Verkleinwoorden
Lees de zinnen. In iedere zin is er een woord schuin gezet. Maak dit woord
kleiner. Kijk eerst naar het voorbeeld.
1. De juffrouw schrijft een woord op het bord. woordje
2. Op de tak van die boom zit een grote vogel. …………………………….
3. Broer heeft het eten klaar gemaakt. …………………………….
4. De boer heeft nog maar een klomp. …………………………….
5. De bloemen stonden in een mooie vaas. …………………………….
6. In de appel zit een dikke worm. …………………………….
7. Door het open raam schijnt de zon naar binnen. …………………………….
8. De vlinder heeft veel mooie kleuren. …………………………….
9. Hij sneed zich gisteren in zijn vinger. …………………………….
10. Na het ontbijt at hij een lekkere appel. …………………………….
Verklein de woorden en schrijf de verkleinwoorden in de juiste kolom. Let
goed op bij de laatste kolom!
emmer muis hond deur duim kom molen riem
bel rok kamer kam boek bloem
hamer bank kan brief pluim vogel boom
-je -tje -pje -etje
www.juf-hannah.nl
Persoonsvorm en onderwerp
1) Weet je het nog?
• Schrijf twee manieren op om de persoonsvorm in een zin te vinden.
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………
• Hoe kun je het onderwerp vinden in de zin? Schrijf één manier op.
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………
2) En nu aan de slag!
a) Zet een rode streep onder de persoonsvorm.
b) Zet een blauwe streep onder het onderwerp.
1. Vind je het moeilijk om het onderwerp te vinden?
2. Vaak staat het onderwerp naast de persoonsvorm.
3. Je moet dan wel eerst de persoonsvorm vinden.
4. De persoonsvorm is altijd maar één woord.
5. Het onderwerp kan soms erg lang zijn.
6. Kinderen in groep zes, zeven en acht moeten deze les goed kunnen maken.
7. Jullie hebben vaker lessen over het onderwerp en de persoonsvorm gemaakt.
8. De leraren van jullie school hebben dit vast vaak met jullie geoefend.
9. Of is dit de eerste keer dat je zo’n lesje maakt?
10. Die vorige zin was best lastig.
www.juf-hannah.nl
Breuken
Hieronder zie je allemaal taarten. Je wilt van elke taart een
stuk kopen. Maar… hoeveel kost dat dan? Als je niet de hele
taart koopt, betaal je natuurlijk ook niet het hele bedrag!
De hele taart kost €18,-
Hoeveel kost 1 stuk? €……,……
Hoeveel kosten 4 stukken? €……,……
De hele taart kost €12,-
Hoeve el kost 1 stuk? €……,……
Hoeveel kosten 3 stukken? €……,……
De hele taart kost €11,-
Hoeveel kost 1 stuk? €……,……
Hoeveel kosten 5 stukken? €……,……
De hele taart kost €15,-
Hoeveel kost 1 stuk? €……,……
Hoeveel kosten 4 stukken? €……,……
Reken uit hoeveel het kost. Als het nodig is teken je de stukken in de taart.
De hele taart kost €12,-
Hoeveel kost  deel? €……,……
Hoeveel kost ¼ deel? €……,……
Hoeveel kost ¾ deel? €……,……
www.juf-hannah.nl
Hoofdrekenen
13 + 2 =
58 − 7 =
63 + 1 =
76 − 1 =
61 + 7 =
40 − 5 =
81 + 6 =
87 − 2 =
70 + 8 =
77 − 2 =
24 + 6 =
48 − 2 =
86 + 1 =
59 − 5 =
82 + 8 =
37 − 5 =
44 + 3 =
58 − 3 =
80 + 3 =
57 − 6 =
42 + 3 =
14 − 2 =
33 + 2 =
48 − 4 =
23 + 7 =
69 − 8 =
81 + 6 =
86 − 6 =
56 + 2 =
68 − 5 =
51 + 9 =
23 − 3 =
15 + 2 =
17 − 4 =
14 + 3 =
27 − 4 =
72 + 5 =
43 − 2 =
63 + 4 =
40 − 4 =
83 + 6 =
19 − 4 =
65 + 5 =
60 − 5 =
50 + 6 =
67 − 6 =
60 + 1 =
54 − 4 =
86 + 1 =
28 − 7 =
66 + 3 =
60 − 7 =
74 + 6 =
78 − 2 =
31 + 6 =
29 − 4 =
85 + 4 =
60 − 4 =
52 + 4 =
35 − 1 =
24 + 3 =
64 − 4 =
14 + 3 =
48 − 8 =
78 + 1 =
37 − 1 =
72 + 6 =
96 − 1 =
11 + 7 =
34 − 4 =
51 + 2 =
90 − 6 =
44 + 3 =
34 − 2 =
25 + 2 =
58 − 3 =
10 + 8 =
67 − 3 =
76 + 2 =
35 − 4 =
63 + 2 =
27 − 5 =
82 + 8 =
23 − 2 =
61 + 5 =
58 − 3 =
30 + 8 =
85 − 3 =
20 + 1 =
46 − 1 =
31 + 3 =
96 − 4 =
82 + 1 =
13 − 2 =
82 + 7 =
24 − 1 =
34 + 5 =
47 − 7 =
23 + 4 =
24 − 1 =
Rekenen met de euro
Er wordt een buurtfeest gehouden. Je kunt er spelletjes doen en drinken met
iets lekkers kopen.
www.juf-hannah.nl
Som 1 Reken uit hoeveel het kost
aantal koeken 1 2 5 10 15
Prijs € 0,20 € € € €
Plakken cake 1 2 5 10 15
Prijs € 0,40 € € € €
Glazen limonade 1 2 5 10 15
Prijs € 0,70 € € € €
som 2 Hoeveel kost het?
a. Alex krijgt van zijn moeder € 2, 00. Hij wil blik werpen, steltlopen en
grabbelen.
Kan hij dat betalen?
Hoeveel geld heeft hij precies nodig?
Hoeveel geld houdt hij over of hoeveel komt hij tekort?
b. Siska krijgt € 2,50. Zij wil zich laten schminken en ze wil blik werpen,
steltlopen en touwtje trekken.
Kan zij dat betalen?
Hoeveel geld heeft zij precies nodig?
Hoeveel geld houdt ze over of komt ze tekort?
c. José krijgt € 1,50 van haar oma. Ze wil grabbelen en touwtje trekken.
Kan ze dat betalen?
Hoeveel geld heeft ze precies nodig?
Hoeveel houdt ze over of komt ze tekort?
som 3 Zelf iets kopen
Je krijgt € 2,50. Je mag daarvoor snoep uitzoeken. Maak een lijstje van de
dingen die je koopt. Probeer zo dicht mogelijk bij € 2,50 te komen.
www.juf-hannah.nl
blik werpen € 0,50
schminken € 1,00
steltlopen € 0,40
grabbelen € 0,60
touwtje trekken € 0,70
___________________________________________
___________________________________________
___________________________________________
___________________________________________
___________________________________________________________________
___________________
___________________________________________________________________
___________________
www.juf-hannah.nl
Softijsje € 0,70
Waterijsje € 0,35
Lolie € 0,16
Poederdip € 0.11
Minisnoepjes € 0,09
Zuur matje € 0,07
Schuimblok € 0,05
Spek € 0,05
Kauwgombal € 0,02
___________________________________________
___________________________________________
___________________________________________
___________________________________________
___________________________________________________________________
___________________
___________________________________________________________________
___________________
www.juf-hannah.nl
Softijsje € 0,70
Waterijsje € 0,35
Lolie € 0,16
Poederdip € 0.11
Minisnoepjes € 0,09
Zuur matje € 0,07
Schuimblok € 0,05
Spek € 0,05
Kauwgombal € 0,02

taal en reken oefenstof

  • 1.
    Verkleinwoorden Lees de zinnen.In iedere zin is er een woord schuin gezet. Maak dit woord kleiner. Kijk eerst naar het voorbeeld. 1. De juffrouw schrijft een woord op het bord. woordje 2. Op de tak van die boom zit een grote vogel. ……………………………. 3. Broer heeft het eten klaar gemaakt. ……………………………. 4. De boer heeft nog maar een klomp. ……………………………. 5. De bloemen stonden in een mooie vaas. ……………………………. 6. In de appel zit een dikke worm. ……………………………. 7. Door het open raam schijnt de zon naar binnen. ……………………………. 8. De vlinder heeft veel mooie kleuren. ……………………………. 9. Hij sneed zich gisteren in zijn vinger. ……………………………. 10. Na het ontbijt at hij een lekkere appel. ……………………………. Verklein de woorden en schrijf de verkleinwoorden in de juiste kolom. Let goed op bij de laatste kolom! emmer muis hond deur duim kom molen riem bel rok kamer kam boek bloem hamer bank kan brief pluim vogel boom -je -tje -pje -etje www.juf-hannah.nl
  • 2.
    Persoonsvorm en onderwerp 1)Weet je het nog? • Schrijf twee manieren op om de persoonsvorm in een zin te vinden. ………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………………………………………… • Hoe kun je het onderwerp vinden in de zin? Schrijf één manier op. ………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………………………………………… 2) En nu aan de slag! a) Zet een rode streep onder de persoonsvorm. b) Zet een blauwe streep onder het onderwerp. 1. Vind je het moeilijk om het onderwerp te vinden? 2. Vaak staat het onderwerp naast de persoonsvorm. 3. Je moet dan wel eerst de persoonsvorm vinden. 4. De persoonsvorm is altijd maar één woord. 5. Het onderwerp kan soms erg lang zijn. 6. Kinderen in groep zes, zeven en acht moeten deze les goed kunnen maken. 7. Jullie hebben vaker lessen over het onderwerp en de persoonsvorm gemaakt. 8. De leraren van jullie school hebben dit vast vaak met jullie geoefend. 9. Of is dit de eerste keer dat je zo’n lesje maakt? 10. Die vorige zin was best lastig. www.juf-hannah.nl
  • 3.
    Breuken Hieronder zie jeallemaal taarten. Je wilt van elke taart een stuk kopen. Maar… hoeveel kost dat dan? Als je niet de hele taart koopt, betaal je natuurlijk ook niet het hele bedrag! De hele taart kost €18,- Hoeveel kost 1 stuk? €……,…… Hoeveel kosten 4 stukken? €……,…… De hele taart kost €12,- Hoeve el kost 1 stuk? €……,…… Hoeveel kosten 3 stukken? €……,…… De hele taart kost €11,- Hoeveel kost 1 stuk? €……,…… Hoeveel kosten 5 stukken? €……,…… De hele taart kost €15,- Hoeveel kost 1 stuk? €……,…… Hoeveel kosten 4 stukken? €……,…… Reken uit hoeveel het kost. Als het nodig is teken je de stukken in de taart. De hele taart kost €12,- Hoeveel kost  deel? €……,…… Hoeveel kost ¼ deel? €……,…… Hoeveel kost ¾ deel? €……,…… www.juf-hannah.nl
  • 4.
    Hoofdrekenen 13 + 2= 58 − 7 = 63 + 1 = 76 − 1 = 61 + 7 = 40 − 5 = 81 + 6 = 87 − 2 = 70 + 8 = 77 − 2 = 24 + 6 = 48 − 2 = 86 + 1 = 59 − 5 = 82 + 8 = 37 − 5 = 44 + 3 = 58 − 3 = 80 + 3 = 57 − 6 = 42 + 3 = 14 − 2 = 33 + 2 = 48 − 4 = 23 + 7 = 69 − 8 = 81 + 6 = 86 − 6 = 56 + 2 = 68 − 5 = 51 + 9 = 23 − 3 = 15 + 2 = 17 − 4 = 14 + 3 = 27 − 4 = 72 + 5 = 43 − 2 = 63 + 4 = 40 − 4 = 83 + 6 = 19 − 4 = 65 + 5 = 60 − 5 = 50 + 6 = 67 − 6 = 60 + 1 = 54 − 4 = 86 + 1 = 28 − 7 = 66 + 3 = 60 − 7 = 74 + 6 = 78 − 2 = 31 + 6 = 29 − 4 = 85 + 4 = 60 − 4 = 52 + 4 = 35 − 1 = 24 + 3 = 64 − 4 = 14 + 3 = 48 − 8 = 78 + 1 = 37 − 1 = 72 + 6 = 96 − 1 = 11 + 7 = 34 − 4 = 51 + 2 = 90 − 6 = 44 + 3 = 34 − 2 = 25 + 2 = 58 − 3 = 10 + 8 = 67 − 3 = 76 + 2 = 35 − 4 = 63 + 2 = 27 − 5 = 82 + 8 = 23 − 2 = 61 + 5 = 58 − 3 = 30 + 8 = 85 − 3 = 20 + 1 = 46 − 1 = 31 + 3 = 96 − 4 = 82 + 1 = 13 − 2 = 82 + 7 = 24 − 1 = 34 + 5 = 47 − 7 = 23 + 4 = 24 − 1 = Rekenen met de euro Er wordt een buurtfeest gehouden. Je kunt er spelletjes doen en drinken met iets lekkers kopen. www.juf-hannah.nl
  • 5.
    Som 1 Rekenuit hoeveel het kost aantal koeken 1 2 5 10 15 Prijs € 0,20 € € € € Plakken cake 1 2 5 10 15 Prijs € 0,40 € € € € Glazen limonade 1 2 5 10 15 Prijs € 0,70 € € € € som 2 Hoeveel kost het? a. Alex krijgt van zijn moeder € 2, 00. Hij wil blik werpen, steltlopen en grabbelen. Kan hij dat betalen? Hoeveel geld heeft hij precies nodig? Hoeveel geld houdt hij over of hoeveel komt hij tekort? b. Siska krijgt € 2,50. Zij wil zich laten schminken en ze wil blik werpen, steltlopen en touwtje trekken. Kan zij dat betalen? Hoeveel geld heeft zij precies nodig? Hoeveel geld houdt ze over of komt ze tekort? c. José krijgt € 1,50 van haar oma. Ze wil grabbelen en touwtje trekken. Kan ze dat betalen? Hoeveel geld heeft ze precies nodig? Hoeveel houdt ze over of komt ze tekort? som 3 Zelf iets kopen Je krijgt € 2,50. Je mag daarvoor snoep uitzoeken. Maak een lijstje van de dingen die je koopt. Probeer zo dicht mogelijk bij € 2,50 te komen. www.juf-hannah.nl blik werpen € 0,50 schminken € 1,00 steltlopen € 0,40 grabbelen € 0,60 touwtje trekken € 0,70
  • 6.
  • 7.