- 1 -
- 2 -
Voorwoord
Dit onderzoek heb ik uitgevoerd in het kader van mijn afstudeeropdracht voor de duale opleiding
Milieukunde bij Hogeschool Utrecht,welke ik in de periode van 2011 tot 2015 heb gevolgd.
De doelgroep van dit onderzoek is de grond-, weg- en waterbouwsector (GWW) in algemene zin, maar
met name veldwerkers die bij milieuadviesbureaus werken en daarbij werkzaamheden uitvoeren in een
'mogelijk' verontreinigde bodem. Het onderzoek is bruikbaar voor brancheorganisaties en de
regelgevers voor milieu- en arbeidsomstandigheden (Ministerie van Infrastructuur en Milieu en
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid). Tevens is dit onderzoek bruikbaar voor
veiligheidskundigen bij de advisering van bedrijven, die werken met een verontreinigde bodem.
Ik ben sinds 2009 actief in het werkveld rondom verontreinigde bodems en bodemsaneringen, in de
functie van veldwerker bij drie verschillende milieuadviesbureaus. Tijdens mijn werkzaamheden werd
duidelijk dat de verschillende milieuadviesbureaus en diverse collega's waarmee ik heb mogen
samenwerken,de veiligheid- en gezondheidsrisico's anders benaderen. Tijdens mijn werkzaamheden
werd duidelijk dat de GWW-sector er vanuit gaat dat grond, die schoon is voor de volksgezondheid
('milieu'), ook schoon is voor de veldwerker ('arbo').
Veldwerkers die gaan werken met verontreinigde bodem, moeten door hun werkgevers beschermd
worden tegen gezondheidsrisico's. De milieuadviesbureaus bepalen zelf welke beschermingsmiddelen
de veldwerker moeten dragen op basis van historisch vooronderzoek. Ik ben van mening dat het huidig
bodeminstrumentarium, onvoldoende stuurt op gezondheidsrisico's die de veldwerker kan lopen, door
blootstelling van chemische stoffen gedurende het uitvoeren van bodemonderzoek. Er is geen risico
gestuurde aanpak ten aanzien van de blootstelling van de veldwerker tijdens zijn/haar werkzaamheden.
Dit was voor mij de aanleiding om dit nader te onderzoeken.
Mijn dank gaat uit naar Hans Hofmeester van Grondslag B.V, die als arbeidshygiënist mij intensief
heeft begeleid tijdens het afstudeeronderzoek. Tevens wil ik het RIVM,in specifieke zin Ellen Brand
en Piet Otten, bedanken voor het ter beschikking stellen van het blootstellingsmodel CSOIL2000 en de
ondersteuning in de mogelijkheden binnen het blootstellingsmodel. Mijn dank gaat uit naar Jaap
Meulstee, die het afstudeeronderzoek kritisch heeft kunnen beoordelen op aanpassingen in zinsbouw
en spelling. Mijn dank gaat uit naar Laurens Steijn en Roger Klaver die mij intensief hebben begeleid
in het aanbrengen van structuur en het leesbaar maken van het afstudeeronderzoek. Uiteraard bedank
ik ook mijn naaste vrienden en familie die mij hebben geholpen bij het schrijven en beoordelen van
het afstudeeronderzoek.
- 3 -
Samenvatting
Aanleiding
De CROW 132 geeft geen specifieke verplichtingen tot het nemen van veiligheidsmaatregelen, wanneer er
redelijkerwijs geen aanleiding is om een bodemverontreiniging te verwachten. De milieuadviesbureaus
bepalen zelfstandig, welke beschermingsmiddelen de veldwerker moeten dragen op basis van uitgevoerd
historisch vooronderzoek. Wanneer er in deze situatie toch een zintuiglijk afwijking wordt waargenomen
door de veldwerker, kan de CROW 132 niet sturen op een te volgen werkwijze en het nemen van
aanvullende veiligheidsmaatregelen. De CROW 132 stuurt echter welaan op volledige bescherming van
veiligheid- en gezondheidsrisico’s, wanneer de bodemkwaliteit onbekend is, of over te gaan tot maatregelen
wanneer uit historisch vooronderzoek of eerdere bodemonderzoek de bodemkwaliteit bekend is. In de
praktijk wordt het historisch vooronderzoek beperkt uitgevoerd en gaat men meestal af op de bronnen van
de opdrachtgever van het verkennend bodemonderzoek.
Doelstelling en centrale vraagstelling
Het doel van dit onderzoek is de veldwerker voldoende te beschermen tijdens de werkzaamheden, zodat er
geen blootstellingsrisico is. Hiervoor is het van belang dat de veldwerker nooit een overmaat aan
bescherming draagt, maar zeker niet te weinig beschermd wordt. Er moet per situatie worden bekeken
welke bescherming of meetstrategie aan blootstellingsrisico nodig is.
De centrale vraagstelling is:
Hoe kan een veldwerker optimaal worden beschermd tegen chemische stoffen zonder dat een overmaat aan
bescherming ontstaat?
Onderzoek
Middels een literatuuronderzoek is onderzoek verricht naar de werkzaamheden, handelswijze,
omgevingsgebieden en blootstellingsroutes van de veldwerker tijdens het uitvoeren van het verkennend
bodemonderzoek. De huidige methode, van het beoordelen van blootstelling aan personen, tijdens het
verkennend bodemonderzoek is onderzocht.
Resultaten
Uit onderzoek is gebleken de huidige beoordelingssystematiek van blootstelling aan chemische stoffen in
de bodem, onvoldoende aansluit bij de situatie van de veldwerkers. Het is niet mogelijk om een
voorspellende waarde te kunnen hebben voor blootstellingsrisico's voorafgaand en tijdens werkzaamheden
met een verontreinigde bodem. Door gebruik te maken van de onderzoeksgegevens is door de auteur een
standaardpakket PBM (persoonlijk beschermingsmiddel), werkwijze ten aanzien van het aantreffen van
zintuiglijke afwijking in de bodem en een flowschema om op te schalen in PBM-pakketten ontwikkeld. Het
standaardpakket PBM is preventief bedoeld voor het wegnemen en verminderen van de kans op het
activeren van blootstellingsroutes, ongeacht de bodemkwaliteit. Het standaardpakket PBM biedt optimale
bescherming zonder dat een overmaat aan bescherming ontstaat. Het flowschema ten aanzien van een
zintuiglijke afwijking in de bodem is risico gestuurd en geeft direct aan welke maatregelen in PBM of het
verrichten van metingen aan blootstelling de veldwerker dient te nemen. Het flowschema om op te schalen
in PBM-pakketten geeft de veldwerker de mogelijkheid om de gezondheid te waarborgen tijdens de
werkzaamheden in de bodem.
Uit onderzoek is gebleken dat het rekenmodel CSOIL2000 van het RIVM (Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieu), dat is ontworpen voor het beoordelen van de blootstelling aan personen, niet
geschikt is voor de werksituatie van de veldwerker. Het rekenmodel CSOIL2000 rekent met waardes die
van toepassing zijn op de 'wonende' mens. Door gebruik te maken van de onderzoekgegevens is door de
auteur, in samenspraak met het RIVM, een nieuw blootstellingsscenario ‘veldwerker’ samengesteld. Het
nieuwe blootstellingsscenario bevat enkel parameters en blootstellingsroutes, die van toepassing kunnen
zijn voor het werken als veldwerker bij een milieuadviesbureau. Het nieuwe blootstellingsscenario
‘veldwerker’ laat zien dat er geen blootstellingsrisico is aan chemische stoffen in de bodem. Er zal
preventief moeten worden gestuurd op de blootstellingsroutes ingestie van grond en dermaal contact met
gronddeeltjes buiten om geen blootstellingsrisico te blijven houden. Hierdoor kan CSOIL2000 niet alleen
gebruikt worden van 'omwonenden' maar ook voor professionele werkzaamheden in en met een
verontreinigde bodem.
- 4 -
Conclusie
 Tijdens werkzaamheden in een verontreinigde bodem door de veldwerker zijn de
blootstellingsroutes ingestie van grond, dermaal contact met gronddeeltjes, inhalatie van
gronddeeltjes en inhalatie van vluchtige dampen/gassen van toepassing. Elke andere
blootstellingsroute, die geldend is voor personen in een woonsituatie, is niet van toepassing in de
werksituatie van de veldwerker.
 De onvoorspelbaarheid van de blootstelling bij werkzaamheden in een verontreinigde bodem is een
belangrijke onzekere factor voor het schatten van blootstellingsrisico's voor veldwerkers. Vanwege
de onvoorspelbaarheid van blootstelling is een werkwijze met metingen van actuele blootstelling
bij veldwerkers, vooral voor vluchtige chemische stoffen uit de bodem, belangrijk.
 De blootstellingsroutes dermaal contact met bodemdeeltjes binnen, inhalatie van dampen binnen,
consumptie van verontreinigde groenten en contact met verontreinigd drinkwater zorgen er voor
dat in het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' een blootstellingsrisico optreedt bij de stoffen
kobalt en PCB-28 bij een concentratie die geldt voor de 95 percentiel humus- en lutumwaarde in
Nederland.
 De veldwerker heeft tijdens zijn werkzaamheden in het verkennend bodemonderzoek geen
blootstellingsrisico aan chemische stoffen uit het standaardanalysepakket AS3000 bij een
concentratie die geldt voor de 95 percentiel humus en lutumwaarde in Nederland.
 Een veldwerker die zich niet beschermd tegen de blootstellingsroutes ingestie van grond, dermaal
contact met bodemdeeltjes, inhalatie van bodemdeeltjes en inhalatie van gassen/dampen, zal leiden
tot wijzigingen van diverse parameters in het blootstellingsmodel CSOIL2000. Er zal een toename
van het risico-index plaatsvinden en daarmee een verhoogd risico op gezondheidsklachten op korte
en/of lange termijn.
 Door het verplicht stellen van een standaardpakket PBM in de CROW 132 tijdens het uitvoeren
van bodemonderzoek, ongeacht de bodemkwaliteit is de veldwerker optimaal beschermd tegen
chemische stoffen in de bodem, zonder dat een overmaat aan bescherming wordt gehanteerd. De
ontworpen werkwijze bij zintuiglijke afwijkingen en het flowschema voor het opschalen in PBM-
pakketten helpt de veldwerker bij onvoorziene blootstellingsrisico's tijdens werkzaamheden in het
bodemonderzoek.
Aanbevelingen
 De CROW 132 dient de veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van blootstellingsrisico’s bij
veldwerkers passend te maken door een eenduidige passage op te nemen. De
veiligheidsmaatregelen dienen niet meer te worden genomen op basis van verwachte
bodemkwaliteit of historisch vooronderzoek, maar op het preventief voorkomen van blootstelling
via de blootstellingsroutes van de veldwerker.
 Er moet een nieuw blootstellingsscenario 'veldwerker’ door het RIVM in CSOIL2000 worden
opgenomen, voor mensen die als professional bloot worden gesteld aan chemische stoffen vanuit
de bodem.
 Het RIVM moet in het blootstellingsmodel CSOIL2000 alle parameters toegankelijk maakt om
wijzigingen in aan te brengen, zodat een valide blootstelling kan worden berekend.
 De bodemadviesbureaus, ingenieursbureaus en andere branchegenoten uit de milieusector moeten
meer tijd besteden om veldwerkers te overtuigen 'netjes' en 'hygiënisch' te werken. Door in te
spelen op het gedrag en houding van de veldwerker kunnen veel blootstellingsrisico’s worden
verkleind en niet meer optreden.
 Onderhavig onderzoek uit te breiden met een praktijkonderzoek, omdat dit enkel een
literatuurstudie en modellering betreft. Het toepassen van het standaardpakket PBM en de
flowschema's dienen in de praktijk te worden getoetst op fouten en zwakten.
 De resultaten uit dit onderzoek niet alleen te gebruiken voor veldwerkers, maar ook voor andere
werknemers, die intensief bezig zijn met werkzaamheden in en met de bodem (bouwrijp maken,
proefboren, grondverzet, leggen van kabels en leidingen, bouwen van kunstwerken, straten maken,
groothandelaar zand en grond).
- 5 -
Inhoudsopgave
Samenvatting – 3
1. Inleiding – 6
1.1 Leeswijzer – 6
2.Aanleiding en doel – 7
2.1 Aanleiding – 7
2.2 Doelstelling – 7
2.3 Hoofdvraag – 7
3. Onderzoeksmethode – 8
3.1 Interne enquête Grondslag B.V. – 8
3.2 Literatuuronderzoek – 8
3.2.1 CROW 132 ‘werken in en met verontreinigde grond en verontreinigd
(grond)water – 8
3.2.2 Werkzaamheden van de veldwerker – 13
3.2.3 Omgevingsfactoren en werkterreinen van de veldwerker – 15
3.3 Blootstellingsroutes – 17
3.3.1 Blootstellingsroutes algemeen – 17
3.3.2 Blootstellingsroute van de veldwerker – 18
3.3.3 Eliminatie van blootstellingsroutes bij de veldwerker – 19
3.3.4 Indirecte blootstellingsroutes van de veldwerker – 20
3.4. Berekenen van blootstelling in CSOIL2000 – 21
3.4.1 Berekenen van blootstelling in blootstellingsscenario ‘wonen met tuin – 22
3.4.2 Nieuw te vormen blootstellingsscenario ‘veldwerker’– 24
3.4.3 Gevoeligheidsanalyse CSOIL2000 – 27
4. Resultaten – 28
4.1 Resultaten interne enquête – 28
4.2 Resultaten literatuuronderzoek – 28
4.3 Resultaten blootstellingsroutes – 29
4.3.1 Invulling standaardpakket PBM – 29
4.3.2 Opschalen in PBM-pakketten – 30
4.4 Resultaten berekenen van blootstelling – 31
4.4.1 Gevoeligheidsanalyse CSOIl2000 - 32
5. Conclusie en aanbevelingen – 38
5.1 Conclusie – 38
5.2 Aanbevelingen - 38
Bijlage I Uitslag beknopte Enquête Grondslag B.V. februari 2014
Bijlage II Beschrijving van handelingen van de veldwerker in BRL-protocollen
Bijlage III Boorgereedschappen van de veldwerker
Bijlage IV Beschrijving van werkterreinen
Bijlage V Beleidsmatige keuze blootstellingsscenario's
Bijlage VI Werkwijze verrichten van luchtkwaliteitsmetingen bij zintuiglijke afwijkingen
Bijlage VII Flowschema aanvullende pakketten PBM
Bijlage VIII Uitwerking van beoordeling van blootstellingsroutes in blootstellingsscenario ‘wonen met
tuin’ en het nieuw te vormen blootstellingsscenario ‘werken met verontreinigd grond’ in
CSOIL2000
Bijlage IX Gevoeligheidsanalyse parameter dagelijkse inname 'AIDa' in CSOIL2000
Bijlage X Gevoeligheidsanalyse parameter blootstelling door bodem, buiten, volwassene 'TBao' in
CSOIL2000
Bijlage XI Gevoeligheidsanalyse parameter inhalatieperiode, buiten, volwassene 'TIao' in
CSOIL2000
Bijlage XII Gevoeligheidsanalyse parameter hoeveelheid zwevende deeltjes in lucht 'TSPo' in
CSOIL2000
- 6 -
1. Inleiding
Grenzen spelen een belangrijke rol in ons leven. Ons leven zelf is begrensd. De eerste grens van ons
leven ligt bij de bevruchting, gevolgd door een wonderbaarlijk groeiproces. De laatste grens is onze
dood. Grenzen zijn belangrijk voor alle levensvormen. Er zijn grenzen die houvast geven en grenzen
die beperken. Grenzen die bepalen of iets of iemand zich binnen een samenleving bevindt of juist
daarbuiten. Aan de andere kant van de grens bevindt zich iets anders (anders zou er geen sprake zijn
van een grens). Soms is het lastig om over een grens te gaan. Soms stap je er zo maar overheen alsof
die er niet is. Zonder grenzen zijn de mogelijkheden eindeloos. Er zijn grenzen die bestaan uit tijd of
plaats. Er zijn echter ook onzichtbare grenzen, die alleen in gedachten bestaan.
Elke grens is discutabel, zolang mensen verschillende meningen hebben. De grens met de ‘meeste
stemmen’wordt over het algemeen aanvaard. Op dit moment wordt binnen de wereld van het werken
met of in verontreinigde grond gewerkt,conform de systematiek, zoals beschreven in CROW
publicatie 132 en AI blad 22. Blijf je binnen de grenzen van die publicaties, speel je 'op safe'. Begeef
je je buiten die grens dan zijn de mogelijkheden eindeloos, maar bevind je je in niemandsland. Om
nieuwe grenzen te trekken zijn mensen nodig die gezamenlijk staan achter een nieuwe grens, anders
wordt het gebied buiten de grens niemandsland. Ik ben van plan over de grens van die publicaties heen
te stappen en nieuwe grenzen neer te zetten. Wie heeft er zin om mee te gaan?
Voor u ligt het uitgevoerde onderzoek naar de werkzaamheden van de veldwerker in relatie tot het
nemen van maatregelen, op basis van blootstellingsrisico’s, tijdens het uitvoeren van werkzaamheden
in verontreinigde grond.
In het hierna volgende rapport is middels literatuuronderzoek en een interview met het RIVM, een
uitgebreide scan gemaakt. Deze scan bevat onderdelen van de huidige wetgeving op het nemen van
maatregelen, werkzaamheden, werkterreinen,blootstellingsroutes en beoordeling van blootstelling van
de veldwerker.
1.1 Leeswijzer
In het hierna volgende hoofdstuk (H2) wordt de aanleiding en het doel van het onderzoek uiteengezet..
In hoofdstuk 3 wordt onderzoek verricht op de huidige wetgeving, de werkzaamheden,de
werkterreinen, de blootstellingsroutes en het berekenen van blootstelling van veldwerkers. In
hoofdstuk 4 worden de resultaten van het uitgevoerde literatuuronderzoek en modellering
weergegeven. De conclusie en aanbevelingen staan in hoofdstuk 5, gevolgd door de bijlagen.
- 7 -
2. Aanleiding en doel
2.1 Aanleiding
Explorerend onderzoek
De veldwerkers, die werkzaam zijn binnen Grondslag B.V., geven met regelmaat aan dat volgens hen
de veiligheids- en beschermende maatregelen die genomen dienen te worden, volgens publicatie 132
van de CROW,soms overmatig en soms juist onvoldoende zijn om goede bescherming te bieden.
Er wordt een interne enquête gehouden over het nemen van maatregelen op het gebied van veiligheid
en gezondheid onder de veldwerkers van Grondslag B.V.
Milieubranche
Via arbeidshygiënist Hans Hofmeester (Grondslag B.V.) ben ik gewezen op een discussieplatform
binnen de netwerksite voor professionals, LinkedIn(1)
. Diverse personen discussiëren over de
bescherming van grondwerkers tegen chemische stoffen in de bodem. De discussie wordt gevoed door
allerlei personen die werkzaam zijn als hogere veiligheidskundige (HVK),zelfstandig
veiligheidsadviseur of als inspecteur bij de Arbeidsinspectie. In de discussie worden
literatuuronderzoek, documenten en referenties geplaatst over de veiligheids- en
beschermingsmaatregelen die genomen dienen te worden bij werkzaamheden met een verontreinigde
bodem. Dikwijls is hierbij CROW 132 onderwerp van gesprek. Doordat verschillende personen in hun
werkfunctie, de discussie voeden en bij verschillende bedrijven of instellingen werken, maak ik op dat
het probleem van het nemen van maatregelen bij het werken in een verontreiniging leeft in de
milieubranche.
Evaluatierapport RIVM
Via de LinkedIn-discussie ‘werken met verontreinigd grond’ word ik getriggerd tot het lezen van een
evaluatierapport(2)
van het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu). In dit
evaluatierapport wordt de conclusie getrokken dat de bestaande bodemnormen niet geschikt zijn om
gezondheidsrisico’s voor werkende mensen te bepalen. Wellicht is het door middel van het uitvoeren
van literatuuronderzoek dit in de toekomst welmogelijk.
Persoonlijke ervaring
Naast de hierboven genoemde aanleidingen heb ik zelf ook ervaren dat er onduidelijkheden zijn op het
gebied van beschermingsmaatregelen tijdens mijn eigen werkzaamheden als veldwerker. Dit is de
reden waarom ik mijn afstudeeronderzoek op het gebied van veiligheid- en gezondheidsrisico’s en de
te nemen maatregelen voor veldwerkers bij milieuadviesbureau wil uitvoeren.
2.2 Doelstelling
Het doel van dit onderzoek is de veldwerker voldoende te beschermen tijdens de werkzaamheden,
zodat er geen blootstellingsrisico is. Daarbij moet men de veldwerker niet onnodig teveelbescherming
laten dragen. Er moet per situatie worden bekeken welke bescherming of meetstrategie aan
blootstellingsrisico nodig is.
2.3 Hoofdvraag
Hoe kan een veldwerker optimaal worden beschermd tegen chemische stoffen zonder dat een overmaat
aan bescherming ontstaat?
(1) LinkedIn-discussie, Werken met verontreinigde grond, -wateren waterbodem, https://www.linkedin.com/grp/home?gid=3634917,
geraadpleegd14 februari 2015 enopvolgend.
(2) J. Wezenbeeket al, Evaluatie van de toepassingvanhet bodeminstrumentariumvoorhet beoordelenvanarbeidsrisico's van het werken
met verontreinigde bodem, RIVM, 2014, rapport nr.320002004/2013
- 8 -
3. Onderzoeksmethode
Om de doelstelling te bereiken en de hoofdvraag te kunnen beantwoorden zal zich dit onderzoek
richten op de werkzaamheden, werkterreinen, blootstellingsroutes en beoordeling van blootstelling van
de veldwerker tijdens het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek. Er wordt enkel gekeken
naar de blootstelling die de veldwerker kan krijgen tijdens zijn werkzaamheden. De blootstelling die
de veldwerker naast zijn werkzaamheden,zoals werken in de tuin of inname van chemische stoffen in
de kind-fase worden niet meegenomen.
3.1 Interne enquête Grondslag B.V.
De veldwerkers, die werkzaam zijn binnen Grondslag B.V., geven met regelmaat aan dat volgens hen
de veiligheids- en beschermende maatregelen die genomen dienen te worden, volgens publicatie 132
van de CROW,soms overmatig en soms juist onvoldoende zijn om goede bescherming te bieden.
De interne enquête bevat twee vragen over de invulling van de veiligheidsmaatregelen tijdens het
werken in een verontreinigde bodem. De vragen komen voort uit de huidige invulling van de
veiligheidsmaatregelen in de CROW 132. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de maatregelen in de
basisklasse en maatregelen met een T en F-klasse aanduiding. Omdat de twee vragen generalisaties
betreffen, worden er twee vragen gesteld in hoeveel procent van de gevallen het gegeven antwoord
voorkomt. De vragen kunnen worden beantwoordt door middel van een multiplechoice antwoord.
Indien van toepassing kan er uitleg worden gegeven op het multiplechoice antwoord door de
veldwerker.
De vragen zijn via de e-mail verspreid onder de 16 veldwerkers van Grondslag B.V. Ondanks dat het
aantal ondervraagden klein is, wordt de uitkomst van de interne enquête als valide beschouwd voor
veldwerkers binnen Nederland. De antwoorden uit de interne enquête worden geëvalueerd.
De resultaten van de interne enquête zijn te vinden in hoofdstuk 4.1.
3.2 Literatuuronderzoek
3.2.1 CROW 132 'Werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water'
De bestaande norm publicatie 132 'werken in verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water' van
de CROW (kennisplatform voor infrastructuur, verkeer,vervoer en openbare ruimte) zorgt voor het
nemen van veiligheids- en gezondheidsaspecten bij het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek.
De informatie is van belang voor het beantwoorden van de hoofdvraag, omdat de bestaande wet- en
regelgeving een goede basis is om te weten wat overbodig is en wat er ontbreekt. De informatie komt
voor uit literatuuronderzoek. Het literatuuronderzoek bestaat uit het bestuderen van de CROW 132(1)
.
De resultaten van het literatuuronderzoek zijn te vinden in hoofdstuk 4.2.
Bodemonderzoek
In hoofdstuk 3 van de CROW 132 wordt aandacht geschonken aan het bodemonderzoek. Het
bodemonderzoek moet de gegevens opleveren, die nodig zijn om de arbeidshygiënische risico's en de
veiligheidsklasse T&F-klasse te kunnen bepalen. Tijdens het bodemonderzoek moeten de aard, de
omvang en de concentraties van mogelijk aanwezig verontreinigingen in de bodem worden vastgelegd.
Om uitsluitsel te krijgen over het risico van blootstelling aan toxische stoffen of het ontstaan van
brandbare en/of explosieve damp/luchtmengsels, is het noodzakelijk te weten wat het effect van de
chemische stoffen is en hoe groot de kans is op een negatief effect.
(1) CROW 132,'Werken in ofmet verontreinigdgronden verontreinigd(grond)water,CROW, december 2008,4de druk, ISBN 978 90 6628
528 6
- 9 -
Historisch vooronderzoek
De CROW 132(1)
refereert in hoofdstuk 3.2 aan het uitvoeren van een degelijk historisch
vooronderzoek. Op basis van deze gegevens wordt vastgesteld of er sprake kan zijn van
bodemverontreiniging. Dit historisch vooronderzoek is nodig om maatregelen te treffen bij de
voorbereiding van de werkzaamheden van de veldwerker. Indien het historisch vooronderzoek
onvoldoende of geen bodeminformatie oplevert moet het verkennend onderzoek breed worden
uitgevoerd. In de praktijk wordt de informatie uit het historisch vooronderzoek niet of nauwelijks
gedeeld met de veldwerker.
Arbeidshygiënische maatregelen
Bij alle bodemonderzoeken zijn de volgende arbeidshygiënische maatregelen van belang om
blootstellingsrisico's te beperken tot een, volgens huidige inzichten, aanvaardbaar minimum:
 Alle personen die betrokken zijn bij veldwerk moeten in het bezit zijn van een
geschiktheidsverklaring op basis van een medische keuring.
 Roken, eten en drinken tijdens het uitvoeren van veldwerkzaamheden zijn verboden. Deze
handelingen mogen alleen plaatsvinden in de (lunch)pauzes, buiten de verontreinigde zone in
de daarvoor bestemde ruimte. Deze ruimte moet zijn afgescheiden van onderzoeksmateriaal en
veldwerkmateriaal (ook in geval van bestelbussen, d.w.z. scheiding tussen cabine en
laadruimte).
 Er moeten middelen aanwezig zijn voor het reinigen van handen en gezicht (zeep, waswater
en/of vochtige reinigingsdoekjes).
Projectvoorbereiding bodemonderzoek
De CROW 132(1)
gaat in hoofdstuk 3.3 door op het verrichten van werkzaamheden in een verkennend
bodemonderzoek. Omdat in deze onderzoeksfase nog niet duidelijk is of er sprake is van een
verontreiniging en om welke verontreinigde stoffen het eventueel gaat,moeten ook in deze fase al
maatregelen worden getroffen om mogelijke blootstelling te voorkomen.
Bij het uitvoeren van het bodemonderzoek kan nog geen veiligheidsklasse worden bepaald, de ernst
van de verontreiniging moet immers nog worden vastgesteld. Bij het bodemonderzoek gaat het vaak
om een grote verscheidenheid aan (mogelijke) verontreinigende chemische stoffen, zowel in plaats in
de grond, omvang als aard. De projectvoorbereider maakt een globale inschatting welke
blootstellingsrisico’s de veldwerker zou kunnen lopen op basis van bevindingen uit het historisch
vooronderzoek.
Onderzoekslocatie verkennend bodemonderzoek
De plaats waar de veldwerker de werkzaamheden ten behoeve van het onderzoek uitvoert, moet
worden beschouwd als verontreinigde zone en moet als zodanig worden gemarkeerd. Een
verontreinigde zone is een aangegeven gebied waarbinnen verontreinigingen boven de
interventiewaarde (>I) in de bodem kunnen voorkomen of zijn vastgesteld.
Persoonlijke bescherming
Op basis van het historisch vooronderzoek kan worden bepaald wat de kans is op blootstelling aan
toxische stoffen.Aan de hand van deze risico-inschatting wordt het pakket aan persoonlijke
beschermingsmiddelen vastgelegd. Dit wordt opgenomen in de projectvoorbereiding van het
bodemonderzoek.
(1) CROW 132, 'Werken in ofmet verontreinigdgronden verontreinigd(grond)water, CROW,december 2008,4de druk, ISBN 978
90 6628 5286
- 10 -
Luchtkwaliteitsmetingen
Bij het uitvoeren van werkzaamheden in de verontreinigde zone moeten luchtkwaliteitsmetingen
worden uitgevoerd. De meetresultaten kunnen eventueel aanleiding geven tot het aanpassen van het
persoonlijk beschermingsmiddelenpakket en het gebruik van adembescherming.(1)
In de praktijk worden de luchtkwaliteitsmetingen niet of nauwelijks uitgevoerd, omdat in 99% van alle
boringen in de grond geen meetresultaten worden verricht met luchtkwaliteitsmetingen.
Geurwaarnemingen
Wanneer een werknemer (chemische) geuren ruikt, moeten luchtkwaliteitsmetingen uitgevoerd
worden. Het verrichten van geurwaarnemingen op monsters is niet toegestaan. Veelverontreinigingen
kunnen door hun karakteristieke geur tijdig worden waargenomen. Bij sommige chemische stoffen
waarschuwt de geur echter onvoldoende of te laat. De werknemer moet daarom kunnen beschikken
over goede luchtbemonsteringsappatuur.
In de praktijk worden geurwaarnemingen niet direct gekoppeld aan het verrichten van
luchtkwaliteitsmetingen door de veldwerker.
Veiligheidsklasse
In hoofdstuk 1.6 van de CROW 132(1)
is vastgelegd dat de publicatie niet het begrip risicoklasse maar
het begrip 'veiligheidsklasse' hanteert. Dit omdat er wordt gestuurd op de veiligheids- en
gezondheidsaspecten. Uitgangspunt is dat er wordt gegarandeerd dat werknemers de werkzaamheden
op een veilige wijze kunnen uitvoeren. De veiligheidsklassen zijn onderverdeeld op basis van de
hoogte van het risico. Het risico bepaalt welke maatregelen getroffen moeten worden. De
veiligheidsklassen bestaan uit Basisklasse en T&F-klassen. De T-klasse geeft het risico van
blootstelling aan chemische stoffen aan. De F-klasse is een indicatie voor de brandbaarheid en
explosiegevaar.
Indeling T&F-klasse
De Arbo-richtlijn CROW 132 ‘werken in en met een verontreinigde bodem’ is gebaseerd op een
onderzoek(2)
van de Arbeidsinspectie (AI). Het risico op blootstelling van een chemische stof werd
uitgedrukt in een zogenaamde toxiteitsklasse (T-klasse). De T-klasse bepaalt welke maatregelen
noodzakelijk zijn bij de werkzaamheden. De T-klasse word bepaald aan de hand van het effect van een
bepaalde stof en de kans dat men aan deze stof werd blootgesteld. Het effect wordt bepaald door de
LD50-waarde van de aangetroffen stof in de bodem en bepaalt een voorlopige klasse. De LD50-
waarde is gebaseerd op een waarde waarbij 50% van een organisme (proefdier) komt te overlijden. In
tabel 1 is aangegeven welke LD50-criteria passend is bij een voorlopige T-klasse.
Tabel 1: Indelingscriteria voorlopige T-klasse volgens CROW132
LD50- oraal rat
(mg/kg lichaamsgewicht)
LD50 percutaan rat/konijn
(mg/kg lichaamsgewicht)
LD50 inhalatoir rat
(mg/kg lichaamsgewicht)
Voorlopige
T-klasse
200 – 2000 400 – 2000 2 – 20 1T
25 – 200 50 – 400 0,5 – 2 2T
< 25 < 50 < 0,5 3T
Carcinogene stoffen 3T
*oraal is opname via de mond, percutaanis opnamevia huis, inhalatoir is opname via ademhaling.
(1) P.F. Otteet al, Richtlijn voor luchtmetingen voor de risicobeoordelingvanbodemverontreiniging, RIVM, RIVM rapport 711701048/2007
, pagina 40 t/m 45
(2) Arbo-informatieblad22, Werkenmet verontreinigde gronden/of grondwater,vierde druk (Sdu)
- 11 -
De risicobenadering sluit aan bij het Besluit Bodemkwaliteit (BBK) met de daarin opgenomen
achtergrondwaarden. Bij een bodemverontreiniging boven de I-waarde word een T-klasse vastgesteld
op basis van de LD50-waarden van de overschrijdende stof (tabel 2). Dit wordt gedaan aan de hand
van een overzichtslijst, beheerd door de CROW. Indien de bodem niet ernstig is verontreinigd maar
valt in de kwaliteitsklasse Industrie, vallen de grondwerkzaamheden in de Basisklasse. Voor bodem in
de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde en wonen is geen basisklasse en T-klasse van toepassing, er zijn
geen veiligheidsmaatregelen van toepassing. Deze koppeling is weergegeven in tabel 2.
Tabel 2: Veiligheidsklasse en bodemfunctieklasse koppeling volgensCROW 132
Kwaliteitsklasse BBK Grenzen BBK Veiligheidsklasse CROW132
Schoon en wonen “0” t/m bovengrens klasse Wonen Geen
Industrie tot de I-waarde Bovengrens klasse wonen t/m I-
waarde
Basisklasse
Ernstig verontreinigde bodem Boven I-waarde 1T bij LD50-waarden 200-2000
2T bij LD50-waarden 25-200
3T bij LD50-waarden < 25
3T bij carcinogene, mutagene of
reprotoxische stoffen
De veiligheidsklasse bepaalt vervolgens welke maatregelen noodzakelijk zijn bij de uitvoering van de
werkzaamheden. De hoogte van de veiligheidsklasse bepaalt de intensiteit van de maatregelen. De
maatregelen kunnen onderverdeeld worden in 11 groepen. In de CROW 132 is vastgelegd dat bij kans
op stofvorming / aërosolen geen T-klasse bepaald wordt. Een veiligheidsdeskundige dient de situatie te
beoordelen. De reden hiervoor is dat bepaalde verontreinigingen kunnen 'meeliften' aan bodemdeeltjes
en als volgt ingeslikt of ingeademd kunnen worden. De CROW 132 richt zich voornamelijk op
vluchtige chemische stoffen. De CROW 132 onderstreept het verrichten van metingen naar vluchtige
chemische stoffen en de aanwezigheid van deze stoffen in de lucht. De blootstelling van niet-vluchtige
stoffen wordt ter oordeel van de betrokken veiligheidsdeskundige overgelaten. In alle veiligheidsklasse
is het treffen van hygiënische maatregelen vereist. In tabel 3 worden de maatregelen volgens de
veiligheidsklasse gerangschikt in groepen.
- 12 -
Tabel 3: Groepen van maatregelen volgens veiligheidsklasse-indeling volgensCROW 132
Groep Basisklasse 1T 2T 3T
V&G-plan en logboek Ja Ja Ja Ja
Betrokkenheid van
deskundige
DLP MVK HVK HVK
Medische geschiktheid Geen Jaarlijks Jaarlijks Jaarlijks
Voorlichting en
instructie
DLP MVK HVK HVK
Zonering
onderzoekslocatie
Ja Ja Ja Ja
Luchtkwaliteitsmeting Meten naar
vluchtige
chemische stoffen
bij
geurwaarneming
Meten naar
vluchtige
chemische stoffen
volgens
vastgestelde
frequentie
Meten naar vluchtige
chemische stoffen
volgens vastgestelde
frequentie, bij
stofdeeltjes
stofsampling door high
flow sampler
Meten naar vluchtige
chemische stoffen volgens
vastgestelde frequentie,bij
stofdeeltjes stofsampling
door high flow sampler,
op advies HVK personal
air sampler
Arbeidshygiënische
voorzieningen
Basishygiëne 3 traps
saneringsunit +
wasstraat voor
materieel
Meten naar vluchtige
chemische stoffen
volgens vastgestelde
frequentie, bij
stofdeeltjes
stofsampling door high
flow sampler
Meten naar vluchtige
chemische stoffen volgens
vastgestelde frequentie,bij
stofdeeltjes stofsampling
door high flow sampler
Graafmachine Geen vereiste Filteroverdruk-
systeemop cabine
graafmachine
Filteroverdruksysteem
op cabine
graafmachine +
vrachtwagens voor
transport
Filteroverdruksysteem op
cabine graafmachine +
vrachtwagens voor
transport
PBM's Saneringsoverall,
veiligheidshand-
schoenen,
veiligheids-
laarzen / -
schoenen
(waterdichte
overall indien
nodig)
Saneringsoverall,
veiligheidshandsch
oenen,
veiligheidslaarzen /
-schoenen
(waterdichte
overall indien
nodig)
Saneringsoverall,
veiligheidshandschoen
en, veiligheidslaarzen /
-schoenen (waterdichte
overall indien nodig)
Saneringsoverall,
veiligheidshandschoenen,
veiligheidslaarzen / -
schoenen (waterdichte
overall indien nodig)
Emissiebeperking Depotvorming
voorkomen,
depots nathouden
of met folie
afdekken
Depotvorming
voorkomen, depots
nathouden ofmet
folie afdekken
Depotvorming
voorkomen, depots
nathouden ofmet folie
afdekken
Depotvorming
voorkomen, depots
nathouden ofmet folie
afdekken
Algemene regels(eten,
drinken,roken
verboden in vuile
gebieden)
Ja Ja Ja Ja
- 13 -
3.2.2 Werkzaamheden van de veldwerker
De veldwerker komt door zijn werkzaamheden in een bodemonderzoek in contact met een mogelijke
verontreinigde bodem. Deze informatie is van belang voor het beantwoorden van de hoofdvraag,
omdat de werkzaamheden van de veldwerker samenhangen met de beschermingsmaatregelen voor
veiligheid en gezondheid. De informatie komt voort uit literatuuronderzoek. Het literatuuronderzoek
bestaat uit het bestuderen van protocollen van het SIKB (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging
Bodembeheer).
De resultaten van het literatuuronderzoek zijn te vinden in hoofdstuk 4.2.
Handelingen van de veldwerker
De veldwerker wordt door een milieuadviesbureau ingezet als beroepsmatig uitvoerend persoon van
een milieutechnisch onderzoek. De veldwerker moet zich daarbij houden aan de gestelde
normdocumenten van het milieutechnisch onderzoek. Een veldwerker dient voldoende kennis te
hebben van deze normdocumenten. De veldwerker wordt door een externe keuringsinstantie geaudit
op kennis en vaardigheden ten aanzien van het milieutechnisch onderzoek.
Wanneer de keuringsinstantie de kennis en vaardigheden op waarde heeft geschat,schrijft de
keuringsinstantie een certificaat uit en mag de veldwerker zelfstandig werkzaamheden uitvoeren.
Jaarlijks worden veldwerkers intern en extern geaudit op de juistheid en precisie van de
normdocumenten.
De veldwerker heeft te maken met BRL-protocollen die zijn opgesteld door het SIKB. De BRL-
protocollen zijn samenvoegingen van een aantal Nederlandse Normen (NEN-normen). Het BRL-
protocol legt vast waar een milieutechnisch onderzoek aan moet voldoen volgens de Nederlandse
wetgeving.
De veldwerker heeft te maken met de volgende SIKB normdocumenten:
SIKB BRL 1000 Monsterneming voor partijkeuringen(1)
 Protocol 1001: Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie
 Protocol 1002: Monsterneming voor partijkeuringen niet-vormgegeven bouwstoffen
 Protocol 1003: Monsterneming voor partijkeuringen vormgegeven bouwstoffen (zelden)
 Protocol 1004: Monsterneming te storten korrelvorminge afvalstoffen (zelden)
SIKB BRL 2000 Veldwerk bij milieuhygiënisch onderzoek(2)
 Protocol 2001: Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen,
nemen van grondmonsters en waterpassen
 Protocol 2002: Het nemen van grondwatermonsters
 Protocol 2003: Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek
 Protocol 2018: Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem
De werkzaamheden van een veldwerker zijn per protocol verschillend. In algemene zin voert de
veldwerker een bodembewerking uit en neemt bodemmonsters.
De handelingen van de veldwerker tijdens een milieutechnisch bodemonderzoek in de diverse
protocollen is weergegeven in bijlage II.
Boorgereedschap
De veldwerker rust zijn veldwerkbus uit met geschikt boorgereedschap om een boorgat te maken tot
de gewenste diepte. De veldwerker heeft een uiteenlopend arsenaalaan boorgereedschap nodig om
voor alle protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018 inzetbaar te zijn. Het boorgereedschap is bedoeld voor
het nemen van geroerde bodemmonsters en ongeroerde bodemmonsters.
Het boorgereedschap wordt nader toegelicht in bijlage III.
(1) BRL SIKB 1000 Veldwerk milieuhygiënischbodem-en waterbodemonderzoek (certificatie), www.sikb.nl/lijstbrl000,
geraadpleegd2 februari 2015
(2) BRL SIKB 2000 Veldwerk milieuhygiënischbodem-en waterbodemonderzoek (certificatie), www.sikb.nl/lijstbrl2000,
geraadpleegd5 februari 2015
- 14 -
Boortechnieken
De veldwerker heeft boortechnieken tot zijn beschikking om de bodemlagen te kunnen beschrijven en
te kunnen bemonsteren. De meest gebruikelijke boortechniek is het handmatig boren. Een andere
boortechniek ,mechanisch boren, wordt gebruikt bij het zetten van diepe boringen of het bereiken van
de bodem onder een verhardingslaag. Binnen dit afstudeeronderwerp is de boortechniek mechanisch
boren niet behandeld, omdat de veldwerker deze boortechniek niet of nauwelijks gebruikt. Het zetten
van diepe boringen wordt door milieuadviesbureaus vaak uitbesteed aan een geotechnisch
adviesbureau.
Handmatig boren
Ten aanzien van het plaatsen van handboringen en peilbuizen zijn de protocollen 2001, 2003 en 2018
van toepassing. Bij het handmatig boren van een boorgat kan maximaal circa 10 meter onder het
maaiveld worden bereikt. Bij het handmatig boren wordt een boorkruk voorzien van een van de
boorgereedschappen (uit bijlage III). Handmatig boren is geschikt voor het boren in de bodem boven
en onder de grondwaterstand. Voor het boren in de bodem ver onder de grondwaterstand is deze
boortechniek minder geschikt, door een stuwende waterdruk.
De veldwerker komt tijdens het handmatig boren direct in contact met grond, grondwater en
baggerspecie. Hierbij gaat het om een geringe hoeveelheid grond die wordt opgeboord. Tijdens het
asbestonderzoek wordt de bodem gezeefd met een grindzeef. De veldwerker komt hierbij erg dicht op
het bodemmateriaal (armlengte afstand).
Inzet van hydraulisch apparatuur
Soms wordt er tijdens bodemonderzoek gebruik gemaakt van een kraan. Voorbeelden hiervan zijn het
maken van proefsleuven in gedempte sloten of stortplaatsen, maar ook bij nader asbestonderzoek in
puinpaden. Daarbij is het volume grond dat wordt ontgraven groter dan bij de handmatige
boortechniek. De veldwerker kan tijdens het ontgraven van de bodem echter op een grotere afstand
blijven. Bij de bemonstering en beoordeling komt de veldwerker direct in contact met grond en/of
grondwater.
Om harde lagen in de bodem te doorboren gebruikt de veldwerker een ramguts of een jekker. Door
middel van een elektrisch, pneumatische of hydraulische hamer wordt de ramguts in de grond
gedreven. Een jekker wordt elektrisch aangestuurd. Bij het gebruik van de jekker komt de veldwerker
direct in contact met grond (armlengte afstand). Bij het boren met een ramguts wordt een geringe
hoeveelheid grond opgeboord. De veldwerker komt echter weldirect in contact met grond en
grondwater.
- 15 -
3.2.3 Omgevingsfactoren en werkterrein van de veldwerker
De veldwerker werkt op verschillende werkterreinen. Deze informatie is van belang voor het
beantwoorden van de hoofdvraag, omdat de verschillende werkterreinen ook verschillende chemische
stoffen in de bodem, voor de veldwerker betekend. De informatie om deze deelvraag te beantwoorden
komt uit literatuuronderzoek. Het literatuuronderzoek bestaat uit informatie van cahiers van het SKKB
(Stichting Kennisontwikkeling Kennisoverdracht Bodem). De informatie met betrekking tot hoe een
verontreiniging in een werkterrein is ontstaan, komt grotendeels voort uit de werkervaring van de
auteur.
De resultaten van het literatuuronderzoek zijn te vinden in hoofdstuk 4.2.
Omgevingsfactoren
De veldwerker heeft een flinke variatie aan werkterreinen waar werkzaamheden ten aanzien van het
milieuhygiënisch bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Het komt geregeld voor dat de
veldwerker op een dag meerdere werkterreinen bezoekt om werkzaamheden te verrichten. Het kan ook
voorkomen dat de veldwerker voor een lange periode op één werkterrein werkzaamheden verricht.
Voor elk werkterrein is de veldwerker alert op diverse veiligheidsaspecten.
In de ruimte en omgeving waarin de veldwerker met zijn boorgereedschappen werkt, zijn
omgevingsfactoren die een effect kunnen hebben op het lichaam. Een koude vochtige werkplek is niet
prettig om in te werken en deze kan gezondheidsklachten veroorzaken. Net als een te warme werkplek
of een ruimte waar weinig daglicht binnenkomt. Ook andere omgevingsfactoren kunnen schadelijk
zijn voor het lichaam (bijv. machines die te veel lawaai produceren of een bepaald soort straling). De
manier waarop de veldwerker zich kan beschermen op weersinvloeden en omgevingsfactoren tijdens
de werkzaamheden wordt niet in dit afstudeeronderzoek meegenomen.
Werkterrein
De veldwerker komt met het uitvoeren van milieuhygiënisch bodemonderzoek op verschillende
werkterreinen. Op basis van historisch vooronderzoek (NEN 5725) kan van een werkterrein
voorafgaand ingeschat worden of er chemische stoffen in de bodem aanwezig kunnen zijn, die
schadelijk voor de gezondheid van de veldwerker zijn. Het inzetten van PBM's door de veldwerker
wordt in die gevallen bepaald door een bodemadviseur of bodemprojectleider. Soms komt het voor dat
een hogere veiligheidsdeskundige of arbeidshygiënist het inzetten van PBM's aanbeveelt aan de
veldwerker. Elk werkterrein heeft over het algemeen een bepaalde verontreiniging van chemische
stoffen in de bodem of het is zeer aannemelijk dat een chemische stof in de bodem aanwezig is.
De werkterreinen waar een veldwerker zijn werkzaamheden kan uitvoeren zijn:
 Openbaar terrein Particulier terrein Industrie terrein
 Tanklocaties Agrarisch gebied Gasfabriek terrein
 Chemische wasserijen Olieraffinaderijen Stortplaatsen
 Op en langs oppervlaktewater Langs het spoor Op en langs de weg
In bijlage IV worden de verontreinigingen aan chemische stoffen die kunnen worden verwacht in de
bodem per werkterrein weergegeven.
Werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen
De veldwerker werkt over het algemeen in de buitenlucht. Hierbij is het van belang dat de veldwerker
voor zijn eigen gezondheid zich beschermt tegen weersinvloeden. De veldwerker beschermt zich tegen
zon, regen,wind, koude en warme temperaturen. Hiervoor stelt de werkgever van de veldwerker
persoonlijke werkkleding beschikbaar. Deze persoonlijke werkkleding zijn bijvoorbeeld: werkbroeken,
werktruien, werkshirts, regenjassen, regenbroeken en thermokleding. Het schoeisel voor de
veldwerker wordt door de werkgever eveneens verstrekt in de vorm van veiligheidsschoenen en
veiligheidslaarzen voorzien van een stalen neus tegen stoten en het voorkomen van andere
voetblessures..
- 16 -
Ten aanzien van de bescherming tegen chemische stoffen in de bodem wordt door de werkgever
persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM's) beschikbaar gesteld voor de veldwerker. Het dragen van
deze PBM's is per werkterrein vaak verschillend, zie onderstaand tabel 4. PBM’s worden afgestemd op
de te verwachten verontreinigingen in het werkterrein en de blootstellingsrisico’s.
Tabel 4: Werkterreinen van de veldwerkerin relatie tot voorkomen chemische stoffen,algemeen
beeld van bodemkwaliteit, aanvullende PBM's en invloed van weeromstandigheden (Tabel komt
voort uit eigen literatuuronderzoek op basis van hoofdstuk 3.2.1 en 3.2.2).
Werkterrein Voorkomen chemische
stoffen in de bodem
PBM’s als
standaard?
Blootstellingsrisico vluchtige
chemische stoffen?
Indicatie blootstellingsroute
richting veldwerker(#)
Openbaar terrein Minerale olie
Niet-vluchtige stoffen
PAK / PCB
Nee Ja Contact met grond
(Inademen gronddeeltjes)
(Inademen gassen)
Particulier terrein Aromaten
Minerale olie
Niet-vluchtige stoffen
PAK / PCB
Nee Ja Contact met grond
(Inademen gronddeeltjes)
(Inademen gassen)
Industrieterrein Aromaten
Minerale olie
Niet-vluchtige stoffen
PAK / PCB
Nee Ja Contact met grond
(Inademen gronddeeltjes)
(Inademen gassen)
Tanklocaties Aromaten
Minerale olie
Ja Ja Contact met grond
(Inademen gronddeeltjes)
(Inademen gassen)
Agrarisch gebied Bestrijdingsmiddelen
Niet-vluchtige stoffen
Nee Nee Contact met grond
(Inademen gronddeeltjes)
Gasfabriek terrein Aromaten
Cyanide
Minerale olie
Niet-vluchtige stoffen
PAK / PCB
Ja Ja Contact met grond
(Inademen gronddeeltjes)
(Inademen gassen)
Chemische
wasserijen
Niet-vluchtige stoffen
VOCL
Nee Ja Contact met grond
(Inademen gassen)
Olieraffinaderijen Minerale olie
PAK / PCB
Ja Ja Contact met grond
(Inademen gassen)
Stortplaatsen Aromaten
Asbest
Cyanide
Dioxine
Minerale olie
Niet-vluchtige stoffen
PAK / PCB
Radioactief afval
Ja Ja Contact met grond
(Inademen gronddeeltjes)
(Inademen gassen)
Op en langs water Minerale olie
Niet-vluchtige stoffen
PAK / PCB
Ja Nee Contact met grond
Langs het spoor Bestrijdingsmiddelen
Minerale olie
Aromaten
Niet-vluchtige stoffen
PAK / PCB
Ja Ja Contact met grond
(Inademen gronddeeltjes)
(Inademen gassen)
Op en langs de weg Aromaten
Niet-vluchtige stoffen
Minerale olie
PAK / PCB
Ja Ja Contact met grond
(Inademen gronddeeltjes)
(Inademen gassen)
(#) = Het inademenvangronddeeltjes is alleen van toepassingals de veldwerker gebruikt maakt vanprotocol 2018.Het inademenvan gassen
is alleen van toepassingals de veldwerker zintuiglijkeafwijkingen (kleur/geur) waarneemt tijdens zijn werkzaamheden.
- 17 -
3.3 Blootstellingsroutes
Door werkzaamheden in de bodem kunnen chemische stoffen in het lichaam van de veldwerker
komen, de blootstellingsroutes. Welke blootstellingsroutes voor de veldwerker gelden komt voort uit
de bevindingen van hoofdstuk 3.2. De combinatie van manier van uitvoeren en de aanwezigheid van
chemische stoffen op het werkterrein waarop gewerkt wordt, zijn van invloed op het activeren van
blootstellingsroutes. Deze informatie is van belang voor het beantwoorden van de hoofdvraag, omdat
er voor verschillende blootstellingsroutes ook verschillende beschermingsmaatregelen moeten worden
genomen. De informatie om deze deelvraag te beantwoorden komt voor uit literatuuronderzoek. Het
literatuuronderzoek bestaat uit onderzoeksrapporten van het RIVM (Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieu). Daarnaast is er informatie gehaald uit cahiers van het SKKB en op de
website van de Arbeidsinspectie.
De resultaten van het literatuuronderzoek zijn te vinden in hoofdstuk 4.3.
Giftigheid van chemische stof
Een chemische stof kan nog zo giftig zijn, er is geen enkel gezondheidsrisico als de veldwerker niet
blootgesteld wordt aan de stof. De eigenschappen van de chemische stof bepalen het intrinsieke gevaar
van de stof, maar de kans op gezondheidsschade wordt bepaald door de wijze waarop en de duur en
frequentie waarmee de veldwerker wordt blootgesteld aan de stof.
Een stof kan pas een schadelijk effect op het lichaam hebben als het lichaam wordt blootgesteld. Bij
stoffen met een lokaal effect (bijtende en irriterende stoffen) moet er contact zijn tussen de chemische
stof en het weefsel:de huid, de slijmvliezen, de longen of de ogen. Bij chemische stoffen met een
systemisch effect moet de chemisch stof worden opgenomen in het lichaam. Er zijn voor chemische
stoffen drie opnameroutes: via de ademhaling, door de huid en door inslikken.
Verder is het onderscheid tussen vluchtige en niet vluchtige verontreinigingen van groot belang voor
de blootstellingroutes.
3.3.1 Blootstellingsroutes algemeen
De mens kan op diverse manieren in directe aanraking komen met een bodemverontreiniging. De
blootstellingroutes worden bepaald door de activiteit die de mens uitvoert. Aangezien de activiteiten
die een veldwerker uitvoert anders zijn, dan de activiteiten die iemand uitvoert die op het betreffende
perceelwoont in een woonhuis met tuin, zullen ook de blootstellingroutes van beide verschillen van
elkaar.(1)
Blootstelling aan bodemverontreinigingen door mensen is mogelijk door de mogelijke
blootstellingsroutes:
 Ingestie van verontreinigde bodemdeeltjes
 Dermaalcontact met verontreinigde bodemdeeltjes binnen;
 Dermaalcontact met verontreinigde bodemdeeltjes buiten:
 Inhalatie van verontreinigde bodemdeeltjes;
 Inhalatie van verontreinigde dampen binnen;
 Inhalatie van verontreinigde dampen buiten;
 Consumptie van verontreinigde groenten;
 Contact via verontreinigd drinkwater.
(1) R. van der Berg(1991/1994) Human exposure to soil contamination.Aqualitive andquantitive analysis towards proprosals for human
toxicological interventionvalues, RIVM, rapnr. 725201011
- 18 -
3.3.2 Blootstellingsroutes van de veldwerker
Ingestie van verontreinigde bodemdeeltjes
Bij het boren en/of graven door de veldwerker in verontreinigde grond, kunnen gronddeeltjes worden
ingeslikt. De blootstellingsroute loopt via de mond naar het maagdarmkanaal. Anders dan bij opname
via de huid en de ademhaling heeft de veldwerker zelf grote invloed op de opname van grond via de
mond door zijn gedrag (het werken met blote hand ten opzichte het werken met handschoenen).
De chemische stoffen komen in de maag vrij en worden door het bloed opgenomen. De chemische
stoffen kunnen door de bloedcirculatie overal in het lichaam terechtkomen en daar negatieve
gezondheidseffecten geven. Voor zware metalen geldt een vergelijking met de effecten van een
chronische metaalvergiftiging.
Over het algemeen mag worden aangenomen dat de veldwerker, tijdens zijn werkzaamheden, onder
geen beding de grond proeft of in de mond neemt, zoals bij kinderen (niet-volwassene) nog weleens
kan gebeuren.
Dermaal contact aan bodemdeeltjesbuiten
Door het opboren van verontreinigde grond of baggerspecie kan via de huid van veldwerker een
chemische stof de gezondheid negatief beïnvloeden. Tijdens het beoordelen van opgeboorde
grondlagen raakt de veldwerker vaak met de handen de grondlagen aan. Bij beoordeling van klei, sterk
zandig versus zand, sterk kleiig wordt, door de veldwerker, gebruikt gemaakt van het rollen van de
grondlaag in de hand. Voor beoordeling op bijmengingen gebruikt de veldwerker een vinger om door
de opgeboorde grond te gaan.
Het komt het meest voor dat we door de huid chemische stoffen opnemen, vooral oplosmiddelen. De
huid heeft een beschermlaagje dat vet is. Wanneer de huid in contact komt met een oplosmiddel
verdwijnt het laagje vet en daardoor kunnen de stoffen door de poriën in het bloed komen. Een
voorbeeld hiervan is benzeen(1)
; dit zit in benzine en kan jaren later kanker veroorzaken. De gevolgen
zijn bij opname door de huid: een gevoel van dronkenschap, hoofdpijn en zenuwbeschadiging bij
langdurige blootstelling OPS (Organo Psycho Syndroom). Dampen en gassen (bijvoorbeeld
benzeendamp en blauwzuurgas) kunnen ook door de huid heen dringen. Als de huid beschadigd of
ontvet is, kan een stof makkelijker door de huid worden opgenomen. Ook kan op de beschadigde huid
makkelijker een contacteczeem ontstaan.
Er zijn ook chemische stoffen die direct (acuut) effect hebben op de huid, bijvoorbeeld zuren en logen.
Deze stoffen zijn niet echt giftig, maar toch gevaarlijk omdat ze een bijtende werking hebben. Het zijn
soms corrosieve stoffen,dat wil zeggen, dat ze niet alleen gevaarlijk zijn voor de huid van de mens
maar ze kunnen ook textiel en zelfs metaal aantasten; ze bijten zich als het ware er doorheen. De
sterkte van zuren en logen is afhankelijk van de concentratie. Zwavelzuur is in hoge concentratie
levensgevaarlijk, citroenzuur alleen in grote hoeveelheden. Een zuur dat op de huid komt, bijt de huid
weg. De veldwerker voelt direct pijn.
Via dermale blootstelling kan een chronische metaalvergiftiging(1)
ontstaan. Door lange tijd contact
met kleine hoeveelheden zware metalen, waarvan de symptomen in het begin niet of nauwelijks
waarneembaar zijn maar op de lange duur uitgroeien tot serieuze ziektes. De chronische
metaalvergiftiging is niet makkelijk te herkennen, omdat de symptomen vaak vele andere oorzaken
kunnen hebben:
 Vermoeidheid Spijsverteringsproblemen Vertraagde vetverbranding
 Pijnlijke gewrichten Depressies Verhoogde bloedsuikerspiegel
 Menstruatieproblemen, onvruchtbaarheid,miskramen, hoge bloeddruk tijdens zwangerschap en
vroeggeboorte.
De zware metalen kwik, cadmium, lood, nikkel, aluminium, zink en arseen zijn stoffen in bodem waar
de veldwerker lange tijd met kleine en/of grote hoeveelheden in contact kan komen.
(1) BasisveiligheidVCA, Arbo Support Nederland, Kluwer, 9013068189,9789013068184
- 19 -
Inhalatie van bodemdeeltjes
Bij het zeven van grond door de veldwerker in verontreinigd grond, kunnen bodemdeeltjes zich
verplaatsen door de lucht. Via de ademhaling kan een chemische stof het lichaam binnen komen. Een
mens ademt normaal circa 1250 liter lucht per uur in. Aan bodemdeeltjes kunnen zich verontreinigde
stoffen uit de bodem bevinden. Verontreinigde chemische stoffen in de bodem (zoals zware metalen
en/of asbest) moeten een fijne verdeling hebben om zich te kunnen verspreiden in de lucht..
De chemische stoffen op bodemdeeltjes worden via de longen opgenomen in het bloed. Het bloed
verspreidt deze stoffen naar de hersenen, lever, nieren en andere organen, waar ze een schadelijk effect
kunnen hebben. Kleine gronddeeltjes en vezels kunnen bij het inademen in de neus en de luchtpijp
terechtkomen. Trilhaartjes vangen de grotere deeltjes op. Door hoesten komen ze in de mond, waarna
ze worden ingeslikt. Alleen de kleinste gronddeeltjes komen in de longen terecht. Daar kunnen ze
longaandoeningen veroorzaken, of ze lossen op in het longvocht en worden zo opgenomen in het
bloed.
Tijdens de werkzaamheden van de veldwerker worden er in de praktijk nauwelijks luchtmetingen
verricht op de aanwezigheid van schadelijke bodemdeeltjes op het werkterrein.
Inhalatie van dampen buiten
Gassen (zoals chloorgas en koolmonoxide) verspreiden zich altijd makkelijk in de lucht. Bij een
vloeistof (zoals aceton en ether) bepaalt de dampspanning de vluchtigheid. Hoe hoger de
dampspanning, hoe vluchtiger de stof is. Hoe vluchtiger de vloeistof, hoe meer damp wordt
ingeademd.
Plotseling onwel worden door blootstelling aan deze vluchtige stoffen komt bij elk milieuadviesbureau
voor. Plotseling onwel worden treedt op bij een blootstelling aan een ineens optredende hoge
concentratie terwijl de omstandigheden van de veldwerker ongunstig zijn (afgesloten ruimte, diepe
put, windstil weer). Hiernaast kan het voorkomen dat de veldwerker gezondheidsklachten krijgt door
de hele dag een afwijkende geur te ruiken die niet tot ernstige gezondheidsschade leidt. De veldwerker
kan dan wel symptomen als hoofdpijn en vermoeidheid ervaren op de langere termijn.
3.3.3 Eliminatie van blootstellingsroutes bij de veldwerker
Uit informatie van hoofdstuk 3.2 is gebleken dat de veldwerker door zijn werkwijze niet in aanraking
komt met de blootstellingsroutes:
 Dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes binnen
 Inhalatie van verontreinigde dampen binnen;
 Consumptie van verontreinigde groenten;
 Contact via verontreinigd drinkwater.
De blootstellingsroute’s dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes binnen en inhalatie van
verontreinigde dampen binnen zijn niet van toepassing voor de veldwerker. Het werkzaamheden van
de veldwerker vindt voor circa 95% in de buitenlucht plaats.
De blootstellingsroute consumptie van verontreinigde groenten is niet van toepassing voor de
veldwerker. Door de arbeidshygiënische maatregelen in de CROW 132 is het consumeren van eten
tijdens het uitvoeren van veldwerkzaamheden verboden. Tevens is de hele onderzoekslocatie van het
verkennend bodemonderzoek wordt beschouwd als een verontreinigde zone.
De blootstellingsroute contact via verontreinigd drinkwater is niet van toepassing voor de veldwerker.
Bij deze blootstellingroute moet er gedacht worden aan het in contact komen (inname, dermaal of
inhaleren) van drinkwater, waarbij de drinkwaterleiding is gescheurd door toedoen van een
verontreiniging in de bodem. Tijdens werkzaamheden in het verkennend bodemonderzoek komt de
veldwerker niet in aanraking met verontreinigd drinkwater uit een drinkwaterleiding.(1)
(1) E. Brand et al, CSOIL 2000: an exposure model for human risk assessment of soil contamination, RIVM report 711701054/2007
- 20 -
3.3.4 Indirecte blootstellingsroutes van de veldwerker
De veldwerker kan te maken krijgen met een indirecte blootstellingroute van chemische stoffen.
Indirecte blootstelling treedt op als men wordt blootgesteld aan de verontreiniging die niet meer op de
oorspronkelijke plaats aanwezig is (1)
. Indirecte blootstelling is alleen mogelijk als de verontreiniging
zich al heeft verspreid, zonder gebruik te maken van zijn handelingen in de protocollen. Indirecte
bloostelling is veelal te voorkomen door goede hygiëne maatregelen (juiste omkleedprocedures,
schoonmaken van materiaal etc.)
Aanhangende gronddeeltjes aan werkkleding
Het is mogelijk dat een veldwerker met vieze werkschoenen en/of werkkleding de cabine van de
werkauto betreedt.Aanklevende verontreinigde bodemdeeltjes vallen op de mat van de werkauto.
Niet-vluchtige stoffen vermengen zich met luchtdeeltjes uit de cabine van werkauto. Tevens kunnen
vluchtige stoffen oplossen in de lucht van de cabine. Via deze indirecte blootstellingsroute kan de
veldwerker gronddeeltjes en dampen inhaleren.(2)
Stof in decontaminatie units
De indirecte blootstellingroute van gronddeeltjes in de decontaminatie-unit loopt via de beschermende
kleding van de veldwerker. Bij het uittrekken van de beschermende kleding in de decontaminatie-unit
vallen aanhangende gronddeeltjes op de grond. Hierbij geldt dat de aanhangende gronddeeltjes
dezelfde negatieve effecten kan vormen als de indirecte blootstellingroute in de cabine van de
werkauto. Via deze indirecte blootstellingsroute kan de veldwerker gronddeeltjes en dampen inhaleren.
Stof in de schaftgelegenheid
Het betreden van schaftgelegenheden brengt een blootstellingrisico van andere werknemers op het
werkterrein met zich mee. Deze werknemers doen andere werkzaamheden en hebben andere belangen
op het werkterrein. Dikwijls betreden deze werknemers met aanhangende gronddeeltjes de
schaftgelegenheid. Hierbij geldt dat de aanhangende gronddeeltjes dezelfde negatieve effecten kan
vormen als de secundaire blootstellingroute in de cabine en in de decontaminatie-unit. Via deze
indirecte blootstellingsroute kan de veldwerker gronddeeltjes en dampen inhaleren.
(1) A.J. Baars et al, (2001)Re-evaluation ofhuman-toxicollogical maximumpossible risk levels, RIVM, rapnr. 711701025.
(2) J. Steketee et al, SKB Cahier Zware Metalen, StichtingKennisontwikkelingKennisoverdracht Bodem, juli 2007
- 21 -
3.4 Berekenenvan blootstelling in CSOIL2000
Er is een blootstellingsmodel CSOIL2000 ontwikkeld, door het RIVM, die de blootstelling van
chemische stoffen aan mensen kan berekenen. Dit blootstellingsmodel is van belang voor het
beantwoorden van de hoofdvraag, omdat het blootstellingsmodel een risico-index geeft.Aan de hand
van de risico-index wordt bepaald of een verontreiniging leidt tot gezondheidsschade en dus welke
beschermingsmaatregelen genomen dienen te worden.
Om informatie te krijgen heb ik contact gezocht met het RIVM. De auteur heeft door middel van een
interview met Ellen Brand en Piet Otten, informatie verkregen over het blootstellingsmodel
CSOIL2000. Samen met hen, heeft de auteur gekeken naar de mogelijkheden hoe het
blootstellingsmodel CSOIL2000 gewijzigd kan worden. Door parameters te wijzigen, kan de risico-
index voor de veldwerker berekend worden, in plaats van de wonende mens. De informatie die
CSOIL2000 gebruikt is tevens bestudeert in een onderzoeksrapport van het RIVM.
De resultaten van het literatuuronderzoek en het interview zijn te vinden in hoofdstuk 4.4.
Blootstellingsmodel CSOIL2000
Het RIVM heeft een beschrijving opgesteld van het model CSOIL2000(1)
, waarmee de
interventiewaarden voor bodemverontreiniging worden berekend. Met CSOIL2000 worden de risico’s
voor de mens die aan verontreiniging in de bodem wordt blootgesteld berekend. De mens kan via
verschillende blootstellingsroutes (bodem, lucht, water en gewas) aan een bodemverontreiniging
worden blootgesteld. Het gebruik van de bodem, bijvoorbeeld moestuinen, bepaalt vervolgens de mate
van blootstelling. Van invloed zijn ook de fysische en chemische eigenschappen van de
verontreinigingen in de bodemlucht, de bodemdeeltjes en het grondwater.
De beleidsbrief Bodem uit 2003(2)
,heeft geleid tot een vernieuwing van het normenstelsel voor de
beoordeling van de bodemkwaliteit. Het nieuwe normenstelsel gaat uit van de risico’s van
bodemverontreiniging voor mens, ecosysteem en landbouwproductie. Het houdt daarbij rekening met
het gebruik van de bodem (de bodemfunctie).
Het blootstellingsmodel CSOIL2000 geeft een uitvoerwaarde weer in een risico-index. De risico index
wordt weergegeven als: de blootstelling van de persoon in kwestie gedeeld door de risicogrens
(blootstelling/risicogrens). De risicogrens is hier MTRhumaan. Als de blootstelling groter is dan de
risicogrens, dan is er sprake van een risico (RI>1). Als de blootstelling kleiner is dan de risicogrens
dan is er geen risico. Is de blootstelling gelijk aan de risicogrens, wordt is er nog steeds sprake van
geen risico (RI=1).
Beleidsmatige keuze van bodemfuncties
De beleidsmatige keuze van bodemfuncties komen uit het NOBO-rapport(3)
van het Ministerie van
Infrastructuur en Milieu (voorheen VROM). Bijlage V laat zien hoe de beleidsmatige keuzes voor
bodemfuncties worden ingevuld. Bijlage V laat ook zien dat er een clustering van bodemfuncties
plaatsvindt tot bodemfunctieklassen. De werksituatie van de veldwerker is gelijk gesteld aan de
situatie in het blootstellingsscenario 'wonen met tuin'. Tijdens de werksituatie van de veldwerker
is er sprake van veel bodemcontact, geen gewasconsumptie en een gemiddeld ecologisch risico.
Ondanks dat de veldwerker tijdens het uitvoeren van het bodemonderzoek niet weet in welke
bodemkwaliteit gewerkt wordt, worden veel van de werkzaamheden uitgevoerd op locaties waar
de bodemfunctieklasse ‘wonen’ van toepassing zou moeten zijn.
(1) E. Brandet al, CSOIL 2000: an exposure model forhumanrisk assessment ofsoil contamination, RIVM Bilthoven, RIVM report
711701054/2007
(2) Beleidsbrief Bodem, Ministerie vanVROM, kenmerkBWL/2003096 250, 2003
(3) Normstellingen bodemkwaliteitsbeoordeling, onderbouwingen beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen(NOBO) in 2005,
2006, 2007, Ministerie vanVROM, december 2008,VROM 8395
- 22 -
De andere blootstellingsscenario's zijn te ver verwijderd van de werksituatie van de veldwerker.
Blootstellingsscenario 'moestuinen en volkstuinen' houdt rekening met veel gewasconsumptie.
Blootstellingsscenario 'plaats waar kinderen spelen' richt zich voornamelijk op de doelgroep kinderen.
Blootstellingsscenario 'landbouw' houdt rekening met de bescherming van de landbouwproductie.
Blootstellingstellingsscenario 'natuur', 'groen met natuurwaarden' en 'ander groen, bebouwing en
industrie' houden rekening met weinig bodemcontact door de mens. Bovendien houden de
verschillende blootstellingsscenario vast aan een bodemfunctieklasse achtergrondwaarde of Industrie.
3.4.1 Berekenen van blootstelling in blootstellingsscenario ‘wonen met tuin’
Het is van belang, hoe de normen voor het blootstellingsscenario ‘wonen met tuin’ tot stand zijn
gekomen. Een woonsituatie is immers anders dan een werksituatie. Voor de situatie 'wonen met tuin' is
gekozen, omdat de beleidsmatige keuze voor de bodemfunctie het dichtst bij de werksituatie van de
veldwerker staat. Het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' houdt rekening met humane risico's (veel
bodemcontact, beperkte gewasconsumptie) en een gemiddeld ecologisch risico. Bij het
blootstellingsscenario 'wonen met tuin' voldoet de bodemkwaliteit aan de bodemfunctieklasse Wonen.
Het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' in CSOIL2000 werkt met alle mogelijke
blootstellingsroutes voor de mens:
 Ingestie van verontreinigde bodemdeeltjes;
 Dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes binnen;
 Dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes buiten;
 Inhalatie van verontreinigde bodemdeeltjes;
 Inhalatie van verontreinigde dampen binnen;
 Inhalatie van verontreinigde dampen buiten;
 Consumptie van verontreinigde groenten;
 Contact via verontreinigd drinkwater.
Voor de bepaling van de risico’s wordt in het model ook gebruik gemaakt van vaste
parameters. De parameters zijn ingevuld aan de hand van 'gemiddeld gedrag' van personen die
verblijven in een woning met een tuin. Het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' heeft parameters
ingevuld voor volwassene personen en kinderen. Tijdens de methode wordt alleen gekeken naar de
parameters die zijn ingevuld voor volwassene.
De formules van de blootstellingsroutes die van toepassing zijn voor de veldwerker en ingevulde
parameters van het RIVM(1)
in CSOIL2000 worden hieronder weergegeven
Ingestie van verontreinigde bodemdeeltjes
Het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' werkt met de blootstellingsroute ingestie van grond. De
ingestie van grond is afhankelijk van de dagelijkse hoeveelheid ingenomen grond (AIDa),concentratie
van de verontreiniging in de bodem (Cs),relatieve absorptiefactor (Fa) en het lichaamsgewicht (BWa).
Volwassenen en vooral kinderen kunnen bodemdeeltjes door middel van hand-mondgedrag met opzet
of per ongeluk inslikken.
Formule ingestie van verontreinigde bodemdeeltjes:(1)
DIa = (AIDa * Cs * Fa) / BWa
Parameters ingestie van verontreinigde bodemdeeltjes in CSOIL2000 ‘wonen met tuin’:(1)
DIa = blootstelling via ingestie van grond [mg/kg bw/dag] = ?
Cs = concentratie grond [mg/kg d.s.] = x
AIDa = dagelijkse inname grond volwassene [kg d.s./dag] = 5,0 *10-5
Fa = relatieve absorptiefactor[-] = 1
Bwa = lichaamsgewicht [kg] = 70
(1) Otte P.F., Lijzen J.P.A., Otte J.G., Swart jes F.A. Versluijs C.W. (2001). Evaluation andrevision of the CSOIL parameters set .
RIVM, Bilthoven, The Netherlands. RIVM Report No. number 711701021.
- 23 -
Dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes buiten
Het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' werkt met de blootstellingsroute dermaal contact met
verontreinigde bodemdeeltjes buiten. De blootstelling van dermaal contact met verontreinigde
bodemdeeltjes buiten is afhankelijk van de concentratie van de verontreiniging in de bodem (Cs), het
blootgestelde huidoppervlak (AEXPao), de matrixfactor dermale opname (Fm), de mate van bedekt
huidoppervlak (DAEao), de dermale absorptiesnelheid (DARa),de periode van blootstelling van de
bodem (TBao),de relatieve absorptiefactor (Fa) en het lichaamsgewicht (BWa). De periode van de
blootstelling door bodem wordt berekent uit de blootstellingsduur (t_ao) en de correctiefactor opname
naar dagelijkse opname (tf_ao).
Formule dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes buiten: (1)
DAao = (Cs * AEXPao* Fm * DAEao * DARa * TBao * Fa) / Bwa
waarin TBao = t_ao * tf_ao
Parameters dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes buiten in CSOIL2000 ‘wonen met
tuin’:(1)
DAoa = blootstelling dermale contact bodemdeeltjes,volwassene,buiten [mg/kg bw /dag] = ?
Cs = concentratie grond [mg/kg] = x
AEXPao = blootgesteld huidoppervlak [m2
] = 0,17
Fm = matrixfactor dermale opname [-] = 0,15
DAEao = maat van de huid bedekt,volwassene,buiten [kg/m2] = 3,75 x10-2
DARa = dermale absorptiesnelheid [uur] = 0,005
TBao = periode van blootstelling door bodem,volwassene,buiten [uur/dag] = 1,14
Fa = relatieve absorptiefactor[-] = 1
Bwa = lichaamsgewicht [kg] = 70
t_ao = blootstellingsduur[uur/dag] = 8
tf_ao = correctiefactoropname naar dagelijkse opname [-] = 0,143
Inhalatie van verontreinigde bodemdeeltjes
Het blootstellingsmodel 'wonen met tuin' werkt met de blootstellingsroute inhalatie van bodemdeeltjes
binnenshuis en buitenshuis. De inhalatie van bodemdeeltjes is afhankelijk van de concentratie van de
verontreiniging in de bodem (Cs), de ingeademde hoeveelheid lucht (ITSPa),de relatieve
absorptiefactor (Fa),retentiefactor van gronddeeltjes in de longen (Fr) en het lichaamsgewicht (BWa)
volgens het blootstellingsscenario 'wonen met tuin'.
Formule inhalatie van verontreinigde bodemdeeltjes buiten: (1)
IPa = Cs* ITSPa * Fr * Fa / BWa
waarin ITSPa = TSP * frs * AVa * t * tf
Parameters inhalatie van verontreinigde bodemdeeltjes buiten in CSOIL2000 ‘wonen met tuin’:(1)
IPa = blootstelling inhalatie van bodemdeeltjes,volwassene,buiten [mg/kg bw /dag] = ?
Cs = concentratie grond [mg/kg] = x
ITSPa = geïnhaleerde hoeveelheid bodemdeeltjes [kg/dag] = 8,33*10-7
Fr = retentiefactorbodemdeeltjes in longen [-] = 0,75
Fa = relatieve absorptiefactor[-] = 1
BWa = lichaamsgewicht [kg] = 70
TSP = hoeveelheid zwevende bodemdeeltjes in lucht [mg/m3] = 70 x10-3
frs = fractie bodemdeeltjes in lucht [-] = 0,5
AVa = luchtvolume,volwassene [m3/dag] = 0,833
t = blootstellingsduur[uur] = 8
tf = correctiefactor dagelijkse opname [-] = 0,143
(1) Otte P.F., Lijzen J.P.A., Otte J.G., Swart jes F.A. Versluijs C.W. (2001). Evaluation andrevision of the CSOIL parameters set .
RIVM, Bilthoven, The Netherlands. RIVM Report No. number 711701021.
- 24 -
Inhalatie van dampen buiten
Het blootstellingsmodel 'wonen met tuin' werkt met de blootstellingsroute inhalatie van dampen
binnenshuis en buitenshuis. Dit onderzoek richt zich alleen op blootstellingsroutes van de veldwerker,
derhalve word de inhalatie van dampen binnenshuis niet meegenomen. De inhalatie van dampen
buitenshuis is afhankelijk van de concentratie van de verontreiniging in de bodem (Cv), de
ingeademde hoeveelheid lucht (hl), de relatieve absorptiefactor(Ra), retentiefactor van gronddeeltjes in
de longen (Re) en het lichaamsgewicht (BWa) volgens het blootstellingsscenario 'wonen met tuin'.
Formule inhalatie van dampen buiten: (1)
IVao = TIao * COaa * Fa * AVa * 1000 / BWa
Parameters inhalatie van dampen buiten in CSOIL2000 ‘wonen met tuin’:(1)
IVao = blootstelling inhalatie van dampen,volwassene,buiten [mg/kg bw /dag] = ?
TIao = inhalatieperiode,volwassene,buiten [uur/dag] = 1,14
COaa = concentratie van damp in lucht [g/m3] = x
Fa = relatieve absorptiefactor[-] = 1
AVa = luchtvolume,volwassene [m3/dag] = 0,833
BWa = lichaamsgewicht [kg] = 70
3.4.2 Nieuw te vormen blootstellingsscenario ‘veldwerker’
De beoordeling van blootstelling aan chemische stoffen, in de bodem door de veldwerker, wordt
gedaan op het blootstellingsscenario ‘wonen met tuin’ in CSOIL2000. De parameters zijn ingevuld aan
de hand van 'gemiddeld gedrag' van personen die verblijven in een woning met een tuin. In het
onderzoek is gebleken dat deze parameters niet overeenkomen met de werksituatie en de contactduur
met de bodem door de veldwerker. De parameters dienen te worden gewijzigd in een nieuw te vormen
blootstellingsscenario ‘veldwerker’in het blootstellingsmodel CSOIL2000 van het RIVM.
Doelgroep
In tegenstelling tot het blootstellingsscenario ‘wonen met tuin’ dient het nieuwe blootstellingsscenario
‘veldwerker’enkel rekening te houden met volwassen personen. Kinderen worden uitgesloten bij het
berekenen van blootstelling.
Blootstellingsroutes
Uit het onderzoek blijkt dat veldwerker tijdens het bodemonderzoek enkel in aanraking kan komen
met de blootstellingsroutes: ingestie van grond, dermaal contact met gronddeeltjes, inhalatie van
gronddeeltjes en inhalatie van dampen. Andere blootstellingsroutes dienen te worden uitgeschakeld. In
het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' zijn alle blootstellingsroutes van toepassing, te weten;
ingestie van grond, dermale opname grond binnen + buiten, inhalatie grond, inhalatie binnen- en
buitenlucht, consumptie gewas eigen tuin, consumptie drinkwater, inhalatie dampen douchegebruik,
dermale opname baden.
Parameter dagelijkse inname van grond (AIDa)
Van jongs af aan wordt ons aangeleerd dat het opeten van gronddeeltjes niet goed is voor de
gezondheid. Hierdoor is het uitgesloten dat de veldwerker blootstelling verkrijgt door ingestie van
verontreinigde gronddeeltjes door het opeten van grond. Het gedrag van kleine kinderen die grond in
de hand nemen en vervolgens in de mond stoppen voor consumptie is uitgesloten bij veldwerkers die
werken in een professionele omgeving.
Op basis van de analyse zou de ingestiewaarde van grond door de veldwerker onder normale
werkcondities, kunnen worden gewijzigd naar 10 mg/dag. Het nivelleren naar 0 mg/dag is niet aan de
orde, omdat de veldwerker via indirecte blootstelling, achtergrondblootstelling of secundaire
blootstelling gronddeeltjes consumeert. Hierdoor kan 10 mg/dag gezien worden als een representatief
gehalte voor het berekenen van blootstelling in het nieuw te vormen blootstellingsscenario ‘werken
met verontreinigde grond’. In het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' wordt 50 mg/dag gehanteerd
voor een volwassen persoon.
(1) Otte P.F., Lijzen J.P.A., Otte J.G., Swart jes F.A. Versluijs C.W. (2001). Evaluation andrevision of the CSOIL parameters set.
RIVM, Bilthoven, The Netherlands. RIVM Report No. number 711701021.
- 25 -
Parameter lichaamsgewicht (BWa)
In dit onderzoek wordt er vanuit gegaan dat de meeste veldwerkers Nederlandse mannen zijn. Het
gemiddeld lichaamsgewicht van de Nederlandse man bedraagt 85 kilogram. Het lichaamsgewicht zal
om deze reden worden gewijzigd naar 85 kilogram. In het blootstellingsscenario 'wonen met tuin'
wordt 70 kilogram gehanteerd voor een volwassen persoon.
 In de huidige versie van CSOIL2000 is het niet mogelijk om het lichaamsgewicht van een persoon aan
te passen.De invloed van het gewicht van een persoon op het risico, in verhouding tot bijvoorbeeld
variaties in blootstellingsroutes,is beperkt van invloed. Voor organische stoffen zoals PAK is de
invloed iets groter dan bij zware metalen. Hierbij geldt dat hoe zwaarder de persoon,hoe kleiner het
risico. (Ellen Brand, RIVM 24 april 2015, mailcorrespondentie).
Parameter blootgesteld huidoppervlak (AEXPao)
De veldwerker wordt, door het niet weten in wat voor bodemkwaliteit de werkzaamheden worden
uitgevoerd (uit literatuuronderzoek hoofdstuk 3), aanbevolen om tijdens het bodemonderzoek
handschoenen en geschikt schoeisel te dragen. Dit houdt in dat de parameter voor blootgesteld
huidoppervlak (AEXPao) bijgesteld dient te worden naar het huidoppervlak van polsen, nek en het
gezicht van de veldwerker. Het huidoppervlak van handen en enkels word bedekt door handschoenen
en geschikt schoeisel en voorkomt dermale blootstelling met verontreinigde bodemdeeltjes.
Op basis van de analyse zou het blootgestelde huidoppervlak van de veldwerker onder normale
werkcondities, kunnen worden gewijzigd naar 0,09 m2
. Het nivelleren naar 0 m2
is niet aan de orde,
omdat de veldwerker gedurende werkzaamheden het huidoppervlak van polsen, nek en gezicht zelden
afdekt. Desalniettemin is het vrijwel onmogelijk dat opgeboorde grond direct in contact komt met het
huidoppervlak van nek en gezicht. In het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' wordt 0,17 m2
gehanteerd.
 In de huidige versie van CSOIL2000 is het niet mogelijk om de parameter blootgesteld huidoppervlak
aan te passen.De invloed van de parameter blootgesteld huidoppervlak (AEXPao) op de risico -index is
heel minimaal. Hiervoor zijn diverse redenen te noemen:
1) dermale opname beperkt zicht tot de organische stoffen (zware metalen vallen af);
2) dermale opname is een route welke beperkt van belang is, gezien andere blootstellingsroutes,zoals
ingestie van grond en de inhalatie van gassen;
3) het blootgestelde huidoppervlak is relatief klein, waardoor de invloed ook kleiner is. De
blootstellingsroute pas een rol spelen als alle andere blootstellingsroutes niet van toepassing zijn.
(Ellen Brand, RIVM 7september 2015, mailcorrespondentie).
Parameter periode van blootstelling door bodem, volwassene, buiten (TBao)
De veldwerker werkt per dag gemiddeld 8 uur voor de werkgever. In de werktijd van 8 uur zit
over het algemeen 1 uur reistijd (van kantoorlocatie naar werklocatie) en 1 uur administratieve
handelingen, het pakken van boorgereedschappen, het schoonmaken van boorgereedschappen het
netjes achterlaten van de onderzoekslocatie, die voortkomen uit de desbetreffende BRL’s
(bodemrichtlijnen) voor het uitvoeren van bodemonderzoek. Dit houdt in dat de parameter periode
van blootstelling door bodem, volwassene buiten (TBao) bijgesteld dient te worden naar de
maximale blootstellingsperiode van de veldwerker. Het continu zeer intensief en inspannend
werken wordt als niet realistisch gezien, doch kan kortdurend voorkomen.
Op basis van de analyse zou de periode van blootstelling aan bodem van de veldwerker, onder normale
werkcondities, kunnen worden gewijzigd naar 6 uur/dag. Het verhogen naar 8 uur/dag is, niet aan de
orde, omdat de veldwerker zeer zelden in de praktijk zolang wordt blootgesteld aan dermaal contact en
dit dus als incidenteel mag worden beschouwd. Tijdens werkzaamheden in het bodemonderzoek zal de
veldwerker niet elke werkdag maximaal 6 uur/dag worden blootgesteld aan dermaal contact met
bodemdeeltjes, doordat de werkzaamheden zeer divers zijn. Zo kan het zijn dat de veldwerker op een
werkdag een locatiebezoek en watermonsternames uitvoert, bij deze werkzaamheden is er geen
dermaal contact met bodemdeeltjes. In het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' wordt 1,14 uur/dag
gehanteerd.
- 26 -
Parameter hoeveelheid zwevende bodemdeeltjes uit lucht (TSP)
Tijdens werkzaamheden in het bodemonderzoek heeft de veldwerker een intensiever contact met de
bodem, zoals beschreven in hoofdstuk 3. Tijdens een bodemonderzoek met als doel het aantonen van
asbest in de bodem, dient de veldwerker opgeboorde bodem te zeven. Door het zeven van grond
verspreiden bodemdeeltjes zich in de lucht. Deze bodemdeeltjes kunnen makkelijker worden
meegenomen door de lucht, zodat de veldwerker die meestalop armlengte afstand (circa 1 meter) de
bodemdeeltjes kan inhaleren. Op basis van de analyse zou de gehalte van geïnhaleerde bodemdeeltjes
uit de lucht door de veldwerker, onder normale werkcondities, kunnen worden gewijzigd naar 80*10-3
mg/m3
. Tijdens werkzaamheden in het bodemonderzoek zal de veldwerker niet elke werkdag worden
blootgesteld aan het inhaleren van bodemdeeltjes uit de lucht, doordat de werkzaamheden zeer divers
zijn. Zo kan het zijn dat de veldwerker op een werkdag een locatiebezoek en watermonsternames
uitvoert, bij deze werkzaamheden is er nauwelijks kans op het inhaleren van bodemdeeltjes uit lucht.
Het verhogen naar een hoger gehalte voor geïnhaleerde bodemdeeltjes is, niet aan de orde, omdat de
veldwerker in de praktijk niet altijd de bodem hoeft te zeven. In het blootstellingsscenario 'wonen met
tuin' wordt 70*10-3
mg/m3 gehanteerd.
 De waarde die de auteur hanteert voor hoeveelheid zwevende bodemdeeltjes is een ruwe aanname van
de werkelijkheid in samenspraak met Ellen Brand en Piet Otten (RIVM). De exacte waarde voor de
hoeveelheid bodemdeeltjes dient in een praktijkonderzoek te worden vastgesteld.Door het wijzigen van
de parameter hoeveelheid zwevende deeltjes (TSP) veranderd ook de parameter geïnhaleerde
bodemdeeltjes (ITSPa). In de huidige versie van CSOIL2000 is het enkel mogelijk om de parameter
hoeveelheid zwevende bodemdeeltjes (TSP) aan te passen.
Parameter inhalatieperiode volwassene buiten (TIao)
De veldwerker werkt per dag gemiddeld 8 uur voor de werkgever. In de werktijd van 8 uur zit over het
algemeen 1 uur reistijd (van kantoorlocatie naar werklocatie) en 1 uur administratieve handelingen, het
pakken van boorgereedschappen, het schoonmaken van boorgereedschappen het netjes achterlaten van
de onderzoekslocatie, die voortkomen uit de desbetreffende BRL’s (bodemrichtlijnen) voor het
uitvoeren van bodemonderzoek. Het continu zeer intensief en inspannend werken wordt als niet
realistisch gezien, doch kan kortdurend voorkomen.
Op basis van de analyse zou de inhalatieperiode volwassene buiten (TIao), onder normale
werkcondities, kunnen worden gewijzigd naar 6 uur/dag. Tijdens werkzaamheden in het
bodemonderzoek zal de veldwerker niet elke werkdag maximaal 6 uur/dag worden blootgesteld aan
inhalatie van dampen, doordat de werkzaamheden zeer divers zijn. Zo kan het zijn dat de veldwerker
op een werkdag geen intensieve grond bewerking (diepe boringen/zeven van grond) uitvoert en enkel
wordt blootgesteld aan de dampen in de lucht in de nabije omgeving tijdens de werkzaamheden (denk
aan locatiebezoek of watermonstername BRL2002). In het blootstellingsscenario 'wonen met tuin'
wordt 1,14 uur/dag gehanteerd.
- 27 -
Om hoofdstuk 3.4.2 te verduidelijken is tabel 6 gemaakt door de auteur, die inzichtelijk maakt welke
parameters de blootstellingsscenario's ten opzichte van elkaar hanteren. Elke andere parameters is niet
gewijzigd.
3.4.3 Gevoeligheidsanalyse CSOIL2000
In hoofdstuk 4.4 wordt het blootstellingsmodel CSOIL2000 met het nieuw te vormen
blootstellingsscenario ‘veldwerker’onderworpen aan een gevoeligheidsanalyse. Een
gevoeligheidsanalyse is een manier om de onzekerheid rondom effectinschattingen in CSOIL2000 te
onderzoeken. In een gevoeligheidsanalyse bekijkt men wat het effect van een verandering van één
veronderstelling is op de uitkomst van de risico-index (blootstelling versus MTRhumaan). In deze
gevoeligheidsanalyse wordt voor elke gewijzigde parameter in het model nagegaan, hoe sterk de
waarde van de uitvoervariabele verandert als gevolg van een van 10% (of meer) van de waarde van
die invoervariabele.
- 28 -
4. Resultaten
4.1 Resultaten interne enquête Grondslag B.V.
Uit een interne enquête van Grondslag B.V.,blijkt dat veldwerkers onderling van mening verschillen
of de maatregelen om de gezondheidsrisico’s die zij lopen te minimaliseren, wel nodig zijn. De
verschillen in mening ontstaan door de CROW 132. De CROW 132 bevat geen standaard
beschermingspakket voor veldwerkers voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek. Er
wordt gerefereerd aan de bevindingen in het historisch vooronderzoek of bij een hoge kans van
aantreffen van een verontreiniging. Bij een onbekende bodemsituatie zijn alle persoonlijke
beschermingsmaatregelen van toepassing. Hierdoor interpreteren de milieuadviesbureaus (werkgevers
van veldwerkers) de wet- en regelgeving omtrent de bescherming van de veldwerker ten aanzien van
de blootstelling verschillend.
Er ontstaan situaties waarbij veldwerkers gezondheidsrisico’s lopen, omdat men de te nemen
maatregelen niet serieus neemt. Men draagt bijvoorbeeld geen handschoenen of overall tijdens het
werk omdat 'het allemaal wel meevalt'. Het komt voor dat veldwerkers fysiek onnodig zwaar worden
belast door het dragen van een overall en adembescherming terwijl er geen blootstellingsrisico bestaat.
Als een blootstellingsrisico ontbreekt en er toch maatregelen worden getroffen, wordt er ook onnodig
geld uitgegeven aan die maatregelen.
4.2 Resultaten literatuuronderzoek
Hoofdstuk 3.2.1 Wetgeving
Uit het literatuuronderzoek is gebleken dat de veldwerker voorafgaand en tijdens werkzaamheden in
het verkennend bodemonderzoek onvoldoende weet in welke bodemfunctieklasse de opgeboorde
bodem is geclassificeerd. Momenteel wordt de inzet van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM's)
op de te verwachten verontreinigingen van het werkterrein en op basis van historisch vooronderzoek
bepaald.
Bij het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek kan nog geen veiligheidsklasse worden
bepaald. De veldwerker heeft geen exacte waarden van opgeboord materiaal en kan geen
bodemfunctieklasse tijdens het veldwerk beoordelen. Hiervoor zijn gegevens van een
milieulaboratorium nodig. Hierdoor is het mogelijk dat werkzaamheden zonder (PBM's) worden
uitgevoerd, die na analyse in een milieulaboratorium toch onder de veiligheidsklasse 'basis of T-klasse'
hadden moeten worden uitgevoerd.
Hoofdstuk 3.2.2 Handelingen van de veldwerker
Uit het literatuuronderzoek is gebleken dat, de veldwerker in algemene zin een bodembewerking
uitvoert. De werkzaamheden van een veldwerker zijn zeer divers en bezitten geen regelmaat. Tijdens
zijn werkzaamheden komt de veldwerker meer in aanraking met chemische stoffen in de bodem dan
een persoon in een woonomgeving. De veldwerker kan bij zijn werkzaamheden in de bodem
gassen/dampen laten ontsnappen aan de bodem. Door middel van het zeven van grond kan de
veldwerker meer gronddeeltjes verspreiden in de lucht.
Hoofdstuk 3.2.3 Omgevingsfactoren en werkterrein
Uit het literatuuronderzoek is gebleken dat, de veldwerker werkt op verschillende werkterreinen. Het
inzetten van PBM is niet bij elk werkterrein verplicht, doch opdrachtgevers verplichten van
bodemonderzoek bij sommige werkterreinen een standaarduitrusting die veiligheid en gezondheid
moet waarborgen.
- 29 -
4.3 Resultaten blootstellingsroutes
Uit het literatuuronderzoek is gebleken dat voor de veldwerker niet alle blootstellingsroutes van
toepassing zijn tijdens werkzaamheden in het bodemonderzoek. Sommige blootstellingsroutes moeten
niet worden meegenomen bij het beoordelen van blootstelling richting de veldwerker. Tijdens de
werkzaamheden kan de veldwerker met de handen grond aanraken,gronddeeltjes inademen of
blootgesteld worden aan gassen/dampen vanuit een verontreinigde bodem. Het opeten van grond komt
niet voor, al kan wel grond worden binnengekregen door niet de arbeidshygiënische strategie te
volgen.
Figuur 1: Blootstellingsroutes veldwerkerin vergelijking tot blootstellingsroutes personen in
woonomgeving.
4.3.1 Invulling standaardpakket PBM
Uit literatuuronderzoek is gebleken dat de CROW 132 niet stuurt op het voorkomen van
blootstellingroutes.
Er moet een eenduidige passage worden opgesteld door het platform CROW 132 die de bescherming
van de veldwerker kan garanderen. In circa 90% van de bodemonderzoeken is het risico op
blootstelling van niet-vluchtige chemische stoffen te verminderen door inzet van een standaardpakket
PBM. Het standaardpakket PBM biedt geen overmaat van bescherming en is eenvoudig te dragen.
Dit standaardpakket PBM stuurt direct aan op parameters die van toepassing zijn bij de
blootstellingsroutes van de veldwerker. De altijd te nemen maatregelen om de blootstelling te
verkleinen en daarmee de veiligheid en gezondheid voor de veldwerker op langere termijn te
garanderen zijn:
 Het dragen van een geweven katoenen overall (bij voorkeur fluoriserend geel/oranje).
 Het dragen van hoge veiligheidsschoenen (S3) of laarzen (S5) met stalen neus.
 Het dragen van handschoenen gericht op de activiteit van de veldwerker.
 Het beschikbaar hebben van een PID-meter.
 Het beschikbaar hebben van een bodemvochtmeter.
 Verbod op dragen van standaardpakket PBM in veldwerkbus.
Geweven katoenen overall
De geweven katoenen overall moet bij voorkeur zijn voorzien van fluoriserende geel/oranje
reflectiestrepen. De geweven katoenen overall helpt om de veldwerker zichtbaar te maken voor andere
mensen, waardoor het risico van een plotseling ongeval bij werkzaamheden in bebouwde kom of langs
wegen en treinsporen zal verminderen. Het verplicht maken van het dragen van een brandvertragende
en elektrostatische overall voor de veldwerker is niet aan de orde, omdat bij circa 90% van de
werkzaamheden in de bodem dit risico niet wordt verwacht. Het dragen van een geweven katoenen
overall, zorgt voor bedekking van het huidoppervlak. Door een gereduceerd huidoppervlak, wordt er
preventief gestuurd op de blootstellingsroutes van de veldwerker tijdens het bodemonderzoek.
Geschikt schoeisel
Het schoeisel van de veldwerker moet voorzien zijn van een stalen neus. Een stalen neus beschermt de
voet tegen beschadigingen, door het vallen van voorwerpen en het stoten tegen voorwerpen. De
veiligheidsschoenen dienen van een hoog model te zijn, zodat de geweven katoenen overall over de
enkels en onderbenen vallen. Hierdoor hebben chemische stoffen een verminderde kans op het
bereiken van het huidoppervlak van de veldwerker. Door een gereduceerd huidoppervlak, wordt er
preventief gestuurd op de blootstellingsroutes van de veldwerker tijdens het bodemonderzoek.
- 30 -
Handschoenen
Handschoenen worden door de veldwerker gedragen, om te voorkomen dat chemische stoffen uit de
bodem niet kunnen worden opgenomen door de huid bij de handen. De opgeboorde grond kan niet
onder nagels en aan de handen van de veldwerker blijven plakken. Door een gereduceerd
huidoppervlak en minder mogelijkheden tot ingestie van grond, wordt er preventief gestuurd op de
blootstellingsroutes van de veldwerker tijdens het bodemonderzoek.
Luchtkwaliteitsmetingen op basis van blootstellingsrisico
De veldwerker krijgt tijdens zijn werkzaamheden in het bodemonderzoek wellicht te maken met
vluchtige chemische stoffen. Deze vluchtige chemische stoffen verdampen uit de bodem en komen in
de lucht terecht. Naast een standaardpakket PBM moet de veldwerker een gekalibreerde Photo
Ionisation Detector (PID) beschikbaar hebben om vluchtige stoffen te kunnen detecteren en daarmee
het risico op blootstelling aan vluchtige stoffen te verminderen.Vluchtige chemische stoffen zoals
BTEXN, minerale olie en VOCLkunnen tijdens werkzaamheden in de bodem aan de lucht verdampen
en waargenomen worden door een verkleurde grond (zwart) of passieve geurwaarnemingen. De
veldwerker moet de PID-meter gaan inzetten als meetapparatuur bij een verkleurde grond (zwart) of
passieve geurwaarnemingen, zoals de CROW 132 ook voorschrijft.
Door de auteur is een werkwijze ontwikkeld voor de veldwerker, wanneer en op welke wijze de
luchtkwaliteitsmetingen moeten worden ingezet. De werkwijze is niet in de praktijk getest op
haalbaarheid en functioneren, om dit te achterhalen moet er een praktijkonderzoek gedaan worden. De
werkwijze van luchtkwaliteitsmetingen wordt weergegeven in bijlage VI.
Bodemvochtmetingen
De veldwerker krijgt tijdens zijn werkzaamheden in het bodemonderzoek te maken met een droge
bodem (bodemvochtgehalte <10%). De droge bodem kan door wind op de locatie worden
meegenomen en via de lucht ingeademd worden door de veldwerker. Indien het bodemvochtgehalte
onder de 10% wordt gemeten zijn beschermingsmaatregelen nodig in de vorm van bevochtiging van
de bodem (besproeien of nat maken). Er wordt preventief gestuurd op de blootstellingsroute inhalatie
van verontreinigde gronddeeltjes van de veldwerker tijdens bodemonderzoek.
Dragen van standaardpakket PBM in de veldwerkbus
Het dragen van een standaardpakket PBM zal verboden moeten worden in de cabine van de
veldwerkbus. Door werkzaamheden in de bodem kunnen de geweven katoenen overall, schoeisel en
handschoenen vies worden en zullen gronddeeltjes zich aanhechten. Het dragen van een
standaardpakket PBM zal leiden tot activering van indirecte blootstellingsroutes en daarmee een
blootstellingsrisico vormen.
4.3.2 Opschalen in PBM-pakketten
In bijlage VII kan een bodemadviseur, projectleider of projectrunner de veldwerker op voorhand
instrueren tot het verplicht dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen op basis van historisch
vooronderzoek of bevindingen uit recent uitgevoerd verkennend bodemonderzoek. Het flowschema in
bijlage VII is gecreëerd door medewerkers van Grondslag B.V. Het flowschema dient binnen het
milieuadviesbureau als aanvulling op de standaard veldwerkformulieren ter voorbereiding van het
verkennend bodemonderzoek.
Bijlage VII kan tevens dienen als leidraad voor de veldwerker bij het opschalen in persoonlijke
beschermingsmiddelen pakketten tijdens het zintuiglijk waarnemen van afwijkingen in de bodem
- 31 -
4.4 Resultaten berekenen van blootstelling veldwerker
Vergelijking risico-index 'wonen met tuin' versus 'veldwerker' in CSOIL2000
De uitwerking van het blootstellingsscenario ‘wonen met tuin’ en het nieuw te vormen
blootstellingsscenario ‘veldwerker’in CSOIL2000 is weergegeven in bijlage VIII en is vereenvoudigd
in tabel 7.
De concentratie van de chemische stof is weergeven bij een lutumgehalte van 21% en een organische
stofgehalte van 35%. De humus- en lutumcorrectie is gesteld op 95 percentiel waarde van de bodem in
Nederland. Bij deze waarden zijn de toegestane gehalten van stoffen in de bodem het hoogst. 95% van
de bodem in Nederland heeft een lager gehalte dan de waarde die is ingesteld voor de concentratie stof
in de bodem (Cs). Alle chemische stoffen van het standaardanalyse pakket bodem (9 zware metalen,
minerale olie, PAK en PCB) zijn verhoogd. Andere chemische stoffen worden niet standaard
geanalyseerd in het verkennend bodemonderzoek.
In het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' vormen de chemische stof kobalt en PCB-28 een risico
(RI>1). Voor alle andere chemische stoffen geldt dat er geen blootstellingsrisico is het
blootstellingsscenario 'wonen met tuin' (RI<1).
Door de wijzigingen in blootstellingsroutes en diverse parameters is de risico-index gedaald, zodanig
er een verwaarloosbaar risico meer is (RI<0,1) in het blootstellingsscenario 'veldwerker'. Daarnaast is
de wijziging van doelgroep van personen van invloed op de risico-index (kinderen + volwassene
versus volwassene).
De blootstellingsroutes dermaal contact met bodemdeeltjes binnen, inhalatie van dampen binnen,
consumptie van verontreinigde groenten en contact met verontreinigd drinkwater zorgen er voor dat in
het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' een risico optreedt bij de stoffen kobalt en PCB-28. De
verklaring voor het blootstellingsrisico van kobalt en PCB-28 moet gezocht worden in de
blootstellingsroute gewasconsumptie. Gewassen nemen kobalt en PCB-28 op in wortels of knollen. Na
ingestie van deze gewassen bestaat er blootstelling die hoger reikt dan de MTRhumaan. Daarnaast bestaat
de kans dat PCB-28 via visolie, fruit, granen en graanproducten het lichaam binnenkomt. Dermaal
contact, inhaleren en contact met verontreinigd drinkwater met kobalt en PCB's is zeer beperkt, omdat
de chemische stoffen immobiel zijn en slecht oplosbaar zijn in water. (1)
(1) EFSA (2005, met update juli 2006) Opinion of the scientific panel on contaminants in the foodchain on a request from the
Commission related to the presence of non dioxin-like polychlorinatedbiphenyls (PCB) in feed and food (quest ion N°EFSA-Q-
2003- 114).
- 32 -
Uit tabel 7 valt te concluderen dat de risico-index een afname laat zien (behalve bij nikkel). De
veldwerker heeft door zijn handelen in het bodemonderzoek een verwaarloosbaar blootstellingsrisico
aan chemische stoffen in de bodem. Doordat in de huidige versie van CSOIL2000 de parameters
lichaamsgewicht (Bwa) en blootgesteld huidoppervlak (AEXPao) niet kunnen worden aangepast komt
het risico-index bij het blootstellingsscenario 'veldwerker' wellicht lager uit dan in tabel 7 is
weergegeven. Het verdient de aanbeveling dat het RIVM het
blootstellingsmodel CSOIL2000 de parameters toegankelijk maakt om wijzigingen in aan te brengen,
zodat een valide blootstelling kan worden berekend.
Wanneer de veldwerker zich niet beschermt tegen ingestie van grond, dermaalcontact met
bodemdeeltjes, inhalatie van bodemdeeltjes zullen de diverse parameters in het blootstellingsmodel
CSOIL2000 hoger moeten worden ingeschat, wat resulteert in een toename van het risico-index en
daarmee een verhoogd risico op gezondheidsklachten op korte en/of lange termijn.
4.4.1 Gevoeligheidsanalyse CSOIL2000
De gevoeligheidsanalyse is uitgevoerd onder dezelfde condities van de vergelijking van het risico-
index tussen de blootstellingsscenario in hoofdstuk 4.4. Door de één van de parameters te wijzigen,
terwijl de andere te wijzigen parameters constant te houden, worden veranderingen tussen de
procentuele verandering in invoerwaarde en de procentuele verandering in uitvoerwaarde inzichtelijk
gemaakt.
Gevoeligheidsanalyse dagelijkse inname (AIDa)
De variabele dagelijkse inname (AIDa) wordt veranderd in 0,1*10-5
kg d.s/dag, 0,5*10-5
kg d.s/dag,
5,0*10-5
kg d.s/dag en 10,0*10-5
kg d.s/dag. In hoofdstuk 3.4.2 is de variabele als basis ingesteld op
1,0*10-5
kg d.s/dag. De gegevens zijn gehaald uit bijlage IX.
- 33 -
Zware metalen
De blootstellingsroute ingestie van grond draagt voor circa 92% bij aan de risico-index, voor de
chemische stof lood is dit 89% (kolom 3). De blootstellingsroute ingestie van grond is de belangrijkste
blootstellingsroute van zware metalen op de risico-index. Wanneer de parameter dagelijkse inname
procentueel wordt verlaagd, gaat procentuele bijdrage aan de risico-index van ingestie grond omlaag
naar circa 52%, voor de chemische stof lood 44% (kolom 1). De procentuele bijdrage van de
blootstellingsroute inhalatie van grond (45%) is dan nagenoeg gelijk aan de procentuele bijdrage van
de blootstellingsroute ingestie van grond. Wanneer de parameter dagelijkse inname procentueel wordt
verhoogd, gaat de procentuele bijdrage aan de risico-index van ingestie van grond omhoog naar circa
99% (kolom 5). De procentuele bijdrage aan de risico-index komt af van de blootstellingsroute
inhalatie van gronddeeltjes. Bij de zware metalen barium, cadmium, kobalt, lood, kwik(anorganisch)
en molybdeen is er een lineair verband te ontdekken tussen de procentuele verandering van de
invoerwaarde met de procentuele verandering van de uitvoerwaarde. Bij de zware metalen koper,
nikkel en zink is de MTRhumaan significant veel hoger dan barium, cadmium, kobalt, lood, kwik
(anorganisch) en molybdeen, hierdoor is er geen verandering in de risico-index bij een procentuele
verandering in de uitvoerwaarde zichtbaar.
PAK, PCB en minerale olie
De blootstellingsroute ingestie van grond draagt voor circa 25% bij aan de risico-index, (kolom 3).
Wanneer de parameter dagelijkse inname procentueel wordt verlaagd, gaat procentuele bijdrage aan de
risico-index van ingestie grond omlaag naar circa 3%. Wanneer de parameter dagelijkse inname
procentueel wordt verhoogd, gaat de procentuele bijdrage aan de risico-index van ingestie van grond
contact omhoog naar circa 77% (kolom 5). De procentuele bijdrage aan de risico-index komt af van de
blootstellingsroute inhalatie van gronddeeltjes. Bij de chemische stof PCB-28 is er een verband te
ontdekken tussen de procentuele verandering van de invoerwaarde met de procentuele verandering van
de uitvoerwaarde. Dit komt doordat het MTRhumaan van PCB-28 zeer klein is (1,0*10-5 mg/kg
lichaamsgewicht/dag). Het MTRhumaan van naftaleen (4,0*10-2 mg/kg lichaamsgewicht/dag) en
minerale olie (2,0 mg/kg lichaamsgewicht/dag) ligt hoger, waardoor er geen effect optreedt in de
risico-index.
Resultatenanalyse
De gevoeligheidsanalyse laat zien dat de parameter dagelijkse inname (AIDa) effect heeft op het
risicoindex. De verklaring hiervoor is de blootstellingsroute ingestie van grond een grote procentuele
bijdrage heeft aan de risico-index. De chemische stoffen barium, cadmium, kobalt, lood, kwik
(anorganisch), molybdeen en PCB-28 zijn gevoelig in een procentuele wijziging van de parameter
dagelijkse inname, doordat het MTRhumaan van deze chemische stoffen klein is. Desalniettemin geeft
een procentuele wijziging van de parameter dagelijkse inname geen blootstellingsrisico (RI<1). Bij de
chemische stoffen koper, nikkel, zink, naftaleen en minerale olie is geen effect merkbaar op de risico-
index, omdat het MTRhumaan van deze chemische stoffen hoog is.
- 34 -
Gevoeligheidsanalyse 'periode van blootstelling door bodem' (TBao)
De variabele periode van blootstelling door bodem (TBao) wordt veranderd in 2 uur/dag, 4 uur/dag, 8
uur/dag en 10 uur/dag. In hoofdstuk 3.4.2 is de variabele als basis ingesteld op 6 uur/dag. De gegevens
zijn gehaald uit bijlage X.
Zware metalen
De blootstellingsroute dermaal contact van gronddeeltjes draagt voor 0% bij aan de risico-index
(kolom 3). De blootstellingsroute ingestie van grond (90%) en inhalatie van gronddeeltjes (9 %) zijn
de primaire blootstellingsrisico's van zware metalen aan de risico-index. De parameter periode van
blootstelling van bodem is niet van toepassing bij zware metalen, omdat zware metalen niet dermaal
opgenomen kunnen worden door het lichaam. Hierdoor hebben wijzigingen in de parameter periode
van blootstelling door bodem geen effect op de risico-index.
PAK, PCB en minerale olie
De blootstellingsroute dermaal contact draagt van PAK,PCB en minerale olie voor circa 70% bij aan
de risico-index (kolom 3). Wanneer de parameter periode van blootstelling door bodem procentueel
wordt verlaagd, gaat procentuele bijdrage aan de risico-index van dermaal contact omlaag naar circa
45% (kolom 1). De overige bijdrage aan de risico-index verschuift naar de blootstellingsroute ingestie
van grond. Wanneer de parameter periode van blootstelling door bodem procentueel wordt verhoogd,
gaat de procentuele bijdrage aan de risico-index van dermaal contact omhoog naar circa 81% (kolom
5). De procentuele bijdrage aan de risico-index komt af van de blootstellingsroute ingestie van grond.
Bij de stof PCB-28 is de invoerwaarde vrijwel gelijk aan het resultaat in de uitvoerwaarde. Dit komt
doordat het MTRhumaan van PCB-28 zeer klein is (1,0*10-5
mg/kg lichaamsgewicht/dag). Het
MTRhumaan van naftaleen (4,0*10-2
mg/kg lichaamsgewicht/dag) en minerale olie (2,0 mg/kg
lichaamsgewicht/dag) ligt hoger, waardoor er geen effect optreedt in de risico-index.
Resultatenanalyse
De gevoeligheidsanalyse laat zien dat de parameter periode van blootstelling door bodem (TBao)
nagenoeg geen effect heeft op het risico-index. De verklaring hiervoor is dat andere
blootstellingsroutes zwaarder bijdragen aan de risico-index, dan de blootstellingsroute dermaal contact
met verontreinigde bodemdeeltjes buiten. Wijzigingen in de parameter periode van blootstelling door
bodem heeft geen effect op de zware metalen, PAK en minerale olie. Wijzigingen in de parameter
periode van blootstelling door bodem heeft effect op de chemische stof PCB-28,desalniettemin geeft
de gevoeligheidsanalyse voor alle chemische
stoffen geen blootstellingsrisico (RI<1).
- 35 -
Gevoeligheidsanalyse 'inhalatieperiode volwassene buiten' (TIao)
De variabele inhalatieperiode volwassene (TIao) wordt veranderd in 2 uur/dag, 4 uur/dag, 8
uur/dag en 10 uur/dag. In hoofdstuk 4.2 is de variabele als basis ingesteld op 6 uur/dag. De
gegevens zijn gehaald uit bijlage XI.
Zware metalen
De blootstellingsroute inhalatie van gronddeeltjes draagt voor circa 9% bij aan de risico-index. Voor
de chemische stof lood is dit circa 11%. De blootstellingsroute ingestie van grond (90%) draagt het
meest bij aan de risico-index. Bij procentuele daling of stijging van de parameter inhalatieperiode
volwassene buiten is er geen verschuiving in de bijdrage van blootstellingsroute. Tevens blijft
dagelijkse blootstelling nagenoeg gelijk waardoor er geen effect wordt waargenomen in de
uitvoerwaarde.
PAK, PCB en minerale olie
De blootstellingsroute inhalatie van gronddeeltjes draagt voor circa 2% bij aan de risico-index. De
blootstellingsroute dermaal contact van bodemdeeltjes (70%) en ingestie van grond (25%) zijn de
primaire blootstellingsrisico's van PAK,PCB en minerale olie. Bij procentuele daling of stijging van
de parameter inhalatieperiode volwassene buiten is er geen verschuiving in de bijdrage van
blootstellingsroute. Tevens blijft dagelijkse blootstelling nagenoeg gelijk waardoor er geen effect
wordt waargenomen in de uitvoerwaarde.
Resultatenanalyse
De gevoeligheidsanalyse laat zien dat de parameter inhalatieperiode volwassene buiten (TIao) geen
effect heeft op het risico-index. De verklaring hiervoor is dat andere blootstellingsroutes zwaarder
bijdragen aan de risico-index dan de blootstellingsroute inhalatie gronddeeltjes in de buitenlucht. Er
blijft geen blootstellingsrisico (RI<1).
- 36 -
Gevoeligheidsanalyse 'hoeveelheid zwevende deeltjes buiten' (TSPo)
De variabele hoeveelheid zwevende deeltjes buiten (TSPo) wordt veranderd in 4,0*10-9
mg/m3
,
6,0*10-9
mg/m3
, 10,0*10-9
mg/m3
, 12,0*10-9
mg/m3
. In hoofdstuk 4.2 is de variabele als basis
ingesteld op 8,0*10-9
mg/m3
. De gegevens zijn gehaald uit bijlage XII.
Zware metalen
De blootstellingsroute inhalatie van gronddeeltjes draagt voor circa 9% bij aan de risico-index. Voor
dechemische stof lood is dit circa 11%. De blootstellingsroute ingestie van grond (90%) draagt het
meest bij aan de risico-index. Wanneer de parameter periode van blootstelling door bodem procentueel
wordt verlaagd, gaat procentuele bijdrage aan de risico-index van inhalatie van gronddeeltjes omlaag
naar circa 1% (kolom 1). De overige bijdrage aan de risico-index verschuift naar de blootstellingsroute
ingestie van grond. Wanneer de parameter periode van blootstelling door bodem procentueel wordt
verhoogd, gaat de procentuele bijdrage aan de risico-index van inhalatie van gronddeeltjes omhoog
naar circa 14% en zelfs 19% in geval van lood (kolom 5). De procentuele bijdrage aan de risico-index
komt af van de blootstellingsroute ingestie van grond. Voor de stof nikkel is de verandering in
invoerwaarde bijna gelijk aan verandering in uitvoerwaarde. Voor de stoffen koper en kwik
(anorganisch) is de uitvoerwaarde waarschijnlijk afgerond naar een geheel getal. Voor stof kobalt is er
een lineair verband tussen de verandering in invoerwaarde en de verandering in uitvoerwaarde,
desalniettemin is de verandering in invoerwaarde niet even groot als de verandering in uitvoerwaarde.
De verandering in de uitvoerwaarde van chemische stoffen kobalt en nikkel is te verklaren, doordat
kobalt en nikkel zich bindt aan luchtpartikels, verdacht zijn van carcinogene eigenschappen via
inhalatie en het ademhalingsstelsel beschadigd bij langdurige of herhaalde blootstelling via inademing.
(1) (2)
(1) Steunpunt beleidsrelevant onderzoek,3de generatie, Miliieuen Gezondheid, factsheet nikkel, http://www.milieu-engezondheid.
be/onderzoek/luik%2021/factsheets/zware_metalen-nikkelpdf.pdf, geraadpleegd23-9-2015
(2) Lenntech,water treatment solution, gezodnheidseffecten van kobalt,
http://www.lenntech.nl/periodiek/elementen/co.htm#Gezondheidseffecten%20van%20Kobalt, geraadpleegdop 23-9-2015
- 37 -
PAK, PCB en minerale olie
De blootstellingsroute inhalatie van gronddeeltjes draagt van PAK,PCB en minerale olie voor 2% bij
aan de risico-index. De blootstellingsroute dermaal contact van bodemdeeltjes (70%) en ingestie van
grond (25%) zijn de primaire blootstellingsrisico's van PAK,PCB en minerale olie aan de risico-index.
Bij procentuele daling of stijging van de parameter inhalatieperiode volwassene buiten is er nagenoeg
geen verschuiving in de bijdrage van blootstellingsroute. Dit is te verklaren door dat PAK,PCB en
minerale olie vervluchtigen aan de buitenlucht en daardoor niet aan gronddeeltjes blijven 'plakken'. De
dagelijkse blootstelling blijft nagenoeg gelijk, waardoor er geen effect wordt waargenomen in de
uitvoerwaarde.
Resultatenanalyse
De gevoeligheidsanalyse laat zien dat de parameter inhalatieperiode volwassene buiten (TIao)
nagenoeg geen effect heeft op het risico-index. De verklaring hiervoor is dat andere
blootstellingsroutes zwaarder bijdrage aan de risico-index dan de blootstellingsroute inhalatie
gronddeeltjes in de buitenlucht. De risicoindex is zeer klein, zodat er geen marginaal effect te zien is in
een verhoging of verlaging, van de invoerwaarde bij de parameter inhalatieperiode volwassene buiten.
De gevoeligheidsanalyse blijft geen blootstellingsrisico (RI<1) weergegeven. De verandering in
invoerwaarde heeft effect op de verschuiving van de bijdrage van de blootstellingsroute inhalatie van
gronddeeltjes bij zware metalen.
- 38 -
5. Conclusie en aanbevelingen
5.1 Conclusie
Op basis van het afstudeeronderzoek heb ik de volgende conclusies opgesteld:
 Tijdens werkzaamheden in een verontreinigde bodem door de veldwerker zijn de
blootstellingsroutes ingestie van grond, dermaal contact met gronddeeltjes, inhalatie van
gronddeeltjes en inhalatie van vluchtige dampen/gassen van toepassing. Elke andere
blootstellingsroute, die geldend is voor personen in een woonsituatie, is niet van toepassing in de
werksituatie van de veldwerker.
 De onvoorspelbaarheid van de blootstelling bij werkzaamheden in een verontreinigde bodem is een
belangrijke onzekere factor voor het schatten van blootstellingsrisico's voor veldwerkers. Vanwege
de onvoorspelbaarheid van blootstelling is een werkwijze met metingen van actuele blootstelling
bij veldwerkers, vooral voor vluchtige chemische stoffen uit de bodem, belangrijk.
 De blootstellingsroutes dermaal contact met bodemdeeltjes binnen, inhalatie van dampen binnen,
consumptie van verontreinigde groenten en contact met verontreinigd drinkwater zorgen er voor
dat in het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' een blootstellingsrisico optreedt bij de stoffen
kobalt en PCB-28 bij een concentratie die geldt voor de 95 percentiel humus- en lutumwaarde in
Nederland.
 De veldwerker heeft tijdens zijn werkzaamheden in het verkennend bodemonderzoek geen
blootstellingsrisico aan chemische stoffen uit het standaardanalysepakket AS3000 bij een
concentratie die geldt voor de 95 percentiel humus en lutumwaarde in Nederland.
 Een veldwerker die zich niet beschermd tegen de blootstellingsroutes ingestie van grond, dermaal
contact met bodemdeeltjes, inhalatie van bodemdeeltjes en inhalatie van gassen/dampen, zal leiden
tot wijzigingen van diverse parameters in het blootstellingsmodel CSOIL2000. Er zal een toename
van het risico-index plaatsvinden en daarmee een verhoogd risico op gezondheidsklachten op korte
en/of lange termijn.
 Door het verplicht stellen van een standaardpakket PBM in de CROW 132 tijdens het uitvoeren
van bodemonderzoek, ongeacht de bodemkwaliteit is de veldwerker optimaal beschermd tegen
chemische stoffen in de bodem, zonder dat een overmaat aan bescherming wordt gehanteerd. De
ontworpen werkwijze bij zintuiglijke afwijkingen en het flowschema voor het opschalen in PBM-
pakketten helpt de veldwerker bij onvoorziene blootstellingsrisico's tijdens werkzaamheden in het
bodemonderzoek.
5.2 Aanbevelingen
Naar aanleiding van het afstudeeronderzoek worden de volgende aanbevelingen gedaan:
 De CROW 132 dient de veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van blootstellingsrisico’s bij
veldwerkers passend te maken door een eenduidige passage op te nemen. De
veiligheidsmaatregelen dienen niet meer te worden genomen op basis van verwachte
bodemkwaliteit of historisch vooronderzoek, maar op het preventief voorkomen van blootstelling
via de blootstellingsroutes van de veldwerker.
 Er moet een nieuw blootstellingsscenario 'veldwerker’ door het RIVM in CSOIL2000 worden
opgenomen, voor mensen die als professional bloot worden gesteld aan chemische stoffen vanuit
de bodem.
 Het RIVM moet in het blootstellingsmodel CSOIL2000 alle parameters toegankelijk maakt om
wijzigingen in aan te brengen, zodat een valide blootstelling kan worden berekend.
 De bodemadviesbureaus, ingenieursbureaus en andere branchegenoten uit de milieusector moeten
meer tijd besteden om veldwerkers te overtuigen 'netjes' en 'hygiënisch' te werken. Door in te
spelen op het gedrag en houding van de veldwerker kunnen veel blootstellingsrisico’s worden
verkleind en niet meer optreden.
 Onderhavig onderzoek uit te breiden met een praktijkonderzoek, omdat dit enkel een
literatuurstudie en modellering betreft. Het toepassen van het standaardpakket PBM en de
flowschema's dienen in de praktijk te worden getoetst op fouten en zwakten.
 De resultaten uit dit onderzoek niet alleen te gebruiken voor veldwerkers, maar ook voor andere
werknemers, die intensief bezig zijn met werkzaamheden in en met de bodem (bouwrijp maken,
proefboren, grondverzet, leggen van kabels en leidingen, bouwen van kunstwerken, straten maken,
groothandelaar zand en grond).
BIJLAGE I:
Beknopte enquête Grondslag B.V.
Februari 2014 Hans Hofmeester
Beknopte Enquête:
1. Als de veiligheidsklasse is vastgesteld, aan de hand van gemeten gehalten in
grond en grondwater, afkomstig uit een recent bodemonderzoek (dat geheel voldoet aan
alle eisen die er aan gesteld mogen worden conform de huidige wet- en regelgeving)
conform de systematiek, zoals beschreven in de CROW 132 of AI blad 22 en de uitkomst
luidt: basisklasse. Vindt u dan dat de maatregelen die genomen dienen te worden
conform CROW 132 of AI22:
Omcirkel het antwoord, dat u wilt geven
A. passend zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen
verontreinigingen;
B. te uitgebreid zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen
verontreinigingen;
C. te beperkt zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen
verontreinigingen.
Indien uw antwoord B of C is, wilt u ook aangeven welke maatregel(en) u te uitgebreid of te
beperkt vindt ? (dragen dicht-geweven overall, aanwezigheid van een DLP, etc.)
Gegeven antwoorden:
B dragen van laarzen in droge rioolsleuf is overbodig, dragen van wegwerpoverall ipv
dichtgeweven overall (hoge kosten en afval productie), beter onderricht aan werknemers,
maakt DLP overbodig, hekken dichthouden voegt niets toe
A
A
A
C bij basisklasse wordt in 90% van de gevallen helemaal niets gedaan. Bodemvocht meten is
ook bij basisklasse verstandig. Onderzoek is ook niet dekkend (dus missers kun je ook aan
blootgesteld worden)
A: bij onverdacht, draag ik vaak geen overall
A
A
A
B maatregelen zijn niet nodig, want de grond levert geen risico voor de gezondheid op
B gezien het minimale risico vind ik een DLP niet nodig. Vaak heeft hij wieinig te doen en
risico’s zijn ook door de anderen goed in te schatten
A
A: er wordt wel veel geklaagd in het veld, maar het is ter bescherming van jezelf
A
A
A
Van de 16 respondenten gaven er:
12 (= 75%) het antwoord A
3 ( = 19%) het antwoord B
1 (= 6%) het antwoord C
De ruime meerderheid van de respondenten geeft aan dat de te nemen maatregelen passend
zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen verontreinigingen. Circa 20%
geeft aan dat de maatregelen te uitgebreid zijn en circa 5% vindt de maatregelen niet ver
genoeg gaan.
2. Indien uit de toetsing (CROW 132 of AI blad 22) blijkt dat er sprake is van een
T of F klasse. Vindt u dan dat de maatregelen die genomen dienen te worden conform
CROW 132 of AI22:
Omcirkel het antwoord, dat u wilt geven
A. passend zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen
verontreinigingen;
B. te uitgebreid zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen
verontreinigingen;
C. te beperkt zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen
verontreinigingen.
Indien uw antwoord B of C is, wilt u ook aangeven welke maatregel(en) u te uitgebreid of te
beperkt vindt ? (dragen saneringsoverall, het verrichten van metingen, etc.)
Gegeven antwoorden:
B, zie vraag 1, deco is veelal overbodig, wordt niet of verkeerd gebruikt, liever een goede
onderbouwing specifiek voor een project of stof onderbouwd met metingen in de praktijk,
niet door labproeven met ratten
A
Geen antwoord, weinig mee te maken
A
C beter en strakker meetregiem is noodzakelijk. Aannemers weten vaak te weinig over het
meten.
A
A, maar de meetfrequentie kan soms specifieker gericht worden op de omstandigheden
A
A
A
A
A
B: bij waterbodem is het doen van metingen veelal overbodig
B: filteroverdruk bij metalen vind ik een te fikse maatregel
A
C: brandvertragende of antistatische overall verplichtstellen bij explosie of brandgevaar
Van de 16 respondenten gaven er:
10 (= 62%) het antwoord A
3 ( = 19%) het antwoord B
2 (= 13%) het antwoord C
1 (= 6%) onthield zich van een antwoord
Ook hier geeft de ruime meerderheid van de respondenten aan dat de te nemen maatregelen
passend zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen verontreinigingen.
Opnieuw geeft circa 20% aan dat de maatregelen te uitgebreid zijn. Verder geeft 10% van de
respondenten aan dat de maatregelen niet ver genoeg gaan.
3. De antwoorden, die u bij vraag 1 en 2 heeft gegeven zijn generalisaties. Gelden
de antwoorden bij vraag 1 in :
Omcirkel het antwoord, dat u wilt geven
A. 25% van de voorkomende gevallen;
B. 50% van de voorkomende gevallen;
C. 75% van de voorkomende gevallen;
D. 100% van de voorkomende gevallen.
Gegeven antwoorden:
C
D
C
C
C
C
D
C
D
D
C
C
C
C
C
C
Van de 16 respondenten gaven er:
12 (= 75%) het antwoord C
4 ( = 25%) het antwoord D
De gegeven antwoorden gelden dus in 75 tot 100% van de gevallen.
4. De antwoorden, die u bij vraag 1 en 2 heeft gegeven zijn generalisaties. Gelden
de antwoorden bij vraag 2 in :
Omcirkel het antwoord, dat u wilt geven
A. 25% van de voorkomende gevallen;
B. 50% van de voorkomende gevallen;
C. 75% van de voorkomende gevallen;
D. 100% van de voorkomende gevallen.
Gegeven antwoorden:
C
C
Geen antwoord
C
B
D
C
C
C
C
C
C
C
C
C
C
Van de 16 respondenten gaven er:
13 (= 81%) het antwoord C
1 ( = 6%) het antwoord D
1 ( = 6%) het antwoord B
1 (= 6%) onthield zich van een antwoord
BIJLAGE II:
Handelingen van de veldwerker in SIKB protocollen
Protocol 1001
In protocol 1001 keurt de veldwerker een partij grond voor zijn herschikkingsbestemming. De
partij grond krijgt na analyse in het laboratorium een bodemkwaliteit mee volgens het Besluit
Bodemkwaliteit (BKK). De partij kan de bodemkwaliteiten krijgen: Vrij toepasbaar
(achtergrondwaarde), Wonen, Industrie of Niet Toepasbaar (> Industrie). De veldwerker
bepaalt op de locatie, door het meten van lengte, breedte en hoogte, het totale volume van de
partij grond. Aan de hand daarvan maakt de veldwerker een berekening om zijn raster te
bepalen. Systematisch boort de veldwerker de partij grond volgens uitgerekend raster van
boven naar beneden (boven partij grond tot maaiveldhoogte). Per verticaal geboorde 50
centimeter is 1 greep. Een partijkeuring is voldaan als er tenminste 100 grepen (50 grepen per
emmer) zijn genomen en beide emmers tenminste 10 kilogram wegen.
Er kan ook een partij grond gekeurd worden die zich nog in de bodem bevindt. Ook hierbij
geldt dat de lengte, breedte en uitgravingsdiepte bepalend is voor het raster. Ook hierbij is aan
een partijkeuring voldaan als er tenminste 100 grepen (50 grepen per emmer) zijn genomen
en beide emmers tenminste 10 kilogram wegen.
De veldwerker voert in protocol 1001 de volgende handelingen uit:
 Opmeten van lengte, breedte, hoogte of diepte
 Bepaling grondsoort
 Keuze van boorgereedschap
 Schets maken van partij grond
 Bepaling van aantal kubieke meters grond
 Uitrekenen van raster
 Maken van boorgaten volgens raster
 Separaat bemonsteren van grepen over 2 emmers
 Afwerken van de boorgaten
 Wegen van 2 emmers
 Verpakken, conserveren en transporten van partijkeuring emmers

Protocol 1002
Voor partijkeuringen van niet-vormgegeven bouwstoffen wordt protocol 1002 gehanteerd.
Niet-vormgegeven bouwstoffen zijn bijvoorbeeld: puinverhardingen (repac) op bouwplaatsen,
gravelveld van tennisbanen en stabilisatielagen onder wegen en perceelverhardingen, slakken.
Repac is een goed voorbeeld van niet-vormgegeven bouwstof. Repac is een product dat
meestal afkomstig is van puinbrekers. Slakken zijn vaak afvalproducten van hoogovens. Het
toepassen en hergebruik van deze niet-vormgegeven bouwstoffen is gebonden aan wetten en
regels uit het BKK.
De partijkeuring van niet-vormgegeven volgt deels dezelfde weg als protocol 1001. Op basis
van x,y en z-waarde worden uit 12 gelijk verdeelde vakken grepen genomen. Meestal wordt
de greep genomen met behulp van inzet van een hydraulische graafmachine.
De veldwerker voert in protocol 1002 de volgende handelingen uit:
 Opmeten van lengte, breedte, hoogte of diepte
 Bepaling korrelgrootte
 Schets maken van de partij niet-vormgegeven bouwstoffen
 Bepaling van aantal kubieke meters en tonnage van partij niet-vormgegeven
bouwstoffen
 Uitrekenen van x,y en z-waarde
 Inzet van hydraulische graafmachine (optioneel)
 Separaat bemonsteren van grepen over 2 emmers
 Wegen van 2 emmers
 Verpakken, conserveren en transporten van partijkeuring emmers
Protocol 2001
In protocol 2001 maakt de veldwerker een boorgat door middel van boorgereedschap tot de
gewenste boordiepte. De veldwerker kan er voor kiezen om de grond, na het maken van een
boorbeschrijving en het nemen van grondmonsters, het boorgat te voorzien van een peilbuis.
Via protocol 2002 kan de veldwerker, de week erna, grondwater uit de peilbuis onttrekken.
Als er niet wordt gekozen voor een peilbuis wordt het boorgat met de vrijgekomen grond in
dezelfde volgorde opgevuld.
De veldwerker voert in protocol 2001 de volgende handelingen uit:
 Keuze van boorgereedschap
 Maken van boorgat tot de gewenste diepte onder het maaiveld
 Plaatsen van een peilbuis (optioneel)
 Afwerken van geplaatste peilbuis (optioneel)
 Schoonpompen van een peilbuis (optioneel)
 Nemen van grondmonsters
 Beoordelen van grondmonsters (maken van een boorbeschrijving)
 Afwerken van het boorgat
 Verpakken, conserveren en transporten van grondmonsters
Protocol 2002
Voor het aantonen of het grondwater op een specifieke locatie is verontreinigd wordt protocol
2002 gebruikt. Het afbakenen van grondwaterverontreinigingen door bemonsteringen van het
grondwater in een bodemsanering of een monitoring van de grondwaterkwaliteit binnen een
provinciaal of landelijk meetnet valt eveneens onder protocol 2002. De veldwerker
bemonstert met behulp van een slangenpomp en plastic slangen een grondwatermonster uit de
peilbuis. Na het nemen van grondwatermonsters voert de veldwerker de gebruikte slangen af
als afval.
De veldwerker voert in protocol 2002 de volgende handelingen uit:
 Keuze van watermonsternameapparatuur
 Bepalen van grondwaterstand
 Onderzoek naar drijf- en zaklagen (optioneel)
 Voorpompen
 Kalibreren of controleren pH/EC-meter en troebelheidsmeter
 Meten van pH en EC
 Meten van troebelheid
 Nemen grondwatermonsters
 Nemen grondwatermonsters met filter (optioneel)
 Verpakken, conserveren en transporten van grondwatermonsters
Protocol 2003
Voor het bemonsteren van een waterbodem, het bepalen van het volume baggerspecie
met behulp van handmatige technieken of surveytechniek maakt de veldwerker
gebruik van protocol 2003. De veldwerker bemonstert met boorgereedschap de
waterbodem. Het waterbodemmonster kan worden genomen uit lijnvormige
watergangen (sloten) en niet lijnvormige watergangen (vijvers, meren, kanalen, open
water). Het volume wordt door de veldwerker bepaald met behulp van slibstokken.
De veldwerker voert in de protocol 2003 de volgende handelingen uit:
 Keuze van bemonsteringsapparatuur
 Bepalen van dikte van waterlaag
 Bepalen van dikte van sliblaag
 Bepalen van bodem onder de sliblaag
 Nemen van waterbodemmonster
 Nemen van bodemmonster onder sliblaag
 Verpakken, conserveren en transporteren van waterbodemonsters en
grondmonsters
Protocol 2018
Voor een verkennend en nader asbestonderzoek maakt de veldwerker gebruik van protocol
2018. Na een locatie-inspectie in het veld op aanwezige asbestverdachte materialen op het
maaiveld bepaalt de veldwerker waar de asbestmonsters moeten worden genomen.
De veldwerker voert in protocol 2018 de volgende handelingen uit:
 Keuze van bemonsteringsapparatuur
 Uitvoeren van locatie-inspectie
 Meten van bodemvochtpercentage
 Het graven van asbestgaten (optioneel)
 Het graven van asbestsleuf handmatig (optioneel)
 Het graven van asbestsleuf machinaal (optioneel)
 Het doorboren van een asbestgat of asbestsleuf tot gewenste diepte onder maaiveld
 Het zeven van vrijgekomen bodem uit asbestgaten of asbestsleuven
 Nemen van asbestmonsters (handpicking)
 Nemen van asbestgrondmonsters
 Verpakken, conserveren en transporten van asbestmonster en asbestgrondmonsters
BIJLAGE III
Boorgereedschappen Veldwerker
Edelmanboor
Edelmanboren zijn geschikt voor cohesieve gronden
(klei, leem en veen) boven en beneden de
grondwaterspiegel en voor niet-cohesieve grond (zand)
boven de waterspiegel. De boorkernen zijn weinig
geroerd en hebben relatief grote inhoud. Edelman boren
zijn te zien in figuur 1 de eerste 4 van bovenaf.
Figuur 1: Veldwerkboren
Van der Horstboor (slappe kleiboor)
De Van der Hortstboor is een afgeleide van de Edelmanboor. Door
zijn speciaal gezette snijkant is de van der Hortstboor geschikt voor
slappe grond en specie. In de praktijk is zijn grote lengte ook goed
bruikbaar gebleken voor bemonsteringsdoeleinden. De boorkernen
zijn weinig geroerd en hebben een grote inhoud. In figuur 2 is een
Van der Horstboor te zien.
Figuur 2: Van der Horstboor
Grindboor
De grindboor is te zien in figuur 1 (derde van rechts). De grindboor is een gesloten buis met aan de
onderzijde twee boorpunten. Deze twee boorpunten zijn iets naar buiten gebogen waardoor het boorgat
groter is dan de diameter van de gesloten buis. De grindboor is geschikt voor het boren in grindlagen en
puinverhardingen. In de gesloten buis blijft het grind zitten waardoor de gewenste diepte onder de grindlaag
kan worden bereikt. Voor het boren onder de grondwaterspiegel is de grindboor minder geschikt.
Riversideboor
De riversideboor is geschikt voor het handmatig boren in harde en stugge gronden met fijn grind, zowel in
boven als onder de grondwaterspiegel. De schuin naar beneden gerichte punten van de boorwangen schrapen
de grond los waarna het regelmatig in de buis wordt gestuwd. De vormgeving ondervindt de riversideboor
minimale wrijving met de grond. Fundatielagen en puinlagen worden regelmatig met de riversideboor
worden doorboort. De riversideboor is te zien in figuur 1 (tweede van rechts).
Spiraalboor
De spiraalboor boort als een kurkentrekker en snijdt de grond niet af. De spiraalboor wordt meestal gebruikt
voor het doorboren van harde lagen (oerlagen, krijt en kalkprofielen). De spiraalboor duwt bij het boren
stenen opzij en graaft met de speciaal gevormde punt een boorgat. Door de rechte vorm is er veel
wrijvingsweerstand bij het omhoog halen van de spiraalboor. De spiraalboor is te zien in figuur 1 (eerste van
rechts).
Guts
Met de gutsboor kan snel een groot profieloverzicht worden
verkregen, terwijl de grondmonsters minimaal geroerd zijn. De
gutsboor is bij uitstek geschikt voor lichtere gronden (veen,
klei, zandige of geroerde grond. Voor hardere gronden (leem
en stenige grond) zijn speciale gutsboren ontwikkeld. De
gutsboor is half cilindrisch met van boven naar beneden
lopende, evenwijdige snijkanten. De standaard werkzame
lengte zijn 50 en 100 centimeter. De gutsboor heeft een kleine
boorinhoud. In figuur 3 zie je een gutsboor.
Figuur 3: Gutsboor
Ramguts
Tijdens het bodemonderzoek wordt de ramguts de grond in
gedreven met een elektrische, pneumatische of hydraulische
hamer. Dit kan vanuit de hand gedaan worden of vanuit een
statief. Verlengstangen worden ingezet om de gewenste diepte te
bereiken. Na het terughalen van de ramguts kan een beschrijving
worden gemaakt of een proefmonster genomen worden van de
grond die zich in de guts bevindt. In figuur 4 zie je een ramguts.
Figuur 4: Ramguts
Zuigerboor of zandpomp
De zuigerboor bestaat uit een roestvrijstalen of
kunststof steekbuis waaraan verlengstangen kunnen
worden bevestigd. De steekbuis wordt middels het
stangenstelsel in de bodem gedrukt. De zuiger in de
steekbuis zorgt voor een onderdruk, waardoor het
monster gemakkelijker in de buis wordt opgenomen.
De zuigerboor is goed inzetbaar bij bemonstering van
de waterbodems bestaande uit vast slib en/of zand. Het
is niet goed mogelijk een monster te nemen in harde
klei- of veenpakketten.
Bij waterbodems met fijnzandige of slibrijke
samenstelling bestaat de mogelijkheid dat het monster,
omdat de steekbuis aan de onderzijde niet is
afgesloten, uit de steekbuis zakt.
Bij landbodem boringen wordt de zuigerboor veel
gebruikt om tot onder de grondwaterspiegel te boren.
In figuur 5 zie je een zuigerboor.
Figuur 5: Zuigerboor
Handpuls
Een handpuls is een metalen buis die aan de bovenzijde
open is en aan de onderzijde voorzien is van een
klepmechanisme dat er voor zorgt dat het opgehaalde
materiaal niet terugvalt. Door middel van pulseerde
bewegingen beweegt de handpuls zich verder de grond in.
De handpuls is geschikt voor zandige grond onder de
grondwaterstand. Hierbij wordt de grond stevig geroerd en
neemt deze aanwezig grondwater mee omhoog. In figuur 6
zie je een handpuls (boven de edelmanboor).
Figuur 6: Handpuls
Steekbus
De steekbushouder wordt door middel van een
schroevendraaier voorzien van een steekbus. De steekbus kan
alleen worden gebruikt in makkelijk doordringbare gronden, zowel
onder als boven het grondwaterniveau. Met de steekbushouder aan
een boorkruk druk de steekbus in de gewenste bodemlaag.
Wanneer de steekbus vol is, trek de steekbushouder met boorkruk
met een gelijkmatige beweging omhoog. Plaats aan beide zijde van
de gevulde steekbus metalen cilinders en afsluitdoppen.
Voorzie de steekbus van een sticker. De steekbus is
uitsluitend bedoeld voor analyse op vluchtige componenten
in de bodem. De gevulde steekbus is een ongeroerd
bodemmonsters. In figuur 7 zie je een steekbus.
Figuur 7: Steekbus
Grindzeef
De grindzeef wordt gebruikt bij asbestonderzoeken in
protocol 2018. Door de grindzeef horizontaal te bewegen
scheidt de bodem in een grove fractie en een fijne fractie.
De fijne fractie is de bodem die door de grindzeef van
doorgaans 16 mm gaat. De grove fractie van de bodem,
veelal grind en stenen blijven achter in de grindzeef. De
grindzeef kan ook gebruikt worden voor het zeven van
puingranulaat en fundatielagen onder wegen. Voor het
maken van asbestgrondmonsters is het van belang dat de
grond uit een asbestgat of asbestsleuf over een bodemzeef
is geweest. Door middel van verschillende grindzeven op
een toren te zetten kan de korrelgrootte van 31,5 mm, 16
mm, 8 mm en 4 mm worden bepaald uit een volume grond.
Voor kleinere korrelgrootte worden zandzeven gebruikt.
In figuur 8 zie je een grindzeef.
Figuur 8: Grindzeef
BIJLAGE IV:
Werkterreinen van de veldwerker
Openbaar terrein
De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek
verrichten op openbaar terrein. Tot het openbaar terrein rekenen we trottoirs, groenstroken,
bermen langs weg of fietspad, fietspaden en wegen in woonwijken. Het openbaar terrein is
vaak in bruikleen door meerdere groepen mensen en wordt onderhouden door gemeenten,
provincies en particulieren. Over het algemeen is de bodemkwaliteit bekend door
bodemkwaliteitskaarten van gemeenten. Deze bodemkwaliteit verschilt meestal per woonwijk
of per stadsdeel. Het is bekend dat van oorsprong in de bodem op sommige plekken van
nature een chemische stof boven de achtergrondwaarde aanwezig is. Op sommige plekken in
het openbaar terrein kan door toedoen van de bedrijfsactiviteiten van de mens de bodem zijn
verontreinigd met een chemische stof (>I)
Particulier terrein
De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek
verrichten op particulier terrein. Particulier terrein is in eigendom van een rechtspersoon. Tot
het particulier terrein horen stukken tuin en gebouwen voor opstal van goederen en voertuigen
op een perceel dat eigendom is van de rechtspersoon. Circa 80% van de werkzaamheden van
de veldwerker in het particulier terrein gebeurt in de buitenlucht. De overige 20% is inpandig.
Zonder toestemming van de rechtspersoon mag er niet geboord worden in het particulier
terrein. Op sommige plekken in het particulier terrein kan door toedoen van
bedrijfsactiviteiten van de mens de bodem zijn verontreinigd met een chemische stof (>I)
Industrieterrein
De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek
verrichten op industrieterreinen. Industrieterreinen kenmerken zich door veel verschillende
bedrijfsactiviteiten van de mens. Door bedrijfsactiviteiten in het heden en het verleden is het
aannemelijk dat de bodem is verontreinigd met een chemische stof. Antropogene
bijmengingen zorgen veelal voor een achtergrondwaarde overschrijding van zware metalen,
PAK, PCB en minerale olie. Op sommige plekken op het industrieterrein kan door het
toedoen van bedrijfsactiviteiten van de mens de bodem zijn verontreinigd met een chemische
stof (>I).
Tanklocaties
De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek
verrichten op tanklocaties. Tanklocaties zijn terreinen met een benzinepomp, ondergrondse
en/of bovengrondse tankinstallaties. De tanklocaties zijn voorzien van brandstof. Door
lekkage van kapotte leidingen of calamiteiten bij benzinepompen kan brandstof terecht komen
in de bodem rondom de tanklocatie. Een brandstofverontreiniging kenmerkt zich door sterke
olie-waterreacties en/of sterke brandstofgeur in grond en grondwater. Brandstof bezit
chemische stoffen zoals aromatische koolwaterstoffen benzeen, tolueen, ethyleen, xyleen,
naftaleen (BTEXN) en koolwaterstoffen (minerale olie C10-C40). Aromatische
koolwaterstoffen zijn giftig voor de mens, doordat deze chemische stoffen het DNA kunnen
veranderen (carcinogeen)(1)
. Bij het aantreffen van een brandstofverontreiniging is het
aannemelijk dat de bodem boven interventiewaarde (>I) uitkomt.
(1) A. Verbruggen et al, (1995), Leren om te keren. Milieu- en natuurrapport Vlaanderen, Garant, ISBN: 9053503080,
9789053503089
Agrarisch gebied
De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek
verrichten in agrarische gebieden. Agrarische gebieden zijn terreinen waar de mens vee
houdt, gewassen teelt of boomgaarden ten aanzien fruitproductie onderhoudt. Ten aanzien van
veeteelt worden weilanden vaak bewerkt met mest van het vee. Hierdoor krijgt de bodem
extra nutriënten (stikstof, fosfaat en mogelijk ook zware metalen). Door de inzet van
insecticiden en herbiciden (bestrijdingsmiddelen) zorgt de mens dat gewassen niet worden
aangetast door insecten en ongewenst onkruid. Inmiddels zijn de meeste van deze
bestrijdingsmiddelen door persistentie (moeilijk natuurlijk afbreekbaar) verboden. De
veldwerker kan bij het uitvoeren van werkzaamheden in de bodem in agrarische gebieden in
contact komen met deze bestrijdingsmiddelen. Bestrijdingsmiddelen kunnen gevaarlijk zijn
voor mens en milieu.(1)
Over het algemeen wordt in weilanden een bodemkwaliteitsklasse
achtergrondwaarde (AW) of Wonen (WO) verwacht. Voor terreinen met gewassenteelt en
fruitproductie zonder bestrijdingsmiddelen is een bodemkwaliteitsklasse van
achtergrondwaarde (AW) of Wonen (WO) te verwachten. Bij het aantreffen van
bestrijdingsmiddelen is het aannemelijk dat de bodem boven interventiewaarde (>I) uitkomt.
Gasfabriek terrein
De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek
verrichten op gesloten of open gasfabrieksterreinen. Gasfabrieksterreinen kenmerken zich
door het voorkomen van zeer sterke verontreinigingen met teer (PAK), vluchtige aromaten en
cyanide in zowel grond als grondwater. Cyanide is een zuurstof verdringende chemische stof.
Acute blootstelling van cyanide heeft direct gevolgen op de gezondheid van de veldwerker,
soms zelfs met dodelijk afloop. Via huidopname zijn de gevolgen op de gezondheid minder
merkbaar dan bij inhalatie of orale opname.(2)
Ten aanzien van de veiligheid en gezondheid
van werkende mensen stellen beheerders of eigenaars van deze gasfabriek terrein aanvullende
eisen (stof specifieke metingen) en beschermingsmaatregelen op. Bij het visueel aantreffen
van een verontreiniging is het aannemelijk dat de bodem boven interventiewaarde (>I)
uitkomt.
Chemische wasserijen
De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek
verrichten op percelen waar zich chemische reinigingsactiviteiten hebben plaatsgevonden. In
deze chemische wasserijen hebben mensen kleding gereinigd door middel van gechloreerde
koolwaterstoffen. De verontreiniging in de bodem is vaak ontstaan door lekkage
(bijvoorbeeld riool) of morsverliezen. De meest voorkomende chemische stoffen zijn PER
(tetrachlooretheen) en TRI (trichlooretheen)(3)
. PER en TRI zijn mobiele en vluchtige
verontreinigingen die in de bodem, onder anaërobe condities, afgebroken kunnen worden. De
afbraakproducten CIS (cis-dichlooretheen) en VC (chlooretheen of vinylchloride) zijn nog
mobieler (en vluchtiger). Door de hoge mobiliteit van deze chloorethenen is er meestal sprake
van een verspreidingsrisico naast ecotoxicologische risico’s van de stoffen in de bodem.
Chloorethenen zijn vluchtige verbindingen die uit kunnen dampen naar de bovenliggende
gebouwen waardoor er humane risico’s kunnen ontstaan. Bij de karakteristieke situatie
chemische wasserij is daardoor vaak sprake van blootstellingsrisico’s. Bij het visueel
aantreffen van een verontreiniging is het aannemelijk dat de bodem boven interventiewaarde
(>I) uitkomt.
(1) Vrom (2000). Circulaire Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering. Staatscourant 24 februari 2000, nr. 39,
pag. 8
(2) Agency for Toxic Substances and Disease Registry (ATSDR) (2004). Draft Toxicological Profile for Cyanide. US
department of Health and Human Services. Atlanta, US
(3) Gegevens van trichlooretheen in de GESTIS-stoffendatabank van het Duitse Institut für Arbeitsschutz der Deutschen
Gesetzlichen Unfallversicherung (IFA) (geraadpleegd op 31 november 2014)
Olieraffinaderijen
De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek
verrichten op terreinen waar ruwe aardolie wordt verwerkt tot bruikbare producten. Aardolie,
ruwe olie of petroleum is een brandbare stroperige vloeistof bestaande uit een mengsel van
koolwaterstoffen dat is ontstaan uit organische resten. Aardolie(1)
bevat de categorieën
alkanen (paraffinen), cycloalkanen (naftenen), aromaten en bitumen. Door de verwerking in
de petrochemische industrie worden deze gescheiden in fracties of producten als de lichtere
benzine en smeerolie en de zwaardere diesel en stookolie. Naast brandstoffen worden er ook
grondstoffen voor allerlei kunststoffen van gemaakt. Ook de chemie gebruikt aardolie als
grondstof, onder andere voor medicijnen. Bijna elke organische stof die gebruikt wordt in het
dagelijks leven wordt gewonnen of gesynthetiseerd vanuit een verbinding uit aardolie.
Zwaardere elementen van ruwe olie, zoals polycyclische aromatische koolwaterstoffen
(PAK), verspreiden zich in het water. Aangezien deze zwaardere elementen langer in water
opgelost kunnen blijven dan andere, meer toxische stoffen zoals tolueen kunnen PAK op
lange termijn schadelijker zijn, gezien het risico dat ze zich opstapelen in de voedselketen.
Ten aanzien van de veiligheid en gezondheid van werkende mensen stellen beheerders of
eigenaars van deze olieraffinaderijen aanvullende eisen (stof specifieke metingen) en
beschermingsmaatregelen. Bij het aantreffen van een olieverontreiniging is het aannemelijk
dat de bodem boven interventiewaarde (>I) uitkomt.
Stortplaatsen
De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van milieukundig bodemonderzoek en
monitoringen van grondwaterbeheersingen verrichten op stortplaatsen. Een vuilnishoop,
vuilnisbelt, vuilstortplaats of stortplaats is een plaats waar afval wordt gestort. Het storten van
afval en daarna afsluiten van de ontstane vuilnishoop was gedurende een groot deel van de
20e eeuw de belangrijkste methode om van huisvuil en ander afval af te komen. Meer recent
worden steeds grotere gedeelten van het afval hergebruikt, en de rest in
afvalverbrandingsinstallaties onder zeer gecontroleerde omstandigheden verbrand, waarbij
eventueel elektriciteit gewonnen wordt. Toch blijft het noodzakelijk om bepaalde materialen
te storten. Zo worden niet brandbaar restafval zoals asbest, sterk vervuilde grond en ook de
asresten van de vuilverbranding onder gecontroleerde omstandigheden gestort op
stortplaatsen. Op de beruchte stortplaats Coupépolder in Alphen aan den Rijn bevat de bodem
een cocktail aan zwaar giftige en chemische stoffen door illegale stortpraktijken (benzeen,
tolueen, benzine, weekmakers, vaseline, PAK, PCB, dioxines, zware metalen, cyaniden,
asbest en mogelijk radioactief afval. In de bodem op een stortplaats komt vrijwel altijd uit
boven de interventiewaarde (>I).
Op en langs het water
De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van milieukundig waterbodemonderzoek
verrichten op en langs het water voor baggerwerkzaamheden. Baggeren omvat alle
werkzaamheden die nodig zijn bij het weghalen van zand, slib en andere lagen van de
waterbodem. Maar ook landaanwinning en opschonen van het oppervlaktewater. Het slib dat
ontstaat doordat plantenresten, afval, bodemmateriaal en bladeren die zich vastzetten op de
bodem van vaarwegen. Op den duur kan dit het scheepvaartverkeer of de capaciteit van het
afvoeren van water hinderen. Het baggerslib en -specie regelmatig verwijderen is dan ook
belangrijk. Vaak is het slib verontreinigd waardoor de afvoer gecompliceerder (en duurder)
word. In de baggerspecie kunnen bijmengingen aanwezig zijn in stenen, blikjes, fietsen,
bommen, granaten en asbest. Voor werkzaamheden op het oppervlaktewater is het door de
meeste bodemadviesbureaus verplicht dat veldwerkers een reddingsvest dragen. Op sommige
plekken kan de waterbodem door het toedoen van bedrijfsactiviteiten van de mens zijn
verontreinigd met een chemische stof (>I).
(1) COLIN READ ET AL, BP and the Macondo Spill: The Complete Story. Part II: The Uneasy Mix of Oil in Our Natural
Environment, 8: The Dirty dozen before the Deepwater Horizon; The Lakeview Gusher - 9.4 Million Barrels Released
(2011) ISBN 9780230293588
Langs het spoor
De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van milieukundig bodemonderzoek
verrichten langs spoorwegen. De werkzaamheden worden meestal verricht op emplacementen
van de Nederlandse Spoorwegen en langs de spoorbaan. De bodemverontreiniging kan op
twee manieren ontstaan zijn, door lokale of door diffuse belasting. De lokale vervuiling is
voornamelijk te vinden op en in de omgeving van de emplacementen. Dit type vervuiling
heeft meestal een historische oorzaak en is afhankelijk van de activiteit op de locatie. Dat kan
bijvoorbeeld een tankplaats, kolenopslag of goederenopslag (geweest) zijn.
Het grootste gedeelte van het spoorwegennet loopt tussen de stations en emplacementen door
Nederland en wordt ‘vrije baan’ genoemd. Langs deze vrije baan zal verontreiniging vooral
diffuus voorkomen; de verontreiniging is verspreid over het gebied.
Het type verontreiniging waar hier sprake van zal zijn, is vooral:
 IJzer, door slijtage van rails en spoorwegmaterieel. IJzer is geen milieugevaarlijke
stof en zal meestal buiten beschouwing worden gelaten worden.
 Zware metalen (voornamelijk koper en in mindere mate lood, chroom en nikkel),
veroorzaakt door slijtage van de bovenleidingen, sleepstukken, wielbanden en rails.
 PAK, door uitloging van dwarsliggers (creosootverontreiniging, teer).
 Bestrijdingsmiddelen, toegepast om de baan van begroeiing vrij te houden. (1)
Daarnaast zal de opdrachtgever van het bodemonderzoek verlangen dat hij of zij beschermd
wordt tegen aanrijdingsgevaar en gevaarlijke situaties langs het spoor. Er wordt altijd een
veiligheidsman ingehuurd die naderende treinen moet signaleren en de veldwerker behoedt
voor aanrijdingsgevaar.
Op en langs de weg
De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek op en
langs de weg. Het autoverkeer produceert milieubelastende stoffen door verbranding van
brandstoffen en slijtage van voertuigen en het wegdek. Naast de luchtverontreiniging betreft
dit ook een diffuse verspreiding van verontreinigingen als zware metalen, PAK en minerale
olie. Tevens kan door corrosie van wegmeubilair (lantaarnpalen, stoplichten) verontreiniging,
met name zink, worden veroorzaakt. Deze stoffen komen voor een deel op het wegdek terecht
of verwaaien voor een deel van de weg naar de berm en verdere omgeving. Door het
afspoelen met het regenwater komt de verontreiniging van de weg in de berm en grondwater
terecht. Uit onderzoeken langs de rijkswegen blijkt dat de bodemkwaliteit van de bermen
vanaf 10 meter niet meer verschilt met de bodemkwaliteit van de verdere omgeving van de
snelweg. In de bermen van autosnelwegen accumuleert de verontreiniging vooral in de
bovenste 30 á 40 centimeter. De verontreiniging neemt af in zowel de diepte als met de
afstand tot de weg (2)
De veldwerker dient bij werken op en langs de weg te worden beschermd tegen
aanrijdingsgevaar en gevaarlijke situaties van het verkeer door diverse soorten
afzettingsmaterialen (pionnen, verkeersborden, lichtsignalering en botsabsorbers). De CROW
96a (maatregelen autosnelwegen) en CROW 96b (maatregelen niet autosnelwegen) worden
gebruikt om de veldwerker te beschermen tegen aanrijdingsgevaar.
 Stichting Bodemsanering Nederlandse Spoorwegen (SBNS), www.sbns.nl, geraadpleegd 2 november 2014
(2) Afstromend regenwater, Commissie Intregraal Waterbeheer, werkgroep 4, water en milieu, april 2002
Inpandig werken (beperkte ventilatie)
De veldwerker kan werkzaamheden verrichten ten aanzien van het milieukundig
bodemonderzoek in ruimtes waar een beperkte ventilatie aanwezig is. Dit kan door ontbreken
van wind of werken in gesloten ruimtes. Ook het werken omringd door muren en een dak kan
er voor zorgen dat er op de plek waar de veldwerker de werkzaamheden uitvoert geen
luchtcirculatie optreedt.
Door het ontbreken van luchtcirculatie en beperkte ventilatie kunnen vluchtige stoffen de
werkruimte vullen en de veldwerker bedwelmen. Ook zijn er stoffen die niet met het
reukvermogen van de veldwerker kunnen worden getraceerd. Deze stoffen kunnen de
werkruimte vullen zonder dat de veldwerker dat in de gaten heeft. Koolstofmonooxide en
waterstofsulfide zijn beruchte zuurstof verdringende gassen.
Ook het werken in besloten ruimtes, zoals opslagkamers van olietankers, riolen of
kruipruimten in gebouwen, brengt specifieke risico’s met zich mee. Belangrijke risico’s zijn
bedwelming, verstikking of explosie. Daarnaast zijn er gevaren die te maken hebben met de
aard en de vorm van de ruimte of het karakter van de werkzaamheden. In Arbo-
Informatieblad 5 komen alle denkbare risico’s en oplossingen aan bod. Het hulpmiddel is
geschikt voor het herkennen van gevaren, het evalueren van bestaande situaties en het
beheersen van risico’s. De veldwerker krijgt inzicht in het gebruik van verschillende soorten
meetapparatuur en persoonlijke beschermingsmiddelen. (1)
(1) AI-05: Veilig werken in besloten ruimten, 5e druk, SGS Nederland BV, Arbo-informatie
BIJLAGE V
Beleidsmatige keuzes voor bodemfuncties en clustering
bodemfuncties tot bodemfunctieklasse
(NOBO: Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling, onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen)
in 2005, 2006, 2007, Ministerie van VROM, december 2008, VROM 8395.)
BIJLAGE VI
Flowschema aantreffen zintuigelijke afwijkingen
(Bron: K.Hoogeboom, 14-5-2015)
BIJLAGE VII
Flowschema aanvullende pakket PBM voor de veldwerker
(Bron: Grondslag B.V, intern formulier 48, versie 11-9-2009, H. Hofmeester )
BIJLAGE VIII
Berekening van blootstelling in blootstellingsscenario 'wonen met tuin' en het nieuw te
vormen blootstellingsscenario 'veldwerker'in CSOIL2000
BIJLAGE IX
Gevoeligheidsanalyse parameter dagelijkse inname grond (AIDa) binnen blootstellingsscenario
'veldwerker' in CSOIL2000
BIJLAGE X
Gevoeligheidsanalyse parameter periode door blootstelling door bodem, volwassene, buiten (TBao)
binnen blootstellingsscenario 'veldwerker' in CSOIL2000
BIJLAGE XI
Gevoeligheidsanalyse parameter inhalatieperiode, volwassene, buiten (TIao)
binnen blootstellingsscenario 'veldwerker' in CSOIL2000
BIJLAGE XII
Gevoeligheidsanalyse parameter hoeveelheid zwevende bodemdeeltjes in lucht (TSPo)
binnen blootstellingsscenario 'veldwerker' in CSOIL2000
Hoe veilig is het werken in een verontreinigde bodem(compleet)_K.Hoogeboom_1607516_MilieukundeDuaal
Hoe veilig is het werken in een verontreinigde bodem(compleet)_K.Hoogeboom_1607516_MilieukundeDuaal
Hoe veilig is het werken in een verontreinigde bodem(compleet)_K.Hoogeboom_1607516_MilieukundeDuaal
Hoe veilig is het werken in een verontreinigde bodem(compleet)_K.Hoogeboom_1607516_MilieukundeDuaal
Hoe veilig is het werken in een verontreinigde bodem(compleet)_K.Hoogeboom_1607516_MilieukundeDuaal

Hoe veilig is het werken in een verontreinigde bodem(compleet)_K.Hoogeboom_1607516_MilieukundeDuaal

  • 1.
  • 2.
    - 2 - Voorwoord Ditonderzoek heb ik uitgevoerd in het kader van mijn afstudeeropdracht voor de duale opleiding Milieukunde bij Hogeschool Utrecht,welke ik in de periode van 2011 tot 2015 heb gevolgd. De doelgroep van dit onderzoek is de grond-, weg- en waterbouwsector (GWW) in algemene zin, maar met name veldwerkers die bij milieuadviesbureaus werken en daarbij werkzaamheden uitvoeren in een 'mogelijk' verontreinigde bodem. Het onderzoek is bruikbaar voor brancheorganisaties en de regelgevers voor milieu- en arbeidsomstandigheden (Ministerie van Infrastructuur en Milieu en Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid). Tevens is dit onderzoek bruikbaar voor veiligheidskundigen bij de advisering van bedrijven, die werken met een verontreinigde bodem. Ik ben sinds 2009 actief in het werkveld rondom verontreinigde bodems en bodemsaneringen, in de functie van veldwerker bij drie verschillende milieuadviesbureaus. Tijdens mijn werkzaamheden werd duidelijk dat de verschillende milieuadviesbureaus en diverse collega's waarmee ik heb mogen samenwerken,de veiligheid- en gezondheidsrisico's anders benaderen. Tijdens mijn werkzaamheden werd duidelijk dat de GWW-sector er vanuit gaat dat grond, die schoon is voor de volksgezondheid ('milieu'), ook schoon is voor de veldwerker ('arbo'). Veldwerkers die gaan werken met verontreinigde bodem, moeten door hun werkgevers beschermd worden tegen gezondheidsrisico's. De milieuadviesbureaus bepalen zelf welke beschermingsmiddelen de veldwerker moeten dragen op basis van historisch vooronderzoek. Ik ben van mening dat het huidig bodeminstrumentarium, onvoldoende stuurt op gezondheidsrisico's die de veldwerker kan lopen, door blootstelling van chemische stoffen gedurende het uitvoeren van bodemonderzoek. Er is geen risico gestuurde aanpak ten aanzien van de blootstelling van de veldwerker tijdens zijn/haar werkzaamheden. Dit was voor mij de aanleiding om dit nader te onderzoeken. Mijn dank gaat uit naar Hans Hofmeester van Grondslag B.V, die als arbeidshygiënist mij intensief heeft begeleid tijdens het afstudeeronderzoek. Tevens wil ik het RIVM,in specifieke zin Ellen Brand en Piet Otten, bedanken voor het ter beschikking stellen van het blootstellingsmodel CSOIL2000 en de ondersteuning in de mogelijkheden binnen het blootstellingsmodel. Mijn dank gaat uit naar Jaap Meulstee, die het afstudeeronderzoek kritisch heeft kunnen beoordelen op aanpassingen in zinsbouw en spelling. Mijn dank gaat uit naar Laurens Steijn en Roger Klaver die mij intensief hebben begeleid in het aanbrengen van structuur en het leesbaar maken van het afstudeeronderzoek. Uiteraard bedank ik ook mijn naaste vrienden en familie die mij hebben geholpen bij het schrijven en beoordelen van het afstudeeronderzoek.
  • 3.
    - 3 - Samenvatting Aanleiding DeCROW 132 geeft geen specifieke verplichtingen tot het nemen van veiligheidsmaatregelen, wanneer er redelijkerwijs geen aanleiding is om een bodemverontreiniging te verwachten. De milieuadviesbureaus bepalen zelfstandig, welke beschermingsmiddelen de veldwerker moeten dragen op basis van uitgevoerd historisch vooronderzoek. Wanneer er in deze situatie toch een zintuiglijk afwijking wordt waargenomen door de veldwerker, kan de CROW 132 niet sturen op een te volgen werkwijze en het nemen van aanvullende veiligheidsmaatregelen. De CROW 132 stuurt echter welaan op volledige bescherming van veiligheid- en gezondheidsrisico’s, wanneer de bodemkwaliteit onbekend is, of over te gaan tot maatregelen wanneer uit historisch vooronderzoek of eerdere bodemonderzoek de bodemkwaliteit bekend is. In de praktijk wordt het historisch vooronderzoek beperkt uitgevoerd en gaat men meestal af op de bronnen van de opdrachtgever van het verkennend bodemonderzoek. Doelstelling en centrale vraagstelling Het doel van dit onderzoek is de veldwerker voldoende te beschermen tijdens de werkzaamheden, zodat er geen blootstellingsrisico is. Hiervoor is het van belang dat de veldwerker nooit een overmaat aan bescherming draagt, maar zeker niet te weinig beschermd wordt. Er moet per situatie worden bekeken welke bescherming of meetstrategie aan blootstellingsrisico nodig is. De centrale vraagstelling is: Hoe kan een veldwerker optimaal worden beschermd tegen chemische stoffen zonder dat een overmaat aan bescherming ontstaat? Onderzoek Middels een literatuuronderzoek is onderzoek verricht naar de werkzaamheden, handelswijze, omgevingsgebieden en blootstellingsroutes van de veldwerker tijdens het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek. De huidige methode, van het beoordelen van blootstelling aan personen, tijdens het verkennend bodemonderzoek is onderzocht. Resultaten Uit onderzoek is gebleken de huidige beoordelingssystematiek van blootstelling aan chemische stoffen in de bodem, onvoldoende aansluit bij de situatie van de veldwerkers. Het is niet mogelijk om een voorspellende waarde te kunnen hebben voor blootstellingsrisico's voorafgaand en tijdens werkzaamheden met een verontreinigde bodem. Door gebruik te maken van de onderzoeksgegevens is door de auteur een standaardpakket PBM (persoonlijk beschermingsmiddel), werkwijze ten aanzien van het aantreffen van zintuiglijke afwijking in de bodem en een flowschema om op te schalen in PBM-pakketten ontwikkeld. Het standaardpakket PBM is preventief bedoeld voor het wegnemen en verminderen van de kans op het activeren van blootstellingsroutes, ongeacht de bodemkwaliteit. Het standaardpakket PBM biedt optimale bescherming zonder dat een overmaat aan bescherming ontstaat. Het flowschema ten aanzien van een zintuiglijke afwijking in de bodem is risico gestuurd en geeft direct aan welke maatregelen in PBM of het verrichten van metingen aan blootstelling de veldwerker dient te nemen. Het flowschema om op te schalen in PBM-pakketten geeft de veldwerker de mogelijkheid om de gezondheid te waarborgen tijdens de werkzaamheden in de bodem. Uit onderzoek is gebleken dat het rekenmodel CSOIL2000 van het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), dat is ontworpen voor het beoordelen van de blootstelling aan personen, niet geschikt is voor de werksituatie van de veldwerker. Het rekenmodel CSOIL2000 rekent met waardes die van toepassing zijn op de 'wonende' mens. Door gebruik te maken van de onderzoekgegevens is door de auteur, in samenspraak met het RIVM, een nieuw blootstellingsscenario ‘veldwerker’ samengesteld. Het nieuwe blootstellingsscenario bevat enkel parameters en blootstellingsroutes, die van toepassing kunnen zijn voor het werken als veldwerker bij een milieuadviesbureau. Het nieuwe blootstellingsscenario ‘veldwerker’ laat zien dat er geen blootstellingsrisico is aan chemische stoffen in de bodem. Er zal preventief moeten worden gestuurd op de blootstellingsroutes ingestie van grond en dermaal contact met gronddeeltjes buiten om geen blootstellingsrisico te blijven houden. Hierdoor kan CSOIL2000 niet alleen gebruikt worden van 'omwonenden' maar ook voor professionele werkzaamheden in en met een verontreinigde bodem.
  • 4.
    - 4 - Conclusie Tijdens werkzaamheden in een verontreinigde bodem door de veldwerker zijn de blootstellingsroutes ingestie van grond, dermaal contact met gronddeeltjes, inhalatie van gronddeeltjes en inhalatie van vluchtige dampen/gassen van toepassing. Elke andere blootstellingsroute, die geldend is voor personen in een woonsituatie, is niet van toepassing in de werksituatie van de veldwerker.  De onvoorspelbaarheid van de blootstelling bij werkzaamheden in een verontreinigde bodem is een belangrijke onzekere factor voor het schatten van blootstellingsrisico's voor veldwerkers. Vanwege de onvoorspelbaarheid van blootstelling is een werkwijze met metingen van actuele blootstelling bij veldwerkers, vooral voor vluchtige chemische stoffen uit de bodem, belangrijk.  De blootstellingsroutes dermaal contact met bodemdeeltjes binnen, inhalatie van dampen binnen, consumptie van verontreinigde groenten en contact met verontreinigd drinkwater zorgen er voor dat in het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' een blootstellingsrisico optreedt bij de stoffen kobalt en PCB-28 bij een concentratie die geldt voor de 95 percentiel humus- en lutumwaarde in Nederland.  De veldwerker heeft tijdens zijn werkzaamheden in het verkennend bodemonderzoek geen blootstellingsrisico aan chemische stoffen uit het standaardanalysepakket AS3000 bij een concentratie die geldt voor de 95 percentiel humus en lutumwaarde in Nederland.  Een veldwerker die zich niet beschermd tegen de blootstellingsroutes ingestie van grond, dermaal contact met bodemdeeltjes, inhalatie van bodemdeeltjes en inhalatie van gassen/dampen, zal leiden tot wijzigingen van diverse parameters in het blootstellingsmodel CSOIL2000. Er zal een toename van het risico-index plaatsvinden en daarmee een verhoogd risico op gezondheidsklachten op korte en/of lange termijn.  Door het verplicht stellen van een standaardpakket PBM in de CROW 132 tijdens het uitvoeren van bodemonderzoek, ongeacht de bodemkwaliteit is de veldwerker optimaal beschermd tegen chemische stoffen in de bodem, zonder dat een overmaat aan bescherming wordt gehanteerd. De ontworpen werkwijze bij zintuiglijke afwijkingen en het flowschema voor het opschalen in PBM- pakketten helpt de veldwerker bij onvoorziene blootstellingsrisico's tijdens werkzaamheden in het bodemonderzoek. Aanbevelingen  De CROW 132 dient de veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van blootstellingsrisico’s bij veldwerkers passend te maken door een eenduidige passage op te nemen. De veiligheidsmaatregelen dienen niet meer te worden genomen op basis van verwachte bodemkwaliteit of historisch vooronderzoek, maar op het preventief voorkomen van blootstelling via de blootstellingsroutes van de veldwerker.  Er moet een nieuw blootstellingsscenario 'veldwerker’ door het RIVM in CSOIL2000 worden opgenomen, voor mensen die als professional bloot worden gesteld aan chemische stoffen vanuit de bodem.  Het RIVM moet in het blootstellingsmodel CSOIL2000 alle parameters toegankelijk maakt om wijzigingen in aan te brengen, zodat een valide blootstelling kan worden berekend.  De bodemadviesbureaus, ingenieursbureaus en andere branchegenoten uit de milieusector moeten meer tijd besteden om veldwerkers te overtuigen 'netjes' en 'hygiënisch' te werken. Door in te spelen op het gedrag en houding van de veldwerker kunnen veel blootstellingsrisico’s worden verkleind en niet meer optreden.  Onderhavig onderzoek uit te breiden met een praktijkonderzoek, omdat dit enkel een literatuurstudie en modellering betreft. Het toepassen van het standaardpakket PBM en de flowschema's dienen in de praktijk te worden getoetst op fouten en zwakten.  De resultaten uit dit onderzoek niet alleen te gebruiken voor veldwerkers, maar ook voor andere werknemers, die intensief bezig zijn met werkzaamheden in en met de bodem (bouwrijp maken, proefboren, grondverzet, leggen van kabels en leidingen, bouwen van kunstwerken, straten maken, groothandelaar zand en grond).
  • 5.
    - 5 - Inhoudsopgave Samenvatting– 3 1. Inleiding – 6 1.1 Leeswijzer – 6 2.Aanleiding en doel – 7 2.1 Aanleiding – 7 2.2 Doelstelling – 7 2.3 Hoofdvraag – 7 3. Onderzoeksmethode – 8 3.1 Interne enquête Grondslag B.V. – 8 3.2 Literatuuronderzoek – 8 3.2.1 CROW 132 ‘werken in en met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water – 8 3.2.2 Werkzaamheden van de veldwerker – 13 3.2.3 Omgevingsfactoren en werkterreinen van de veldwerker – 15 3.3 Blootstellingsroutes – 17 3.3.1 Blootstellingsroutes algemeen – 17 3.3.2 Blootstellingsroute van de veldwerker – 18 3.3.3 Eliminatie van blootstellingsroutes bij de veldwerker – 19 3.3.4 Indirecte blootstellingsroutes van de veldwerker – 20 3.4. Berekenen van blootstelling in CSOIL2000 – 21 3.4.1 Berekenen van blootstelling in blootstellingsscenario ‘wonen met tuin – 22 3.4.2 Nieuw te vormen blootstellingsscenario ‘veldwerker’– 24 3.4.3 Gevoeligheidsanalyse CSOIL2000 – 27 4. Resultaten – 28 4.1 Resultaten interne enquête – 28 4.2 Resultaten literatuuronderzoek – 28 4.3 Resultaten blootstellingsroutes – 29 4.3.1 Invulling standaardpakket PBM – 29 4.3.2 Opschalen in PBM-pakketten – 30 4.4 Resultaten berekenen van blootstelling – 31 4.4.1 Gevoeligheidsanalyse CSOIl2000 - 32 5. Conclusie en aanbevelingen – 38 5.1 Conclusie – 38 5.2 Aanbevelingen - 38 Bijlage I Uitslag beknopte Enquête Grondslag B.V. februari 2014 Bijlage II Beschrijving van handelingen van de veldwerker in BRL-protocollen Bijlage III Boorgereedschappen van de veldwerker Bijlage IV Beschrijving van werkterreinen Bijlage V Beleidsmatige keuze blootstellingsscenario's Bijlage VI Werkwijze verrichten van luchtkwaliteitsmetingen bij zintuiglijke afwijkingen Bijlage VII Flowschema aanvullende pakketten PBM Bijlage VIII Uitwerking van beoordeling van blootstellingsroutes in blootstellingsscenario ‘wonen met tuin’ en het nieuw te vormen blootstellingsscenario ‘werken met verontreinigd grond’ in CSOIL2000 Bijlage IX Gevoeligheidsanalyse parameter dagelijkse inname 'AIDa' in CSOIL2000 Bijlage X Gevoeligheidsanalyse parameter blootstelling door bodem, buiten, volwassene 'TBao' in CSOIL2000 Bijlage XI Gevoeligheidsanalyse parameter inhalatieperiode, buiten, volwassene 'TIao' in CSOIL2000 Bijlage XII Gevoeligheidsanalyse parameter hoeveelheid zwevende deeltjes in lucht 'TSPo' in CSOIL2000
  • 6.
    - 6 - 1.Inleiding Grenzen spelen een belangrijke rol in ons leven. Ons leven zelf is begrensd. De eerste grens van ons leven ligt bij de bevruchting, gevolgd door een wonderbaarlijk groeiproces. De laatste grens is onze dood. Grenzen zijn belangrijk voor alle levensvormen. Er zijn grenzen die houvast geven en grenzen die beperken. Grenzen die bepalen of iets of iemand zich binnen een samenleving bevindt of juist daarbuiten. Aan de andere kant van de grens bevindt zich iets anders (anders zou er geen sprake zijn van een grens). Soms is het lastig om over een grens te gaan. Soms stap je er zo maar overheen alsof die er niet is. Zonder grenzen zijn de mogelijkheden eindeloos. Er zijn grenzen die bestaan uit tijd of plaats. Er zijn echter ook onzichtbare grenzen, die alleen in gedachten bestaan. Elke grens is discutabel, zolang mensen verschillende meningen hebben. De grens met de ‘meeste stemmen’wordt over het algemeen aanvaard. Op dit moment wordt binnen de wereld van het werken met of in verontreinigde grond gewerkt,conform de systematiek, zoals beschreven in CROW publicatie 132 en AI blad 22. Blijf je binnen de grenzen van die publicaties, speel je 'op safe'. Begeef je je buiten die grens dan zijn de mogelijkheden eindeloos, maar bevind je je in niemandsland. Om nieuwe grenzen te trekken zijn mensen nodig die gezamenlijk staan achter een nieuwe grens, anders wordt het gebied buiten de grens niemandsland. Ik ben van plan over de grens van die publicaties heen te stappen en nieuwe grenzen neer te zetten. Wie heeft er zin om mee te gaan? Voor u ligt het uitgevoerde onderzoek naar de werkzaamheden van de veldwerker in relatie tot het nemen van maatregelen, op basis van blootstellingsrisico’s, tijdens het uitvoeren van werkzaamheden in verontreinigde grond. In het hierna volgende rapport is middels literatuuronderzoek en een interview met het RIVM, een uitgebreide scan gemaakt. Deze scan bevat onderdelen van de huidige wetgeving op het nemen van maatregelen, werkzaamheden, werkterreinen,blootstellingsroutes en beoordeling van blootstelling van de veldwerker. 1.1 Leeswijzer In het hierna volgende hoofdstuk (H2) wordt de aanleiding en het doel van het onderzoek uiteengezet.. In hoofdstuk 3 wordt onderzoek verricht op de huidige wetgeving, de werkzaamheden,de werkterreinen, de blootstellingsroutes en het berekenen van blootstelling van veldwerkers. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van het uitgevoerde literatuuronderzoek en modellering weergegeven. De conclusie en aanbevelingen staan in hoofdstuk 5, gevolgd door de bijlagen.
  • 7.
    - 7 - 2.Aanleiding en doel 2.1 Aanleiding Explorerend onderzoek De veldwerkers, die werkzaam zijn binnen Grondslag B.V., geven met regelmaat aan dat volgens hen de veiligheids- en beschermende maatregelen die genomen dienen te worden, volgens publicatie 132 van de CROW,soms overmatig en soms juist onvoldoende zijn om goede bescherming te bieden. Er wordt een interne enquête gehouden over het nemen van maatregelen op het gebied van veiligheid en gezondheid onder de veldwerkers van Grondslag B.V. Milieubranche Via arbeidshygiënist Hans Hofmeester (Grondslag B.V.) ben ik gewezen op een discussieplatform binnen de netwerksite voor professionals, LinkedIn(1) . Diverse personen discussiëren over de bescherming van grondwerkers tegen chemische stoffen in de bodem. De discussie wordt gevoed door allerlei personen die werkzaam zijn als hogere veiligheidskundige (HVK),zelfstandig veiligheidsadviseur of als inspecteur bij de Arbeidsinspectie. In de discussie worden literatuuronderzoek, documenten en referenties geplaatst over de veiligheids- en beschermingsmaatregelen die genomen dienen te worden bij werkzaamheden met een verontreinigde bodem. Dikwijls is hierbij CROW 132 onderwerp van gesprek. Doordat verschillende personen in hun werkfunctie, de discussie voeden en bij verschillende bedrijven of instellingen werken, maak ik op dat het probleem van het nemen van maatregelen bij het werken in een verontreiniging leeft in de milieubranche. Evaluatierapport RIVM Via de LinkedIn-discussie ‘werken met verontreinigd grond’ word ik getriggerd tot het lezen van een evaluatierapport(2) van het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu). In dit evaluatierapport wordt de conclusie getrokken dat de bestaande bodemnormen niet geschikt zijn om gezondheidsrisico’s voor werkende mensen te bepalen. Wellicht is het door middel van het uitvoeren van literatuuronderzoek dit in de toekomst welmogelijk. Persoonlijke ervaring Naast de hierboven genoemde aanleidingen heb ik zelf ook ervaren dat er onduidelijkheden zijn op het gebied van beschermingsmaatregelen tijdens mijn eigen werkzaamheden als veldwerker. Dit is de reden waarom ik mijn afstudeeronderzoek op het gebied van veiligheid- en gezondheidsrisico’s en de te nemen maatregelen voor veldwerkers bij milieuadviesbureau wil uitvoeren. 2.2 Doelstelling Het doel van dit onderzoek is de veldwerker voldoende te beschermen tijdens de werkzaamheden, zodat er geen blootstellingsrisico is. Daarbij moet men de veldwerker niet onnodig teveelbescherming laten dragen. Er moet per situatie worden bekeken welke bescherming of meetstrategie aan blootstellingsrisico nodig is. 2.3 Hoofdvraag Hoe kan een veldwerker optimaal worden beschermd tegen chemische stoffen zonder dat een overmaat aan bescherming ontstaat? (1) LinkedIn-discussie, Werken met verontreinigde grond, -wateren waterbodem, https://www.linkedin.com/grp/home?gid=3634917, geraadpleegd14 februari 2015 enopvolgend. (2) J. Wezenbeeket al, Evaluatie van de toepassingvanhet bodeminstrumentariumvoorhet beoordelenvanarbeidsrisico's van het werken met verontreinigde bodem, RIVM, 2014, rapport nr.320002004/2013
  • 8.
    - 8 - 3.Onderzoeksmethode Om de doelstelling te bereiken en de hoofdvraag te kunnen beantwoorden zal zich dit onderzoek richten op de werkzaamheden, werkterreinen, blootstellingsroutes en beoordeling van blootstelling van de veldwerker tijdens het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek. Er wordt enkel gekeken naar de blootstelling die de veldwerker kan krijgen tijdens zijn werkzaamheden. De blootstelling die de veldwerker naast zijn werkzaamheden,zoals werken in de tuin of inname van chemische stoffen in de kind-fase worden niet meegenomen. 3.1 Interne enquête Grondslag B.V. De veldwerkers, die werkzaam zijn binnen Grondslag B.V., geven met regelmaat aan dat volgens hen de veiligheids- en beschermende maatregelen die genomen dienen te worden, volgens publicatie 132 van de CROW,soms overmatig en soms juist onvoldoende zijn om goede bescherming te bieden. De interne enquête bevat twee vragen over de invulling van de veiligheidsmaatregelen tijdens het werken in een verontreinigde bodem. De vragen komen voort uit de huidige invulling van de veiligheidsmaatregelen in de CROW 132. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de maatregelen in de basisklasse en maatregelen met een T en F-klasse aanduiding. Omdat de twee vragen generalisaties betreffen, worden er twee vragen gesteld in hoeveel procent van de gevallen het gegeven antwoord voorkomt. De vragen kunnen worden beantwoordt door middel van een multiplechoice antwoord. Indien van toepassing kan er uitleg worden gegeven op het multiplechoice antwoord door de veldwerker. De vragen zijn via de e-mail verspreid onder de 16 veldwerkers van Grondslag B.V. Ondanks dat het aantal ondervraagden klein is, wordt de uitkomst van de interne enquête als valide beschouwd voor veldwerkers binnen Nederland. De antwoorden uit de interne enquête worden geëvalueerd. De resultaten van de interne enquête zijn te vinden in hoofdstuk 4.1. 3.2 Literatuuronderzoek 3.2.1 CROW 132 'Werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water' De bestaande norm publicatie 132 'werken in verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water' van de CROW (kennisplatform voor infrastructuur, verkeer,vervoer en openbare ruimte) zorgt voor het nemen van veiligheids- en gezondheidsaspecten bij het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek. De informatie is van belang voor het beantwoorden van de hoofdvraag, omdat de bestaande wet- en regelgeving een goede basis is om te weten wat overbodig is en wat er ontbreekt. De informatie komt voor uit literatuuronderzoek. Het literatuuronderzoek bestaat uit het bestuderen van de CROW 132(1) . De resultaten van het literatuuronderzoek zijn te vinden in hoofdstuk 4.2. Bodemonderzoek In hoofdstuk 3 van de CROW 132 wordt aandacht geschonken aan het bodemonderzoek. Het bodemonderzoek moet de gegevens opleveren, die nodig zijn om de arbeidshygiënische risico's en de veiligheidsklasse T&F-klasse te kunnen bepalen. Tijdens het bodemonderzoek moeten de aard, de omvang en de concentraties van mogelijk aanwezig verontreinigingen in de bodem worden vastgelegd. Om uitsluitsel te krijgen over het risico van blootstelling aan toxische stoffen of het ontstaan van brandbare en/of explosieve damp/luchtmengsels, is het noodzakelijk te weten wat het effect van de chemische stoffen is en hoe groot de kans is op een negatief effect. (1) CROW 132,'Werken in ofmet verontreinigdgronden verontreinigd(grond)water,CROW, december 2008,4de druk, ISBN 978 90 6628 528 6
  • 9.
    - 9 - Historischvooronderzoek De CROW 132(1) refereert in hoofdstuk 3.2 aan het uitvoeren van een degelijk historisch vooronderzoek. Op basis van deze gegevens wordt vastgesteld of er sprake kan zijn van bodemverontreiniging. Dit historisch vooronderzoek is nodig om maatregelen te treffen bij de voorbereiding van de werkzaamheden van de veldwerker. Indien het historisch vooronderzoek onvoldoende of geen bodeminformatie oplevert moet het verkennend onderzoek breed worden uitgevoerd. In de praktijk wordt de informatie uit het historisch vooronderzoek niet of nauwelijks gedeeld met de veldwerker. Arbeidshygiënische maatregelen Bij alle bodemonderzoeken zijn de volgende arbeidshygiënische maatregelen van belang om blootstellingsrisico's te beperken tot een, volgens huidige inzichten, aanvaardbaar minimum:  Alle personen die betrokken zijn bij veldwerk moeten in het bezit zijn van een geschiktheidsverklaring op basis van een medische keuring.  Roken, eten en drinken tijdens het uitvoeren van veldwerkzaamheden zijn verboden. Deze handelingen mogen alleen plaatsvinden in de (lunch)pauzes, buiten de verontreinigde zone in de daarvoor bestemde ruimte. Deze ruimte moet zijn afgescheiden van onderzoeksmateriaal en veldwerkmateriaal (ook in geval van bestelbussen, d.w.z. scheiding tussen cabine en laadruimte).  Er moeten middelen aanwezig zijn voor het reinigen van handen en gezicht (zeep, waswater en/of vochtige reinigingsdoekjes). Projectvoorbereiding bodemonderzoek De CROW 132(1) gaat in hoofdstuk 3.3 door op het verrichten van werkzaamheden in een verkennend bodemonderzoek. Omdat in deze onderzoeksfase nog niet duidelijk is of er sprake is van een verontreiniging en om welke verontreinigde stoffen het eventueel gaat,moeten ook in deze fase al maatregelen worden getroffen om mogelijke blootstelling te voorkomen. Bij het uitvoeren van het bodemonderzoek kan nog geen veiligheidsklasse worden bepaald, de ernst van de verontreiniging moet immers nog worden vastgesteld. Bij het bodemonderzoek gaat het vaak om een grote verscheidenheid aan (mogelijke) verontreinigende chemische stoffen, zowel in plaats in de grond, omvang als aard. De projectvoorbereider maakt een globale inschatting welke blootstellingsrisico’s de veldwerker zou kunnen lopen op basis van bevindingen uit het historisch vooronderzoek. Onderzoekslocatie verkennend bodemonderzoek De plaats waar de veldwerker de werkzaamheden ten behoeve van het onderzoek uitvoert, moet worden beschouwd als verontreinigde zone en moet als zodanig worden gemarkeerd. Een verontreinigde zone is een aangegeven gebied waarbinnen verontreinigingen boven de interventiewaarde (>I) in de bodem kunnen voorkomen of zijn vastgesteld. Persoonlijke bescherming Op basis van het historisch vooronderzoek kan worden bepaald wat de kans is op blootstelling aan toxische stoffen.Aan de hand van deze risico-inschatting wordt het pakket aan persoonlijke beschermingsmiddelen vastgelegd. Dit wordt opgenomen in de projectvoorbereiding van het bodemonderzoek. (1) CROW 132, 'Werken in ofmet verontreinigdgronden verontreinigd(grond)water, CROW,december 2008,4de druk, ISBN 978 90 6628 5286
  • 10.
    - 10 - Luchtkwaliteitsmetingen Bijhet uitvoeren van werkzaamheden in de verontreinigde zone moeten luchtkwaliteitsmetingen worden uitgevoerd. De meetresultaten kunnen eventueel aanleiding geven tot het aanpassen van het persoonlijk beschermingsmiddelenpakket en het gebruik van adembescherming.(1) In de praktijk worden de luchtkwaliteitsmetingen niet of nauwelijks uitgevoerd, omdat in 99% van alle boringen in de grond geen meetresultaten worden verricht met luchtkwaliteitsmetingen. Geurwaarnemingen Wanneer een werknemer (chemische) geuren ruikt, moeten luchtkwaliteitsmetingen uitgevoerd worden. Het verrichten van geurwaarnemingen op monsters is niet toegestaan. Veelverontreinigingen kunnen door hun karakteristieke geur tijdig worden waargenomen. Bij sommige chemische stoffen waarschuwt de geur echter onvoldoende of te laat. De werknemer moet daarom kunnen beschikken over goede luchtbemonsteringsappatuur. In de praktijk worden geurwaarnemingen niet direct gekoppeld aan het verrichten van luchtkwaliteitsmetingen door de veldwerker. Veiligheidsklasse In hoofdstuk 1.6 van de CROW 132(1) is vastgelegd dat de publicatie niet het begrip risicoklasse maar het begrip 'veiligheidsklasse' hanteert. Dit omdat er wordt gestuurd op de veiligheids- en gezondheidsaspecten. Uitgangspunt is dat er wordt gegarandeerd dat werknemers de werkzaamheden op een veilige wijze kunnen uitvoeren. De veiligheidsklassen zijn onderverdeeld op basis van de hoogte van het risico. Het risico bepaalt welke maatregelen getroffen moeten worden. De veiligheidsklassen bestaan uit Basisklasse en T&F-klassen. De T-klasse geeft het risico van blootstelling aan chemische stoffen aan. De F-klasse is een indicatie voor de brandbaarheid en explosiegevaar. Indeling T&F-klasse De Arbo-richtlijn CROW 132 ‘werken in en met een verontreinigde bodem’ is gebaseerd op een onderzoek(2) van de Arbeidsinspectie (AI). Het risico op blootstelling van een chemische stof werd uitgedrukt in een zogenaamde toxiteitsklasse (T-klasse). De T-klasse bepaalt welke maatregelen noodzakelijk zijn bij de werkzaamheden. De T-klasse word bepaald aan de hand van het effect van een bepaalde stof en de kans dat men aan deze stof werd blootgesteld. Het effect wordt bepaald door de LD50-waarde van de aangetroffen stof in de bodem en bepaalt een voorlopige klasse. De LD50- waarde is gebaseerd op een waarde waarbij 50% van een organisme (proefdier) komt te overlijden. In tabel 1 is aangegeven welke LD50-criteria passend is bij een voorlopige T-klasse. Tabel 1: Indelingscriteria voorlopige T-klasse volgens CROW132 LD50- oraal rat (mg/kg lichaamsgewicht) LD50 percutaan rat/konijn (mg/kg lichaamsgewicht) LD50 inhalatoir rat (mg/kg lichaamsgewicht) Voorlopige T-klasse 200 – 2000 400 – 2000 2 – 20 1T 25 – 200 50 – 400 0,5 – 2 2T < 25 < 50 < 0,5 3T Carcinogene stoffen 3T *oraal is opname via de mond, percutaanis opnamevia huis, inhalatoir is opname via ademhaling. (1) P.F. Otteet al, Richtlijn voor luchtmetingen voor de risicobeoordelingvanbodemverontreiniging, RIVM, RIVM rapport 711701048/2007 , pagina 40 t/m 45 (2) Arbo-informatieblad22, Werkenmet verontreinigde gronden/of grondwater,vierde druk (Sdu)
  • 11.
    - 11 - Derisicobenadering sluit aan bij het Besluit Bodemkwaliteit (BBK) met de daarin opgenomen achtergrondwaarden. Bij een bodemverontreiniging boven de I-waarde word een T-klasse vastgesteld op basis van de LD50-waarden van de overschrijdende stof (tabel 2). Dit wordt gedaan aan de hand van een overzichtslijst, beheerd door de CROW. Indien de bodem niet ernstig is verontreinigd maar valt in de kwaliteitsklasse Industrie, vallen de grondwerkzaamheden in de Basisklasse. Voor bodem in de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde en wonen is geen basisklasse en T-klasse van toepassing, er zijn geen veiligheidsmaatregelen van toepassing. Deze koppeling is weergegeven in tabel 2. Tabel 2: Veiligheidsklasse en bodemfunctieklasse koppeling volgensCROW 132 Kwaliteitsklasse BBK Grenzen BBK Veiligheidsklasse CROW132 Schoon en wonen “0” t/m bovengrens klasse Wonen Geen Industrie tot de I-waarde Bovengrens klasse wonen t/m I- waarde Basisklasse Ernstig verontreinigde bodem Boven I-waarde 1T bij LD50-waarden 200-2000 2T bij LD50-waarden 25-200 3T bij LD50-waarden < 25 3T bij carcinogene, mutagene of reprotoxische stoffen De veiligheidsklasse bepaalt vervolgens welke maatregelen noodzakelijk zijn bij de uitvoering van de werkzaamheden. De hoogte van de veiligheidsklasse bepaalt de intensiteit van de maatregelen. De maatregelen kunnen onderverdeeld worden in 11 groepen. In de CROW 132 is vastgelegd dat bij kans op stofvorming / aërosolen geen T-klasse bepaald wordt. Een veiligheidsdeskundige dient de situatie te beoordelen. De reden hiervoor is dat bepaalde verontreinigingen kunnen 'meeliften' aan bodemdeeltjes en als volgt ingeslikt of ingeademd kunnen worden. De CROW 132 richt zich voornamelijk op vluchtige chemische stoffen. De CROW 132 onderstreept het verrichten van metingen naar vluchtige chemische stoffen en de aanwezigheid van deze stoffen in de lucht. De blootstelling van niet-vluchtige stoffen wordt ter oordeel van de betrokken veiligheidsdeskundige overgelaten. In alle veiligheidsklasse is het treffen van hygiënische maatregelen vereist. In tabel 3 worden de maatregelen volgens de veiligheidsklasse gerangschikt in groepen.
  • 12.
    - 12 - Tabel3: Groepen van maatregelen volgens veiligheidsklasse-indeling volgensCROW 132 Groep Basisklasse 1T 2T 3T V&G-plan en logboek Ja Ja Ja Ja Betrokkenheid van deskundige DLP MVK HVK HVK Medische geschiktheid Geen Jaarlijks Jaarlijks Jaarlijks Voorlichting en instructie DLP MVK HVK HVK Zonering onderzoekslocatie Ja Ja Ja Ja Luchtkwaliteitsmeting Meten naar vluchtige chemische stoffen bij geurwaarneming Meten naar vluchtige chemische stoffen volgens vastgestelde frequentie Meten naar vluchtige chemische stoffen volgens vastgestelde frequentie, bij stofdeeltjes stofsampling door high flow sampler Meten naar vluchtige chemische stoffen volgens vastgestelde frequentie,bij stofdeeltjes stofsampling door high flow sampler, op advies HVK personal air sampler Arbeidshygiënische voorzieningen Basishygiëne 3 traps saneringsunit + wasstraat voor materieel Meten naar vluchtige chemische stoffen volgens vastgestelde frequentie, bij stofdeeltjes stofsampling door high flow sampler Meten naar vluchtige chemische stoffen volgens vastgestelde frequentie,bij stofdeeltjes stofsampling door high flow sampler Graafmachine Geen vereiste Filteroverdruk- systeemop cabine graafmachine Filteroverdruksysteem op cabine graafmachine + vrachtwagens voor transport Filteroverdruksysteem op cabine graafmachine + vrachtwagens voor transport PBM's Saneringsoverall, veiligheidshand- schoenen, veiligheids- laarzen / - schoenen (waterdichte overall indien nodig) Saneringsoverall, veiligheidshandsch oenen, veiligheidslaarzen / -schoenen (waterdichte overall indien nodig) Saneringsoverall, veiligheidshandschoen en, veiligheidslaarzen / -schoenen (waterdichte overall indien nodig) Saneringsoverall, veiligheidshandschoenen, veiligheidslaarzen / - schoenen (waterdichte overall indien nodig) Emissiebeperking Depotvorming voorkomen, depots nathouden of met folie afdekken Depotvorming voorkomen, depots nathouden ofmet folie afdekken Depotvorming voorkomen, depots nathouden ofmet folie afdekken Depotvorming voorkomen, depots nathouden ofmet folie afdekken Algemene regels(eten, drinken,roken verboden in vuile gebieden) Ja Ja Ja Ja
  • 13.
    - 13 - 3.2.2Werkzaamheden van de veldwerker De veldwerker komt door zijn werkzaamheden in een bodemonderzoek in contact met een mogelijke verontreinigde bodem. Deze informatie is van belang voor het beantwoorden van de hoofdvraag, omdat de werkzaamheden van de veldwerker samenhangen met de beschermingsmaatregelen voor veiligheid en gezondheid. De informatie komt voort uit literatuuronderzoek. Het literatuuronderzoek bestaat uit het bestuderen van protocollen van het SIKB (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer). De resultaten van het literatuuronderzoek zijn te vinden in hoofdstuk 4.2. Handelingen van de veldwerker De veldwerker wordt door een milieuadviesbureau ingezet als beroepsmatig uitvoerend persoon van een milieutechnisch onderzoek. De veldwerker moet zich daarbij houden aan de gestelde normdocumenten van het milieutechnisch onderzoek. Een veldwerker dient voldoende kennis te hebben van deze normdocumenten. De veldwerker wordt door een externe keuringsinstantie geaudit op kennis en vaardigheden ten aanzien van het milieutechnisch onderzoek. Wanneer de keuringsinstantie de kennis en vaardigheden op waarde heeft geschat,schrijft de keuringsinstantie een certificaat uit en mag de veldwerker zelfstandig werkzaamheden uitvoeren. Jaarlijks worden veldwerkers intern en extern geaudit op de juistheid en precisie van de normdocumenten. De veldwerker heeft te maken met BRL-protocollen die zijn opgesteld door het SIKB. De BRL- protocollen zijn samenvoegingen van een aantal Nederlandse Normen (NEN-normen). Het BRL- protocol legt vast waar een milieutechnisch onderzoek aan moet voldoen volgens de Nederlandse wetgeving. De veldwerker heeft te maken met de volgende SIKB normdocumenten: SIKB BRL 1000 Monsterneming voor partijkeuringen(1)  Protocol 1001: Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie  Protocol 1002: Monsterneming voor partijkeuringen niet-vormgegeven bouwstoffen  Protocol 1003: Monsterneming voor partijkeuringen vormgegeven bouwstoffen (zelden)  Protocol 1004: Monsterneming te storten korrelvorminge afvalstoffen (zelden) SIKB BRL 2000 Veldwerk bij milieuhygiënisch onderzoek(2)  Protocol 2001: Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen  Protocol 2002: Het nemen van grondwatermonsters  Protocol 2003: Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek  Protocol 2018: Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem De werkzaamheden van een veldwerker zijn per protocol verschillend. In algemene zin voert de veldwerker een bodembewerking uit en neemt bodemmonsters. De handelingen van de veldwerker tijdens een milieutechnisch bodemonderzoek in de diverse protocollen is weergegeven in bijlage II. Boorgereedschap De veldwerker rust zijn veldwerkbus uit met geschikt boorgereedschap om een boorgat te maken tot de gewenste diepte. De veldwerker heeft een uiteenlopend arsenaalaan boorgereedschap nodig om voor alle protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018 inzetbaar te zijn. Het boorgereedschap is bedoeld voor het nemen van geroerde bodemmonsters en ongeroerde bodemmonsters. Het boorgereedschap wordt nader toegelicht in bijlage III. (1) BRL SIKB 1000 Veldwerk milieuhygiënischbodem-en waterbodemonderzoek (certificatie), www.sikb.nl/lijstbrl000, geraadpleegd2 februari 2015 (2) BRL SIKB 2000 Veldwerk milieuhygiënischbodem-en waterbodemonderzoek (certificatie), www.sikb.nl/lijstbrl2000, geraadpleegd5 februari 2015
  • 14.
    - 14 - Boortechnieken Develdwerker heeft boortechnieken tot zijn beschikking om de bodemlagen te kunnen beschrijven en te kunnen bemonsteren. De meest gebruikelijke boortechniek is het handmatig boren. Een andere boortechniek ,mechanisch boren, wordt gebruikt bij het zetten van diepe boringen of het bereiken van de bodem onder een verhardingslaag. Binnen dit afstudeeronderwerp is de boortechniek mechanisch boren niet behandeld, omdat de veldwerker deze boortechniek niet of nauwelijks gebruikt. Het zetten van diepe boringen wordt door milieuadviesbureaus vaak uitbesteed aan een geotechnisch adviesbureau. Handmatig boren Ten aanzien van het plaatsen van handboringen en peilbuizen zijn de protocollen 2001, 2003 en 2018 van toepassing. Bij het handmatig boren van een boorgat kan maximaal circa 10 meter onder het maaiveld worden bereikt. Bij het handmatig boren wordt een boorkruk voorzien van een van de boorgereedschappen (uit bijlage III). Handmatig boren is geschikt voor het boren in de bodem boven en onder de grondwaterstand. Voor het boren in de bodem ver onder de grondwaterstand is deze boortechniek minder geschikt, door een stuwende waterdruk. De veldwerker komt tijdens het handmatig boren direct in contact met grond, grondwater en baggerspecie. Hierbij gaat het om een geringe hoeveelheid grond die wordt opgeboord. Tijdens het asbestonderzoek wordt de bodem gezeefd met een grindzeef. De veldwerker komt hierbij erg dicht op het bodemmateriaal (armlengte afstand). Inzet van hydraulisch apparatuur Soms wordt er tijdens bodemonderzoek gebruik gemaakt van een kraan. Voorbeelden hiervan zijn het maken van proefsleuven in gedempte sloten of stortplaatsen, maar ook bij nader asbestonderzoek in puinpaden. Daarbij is het volume grond dat wordt ontgraven groter dan bij de handmatige boortechniek. De veldwerker kan tijdens het ontgraven van de bodem echter op een grotere afstand blijven. Bij de bemonstering en beoordeling komt de veldwerker direct in contact met grond en/of grondwater. Om harde lagen in de bodem te doorboren gebruikt de veldwerker een ramguts of een jekker. Door middel van een elektrisch, pneumatische of hydraulische hamer wordt de ramguts in de grond gedreven. Een jekker wordt elektrisch aangestuurd. Bij het gebruik van de jekker komt de veldwerker direct in contact met grond (armlengte afstand). Bij het boren met een ramguts wordt een geringe hoeveelheid grond opgeboord. De veldwerker komt echter weldirect in contact met grond en grondwater.
  • 15.
    - 15 - 3.2.3Omgevingsfactoren en werkterrein van de veldwerker De veldwerker werkt op verschillende werkterreinen. Deze informatie is van belang voor het beantwoorden van de hoofdvraag, omdat de verschillende werkterreinen ook verschillende chemische stoffen in de bodem, voor de veldwerker betekend. De informatie om deze deelvraag te beantwoorden komt uit literatuuronderzoek. Het literatuuronderzoek bestaat uit informatie van cahiers van het SKKB (Stichting Kennisontwikkeling Kennisoverdracht Bodem). De informatie met betrekking tot hoe een verontreiniging in een werkterrein is ontstaan, komt grotendeels voort uit de werkervaring van de auteur. De resultaten van het literatuuronderzoek zijn te vinden in hoofdstuk 4.2. Omgevingsfactoren De veldwerker heeft een flinke variatie aan werkterreinen waar werkzaamheden ten aanzien van het milieuhygiënisch bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Het komt geregeld voor dat de veldwerker op een dag meerdere werkterreinen bezoekt om werkzaamheden te verrichten. Het kan ook voorkomen dat de veldwerker voor een lange periode op één werkterrein werkzaamheden verricht. Voor elk werkterrein is de veldwerker alert op diverse veiligheidsaspecten. In de ruimte en omgeving waarin de veldwerker met zijn boorgereedschappen werkt, zijn omgevingsfactoren die een effect kunnen hebben op het lichaam. Een koude vochtige werkplek is niet prettig om in te werken en deze kan gezondheidsklachten veroorzaken. Net als een te warme werkplek of een ruimte waar weinig daglicht binnenkomt. Ook andere omgevingsfactoren kunnen schadelijk zijn voor het lichaam (bijv. machines die te veel lawaai produceren of een bepaald soort straling). De manier waarop de veldwerker zich kan beschermen op weersinvloeden en omgevingsfactoren tijdens de werkzaamheden wordt niet in dit afstudeeronderzoek meegenomen. Werkterrein De veldwerker komt met het uitvoeren van milieuhygiënisch bodemonderzoek op verschillende werkterreinen. Op basis van historisch vooronderzoek (NEN 5725) kan van een werkterrein voorafgaand ingeschat worden of er chemische stoffen in de bodem aanwezig kunnen zijn, die schadelijk voor de gezondheid van de veldwerker zijn. Het inzetten van PBM's door de veldwerker wordt in die gevallen bepaald door een bodemadviseur of bodemprojectleider. Soms komt het voor dat een hogere veiligheidsdeskundige of arbeidshygiënist het inzetten van PBM's aanbeveelt aan de veldwerker. Elk werkterrein heeft over het algemeen een bepaalde verontreiniging van chemische stoffen in de bodem of het is zeer aannemelijk dat een chemische stof in de bodem aanwezig is. De werkterreinen waar een veldwerker zijn werkzaamheden kan uitvoeren zijn:  Openbaar terrein Particulier terrein Industrie terrein  Tanklocaties Agrarisch gebied Gasfabriek terrein  Chemische wasserijen Olieraffinaderijen Stortplaatsen  Op en langs oppervlaktewater Langs het spoor Op en langs de weg In bijlage IV worden de verontreinigingen aan chemische stoffen die kunnen worden verwacht in de bodem per werkterrein weergegeven. Werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen De veldwerker werkt over het algemeen in de buitenlucht. Hierbij is het van belang dat de veldwerker voor zijn eigen gezondheid zich beschermt tegen weersinvloeden. De veldwerker beschermt zich tegen zon, regen,wind, koude en warme temperaturen. Hiervoor stelt de werkgever van de veldwerker persoonlijke werkkleding beschikbaar. Deze persoonlijke werkkleding zijn bijvoorbeeld: werkbroeken, werktruien, werkshirts, regenjassen, regenbroeken en thermokleding. Het schoeisel voor de veldwerker wordt door de werkgever eveneens verstrekt in de vorm van veiligheidsschoenen en veiligheidslaarzen voorzien van een stalen neus tegen stoten en het voorkomen van andere voetblessures..
  • 16.
    - 16 - Tenaanzien van de bescherming tegen chemische stoffen in de bodem wordt door de werkgever persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM's) beschikbaar gesteld voor de veldwerker. Het dragen van deze PBM's is per werkterrein vaak verschillend, zie onderstaand tabel 4. PBM’s worden afgestemd op de te verwachten verontreinigingen in het werkterrein en de blootstellingsrisico’s. Tabel 4: Werkterreinen van de veldwerkerin relatie tot voorkomen chemische stoffen,algemeen beeld van bodemkwaliteit, aanvullende PBM's en invloed van weeromstandigheden (Tabel komt voort uit eigen literatuuronderzoek op basis van hoofdstuk 3.2.1 en 3.2.2). Werkterrein Voorkomen chemische stoffen in de bodem PBM’s als standaard? Blootstellingsrisico vluchtige chemische stoffen? Indicatie blootstellingsroute richting veldwerker(#) Openbaar terrein Minerale olie Niet-vluchtige stoffen PAK / PCB Nee Ja Contact met grond (Inademen gronddeeltjes) (Inademen gassen) Particulier terrein Aromaten Minerale olie Niet-vluchtige stoffen PAK / PCB Nee Ja Contact met grond (Inademen gronddeeltjes) (Inademen gassen) Industrieterrein Aromaten Minerale olie Niet-vluchtige stoffen PAK / PCB Nee Ja Contact met grond (Inademen gronddeeltjes) (Inademen gassen) Tanklocaties Aromaten Minerale olie Ja Ja Contact met grond (Inademen gronddeeltjes) (Inademen gassen) Agrarisch gebied Bestrijdingsmiddelen Niet-vluchtige stoffen Nee Nee Contact met grond (Inademen gronddeeltjes) Gasfabriek terrein Aromaten Cyanide Minerale olie Niet-vluchtige stoffen PAK / PCB Ja Ja Contact met grond (Inademen gronddeeltjes) (Inademen gassen) Chemische wasserijen Niet-vluchtige stoffen VOCL Nee Ja Contact met grond (Inademen gassen) Olieraffinaderijen Minerale olie PAK / PCB Ja Ja Contact met grond (Inademen gassen) Stortplaatsen Aromaten Asbest Cyanide Dioxine Minerale olie Niet-vluchtige stoffen PAK / PCB Radioactief afval Ja Ja Contact met grond (Inademen gronddeeltjes) (Inademen gassen) Op en langs water Minerale olie Niet-vluchtige stoffen PAK / PCB Ja Nee Contact met grond Langs het spoor Bestrijdingsmiddelen Minerale olie Aromaten Niet-vluchtige stoffen PAK / PCB Ja Ja Contact met grond (Inademen gronddeeltjes) (Inademen gassen) Op en langs de weg Aromaten Niet-vluchtige stoffen Minerale olie PAK / PCB Ja Ja Contact met grond (Inademen gronddeeltjes) (Inademen gassen) (#) = Het inademenvangronddeeltjes is alleen van toepassingals de veldwerker gebruikt maakt vanprotocol 2018.Het inademenvan gassen is alleen van toepassingals de veldwerker zintuiglijkeafwijkingen (kleur/geur) waarneemt tijdens zijn werkzaamheden.
  • 17.
    - 17 - 3.3Blootstellingsroutes Door werkzaamheden in de bodem kunnen chemische stoffen in het lichaam van de veldwerker komen, de blootstellingsroutes. Welke blootstellingsroutes voor de veldwerker gelden komt voort uit de bevindingen van hoofdstuk 3.2. De combinatie van manier van uitvoeren en de aanwezigheid van chemische stoffen op het werkterrein waarop gewerkt wordt, zijn van invloed op het activeren van blootstellingsroutes. Deze informatie is van belang voor het beantwoorden van de hoofdvraag, omdat er voor verschillende blootstellingsroutes ook verschillende beschermingsmaatregelen moeten worden genomen. De informatie om deze deelvraag te beantwoorden komt voor uit literatuuronderzoek. Het literatuuronderzoek bestaat uit onderzoeksrapporten van het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu). Daarnaast is er informatie gehaald uit cahiers van het SKKB en op de website van de Arbeidsinspectie. De resultaten van het literatuuronderzoek zijn te vinden in hoofdstuk 4.3. Giftigheid van chemische stof Een chemische stof kan nog zo giftig zijn, er is geen enkel gezondheidsrisico als de veldwerker niet blootgesteld wordt aan de stof. De eigenschappen van de chemische stof bepalen het intrinsieke gevaar van de stof, maar de kans op gezondheidsschade wordt bepaald door de wijze waarop en de duur en frequentie waarmee de veldwerker wordt blootgesteld aan de stof. Een stof kan pas een schadelijk effect op het lichaam hebben als het lichaam wordt blootgesteld. Bij stoffen met een lokaal effect (bijtende en irriterende stoffen) moet er contact zijn tussen de chemische stof en het weefsel:de huid, de slijmvliezen, de longen of de ogen. Bij chemische stoffen met een systemisch effect moet de chemisch stof worden opgenomen in het lichaam. Er zijn voor chemische stoffen drie opnameroutes: via de ademhaling, door de huid en door inslikken. Verder is het onderscheid tussen vluchtige en niet vluchtige verontreinigingen van groot belang voor de blootstellingroutes. 3.3.1 Blootstellingsroutes algemeen De mens kan op diverse manieren in directe aanraking komen met een bodemverontreiniging. De blootstellingroutes worden bepaald door de activiteit die de mens uitvoert. Aangezien de activiteiten die een veldwerker uitvoert anders zijn, dan de activiteiten die iemand uitvoert die op het betreffende perceelwoont in een woonhuis met tuin, zullen ook de blootstellingroutes van beide verschillen van elkaar.(1) Blootstelling aan bodemverontreinigingen door mensen is mogelijk door de mogelijke blootstellingsroutes:  Ingestie van verontreinigde bodemdeeltjes  Dermaalcontact met verontreinigde bodemdeeltjes binnen;  Dermaalcontact met verontreinigde bodemdeeltjes buiten:  Inhalatie van verontreinigde bodemdeeltjes;  Inhalatie van verontreinigde dampen binnen;  Inhalatie van verontreinigde dampen buiten;  Consumptie van verontreinigde groenten;  Contact via verontreinigd drinkwater. (1) R. van der Berg(1991/1994) Human exposure to soil contamination.Aqualitive andquantitive analysis towards proprosals for human toxicological interventionvalues, RIVM, rapnr. 725201011
  • 18.
    - 18 - 3.3.2Blootstellingsroutes van de veldwerker Ingestie van verontreinigde bodemdeeltjes Bij het boren en/of graven door de veldwerker in verontreinigde grond, kunnen gronddeeltjes worden ingeslikt. De blootstellingsroute loopt via de mond naar het maagdarmkanaal. Anders dan bij opname via de huid en de ademhaling heeft de veldwerker zelf grote invloed op de opname van grond via de mond door zijn gedrag (het werken met blote hand ten opzichte het werken met handschoenen). De chemische stoffen komen in de maag vrij en worden door het bloed opgenomen. De chemische stoffen kunnen door de bloedcirculatie overal in het lichaam terechtkomen en daar negatieve gezondheidseffecten geven. Voor zware metalen geldt een vergelijking met de effecten van een chronische metaalvergiftiging. Over het algemeen mag worden aangenomen dat de veldwerker, tijdens zijn werkzaamheden, onder geen beding de grond proeft of in de mond neemt, zoals bij kinderen (niet-volwassene) nog weleens kan gebeuren. Dermaal contact aan bodemdeeltjesbuiten Door het opboren van verontreinigde grond of baggerspecie kan via de huid van veldwerker een chemische stof de gezondheid negatief beïnvloeden. Tijdens het beoordelen van opgeboorde grondlagen raakt de veldwerker vaak met de handen de grondlagen aan. Bij beoordeling van klei, sterk zandig versus zand, sterk kleiig wordt, door de veldwerker, gebruikt gemaakt van het rollen van de grondlaag in de hand. Voor beoordeling op bijmengingen gebruikt de veldwerker een vinger om door de opgeboorde grond te gaan. Het komt het meest voor dat we door de huid chemische stoffen opnemen, vooral oplosmiddelen. De huid heeft een beschermlaagje dat vet is. Wanneer de huid in contact komt met een oplosmiddel verdwijnt het laagje vet en daardoor kunnen de stoffen door de poriën in het bloed komen. Een voorbeeld hiervan is benzeen(1) ; dit zit in benzine en kan jaren later kanker veroorzaken. De gevolgen zijn bij opname door de huid: een gevoel van dronkenschap, hoofdpijn en zenuwbeschadiging bij langdurige blootstelling OPS (Organo Psycho Syndroom). Dampen en gassen (bijvoorbeeld benzeendamp en blauwzuurgas) kunnen ook door de huid heen dringen. Als de huid beschadigd of ontvet is, kan een stof makkelijker door de huid worden opgenomen. Ook kan op de beschadigde huid makkelijker een contacteczeem ontstaan. Er zijn ook chemische stoffen die direct (acuut) effect hebben op de huid, bijvoorbeeld zuren en logen. Deze stoffen zijn niet echt giftig, maar toch gevaarlijk omdat ze een bijtende werking hebben. Het zijn soms corrosieve stoffen,dat wil zeggen, dat ze niet alleen gevaarlijk zijn voor de huid van de mens maar ze kunnen ook textiel en zelfs metaal aantasten; ze bijten zich als het ware er doorheen. De sterkte van zuren en logen is afhankelijk van de concentratie. Zwavelzuur is in hoge concentratie levensgevaarlijk, citroenzuur alleen in grote hoeveelheden. Een zuur dat op de huid komt, bijt de huid weg. De veldwerker voelt direct pijn. Via dermale blootstelling kan een chronische metaalvergiftiging(1) ontstaan. Door lange tijd contact met kleine hoeveelheden zware metalen, waarvan de symptomen in het begin niet of nauwelijks waarneembaar zijn maar op de lange duur uitgroeien tot serieuze ziektes. De chronische metaalvergiftiging is niet makkelijk te herkennen, omdat de symptomen vaak vele andere oorzaken kunnen hebben:  Vermoeidheid Spijsverteringsproblemen Vertraagde vetverbranding  Pijnlijke gewrichten Depressies Verhoogde bloedsuikerspiegel  Menstruatieproblemen, onvruchtbaarheid,miskramen, hoge bloeddruk tijdens zwangerschap en vroeggeboorte. De zware metalen kwik, cadmium, lood, nikkel, aluminium, zink en arseen zijn stoffen in bodem waar de veldwerker lange tijd met kleine en/of grote hoeveelheden in contact kan komen. (1) BasisveiligheidVCA, Arbo Support Nederland, Kluwer, 9013068189,9789013068184
  • 19.
    - 19 - Inhalatievan bodemdeeltjes Bij het zeven van grond door de veldwerker in verontreinigd grond, kunnen bodemdeeltjes zich verplaatsen door de lucht. Via de ademhaling kan een chemische stof het lichaam binnen komen. Een mens ademt normaal circa 1250 liter lucht per uur in. Aan bodemdeeltjes kunnen zich verontreinigde stoffen uit de bodem bevinden. Verontreinigde chemische stoffen in de bodem (zoals zware metalen en/of asbest) moeten een fijne verdeling hebben om zich te kunnen verspreiden in de lucht.. De chemische stoffen op bodemdeeltjes worden via de longen opgenomen in het bloed. Het bloed verspreidt deze stoffen naar de hersenen, lever, nieren en andere organen, waar ze een schadelijk effect kunnen hebben. Kleine gronddeeltjes en vezels kunnen bij het inademen in de neus en de luchtpijp terechtkomen. Trilhaartjes vangen de grotere deeltjes op. Door hoesten komen ze in de mond, waarna ze worden ingeslikt. Alleen de kleinste gronddeeltjes komen in de longen terecht. Daar kunnen ze longaandoeningen veroorzaken, of ze lossen op in het longvocht en worden zo opgenomen in het bloed. Tijdens de werkzaamheden van de veldwerker worden er in de praktijk nauwelijks luchtmetingen verricht op de aanwezigheid van schadelijke bodemdeeltjes op het werkterrein. Inhalatie van dampen buiten Gassen (zoals chloorgas en koolmonoxide) verspreiden zich altijd makkelijk in de lucht. Bij een vloeistof (zoals aceton en ether) bepaalt de dampspanning de vluchtigheid. Hoe hoger de dampspanning, hoe vluchtiger de stof is. Hoe vluchtiger de vloeistof, hoe meer damp wordt ingeademd. Plotseling onwel worden door blootstelling aan deze vluchtige stoffen komt bij elk milieuadviesbureau voor. Plotseling onwel worden treedt op bij een blootstelling aan een ineens optredende hoge concentratie terwijl de omstandigheden van de veldwerker ongunstig zijn (afgesloten ruimte, diepe put, windstil weer). Hiernaast kan het voorkomen dat de veldwerker gezondheidsklachten krijgt door de hele dag een afwijkende geur te ruiken die niet tot ernstige gezondheidsschade leidt. De veldwerker kan dan wel symptomen als hoofdpijn en vermoeidheid ervaren op de langere termijn. 3.3.3 Eliminatie van blootstellingsroutes bij de veldwerker Uit informatie van hoofdstuk 3.2 is gebleken dat de veldwerker door zijn werkwijze niet in aanraking komt met de blootstellingsroutes:  Dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes binnen  Inhalatie van verontreinigde dampen binnen;  Consumptie van verontreinigde groenten;  Contact via verontreinigd drinkwater. De blootstellingsroute’s dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes binnen en inhalatie van verontreinigde dampen binnen zijn niet van toepassing voor de veldwerker. Het werkzaamheden van de veldwerker vindt voor circa 95% in de buitenlucht plaats. De blootstellingsroute consumptie van verontreinigde groenten is niet van toepassing voor de veldwerker. Door de arbeidshygiënische maatregelen in de CROW 132 is het consumeren van eten tijdens het uitvoeren van veldwerkzaamheden verboden. Tevens is de hele onderzoekslocatie van het verkennend bodemonderzoek wordt beschouwd als een verontreinigde zone. De blootstellingsroute contact via verontreinigd drinkwater is niet van toepassing voor de veldwerker. Bij deze blootstellingroute moet er gedacht worden aan het in contact komen (inname, dermaal of inhaleren) van drinkwater, waarbij de drinkwaterleiding is gescheurd door toedoen van een verontreiniging in de bodem. Tijdens werkzaamheden in het verkennend bodemonderzoek komt de veldwerker niet in aanraking met verontreinigd drinkwater uit een drinkwaterleiding.(1) (1) E. Brand et al, CSOIL 2000: an exposure model for human risk assessment of soil contamination, RIVM report 711701054/2007
  • 20.
    - 20 - 3.3.4Indirecte blootstellingsroutes van de veldwerker De veldwerker kan te maken krijgen met een indirecte blootstellingroute van chemische stoffen. Indirecte blootstelling treedt op als men wordt blootgesteld aan de verontreiniging die niet meer op de oorspronkelijke plaats aanwezig is (1) . Indirecte blootstelling is alleen mogelijk als de verontreiniging zich al heeft verspreid, zonder gebruik te maken van zijn handelingen in de protocollen. Indirecte bloostelling is veelal te voorkomen door goede hygiëne maatregelen (juiste omkleedprocedures, schoonmaken van materiaal etc.) Aanhangende gronddeeltjes aan werkkleding Het is mogelijk dat een veldwerker met vieze werkschoenen en/of werkkleding de cabine van de werkauto betreedt.Aanklevende verontreinigde bodemdeeltjes vallen op de mat van de werkauto. Niet-vluchtige stoffen vermengen zich met luchtdeeltjes uit de cabine van werkauto. Tevens kunnen vluchtige stoffen oplossen in de lucht van de cabine. Via deze indirecte blootstellingsroute kan de veldwerker gronddeeltjes en dampen inhaleren.(2) Stof in decontaminatie units De indirecte blootstellingroute van gronddeeltjes in de decontaminatie-unit loopt via de beschermende kleding van de veldwerker. Bij het uittrekken van de beschermende kleding in de decontaminatie-unit vallen aanhangende gronddeeltjes op de grond. Hierbij geldt dat de aanhangende gronddeeltjes dezelfde negatieve effecten kan vormen als de indirecte blootstellingroute in de cabine van de werkauto. Via deze indirecte blootstellingsroute kan de veldwerker gronddeeltjes en dampen inhaleren. Stof in de schaftgelegenheid Het betreden van schaftgelegenheden brengt een blootstellingrisico van andere werknemers op het werkterrein met zich mee. Deze werknemers doen andere werkzaamheden en hebben andere belangen op het werkterrein. Dikwijls betreden deze werknemers met aanhangende gronddeeltjes de schaftgelegenheid. Hierbij geldt dat de aanhangende gronddeeltjes dezelfde negatieve effecten kan vormen als de secundaire blootstellingroute in de cabine en in de decontaminatie-unit. Via deze indirecte blootstellingsroute kan de veldwerker gronddeeltjes en dampen inhaleren. (1) A.J. Baars et al, (2001)Re-evaluation ofhuman-toxicollogical maximumpossible risk levels, RIVM, rapnr. 711701025. (2) J. Steketee et al, SKB Cahier Zware Metalen, StichtingKennisontwikkelingKennisoverdracht Bodem, juli 2007
  • 21.
    - 21 - 3.4Berekenenvan blootstelling in CSOIL2000 Er is een blootstellingsmodel CSOIL2000 ontwikkeld, door het RIVM, die de blootstelling van chemische stoffen aan mensen kan berekenen. Dit blootstellingsmodel is van belang voor het beantwoorden van de hoofdvraag, omdat het blootstellingsmodel een risico-index geeft.Aan de hand van de risico-index wordt bepaald of een verontreiniging leidt tot gezondheidsschade en dus welke beschermingsmaatregelen genomen dienen te worden. Om informatie te krijgen heb ik contact gezocht met het RIVM. De auteur heeft door middel van een interview met Ellen Brand en Piet Otten, informatie verkregen over het blootstellingsmodel CSOIL2000. Samen met hen, heeft de auteur gekeken naar de mogelijkheden hoe het blootstellingsmodel CSOIL2000 gewijzigd kan worden. Door parameters te wijzigen, kan de risico- index voor de veldwerker berekend worden, in plaats van de wonende mens. De informatie die CSOIL2000 gebruikt is tevens bestudeert in een onderzoeksrapport van het RIVM. De resultaten van het literatuuronderzoek en het interview zijn te vinden in hoofdstuk 4.4. Blootstellingsmodel CSOIL2000 Het RIVM heeft een beschrijving opgesteld van het model CSOIL2000(1) , waarmee de interventiewaarden voor bodemverontreiniging worden berekend. Met CSOIL2000 worden de risico’s voor de mens die aan verontreiniging in de bodem wordt blootgesteld berekend. De mens kan via verschillende blootstellingsroutes (bodem, lucht, water en gewas) aan een bodemverontreiniging worden blootgesteld. Het gebruik van de bodem, bijvoorbeeld moestuinen, bepaalt vervolgens de mate van blootstelling. Van invloed zijn ook de fysische en chemische eigenschappen van de verontreinigingen in de bodemlucht, de bodemdeeltjes en het grondwater. De beleidsbrief Bodem uit 2003(2) ,heeft geleid tot een vernieuwing van het normenstelsel voor de beoordeling van de bodemkwaliteit. Het nieuwe normenstelsel gaat uit van de risico’s van bodemverontreiniging voor mens, ecosysteem en landbouwproductie. Het houdt daarbij rekening met het gebruik van de bodem (de bodemfunctie). Het blootstellingsmodel CSOIL2000 geeft een uitvoerwaarde weer in een risico-index. De risico index wordt weergegeven als: de blootstelling van de persoon in kwestie gedeeld door de risicogrens (blootstelling/risicogrens). De risicogrens is hier MTRhumaan. Als de blootstelling groter is dan de risicogrens, dan is er sprake van een risico (RI>1). Als de blootstelling kleiner is dan de risicogrens dan is er geen risico. Is de blootstelling gelijk aan de risicogrens, wordt is er nog steeds sprake van geen risico (RI=1). Beleidsmatige keuze van bodemfuncties De beleidsmatige keuze van bodemfuncties komen uit het NOBO-rapport(3) van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (voorheen VROM). Bijlage V laat zien hoe de beleidsmatige keuzes voor bodemfuncties worden ingevuld. Bijlage V laat ook zien dat er een clustering van bodemfuncties plaatsvindt tot bodemfunctieklassen. De werksituatie van de veldwerker is gelijk gesteld aan de situatie in het blootstellingsscenario 'wonen met tuin'. Tijdens de werksituatie van de veldwerker is er sprake van veel bodemcontact, geen gewasconsumptie en een gemiddeld ecologisch risico. Ondanks dat de veldwerker tijdens het uitvoeren van het bodemonderzoek niet weet in welke bodemkwaliteit gewerkt wordt, worden veel van de werkzaamheden uitgevoerd op locaties waar de bodemfunctieklasse ‘wonen’ van toepassing zou moeten zijn. (1) E. Brandet al, CSOIL 2000: an exposure model forhumanrisk assessment ofsoil contamination, RIVM Bilthoven, RIVM report 711701054/2007 (2) Beleidsbrief Bodem, Ministerie vanVROM, kenmerkBWL/2003096 250, 2003 (3) Normstellingen bodemkwaliteitsbeoordeling, onderbouwingen beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen(NOBO) in 2005, 2006, 2007, Ministerie vanVROM, december 2008,VROM 8395
  • 22.
    - 22 - Deandere blootstellingsscenario's zijn te ver verwijderd van de werksituatie van de veldwerker. Blootstellingsscenario 'moestuinen en volkstuinen' houdt rekening met veel gewasconsumptie. Blootstellingsscenario 'plaats waar kinderen spelen' richt zich voornamelijk op de doelgroep kinderen. Blootstellingsscenario 'landbouw' houdt rekening met de bescherming van de landbouwproductie. Blootstellingstellingsscenario 'natuur', 'groen met natuurwaarden' en 'ander groen, bebouwing en industrie' houden rekening met weinig bodemcontact door de mens. Bovendien houden de verschillende blootstellingsscenario vast aan een bodemfunctieklasse achtergrondwaarde of Industrie. 3.4.1 Berekenen van blootstelling in blootstellingsscenario ‘wonen met tuin’ Het is van belang, hoe de normen voor het blootstellingsscenario ‘wonen met tuin’ tot stand zijn gekomen. Een woonsituatie is immers anders dan een werksituatie. Voor de situatie 'wonen met tuin' is gekozen, omdat de beleidsmatige keuze voor de bodemfunctie het dichtst bij de werksituatie van de veldwerker staat. Het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' houdt rekening met humane risico's (veel bodemcontact, beperkte gewasconsumptie) en een gemiddeld ecologisch risico. Bij het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' voldoet de bodemkwaliteit aan de bodemfunctieklasse Wonen. Het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' in CSOIL2000 werkt met alle mogelijke blootstellingsroutes voor de mens:  Ingestie van verontreinigde bodemdeeltjes;  Dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes binnen;  Dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes buiten;  Inhalatie van verontreinigde bodemdeeltjes;  Inhalatie van verontreinigde dampen binnen;  Inhalatie van verontreinigde dampen buiten;  Consumptie van verontreinigde groenten;  Contact via verontreinigd drinkwater. Voor de bepaling van de risico’s wordt in het model ook gebruik gemaakt van vaste parameters. De parameters zijn ingevuld aan de hand van 'gemiddeld gedrag' van personen die verblijven in een woning met een tuin. Het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' heeft parameters ingevuld voor volwassene personen en kinderen. Tijdens de methode wordt alleen gekeken naar de parameters die zijn ingevuld voor volwassene. De formules van de blootstellingsroutes die van toepassing zijn voor de veldwerker en ingevulde parameters van het RIVM(1) in CSOIL2000 worden hieronder weergegeven Ingestie van verontreinigde bodemdeeltjes Het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' werkt met de blootstellingsroute ingestie van grond. De ingestie van grond is afhankelijk van de dagelijkse hoeveelheid ingenomen grond (AIDa),concentratie van de verontreiniging in de bodem (Cs),relatieve absorptiefactor (Fa) en het lichaamsgewicht (BWa). Volwassenen en vooral kinderen kunnen bodemdeeltjes door middel van hand-mondgedrag met opzet of per ongeluk inslikken. Formule ingestie van verontreinigde bodemdeeltjes:(1) DIa = (AIDa * Cs * Fa) / BWa Parameters ingestie van verontreinigde bodemdeeltjes in CSOIL2000 ‘wonen met tuin’:(1) DIa = blootstelling via ingestie van grond [mg/kg bw/dag] = ? Cs = concentratie grond [mg/kg d.s.] = x AIDa = dagelijkse inname grond volwassene [kg d.s./dag] = 5,0 *10-5 Fa = relatieve absorptiefactor[-] = 1 Bwa = lichaamsgewicht [kg] = 70 (1) Otte P.F., Lijzen J.P.A., Otte J.G., Swart jes F.A. Versluijs C.W. (2001). Evaluation andrevision of the CSOIL parameters set . RIVM, Bilthoven, The Netherlands. RIVM Report No. number 711701021.
  • 23.
    - 23 - Dermaalcontact met verontreinigde bodemdeeltjes buiten Het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' werkt met de blootstellingsroute dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes buiten. De blootstelling van dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes buiten is afhankelijk van de concentratie van de verontreiniging in de bodem (Cs), het blootgestelde huidoppervlak (AEXPao), de matrixfactor dermale opname (Fm), de mate van bedekt huidoppervlak (DAEao), de dermale absorptiesnelheid (DARa),de periode van blootstelling van de bodem (TBao),de relatieve absorptiefactor (Fa) en het lichaamsgewicht (BWa). De periode van de blootstelling door bodem wordt berekent uit de blootstellingsduur (t_ao) en de correctiefactor opname naar dagelijkse opname (tf_ao). Formule dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes buiten: (1) DAao = (Cs * AEXPao* Fm * DAEao * DARa * TBao * Fa) / Bwa waarin TBao = t_ao * tf_ao Parameters dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes buiten in CSOIL2000 ‘wonen met tuin’:(1) DAoa = blootstelling dermale contact bodemdeeltjes,volwassene,buiten [mg/kg bw /dag] = ? Cs = concentratie grond [mg/kg] = x AEXPao = blootgesteld huidoppervlak [m2 ] = 0,17 Fm = matrixfactor dermale opname [-] = 0,15 DAEao = maat van de huid bedekt,volwassene,buiten [kg/m2] = 3,75 x10-2 DARa = dermale absorptiesnelheid [uur] = 0,005 TBao = periode van blootstelling door bodem,volwassene,buiten [uur/dag] = 1,14 Fa = relatieve absorptiefactor[-] = 1 Bwa = lichaamsgewicht [kg] = 70 t_ao = blootstellingsduur[uur/dag] = 8 tf_ao = correctiefactoropname naar dagelijkse opname [-] = 0,143 Inhalatie van verontreinigde bodemdeeltjes Het blootstellingsmodel 'wonen met tuin' werkt met de blootstellingsroute inhalatie van bodemdeeltjes binnenshuis en buitenshuis. De inhalatie van bodemdeeltjes is afhankelijk van de concentratie van de verontreiniging in de bodem (Cs), de ingeademde hoeveelheid lucht (ITSPa),de relatieve absorptiefactor (Fa),retentiefactor van gronddeeltjes in de longen (Fr) en het lichaamsgewicht (BWa) volgens het blootstellingsscenario 'wonen met tuin'. Formule inhalatie van verontreinigde bodemdeeltjes buiten: (1) IPa = Cs* ITSPa * Fr * Fa / BWa waarin ITSPa = TSP * frs * AVa * t * tf Parameters inhalatie van verontreinigde bodemdeeltjes buiten in CSOIL2000 ‘wonen met tuin’:(1) IPa = blootstelling inhalatie van bodemdeeltjes,volwassene,buiten [mg/kg bw /dag] = ? Cs = concentratie grond [mg/kg] = x ITSPa = geïnhaleerde hoeveelheid bodemdeeltjes [kg/dag] = 8,33*10-7 Fr = retentiefactorbodemdeeltjes in longen [-] = 0,75 Fa = relatieve absorptiefactor[-] = 1 BWa = lichaamsgewicht [kg] = 70 TSP = hoeveelheid zwevende bodemdeeltjes in lucht [mg/m3] = 70 x10-3 frs = fractie bodemdeeltjes in lucht [-] = 0,5 AVa = luchtvolume,volwassene [m3/dag] = 0,833 t = blootstellingsduur[uur] = 8 tf = correctiefactor dagelijkse opname [-] = 0,143 (1) Otte P.F., Lijzen J.P.A., Otte J.G., Swart jes F.A. Versluijs C.W. (2001). Evaluation andrevision of the CSOIL parameters set . RIVM, Bilthoven, The Netherlands. RIVM Report No. number 711701021.
  • 24.
    - 24 - Inhalatievan dampen buiten Het blootstellingsmodel 'wonen met tuin' werkt met de blootstellingsroute inhalatie van dampen binnenshuis en buitenshuis. Dit onderzoek richt zich alleen op blootstellingsroutes van de veldwerker, derhalve word de inhalatie van dampen binnenshuis niet meegenomen. De inhalatie van dampen buitenshuis is afhankelijk van de concentratie van de verontreiniging in de bodem (Cv), de ingeademde hoeveelheid lucht (hl), de relatieve absorptiefactor(Ra), retentiefactor van gronddeeltjes in de longen (Re) en het lichaamsgewicht (BWa) volgens het blootstellingsscenario 'wonen met tuin'. Formule inhalatie van dampen buiten: (1) IVao = TIao * COaa * Fa * AVa * 1000 / BWa Parameters inhalatie van dampen buiten in CSOIL2000 ‘wonen met tuin’:(1) IVao = blootstelling inhalatie van dampen,volwassene,buiten [mg/kg bw /dag] = ? TIao = inhalatieperiode,volwassene,buiten [uur/dag] = 1,14 COaa = concentratie van damp in lucht [g/m3] = x Fa = relatieve absorptiefactor[-] = 1 AVa = luchtvolume,volwassene [m3/dag] = 0,833 BWa = lichaamsgewicht [kg] = 70 3.4.2 Nieuw te vormen blootstellingsscenario ‘veldwerker’ De beoordeling van blootstelling aan chemische stoffen, in de bodem door de veldwerker, wordt gedaan op het blootstellingsscenario ‘wonen met tuin’ in CSOIL2000. De parameters zijn ingevuld aan de hand van 'gemiddeld gedrag' van personen die verblijven in een woning met een tuin. In het onderzoek is gebleken dat deze parameters niet overeenkomen met de werksituatie en de contactduur met de bodem door de veldwerker. De parameters dienen te worden gewijzigd in een nieuw te vormen blootstellingsscenario ‘veldwerker’in het blootstellingsmodel CSOIL2000 van het RIVM. Doelgroep In tegenstelling tot het blootstellingsscenario ‘wonen met tuin’ dient het nieuwe blootstellingsscenario ‘veldwerker’enkel rekening te houden met volwassen personen. Kinderen worden uitgesloten bij het berekenen van blootstelling. Blootstellingsroutes Uit het onderzoek blijkt dat veldwerker tijdens het bodemonderzoek enkel in aanraking kan komen met de blootstellingsroutes: ingestie van grond, dermaal contact met gronddeeltjes, inhalatie van gronddeeltjes en inhalatie van dampen. Andere blootstellingsroutes dienen te worden uitgeschakeld. In het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' zijn alle blootstellingsroutes van toepassing, te weten; ingestie van grond, dermale opname grond binnen + buiten, inhalatie grond, inhalatie binnen- en buitenlucht, consumptie gewas eigen tuin, consumptie drinkwater, inhalatie dampen douchegebruik, dermale opname baden. Parameter dagelijkse inname van grond (AIDa) Van jongs af aan wordt ons aangeleerd dat het opeten van gronddeeltjes niet goed is voor de gezondheid. Hierdoor is het uitgesloten dat de veldwerker blootstelling verkrijgt door ingestie van verontreinigde gronddeeltjes door het opeten van grond. Het gedrag van kleine kinderen die grond in de hand nemen en vervolgens in de mond stoppen voor consumptie is uitgesloten bij veldwerkers die werken in een professionele omgeving. Op basis van de analyse zou de ingestiewaarde van grond door de veldwerker onder normale werkcondities, kunnen worden gewijzigd naar 10 mg/dag. Het nivelleren naar 0 mg/dag is niet aan de orde, omdat de veldwerker via indirecte blootstelling, achtergrondblootstelling of secundaire blootstelling gronddeeltjes consumeert. Hierdoor kan 10 mg/dag gezien worden als een representatief gehalte voor het berekenen van blootstelling in het nieuw te vormen blootstellingsscenario ‘werken met verontreinigde grond’. In het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' wordt 50 mg/dag gehanteerd voor een volwassen persoon. (1) Otte P.F., Lijzen J.P.A., Otte J.G., Swart jes F.A. Versluijs C.W. (2001). Evaluation andrevision of the CSOIL parameters set. RIVM, Bilthoven, The Netherlands. RIVM Report No. number 711701021.
  • 25.
    - 25 - Parameterlichaamsgewicht (BWa) In dit onderzoek wordt er vanuit gegaan dat de meeste veldwerkers Nederlandse mannen zijn. Het gemiddeld lichaamsgewicht van de Nederlandse man bedraagt 85 kilogram. Het lichaamsgewicht zal om deze reden worden gewijzigd naar 85 kilogram. In het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' wordt 70 kilogram gehanteerd voor een volwassen persoon.  In de huidige versie van CSOIL2000 is het niet mogelijk om het lichaamsgewicht van een persoon aan te passen.De invloed van het gewicht van een persoon op het risico, in verhouding tot bijvoorbeeld variaties in blootstellingsroutes,is beperkt van invloed. Voor organische stoffen zoals PAK is de invloed iets groter dan bij zware metalen. Hierbij geldt dat hoe zwaarder de persoon,hoe kleiner het risico. (Ellen Brand, RIVM 24 april 2015, mailcorrespondentie). Parameter blootgesteld huidoppervlak (AEXPao) De veldwerker wordt, door het niet weten in wat voor bodemkwaliteit de werkzaamheden worden uitgevoerd (uit literatuuronderzoek hoofdstuk 3), aanbevolen om tijdens het bodemonderzoek handschoenen en geschikt schoeisel te dragen. Dit houdt in dat de parameter voor blootgesteld huidoppervlak (AEXPao) bijgesteld dient te worden naar het huidoppervlak van polsen, nek en het gezicht van de veldwerker. Het huidoppervlak van handen en enkels word bedekt door handschoenen en geschikt schoeisel en voorkomt dermale blootstelling met verontreinigde bodemdeeltjes. Op basis van de analyse zou het blootgestelde huidoppervlak van de veldwerker onder normale werkcondities, kunnen worden gewijzigd naar 0,09 m2 . Het nivelleren naar 0 m2 is niet aan de orde, omdat de veldwerker gedurende werkzaamheden het huidoppervlak van polsen, nek en gezicht zelden afdekt. Desalniettemin is het vrijwel onmogelijk dat opgeboorde grond direct in contact komt met het huidoppervlak van nek en gezicht. In het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' wordt 0,17 m2 gehanteerd.  In de huidige versie van CSOIL2000 is het niet mogelijk om de parameter blootgesteld huidoppervlak aan te passen.De invloed van de parameter blootgesteld huidoppervlak (AEXPao) op de risico -index is heel minimaal. Hiervoor zijn diverse redenen te noemen: 1) dermale opname beperkt zicht tot de organische stoffen (zware metalen vallen af); 2) dermale opname is een route welke beperkt van belang is, gezien andere blootstellingsroutes,zoals ingestie van grond en de inhalatie van gassen; 3) het blootgestelde huidoppervlak is relatief klein, waardoor de invloed ook kleiner is. De blootstellingsroute pas een rol spelen als alle andere blootstellingsroutes niet van toepassing zijn. (Ellen Brand, RIVM 7september 2015, mailcorrespondentie). Parameter periode van blootstelling door bodem, volwassene, buiten (TBao) De veldwerker werkt per dag gemiddeld 8 uur voor de werkgever. In de werktijd van 8 uur zit over het algemeen 1 uur reistijd (van kantoorlocatie naar werklocatie) en 1 uur administratieve handelingen, het pakken van boorgereedschappen, het schoonmaken van boorgereedschappen het netjes achterlaten van de onderzoekslocatie, die voortkomen uit de desbetreffende BRL’s (bodemrichtlijnen) voor het uitvoeren van bodemonderzoek. Dit houdt in dat de parameter periode van blootstelling door bodem, volwassene buiten (TBao) bijgesteld dient te worden naar de maximale blootstellingsperiode van de veldwerker. Het continu zeer intensief en inspannend werken wordt als niet realistisch gezien, doch kan kortdurend voorkomen. Op basis van de analyse zou de periode van blootstelling aan bodem van de veldwerker, onder normale werkcondities, kunnen worden gewijzigd naar 6 uur/dag. Het verhogen naar 8 uur/dag is, niet aan de orde, omdat de veldwerker zeer zelden in de praktijk zolang wordt blootgesteld aan dermaal contact en dit dus als incidenteel mag worden beschouwd. Tijdens werkzaamheden in het bodemonderzoek zal de veldwerker niet elke werkdag maximaal 6 uur/dag worden blootgesteld aan dermaal contact met bodemdeeltjes, doordat de werkzaamheden zeer divers zijn. Zo kan het zijn dat de veldwerker op een werkdag een locatiebezoek en watermonsternames uitvoert, bij deze werkzaamheden is er geen dermaal contact met bodemdeeltjes. In het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' wordt 1,14 uur/dag gehanteerd.
  • 26.
    - 26 - Parameterhoeveelheid zwevende bodemdeeltjes uit lucht (TSP) Tijdens werkzaamheden in het bodemonderzoek heeft de veldwerker een intensiever contact met de bodem, zoals beschreven in hoofdstuk 3. Tijdens een bodemonderzoek met als doel het aantonen van asbest in de bodem, dient de veldwerker opgeboorde bodem te zeven. Door het zeven van grond verspreiden bodemdeeltjes zich in de lucht. Deze bodemdeeltjes kunnen makkelijker worden meegenomen door de lucht, zodat de veldwerker die meestalop armlengte afstand (circa 1 meter) de bodemdeeltjes kan inhaleren. Op basis van de analyse zou de gehalte van geïnhaleerde bodemdeeltjes uit de lucht door de veldwerker, onder normale werkcondities, kunnen worden gewijzigd naar 80*10-3 mg/m3 . Tijdens werkzaamheden in het bodemonderzoek zal de veldwerker niet elke werkdag worden blootgesteld aan het inhaleren van bodemdeeltjes uit de lucht, doordat de werkzaamheden zeer divers zijn. Zo kan het zijn dat de veldwerker op een werkdag een locatiebezoek en watermonsternames uitvoert, bij deze werkzaamheden is er nauwelijks kans op het inhaleren van bodemdeeltjes uit lucht. Het verhogen naar een hoger gehalte voor geïnhaleerde bodemdeeltjes is, niet aan de orde, omdat de veldwerker in de praktijk niet altijd de bodem hoeft te zeven. In het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' wordt 70*10-3 mg/m3 gehanteerd.  De waarde die de auteur hanteert voor hoeveelheid zwevende bodemdeeltjes is een ruwe aanname van de werkelijkheid in samenspraak met Ellen Brand en Piet Otten (RIVM). De exacte waarde voor de hoeveelheid bodemdeeltjes dient in een praktijkonderzoek te worden vastgesteld.Door het wijzigen van de parameter hoeveelheid zwevende deeltjes (TSP) veranderd ook de parameter geïnhaleerde bodemdeeltjes (ITSPa). In de huidige versie van CSOIL2000 is het enkel mogelijk om de parameter hoeveelheid zwevende bodemdeeltjes (TSP) aan te passen. Parameter inhalatieperiode volwassene buiten (TIao) De veldwerker werkt per dag gemiddeld 8 uur voor de werkgever. In de werktijd van 8 uur zit over het algemeen 1 uur reistijd (van kantoorlocatie naar werklocatie) en 1 uur administratieve handelingen, het pakken van boorgereedschappen, het schoonmaken van boorgereedschappen het netjes achterlaten van de onderzoekslocatie, die voortkomen uit de desbetreffende BRL’s (bodemrichtlijnen) voor het uitvoeren van bodemonderzoek. Het continu zeer intensief en inspannend werken wordt als niet realistisch gezien, doch kan kortdurend voorkomen. Op basis van de analyse zou de inhalatieperiode volwassene buiten (TIao), onder normale werkcondities, kunnen worden gewijzigd naar 6 uur/dag. Tijdens werkzaamheden in het bodemonderzoek zal de veldwerker niet elke werkdag maximaal 6 uur/dag worden blootgesteld aan inhalatie van dampen, doordat de werkzaamheden zeer divers zijn. Zo kan het zijn dat de veldwerker op een werkdag geen intensieve grond bewerking (diepe boringen/zeven van grond) uitvoert en enkel wordt blootgesteld aan de dampen in de lucht in de nabije omgeving tijdens de werkzaamheden (denk aan locatiebezoek of watermonstername BRL2002). In het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' wordt 1,14 uur/dag gehanteerd.
  • 27.
    - 27 - Omhoofdstuk 3.4.2 te verduidelijken is tabel 6 gemaakt door de auteur, die inzichtelijk maakt welke parameters de blootstellingsscenario's ten opzichte van elkaar hanteren. Elke andere parameters is niet gewijzigd. 3.4.3 Gevoeligheidsanalyse CSOIL2000 In hoofdstuk 4.4 wordt het blootstellingsmodel CSOIL2000 met het nieuw te vormen blootstellingsscenario ‘veldwerker’onderworpen aan een gevoeligheidsanalyse. Een gevoeligheidsanalyse is een manier om de onzekerheid rondom effectinschattingen in CSOIL2000 te onderzoeken. In een gevoeligheidsanalyse bekijkt men wat het effect van een verandering van één veronderstelling is op de uitkomst van de risico-index (blootstelling versus MTRhumaan). In deze gevoeligheidsanalyse wordt voor elke gewijzigde parameter in het model nagegaan, hoe sterk de waarde van de uitvoervariabele verandert als gevolg van een van 10% (of meer) van de waarde van die invoervariabele.
  • 28.
    - 28 - 4.Resultaten 4.1 Resultaten interne enquête Grondslag B.V. Uit een interne enquête van Grondslag B.V.,blijkt dat veldwerkers onderling van mening verschillen of de maatregelen om de gezondheidsrisico’s die zij lopen te minimaliseren, wel nodig zijn. De verschillen in mening ontstaan door de CROW 132. De CROW 132 bevat geen standaard beschermingspakket voor veldwerkers voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek. Er wordt gerefereerd aan de bevindingen in het historisch vooronderzoek of bij een hoge kans van aantreffen van een verontreiniging. Bij een onbekende bodemsituatie zijn alle persoonlijke beschermingsmaatregelen van toepassing. Hierdoor interpreteren de milieuadviesbureaus (werkgevers van veldwerkers) de wet- en regelgeving omtrent de bescherming van de veldwerker ten aanzien van de blootstelling verschillend. Er ontstaan situaties waarbij veldwerkers gezondheidsrisico’s lopen, omdat men de te nemen maatregelen niet serieus neemt. Men draagt bijvoorbeeld geen handschoenen of overall tijdens het werk omdat 'het allemaal wel meevalt'. Het komt voor dat veldwerkers fysiek onnodig zwaar worden belast door het dragen van een overall en adembescherming terwijl er geen blootstellingsrisico bestaat. Als een blootstellingsrisico ontbreekt en er toch maatregelen worden getroffen, wordt er ook onnodig geld uitgegeven aan die maatregelen. 4.2 Resultaten literatuuronderzoek Hoofdstuk 3.2.1 Wetgeving Uit het literatuuronderzoek is gebleken dat de veldwerker voorafgaand en tijdens werkzaamheden in het verkennend bodemonderzoek onvoldoende weet in welke bodemfunctieklasse de opgeboorde bodem is geclassificeerd. Momenteel wordt de inzet van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM's) op de te verwachten verontreinigingen van het werkterrein en op basis van historisch vooronderzoek bepaald. Bij het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek kan nog geen veiligheidsklasse worden bepaald. De veldwerker heeft geen exacte waarden van opgeboord materiaal en kan geen bodemfunctieklasse tijdens het veldwerk beoordelen. Hiervoor zijn gegevens van een milieulaboratorium nodig. Hierdoor is het mogelijk dat werkzaamheden zonder (PBM's) worden uitgevoerd, die na analyse in een milieulaboratorium toch onder de veiligheidsklasse 'basis of T-klasse' hadden moeten worden uitgevoerd. Hoofdstuk 3.2.2 Handelingen van de veldwerker Uit het literatuuronderzoek is gebleken dat, de veldwerker in algemene zin een bodembewerking uitvoert. De werkzaamheden van een veldwerker zijn zeer divers en bezitten geen regelmaat. Tijdens zijn werkzaamheden komt de veldwerker meer in aanraking met chemische stoffen in de bodem dan een persoon in een woonomgeving. De veldwerker kan bij zijn werkzaamheden in de bodem gassen/dampen laten ontsnappen aan de bodem. Door middel van het zeven van grond kan de veldwerker meer gronddeeltjes verspreiden in de lucht. Hoofdstuk 3.2.3 Omgevingsfactoren en werkterrein Uit het literatuuronderzoek is gebleken dat, de veldwerker werkt op verschillende werkterreinen. Het inzetten van PBM is niet bij elk werkterrein verplicht, doch opdrachtgevers verplichten van bodemonderzoek bij sommige werkterreinen een standaarduitrusting die veiligheid en gezondheid moet waarborgen.
  • 29.
    - 29 - 4.3Resultaten blootstellingsroutes Uit het literatuuronderzoek is gebleken dat voor de veldwerker niet alle blootstellingsroutes van toepassing zijn tijdens werkzaamheden in het bodemonderzoek. Sommige blootstellingsroutes moeten niet worden meegenomen bij het beoordelen van blootstelling richting de veldwerker. Tijdens de werkzaamheden kan de veldwerker met de handen grond aanraken,gronddeeltjes inademen of blootgesteld worden aan gassen/dampen vanuit een verontreinigde bodem. Het opeten van grond komt niet voor, al kan wel grond worden binnengekregen door niet de arbeidshygiënische strategie te volgen. Figuur 1: Blootstellingsroutes veldwerkerin vergelijking tot blootstellingsroutes personen in woonomgeving. 4.3.1 Invulling standaardpakket PBM Uit literatuuronderzoek is gebleken dat de CROW 132 niet stuurt op het voorkomen van blootstellingroutes. Er moet een eenduidige passage worden opgesteld door het platform CROW 132 die de bescherming van de veldwerker kan garanderen. In circa 90% van de bodemonderzoeken is het risico op blootstelling van niet-vluchtige chemische stoffen te verminderen door inzet van een standaardpakket PBM. Het standaardpakket PBM biedt geen overmaat van bescherming en is eenvoudig te dragen. Dit standaardpakket PBM stuurt direct aan op parameters die van toepassing zijn bij de blootstellingsroutes van de veldwerker. De altijd te nemen maatregelen om de blootstelling te verkleinen en daarmee de veiligheid en gezondheid voor de veldwerker op langere termijn te garanderen zijn:  Het dragen van een geweven katoenen overall (bij voorkeur fluoriserend geel/oranje).  Het dragen van hoge veiligheidsschoenen (S3) of laarzen (S5) met stalen neus.  Het dragen van handschoenen gericht op de activiteit van de veldwerker.  Het beschikbaar hebben van een PID-meter.  Het beschikbaar hebben van een bodemvochtmeter.  Verbod op dragen van standaardpakket PBM in veldwerkbus. Geweven katoenen overall De geweven katoenen overall moet bij voorkeur zijn voorzien van fluoriserende geel/oranje reflectiestrepen. De geweven katoenen overall helpt om de veldwerker zichtbaar te maken voor andere mensen, waardoor het risico van een plotseling ongeval bij werkzaamheden in bebouwde kom of langs wegen en treinsporen zal verminderen. Het verplicht maken van het dragen van een brandvertragende en elektrostatische overall voor de veldwerker is niet aan de orde, omdat bij circa 90% van de werkzaamheden in de bodem dit risico niet wordt verwacht. Het dragen van een geweven katoenen overall, zorgt voor bedekking van het huidoppervlak. Door een gereduceerd huidoppervlak, wordt er preventief gestuurd op de blootstellingsroutes van de veldwerker tijdens het bodemonderzoek. Geschikt schoeisel Het schoeisel van de veldwerker moet voorzien zijn van een stalen neus. Een stalen neus beschermt de voet tegen beschadigingen, door het vallen van voorwerpen en het stoten tegen voorwerpen. De veiligheidsschoenen dienen van een hoog model te zijn, zodat de geweven katoenen overall over de enkels en onderbenen vallen. Hierdoor hebben chemische stoffen een verminderde kans op het bereiken van het huidoppervlak van de veldwerker. Door een gereduceerd huidoppervlak, wordt er preventief gestuurd op de blootstellingsroutes van de veldwerker tijdens het bodemonderzoek.
  • 30.
    - 30 - Handschoenen Handschoenenworden door de veldwerker gedragen, om te voorkomen dat chemische stoffen uit de bodem niet kunnen worden opgenomen door de huid bij de handen. De opgeboorde grond kan niet onder nagels en aan de handen van de veldwerker blijven plakken. Door een gereduceerd huidoppervlak en minder mogelijkheden tot ingestie van grond, wordt er preventief gestuurd op de blootstellingsroutes van de veldwerker tijdens het bodemonderzoek. Luchtkwaliteitsmetingen op basis van blootstellingsrisico De veldwerker krijgt tijdens zijn werkzaamheden in het bodemonderzoek wellicht te maken met vluchtige chemische stoffen. Deze vluchtige chemische stoffen verdampen uit de bodem en komen in de lucht terecht. Naast een standaardpakket PBM moet de veldwerker een gekalibreerde Photo Ionisation Detector (PID) beschikbaar hebben om vluchtige stoffen te kunnen detecteren en daarmee het risico op blootstelling aan vluchtige stoffen te verminderen.Vluchtige chemische stoffen zoals BTEXN, minerale olie en VOCLkunnen tijdens werkzaamheden in de bodem aan de lucht verdampen en waargenomen worden door een verkleurde grond (zwart) of passieve geurwaarnemingen. De veldwerker moet de PID-meter gaan inzetten als meetapparatuur bij een verkleurde grond (zwart) of passieve geurwaarnemingen, zoals de CROW 132 ook voorschrijft. Door de auteur is een werkwijze ontwikkeld voor de veldwerker, wanneer en op welke wijze de luchtkwaliteitsmetingen moeten worden ingezet. De werkwijze is niet in de praktijk getest op haalbaarheid en functioneren, om dit te achterhalen moet er een praktijkonderzoek gedaan worden. De werkwijze van luchtkwaliteitsmetingen wordt weergegeven in bijlage VI. Bodemvochtmetingen De veldwerker krijgt tijdens zijn werkzaamheden in het bodemonderzoek te maken met een droge bodem (bodemvochtgehalte <10%). De droge bodem kan door wind op de locatie worden meegenomen en via de lucht ingeademd worden door de veldwerker. Indien het bodemvochtgehalte onder de 10% wordt gemeten zijn beschermingsmaatregelen nodig in de vorm van bevochtiging van de bodem (besproeien of nat maken). Er wordt preventief gestuurd op de blootstellingsroute inhalatie van verontreinigde gronddeeltjes van de veldwerker tijdens bodemonderzoek. Dragen van standaardpakket PBM in de veldwerkbus Het dragen van een standaardpakket PBM zal verboden moeten worden in de cabine van de veldwerkbus. Door werkzaamheden in de bodem kunnen de geweven katoenen overall, schoeisel en handschoenen vies worden en zullen gronddeeltjes zich aanhechten. Het dragen van een standaardpakket PBM zal leiden tot activering van indirecte blootstellingsroutes en daarmee een blootstellingsrisico vormen. 4.3.2 Opschalen in PBM-pakketten In bijlage VII kan een bodemadviseur, projectleider of projectrunner de veldwerker op voorhand instrueren tot het verplicht dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen op basis van historisch vooronderzoek of bevindingen uit recent uitgevoerd verkennend bodemonderzoek. Het flowschema in bijlage VII is gecreëerd door medewerkers van Grondslag B.V. Het flowschema dient binnen het milieuadviesbureau als aanvulling op de standaard veldwerkformulieren ter voorbereiding van het verkennend bodemonderzoek. Bijlage VII kan tevens dienen als leidraad voor de veldwerker bij het opschalen in persoonlijke beschermingsmiddelen pakketten tijdens het zintuiglijk waarnemen van afwijkingen in de bodem
  • 31.
    - 31 - 4.4Resultaten berekenen van blootstelling veldwerker Vergelijking risico-index 'wonen met tuin' versus 'veldwerker' in CSOIL2000 De uitwerking van het blootstellingsscenario ‘wonen met tuin’ en het nieuw te vormen blootstellingsscenario ‘veldwerker’in CSOIL2000 is weergegeven in bijlage VIII en is vereenvoudigd in tabel 7. De concentratie van de chemische stof is weergeven bij een lutumgehalte van 21% en een organische stofgehalte van 35%. De humus- en lutumcorrectie is gesteld op 95 percentiel waarde van de bodem in Nederland. Bij deze waarden zijn de toegestane gehalten van stoffen in de bodem het hoogst. 95% van de bodem in Nederland heeft een lager gehalte dan de waarde die is ingesteld voor de concentratie stof in de bodem (Cs). Alle chemische stoffen van het standaardanalyse pakket bodem (9 zware metalen, minerale olie, PAK en PCB) zijn verhoogd. Andere chemische stoffen worden niet standaard geanalyseerd in het verkennend bodemonderzoek. In het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' vormen de chemische stof kobalt en PCB-28 een risico (RI>1). Voor alle andere chemische stoffen geldt dat er geen blootstellingsrisico is het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' (RI<1). Door de wijzigingen in blootstellingsroutes en diverse parameters is de risico-index gedaald, zodanig er een verwaarloosbaar risico meer is (RI<0,1) in het blootstellingsscenario 'veldwerker'. Daarnaast is de wijziging van doelgroep van personen van invloed op de risico-index (kinderen + volwassene versus volwassene). De blootstellingsroutes dermaal contact met bodemdeeltjes binnen, inhalatie van dampen binnen, consumptie van verontreinigde groenten en contact met verontreinigd drinkwater zorgen er voor dat in het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' een risico optreedt bij de stoffen kobalt en PCB-28. De verklaring voor het blootstellingsrisico van kobalt en PCB-28 moet gezocht worden in de blootstellingsroute gewasconsumptie. Gewassen nemen kobalt en PCB-28 op in wortels of knollen. Na ingestie van deze gewassen bestaat er blootstelling die hoger reikt dan de MTRhumaan. Daarnaast bestaat de kans dat PCB-28 via visolie, fruit, granen en graanproducten het lichaam binnenkomt. Dermaal contact, inhaleren en contact met verontreinigd drinkwater met kobalt en PCB's is zeer beperkt, omdat de chemische stoffen immobiel zijn en slecht oplosbaar zijn in water. (1) (1) EFSA (2005, met update juli 2006) Opinion of the scientific panel on contaminants in the foodchain on a request from the Commission related to the presence of non dioxin-like polychlorinatedbiphenyls (PCB) in feed and food (quest ion N°EFSA-Q- 2003- 114).
  • 32.
    - 32 - Uittabel 7 valt te concluderen dat de risico-index een afname laat zien (behalve bij nikkel). De veldwerker heeft door zijn handelen in het bodemonderzoek een verwaarloosbaar blootstellingsrisico aan chemische stoffen in de bodem. Doordat in de huidige versie van CSOIL2000 de parameters lichaamsgewicht (Bwa) en blootgesteld huidoppervlak (AEXPao) niet kunnen worden aangepast komt het risico-index bij het blootstellingsscenario 'veldwerker' wellicht lager uit dan in tabel 7 is weergegeven. Het verdient de aanbeveling dat het RIVM het blootstellingsmodel CSOIL2000 de parameters toegankelijk maakt om wijzigingen in aan te brengen, zodat een valide blootstelling kan worden berekend. Wanneer de veldwerker zich niet beschermt tegen ingestie van grond, dermaalcontact met bodemdeeltjes, inhalatie van bodemdeeltjes zullen de diverse parameters in het blootstellingsmodel CSOIL2000 hoger moeten worden ingeschat, wat resulteert in een toename van het risico-index en daarmee een verhoogd risico op gezondheidsklachten op korte en/of lange termijn. 4.4.1 Gevoeligheidsanalyse CSOIL2000 De gevoeligheidsanalyse is uitgevoerd onder dezelfde condities van de vergelijking van het risico- index tussen de blootstellingsscenario in hoofdstuk 4.4. Door de één van de parameters te wijzigen, terwijl de andere te wijzigen parameters constant te houden, worden veranderingen tussen de procentuele verandering in invoerwaarde en de procentuele verandering in uitvoerwaarde inzichtelijk gemaakt. Gevoeligheidsanalyse dagelijkse inname (AIDa) De variabele dagelijkse inname (AIDa) wordt veranderd in 0,1*10-5 kg d.s/dag, 0,5*10-5 kg d.s/dag, 5,0*10-5 kg d.s/dag en 10,0*10-5 kg d.s/dag. In hoofdstuk 3.4.2 is de variabele als basis ingesteld op 1,0*10-5 kg d.s/dag. De gegevens zijn gehaald uit bijlage IX.
  • 33.
    - 33 - Zwaremetalen De blootstellingsroute ingestie van grond draagt voor circa 92% bij aan de risico-index, voor de chemische stof lood is dit 89% (kolom 3). De blootstellingsroute ingestie van grond is de belangrijkste blootstellingsroute van zware metalen op de risico-index. Wanneer de parameter dagelijkse inname procentueel wordt verlaagd, gaat procentuele bijdrage aan de risico-index van ingestie grond omlaag naar circa 52%, voor de chemische stof lood 44% (kolom 1). De procentuele bijdrage van de blootstellingsroute inhalatie van grond (45%) is dan nagenoeg gelijk aan de procentuele bijdrage van de blootstellingsroute ingestie van grond. Wanneer de parameter dagelijkse inname procentueel wordt verhoogd, gaat de procentuele bijdrage aan de risico-index van ingestie van grond omhoog naar circa 99% (kolom 5). De procentuele bijdrage aan de risico-index komt af van de blootstellingsroute inhalatie van gronddeeltjes. Bij de zware metalen barium, cadmium, kobalt, lood, kwik(anorganisch) en molybdeen is er een lineair verband te ontdekken tussen de procentuele verandering van de invoerwaarde met de procentuele verandering van de uitvoerwaarde. Bij de zware metalen koper, nikkel en zink is de MTRhumaan significant veel hoger dan barium, cadmium, kobalt, lood, kwik (anorganisch) en molybdeen, hierdoor is er geen verandering in de risico-index bij een procentuele verandering in de uitvoerwaarde zichtbaar. PAK, PCB en minerale olie De blootstellingsroute ingestie van grond draagt voor circa 25% bij aan de risico-index, (kolom 3). Wanneer de parameter dagelijkse inname procentueel wordt verlaagd, gaat procentuele bijdrage aan de risico-index van ingestie grond omlaag naar circa 3%. Wanneer de parameter dagelijkse inname procentueel wordt verhoogd, gaat de procentuele bijdrage aan de risico-index van ingestie van grond contact omhoog naar circa 77% (kolom 5). De procentuele bijdrage aan de risico-index komt af van de blootstellingsroute inhalatie van gronddeeltjes. Bij de chemische stof PCB-28 is er een verband te ontdekken tussen de procentuele verandering van de invoerwaarde met de procentuele verandering van de uitvoerwaarde. Dit komt doordat het MTRhumaan van PCB-28 zeer klein is (1,0*10-5 mg/kg lichaamsgewicht/dag). Het MTRhumaan van naftaleen (4,0*10-2 mg/kg lichaamsgewicht/dag) en minerale olie (2,0 mg/kg lichaamsgewicht/dag) ligt hoger, waardoor er geen effect optreedt in de risico-index. Resultatenanalyse De gevoeligheidsanalyse laat zien dat de parameter dagelijkse inname (AIDa) effect heeft op het risicoindex. De verklaring hiervoor is de blootstellingsroute ingestie van grond een grote procentuele bijdrage heeft aan de risico-index. De chemische stoffen barium, cadmium, kobalt, lood, kwik (anorganisch), molybdeen en PCB-28 zijn gevoelig in een procentuele wijziging van de parameter dagelijkse inname, doordat het MTRhumaan van deze chemische stoffen klein is. Desalniettemin geeft een procentuele wijziging van de parameter dagelijkse inname geen blootstellingsrisico (RI<1). Bij de chemische stoffen koper, nikkel, zink, naftaleen en minerale olie is geen effect merkbaar op de risico- index, omdat het MTRhumaan van deze chemische stoffen hoog is.
  • 34.
    - 34 - Gevoeligheidsanalyse'periode van blootstelling door bodem' (TBao) De variabele periode van blootstelling door bodem (TBao) wordt veranderd in 2 uur/dag, 4 uur/dag, 8 uur/dag en 10 uur/dag. In hoofdstuk 3.4.2 is de variabele als basis ingesteld op 6 uur/dag. De gegevens zijn gehaald uit bijlage X. Zware metalen De blootstellingsroute dermaal contact van gronddeeltjes draagt voor 0% bij aan de risico-index (kolom 3). De blootstellingsroute ingestie van grond (90%) en inhalatie van gronddeeltjes (9 %) zijn de primaire blootstellingsrisico's van zware metalen aan de risico-index. De parameter periode van blootstelling van bodem is niet van toepassing bij zware metalen, omdat zware metalen niet dermaal opgenomen kunnen worden door het lichaam. Hierdoor hebben wijzigingen in de parameter periode van blootstelling door bodem geen effect op de risico-index. PAK, PCB en minerale olie De blootstellingsroute dermaal contact draagt van PAK,PCB en minerale olie voor circa 70% bij aan de risico-index (kolom 3). Wanneer de parameter periode van blootstelling door bodem procentueel wordt verlaagd, gaat procentuele bijdrage aan de risico-index van dermaal contact omlaag naar circa 45% (kolom 1). De overige bijdrage aan de risico-index verschuift naar de blootstellingsroute ingestie van grond. Wanneer de parameter periode van blootstelling door bodem procentueel wordt verhoogd, gaat de procentuele bijdrage aan de risico-index van dermaal contact omhoog naar circa 81% (kolom 5). De procentuele bijdrage aan de risico-index komt af van de blootstellingsroute ingestie van grond. Bij de stof PCB-28 is de invoerwaarde vrijwel gelijk aan het resultaat in de uitvoerwaarde. Dit komt doordat het MTRhumaan van PCB-28 zeer klein is (1,0*10-5 mg/kg lichaamsgewicht/dag). Het MTRhumaan van naftaleen (4,0*10-2 mg/kg lichaamsgewicht/dag) en minerale olie (2,0 mg/kg lichaamsgewicht/dag) ligt hoger, waardoor er geen effect optreedt in de risico-index. Resultatenanalyse De gevoeligheidsanalyse laat zien dat de parameter periode van blootstelling door bodem (TBao) nagenoeg geen effect heeft op het risico-index. De verklaring hiervoor is dat andere blootstellingsroutes zwaarder bijdragen aan de risico-index, dan de blootstellingsroute dermaal contact met verontreinigde bodemdeeltjes buiten. Wijzigingen in de parameter periode van blootstelling door bodem heeft geen effect op de zware metalen, PAK en minerale olie. Wijzigingen in de parameter periode van blootstelling door bodem heeft effect op de chemische stof PCB-28,desalniettemin geeft de gevoeligheidsanalyse voor alle chemische stoffen geen blootstellingsrisico (RI<1).
  • 35.
    - 35 - Gevoeligheidsanalyse'inhalatieperiode volwassene buiten' (TIao) De variabele inhalatieperiode volwassene (TIao) wordt veranderd in 2 uur/dag, 4 uur/dag, 8 uur/dag en 10 uur/dag. In hoofdstuk 4.2 is de variabele als basis ingesteld op 6 uur/dag. De gegevens zijn gehaald uit bijlage XI. Zware metalen De blootstellingsroute inhalatie van gronddeeltjes draagt voor circa 9% bij aan de risico-index. Voor de chemische stof lood is dit circa 11%. De blootstellingsroute ingestie van grond (90%) draagt het meest bij aan de risico-index. Bij procentuele daling of stijging van de parameter inhalatieperiode volwassene buiten is er geen verschuiving in de bijdrage van blootstellingsroute. Tevens blijft dagelijkse blootstelling nagenoeg gelijk waardoor er geen effect wordt waargenomen in de uitvoerwaarde. PAK, PCB en minerale olie De blootstellingsroute inhalatie van gronddeeltjes draagt voor circa 2% bij aan de risico-index. De blootstellingsroute dermaal contact van bodemdeeltjes (70%) en ingestie van grond (25%) zijn de primaire blootstellingsrisico's van PAK,PCB en minerale olie. Bij procentuele daling of stijging van de parameter inhalatieperiode volwassene buiten is er geen verschuiving in de bijdrage van blootstellingsroute. Tevens blijft dagelijkse blootstelling nagenoeg gelijk waardoor er geen effect wordt waargenomen in de uitvoerwaarde. Resultatenanalyse De gevoeligheidsanalyse laat zien dat de parameter inhalatieperiode volwassene buiten (TIao) geen effect heeft op het risico-index. De verklaring hiervoor is dat andere blootstellingsroutes zwaarder bijdragen aan de risico-index dan de blootstellingsroute inhalatie gronddeeltjes in de buitenlucht. Er blijft geen blootstellingsrisico (RI<1).
  • 36.
    - 36 - Gevoeligheidsanalyse'hoeveelheid zwevende deeltjes buiten' (TSPo) De variabele hoeveelheid zwevende deeltjes buiten (TSPo) wordt veranderd in 4,0*10-9 mg/m3 , 6,0*10-9 mg/m3 , 10,0*10-9 mg/m3 , 12,0*10-9 mg/m3 . In hoofdstuk 4.2 is de variabele als basis ingesteld op 8,0*10-9 mg/m3 . De gegevens zijn gehaald uit bijlage XII. Zware metalen De blootstellingsroute inhalatie van gronddeeltjes draagt voor circa 9% bij aan de risico-index. Voor dechemische stof lood is dit circa 11%. De blootstellingsroute ingestie van grond (90%) draagt het meest bij aan de risico-index. Wanneer de parameter periode van blootstelling door bodem procentueel wordt verlaagd, gaat procentuele bijdrage aan de risico-index van inhalatie van gronddeeltjes omlaag naar circa 1% (kolom 1). De overige bijdrage aan de risico-index verschuift naar de blootstellingsroute ingestie van grond. Wanneer de parameter periode van blootstelling door bodem procentueel wordt verhoogd, gaat de procentuele bijdrage aan de risico-index van inhalatie van gronddeeltjes omhoog naar circa 14% en zelfs 19% in geval van lood (kolom 5). De procentuele bijdrage aan de risico-index komt af van de blootstellingsroute ingestie van grond. Voor de stof nikkel is de verandering in invoerwaarde bijna gelijk aan verandering in uitvoerwaarde. Voor de stoffen koper en kwik (anorganisch) is de uitvoerwaarde waarschijnlijk afgerond naar een geheel getal. Voor stof kobalt is er een lineair verband tussen de verandering in invoerwaarde en de verandering in uitvoerwaarde, desalniettemin is de verandering in invoerwaarde niet even groot als de verandering in uitvoerwaarde. De verandering in de uitvoerwaarde van chemische stoffen kobalt en nikkel is te verklaren, doordat kobalt en nikkel zich bindt aan luchtpartikels, verdacht zijn van carcinogene eigenschappen via inhalatie en het ademhalingsstelsel beschadigd bij langdurige of herhaalde blootstelling via inademing. (1) (2) (1) Steunpunt beleidsrelevant onderzoek,3de generatie, Miliieuen Gezondheid, factsheet nikkel, http://www.milieu-engezondheid. be/onderzoek/luik%2021/factsheets/zware_metalen-nikkelpdf.pdf, geraadpleegd23-9-2015 (2) Lenntech,water treatment solution, gezodnheidseffecten van kobalt, http://www.lenntech.nl/periodiek/elementen/co.htm#Gezondheidseffecten%20van%20Kobalt, geraadpleegdop 23-9-2015
  • 37.
    - 37 - PAK,PCB en minerale olie De blootstellingsroute inhalatie van gronddeeltjes draagt van PAK,PCB en minerale olie voor 2% bij aan de risico-index. De blootstellingsroute dermaal contact van bodemdeeltjes (70%) en ingestie van grond (25%) zijn de primaire blootstellingsrisico's van PAK,PCB en minerale olie aan de risico-index. Bij procentuele daling of stijging van de parameter inhalatieperiode volwassene buiten is er nagenoeg geen verschuiving in de bijdrage van blootstellingsroute. Dit is te verklaren door dat PAK,PCB en minerale olie vervluchtigen aan de buitenlucht en daardoor niet aan gronddeeltjes blijven 'plakken'. De dagelijkse blootstelling blijft nagenoeg gelijk, waardoor er geen effect wordt waargenomen in de uitvoerwaarde. Resultatenanalyse De gevoeligheidsanalyse laat zien dat de parameter inhalatieperiode volwassene buiten (TIao) nagenoeg geen effect heeft op het risico-index. De verklaring hiervoor is dat andere blootstellingsroutes zwaarder bijdrage aan de risico-index dan de blootstellingsroute inhalatie gronddeeltjes in de buitenlucht. De risicoindex is zeer klein, zodat er geen marginaal effect te zien is in een verhoging of verlaging, van de invoerwaarde bij de parameter inhalatieperiode volwassene buiten. De gevoeligheidsanalyse blijft geen blootstellingsrisico (RI<1) weergegeven. De verandering in invoerwaarde heeft effect op de verschuiving van de bijdrage van de blootstellingsroute inhalatie van gronddeeltjes bij zware metalen.
  • 38.
    - 38 - 5.Conclusie en aanbevelingen 5.1 Conclusie Op basis van het afstudeeronderzoek heb ik de volgende conclusies opgesteld:  Tijdens werkzaamheden in een verontreinigde bodem door de veldwerker zijn de blootstellingsroutes ingestie van grond, dermaal contact met gronddeeltjes, inhalatie van gronddeeltjes en inhalatie van vluchtige dampen/gassen van toepassing. Elke andere blootstellingsroute, die geldend is voor personen in een woonsituatie, is niet van toepassing in de werksituatie van de veldwerker.  De onvoorspelbaarheid van de blootstelling bij werkzaamheden in een verontreinigde bodem is een belangrijke onzekere factor voor het schatten van blootstellingsrisico's voor veldwerkers. Vanwege de onvoorspelbaarheid van blootstelling is een werkwijze met metingen van actuele blootstelling bij veldwerkers, vooral voor vluchtige chemische stoffen uit de bodem, belangrijk.  De blootstellingsroutes dermaal contact met bodemdeeltjes binnen, inhalatie van dampen binnen, consumptie van verontreinigde groenten en contact met verontreinigd drinkwater zorgen er voor dat in het blootstellingsscenario 'wonen met tuin' een blootstellingsrisico optreedt bij de stoffen kobalt en PCB-28 bij een concentratie die geldt voor de 95 percentiel humus- en lutumwaarde in Nederland.  De veldwerker heeft tijdens zijn werkzaamheden in het verkennend bodemonderzoek geen blootstellingsrisico aan chemische stoffen uit het standaardanalysepakket AS3000 bij een concentratie die geldt voor de 95 percentiel humus en lutumwaarde in Nederland.  Een veldwerker die zich niet beschermd tegen de blootstellingsroutes ingestie van grond, dermaal contact met bodemdeeltjes, inhalatie van bodemdeeltjes en inhalatie van gassen/dampen, zal leiden tot wijzigingen van diverse parameters in het blootstellingsmodel CSOIL2000. Er zal een toename van het risico-index plaatsvinden en daarmee een verhoogd risico op gezondheidsklachten op korte en/of lange termijn.  Door het verplicht stellen van een standaardpakket PBM in de CROW 132 tijdens het uitvoeren van bodemonderzoek, ongeacht de bodemkwaliteit is de veldwerker optimaal beschermd tegen chemische stoffen in de bodem, zonder dat een overmaat aan bescherming wordt gehanteerd. De ontworpen werkwijze bij zintuiglijke afwijkingen en het flowschema voor het opschalen in PBM- pakketten helpt de veldwerker bij onvoorziene blootstellingsrisico's tijdens werkzaamheden in het bodemonderzoek. 5.2 Aanbevelingen Naar aanleiding van het afstudeeronderzoek worden de volgende aanbevelingen gedaan:  De CROW 132 dient de veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van blootstellingsrisico’s bij veldwerkers passend te maken door een eenduidige passage op te nemen. De veiligheidsmaatregelen dienen niet meer te worden genomen op basis van verwachte bodemkwaliteit of historisch vooronderzoek, maar op het preventief voorkomen van blootstelling via de blootstellingsroutes van de veldwerker.  Er moet een nieuw blootstellingsscenario 'veldwerker’ door het RIVM in CSOIL2000 worden opgenomen, voor mensen die als professional bloot worden gesteld aan chemische stoffen vanuit de bodem.  Het RIVM moet in het blootstellingsmodel CSOIL2000 alle parameters toegankelijk maakt om wijzigingen in aan te brengen, zodat een valide blootstelling kan worden berekend.  De bodemadviesbureaus, ingenieursbureaus en andere branchegenoten uit de milieusector moeten meer tijd besteden om veldwerkers te overtuigen 'netjes' en 'hygiënisch' te werken. Door in te spelen op het gedrag en houding van de veldwerker kunnen veel blootstellingsrisico’s worden verkleind en niet meer optreden.  Onderhavig onderzoek uit te breiden met een praktijkonderzoek, omdat dit enkel een literatuurstudie en modellering betreft. Het toepassen van het standaardpakket PBM en de flowschema's dienen in de praktijk te worden getoetst op fouten en zwakten.  De resultaten uit dit onderzoek niet alleen te gebruiken voor veldwerkers, maar ook voor andere werknemers, die intensief bezig zijn met werkzaamheden in en met de bodem (bouwrijp maken, proefboren, grondverzet, leggen van kabels en leidingen, bouwen van kunstwerken, straten maken, groothandelaar zand en grond).
  • 39.
    BIJLAGE I: Beknopte enquêteGrondslag B.V. Februari 2014 Hans Hofmeester
  • 40.
    Beknopte Enquête: 1. Alsde veiligheidsklasse is vastgesteld, aan de hand van gemeten gehalten in grond en grondwater, afkomstig uit een recent bodemonderzoek (dat geheel voldoet aan alle eisen die er aan gesteld mogen worden conform de huidige wet- en regelgeving) conform de systematiek, zoals beschreven in de CROW 132 of AI blad 22 en de uitkomst luidt: basisklasse. Vindt u dan dat de maatregelen die genomen dienen te worden conform CROW 132 of AI22: Omcirkel het antwoord, dat u wilt geven A. passend zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen verontreinigingen; B. te uitgebreid zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen verontreinigingen; C. te beperkt zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen verontreinigingen. Indien uw antwoord B of C is, wilt u ook aangeven welke maatregel(en) u te uitgebreid of te beperkt vindt ? (dragen dicht-geweven overall, aanwezigheid van een DLP, etc.) Gegeven antwoorden: B dragen van laarzen in droge rioolsleuf is overbodig, dragen van wegwerpoverall ipv dichtgeweven overall (hoge kosten en afval productie), beter onderricht aan werknemers, maakt DLP overbodig, hekken dichthouden voegt niets toe A A A C bij basisklasse wordt in 90% van de gevallen helemaal niets gedaan. Bodemvocht meten is ook bij basisklasse verstandig. Onderzoek is ook niet dekkend (dus missers kun je ook aan blootgesteld worden) A: bij onverdacht, draag ik vaak geen overall A A A B maatregelen zijn niet nodig, want de grond levert geen risico voor de gezondheid op B gezien het minimale risico vind ik een DLP niet nodig. Vaak heeft hij wieinig te doen en risico’s zijn ook door de anderen goed in te schatten A A: er wordt wel veel geklaagd in het veld, maar het is ter bescherming van jezelf A A A Van de 16 respondenten gaven er: 12 (= 75%) het antwoord A 3 ( = 19%) het antwoord B 1 (= 6%) het antwoord C De ruime meerderheid van de respondenten geeft aan dat de te nemen maatregelen passend zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen verontreinigingen. Circa 20% geeft aan dat de maatregelen te uitgebreid zijn en circa 5% vindt de maatregelen niet ver genoeg gaan.
  • 41.
    2. Indien uitde toetsing (CROW 132 of AI blad 22) blijkt dat er sprake is van een T of F klasse. Vindt u dan dat de maatregelen die genomen dienen te worden conform CROW 132 of AI22: Omcirkel het antwoord, dat u wilt geven A. passend zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen verontreinigingen; B. te uitgebreid zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen verontreinigingen; C. te beperkt zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen verontreinigingen. Indien uw antwoord B of C is, wilt u ook aangeven welke maatregel(en) u te uitgebreid of te beperkt vindt ? (dragen saneringsoverall, het verrichten van metingen, etc.) Gegeven antwoorden: B, zie vraag 1, deco is veelal overbodig, wordt niet of verkeerd gebruikt, liever een goede onderbouwing specifiek voor een project of stof onderbouwd met metingen in de praktijk, niet door labproeven met ratten A Geen antwoord, weinig mee te maken A C beter en strakker meetregiem is noodzakelijk. Aannemers weten vaak te weinig over het meten. A A, maar de meetfrequentie kan soms specifieker gericht worden op de omstandigheden A A A A A B: bij waterbodem is het doen van metingen veelal overbodig B: filteroverdruk bij metalen vind ik een te fikse maatregel A C: brandvertragende of antistatische overall verplichtstellen bij explosie of brandgevaar Van de 16 respondenten gaven er: 10 (= 62%) het antwoord A 3 ( = 19%) het antwoord B 2 (= 13%) het antwoord C 1 (= 6%) onthield zich van een antwoord Ook hier geeft de ruime meerderheid van de respondenten aan dat de te nemen maatregelen passend zijn voor het minimaliseren van de risico’s van de aangetroffen verontreinigingen. Opnieuw geeft circa 20% aan dat de maatregelen te uitgebreid zijn. Verder geeft 10% van de respondenten aan dat de maatregelen niet ver genoeg gaan.
  • 42.
    3. De antwoorden,die u bij vraag 1 en 2 heeft gegeven zijn generalisaties. Gelden de antwoorden bij vraag 1 in : Omcirkel het antwoord, dat u wilt geven A. 25% van de voorkomende gevallen; B. 50% van de voorkomende gevallen; C. 75% van de voorkomende gevallen; D. 100% van de voorkomende gevallen. Gegeven antwoorden: C D C C C C D C D D C C C C C C Van de 16 respondenten gaven er: 12 (= 75%) het antwoord C 4 ( = 25%) het antwoord D De gegeven antwoorden gelden dus in 75 tot 100% van de gevallen.
  • 43.
    4. De antwoorden,die u bij vraag 1 en 2 heeft gegeven zijn generalisaties. Gelden de antwoorden bij vraag 2 in : Omcirkel het antwoord, dat u wilt geven A. 25% van de voorkomende gevallen; B. 50% van de voorkomende gevallen; C. 75% van de voorkomende gevallen; D. 100% van de voorkomende gevallen. Gegeven antwoorden: C C Geen antwoord C B D C C C C C C C C C C Van de 16 respondenten gaven er: 13 (= 81%) het antwoord C 1 ( = 6%) het antwoord D 1 ( = 6%) het antwoord B 1 (= 6%) onthield zich van een antwoord
  • 44.
    BIJLAGE II: Handelingen vande veldwerker in SIKB protocollen
  • 45.
    Protocol 1001 In protocol1001 keurt de veldwerker een partij grond voor zijn herschikkingsbestemming. De partij grond krijgt na analyse in het laboratorium een bodemkwaliteit mee volgens het Besluit Bodemkwaliteit (BKK). De partij kan de bodemkwaliteiten krijgen: Vrij toepasbaar (achtergrondwaarde), Wonen, Industrie of Niet Toepasbaar (> Industrie). De veldwerker bepaalt op de locatie, door het meten van lengte, breedte en hoogte, het totale volume van de partij grond. Aan de hand daarvan maakt de veldwerker een berekening om zijn raster te bepalen. Systematisch boort de veldwerker de partij grond volgens uitgerekend raster van boven naar beneden (boven partij grond tot maaiveldhoogte). Per verticaal geboorde 50 centimeter is 1 greep. Een partijkeuring is voldaan als er tenminste 100 grepen (50 grepen per emmer) zijn genomen en beide emmers tenminste 10 kilogram wegen. Er kan ook een partij grond gekeurd worden die zich nog in de bodem bevindt. Ook hierbij geldt dat de lengte, breedte en uitgravingsdiepte bepalend is voor het raster. Ook hierbij is aan een partijkeuring voldaan als er tenminste 100 grepen (50 grepen per emmer) zijn genomen en beide emmers tenminste 10 kilogram wegen. De veldwerker voert in protocol 1001 de volgende handelingen uit:  Opmeten van lengte, breedte, hoogte of diepte  Bepaling grondsoort  Keuze van boorgereedschap  Schets maken van partij grond  Bepaling van aantal kubieke meters grond  Uitrekenen van raster  Maken van boorgaten volgens raster  Separaat bemonsteren van grepen over 2 emmers  Afwerken van de boorgaten  Wegen van 2 emmers  Verpakken, conserveren en transporten van partijkeuring emmers  Protocol 1002 Voor partijkeuringen van niet-vormgegeven bouwstoffen wordt protocol 1002 gehanteerd. Niet-vormgegeven bouwstoffen zijn bijvoorbeeld: puinverhardingen (repac) op bouwplaatsen, gravelveld van tennisbanen en stabilisatielagen onder wegen en perceelverhardingen, slakken. Repac is een goed voorbeeld van niet-vormgegeven bouwstof. Repac is een product dat meestal afkomstig is van puinbrekers. Slakken zijn vaak afvalproducten van hoogovens. Het toepassen en hergebruik van deze niet-vormgegeven bouwstoffen is gebonden aan wetten en regels uit het BKK. De partijkeuring van niet-vormgegeven volgt deels dezelfde weg als protocol 1001. Op basis van x,y en z-waarde worden uit 12 gelijk verdeelde vakken grepen genomen. Meestal wordt de greep genomen met behulp van inzet van een hydraulische graafmachine. De veldwerker voert in protocol 1002 de volgende handelingen uit:  Opmeten van lengte, breedte, hoogte of diepte  Bepaling korrelgrootte  Schets maken van de partij niet-vormgegeven bouwstoffen  Bepaling van aantal kubieke meters en tonnage van partij niet-vormgegeven bouwstoffen  Uitrekenen van x,y en z-waarde  Inzet van hydraulische graafmachine (optioneel)  Separaat bemonsteren van grepen over 2 emmers  Wegen van 2 emmers  Verpakken, conserveren en transporten van partijkeuring emmers
  • 46.
    Protocol 2001 In protocol2001 maakt de veldwerker een boorgat door middel van boorgereedschap tot de gewenste boordiepte. De veldwerker kan er voor kiezen om de grond, na het maken van een boorbeschrijving en het nemen van grondmonsters, het boorgat te voorzien van een peilbuis. Via protocol 2002 kan de veldwerker, de week erna, grondwater uit de peilbuis onttrekken. Als er niet wordt gekozen voor een peilbuis wordt het boorgat met de vrijgekomen grond in dezelfde volgorde opgevuld. De veldwerker voert in protocol 2001 de volgende handelingen uit:  Keuze van boorgereedschap  Maken van boorgat tot de gewenste diepte onder het maaiveld  Plaatsen van een peilbuis (optioneel)  Afwerken van geplaatste peilbuis (optioneel)  Schoonpompen van een peilbuis (optioneel)  Nemen van grondmonsters  Beoordelen van grondmonsters (maken van een boorbeschrijving)  Afwerken van het boorgat  Verpakken, conserveren en transporten van grondmonsters Protocol 2002 Voor het aantonen of het grondwater op een specifieke locatie is verontreinigd wordt protocol 2002 gebruikt. Het afbakenen van grondwaterverontreinigingen door bemonsteringen van het grondwater in een bodemsanering of een monitoring van de grondwaterkwaliteit binnen een provinciaal of landelijk meetnet valt eveneens onder protocol 2002. De veldwerker bemonstert met behulp van een slangenpomp en plastic slangen een grondwatermonster uit de peilbuis. Na het nemen van grondwatermonsters voert de veldwerker de gebruikte slangen af als afval. De veldwerker voert in protocol 2002 de volgende handelingen uit:  Keuze van watermonsternameapparatuur  Bepalen van grondwaterstand  Onderzoek naar drijf- en zaklagen (optioneel)  Voorpompen  Kalibreren of controleren pH/EC-meter en troebelheidsmeter  Meten van pH en EC  Meten van troebelheid  Nemen grondwatermonsters  Nemen grondwatermonsters met filter (optioneel)  Verpakken, conserveren en transporten van grondwatermonsters
  • 47.
    Protocol 2003 Voor hetbemonsteren van een waterbodem, het bepalen van het volume baggerspecie met behulp van handmatige technieken of surveytechniek maakt de veldwerker gebruik van protocol 2003. De veldwerker bemonstert met boorgereedschap de waterbodem. Het waterbodemmonster kan worden genomen uit lijnvormige watergangen (sloten) en niet lijnvormige watergangen (vijvers, meren, kanalen, open water). Het volume wordt door de veldwerker bepaald met behulp van slibstokken. De veldwerker voert in de protocol 2003 de volgende handelingen uit:  Keuze van bemonsteringsapparatuur  Bepalen van dikte van waterlaag  Bepalen van dikte van sliblaag  Bepalen van bodem onder de sliblaag  Nemen van waterbodemmonster  Nemen van bodemmonster onder sliblaag  Verpakken, conserveren en transporteren van waterbodemonsters en grondmonsters Protocol 2018 Voor een verkennend en nader asbestonderzoek maakt de veldwerker gebruik van protocol 2018. Na een locatie-inspectie in het veld op aanwezige asbestverdachte materialen op het maaiveld bepaalt de veldwerker waar de asbestmonsters moeten worden genomen. De veldwerker voert in protocol 2018 de volgende handelingen uit:  Keuze van bemonsteringsapparatuur  Uitvoeren van locatie-inspectie  Meten van bodemvochtpercentage  Het graven van asbestgaten (optioneel)  Het graven van asbestsleuf handmatig (optioneel)  Het graven van asbestsleuf machinaal (optioneel)  Het doorboren van een asbestgat of asbestsleuf tot gewenste diepte onder maaiveld  Het zeven van vrijgekomen bodem uit asbestgaten of asbestsleuven  Nemen van asbestmonsters (handpicking)  Nemen van asbestgrondmonsters  Verpakken, conserveren en transporten van asbestmonster en asbestgrondmonsters
  • 48.
  • 49.
    Edelmanboor Edelmanboren zijn geschiktvoor cohesieve gronden (klei, leem en veen) boven en beneden de grondwaterspiegel en voor niet-cohesieve grond (zand) boven de waterspiegel. De boorkernen zijn weinig geroerd en hebben relatief grote inhoud. Edelman boren zijn te zien in figuur 1 de eerste 4 van bovenaf. Figuur 1: Veldwerkboren Van der Horstboor (slappe kleiboor) De Van der Hortstboor is een afgeleide van de Edelmanboor. Door zijn speciaal gezette snijkant is de van der Hortstboor geschikt voor slappe grond en specie. In de praktijk is zijn grote lengte ook goed bruikbaar gebleken voor bemonsteringsdoeleinden. De boorkernen zijn weinig geroerd en hebben een grote inhoud. In figuur 2 is een Van der Horstboor te zien. Figuur 2: Van der Horstboor Grindboor De grindboor is te zien in figuur 1 (derde van rechts). De grindboor is een gesloten buis met aan de onderzijde twee boorpunten. Deze twee boorpunten zijn iets naar buiten gebogen waardoor het boorgat groter is dan de diameter van de gesloten buis. De grindboor is geschikt voor het boren in grindlagen en puinverhardingen. In de gesloten buis blijft het grind zitten waardoor de gewenste diepte onder de grindlaag kan worden bereikt. Voor het boren onder de grondwaterspiegel is de grindboor minder geschikt. Riversideboor De riversideboor is geschikt voor het handmatig boren in harde en stugge gronden met fijn grind, zowel in boven als onder de grondwaterspiegel. De schuin naar beneden gerichte punten van de boorwangen schrapen de grond los waarna het regelmatig in de buis wordt gestuwd. De vormgeving ondervindt de riversideboor minimale wrijving met de grond. Fundatielagen en puinlagen worden regelmatig met de riversideboor worden doorboort. De riversideboor is te zien in figuur 1 (tweede van rechts). Spiraalboor De spiraalboor boort als een kurkentrekker en snijdt de grond niet af. De spiraalboor wordt meestal gebruikt voor het doorboren van harde lagen (oerlagen, krijt en kalkprofielen). De spiraalboor duwt bij het boren stenen opzij en graaft met de speciaal gevormde punt een boorgat. Door de rechte vorm is er veel wrijvingsweerstand bij het omhoog halen van de spiraalboor. De spiraalboor is te zien in figuur 1 (eerste van rechts).
  • 50.
    Guts Met de gutsboorkan snel een groot profieloverzicht worden verkregen, terwijl de grondmonsters minimaal geroerd zijn. De gutsboor is bij uitstek geschikt voor lichtere gronden (veen, klei, zandige of geroerde grond. Voor hardere gronden (leem en stenige grond) zijn speciale gutsboren ontwikkeld. De gutsboor is half cilindrisch met van boven naar beneden lopende, evenwijdige snijkanten. De standaard werkzame lengte zijn 50 en 100 centimeter. De gutsboor heeft een kleine boorinhoud. In figuur 3 zie je een gutsboor. Figuur 3: Gutsboor Ramguts Tijdens het bodemonderzoek wordt de ramguts de grond in gedreven met een elektrische, pneumatische of hydraulische hamer. Dit kan vanuit de hand gedaan worden of vanuit een statief. Verlengstangen worden ingezet om de gewenste diepte te bereiken. Na het terughalen van de ramguts kan een beschrijving worden gemaakt of een proefmonster genomen worden van de grond die zich in de guts bevindt. In figuur 4 zie je een ramguts. Figuur 4: Ramguts Zuigerboor of zandpomp De zuigerboor bestaat uit een roestvrijstalen of kunststof steekbuis waaraan verlengstangen kunnen worden bevestigd. De steekbuis wordt middels het stangenstelsel in de bodem gedrukt. De zuiger in de steekbuis zorgt voor een onderdruk, waardoor het monster gemakkelijker in de buis wordt opgenomen. De zuigerboor is goed inzetbaar bij bemonstering van de waterbodems bestaande uit vast slib en/of zand. Het is niet goed mogelijk een monster te nemen in harde klei- of veenpakketten. Bij waterbodems met fijnzandige of slibrijke samenstelling bestaat de mogelijkheid dat het monster, omdat de steekbuis aan de onderzijde niet is afgesloten, uit de steekbuis zakt. Bij landbodem boringen wordt de zuigerboor veel gebruikt om tot onder de grondwaterspiegel te boren. In figuur 5 zie je een zuigerboor. Figuur 5: Zuigerboor
  • 51.
    Handpuls Een handpuls iseen metalen buis die aan de bovenzijde open is en aan de onderzijde voorzien is van een klepmechanisme dat er voor zorgt dat het opgehaalde materiaal niet terugvalt. Door middel van pulseerde bewegingen beweegt de handpuls zich verder de grond in. De handpuls is geschikt voor zandige grond onder de grondwaterstand. Hierbij wordt de grond stevig geroerd en neemt deze aanwezig grondwater mee omhoog. In figuur 6 zie je een handpuls (boven de edelmanboor). Figuur 6: Handpuls Steekbus De steekbushouder wordt door middel van een schroevendraaier voorzien van een steekbus. De steekbus kan alleen worden gebruikt in makkelijk doordringbare gronden, zowel onder als boven het grondwaterniveau. Met de steekbushouder aan een boorkruk druk de steekbus in de gewenste bodemlaag. Wanneer de steekbus vol is, trek de steekbushouder met boorkruk met een gelijkmatige beweging omhoog. Plaats aan beide zijde van de gevulde steekbus metalen cilinders en afsluitdoppen. Voorzie de steekbus van een sticker. De steekbus is uitsluitend bedoeld voor analyse op vluchtige componenten in de bodem. De gevulde steekbus is een ongeroerd bodemmonsters. In figuur 7 zie je een steekbus. Figuur 7: Steekbus Grindzeef De grindzeef wordt gebruikt bij asbestonderzoeken in protocol 2018. Door de grindzeef horizontaal te bewegen scheidt de bodem in een grove fractie en een fijne fractie. De fijne fractie is de bodem die door de grindzeef van doorgaans 16 mm gaat. De grove fractie van de bodem, veelal grind en stenen blijven achter in de grindzeef. De grindzeef kan ook gebruikt worden voor het zeven van puingranulaat en fundatielagen onder wegen. Voor het maken van asbestgrondmonsters is het van belang dat de grond uit een asbestgat of asbestsleuf over een bodemzeef is geweest. Door middel van verschillende grindzeven op een toren te zetten kan de korrelgrootte van 31,5 mm, 16 mm, 8 mm en 4 mm worden bepaald uit een volume grond. Voor kleinere korrelgrootte worden zandzeven gebruikt. In figuur 8 zie je een grindzeef. Figuur 8: Grindzeef
  • 52.
  • 53.
    Openbaar terrein De veldwerkerkan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek verrichten op openbaar terrein. Tot het openbaar terrein rekenen we trottoirs, groenstroken, bermen langs weg of fietspad, fietspaden en wegen in woonwijken. Het openbaar terrein is vaak in bruikleen door meerdere groepen mensen en wordt onderhouden door gemeenten, provincies en particulieren. Over het algemeen is de bodemkwaliteit bekend door bodemkwaliteitskaarten van gemeenten. Deze bodemkwaliteit verschilt meestal per woonwijk of per stadsdeel. Het is bekend dat van oorsprong in de bodem op sommige plekken van nature een chemische stof boven de achtergrondwaarde aanwezig is. Op sommige plekken in het openbaar terrein kan door toedoen van de bedrijfsactiviteiten van de mens de bodem zijn verontreinigd met een chemische stof (>I) Particulier terrein De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek verrichten op particulier terrein. Particulier terrein is in eigendom van een rechtspersoon. Tot het particulier terrein horen stukken tuin en gebouwen voor opstal van goederen en voertuigen op een perceel dat eigendom is van de rechtspersoon. Circa 80% van de werkzaamheden van de veldwerker in het particulier terrein gebeurt in de buitenlucht. De overige 20% is inpandig. Zonder toestemming van de rechtspersoon mag er niet geboord worden in het particulier terrein. Op sommige plekken in het particulier terrein kan door toedoen van bedrijfsactiviteiten van de mens de bodem zijn verontreinigd met een chemische stof (>I) Industrieterrein De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek verrichten op industrieterreinen. Industrieterreinen kenmerken zich door veel verschillende bedrijfsactiviteiten van de mens. Door bedrijfsactiviteiten in het heden en het verleden is het aannemelijk dat de bodem is verontreinigd met een chemische stof. Antropogene bijmengingen zorgen veelal voor een achtergrondwaarde overschrijding van zware metalen, PAK, PCB en minerale olie. Op sommige plekken op het industrieterrein kan door het toedoen van bedrijfsactiviteiten van de mens de bodem zijn verontreinigd met een chemische stof (>I). Tanklocaties De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek verrichten op tanklocaties. Tanklocaties zijn terreinen met een benzinepomp, ondergrondse en/of bovengrondse tankinstallaties. De tanklocaties zijn voorzien van brandstof. Door lekkage van kapotte leidingen of calamiteiten bij benzinepompen kan brandstof terecht komen in de bodem rondom de tanklocatie. Een brandstofverontreiniging kenmerkt zich door sterke olie-waterreacties en/of sterke brandstofgeur in grond en grondwater. Brandstof bezit chemische stoffen zoals aromatische koolwaterstoffen benzeen, tolueen, ethyleen, xyleen, naftaleen (BTEXN) en koolwaterstoffen (minerale olie C10-C40). Aromatische koolwaterstoffen zijn giftig voor de mens, doordat deze chemische stoffen het DNA kunnen veranderen (carcinogeen)(1) . Bij het aantreffen van een brandstofverontreiniging is het aannemelijk dat de bodem boven interventiewaarde (>I) uitkomt. (1) A. Verbruggen et al, (1995), Leren om te keren. Milieu- en natuurrapport Vlaanderen, Garant, ISBN: 9053503080, 9789053503089
  • 54.
    Agrarisch gebied De veldwerkerkan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek verrichten in agrarische gebieden. Agrarische gebieden zijn terreinen waar de mens vee houdt, gewassen teelt of boomgaarden ten aanzien fruitproductie onderhoudt. Ten aanzien van veeteelt worden weilanden vaak bewerkt met mest van het vee. Hierdoor krijgt de bodem extra nutriënten (stikstof, fosfaat en mogelijk ook zware metalen). Door de inzet van insecticiden en herbiciden (bestrijdingsmiddelen) zorgt de mens dat gewassen niet worden aangetast door insecten en ongewenst onkruid. Inmiddels zijn de meeste van deze bestrijdingsmiddelen door persistentie (moeilijk natuurlijk afbreekbaar) verboden. De veldwerker kan bij het uitvoeren van werkzaamheden in de bodem in agrarische gebieden in contact komen met deze bestrijdingsmiddelen. Bestrijdingsmiddelen kunnen gevaarlijk zijn voor mens en milieu.(1) Over het algemeen wordt in weilanden een bodemkwaliteitsklasse achtergrondwaarde (AW) of Wonen (WO) verwacht. Voor terreinen met gewassenteelt en fruitproductie zonder bestrijdingsmiddelen is een bodemkwaliteitsklasse van achtergrondwaarde (AW) of Wonen (WO) te verwachten. Bij het aantreffen van bestrijdingsmiddelen is het aannemelijk dat de bodem boven interventiewaarde (>I) uitkomt. Gasfabriek terrein De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek verrichten op gesloten of open gasfabrieksterreinen. Gasfabrieksterreinen kenmerken zich door het voorkomen van zeer sterke verontreinigingen met teer (PAK), vluchtige aromaten en cyanide in zowel grond als grondwater. Cyanide is een zuurstof verdringende chemische stof. Acute blootstelling van cyanide heeft direct gevolgen op de gezondheid van de veldwerker, soms zelfs met dodelijk afloop. Via huidopname zijn de gevolgen op de gezondheid minder merkbaar dan bij inhalatie of orale opname.(2) Ten aanzien van de veiligheid en gezondheid van werkende mensen stellen beheerders of eigenaars van deze gasfabriek terrein aanvullende eisen (stof specifieke metingen) en beschermingsmaatregelen op. Bij het visueel aantreffen van een verontreiniging is het aannemelijk dat de bodem boven interventiewaarde (>I) uitkomt. Chemische wasserijen De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek verrichten op percelen waar zich chemische reinigingsactiviteiten hebben plaatsgevonden. In deze chemische wasserijen hebben mensen kleding gereinigd door middel van gechloreerde koolwaterstoffen. De verontreiniging in de bodem is vaak ontstaan door lekkage (bijvoorbeeld riool) of morsverliezen. De meest voorkomende chemische stoffen zijn PER (tetrachlooretheen) en TRI (trichlooretheen)(3) . PER en TRI zijn mobiele en vluchtige verontreinigingen die in de bodem, onder anaërobe condities, afgebroken kunnen worden. De afbraakproducten CIS (cis-dichlooretheen) en VC (chlooretheen of vinylchloride) zijn nog mobieler (en vluchtiger). Door de hoge mobiliteit van deze chloorethenen is er meestal sprake van een verspreidingsrisico naast ecotoxicologische risico’s van de stoffen in de bodem. Chloorethenen zijn vluchtige verbindingen die uit kunnen dampen naar de bovenliggende gebouwen waardoor er humane risico’s kunnen ontstaan. Bij de karakteristieke situatie chemische wasserij is daardoor vaak sprake van blootstellingsrisico’s. Bij het visueel aantreffen van een verontreiniging is het aannemelijk dat de bodem boven interventiewaarde (>I) uitkomt. (1) Vrom (2000). Circulaire Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering. Staatscourant 24 februari 2000, nr. 39, pag. 8 (2) Agency for Toxic Substances and Disease Registry (ATSDR) (2004). Draft Toxicological Profile for Cyanide. US department of Health and Human Services. Atlanta, US (3) Gegevens van trichlooretheen in de GESTIS-stoffendatabank van het Duitse Institut für Arbeitsschutz der Deutschen Gesetzlichen Unfallversicherung (IFA) (geraadpleegd op 31 november 2014)
  • 55.
    Olieraffinaderijen De veldwerker kanwerkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek verrichten op terreinen waar ruwe aardolie wordt verwerkt tot bruikbare producten. Aardolie, ruwe olie of petroleum is een brandbare stroperige vloeistof bestaande uit een mengsel van koolwaterstoffen dat is ontstaan uit organische resten. Aardolie(1) bevat de categorieën alkanen (paraffinen), cycloalkanen (naftenen), aromaten en bitumen. Door de verwerking in de petrochemische industrie worden deze gescheiden in fracties of producten als de lichtere benzine en smeerolie en de zwaardere diesel en stookolie. Naast brandstoffen worden er ook grondstoffen voor allerlei kunststoffen van gemaakt. Ook de chemie gebruikt aardolie als grondstof, onder andere voor medicijnen. Bijna elke organische stof die gebruikt wordt in het dagelijks leven wordt gewonnen of gesynthetiseerd vanuit een verbinding uit aardolie. Zwaardere elementen van ruwe olie, zoals polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), verspreiden zich in het water. Aangezien deze zwaardere elementen langer in water opgelost kunnen blijven dan andere, meer toxische stoffen zoals tolueen kunnen PAK op lange termijn schadelijker zijn, gezien het risico dat ze zich opstapelen in de voedselketen. Ten aanzien van de veiligheid en gezondheid van werkende mensen stellen beheerders of eigenaars van deze olieraffinaderijen aanvullende eisen (stof specifieke metingen) en beschermingsmaatregelen. Bij het aantreffen van een olieverontreiniging is het aannemelijk dat de bodem boven interventiewaarde (>I) uitkomt. Stortplaatsen De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van milieukundig bodemonderzoek en monitoringen van grondwaterbeheersingen verrichten op stortplaatsen. Een vuilnishoop, vuilnisbelt, vuilstortplaats of stortplaats is een plaats waar afval wordt gestort. Het storten van afval en daarna afsluiten van de ontstane vuilnishoop was gedurende een groot deel van de 20e eeuw de belangrijkste methode om van huisvuil en ander afval af te komen. Meer recent worden steeds grotere gedeelten van het afval hergebruikt, en de rest in afvalverbrandingsinstallaties onder zeer gecontroleerde omstandigheden verbrand, waarbij eventueel elektriciteit gewonnen wordt. Toch blijft het noodzakelijk om bepaalde materialen te storten. Zo worden niet brandbaar restafval zoals asbest, sterk vervuilde grond en ook de asresten van de vuilverbranding onder gecontroleerde omstandigheden gestort op stortplaatsen. Op de beruchte stortplaats Coupépolder in Alphen aan den Rijn bevat de bodem een cocktail aan zwaar giftige en chemische stoffen door illegale stortpraktijken (benzeen, tolueen, benzine, weekmakers, vaseline, PAK, PCB, dioxines, zware metalen, cyaniden, asbest en mogelijk radioactief afval. In de bodem op een stortplaats komt vrijwel altijd uit boven de interventiewaarde (>I). Op en langs het water De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van milieukundig waterbodemonderzoek verrichten op en langs het water voor baggerwerkzaamheden. Baggeren omvat alle werkzaamheden die nodig zijn bij het weghalen van zand, slib en andere lagen van de waterbodem. Maar ook landaanwinning en opschonen van het oppervlaktewater. Het slib dat ontstaat doordat plantenresten, afval, bodemmateriaal en bladeren die zich vastzetten op de bodem van vaarwegen. Op den duur kan dit het scheepvaartverkeer of de capaciteit van het afvoeren van water hinderen. Het baggerslib en -specie regelmatig verwijderen is dan ook belangrijk. Vaak is het slib verontreinigd waardoor de afvoer gecompliceerder (en duurder) word. In de baggerspecie kunnen bijmengingen aanwezig zijn in stenen, blikjes, fietsen, bommen, granaten en asbest. Voor werkzaamheden op het oppervlaktewater is het door de meeste bodemadviesbureaus verplicht dat veldwerkers een reddingsvest dragen. Op sommige plekken kan de waterbodem door het toedoen van bedrijfsactiviteiten van de mens zijn verontreinigd met een chemische stof (>I). (1) COLIN READ ET AL, BP and the Macondo Spill: The Complete Story. Part II: The Uneasy Mix of Oil in Our Natural Environment, 8: The Dirty dozen before the Deepwater Horizon; The Lakeview Gusher - 9.4 Million Barrels Released (2011) ISBN 9780230293588
  • 56.
    Langs het spoor Develdwerker kan werkzaamheden ten aanzien van milieukundig bodemonderzoek verrichten langs spoorwegen. De werkzaamheden worden meestal verricht op emplacementen van de Nederlandse Spoorwegen en langs de spoorbaan. De bodemverontreiniging kan op twee manieren ontstaan zijn, door lokale of door diffuse belasting. De lokale vervuiling is voornamelijk te vinden op en in de omgeving van de emplacementen. Dit type vervuiling heeft meestal een historische oorzaak en is afhankelijk van de activiteit op de locatie. Dat kan bijvoorbeeld een tankplaats, kolenopslag of goederenopslag (geweest) zijn. Het grootste gedeelte van het spoorwegennet loopt tussen de stations en emplacementen door Nederland en wordt ‘vrije baan’ genoemd. Langs deze vrije baan zal verontreiniging vooral diffuus voorkomen; de verontreiniging is verspreid over het gebied. Het type verontreiniging waar hier sprake van zal zijn, is vooral:  IJzer, door slijtage van rails en spoorwegmaterieel. IJzer is geen milieugevaarlijke stof en zal meestal buiten beschouwing worden gelaten worden.  Zware metalen (voornamelijk koper en in mindere mate lood, chroom en nikkel), veroorzaakt door slijtage van de bovenleidingen, sleepstukken, wielbanden en rails.  PAK, door uitloging van dwarsliggers (creosootverontreiniging, teer).  Bestrijdingsmiddelen, toegepast om de baan van begroeiing vrij te houden. (1) Daarnaast zal de opdrachtgever van het bodemonderzoek verlangen dat hij of zij beschermd wordt tegen aanrijdingsgevaar en gevaarlijke situaties langs het spoor. Er wordt altijd een veiligheidsman ingehuurd die naderende treinen moet signaleren en de veldwerker behoedt voor aanrijdingsgevaar. Op en langs de weg De veldwerker kan werkzaamheden ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek op en langs de weg. Het autoverkeer produceert milieubelastende stoffen door verbranding van brandstoffen en slijtage van voertuigen en het wegdek. Naast de luchtverontreiniging betreft dit ook een diffuse verspreiding van verontreinigingen als zware metalen, PAK en minerale olie. Tevens kan door corrosie van wegmeubilair (lantaarnpalen, stoplichten) verontreiniging, met name zink, worden veroorzaakt. Deze stoffen komen voor een deel op het wegdek terecht of verwaaien voor een deel van de weg naar de berm en verdere omgeving. Door het afspoelen met het regenwater komt de verontreiniging van de weg in de berm en grondwater terecht. Uit onderzoeken langs de rijkswegen blijkt dat de bodemkwaliteit van de bermen vanaf 10 meter niet meer verschilt met de bodemkwaliteit van de verdere omgeving van de snelweg. In de bermen van autosnelwegen accumuleert de verontreiniging vooral in de bovenste 30 á 40 centimeter. De verontreiniging neemt af in zowel de diepte als met de afstand tot de weg (2) De veldwerker dient bij werken op en langs de weg te worden beschermd tegen aanrijdingsgevaar en gevaarlijke situaties van het verkeer door diverse soorten afzettingsmaterialen (pionnen, verkeersborden, lichtsignalering en botsabsorbers). De CROW 96a (maatregelen autosnelwegen) en CROW 96b (maatregelen niet autosnelwegen) worden gebruikt om de veldwerker te beschermen tegen aanrijdingsgevaar.  Stichting Bodemsanering Nederlandse Spoorwegen (SBNS), www.sbns.nl, geraadpleegd 2 november 2014 (2) Afstromend regenwater, Commissie Intregraal Waterbeheer, werkgroep 4, water en milieu, april 2002
  • 57.
    Inpandig werken (beperkteventilatie) De veldwerker kan werkzaamheden verrichten ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek in ruimtes waar een beperkte ventilatie aanwezig is. Dit kan door ontbreken van wind of werken in gesloten ruimtes. Ook het werken omringd door muren en een dak kan er voor zorgen dat er op de plek waar de veldwerker de werkzaamheden uitvoert geen luchtcirculatie optreedt. Door het ontbreken van luchtcirculatie en beperkte ventilatie kunnen vluchtige stoffen de werkruimte vullen en de veldwerker bedwelmen. Ook zijn er stoffen die niet met het reukvermogen van de veldwerker kunnen worden getraceerd. Deze stoffen kunnen de werkruimte vullen zonder dat de veldwerker dat in de gaten heeft. Koolstofmonooxide en waterstofsulfide zijn beruchte zuurstof verdringende gassen. Ook het werken in besloten ruimtes, zoals opslagkamers van olietankers, riolen of kruipruimten in gebouwen, brengt specifieke risico’s met zich mee. Belangrijke risico’s zijn bedwelming, verstikking of explosie. Daarnaast zijn er gevaren die te maken hebben met de aard en de vorm van de ruimte of het karakter van de werkzaamheden. In Arbo- Informatieblad 5 komen alle denkbare risico’s en oplossingen aan bod. Het hulpmiddel is geschikt voor het herkennen van gevaren, het evalueren van bestaande situaties en het beheersen van risico’s. De veldwerker krijgt inzicht in het gebruik van verschillende soorten meetapparatuur en persoonlijke beschermingsmiddelen. (1) (1) AI-05: Veilig werken in besloten ruimten, 5e druk, SGS Nederland BV, Arbo-informatie
  • 58.
    BIJLAGE V Beleidsmatige keuzesvoor bodemfuncties en clustering bodemfuncties tot bodemfunctieklasse
  • 59.
    (NOBO: Normstelling enbodemkwaliteitsbeoordeling, onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen) in 2005, 2006, 2007, Ministerie van VROM, december 2008, VROM 8395.)
  • 60.
    BIJLAGE VI Flowschema aantreffenzintuigelijke afwijkingen
  • 61.
  • 62.
    BIJLAGE VII Flowschema aanvullendepakket PBM voor de veldwerker
  • 63.
    (Bron: Grondslag B.V,intern formulier 48, versie 11-9-2009, H. Hofmeester )
  • 64.
    BIJLAGE VIII Berekening vanblootstelling in blootstellingsscenario 'wonen met tuin' en het nieuw te vormen blootstellingsscenario 'veldwerker'in CSOIL2000
  • 67.
    BIJLAGE IX Gevoeligheidsanalyse parameterdagelijkse inname grond (AIDa) binnen blootstellingsscenario 'veldwerker' in CSOIL2000
  • 73.
    BIJLAGE X Gevoeligheidsanalyse parameterperiode door blootstelling door bodem, volwassene, buiten (TBao) binnen blootstellingsscenario 'veldwerker' in CSOIL2000
  • 79.
    BIJLAGE XI Gevoeligheidsanalyse parameterinhalatieperiode, volwassene, buiten (TIao) binnen blootstellingsscenario 'veldwerker' in CSOIL2000
  • 85.
    BIJLAGE XII Gevoeligheidsanalyse parameterhoeveelheid zwevende bodemdeeltjes in lucht (TSPo) binnen blootstellingsscenario 'veldwerker' in CSOIL2000