Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.

Zevende les

229 views

Published on

  • Be the first to comment

Zevende les

  1. 1. Welkom in de zevende les!
  2. 2. DE HET ENKELVOU D dezelfde mens dezelfde winkel dezelfde soep hetzelfde kind hetzelfde karakter hetzelfde gerecht MEERVOU D dezelfde mensen dezelfde winkels dezelfde soepen dezelfde kinderen dezelfde karakters dezelfde gerechten OPGELET! 1. de-woorden enkelvoud  dezelfde het-woorden enkelvoud  hetzelfde 2. meervoud  dezelfde Dezelfde of hetzelfde
  3. 3. Je hebt maar 1 glas gedronken. Ben je nog maar 9 maanden uit Leuven weg? Paolo heeft maar weinig boeken. Bert heeft alleen met zijn moeder erover gepraat. Hij heeft alleen gezegd dat hij ziek is. OPGELET! 1. maar  restrictief voor een beklemtoond telwoord 2. alleen (maar)  andere contexten Maar of alleen
  4. 4. HOOFDZIN BIJZIN SUBJEC T VERBU M LIN K SUBJEC T REST VERBUM Jennifer zegt dat we elkaar hebben gezien. Peter zegt dat Paolo veel geleerd heeft. Paolo vindt dat hij niet veel heeft kunnen praten.OPGELET! 1. perfectum in de bijzin  2 opties Ik zeg dat ik hard gewerkt heb. Ik zeg dat ik hard heb gewerkt. 2. dubbele infinitief in de bijzin  1 optie Ik zeg dat ik vroeg ben gaan slapen. Perfectum in de bijzin
  5. 5. Wat heb je gisteravond gegeten? Heb je al eens een Belgisch gerecht klaargemaakt? Wanneer ben je de laatste keer op restaurant geweest? Heb je al eens iets uit een kookboek klaargemaakt? Heb je al eens vegetarisch gegeten? Interview met je buur
  6. 6. Vraag 1: Wat is correct? A. Er zijn twee soorten scholen in Vlaanderen: katholieke scholen en staatsscholen. B. Er zijn twee soorten scholen in Vlaanderen: privéscholen en staatsscholen. C. Er zijn twee soorten scholen in Vlaanderen: privéscholen en katholieke scholen. Vraag 2: Wat is correct? A. Van 4 tot 12 jaar gaan Vlaamse kinderen naar de basisschool. B. Van 5 tot 12 jaar gaan Vlaamse kinderen naar de basisschool. C. Van 6 tot 12 jaar gaan Vlaamse kinderen naar de basisschool. Vraag 3: Wat is correct? A. 60% van de Vlaamse jongeren volgt hoger onderwijs. B. 70% van de Vlaamse jongeren volgt hoger onderwijs. C. 80% van de Vlaamse jongeren volgt hoger onderwijs. Hoe zit dat nu?
  7. 7. Vraag 4: Wat is correct? A. De twee grote Vlaamse universiteiten vind je in Leuven en Antwerpen. B. De twee grote Vlaamse universiteiten vind je in Leuven en Gent. C. De twee grote Vlaamse universiteiten vind je in Leuven en Hasselt. Vraag 5: Wat is correct? A. Je moet meestal twee jaar studeren om bachelor te worden. B. Je moet meestal drie jaar studeren om bachelor te worden. C. Je moet meestal vier jaar studeren om bachelor te worden. Vraag 6: Wat is correct? A. Het academiejaar aan de universiteit begint midden september. B. Het academiejaar aan de universiteit begint eind september. C. Het academiejaar aan de universiteit begint begin september. Hoe zit dat nu?
  8. 8. Vraag 7: Wat is correct? A. In januari en juni is het druk in de universiteitssteden. B. In januari en juni is het niet druk in de universiteitssteden. C. In januari en oktober is het druk in de universiteitssteden. Hoe zit dat nu?
  9. 9. Vraag 1: B. Er zijn privéscholen en staatsscholen in Vlaanderen. Vraag 2: C. Van 6 tot 12 jaar gaan Vlaamse kinderen naar de basisschool. Vraag 3: A. 60% van de Vlaamse jongeren volgt hoger onderwijs. Vraag 4: B. De twee grote Vlaamse universiteiten vind je in Leuven en Gent. Vraag 5: B. Je moet meestal drie jaar studeren om bachelor te worden. Vraag 6: B. Het academiejaar aan de universiteit begint eind september. Zo zit dat!
  10. 10. 1. Je lacht omdat iets ... is. 2. Je helpt omdat iets ... is. 3. Je mist je bus omdat je te ... bent. 4. Je opent iets als het ... is. 5. Je kan geen dure dingen kopen als je ... bent. 6. Je hebt niet veel tijd. Als je de trein wil halen, moet je … 7. Als het op de weg gevaarlijk is, moet je … zijn. 8. Als je … bent, moet je gaan slapen. 9. Als je geen groenten uit blik wil eten, moet je … groenten kopen. 10. Als je niet dik wil worden, moet je … melk drinken. Herhalingsquiz
  11. 11. 11. Als het sneeuwt, zijn de wegen … 12. Als je je tas niet gemakkelijk kan dragen, dan is ze te … 13. Eieren, kaas en melk koop je in de …afdeling 14. Ik wil hier niet meer werken. Ik neem mijn …! 15. Welk weer wordt het morgen? Heb jij het … gezien? Herhalingsquiz
  12. 12. 1. Je lacht omdat iets grappig is. 2. Je helpt omdat iets moeilijk is. 3. Je mist je bus omdat je te laat bent. 4. Je opent iets als het dicht is. 5. Je kan geen dure dingen kopen als je arm bent. 6. Je hebt niet veel tijd. Als je de trein wil halen, moet je opschieten. 7. Als het op de weg gevaarlijk is, moet je voorzichtig zijn. 8. Als je moe bent, moet je gaan slapen. 9. Als je geen groenten uit blik wil eten, moet je verse groenten kopen. 10. Als je niet dik wil worden, moet je magere melk drinken. Oplossingen
  13. 13. 11. Als het sneeuwt, zijn de wegen glad. 12. Als je je tas niet gemakkelijk kan dragen, dan is ze te zwaar. 13. Eieren, kaas en melk koop je in de zuivelafdeling 14. Ik wil hier niet meer werken. Ik neem mijn ontslag! 15. Welk weer wordt het morgen? Heb jij het weerbericht gezien? Oplossingen
  14. 14. Teken het woord! Leg het woord verbaal uit zonder het te noemen! Beeld het woord uit! ? Geef een antoniem van het woord! Woordenschatspel
  15. 15. Ik zeg dat ik het gisteren gedaan heb… Waarom vraag je of hij het heeft gedaan?

×