Successfully reported this slideshow.

Jezus’ Laatste Tocht

2,860 views

Published on

Dit is een presentatie van de kruisweg, uitgewerkt voor kinderen.

Published in: Education
  • Be the first to comment

Jezus’ Laatste Tocht

  1. 1. Jezus staat voor Pilatus – helemaal alleen. Zijn leerlingen die drie jaar lang bij Hem waren, durven nu niet meer zeggen: “Jezus is onze vriend. We geloven in Hem.” Ze laten Hem alleen. Pilatus begrijpt Jezus niet. Hij weet niet wat voor een koning Jezus is. De mensen roepen: “Kruisig Hem!” en Pilatus zegt: “Goed, ik veroordeel Hem tot de kruisdood. Hij is een valse koning.”
  2. 2. Je bent dik, niet goed snik. Lomperik. Ach, jij, stik. Jij bent dom. Jij doet stom. Vreemd gespuis. Arme luis. Elk zijn hokje. Mooi op slot. Bang voor anderen. Bang en bot. Zo pin ik mensen vast. Zo zijn ze me niet tot last. Oordeel in een handomdraai. Zeg zelf: dat is niet zo fraai. God, ‘k Wil mensen leren kennen. Samen de wereld verkennen. Laat ze anders zijn dan ik. Ik wil Je lach zien in hun blik.
  3. 3. Lieve vader, mensen willen Jezus dood. Dat maakt mensen echt niet groot. Ik wil vriend zijn van elkeen. Lieve mensen om me heen. Leer me geven, Heer, geef me leven.
  4. 4. De soldaten slaan met een zweep op Jezus. Ze vlechten een doornenkroon, doen Hem een rode mantel aan. Ze pesten Hem, lachen Hem uit. Dan leggen ze een kruisbalk op zijn schouders. De balk drukt op Jezus. Het doet pijn. Maar Jezus ziet ook het verdriet en de fouten van zoveel mensen. Dat doet ook pijn. Hij heeft zoveel pijn, dat Hij bijna niet meer kan ademen.
  5. 5. Ruzie, vechten, echtscheiding, kwetsen, oorlog vluchteling, honger, diefstal, vondeling, werkloos, ziek, mislukkeling. Kruisen, kruisen, kruisen … die de mensen raken, die het leven staken, die adem benemen, die mensen doen wenen. God, elk huisje heeft zijn kruisje. Dat is dan nog wel waar. Maar als we elkaar helpen dragen dan weegt het niet zo zwaar.
  6. 6. Lieve Vader, een kruis is lastig. Ik wil het niet want het doet me veel verdriet. Kruisjes in mijn leven ontwijk ik altijd even. Kruisjes zijn niet echt plezant. soms krijg je ze moeilijk aan de kant. Leer me geven, Heer, geef me leven.
  7. 7. Jezus valt voor de eerste keer, want de last op zijn schouders is zo zwaar. Zijn hele lichaam doet pijn. Even misschien wil Hij het opgeven, op de grond blijven liggen. Niets meer doen. Ken je dat gevoel? Maar Jezus staat weer op!
  8. 8. Een valse blik, een kwetsend woord, gesloten handen, niet gehoord. Dreigende houding, een voet die schopt. Een zin van woede Opgekropt. Dan roep ik STOP. Ik geef het op. Ik ben gevallen en sta niet meer op. God, vallen en opstaan horen bijeen. Na elke val raak ik moeilijk te been.
  9. 9. Lieve Vader, ik val, ik heb pijn. De traantjes komen. Na het vallen moet ik even bekomen. Maar straks ga ik er weer flink tegenaan. Na het vallen ben ik weer opgestaan. Leer mij geven, Heer, geef me leven.
  10. 10. Wat moet het fijn zijn om, als je zoveel verdriet hebt, zoveel pijn, je mama te zien, haar heel dichtbij te voelen. Jezus ontmoet Maria. Zij heeft medelijden met Hem. Ze voelt zijn pijn. Hij heeft medelijden met haar. Hij voelt haar eenzaamheid, haar angst. Omdat ze mét elkaar meevoelen, worden ze sterk genoeg om verder te gaan!
  11. 11. Als je voelt met mij en ik voel met jou dan brengt elke blijdschap me dichter bij jou. Als ik lijd met jou en jij lijdt met mij dan lijkt elke pijn zachter te zijn. God, laat me meeleven in vreugde en leed. Dan ervaar ik wat vriendschap en liefde heet.
  12. 12. Lieve Vader, ik voel het als mijn mama verdriet heeft of blij is. Het is of haar hart diep vanbinnen bij mij is. Ze voelt het van mij, ik voel het van haar. Zo zijn we twee vrienden heel dicht bij elkaar. Leer me geven, Heer, geef me leven.
  13. 13. Misschien hebben de soldaten nu ook wat medelijden. Of misschien hebben ze weinig tijd, gaat Jezus te langzaam vooruit. Ze roepen en man, Simon. Hij moet de kruisbalk mee dragen. Simon loopt niet weg. Hij doet het. Hij helpt Jezus zijn kruis dragen.
  14. 14. Ik zie hongerende kinderen God, op een vuilnisbelt. zo dichtbij is het net of ze vragen Een jongen die moordt of ik hen een stukje mee wil dragen om een beetje geld. Ouders in oorlog, hun kinderen zijn dood. Mensen die vluchten op een propvolle boot. En wat kan IK doen? Maar merk ik dat een vriend ziek is naast mij? Het meisje voor mij dat huilt in de rij? De jongen waar niemand ooit naar kijkt? Een klasgenoot die niet zo gelukkig lijkt?
  15. 15. Lieve Vader, „k steek een hand toe voor een vriend. Ik heb oog voor ieder kind. Ik wil helpen. jij mag vragen. “Samen” is het lichter dragen. Leer me geven, Heer, geef me leven.
  16. 16. Gelukkig is er Veronica. Net als Maria wil ze heel dicht bij Jezus zijn. Ze veegt het bloed van zijn gezicht, de tranen, het zweet. Ze wil Hem troosten, ze wil Hem nabij zijn zoals Hij vroeger zoveel mensen nabij was. Door Hem zonder angst aan te raken is er een band, een verband tussen Jezus en Veronica.
  17. 17. Dank U, God, voor twee uitgestoken handen om te omarmen. Twee stappende voeten op weg naar de armen. Twee zoekende ogen naar mensen alleen. Twee luisterende oren voor verdriet om me heen. Voor treurende mensen een troostende mond. Een hart dat grenzeloze liefde vond.
  18. 18. Lieve Vader, ik hoor je geween. Kom dichter bij mij. Je bent niet alleen. Ik blijf aan je zij. Leer me leven, Heer, geef me leven.
  19. 19. Jezus is geen superman. Hij is god én mens. Hij valt nog eens. Hij maakte hetzelfde door als wij allemaal. Dezelfde pijn en wanhoop. Hij kan begrijpen hoe verdrietig wij soms zijn. en toch staat Hij weer op. Omdat God Hem draagt, net zoals Hij ons draagt. Dat gelooft Jezus rotsvast, dat maakt Hem sterk.
  20. 20. Jij draagt alle mensen, verlicht, troost, hoort toe. Jij wordt het beminnen van mensen nooit moe. Jij blijft ons ver-dragen door fouten en pijn. Jij blijkt een trouwe Vader te zijn. God, wanneer ik in oude fouten herval dan ben Jij mijn Vriend: Je verwachtte me al. Dan krabbel ik recht en adem gerust. Jij draagt me door stormen naar veilige kust.
  21. 21. Lieve Vader, vallen doe ik elke dag. Soms ben ik compleet van slag. en voel ik op mijn schouder een zachte arm, dan wordt het vanbinnen warm, zo warm. Leer me leven, Heer, geef me leven.
  22. 22. Zelfs nu Jezus erg lijdt, kijkt Hij met de ogen van Zijn hart. Hij ziet wenende vrouwen en troost hen: “Ween niet om Mij. Ween om jezelf en je kinderen.” Hij denkt aan anderen die alleen achterblijven. Zo kennen de vrouwen Hem: een en al liefde. Hij is trouw aan zichzelf, tot op het kruis. Dat geeft de vrouwen vertrouwen: ze kunnen geloven dat Jezus echt de Zoon van God is.
  23. 23. Ik kan het niet vatten, ik kan het niet verstaan dat iemand die pijn heeft anderen nog ziet staan. Zo eindeloos trouw, zo wil ik ook leven; vertrouwend op Jou ook al val ik soms even. God, wil in mij geloven hoe diep ik ook val. ‘k Geloof dat het ons samen wel lukken zal.
  24. 24. Lieve Vader „k geloof in Je, „k vertrouw Je voorgoed. Leer me hoe ik anderen helpen moet. Leer me leven, Heer, geef me leven.
  25. 25. Weer valt Jezus. Hij is echt aan het einde van zijn krachten. Elke stap naar de berg Golgotha doet pijn. Aan de buitenkant: want zijn lichaam doet pijn. Aan de binnenkant: want alles lijkt voorbij. Nog eventjes en zijn leven stopt. En toch vindt Jezus de moed om op te staan en weer door te gaan.
  26. 26. Elk zaad dat valt in verse grond, krijgt eten en drinken en richt zich op. Het groeit en kijkt de wereld rond. Het ademt frisse lucht en draagt vrucht. Wie vrucht draagt die buitelt zo af en toe, maar raakt nooit, het telkens-weer-opstaan moe. God, leer me na ’t vallen weer op te staan. Geef me de moed om verder te gaan.
  27. 27. Lieve Vader, nog een keer vallen, nog een keer staan. Geef me de moed om verder te gaan. Leer me leven, Heer, geef me leven.
  28. 28. Ze staan boven op de berg. Dadelijk zullen de soldaten Jezus kruisigen. Maar wat doen ze nu? Ze trekken Jezus’ kleren van zijn lijf. Hoe zou jij je voelen? Klein en naakt en vernederd. Alle ogen zijn op Jezus gericht. Zou Hij net als wij naar de grond staren? Zou hij rood worden? Jezus doet niets. Hij is alleen maar liefde.
  29. 29. Sommigen worden uitgesloten, hetzij door kleinen, hetzij door groten. Klein gemaakt, alleen gelaten. Ook ik durf niet met hen praten omdat de groep je buitensluit. Als je iets anders denkt of zegt of je ziet er gewoon anders uit dan kun je bij hen niet meer terecht. God, ik wil Jou zien in elke mens. wie hij ook is, wat hij zegt of denkt. Leer me kijken door de grens. Elk leven ontdekken dat Jij me schenkt
  30. 30. Lieve Vader, pesten, plagen, vechten. Jij bent bij de slechten. Jij hoort er niet bij. Niet bij Hem en mij. Anderen maak ik klein omdat ik groot wil zijn. De vraag moet hier wel zijn: Wie is groot? Wie klein? Leer me leven, Heer, geef me leven.
  31. 31. Drie keer die vreselijke pijn. Eén nagel door de ene pols. Eén nagel door de andere pols. Eén nagel door de voeten. Alleen nog pijn. en dan zijn er nog zoveel nagels van mensen die vieze dingen roepen, die Hem uitlachen, die de spot met Hem drijven. Want ze weten: we kunnen Jezus op zoveel manieren pijn doen!
  32. 32. We spijkeren vast met ogen vol haat, met handen als vuisten met nijd en verraad. We spijkeren vast, doen nodeloos pijn als we in woord of in daad elkaars vijanden zijn. God, leer me spoedig - dit kan niet met stift – om liefde te schrijven in spijkerschrift.
  33. 33. Lieve Vader, nagels geven helse pijn. Soms kunnen mijn woorden nagels zijn. Dan raak ik de mensen en doe ze verdriet. Geef me woorden als bloemen. Vergeet-me-niet. Leer me leven, Heer, geef me leven.
  34. 34. “Ik heb dorst,” zegt Jezus. De soldaten dopen een spons in zure wijn. Ze brengen hem aan Jezus’ mond. Jezus drinkt ervan. Dan zegt Hij zacht: “Het is volbracht.” Hij buigt het hoofd en sterft.
  35. 35. Sterven doet elk mens alleen, ik hoor slechts hulpeloos geween. dood sloopt grenzen. Ik ga nu heen. Alleen … Alleen … God, Jij loopt naast me. Trouwe Vriend. Elke winter draagt een lentelied in zich verborgen. Een nieuwe morgen. Sssst … wees stil. Het dode kruis bouwt nieuwe thuis. Sssst … wees stil.
  36. 36. Lieve Vader, de pijn verdween. Hij ging heen. niemand sterft alleen. Wij blijven bijeen: Jij, Vader en ik. Leer me leven, Heer, geef me leven.
  37. 37. Jezus is nu dood. Een soldaat steekt met een lans in Zijn zijde. Dan mag Maria Jezus weer in haar armen houden. Ze huilt om haar dode zoon. Ze begrijpt er niets van. Waarom heeft God haar destijds gevraagd Zijn moeder te zijn? Waarom? Maar dan voelt ze de hand van God op haar schouder. Zoveel vrienden om haar heen. En ze begrijpt dat God overal en altijd bij haar is, ook als het nacht is. Vooral als het nacht is.
  38. 38. In een herfstblad merk ik het wonder. Zo vruchtbaar was Jezus. Natuur die sterft en zonder zo wil ik ook zijn. die dood gaat de aarde kapot. Ook als ik me klein voel; Die vruchtbaarheid is toch een verdriet heb of pijn. wonder, Blijf bij me en leid me. God. Ook diep in de nacht weet ik dat Je als een Vader Jezus’ dood bracht ook een wonder. op jouw mensen wacht. zijn liefde blijft leven en zonder liefde gaan wij mensen kapot, Jezus’ leven is een wonder, God.
  39. 39. Lieve Vader, dood begrijp ik niet. alsof het leven een mens verliet en voor dood achterliet. Alleen nog duisternis en verdriet. Dat begrijp ik niet. Leer me leven, Heer, geef me leven.
  40. 40. Twee belangrijke mannen, die in het geheim vrienden van Jezus waren, mogen Jezus’ lichaam meenemen; Ze wikkelen het met geurige kruiden in zwachtels. Ze leggen Jezus in het graf. Dan nemen ze afscheid van Jezus. Ze zijn verdrietig, teleurgesteld. Ze twijfelen. Want de hadden zo gehoopt en geloofd … Maar heel diep in hun hart voelen ze: “Nee, het is nog niet gedaan. Jezus is misschien wel dood in de ogen van de mensen, maar Zijn liefde voor ons is zo groot dat we haar bijna kunnen aanraken! Morgen … morgen wordt alles anders!”
  41. 41. God, nergens. Nergens zie ik licht. Nergens maar wellicht help ik er morgen zelf voor zorgen door een teken van liefde te geven. Zo komt Jezus opnieuw tot leven. Ergens … Ergens.
  42. 42. Lieve Vader, tot morgen, tot later; Je vaart over ‟t water. Ik kan nu niet mee over die diepe zee. Maar „k zie je nog weer. Da‟s zeker. Eén keer kom ik Jou weer tegen. Kruisen onze wegen. Leer me leven, Heer, geef me leven.
  43. 43. Twee vrouwen brengen een bezoek aan het graf van Jezus. Ze schrikken. De steen voor het graf is weggerold en Jezus is uit het graf verdwenen. Ze gaan het nieuws gauw vertellen aan de anderen. Iedereen is er van overtuigd: Jezus is uit de dood opgestaan. Jezus leeft !!!
  44. 44. En als ik dood ga, huil maar niet. Ik ben niet echt dood, moet je weten. 't Is maar een lichaam dat ik achterliet. Dood ben ik pas, als jij mij bent vergeten. En als ik dood ga, treur maar niet. Ik ben niet echt weg, moet je weten. Het is heimwee dat ik achterliet. Dood ben ik pas, als jij dat bent vergeten. En als ik doodga, huil maar niet. Ik ben niet echt dood, moet je weten. 't Is het verlangen dat ik achterliet. Dood ben ik pas, als jij dat bent vergeten. Dood ben ik pas, als jij me bent vergeten. Bram Vermeulen

×