Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.
Welkom in de vijftiende les!
Discussie
Wie is de oudste persoon in jouw familie?
Welk boek lees je het liefst?
Wie vind jij de beste zanger(es) ter wer...
Vraagjes
1. Hoe zegt Jennifer dat ze zich zorgen maakt over Bert?
2. Wat is het Nederlandse woord voor iets zeggen wat

ni...
Comparatief
GEBRUIK

1. Bert is groter dan Brian.
Bert is groter dan hij.
Bert is even groot als Brian. Bert is even groot...
Superlatief
VORM

ADJECTIEF

SUPERLATIEF

moeilijk

het moeilijkst

dik

het dikst

wijs

het wijst

pessimistisch

het me...
Superlatief
GEBRUIK

1. De nachten duren het langst.
Zo gaat de dag het snelst voorbij.
zonder substantief
Bert is het ong...
Oplossing
1. Dat is de man die mij heeft ontslagen.
2. Dat is de dikste, de domste en de arrogantste
3.
4.
5.
6.

directeu...
Relatief pronomen
HOOFDZIN

BIJZIN

Subject

Verbum

Rest

Link

Subject

Rest

Verbum

Dit

is

de man

die

zij

graag

...
Vraagjes
1. Waarom willen Paolo en Bert een dag vakantie

nemen?
2. Waarom wil Peter uitgaan?
3. Waar wil Els naartoe? Waa...
Een doel uitdrukken
Els en Peter gaan naar een restaurant om eens lekker te
eten.
Paolo wil een dag vakantie om helemaal t...
Hebben jullie veel dorst?
Schol!
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Vijftiende les

269 views

Published on

  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

Vijftiende les

  1. 1. Welkom in de vijftiende les!
  2. 2. Discussie Wie is de oudste persoon in jouw familie? Welk boek lees je het liefst? Wie vind jij de beste zanger(es) ter wereld? Welke taal vind jij het mooist? Waar ging je verste reis heen?
  3. 3. Vraagjes 1. Hoe zegt Jennifer dat ze zich zorgen maakt over Bert? 2. Wat is het Nederlandse woord voor iets zeggen wat niet waar is? 3. Hoe reageert Brian als Jennifer zegt dat ze Bert moet helpen? 4. Hoe verbetert Jennifer haar eigen woorden in de tekst? 5. Hoe zegt Brian dat dit probleem de fout van Jennifer is?
  4. 4. Comparatief GEBRUIK 1. Bert is groter dan Brian. Bert is groter dan hij. Bert is even groot als Brian. Bert is even groot als hij. Bert ziet Els liever dan Alison. Bert ziet Els liever dan haar. Bert vindt Els even lief als Alison. Bert vindt Els even lief als haar. 2. Peter is niet even sterk als Brian. Peter is niet even sterk als hij. Peter is niet zo sterk als Brian. Peter is niet zo sterk als hij. Els vindt Brian niet even lief als Bert. Els vindt Brian niet even lief als hem. Els vindt Bert niet zo knap als Paolo. Els vindt Bert niet zo knap als hem.
  5. 5. Superlatief VORM ADJECTIEF SUPERLATIEF moeilijk het moeilijkst dik het dikst wijs het wijst pessimistisch het meest pessimistisch ADJECTIEF SUPERLATIEF goed het best dikwijls het vaakst graag het liefst veel het meest weinig het minst Superlatief = - het + adjectief + -st - het + meest + adjectief op -isch Superlatief = speciale vorm
  6. 6. Superlatief GEBRUIK 1. De nachten duren het langst. Zo gaat de dag het snelst voorbij. zonder substantief Bert is het ongelukkigst. superlatief 2. 21 december is de kortste dag. Hij heeft de minste fouten gemaakt. superlatief met substantief De winter is het natste seizoen. Zij heeft het meeste geld van ons allemaal. 3. Bert zit op de voorste rij. Els staat op de achterste rij. preposities Het boek ligt op het bovenste rek. superlatief van
  7. 7. Oplossing 1. Dat is de man die mij heeft ontslagen. 2. Dat is de dikste, de domste en de arrogantste 3. 4. 5. 6. directeur die ik ooit heb ontmoet. Dat is een man die niet van mensen maar van cijfers houdt. Het resultaat dat hij heeft getoond, klopt niet. Jij moet werk zoeken in een bedrijf dat niet zo groot is. Jij moet werken voor een baas die van zijn werknemers houdt.
  8. 8. Relatief pronomen HOOFDZIN BIJZIN Subject Verbum Rest Link Subject Rest Verbum Dit is de man die zij graag ziet. Dit is de vrouw die jou zoekt Dit is het huis dat niet koopt. Dit is een kind dat klein is. hij OPGELET! 1. de-woorden en meervoud  die het-woorden  dat 2. Structuur van de bijzin!
  9. 9. Vraagjes 1. Waarom willen Paolo en Bert een dag vakantie nemen? 2. Waarom wil Peter uitgaan? 3. Waar wil Els naartoe? Waarom?
  10. 10. Een doel uitdrukken Els en Peter gaan naar een restaurant om eens lekker te eten. Paolo wil een dag vakantie om helemaal te genezen. Bert wil in bed blijven om uit te rusten. We nemen een pauze om even goed na te denken. OPGELET! 1. om (+ extra informatie) + te + infinitief 2. scheidbare werkwoorden in twee delen!
  11. 11. Hebben jullie veel dorst? Schol!

×