel) drugs gebruikt. Een respondentgeeft aan dat in geval van twijfel aan het verhaal van de patiënt, het beroepsgeheim nooit doorbrokenmoet worden.Zaken die geen of een minimale invloed hebben in de overwegingEen aantal aspecten spelen voor de respondenten geen of een minimale rol bij de overweging hetberoepsgeheim al dan niet te doorbreken.Omstandigheden delictVoor geen van de respondenten maakt de aard van de relatie van de patiënt tot ‘zijn’ dode slachtofferverschil in afweging. Althans, niet in de afweging om het beroepsgeheim ten overstaan van de politie41 Dit was bijvoorbeeld het geval in de Parnassia-zaak (Rb ’s-Gravenhage 17 juni 2008, LJN: BH2222).30 Politie Amsterdam-Amstelland
    • te doorbreken. De relatie met het slachtoffer kan uiteraard wel een rol spelen in de behandeling vande patiënt.Bij een gepleegd levensdelict maakt het over het algemeen voor de respondenten ook geen verschilof er sprake is van moord – dus een delict met voorbedachten rade – of doodslag. De hulpverlenersdie in geval van een door de patiënt gepleegde doodslag van mening waren geen noodzaak te zien tothet maken van een melding bij de politie, zullen dit in het geval van moord ook niet doen. Ditonderscheid kan wel verschil maken in de benadering van de hulpverlener naar de patiënt toe, maardit speelt voor de opsporingspraktijk verder geen rol.Echter, indien de patiënt de hulpverlener vertelt dat hij (op verzoek) hulp heeft geboden bij zelfdoding,geven verreweg de meeste hulpverleners aan niet naar de politie te stappen met deze informatie. Ditin tegenstelling tot het eerder beschreven standpunt dat een levensdelict zoals een moord of doodslagvoor meer hulpverleners – al dan niet na overleg met collega’s – wél een reden kan zijn het geheim tedoorbreken. Slechts een paar hulpverleners vormen hierop de uitzondering door te stellen dat ze inhet uiterste geval (bijvoorbeeld als de cliënt na herhaalde aansporing door de hulpverlener zichzelfniet aangeeft), een melding zullen maken bij de politie. Hieruit volgt dat de aard van het delict met zichmeebrengt dat dit delict kennelijk als ‘minder ernstig’ wordt gezien en de hulpverleners minder snelgeneigd zijn het belang van waarheidsvinding boven het belang van het beroepsgeheim te stellen.Een respondent illustreert haar opvatting met een praktijksituatie waarin er sprake was van hulp bijzelfdoding. Zij was namelijk op de hoogte van het feit dat een patiënt zich schuldig had gemaakt aanhulp bij zelfdoding. De moeder van de patiënt wilde dood. Deze patiënt die haar moeder overigensook haatte, had haar moeder een hoge dosis medicijnen gegeven. Die patiënt was bij de hulpverlenerin behandeling omdat ze kampte met enorme schuldgevoelens. “Niemand had er baat bij als dezepatiënt werd opgesloten”, aldus de betreffende hulpverlener. “In het strafrecht zou ze tochontoerekeningsvatbaar worden verklaard”. Ter argumentatie om het beroepsgeheim niet tedoorbreken wordt hier door de hulpverlener dus de geringe ‘opbrengst’ van het strafrecht aangevoerd.De mate van gruwelijkheid aangaande de modus operandi van het gepleegde delict spelen voor geenvan de respondenten in hun overweging een rol. Ook maakt het voor de meeste hulpverleners voorhun afweging geen verschil of de patiënt daadwerkelijk het opzet had op het doden van hetslachtoffer. Een ‘uit de hand gelopen’ vechtpartij waaruit een dodelijk slachtoffer voorkomt, biedtzodoende geen verlichting in de overweging het beroepsgeheim ten nadele van de patiënt tedoorbreken. De respondenten die zich op het standpunt hebben gesteld een moord of doodslag(uiteindelijk) te melden bij de politie, zullen dat in een zogenaamd geval van een ‘ongelukkigesamenloop van omstandigheden’ ook doen. Aan de rol die het uiteindelijke slachtoffer tijdens dedelictpleging heeft gespeeld wordt door de meeste respondenten tevens een minimale waardetoegekend in het afwegingsproces.De aanwezigheid van ‘vluchtgevaar’ van de patiënt en de hiermee gepaard gaande kleinere kans vanslagen tot (snelle) opsporing is voor veel respondenten tevens geen reden om (eerder) de politie in telichten en tot doorbreking van het beroepsgeheim over te gaan.Informatieverzoeken politieAlle respondenten zeggen in beginsel geen informatie over een patiënt op verzoek van rechercheurste verstrekken. Dit gaat (zelfs) al op voor het erkennen dat iemand bij de hulpverlener in behandelingis. Een groot aantal respondenten geeft aan wel mededelingen te willen doen indien de patiënt hiertoetoestemming verleent. Echter, de toestemming van de patiënt is in dat geval dan doorslaggevendefactor om tot schending van de zwijgplicht te komen en niet het verzoek van de politie.Voor vier respondenten maakt het echter verschil of zij tijdens de behandeling door de patiënt op dehoogte zijn gebracht van een door hem begaan levensdelict. Dan zullen zij ofwel na raadpleging vaneen jurist bekijken of er mogelijkheden zijn het beroepsgeheim te schenden, dan wel de rechercheurs– dus zonder aan te geven een jurist te willen raadplegen – van antwoorden willen voorzien. Maar ookvoor deze opvatting geldt dat niet het informatieverzoek van de politie de (doorslaggevende) factor isdie tot doorbreking van het geheim leidt: het gegeven dat de patiënt zegt dat hij een ernstig misdrijfheeft begaan ligt aan deze overweging ten grondslag. Immers, indien deze respondenten niet door depolitie benaderd worden met een verzoek om informatie, dan zullen zij uit eigen beweging (ook) 42overgaan tot het inlichten van de politie.42 Er wordt hier tevens verwezen naar de paragraaf waarin de redenen van doorbreking van het beroepsgeheim zijnweergegeven: voor sommige hulpverleners vormt het kennis dragen van het gegeven dat de patiënt een levensdelict heeftgepleegd immers aanleiding om naar de politie te stappen.31 Politie Amsterdam-Amstelland
    • Mate van info-verstrekking aan de zijde van politieBijna alle geïnterviewden geven aan dat de (mate van) informatieverstrekking aan de zijde van depolitie over feitelijkheden in de politiezaak geen verschil maakt in hun afweging het beroepsgeheim tebewaren of te schenden. Zij geven aan dat dit hen niet zou beïnvloeden in hun overweging dezwijgplicht al dan niet te schenden. De respondenten gaan er hierbij dus vanuit dat zij hun overweging(uitsluitend) baseren op basis van de informatie die zij tijdens de behandeling van de patiënt te horenkrijgen.Twee respondenten zijn wat dit aspect betreft een andere mening toegedaan. Zo geeft één van henaan dat de mate van informatieverstrekking door de politie over een zaak in die zin wel uitmaakt dat zeer harder over na zal denken informatie te verstrekken indien ze wordt geïnformeerd dat het om eenlevensdelict gaat (ervan uitgaande dat zij hiervan dan nog niet op de hoogte is gesteld door de patiëntzelf). Een andere respondent gaat nog een stapje verder door te stellen dat als de politie heminformeert dat het “duidelijk wordt dat meneer het heeft gedaan” hij wel antwoord zou geven op vragenen het in dat opzicht dus van belang is dat de politie informatie verstrekt over de zaak. Dezeopvattingen vormen echter uitzonderingen binnen de respondentengroep.De hoeveelheid c.q. het gebrek aan bewijs in de politiezaak speelt voor de meeste hulpverleners geenrol bij de overweging van het al dan niet schenden van het beroepsgeheim. Hieruit kan volgen dat hetvoor de opsporingspraktijk geen zin heeft met deze onderbouwing een beroep te doen op eenmedisch hulpverlener. De meeste hulpverleners stellen hiertoe dan ook dat opsporing een taak van depolitie is en niet van de medisch hulpverlener. “Het is niet mijn taak om boeven op te sporen”, alduseen medisch hulpverlener.Drie respondenten geven daarentegen aan dat indien hun informatie als laatste strohalm kan dienende patiënt vast te houden en op die manier gevaar voor derden kan worden voorkomen, zij bereid zijnde zwijgplicht te schenden. Eén van hen gaat hierin ter onderbouwing verder door daarnaast nog eenander argument aan te geven waarom hij zijn zwijgplicht zou schenden: “Ik vind het wel redelijk dat ereen goede rechtsgang kan plaatsvinden”. Zoals duidelijk moge zijn, zouden deze afwijkendeopvattingen van de respondenten dus ook in de paragraaf waarin de redenen die tot doorbrekingkunnen leiden beschreven staan, opgesomd kunnen worden. Deze tegenstrijdige opvattingen makenmaar eens te meer duidelijk dat de overwegingen een zeer subjectief karakter kennen.Media-aandachtDe aanwezigheid van media-aandacht speelt in de meeste afwegingen ook geen bijzondere rol,behalve dat een aantal respondenten dit gegeven zal gebruiken om de druk bij de patiënt op te voerenzichzelf aan te geven. Het is dus niet zo dat de hulpverleners dit zien als middel om zelf eerdermelding te (kunnen) maken bij de politie en de geheimhoudingsplicht te doorbreken. Het wordthoogstens gebruikt in hun benadering naar de patiënt toe.Daarnaast wordt de media-inzet, zoals eerder beschreven, door twee respondenten ook wel gezienals andere weg die ervoor kan zorgen dat de patiënt wordt opgepakt en het om deze reden wellichtminder noodzakelijk is het beroepsgeheim – uiteindelijk – te schenden.Kennis beroepsregels en convenantUit de interviews volgt dat niet alle respondenten op de hoogte zijn van de geldende beroepsregelsinzake (de toepassing van) het beroepsgeheim. Zo zeggen vier van hen wel eens een folder metdergelijke informatie te hebben ontvangen, maar die informatie niet zo één, twee, drie paraat tehebben. Eén respondent zegt in het geheel niet op de hoogte te zijn van het bestaan van een richtlijnwaarin de betreffende materie wordt behandeld. Deze redelijk grote mate van onbekendheid met degeldende beroepsregels bij de hulpverleners kan eraan ten grondslag liggen dat er relatief groteverschillen in opvattingen naar aanleiding van het voorleggen van de cases naar voren komen.Geen van de bij het convenant aangesloten respondenten, zegt op de hoogte te zijn de aanwezigheidvan een convenant. Eén geïnterviewde psychiater en de juridisch adviseur vormen hierop deuitzondering. De juridisch adviseur geeft met betrekking tot het convenant het minpunt aan dat er heelveel politiemedewerkers op verschillende niveaus als contactpersoon zijn aangewezen. Zij geeft aandat het voor hen soms lastig is te bepalen welke persoon binnen de politieorganisatie zij moetenbenaderen, omdat niet duidelijk is wie waar over gaat. Het grote aantal contactpersonen draagt dusniet bij aan de overzichtelijkheid en schiet alleen al om deze reden zijn doel voorbij. Doel van hetconvenant is namelijk tot een soepele samenwerking te komen en overzichtelijkheid in de te volgenprocedures te brengen.32 Politie Amsterdam-Amstelland
    • 5.4 Bevindingen KNMG-ledenpanelDat de opvattingen van medisch hulpverleners over de toepassing van hun beroepsgeheim nogalverschillen, blijkt tevens uit het onderzoek dat de KNMG onder 480 van haar leden heeft uitgevoerd(De Jong, Bottema & Van de Vathorst, 1999). Het doel van dit onderzoek was het verkrijgen van beterinzicht in hetgeen onder haar leden leeft. Zo geeft 24 procent van de ondervraagde leden aan dat zijzich verplicht voelt de politie in te lichten indien zij van een patiënt verneemt dat deze iemand heeftvermoord (en de patiënt door de politie nog niet als verdachte wordt aangemerkt), tegenover 49procent van de leden die deze verplichting niet voelt. 26 procent van de ondervraagden weet niet of zijeen dergelijke verplichting voelt. Het percentage dat de verplichting voelt zijn beroepsgeheim teschenden stijgt echter naar 53 procent in het geval de hulpverlener van de patiënt verneemt dat dezestellig van plan is iemand te vermoorden. 23 procent geeft aan deze verplichting in een dergelijkesituatie niet te voelen. De overige 26 procent zet hier een vraagteken bij. De onderzoekers komen opbasis van de verkregen resultaten tot de conclusie dat naarmate het belang van een derde groter lijkt,de hulpverlener eerder geneigd zal zijn zijn zwijgplicht te doorbreken (De Jong, Bottema & Van deVathorst, 1999). Tot slot is het het vermelden waard dat 40 procent van de ondervraagdehulpverleners wel voelt voor een wettelijke regel waarin de plicht om kennis omtrent bepaaldemisdrijven aan de bevoegde autoriteiten te melden is opgenomen. Het zal geen verbazing meerwekken dat op zijn beurt een percentage van 43 procent tegen een dergelijke wettelijke meldplicht 43is.5.5 Conclusie werking medisch beroepsgeheim in de praktijkEr is geen eenduidig antwoord te geven op de vraag wat dé medisch hulpverlener ertoe doet bewegenzijn beroepsgeheim ten behoeve van de opsporingspraktijk te doorbreken. Het op de hoogte zijn vaneen gepleegde moord of doodslag kan voor sommige geïnterviewde hulpverleners – hoewel demeesten van hen nog wel collega’s willen consulteren – reden zijn het beroepsgeheim te doorbrekenen melding te maken bij politie. De hieraan ten grondslag liggende argumentatie moet dan gezochtworden in de ernst van het delict, het niet gebukt willen gaan onder de enorme last zo’n groot geheimte moeten bewaren en het risico dat de patiënt nog een keer over de schreef kan gaan. Ook wordt inhet geval het delict reeds gepleegd is, maar het slachtoffer niet is gevonden het belang van denabestaanden om te weten waar een dierbare is en afscheid te nemen door een respondent als redenaangevoerd de geheimhoudingsplicht te doorbreken.Meer eensgezindheid in de opvattingen lijkt er te zijn in de situatie dat het (levens)delict nog niet isgepleegd, maar de patiënt de hulpverlener op de hoogte stelt dat hij van plan is iemand van het levente beroven. Op een enkeling na die een andere mening is toegedaan, is dit gevaar voor een derde devoornaamste reden voor hulpverleners om de zwijgplicht te doorbreken. Deze bevinding strookt methet onderzoek dat in 1999 onder een groot aantal KNMG-leden is uitgevoerd naar hun opvattingenomtrent het toepassen van het beroepsgeheim. De hulpverleners schatten hiertoe in in welke mate depatiënt zijn plan daadwerkelijk (op korte termijn) ten uitvoer zal brengen. Daarnaast is toestemmingvan de patiënt om zijn geheim met anderen te delen voor verreweg de meeste respondenten eenreden om zich niet aan de geheimhoudingsplicht te houden.Aan de andere kant kunnen redenen om het beroepsgeheim niet te doorbreken – uiteraard naast dedoelen die het beroepsgeheim an sich dient – gelegen zijn in: angst voor represailles van de patiënt,vrees voor tuchtrechtelijke consequenties, de nadelige consequenties die doorbreking voor de patiëntopleveren ondanks de toestemming wel te spreken, de getuigerol van de patiënt en twijfels aan hetverhaal van de patiënt. Zaken die bij de overweging geen of een minimale rol spelen zijn de aard vande relatie waarin de patiënt tot het slachtoffer staat, de modus operandi waaronder het levensdelict isbegaan, media-aandacht in de politiezaak en de aanwezigheid van (een grote mate van) vluchtgevaarbij de patiënt. Een verzoek tot het verstrekken van informatie door de politie is voor de hulpverlenersgeen (opzichzelfstaande) reden om patiënteninformatie te verschaffen. Bovendien geven bijna allegeïnterviewden aan dat (de hoeveelheid van) door politiemedewerkers gegeven informatie over eenzaak, geen rol speelt in de overweging om al dan niet het beroepsgeheim te schenden.Naar deze praktijkopvattingen lijken de mogelijkheden voor de opsporingspraktijk om op grond vaneen verzoek patiënteninformatie van een hulpverlener te krijgen, zeer beperkt. Uit de opvatting datdoor politiemedewerkers verschafte informatie over een zaak geen rol speelt in de overweging van dehulpverlener, kan de voorzichtige conclusie worden getrokken dat politiemedewerkers zich bij een‘nee-verkoop’ hebben neer te leggen en geen pogingen hoeven te doen de medisch hulpverlener doormiddel van (opsporings)informatie toch proberen te overreden het beroepsgeheim te doorbreken.43 Op welke misdrijven deze meldplicht dan betrekking zou moeten hebben wordt in het artikel niet beschreven.33 Politie Amsterdam-Amstelland
    • 34 Politie Amsterdam-Amstelland
    • VI Conclusies en aanbevelingen6.1 ConclusiesPer onderzoeksvraag worden kort en bondig de antwoorden geformuleerd. Daarna zullen debevindingen uit de praktijk worden vergeleken met het theoretisch kader om zo de probleemstelling tebeantwoorden.Wat is de ratio van het medisch beroepsgeheim?Het medisch beroepsgeheim bestaat uit een zwijgplicht en een verschoningsrecht. Het gedachtegoeddat hieraan ten grondslag ligt is het individuele belang van de waarborging van de privacy van depatiënt en het dienen van de toegankelijkheid van de zorg in zijn algemeenheid, opdat niemand zichlaat weerhouden medische zorg te zoeken.Wat is de wettelijke en jurisprudentiële omvang van het medisch beroepsgeheim?In de artt. 7:457 BW en 88 Wet Big is het beroepsgeheim gecodificeerd. Art. 272 Sr stelt schendingvan het beroepsgeheim strafbaar. De zwijgplicht geldt ten opzichte van een ieder, behalve de rechter.Het verschoningsrecht ex art. 218 Sv geeft verschoningsgerechtigden ook het recht om ten overstaanvan de rechter te zwijgen. Het beroepsgeheim reikt ver: het omvat namelijk alle gegevens die eenhulpverlener in de uitoefening van zijn beroep over de patiënt te weten is gekomen. De wetgever heefthet belang van geheimhouding boven het belang van de opsporing gesteld. Dit is tevens terug te zienin de strafvorderlijke bepalingen omtrent de dwangmiddelen en bevoegdheden vanopsporingsambtenaren: er gelden een aantal beperkingen in de toepassing hiervan jegensverschoningsgerechtigden. Het oordeel van een verschoningsgerechtigde dat een brief of geschriftc.q. medisch dossier niet in beslag mag worden genomen, dient door politie en justitie in beginselgerespecteerd te worden.In welke gevallen kán het medisch beroepsgeheim ten behoeve van de opsporing vanstrafbare feiten doorbroken worden?Voor de opsporingspraktijk zijn de volgende uitzonderingen van belang: toestemming van de patiënt,de aanwezigheid van een conflict van plichten en de door de rechter geformuleerde zeer uitzonderlijkeomstandigheden.Indien een patiënt hiertoe toestemming verleent kan een medisch hulpverlener zijn beroepsgeheimaan de kant zetten. Het is bij deze uitzonderingsgrond echter wel de vraag in hoeverre het realistischis te denken dat een patiënt de hulpverlener toestemming zal geven (opsporings)informatie aan depolitie te verstrekken. Bovendien behoudt de medisch hulpverlener in geval van toestemming van depatiënt het geheim te doorbreken wel zijn professionele verantwoordelijkheid: dit kan ertoe leiden dathij ondanks de toestemming, niet over gaat tot schending van zijn geheimhoudingsplicht.Belangrijker voor de opsporingspraktijk is de situatie waarin een hulpverlener in een conflict vanplichten kan komen te verkeren. De hulpverlener kan in een zodanig belangenconflict komen teverkeren dat het hem doet besluiten zijn beroepsgeheim te schenden op grond van eenovermachtsituatie. De hulpverlener kan een beroep doen op deze uitzonderingsgrond indien devolgende vragen positief beantwoord kunnen worden: Is alles in het werk gesteld om toestemmingvan de patiënt te verkrijgen? Levert het niet doorbreken van het geheim ernstige schade voor eenander op? Verkeert de zwijgplichtige in gewetensnood? Is er geen andere manier om het probleem opte lossen? Is het vrijwel zeker dat met doorbreking de schade aan de ander kan worden voorkomen ofbeperkt? Wordt het geheim zo min mogelijk geschonden? Deze criteria bieden de hulpverlener deruimte om te beoordelen of hij zich op een overmachtsituatie kan beroepen; er kan géén plicht totdoorbreking van het beroepsgeheim uit worden afgeleid.Op basis van de door de rechter geformuleerde zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn de wettelijkerestricties voor wat betreft de strafvorderlijke dwangmiddelen en bevoegdheden iets ingekrompen.Hoewel een medisch dossier in beginsel niet in beslag mag worden genomen (tenzij deze voorwerp isvan het strafbare feit), is dit wel mogelijk indien er sprake is van een zeer uitzonderlijkeomstandigheid. Echter, hiervan is – in geval de verschoningsgerechtigde niet zelf als verdachte isaangemerkt – in de rechtspraak slechts één voorbeeld te vinden. Bovendien waren in dit arrest deomstandigheden zo uitzonderlijk, dat er op basis hiervan niet een algemene, praktisch hanteerbareregel voor de politiepraktijk uit af te leiden is.35 Politie Amsterdam-Amstelland
    • Wat doet medisch hulpverleners ertoe bewegen hun beroepsgeheim te doorbreken tenbehoeve van de opsporing van strafbare feiten, met andere woorden; wat is deonderliggende argumentatie c.q. motivatie hiervoor?Er is geen eenduidig antwoord te geven op de vraag wat dé medisch hulpverlener ertoe doet bewegenzijn beroepsgeheim ten behoeve van de opsporingspraktijk te doorbreken. Het op de hoogte zijn vaneen door de patiënt gepleegde moord of doodslag kan voor sommige geïnterviewde hulpverlenersreden zijn het beroepsgeheim te doorbreken en melding te maken bij politie, waar dit voor anderehulpverleners geen aanleiding geeft het geheim te schenden. De aan de schending ten grondslagliggende argumentatie kan gelegen zijn in de ernst van het delict, het niet willen zijn van deelgenoot inhet verborgen houden hiervan, het herhalingsrisico van de patiënt, het belang van de nabestaandenom te weten waar hun dierbare is en afscheid te nemen (in geval het slachtoffer nog niet is gevonden)en het plaatsvinden van een (behoorlijke) rechtsgang.In de situatie dat het (levens)delict nog niet is gepleegd, maar de patiënt de hulpverlener op de hoogtestelt dat hij voornemens is een levensdelict te plegen, lopen de meningen veel minder sterk uiteen. Deaanwezigheid van gevaar voor een derde is de voornaamste reden voor hulpverleners om dezwijgplicht te doorbreken. De hulpverleners schatten hiertoe in in welke mate de patiënt zijn plandaadwerkelijk ten uitvoer zal brengen. Bij deze inschatting spelen de volgende factoren een rol: deaanwezigheid van een (gewelddadig) forensisch verleden, in hoeverre de patiënt in staat is eenlogische gevolgtrekking te verrichten, eventuele eerdere impulsuitbraken, in hoeverre de patiënt instaat is zijn gedrag te sturen, het verkeren in een staat van psychose, de indruk die patiënt maakt,drank- en/of drugsgebruik, in wat voor een gezelschap de patiënt zich omgeeft, of de patiënt in staatkan worden geacht een levensdelict te plegen, de ontvankelijkheid van de patiënt voor een andereinvalshoek, de acuutheid; is hij van plan op korte termijn de daad bij het woord te voegen.Een andere reden die in de praktijk over het algemeen zal leiden tot doorbreking van het geheim, is detoestemming van de patiënt.Een verzoek tot het verstrekken van informatie door de politie is voor de hulpverleners daarentegengeen (op zichzelf staande) reden om patiënteninformatie te verschaffen. Bovendien geven bijna allehulpverleners aan dat (de hoeveelheid van) door politiemedewerkers verschafte informatie over eenzaak geen rol speelt in de overweging om al dan niet het beroepsgeheim te schenden.Wereld van verschil: theorie en praktijk?Theoretisch gezien kunnen medisch hulpverleners op grond van toestemming van de patiënt, het zichbevinden in een conflict van plichten en het aanwezig zijn van een uitzonderlijke omstandigheid, hetberoepsgeheim gerechtigd schenden. Voor de opsporingspraktijk is de situatie van een conflict vanplichten het meest relevant. Het conflict van plichten waarin de hulpverlener kan komen te verkeren,wordt met name aanwezig geacht indien er gevaar voor een ander kan worden voorkomen: het nietdoorbreken van het geheim levert ernstige schade voor een ander op. Over het algemeen gaat dit opvoor nog niet gepleegde delicten, dan kan er immers nog iets voorkomen worden. In de medischepraktijk komt deze reden als grond voor doorbreking van het geheim in het geval het delict nog niet isgepleegd, ook als voornaamste reden – naast die van het hebben van toestemming van de patiënt –naar voren.Echter, de situatie waarin er reeds een ernstig delict is gepleegd en er aanleiding is te denken dat ermeerdere slachtoffers (door dezelfde dader) zullen volgen, kan theoretisch gezien ook leiden tot eenovermachtsituatie die een doorbreking van het beroepsgeheim rechtvaardigt.Door een aantal van de geïnterviewde hulpverleners uit de praktijk wordt in de situatie dat het(levens)delict reeds is gepleegd ook andere redenen ter rechtvaardiging van doorbreking van hetberoepsgeheim gegeven: de ernst van het delict, het niet willen zijn van deelgenoot in het verborgenhouden hiervan, het belang van de nabestaanden om te weten waar hun dierbare is en afscheid tenemen (in geval het slachtoffer nog niet is gevonden) en het plaatsvinden van een (behoorlijke)rechtsgang. Deze redenen zijn in de wet, beroepscode(s) en jurisprudentie echter niet verankerd,zodat deze argumenten theoretisch gezien hoogstens kunnen bijdragen aan het ‘invullen’ van hetcriterium van gewetensnood (als onderdeel van het conflict van plichten). Of dit verschil in(theoretisch) aanvaarde en (praktisch) gebruikte redenen nu mogelijkheden voor de opsporingspraktijkbiedt (omdat er zo meer redenen zijn die tot doorbreking van het geheim leiden), valt zeer tebetwijfelen. Uit de interviews blijkt namelijk dat een groot deel van de respondenten niet (volledig) opde hoogte is van de beroepscode en dat zij in voorkomende gevallen over het algemeen overlegzullen plegen met collegae en/of een jurist/medewerker van de beroepsvereniging. Naar grotewaarschijnlijkheid zal dit resulteren in een toepassing van het beroepsgeheim die meer conform hettheoretisch kader is. Hierbij dient te worden opgemerkt dat enige mate van subjectiviteit in deafweging nooit te voorkomen valt: het is en blijft mensenwerk in steeds unieke situaties, zodat de36 Politie Amsterdam-Amstelland
    • beoordeling die een hulpverlener toekomt nooit volledig door middel van regels geobjectiveerd kanworden. De opvatting van veel geïnterviewde hulpverleners dat door politiemedewerkers verstrekteinformatie ter aankleding van een verzoek om patiënteninformatie, in het geheel geen rol zou spelenin de overweging al dan niet het beroepsgeheim te schenden, valt in dit licht ook te relativeren: bij eengedegen toetsing aan de criteria van een conflict van plichten kan wellicht met behulp van door politieverstrekte informatie aan een ‘criterium’ wolden voldaan (waar dat uitsluitend op basis van informatiedie de hulpverlener van de patiënt tijdens de behandeling heeft verkregen, niet mogelijk was).Tot slot nog een opmerking over het convenant dat onder meer tussen GGZ-partners en politie isgesloten. Op papier bevordert het sluiten van een dergelijke overeenkomst de samenwerking, maar inde praktijk blijkt dat anders te zijn. Inhoudelijk gezien bevat het convenant op het gebied van de GGZmet betrekking tot de hantering van het beroepsgeheim geen aanvulling op het huidig theoretischkader. Daarnaast blijkt het in de praktijk door de grote hoeveelheid aan convenantpartners vanpolitiezijde niet bij te dragen aan de stroomlijning van het (samenwerkings)proces en het zodoendezijn doel voorbij te schieten.6.2 AanbevelingenIn onderstaande volgen een aantal voor de opsporingspraktijk relevante aanbevelingen.- Het is van belang politiemedewerkers (beter) te scholen in de materie van het beroepsgeheim en de gevolgen hiervan voor de opsporingspraktijk, zodat de politie zich beter bewust is van de mogelijkheden en onmogelijkheden bij het toepassen van strafvordelijke dwangmiddelen en bevoegdheden bij verschoningsgerechtigden. Er ontstaat regelmatig onduidelijkheid en conflict omtrent deze materie. Het verdient dan ook aanbeveling in de (basis)politieopleidingen reeds aandacht aan het medisch beroepsgeheim te besteden.- Geef als opsporingsteam de medisch hulpverlener ‘reden’ zijn beroepsgeheim te doorbreken wanneer er om patiënteninformatie wordt verzocht. Deze ‘reden’ moet gezocht worden in de invulling van de criteria voor de aanwezigheid van een conflict van plichten. Want hoewel het conflict van plichten wordt ingevuld door de hulpverlener, kan de politie daar indirect wel aan bijdragen door middel van het verschaffen van informatie over bijvoorbeeld het gevaar voor meerdere slachtoffers (dit gaat dan uiteraard alleen op voor de situatie waarin er (reeds) een delict is gepleegd).- Stel als opsporingsteam een medisch hulpverlener gerichte en schriftelijke vragen, in plaats van meteen over te gaan tot het vorderen van het hele medisch dossier. Hulpverleners dienen in geval van een doorbreking, het beroepsgeheim zo min mogelijk schenden. Draag op deze manier bij aan het proportionaliteitsvereiste. Eventueel kan de hulpverlener nog het advies worden gegeven met collegae en/of de beroepsvereniging te overleggen. Mogelijk wordt er door middel van deze handelswijze eerder informatie verkregen.- Probeer als opsporingsteam zoveel mogelijk de factoren die aan een doorbreking van het geheim in de weg kunnen staan te ‘tackelen’. Te denken valt hierbij aan het bieden van (politie)bescherming van de hulpverlener die zijn geheimhoudingsplicht, ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten, schendt. In het verlengde hiervan is het in het algemeen van belang de medisch hulpverleners te wijzen op de mogelijkheid van het doen van een anonieme melding. Deze mogelijkheid is van belang in het geval angst voor represailles door de patiënt er aan in de weg staat een melding te maken bij politie. De hulpverlener moet zich er dan wel van vergewissen dat hij niet de enige is die op de hoogte is van het strafbare feit, anders biedt het maken van een anonieme melding hem alsnog niet de veiligheid/bescherming waar hij naar zoekt. Het verdient aanbeveling deze mogelijkheid op te (laten) nemen in het convenant.- Ten aanzien van het convenant wordt geadviseerd één centraal contactpersoon (en plaatsvervanger) binnen de politieregio aan te stellen. Dit draagt, zowel voor internen als externen, bij aan een overzichtelijke en soepele procedure met betrekking tot contacten tussen politie en medische instelling. Aanbevolen wordt een contactpersoon aan te stellen die zowel kennis/ervaring heeft in de opsporingspraktijk als juridisch geschoold is op het gebied van de (on)mogelijkheden van het (medisch) beroepsgeheim. Het betreft namelijk een complex juridische materie op het gebied van straf-, tucht- en civielrecht die voor een reguliere opsporingsambtenaar niet gemakkelijk (en snel) te doorgronden is. De voorgestelde contactpersoon richt zich dus niet slechts op de vorm van het (samenwerkings)proces, maar geeft zowel in- als extern ook advies over de te volgen route en (het omkleden van) informatieverzoeken en fungeert zodoende als vraagbaak.37 Politie Amsterdam-Amstelland
    • 38 Politie Amsterdam-Amstelland
    • A Beroepscode voor psychiatersDe KNMG (2005) heeft een richtlijn opgesteld die specifiek handelt over het beroepsgeheim van dearts – waaronder begrepen de psychiater – jegens politie en justitie. De stelregel is datwaarheidsvinding geen grond is voor doorbreking van het beroepsgeheim. Het geheim kan alleenworden doorbroken in geval van toestemming van de patiënt, een wettelijke plicht tot spreken of eenconflict van plichten. Toestemming van de patiënt brengt niet, zoals ook al eerder is gebleken, metzich mee dat de arts verplicht is te spreken; echter, hij moet wel goede redenen hebben om dan noginformatie geheim te houden.Onder een (gerechtigd) conflict van plichten wordt verstaan: “met het vrijgeven van informatie aanpolitie/justitie kan (mogelijk) acuut en direct gevaar voor de veiligheid of het leven van de patiënt ofanderen worden voorkomen” (KNMG, 2005, p.3). Acuut en direct gevaar wordt vervolgens in een noottoegelicht als zijnde een spoedeisende situatie waarin er een rechtstreeks gevaar voor iemand is. Ineen conflict van plichten moet de arts de afweging maken tussen het beroepsgeheim (dat wil zeggenhet in stand houden ervan) en een ander zwaarwegend belang. De KNMG-richtlijn adviseert de artsde achtereenvolgens volgende vragen te stellen: “Is het mogelijk toestemming aan de patiënt tevragen? Kan de patiënt het probleem zelf oplossen? Is er een reëel risico op acuut en direct gevaar?Wordt het risico daadwerkelijk weggenomen door politie/justitie te informeren? Is er geen andere wegom de dreiging weg te nemen? Is er een redelijke verhouding tussen middel en doel?” (KNMG, 2005,p. 3). Indien een arts besluit zijn beroepsgeheim te doorbreken door de politie te informeren, dan dientdeze ‘breuk’ zo gering mogelijk te zijn. De arts mag niet meer gegevens verstrekken dan striktnoodzakelijk.In de Handreiking worden voorbeelden van situaties gegeven waarin artsen hun beroepsgeheimmogen schenden. Indien een patiënt aan zijn psychiater vertelt dat hij zijn ex-vrouw gaat opzoekenom rake klappen uit te delen, mag hij – als de arts door melding aan de politie kan voorkomen dat datgaat gebeuren – zijn beroepsgeheim schenden. Ook is een voorbeeld gegeven van een patiënt die dearts op de hoogte brengt van zijn voornemen een moord te plegen; ook in dit geval mag – indien hijdoor de melding aan politie kan voorkomen dat er slachtoffers vallen – zijn beroepsgeheim schenden.Na de opsomming van deze en andere voorbeelden benadrukt de KNMG dat als waarheidsvinding enhulpverlening met elkaar strijden, “de rechtspraak als regel het laatste belang prevaleert” (KNMG,2005, p. 5). Om artsen eventueel bij te staan in hun (mogelijke) gewetensnood wordt daar nog aantoegevoegd dat artsen die daar moeite mee hebben zich moeten bedenken dat“opsporingsambtenaren voor hun informatievoorziening doorgaans niet afhankelijk zijn vanhulpverleners alleen” (KNMG, 2005, p. 5).39 Politie Amsterdam-Amstelland
    • 40 Politie Amsterdam-Amstelland
    • B Beroepscode voor psychotherapeutenDe overkoepelende beroepsvereniging voor psychotherapeuten, de Nederlandse Vereniging voorPsychotherapie (NVP), hebben gedragsregels voor deze beroepsgroep sinds 1978 in eenberoepscode neergelegd (NVP, 2007). Deze code “reflecteert de stand van zaken in de voortgaandeberoepsethische discussie zoals die in de geestelijke gezondheidszorg in het algemeen en specifiekbinnen de eigen beroepsgroep wordt gevoerd” (NVP, 2007, p. 5). Bovendien wordt er in de preambulevermeld dat zowel de Regionale Tuchtcolleges als het Centraal Tuchtcollege in hun overwegingen enbeslissingen meenemen hetgeen in de beroepscode is geregeld.Met betrekking tot de geheimhoudingsplicht is het volgende algemene beginsel neergelegd in de 44NVP-code: “Bij het aangaan van de behandeling ontstaat er tussen de psychotherapeut en de cliënteen vertrouwensrelatie waarin voor de psychotherapeut een geheimhoudingsplicht jegens derdenbesloten ligt met betrekking tot uit de behandeling verkregen kennis” (NVP, 2007, p. 15).Net zoals bij de KNMG Handreiking, zijn er uitzonderingen op deze geheimhoudingsplicht gemaaktindien zich “zeer problematische” situaties voordoen. Bij het ontbreken van schriftelijke en gerichtetoestemming van de cliënt, kan de psychotherapeut als is voldaan aan de volgende voorwaarden zichvan zijn plicht tot geheimhouding ontheffen: “a) Al het redelijke is in het werk gesteld om toestemmingvan de cliënt te verkijgen, b) de psychotherapeut moet in gewetensnood verkeren door hethandhaven van de geheimhouding, c) er is geen andere weg dan doorbreking van het geheim om hetprobleem op te lossen, d) het is vrijwel zeker dat het niet-doorbreken van het geheim voor derdenen/of de psychotherapeut zelf aanwijsbare en ernstige schade en/of gevaar op zal leveren, e) depsychotherapeut moet er vrijwel zeker van zijn dat door de doorbreking van de geheimhouding dieschade aan de hierboven onder d) bedoelde betrokkenen kan worden voorkomen of beperkt”.De beroepscode stelt tevens dat de therapeut het recht heeft zich tegenover jusitiële autoriteiten teverschonen. Indien het verschoningsrecht door de rechter wordt afgewezen, moet depsychotherapeut zich beperken tot feitelijkheden en de informatie die gevraagd wordt.Verder interessant te vermelden is dat de psychotherapeut in beginsel de behandeling niet magbeeïndigen. In het geval er zich gewichtige redenen voordoen kan dit onder omstandigheden wel. Eénvan deze gewichtige redenen is een vrees voor zijn eigen lichamelijke of geestelijke gezondheid danwel zijn eigen veiligheid of dat van derden bij voortzetting van de behandeling.44 In de psychotherapie wordt de behandelde veelal aangeduid met ‘cliënt’.41 Politie Amsterdam-Amstelland
    • 42 Politie Amsterdam-Amstelland
    • C Beroepscode voor psychologenVoor psychologen is er door het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP) een beroepscodeopgesteld waarin de eisen, richtlijnen en gedragsregels voor deze beroepsgroep vermeld staan,althans voor de psychologen die lid zijn het NIP of een NIP-registratie hebben. De basisprincipes vanwaaruit verschillende richtlijnen en gedragsregels zijn geformuleerd zijn verantwoordelijkheid,integriteit, respect en deskundigheid. Beroepsethische principes zijn zo bijvoorbeeld in gedragsregelsneergelegd die dienen als kompas voor het beroepsmatig handelen: “De beroepscode reflecteert destand van zaken in de voortgaande ethische discussie in de maatschappij en vanzelfsprekend meer inhet bijzonder die in de eigen professie en in verwante beroepsgroepen” (NIP, 2007, p.4). De eersteberoepscode is door deze beroepsvereniging is opgesteld dateert uit 1960. Sindsdien zijn er eenaantal herzieningen geweest waarin er rekening is gehouden met onder meer wetsontwikkelingen ophet gebied van het gezondheidsrecht (en het recht op) privacy.Naast het algemene basisprincipe dat de psycholoog respect voor de fundamentele rechten enwaardigheid van betrokkenen moet tonen – waaronder begrepen het recht op privacy envertrouwelijkheid – is in de code (uiteraard) de specifieke verplichting tot geheimhouding opgenomen(NIP, 2007). Gegevens verstrekken aan een derde, niet zijnde de opdrachtgever, is uitsluitendmogelijk met een door de cliënt vooraf verleende en gerichte toestemming. De psycholoog kan vanzijn geheimhoudingsplicht worden ontslagen “als hij gegronde redenen heeft om te menen dat hetdoorbreken van de geheimhouding het enige en laatste middel is om direct gevaar voor personen tevoorkomen, dan wel wanneer hij door wettelijke bepalingen of een rechterlijke beslissing daartoewordt gedwongen” (NIP, 2007, p. 20). In dat geval mag hij het geheim niet verder schenden dan deomstandigheden daartoe aanleiding geven. Bovendien moet hij de betrokkene op de hoogte stellenvan deze schending, tenzij er hierdoor een acuut gevaar voor hemzelf of derden kan ontstaan.Interessant te vermelden is dat in de code de verplichting is opgenomen gebruik te maken van hetverschoningsrecht, indien het afleggen van een verklaring c.q. het beantwoorden van vragen in strijdkomt met zijn geheimhoudingsplicht.Het NIP kent zijn eigen procedure voor een ieder die bij het indienen van een klacht een redelijkbelang heeft. Het College van Toezicht en (in geval van hoger beroep) het College van Beroepbehandelen de klachten, waarbij de beroepscode als maatstaf dient waaraan het handelen van depsycholoog wordt getoetst.43 Politie Amsterdam-Amstelland
    • 44 Politie Amsterdam-Amstelland
    • D LiteratuurlijstBaarda, D.B., Goede, M.P.M. de, & Teunissen, J. (2005). Basisboek Kwalitatief Onderzoek:handleiding voor het opzetten en uitvoeren van kwalitatief onderzoek (tweede druk).Groningen/Houten: Wolters-Noordhoff.Bannier, F.A.W., Duijst, W.L.J.M., Fanoy, N.A.M.E.C., Meijers, A.P.H. & Tempelaar, J.M. (2008).Beroepsgeheim en verschoningsrecht: handboek voor de advocaat, medisch hulpverlener, notaris engeestelijke. Den Haag: Sdu Uitgevers.Beaten, P. & Janssen, L. (2007). Samenwerking en beroepsgeheim: juridische mogelijkheden voorhet uitwisselen van gegevens bij de aanpak van huiselijk geweld (vierde druk). Amsterdam:Nederlands Jeugdinstituut/Uitgeverij SWP.Biesaart, M. & Meersbergen, D. van (2004). Spreken of zwijgen: nieuwe KNMG-richtlijn overcontacten met politie en justitie. Medisch contact, 51, 2043-2045.Blauw (2009). Geef hulpverlener reden beroepsgeheim te doorbreken. Blauw, 5, 5.Blik op nieuws.nl (2009). Oplossen moord belangrijker dan beroepsgeheim. Op 13 februari 2009ontleend aan http://www.blikopnieuws.nl/bericht/91630Dolman, M.M. (2006). Overmacht in het stelsel van strafuitsluitingsgronden. Nijmegen: Wolf legalpublishers.Duijst, W.L.J.M. (2007). Boeven in het ziekenhuis: een juridische beschouwing over de verhoudingtussen het medisch beroepsgeheim en de opsporing van strafbare feiten (tweede druk). Den Haag:Sdu Uitgevers.Duijst, W.L.J.M. (2009). Gezondheidsstrafrecht. Deventer: Kluwer.Duijst, W.L.J.M., Morsink, M.E.B., & Vries, A.W. de (2006). Ziekenhuizen, politie en convenanten: eenempirisch onderzoek. Den Haag: Sdu Uitgevers.Gevers, J.K.M. (1995). Inhoud en ontwikkeling van het medisch beroepsgeheim. In F. de Graaf & C.Lameer (red.), Medisch beroepsgeheim onder druk (pp. 6-14). Houtem/Diegem: Bohn Stafleu VanLoghum.Jong, E. de, Bottema, R., & Vathorst, S. van de (1999). Wet of geweten? KNMG-ledenpanel overberoepsgeheim en conflict van plichten. Medisch contact, 54(42), 1430-1433.Jongkind, J.M. (2010). Beroepen waaraan een verschoningsrecht is toegekend of ontzegd.Amsterdam: Arrondissementsparket Amsterdam.Kamerstukken II 1990/1991, 21561, nr. 3, p. 33.Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (2005). Beroepsgeheimarts jegens politie en justitie richtlijn, KNMG uitgave versie 3.0.Leenen, H.H.J., Gevers, J.K.M. & Legemaate, J. (2007). Handboek gezondheidsrecht deel I: rechtenvan mensen in de gezondheidszorg. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.Legemaate, J. (1995). De interactie tussen juridische normen en regels uit de beroepsgroep, mede inverband met het medisch beroepsgeheim. In F. de Graaf & C. Lameer (red.), Medisch beroepsgeheimonder druk (pp. 70-78). Houtem/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.Nederlands Dagblad (2009). ‘Privacy’ patiënt frustreert rechercheurs. Op 13 februari 2009 ontleendaan http://www.nd.nl/artikelen/2009/februari/06/-privacy-patient-frustreert-rechercheurs45 Politie Amsterdam-Amstelland
    • Nederlands Instituut van Psychologen (2007). Beroepscode voor psychologen 2007 van hetNederlands Instituut van Psychologen. Amsterdam: NIP.Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (2007). Beroepscode voor psychotherapeuten. Utrecht:NVP uitgave juni 2007.Nortier, C.A. (2006). Het medisch beroepsgeheim: een leidraad door de doolhof. Amsterdam:Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Rechtsgeleerdheid.Roscam Abbing, H.D.C. (1995). Privacy, medisch beroepsgeheim en (internationale) uitwisseling vanmedische gegevens. In F. de Graaf & C. Lameer (red.), Medisch beroepsgeheim onder druk (pp. 15-24). Houtem/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.Salome, R. (2009, februari, nr. 3). Beroepsgeheim nekt onderzoek: onderzoek naar ‘Parnassia-doden’gestaakt. Korpskrant Politie Haaglanden, p. 1.Salome, R. (2009, februari, nr. 3). Medisch beroepsgeheim frustreert onderzoek Fruit-team: ‘een zaakals deze mag niet onopgelost blijven’. Korpskrant Politie Haaglanden, p. 4-5.Samenwerkende Instellingen Gezondheidszorg Regio Amsterdam (2005). Convenant & InformatieveHandreiking: ziekenhuizen/GGZ-instellingen/GGD/Regionale Ambulance Voorziening/OpenbaarMinisterie/Politie/Koninklijke Marechaussee Schiphol. Amsterdam, Diemen, Zaanstreek Waterland,Amstelland en Meerlanden en Gooi- en Vechtstreek. Uitgave SIGRA.Spiers, W.J. (1995). Dilemma’s bij de handhaving van het medisch beroepsgeheim. In F. de Graaf &C. Lameer (red.), Medisch beroepsgeheim onder druk (pp. 62-69). Houtem/Diegem: Bohn Stafleu VanLoghum.Veen, E.B. van, Jong, E.J.C. de, & Kastelein, W.R. (2004). Het beroepsgeheim, continuïteit enverandering. Den Haag: Sdu Uitgevers.Wijk, W. van (1995). Medisch beroepsgeheim en het straf(proces)recht. In F. de Graaf & C. Lameer(red.), Medisch beroepsgeheim onder druk (pp. 25-35). Houtem/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.RechtspraakCMT 28 september 1972, NJ 1973, 270Rb Haarlem 21 mei 1987, NJ 1988, 624HR 2 oktober 1990, NJ 1991, 124HR 23 november 1990, TvGr 1991, 19College van Beroep NIP, 20 juni 1997, TvGR 1999, 5HR 30 november 1999, NJ 2002, 438HR 12 februari 2002, NJ 2002, 439HR 8 april 2003, TvGR 2003, 47Rb Assen 16 juli 2003, NJ 2003, 585Hof Arnhem 3 december 2003, MC 2004, 86HR 29 juni 2004, NJ 2005, 273Hof Leeuwarden 22 december 2004, LJN: AS2157HR 14 juni 2005, NJ 2005, 353Rb ’s-Gravenhage 17 juni 2008, LJN: BH222246 Politie Amsterdam-Amstelland
    • E Geïnterviewde personenM. van Hoeve, klinisch psycholoog en psychotherapeut (vrijgevestigd)I. Foeken, klinisch psycholoog en psychotherapeut (vrijgevestigd)A. Ruissen, psychiater i.o. en promovendus (GGZ inGeest)L. Stavenuiter, psychiater (Mentrum/Arkin)A. Achilles, psychiater (Mentrum/Arkin)Q. van Dam, klinisch psycholoog, psychotherapeut en psychoanalyticus (NPI)S. Russo, psychiater (GGZ inGeest)S. Roland, psychotherapeut (vrijgevestigd)T. Hartgers, klinisch psycholoog, psychotherapeut en psychoanalytica i.o. (NPI en vrijgevestigd)M. Akkerman, psychotherapeut (vrijgevestigd)P. Lamers, klinisch psycholoog, psychotherapeut, Hoofd Behandeling (NPI), voormalig inspecteur bijde Inspectie voor de GezondheidszorgA. Heijman, gz-psycholoog (Jellinek)M. van der Meulen, klinisch psycholoog, gedragstherapeut en psychoanalytica (NPI en Mentrum)A. van der Knaap, juridisch adviseur (Arkin, Bureau Geneesheer-Directeur)W. Kraay, klinisch psycholoog en psychotherapeut (Praktijk De Bosgroep)47 Politie Amsterdam-Amstelland
    • 48 Politie Amsterdam-Amstelland
    • F InterviewformatIntroductie - Voorstellen, doel en duur interview. - Anonimiteit (indien gewenst zullen – bij de verwerking in het rapport – de antwoorden niet meer te herleiden zijn tot een individuele respondent). - Maken van notities.Open vragen - Wat is uw beroep? - Hoe lang bent u werkzaam als psycholoog/psychiater/psychotherapeut? - Wat houdt uw (medisch) beroepsgeheim in? En omvang? - Wat is het doel van uw beroepsgeheim? - Heeft u wel eens in een dilemma gestaan met betrekking tot het medisch beroepsgeheim? (wel/niet doorbreken; opsporingsgerelateerd) - Bent u tijdens de uitoefening van uw beroep wel eens in aanraking geweest met de politie? Zo ja, op welke manier? (d.w.z. wie heeft initiatief tot contact genomen, wat was de reden van contact, hoe is er – door beide ‘partijen’ – gehandeld) - Heeft u wel eens een beroep gedaan op uw verschoningsrecht? Zo ja, wat waren de omstandigheden? 45CasesEr worden nu een aantal cases voorgelegd. Na elke case zal om uw reactie worden gevraagd:Wat doet u en waarom? Met andere woorden; wat zijn uw overwegingen? 1 Tijdens een consult vertelt uw cliënt dat hij de week tevoren in een opwelling een toevallige voorbijganger heeft gedood. Hij heeft een mes tussen de ribben gestoken en vervolgens het lichaam ‘weggewerkt’. Er waren volgens hem geen getuigen. Hij heeft zijn geheim met niemand anders gedeeld en is dit ook niet van plan te doen. Variaties met betrekking tot de relatie tot het slachtoffer: familie/vriend/kennis/kind/bejaarde/afhankelijkheidsrelatie Wel/geen berouw 2 Tijdens een consult vertelt uw cliënt dat hij een maand geleden iemand heeft vermoord. Hij was al langer van plan iemand te doden, maar was in afwachting tot het ‘juiste’ moment. Hij had ruim van te voren een pistool, munitie en middelen om het lijk weg te werken geregeld. Uw cliënt vertelt gedetailleerd over zijn daad. Media-aandacht, getuigen e.d. + ‘verdachte vormt gevaar voor zichzelf en zijn omgeving’ 3 U krijgt in uw praktijk twee rechercheurs op bezoek. Zij stellen vragen over een cliënt van u die onlangs is opgepakt als verdachte van moord. De rechercheurs willen weten of uw cliënt twee weken geleden bij u op bezoek is geweest en (zo ja) in welke toestand hij de praktijk toen verliet. Soort informatie dat wordt gevraagd: ‘randzaken’ (zoals de gemoedstoestand)/inhoudelijke gesprekken over de moord en/of andere zaken/inzage patiëntendossier Mate van informatieverstrekking over de zaak door de politie 4 Uw cliënt vertelt tijdens het wekelijkse consult dat hij van plan is zijn huurbaas Piet Jansen van het leven te beroven. Hij weet nog niet op welke termijn en op welke manier, maar dat het gaat gebeuren staat voor hem vast.45 Onder elke case staat in schuingedrukte tekst de nuances die kunnen worden gebracht op de oorspronkelijke case.49 Politie Amsterdam-Amstelland
    • Wel/geen forensisch verleden (terzake mishandeling/doodslag/moord) Concreetheid van plan (‘risico-analyse’ door psych?) 5 Een cliënt van u is aangehouden ter zake verdenking doodslag. Een dag na zijn aanhouding wordt u gebeld door een rechercheur. De rechercheur stelt u vragen over (uw kennis van) de betrokkenheid van uw cliënt bij de dood van het slachtoffer. Uw cliënt heeft u tijdens een consult verteld dat hij het slachtoffer heeft doodgeslagen. Hoeveelheid bewijs dat de politie reeds heeft/laatste strohalm Gruwelijkheid van de omstandigheden waaronder delict heeft plaatsgevonden 6 Een cliënt vertelt u dat hij zijn 89-jarige oom op diens verzoek heeft geholpen een einde aan zijn leven te maken. Uw cliënt geeft aan dat het leven van zijn zieke oom uitzichtloos was geworden en hij het niet meer kon aanzien om zijn lievelingsoom zo te zien lijden. Hij vertelt dat zijn oom wilde dat hij ‘m zou stikken met een kussen. Dit heeft hij gedaan. Ernst van de psychische problematiek Politie: tekenen van wurging/delict Forensisch verleden m.b.t. levensdelicten 7 Een nieuwe cliënt van u komt zichtbaar ontdaan uw praktijkruimte binnen op zijn eerste afspraak. Hij vertelt u dat hij drie weken geleden is gaan stappen met vrienden. Op de weg terug naar huis kreeg hij ruzie met een agressieve man (X) die hem tegen zijn kaak sloeg. U ziet op de kaak van uw cliënt wat littekens. Uw cliënt vertelt vervolgens dat hij de man terug heeft geslagen, waarop de man ten val kwam en vervolgens niet meer bewoog en ademde. Uw cliënt vertelt hierop in paniek naar huis te zijn gerend. Sindsdien is hij extreem angstig en kan hij niet meer slapen. Wel/niet ‘de bedoeling’ Schuld/bijdrage van slachtoffer (culpa in causa) Toestemming patiënt (bij wel/geen info-verzoek politie) 8 Overstuur komt een cliënt uw praktijk binnen. Hij vertelt dat hij zojuist een vriend van hem dood heeft geslagen omdat hij boos was dat deze vriend hem geen geld wilde lenen. Hij zegt dat hij niet meer weet wat hij met zichzelf aan moet en dat hij niet meer voor zichzelf in kan staan. Hij is bang dat de politie erachter zal komen en zegt te willen vluchten naar Duitsland, waar hij nog wat familie heeft wonen. Hij geeft aan zijn behandeling bij u dan ook per direct stop te zetten en vanmiddag nog op de trein richting Duitsland te stappen. 9 Een cliënt vertelt dat hij getuige is geweest van een bloedige dubbelvoudige moord. Deze cliënt is bij u onder behandeling ter verwerking van het trauma dat hij hieraan over heeft gehouden. Uw cliënt heeft gedetailleerd met u over het incident gesproken. U wordt benaderd door de rechercheur die het politieonderzoek naar deze dubbelvoudige moord leidt. De rechercheur vraagt wat uw cliënt met betrekking tot de moord tegen u heeft gezegd. Rol cliënt Herhaald plaatsvinden van een dergelijke moord: gevaar voor meerdere slachtoffers door dezelfde dader Toestemming patiëntNabesprekingDe reacties op de cases worden nabesproken en eventueel met elkaar vergeleken om de ‘grens’nader te bepalen. Het is immers onmogelijk elke denkbare situatie neer te leggen in een case. Met degrens wordt dát moment bedoeld waar het opsporingsbelang prevaleert boven het belang van het instand houden van het medisch beroepsgeheim.Wat maakt voor u dat u eerder af zou wegen uw beroepsgeheim te doorbreken?50 Politie Amsterdam-Amstelland
    • Niet-limitatieve criteria die een rol kunnen spelen: - afstand tot het slachtoffer (partner/ouder/vriend/kennis/kind/afhankelijkheidsrelatie) - in een opwelling/voorbedachte rade - wel/geen berouw - delict heeft al plaatsgevonden/kan nog plaats gaan vinden - gevaar voor zichzelf en/of omgeving; dreiging nieuwe slachtoffers - aard delict (dood door schuld/doodslag/moord/kindermoord/hulp bij zelfdoding) en omstandigheden waaronder het delict heeft plaatsgevonden (mate van gruwelijkheid) - leed bij nabestaanden - mate van schuld/bijdrage van slachtoffer (culpa in causa) - rol van de cliënt (dader/getuige/slachtoffer) - politie benadert u/zelf initiatief - mate van informatieverstrekking omtrent de zaak door politie - hoeveelheid van bewijs in een politiezaak:van veel tot laatste strohalm - wel/geen forensisch verleden - toestemming van de patiënt - media-aandacht - tijd: recent/lang geleden - aanvullingen?Zijn er in uw beroepsgroep richtlijnen/beroepscode opgesteld m.b.t. omgang met het medischberoepsgeheim?Bent u/uw organisatie aangesloten bij een convenant waarin e.e.a. wordt geregeld?51 Politie Amsterdam-Amstelland
    • 52 Politie Amsterdam-Amstelland
    • G Uitnodigingsbrief interviewIn onderstaande een voorbeeld van een uitnoding tot deelname aan het onderzoek zoals die aan derespondenten (per e-mail) is verstuurd:Beste heer/mevrouw,Naar aanleiding van ons telefoongesprek stuur ik u deze mail. Ik verricht in het kader van de Masterof Criminal Investigation onderzoek naar het medisch beroepsgeheim in relatie tot de opsporing vanstrafbare feiten. Een van de methoden is het afnemen van interviews onder psychologen/psychiaters(bij voorkeur werkzaam in de niet-forensische, ambulante GGZ). Met behulp van deze interviewskunnen hun opvattingen omtrent het beroepsgeheim en de afwegingen die in bepaalde situatiestussen verschillende belangen worden gemaakt inzichtelijk worden gemaakt. Met een afwegingvan belangen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het belang van het in stand houden van hetmedisch beroepsgeheim tegenover het doorbreken van het beroepsgeheim ten behoeve van hetvoorkomen van gevaar voor een derde.Het doel van het onderzoek is het versterken van de informatiepositie van de opsporing (politie) metbetrekking tot de hantering van het medisch beroepsgeheim door medisch hulpverleners in het gevaler een opsporingsbelang aan de orde is. Hoewel het (medisch) beroepsgeheim (enverschoningsrecht) wettelijk is verankerd, er aanvullend jurisprudentie en rechtsliteratuur voorhandenis waarin criteria tot doorbreking van het beroepsgeheim zijn ontwikkeld en er verscheideneprotocollen door diverse beroepsgroepen zijn opgesteld, is een zgn. grijs gebied niet uit te sluiten(immers, niet iedere specifieke situatie die zich voor kan doen kan worden vastgelegd). Binnen ditgebied prioriteert de medisch hulpverlener de verschillende belangen die zich voor kunnen doen. Hetonderzoek richt zich voornamelijk op het inzichtelijk maken van het grijze gebied.Ik zou het zeer op prijs stellen als ik in de gelegenheid word gesteld enkele psychiaters/psychologente interviewen. Er zullen eerst een aantal open vragen aan de respondent worden gesteld. Vervolgenszullen een aantal (fictieve) cases worden voorgelegd waarin verschillende situaties/evt. dilemmasworden geschetst en zal naar de opvattingen van de respondent worden gevraagd. Indien dit op prijswordt gesteld, zullen de beschreven opvattingen in het uiteindelijke onderzoeksrapport niet tot deindividuele respondent herleidbaar zijn. De duur van het interview zal maximaal 2 uur bedragen. Ik zaluw locatie bezoeken voor de interviews, tenzij de respondenten de voorkeur aan een andere locatiegeven.Ik zal over een maand beginnen met de afname van interviews. Hierbij alvast wat data waarop deinterviews kunnen plaatsvinden: 18 juni, 21 juni (ochtend), 23 juni, 24 juni, 25 juni, 28 juni, 29 juni, 30juni, 1 juli of 2 juli.Ik hoop u voldoende geïnformeerd te hebben. Mocht u verdere vragen hebben dan kunt u mijuiteraard bereiken op dit mailadres en onderstaand (mobiel) telefoonnummer. Ik hoop op uwmedewerking!Vriendelijke groeten,Loes HuismanRecherchekundige i.o.Politie Amsterdam-AmstellandBureau Districtsrecherche Zuid53 Politie Amsterdam-Amstelland