Zesde les

224 views

Published on

Published in: Education
0 Comments
1 Like
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

No Downloads
Views
Total views
224
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
6
Actions
Shares
0
Downloads
2
Comments
0
Likes
1
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Zesde les

  1. 1. Welkom in de zesde les!
  2. 2. Discussie Wat eten de mensen in jouw land ‘s ochtends? Wat eten ze ‘s middags? En wat ‘s avonds? Zitten jouw landgenoten lang aan tafel? En hoe vaak eten ze per dag?
  3. 3. Nationaliteiten NATIONALITEIT INWONERS België Belg (m.), Belgische (v.); Belgen (pl.) Hongarije Hongaar (m.), Hongaarse (v.); Hongaren (pl.) China Chinees (m.), Chinese (v.); Chinezen (pl.) (Wit-)Rusland (Wit-)Rus (m.), (Wit-)Russische (v.); (Wit-)Russen (pl.) Brazilië Braziliaan (m.), Braziliaanse (v.); Brazilianen (pl.) Frankrijk Fransman (m.), Franse (v.); Fransen (pl.) Roemenië Roemeen (m.), Roemeense (v.); Roemenen (pl.)
  4. 4. Nationaliteiten NATIONALITEIT INWONERS Nepal Nepalees (m.), Nepalese (v.) Nepalezen (pl.) Marokko Marokkaan (m.), Marokkaanse (v.); Marokkanen (pl.) Jordanië Jordaniër (m.), Jordaanse (v.); Jordaniërs (pl.) India Indiër (m.), Indiase (v.); Indiërs (pl.) Albanië Albanees (m.), Albanese (v.); Albanezen (pl.) Verenigde Staten van Amerika (VSA) Amerikaan (m.), Amerikaanse (v.); Amerikanen (pl.) Italië Italiaan (m.), Italiaanse (v.); Italianen (v.)
  5. 5. Nationaliteiten NATIONALITEIT INWONERS Engeland Engelsman (m.), Engelse (v.) Engelsen (pl.) Portugal Portugees (m.), Portugese (v.); Portugezen (pl.) Turkije Turk (m.), Turkse (v.) Turken (pl.) Letland Let (m.), Letse (v.) Letten (pl.) OPGELET! 1. mannelijke inwoner  speciaal woord 2. vrouwelijke inwoner  adjectief + -e 3. veel inwoners  altijd meervoud van de man MAAR: Fransen (pl.), Engelsen (pl.)
  6. 6. Dubbele infinitief PRESENS PERFECTUM Hij wil niets kopen. Hij heeft niets willen kopen. Zij kan niet zwijgen. Zij heeft niet kunnen zwijgen. Je moet hard werken. Je hebt hard moeten werken. Lisa gaat vaak skiën. Lisa is vaak gaan skiën. Ik blijf thuis eten. Ik ben thuis blijven eten. Hij komt me bezoeken. Hij is me komen bezoeken. OPGELET! 1. hebben/zijn + infinitief hulpww. + infinitief hoofdww. 2. willen, kunnen, moeten  hebben gaan, blijven, komen  zijn
  7. 7. Ik doe nog wat zout op mijn frietjes … Smakelijk!

×