Tweede les

237 views

Published on

Published in: Education
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

Tweede les

  1. 1. Welkom in de tweede les!
  2. 2. Discussie Wat eet je graag? Wat lust je niet? Hoe vaak kook je zelf? Wie doet er boodschappen bij jou thuis? Wat koop je elke week?
  3. 3. Dialoog 1. Waarom is Peter laat? Peter is laat omdat hij zo laat gewerkt heeft. Hij is pas om halfzeven gestopt. 2. Wat heeft Els gekookt? Els heeft lekkere soep gekookt. 3. Van wie is de brief? De brief is van Bert Sels. 4. Hoe noem je dit? Dit is een postzegel.
  4. 4. Dialoog 1. Wat gaat er morgen gebeuren met het weer? Morgen gaat het sneeuwen. 2. Waarom vindt Peter sneeuw niet leuk? Omdat de treinen dan weer vertraging zullen hebben. 3. Wie gaat er morgen boodschappen doen? Els gaat morgen boodschappen doen. 4. Hoe noem je dit feest? Dit is Kerstmis.
  5. 5. Zoek het in de tekst 1. vragen of iemand je gast wilt zijn … 2. dit zeg je als je lang hebt gewacht = … 3. rijk … 4. informatie over het weer = … 5. dit doe je op je frietjes = … 6. hierin kook je aardappelen = … 7. relatief zeker =
  6. 6. Zoek het in de tekst 8. kort op bezoek gaan … 9. als je moet lachen = … 10.de trein halen de trein … 11.dit doe je met je neus = … 12.wanneer iets of iemand te laat komt = …
  7. 7. Het perfectum (I) VORM A. Regelmatig Infinitief Stam Particpium werken werk gewerkt missen mis gemist bellen bel gebeld leven leef geleefd Infinitief Stam Particpium zijn ben geweest hebben heb gehad doen doe gedaan drinken drink gedronken B. Onregelmatig Perfectum = stam + -t [softketchup] Perfectum= stam + d [geen softketchup] [z/s en v/f] Perfectum = - totaal anders - vocaalwissel
  8. 8. Het perfectum (II) POSITIE Type 1 SUBJECT VERBUM 1 REST VERBUM 2 Ik heb zo laat gewerkt. Ik ben pas om halfzeven met werken gestopt. Ik Type 2 heb de borden al op tafel gezet. […] VERBUM 1 SUBJECT REST VERBUM 2 Misschien heeft hij een fout gemaakt. Wanneer heeft zij dat huis gekocht? Heb je je trein gemist?
  9. 9. Het perfectum (III) ATTENTIE! 1. zijn (20%) of hebben (80%) maken opstaan Hij heeft zijn huiswerk gemaakt. Hij is om acht uur opgestaan. 2. infinitieven met prefix be-, er-, ge, her-, ont- en ver-  geen gebetalen betaald. vertellen Zij heeft de boodschappen Hij heeft een verhaal verteld. 3. scheidbare werkwoorden krijgen ge- tussen de twee delen openmaken Hij heeft het cadeau opengemaakt.
  10. 10. Er was eens … 1. geen naam – er – de brief – (staan) – op. 2. er – (wonen) – al enkele jaren – hij – met zijn vrouw. 3. in – (zijn) – iets – er – huis – lekkers? 4. (zijn) – nog nooit – met vakantie – geweest – er – wij. 5. melk – op – er – (staan) – tafel – twee flessen.
  11. 11. Twee types er Type 1 ER VERBUM 1 SUBJECT REST VERBUM 2 Er liggen twee appels op tafel. Er moet een telefooncel in de buurt zijn. SUBJEC T VERBUM 1 ER REST VERBUM 2 Hij woont er al vijf jaar. Het moet er nu te druk Type 2 zijn. ATTENTIE! 1. Type 1: er altijd in EERSTE positie, subject achter V1! 2. Type 2: er staat vaak achter V1, daar staat vaak in eerste positie.
  12. 12. Hij zegt dat hij komt! 1. Els zegt: “Ik ben moe.” Els zegt … 2. Jennifer zegt: “Paolo gaat met ons mee.” Jennifer zegt … 3. Bert vraagt: “Wil jij de afwas doen?” Bert vraagt … 4. Paolo vraagt: “Wie staat er voor de deur?” Paolo vraagt … 5. Peter zegt: “Ik ben een brief aan het schrijven.” Peter zegt …
  13. 13. Bijzin HOOFDZIN BIJZIN SUBJEC VERBUM LINK T SUBJEC T REST VERBUM Els zegt dat ze moe is. Jennifer zegt dat Paolo met hen meegaat. Bert vraagt of ik de afwas wil doen. Paolo vraagt wie er voor de deur staat. zegt dat hij een brief aan het schrijven is Peter OPGELET! Twee opties: Els zegt dat ze moe is. (hoofdzin + bijzin) Dat ze moe is, zegt Els.(bijzin + hoofdzin)
  14. 14. Binnenkort is het winter … Houden jullie van sneeuw?

×