Your SlideShare is downloading. ×
MOLENFOTO'S
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×
Saving this for later? Get the SlideShare app to save on your phone or tablet. Read anywhere, anytime – even offline.
Text the download link to your phone
Standard text messaging rates apply

MOLENFOTO'S

2,325

Published on

Vele molenfoto's die ik gebruik bij de introductieles voor nieuwe molenaars in opleiding om ze wegwijs te maken in molenland en om ze kennis te laten maken met de verschillende molentypes die er in …

Vele molenfoto's die ik gebruik bij de introductieles voor nieuwe molenaars in opleiding om ze wegwijs te maken in molenland en om ze kennis te laten maken met de verschillende molentypes die er in ons land zijn.
groet, Kees Vanger
www.molendeweert.nl

Published in: Education
1 Comment
1 Like
Statistics
Notes
No Downloads
Views
Total Views
2,325
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
112
Comments
1
Likes
1
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide
  • Aanvullende informatie over molens in Nederland De Nederlandse molens zijn grofweg in drie categorieën in te delen. De meeste molens werden vroeger gebruikt als graanmolen, een onmisbaar onderdeel van de voedselketen voor mens en dier. In de provincies Groningen, Friesland, Noord-Holland, Zuid-Holland en het westelijk deel van de provincie Utrecht komen vooral de tweede categorie molens voor, de poldermolens. Deze molens moesten met windkracht de laaggelegen landsdelen droog houden. Als laatste zijn er de industriemolens. Deze laatste categorie bestaat zowel uit windmolens als door water aangedreven molens. Korenmolens Poldermolens Industriemolens Pelmolens 1) Korenmolens Het malen van graan met maalstenen voor het verkrijgen van meel om brood te kunnen bakken werd vanaf de Romeinse Tijd gedaan met kleine handmolentjes. Rond 1200 kwamen korenmolens in gebruik die door stromend water werden aangedreven. Gezien het daarvoor benodigde geld voor de bouw van zo'n molen, waren deze molens veelal eigendom van de plaatselijke adel. Als feodaal recht kregen zij van de landsheer daarvoor in ruil het recht om bij het malen van het graan op hun molen belasting te mogen heffen, het z.g.n. "belasting op het gemaal". Om te voorkomen dat streekgenoten uitweken naar andere molens, werd hen "molendwang" opgelegd. Men was verplicht zijn graan op de molen van de gezaghebber te laten malen. Het maalwerk zelf werd verricht door aparte molenaars, die de molen voor een pachtsom van de eigenaar huurde. Hij was gerechtigd om naast de verschuldigde belasting voor de eigenaar een vastgesteld deel van het meel voor zich zelf te houden, het "scheprecht". Omdat molenaars nogal eens ten eigen voordeel te veel schepten, kwamen zij bij de bevolking in een kwade reuk te staan. Om zo'n watermolen te kunnen verzekeren van voordoende stromend water, ontstond er een ingewikkeld stelsel van stuwrechten, welke in sommige gevallen nog steeds bestaat. Rond 1300 was de windkorenmolen zodanig technisch ontwikkeld, dat er in West-Europa houten standerdmolens voor het malen van graan werden gebouwd. Vlakke streken, waar het bouwen van watermolens niet goed mogelijk was, hadden nu ook de mogelijkheid om met windkracht graan te kunnen malen. Net als bij de watermolens, waren deze molens ook bezit van de landsadel. Tot de tijd van Napoleon bleven de rechten van de lokale adel om op deze manier molens te mogen exploiteren in stand. In de steden werden molens opgericht op de verdedigingswallen rond de versterkte steden, waardoor voor de molens de windvang in stand bleef en het stadsbestuur een eigen bron van inkomsten (belasting) had. In de 15e eeuw werden de eerste stenen torenmolens gebouwd. Het aantal is beperkt gebleven, omdat bouwen in steen veel duurder was dan in hout. Molens op het platte land hadden doorgaans tot rond 1930 twee "productielijnen", een "bakkersgemaal" voor de broodvoorziening en een "boerengemaal" voor veevoer. Als maalstenen werden stenen gebruikt die afkomstig waren uit de Eifel en met de Rijnvaart in Nederland kwamen. Deze stenen worden doorgaans "blauwe stenen" genoemd. Vanaf 1900 werd ook gebruik gemaakt van gegoten (betonnen) stenen, "kunststenen" genaamd. Hoe werkt een korenmolen? Het Mechaniek van een Korenmolen (bovenkruier) bestaat uit de volgende onderdelen (zie tekening): A = de askop, waarin de molenwieken (roeden) gestoken zijn. B = het bovenwiel, met daaromheen de houten vangblokken (remblokken). C = de bonkelaar, die samen met het bovenwiel een haakse verbrenging vormt. D = de koningsspil, die de draai-beweging naar beneden brengt. E = het luiwerk, waarmee op windkracht zakken graan naar boven kunnen worden gehesen. F = het spoorwiel. G = het steenwiel, die samen met het spoorwiel de steenspil H een bepaald aantal toeren laat draaien. H = de steenspil, waarmee de maalstenen worden aangedreven. I = het koppel maalstenen met daaromheen tegen het stuiven een houten kuip. Voordat het graan in een korenmolen gemalen kan worden, vindt er een ingewikkelde procedure plaats. Op de eerste plaats moet ervoor gezorgd worden dat de molen recht op de wind staat, zodat de wind loodrecht op de wieken waait. Hiervoor moet de molenaar de hele kap van de molen compleet met tandwielen en reminstallatie verdraaien (het zogenaamde kruien). Dit doet hij met behulp van een lier onderaan de molen. Deze lier is vastgemaakt aan de staart, welke laatste weer aan de kap is bevestigd. De volgende stap is het inschatten van de weerssituatie en het kiezen van de juiste zeilvoering: hoe zachter het waait des te verder moeten de zeilen uitgerold worden op de wieken. Dit is dan ook meteen de volgende klus. Als de molen na het loshalen van de rem (in molenaarstermen het lichten van de vang) dan eenmaal draait, kan de molenaar binnen aan de slag. Eerst worden met behulp van het luiwerk (hijsinstallatie) de zakken graan omhooggetakeld en in het kaar (opslagtrechter boven de molenstenen) gestort. Dan worden de stenen bijgezet; dat wil zeggen de bovenste draaiende steen wordt neergelaten op de stilliggende onderste steen. Daartussen worden de graankorrels dan gebroken en uiteindelijk gemalen. Een verdieping lager staat de molenaar aan de licht (afstelinrichting voor de onderlinge afstand tussen de stenen) en regelt continu de kwaliteit (=grof-/fijnheid) van het meel. Als het meel in de zakken zit en afgewogen is, vindt het transport naar de leverancier terug plaats. De taak van de molenaar zit er dan op. Tussendoor zorgt de molenaar dan nog voor het klein onderhoud, zoals het smeren van de lagers. Ook moet hij voortdurend het weer in de gaten houden en zonodig de zeilen verder op- of uitrollen. Bij windstil weer werd aan groot onderhoud gedaan, zoals schilderen en de maalstenen scherpen (het billen).Het de meeste korenmolens in Nederland wordt slechts nog sporadisch op oude ambachtelijke wijze graan gemalen, dat bestemd is voor brood en veevoeders. Het malen voor bakkers schept grote verplichtingen, zoals een te handhaven kwaliteit en een continue leverantie. Dit is voor een vrijwillig molenaar meestal niet weggelegd, daar hij slechts van één dag van de week afhankelijk is. Bovendien waait het op de helft van die dagen nog niet stevig genoeg om met de molen te kunnen malen. De meeste molens draaien daarom meestal "voor de prins". Dit laatste is een uit de 80-Jarige Oorlog (1568-1648) overgebleven uitdrukking. In geval van beleg liet men in de steden de molens draaien, terwijl het graan allang niet meer voorradig was. Het volk verhongerde zo, maar de vijand had de indruk dat er voldoende graan (en dus eten) was, omdat de molens immers draaiden! Nieuwe vrijwillige molenaars zijn overigens nog altijd welkom om de Nederlandse molens in bedrijf te houden. 2) Poldermolens Rond 1200 werd door de bisschoppen van Utrecht en de graven van Holland begonnen met de ontginning van het laagveen-moeras in het gebied tussen de huidige steden Amsterdam - Leiden - Utrecht. Door sloten te graven die het overtollige water deed wegvloeien, kon men met natuurlijke lozing het nieuwe land in cultuur worden gebracht. Doordat veengrond bij ontwatering de eigenschap heeft om in te klinken, kwam men rond 1400 in de problemen omdat de natuurlijke waterafvoer steeds meer ging stagneren. Vanaf die tijd kwamen wipmolens in gebruik, die het water met een door de wind aangedreven scheprad omhoog konden brengen. De wipmolen is ontstaan uit de toen bekende constructie van de standerdmolen. Door deze technische ingreep was men ook in staat om het waterpeil in diepere delen (polders) op een kunstmatig niveau te houden. In deze tijd ontwikkelde zich naast het landsbestuur ook de waterschaps-organisatie om het gewonnen land voor de voedselproductie in stand te houden. Het scheprad is het oudst bekende wateropvoerwerktuig. De maximale opvoerhoogte is 1,5 meter. Bij wipmolens zit het scheprad aan de buitenkant van het onderhuis. Bij achtkante molens is het scheprad binnen in de molen aangebracht. De vijzel (een variant op de eeuwen oude schroef van Archimedes) werd na 1630 toegepast om met één molen dieper te kunnen bemalen. Door deze technische sprong voorwaards werd het ook mogelijk diepere meren droog te malen (droogmakerijen), zonder dat het benodigde aantal molens uit de hand zou lopen. 3) Industriemolens Door verdere technische ontwikkelingen werden in de 17e eeuw diverse andere toepassingen ontwikkeld die gebruik gingen maken van grootschalige wind- of waterkracht. Het betreft o.a. het slaan van olie uit oliehoudende zaden, de fabricage van papier, het zagen van hout, het malen van specerijen, het malen van pigmentpoeder voor verf en het malen van tras voor metselspecie. Deze industriemolens hadden voor een te produceren product een speciaal aangepaste inrichting In Zaandam ontstond in de 17e eeuw door de economische opbloei van de Gouden Eeuw een grote concentratie van industriemolens. Daarvan getuigt momenteel nog het rijtje molens langs de Zaan aan de Zaanse Schans (klik op de foto). Vooraan ziet u de mosterdmolen "De Huisman", daarachter paltrokmolen (houtzaagmolen) "De Gekroonde Poelenburg", dan volgt verfmolen "De Kat" (maalt pigmentpoeder voor verven) en oliemolen "De Zoeker". Werkende oliemolens zijn momenteel te vinden aan de Zaanse Schans (Noord Holland), Zwolle en Haaksbergen (Overijssel), Roderwolde (Drenthe) en Deurne (Noord Brabant). Vroeger werd de geslagen olie gebruikt voor de bereiding van voedsel, lampenolie en lijnolie voor de fabricage van verf. 4) Pelmolens Gerst legt een lange weg af, voordat het gort genoemd kan worden. De bemanning van de molen moet een hoop werk verrichten, alvorens een partij gerst tot gort is gepeld en op de begane grond is teruggekeerd. Nevenstaande tekening geeft een indruk van de werkzaamheden. Deze bestaan voor een groot deel uit het verplaatsen van grote hoeveelheden graan. Op de eerste (linker) steen (de voorloper) wordt de gerst voorgepeld. Op de tweede steen (rechts, de naloper) wordt het pellen herhaald. Gerst mag niet langer dan enkele minuten op een steen verblijven, omdat ze dan te heet wordt. Door de hitte loopt het vochtgehalte terug en daarmee het gewicht. Na het pellen komt de gerst op de zeef. De fijne delen vallen, gesorteerd, in de gortpijpen eronder. De grove delen (halfgepeld) vallen naast de zeef op de vloer. Deze halfgepelde gerst wordt opnieuw op de stenen gestort. Bovenstaande handelingen worden nog twee keer herhaald. Een partij goed gepelde gerst is dus in totaal zes maal een steen gepasseerd en drie keer over de zeef gegaan. Pas daarna gaat ze naar beneden, de wanmolen in, om van de laatste kafresten te worden ontdaan en te worden gesorteerd op kwaliteit. Gort behoort wit te zijn. Als er iets aan de kleur mankeerde schepte men er talkpoeder door. Een andere methode was de bewerking met zwaveldampen. Klik op de tekening voor groter formaat. VAN MOLENAAR TOT CHIP In heel Nederland kom je nog molens tegen. Gelukkig zijn er nog een paar over. Een paar, want er zijn er talloze verdwenen. Bekijk alleen daarvoor maar eens de foto van de Schermermolens De eerste molens waren graanmolens die rogge, mout, en allerlei andere soorten granen tot meel maalden. Er zijn ook veel industriemolens geweest. Houtzaagmolens, mosterdmolens, oliemolens, volmolens voor de textielnijverheid, verfmolens en nog veel meer. Maar de molens die wij hier bestuderen zijn de watermolens. Molens die het water opmalen. De voorlopers van de stoomgemalen die weer de voorlopers zijn van de huidige elektrische gemalen. Je merkt wel dat het begrip malen, pletten van bijvoorbeeld graan, door de molenaars van de watermolens is overgenomen. De vondst om de windmolen van een scheprad te voorzien in de 15e eeuw was een zeer welkome oplossing voor een groot probleem. Wat was het probleem? De veengronden waren ontgonnen door het graven van sloten en weteringen die het water moesten afvoeren naar groter water vanwaar het uiteindelijk afgevoerd zal worden naar zee. Om de ontginning te beschermen tegen water van land dat hoger ligt of ander buitenwater werden er kaden omheen gelegd. Zo’n omdijkt stuk land noemen we een polder. Het water uit de polder wordt tijdelijk opgevangen in sloten, plassen of grote meren. Dit wordt de boezem genoemd. Het water uit zo’n polder kon alleen in de boezem stromen via een paar toegangen en dan nog alleen als het water in de boezem lager stond dan in de wetering. Was het water in de boezem hoger dan ging de sluis dicht. Als het water in de polder bijvoorbeeld na zware regenbuien heel hoog stond maar het water in de boezem ook, dan kon er dus niet gespuid (het water uitlaten) worden en bleven de landerijen nat. Nu is er nog een extra probleem. Door het afwateren van het veen gaat het veen inklinken en bovendien oxideren, dat wil zeggen dat de bovenste laag gewoon in de lucht verdwijnt. Dat betekent dat het maaiveld steeds verder daalt. Na verloop van tijd komt deze steeds lager achter de kaden te liggen. Afwateren werd dus steeds moeizamer. Het water moest op de een of andere manier van laag naar hoog gebracht worden. Wat was de oplossing? Toen dus in de 15e eeuw iemand bedacht dat je met het mechanisme van een windmolen ook een scheprad kon laten werken was dat dé oplossing. Met zo’n scheprad kon je het water 1 à 1,5 meter hoger brengen. In het begin was dat genoeg. Maar je krijgt opnieuw een probleem als het maaiveld nog verder daalt. Wordt het hoogteverschil dus meer dan 1,5 meter dan zul je gebruik moeten maken van meerdere molens achter elkaar. Elke molen brengt het water een ‘trapje’ hoger. Een paar molens achter elkaar die samen het water steeds hoger brengen noemt men een molengang. De laagste molen werd de ondermolen genoemd, de bovenste de dijkadmiraal of strijkmolen. Wanneer er voldoende bemalen was werd deze molen ‘strijk gezet’ of ‘in het kruis’gezet, waarna de anderen volgden Zo werd het probleem van de diepliggende polders opgelost. Door van meerdere molengangen van 2 , 3 of molens gebruik te maken kon je zelfs een heel meer leegpompen. Zo kon men in de 16e eeuw met de kleinere droogmakerijen beginnen. In 1550 werd De Zijpe drooggelegd. In de 17e eeuw durft men het uiteindelijk aan om de grote plassen als de Beemster, het Schermeer, de Purmer en de Heerhugowaard leeg te malen. Voor het leegmalen van het Schermeer, ruim 5019 ha groot, werden in totaal 52 molens gebouwd. Het werk begon met het graven van een ringvaart. Met de uitgegraven grond werden aan weerzijde van de geul dijken opgeworpen. Was dit eenmaal klaar dan konden de molens het water uit het meer naar deze ringvaart opmalen. Via de ringvaart, die dus deel uitmaakt van de boezem, werd het water uiteindelijk afgevoerd naar zee. Peilbeheersing Was het meer eenmaal drooggevallen dan bleven de molens gewoon dienst doen. De nieuwe polder ligt immers heel laag. Bij neerslag zal het water uit de kavelsloten via de tochten naar de molen afgevoerd moeten worden die het vervolgens weer opmaalt naar de boezem. Soms moet hiervoor een hoogteverschil van meer dan bijna 5 meter overwonnen worden! Voor akkerbouw heeft men goede droge grond nodig terwijl weilanden wel natter mogen zijn maar ook weer niet té nat. Het goed op één peil houden van het water is erg belangrijk voor de boeren. De molenaar heeft dus een heel belangrijke taak. Wordt er regen verwacht en staat het water toch al een beetje hoog. Dan maakt hij zijn molen alvast gereed. Met de kap die door middel van krans een houten rollen draaibaar is, worden de wieken op de wind gekruid. Al dan niet voorzien van zeilen. Het touw waarmee de onderstaande wiek geankerd is wordt losgemaakt en met veel gekreun komt het mechaniek op gang. In het hart van de molen zit de koningsspil die de beweging van de wieken op het maalgerei overbrengt. Het scheprad draait en het water komt uit de tochtsloot omhoog om vervolgens in de boezem te verdwijnen. Voorkómen van natte voeten is beter dan genezen. Maar soms is de boezem vol. Als het polderpeil dan te hoog is mag er toch niet gemalen worden. Want een overvolle boezem betekent overstromingen. Eén molen dient als hoofdseinmolen. In de Schermerboezem stond die aan het Spijkerboor. Door de blauwe vlag in een van de wieken te hangen zien de molenaars van de gewone seinmolens dat het malen moet stoppen. Het sein wordt doorgegeven aan de molens in hun omgeving. Als het donker is wordt de vlag vervangen door een lantaarn met vier kaarsen. Weergave van de wijze waarop het stopsein werd doorgegeven. (plaatjes blz 79 Binnenw,Gew.) De molenaar woonde in zijn achtkantige molen. Met een doorsnee van 7 à 8 meter was daar ook genoeg ruimte voor. Maar helemaal zonder risico was dit niet. Je kent misschien wel de uitdrukking "die heeft een klap van de molenwiek gehad". In het museum kun je een heel droevig verhaal over een ongeluk rondom een molen horen. Aan het einde van de 17e eeuw heeft men bedacht dat je in plaats van een scheprad ook een vijzel in de molen kunt monteren. Zo’n vijzel kan het water wel 3,5 tot 4 meter omhoog brengen. In de 18e en 19e eeuw werd in veel molens het scheprad vervangen voor een vijzel. Dat was ook wel prettig voor de molenaar en zijn gezin want door het verdwijnen van het grote scheprad uit de molen kregen zij meer leefruimte. In het midden van de 19e eeuw werd bij de windmolens een aantal verbeteringen aangebracht. Zo werden houten onderdelen vervangen door ijzeren. De constructie werd daarmee wel sterker en duurzamer. Maar de windmolens hadden toch een aantal nadelen. Het grootste nadeel was dat het draaien van de molen afhankelijk was van de windsnelheid. Daardoor kon er maar 25% van de tijd gemalen worden. De waterberging die men nodig had nam daardoor 10% van de poldergrond in beslag. Naarmate de 19 eeuw vorderde, werd de concurrentie met de stoomkracht groter. Stoom in plaats van wind De stoommachine had een aantal voordelen. Behalve dat zij niet afhankelijk was van wind, had ze een vrij hoog rendement en was geschikt voor een directe koppeling met een pompwerktuig. Het grootste pluspunt was echter dat het toerental goed geregeld kon worden. Met een stoommachine kon het water in de polder op een vrij constant peil worden gehouden. Nadeel was dat het veel tijd kostte om de machine bedrijfsklaar te maken. Een stoommachine was duur in de aanschaf, mede door de ketel, het ketelhuis, de schoorsteen en de fundering van het geheel. Eén stoomgemaal kon het werk doen van heel veel molens. Zo durfde men het nu zelfs aan om het grote Haarlemmermeer droog te malen. Slechts drie stoomgemalen zijn er voor nodig. In 1852 valt een oppervlakte van 18.000 ha droog! Eenmaal buiten werking gesteld worden veel molens afgebroken. Tot men zich na verloop van tijd gaat realiseren dat het vertrouwde beeld van de molens uit het Hollandse landschap dreigt te verdwijnen. In de 20’er jaren nam bovendien de belangstelling voor de windenergie weer wat toe. Men wilde niet te veel afhankelijk zijn van de energievoorziening. Mede onder invloed van de aërodynamica, die toen ook in Nederland sterk in de belangstelling stond, werden proeven gedaan met het stroomlijnen van de wieken. De toepassing van de gestroomlijnde wiekvorm en het gebruik van kogellagers, maakten het mogelijk dat een molen al bij een wind van 4à 5 m/s kon werken. Tot 1991 gold de wettelijke verplichting voor de waterschappen om windwatermolens in stand te houden voor noodgevallen. Nog steeds worden in tijden van extreem hoog water de oude molens gebruikt om te helpen het land droog te houden. Vrijwilligers met een molenaars opleiding worden daarbij ingezet. Stroom in de plaats van stoom In de twintigste eeuw vervingen de elektrische gemalen op hun beurt weer de stoomgemalen. De electromotoren waren gemakkelijk te bedienen. Zowel de stoom- als de elektrische gemalen waren machines die in een eigen gebouw stonden en bediend, ja bijna vertroeteld, werden door een toegewijde machinist. Tegenwoordig is een computer verantwoordelijk voor het in standhouden van het juiste polderpeil. Een gemaal wordt via een modem met een centrale post verbonden waar een registratie van peilstand, aantal maaluren, inbraak etc. binnenkomt. Automatisch waterkwantiteitsbeheer houdt in dat slechts enkele mensen zich met het waterpeil bezig houden. Was tot circa 1900 per gemaal tenminste één persoon nodig om voor de machines en werktuigen te zorgen, in de loop van de 20e eeuw nam het aantal af tot één persoon voor een aantal gemalen. Nu moeten enkele mensen het geautomatiseerde systeem bewaken en enkele anderen verzorgen de gemalen en verhelpen storingen. De molenaar en de machinist worden bedankt! Kaart museum gemaal Wilhelmina W.C. & K. DE WIT/Ingenieurs te Amsterdam Stoomgemaal en elektrisch gemaal Moderne gemalen zijn klein en vallen niet meer op in het landschap Leefbaar laagland blz 203 opvoerwerktuigen Het Haarlemmermeer werd met 3 stoomgemalen met in totaal 27 zuigerpompen leeggemalen Tegenwoordig wordt gebruik gemaakt van de centrifugaalpomp Leefbaar Laagland blz. 200 Nederlandse spreekwoorden spreuken en zegswijzen K. ter Laan MOLEN De molen is door de vang Er is geen houden meer aan; de zaak is hopeloos De vang is de klem, waarmee de draaiende as wordt vastgezet; is de molen door de vang, dan heeft men hem niet meer in de macht; dan is hij niet meer tot stilstand te brengen en gebeuren er ongelukken. Hij heeft een klap van de molen beet / hij heeft een klap van de molenwiek gehad Hij is niet goed bij zijn verstand ’ t is of hij door een slag van de molenwiek zijn verstand heeft verloren Hij loopt met molentjes Dit is echter een vergelijking met een kind, dat met een molentje loopt als speeltuig. Met de bijgedachte aan de klap van de molen. Om één schepel graan kan men geen molen bouwen Een oud man moet niet meer aan trouwen denken. Alle molens vangen wind Elke mededinger neemt een deel van de verdienste weg, vooral gezegd van winkels met dezelfde waar. Daar is meer omgegaan dan de molens in het woud Er is meer gebeurd dan men denken zou Omgaan van de molen/in ’t woud =buiten Men vindt geen molenaarshane, of hij at gestolen koren Elk is een dief in zijn nering DIJK Dat zet geen zoden aan de dijk Dat helpt volstrekt onvoldoende Iemand aan de dijk zetten Iemand ontslaan zonder enige ondersteuning Waar de dijk het laagst is, daar spoelt de vloed het eerst over heen De armste man lijdt de eerste last MALEN Die het eerst komt die het eerst maalt Ieder wordt op zijn beurt geholpen Wie het eerst bij de molen is, is het eerst aan de beurt Als ’t op is , is ’t malen gedaan Als het op is, is het gezeur over Iemand in de maling nemen Iemand voor de gek houden. Malen =draaien. Hem rond laten draaien Hij zit in de maling Hij is in de war Malen = draaien Ik heb er maling aan Daar trek ik mij niets van aan Malen = draaien Voor het pellen is veel vermogen nodig en moet de draaisnelheid van de pelsteen heel groot zijn (verhouding: 1:10). Vanwege deze voorwaarden komen pelmolens daarom het meeste voor in Groningen, Friesland en de Zaanstreek, waar de windcondities het meest gunstig van Nederland zijn. In de pelmolen zitten de pelstenen opgesloten tussen zware balken onder een aparte loopvloer, waar alleen het kaar en de handgreep van het afsluitschot uitsteekt (zie foto links). De foto rechts laat de pelsteen en het pelblik eromheen zien bij geopende loopvloer. Algemene informatie over molens in Nederland Hoewel molens in meerdere landen voorkomen, hebben zich in Nederland de meeste variaties ontwikkeld en is de grootste perfectie in de constructie bereikt. Molens kunnen worden ingedeeld naar hun uiterlijk, naar hun taak en naar hun bedieningswijze. Zie hiervoor het onderste deel van deze pagina. Tot de uitvinding van de stoommachine waren molens de belangrijkste energievoorzieners. In de 19e eeuw telde Nederland nog ruim 10.000 molens. Anno 1999 staan er, volgens de gegevens van de Vereniging De Hollandsche Molen te Amsterdam, 1035 windmolens (in 1981 nog maar 973!) en 106 waterradmolens in ons land. Van de windmolens is meer dan de helft een grondzeiler, zijn er ruim 300 stellingmolens en ruim 120 beltmolens. Voordat de windmolen in Nederland in de 13e eeuw zijn intrede deed, werd de benodigde energie voor het malen van graan vaak opgewekt door beken met stromend water en door paarden in een zogenaamde rosmolen. Zolang de mensheid graan verbouwt voor voedsel bestaat er behoefte aan dit graan tot meel te verwerken. Eeuwenlang deed men dat met primitieve hulpmiddelen, door middel van hand- en lichaamskracht, later door rosmolens (met paardekracht dus) of op waterradmolens. In een later stadium ontstond de windmolen, die in ons vlakke, winderige land veel opgang deed. Dit deed de vraag naar deze molens stijgen en hieruit volgde weer een gunstige uitwerking op de technische ontwikkeling van de windmolen. Daardoor werd zij ook voor steeds meer andere zaken, dan graan malen aangewend. Men pelde er gerst mee tot gort; destijds een bijna dagelijks gebruikt volksvoedsel. Men zaagde de boomstammen ermee tot balken, planken en latten. Zij maakten papier, zij sloegen olie uit de oliehoudende zaden zoals lijnzaad en raapzaad. Specerijen werden er gemalen en mosterd gemaakt. De volmolens bewerkten weefsels tot ons beroemde laken. Hennepkloppers bewerkten de stengels van hennep zodanig dat zij gebruikt konden worden voor de fabricage van touw en zeildoek. Het is dus niet onbegrijpelijk dat vele huidige industrieën hun oorsprong in het molenbedrijf vonden. Als voorbeeld hiervan moge de Zaanstreek dienen, waar de vele molens aan de basis stonden van de huidige nijverheid in deze streek. En wat wij vooral niet moeten vergeten is dat het de molens waren die de grote meren, zoals Beemster, Purmer, Schermer e.d. droogmaalden en dat zij nog vrij recent de "waterhuishouding " van Nederland regelden. Het is nauwelijks voor te stellen dat er een periode was dat er zo'n 9000 molens tegelijk aanwezig waren. Nu zijn er nog maar een kleine duizend windmolens over. De oorzaken van deze teruggang zijn vele, maar de voornaamste is de komst van andere, nieuwe bronnen van drijfkracht: de stoommachine en verbrandings- en electro-motoren. Blikseminslag gevolgd door brand, zware storm en oorlogshandelingen hebben ook flink onder de molens huisgehouden en van geld en animo voor herbouw was nauwelijks sprake. Molens zijn zonder meer de meest kwetsbare categorie van het Nederlandse monumentenbezit. Het behoort dan ook een belangrijke taak te zijn van de overheid en het Nederlandse volk, dat dat minimum van circa 1000 overgebleven molens een absoluut minimum blijft. Velen begrepen dit inmiddels en verenigden zich tot dat doel in landelijke, provinciale en lokale molenverenigingen. De bekendste hiervan zijn de vereniging "De Hollandsche Molen" (sinds 1923 op de bres voor het molenbehoud) en het "Gilde van Vrijwillige Molenaars". De leden van dit gilde houden de molens gaande, die anders tot stilstand, tot nietsdoen en ondergang veroordeeld zouden zijn. Aan de reeks: Molens, Stilstand, Verval, Restauratie, voegden deze vrijwilligers het woord "Werk" toe. Want molens moeten werken, daarvoor zijn zij gebouwd. Dankzij hen blijft Nederland molenland. Ook dankzij hen zullen wij getuige kunnen blijven van de onmisbare rol, die de molen vervult in het Nederlandse landschap met zijn wijde horizon en boeiende wolkenhemel. Voor U lezer, moge deze website een leerzame kennismaking zijn met ons "nationale handelsmerk" en vanzelfsprekend hopen wij dat U hierdoor de molen voortaan gaat "zien" en bewonderen als monument van vernuft en vakmanschap. Molentypes in Nederland De wipmolen is het oudste type poldermolen en ontwikkelde zich begin 15e eeuw uit de standerdmolen. De molen, die minder sterk is dan de bovenkruier, is voorzien van een scheprad; de vijzel kwam pas na 1634 in gebruik. Bij deze molen is het hele bovenhuis draaibaar om een koker, die in verticale stand wordt gehouden door de piramidevormige constructie van de ondertoren. Grotere wipmolens hebben woonruimte in het onderstuk. Het bovenhuis van de wipmolen is soms in felle kleuren geschilderd (bijvoorbeeld rood-wit in het Rijnland). In het rivierengebied zijn de bovenhuizen vaak donkerbruin (vooral indien de molenaar streng gereformeerd is). Het 'wippen' komt van het schudden van de molen als het hard waait. De spinnekop is het kleinste type wipmolen en komt nu nog uitsluitend voor in Friesland. Vroeger stonden er ook exemplaren in Groningen en Overijssel. Het onderstuk is vaak met dakpannen bedekt. De koker, waar het bovengedeelte om kan draaien, is net als bij de wipmolen hol. Door deze holle koker loopt een houten as, die met diverse tandwielen de windkracht overbrengt op de vijzel. Spinnekopmolentjes waren vaak eigendom van boeren, evenals tjaskers. Ze waren wat duurder dan de tjasker, maar het loopwerk was beter beschermd tegen weer en wind. De Noord-Hollandse poldermolen lijkt veel op de Zuid-Hollandse poldermolen, maar is wat zwaarder van vorm. De onderbouw is hier niet van steen maar van hout. Het is een 'binnenkruier', het verkruien (op de wind stellen van de wiekenas) geschiedt boven in de molen. Dit molentype, dat in de tweede helft van de 16e eeuw zijn intrede deed, komt vrijwel niet buiten Noord-Holland voor (Noord-Holland betekent in dezen Noord-Holland boven het IJ). Het touw aan de staart is de rem. In de kap, achter de wieken zit het remwiel, dat qua werking doet denken aan een trommelrem. Alle windmolens hebben een soortgelijke constructie. Dergelijke poldermolens kunnen, indien zij met een vijzel zijn uitgerust, 60 m3 water per minuut ongeveer anderhalve meter omhoog brengen. Droogmakerijen werden meestal door een molengang van drie à vier molens trapsgewijs drooggemalen. In Noord-Holland wordt een molen bij diverse festiviteiten erg mooi versierd [afbeelding]. De Zuid-Hollandse poldermolen, of 'achtkanter' wordt gezien als de 'klassieke poldermolen'. Deze molen heeft zich ontwikkeld vanuit de binnenkruier, die zich alleen in Noord-Holland heeft weten te handhaven. Het is een 'buitenkruier', bestaande uit een achtkante stenen onderbouw en een mooi gedetailleerd, met riet bekleed achtkantig molenlichaam. De kap van deze molen is beweegbaar en op de wind te kruien met behulp van het staartwerk en het daaraan bevestigde kruirad. Door het wielenkruis recht op de wind te zetten kan de molen zijn maximale kracht ontwikkelen. Net als de Noord-Hollandse poldermolen staat deze molen ook vaak in een molengang. In het noorden van het land komen zogenaamde 'monniksmolentjes' voor. Dit zijn kleine weidemolens die enigszins lijken op de Zuid-Hollandse poldermolen. De weidemolen wordt ook wel 'aanbrengertje' genoemd en was net als de spinnekop en de tjasker eigendom van een boer. De molen werd in het algemeen gebruikt voor het onderbemalen van een weiland. Dit type weidemolen had bijna geen bediening nodig, omdat de grote windvaan aan de achterzijde van de draaibare kop ervoor zorgt dat de molen altijd goed op de wind staat. Weidemolens kwamen voor in Noord- en Zuid-Holland, maar alleen in Noord-Holland zijn nu nog exemplaren te zien. De tjasker is een zeer eenvoudig type poldermolen en kwam vooral voor in het veengebied van Friesland, in West-Groningen en de kop van Overijssel. Het geringe hoogteverschil wordt met behulp van een gesloten tonvijzel overbrugt (de meeste andere poldermolens hebben een open vijzel in plaats van een gesloten vijzel). Deze molen, die meestal eigendom was van een boer, staat op een bok met daaronder rollen of op een paal en is met de hand op de wind te zetten. Een tjasker kan een weiland van maximaal vier hectare bemalen. Als het weiland 's winters blank stond, werd de tjasker veelal gedemonteerd en binnen opgeslagen. Tjaskers werden ook gebruikt bij grote turfgraverijen om de delfputten vrij te houden van grondwater. Er bestaan nog een paar tjaskers. Klik op de tekening voor een groter formaat. De standerdmolen (of staakmolen) is het oudste houten molentype en is veel te zien op middeleeuwse prenten. Er zijn er slechts enkele van bewaard gebleven, in Gelderland, Noord-Brabant, Limburg, Zeeland en België. Het huis is aanmerkelijk groter dan het bovenhuis van een wipmolen. Het draait om een spil of staander die tot beneden doorloopt. Alle standerdmolens zijn korenmolens; aan de achterzijde is vaak een kapje te zien waaronder een door de wind aangedreven hijsas voor zakken graan en meel zit. Afhankelijk van de omstandigheden of het ondergedeelte geheel gesloten dan open is, spreekt men van een gesloten of open standerdmolen. De molen op de foto is van het gesloten type. Een molen die binnen de bebouwing staat moet hoog zijn om voldoende wind te vangen. Om in dat geval de molen te kunnen bedienen moet er halverhoogte een stelling (plankier die om het molenlichaam loopt) komen. Men spreekt dan van een 'st
  • Transcript

    ×