Wees een OEN
Weesopen, eerlijk en
nieuwsgierig.
Laat iemand uitspreken en neem
een geïnteresseerde houding aan.
Observeer non-verbale elementen
en moedig ook non-verbaal aan.
Spreek duidelijk, vermijd dialect
wanneer uw gesprekspartner dit
niet beheerst.
2.
Laat OMA thuis
Vermijdom uw oordelen,
meningen en aannames te delen.
Uw eigen referentiekader is niet de
maatstaf. Wees oprecht en open
wanneer u in gesprek gaat. Wees
bewust van het eigen
referentiekader en
waardeoordelen.
3.
Neem ANNA mee
Altijdnavragen, nooit aannemen.
Wanneer u iets niet begrijpt, vraag dan verder. Ga bij
twijfel na, of het wel klopt. Vraag verder naar de
achtergrond van iemands mening.
4.
Geef LSD
Luisteren, samenvattenen
doorvragen.
Luister aandachtig, vertrek niet
van stereotypen, vat samen en
vraag door om het beter te
begrijpen. Laat uw
gesprekspersoon reageren.
5.
Maak je DIK
Denkin kwaliteiten.
Probeer telkens een positief
punt te herkennen in een
gesprek. Ga ervan uit dat
iemand gedreven wordt door
een wil tot verbetering. Zelfs
als het fout ging, kan u er nog
iets uit leren. Zoek naar
gemeenschappelijke
elementen.
6.
Smeer NIVEA
Niet InvullenVoor Een Ander.
Stel u luisterend op en leg
geen woorden in de mond.
Laat mensen uitspreken.
Oordeel niet over wat ze
zeggen, maar tracht te
begrijpen waarom ze dat
zeggen. Stel bijkomende
vragen om te verduidelijken.
7.
Gebruik een WOK
Woordenkunnen kwetsen.
Gebruik bij voorkeur termen die gemeenschappen en
groepen zelf gebruiken en respectvol vinden. Gebruik
geen veralgemeningen maar benoem specifiek
landen, talen, culturen en wees duidelijk over tijd en
plaats. Woorden zeggen iets over
de tijdsgeest, maar ze
kunnen ook veranderen
door de tijd.