Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.
Welkom in de tweede
les!
Wat eet je graag?
Wat lust je niet?
Hoe vaak kook je zelf?
Wie doet er boodschappen bij jou thuis?
Wat koop je elke week?
...
1. Waarom is Peter laat?
Peter is laat omdat hij zo laat gewerkt heeft. Hij is
pas om halfzeven gestopt.
2. Wat heeft Els ...
1. Wat gaat er morgen gebeuren met het weer?
Morgen gaat het sneeuwen.
2. Waarom vindt Peter sneeuw niet leuk?
Omdat de tr...
1. vragen of iemand je gast wilt zijn …
2. dit zeg je als je lang hebt gewacht = …
3. rijk …
4. informatie over het weer =...
8. kort op bezoek gaan …
9. als je moet lachen = …
10.de trein halen de trein …
11.dit doe je met je neus = …
12.wanneer i...
Het perfectum (I)
B. Onregelmatig
A. Regelmatig
Infinitief Stam Particpium
zijn ben geweest
hebben heb gehad
doen doe geda...
Het perfectum (II)
POSITIE
SUBJECT VERBUM 1 REST VERBUM
2
Ik heb zo laat gewerkt.
Ik ben pas om halfzeven met
werken
gesto...
Het perfectum (III)
ATTENTIE!
1. zijn (20%) of hebben (80%)
maken Hij heeft zijn huiswerk gemaakt.
opstaan Hij is om acht ...
1.geen naam – er – de brief – (staan) – op.
2.er – (wonen) – al enkele jaren – hij – met zijn vrouw.
3.in – (zijn) – iets ...
Twee types er
Type 1
Type 2
ATTENTIE!
1. Type 1: er altijd in EERSTE positie, subject achter V1!
2. Type 2: er staat vaak ...
1. Els zegt: “Ik ben moe.”
Els zegt …
2. Jennifer zegt: “Paolo gaat met ons mee.”
Jennifer zegt …
3. Bert vraagt: “Wil jij...
HOOFDZIN BIJZIN
SUBJEC
T
VERBUM LINK SUBJEC
T
REST VERBUM
Els zegt dat ze moe is.
Jennifer zegt dat Paolo met hen meegaat....
Binnenkort is het winter …
Houden jullie van sneeuw?
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Tweede les

311 views

Published on

  • Be the first to comment

Tweede les

  1. 1. Welkom in de tweede les!
  2. 2. Wat eet je graag? Wat lust je niet? Hoe vaak kook je zelf? Wie doet er boodschappen bij jou thuis? Wat koop je elke week? Discussie
  3. 3. 1. Waarom is Peter laat? Peter is laat omdat hij zo laat gewerkt heeft. Hij is pas om halfzeven gestopt. 2. Wat heeft Els gekookt? Els heeft lekkere soep gekookt. 3. Van wie is de brief? De brief is van Bert Sels. 4. Hoe noem je dit? Dit is een postzegel. Dialoog
  4. 4. 1. Wat gaat er morgen gebeuren met het weer? Morgen gaat het sneeuwen. 2. Waarom vindt Peter sneeuw niet leuk? Omdat de treinen dan weer vertraging zullen hebben. 3. Wie gaat morgen boodschappen doen? Els gaat morgen boodschappen doen. 4. Hoe noem je dit feest? Dit is Kerstmis. Dialoog
  5. 5. 1. vragen of iemand je gast wilt zijn … 2. dit zeg je als je lang hebt gewacht = … 3. rijk … 4. informatie over het weer = … 5. dit doe je op je frietjes = … 6. Hierin kook je aardappelen = … 7. relatief zeker = Zoek het in de tekst
  6. 6. 8. kort op bezoek gaan … 9. als je moet lachen = … 10.de trein halen de trein … 11.dit doe je met je neus = … 12.wanneer iets of iemand te laat komt = … Zoek het in de tekst
  7. 7. Het perfectum (I) B. Onregelmatig A. Regelmatig Infinitief Stam Particpium zijn ben geweest hebben heb gehad doen doe gedaan drinken drink gedronken VORM Infinitief Stam Particpium werken werk gewerkt missen mis gemist bellen bel gebeld leven leef geleefd Perfectum = stam + -t [softketchup] Perfectum= stam + - d [geen softketchup] [z/s en v/f] Perfectum = - totaal anders - vocaalwissel
  8. 8. Het perfectum (II) POSITIE SUBJECT VERBUM 1 REST VERBUM 2 Ik heb zo laat gewerkt. Ik ben pas om halfzeven met werken gestopt. Ik heb de borden al op tafel gezet. Type 1 Type 2 […] VERBUM 1 SUBJECT REST VERBUM 2 Misschien heeft hij een fout gemaakt. Wanneer heeft zij dat huis gekocht? Heb je je trein gemist?
  9. 9. Het perfectum (III) ATTENTIE! 1. zijn (20%) of hebben (80%) maken Hij heeft zijn huiswerk gemaakt. opstaan Hij is om acht uur opgestaan. 2. infinitieven met prefix be-, er-, ge, her-, ont- en ver-  geen ge- betalen Zij heeft de boodschappen betaald. vertellen Hij heeft een verhaal verteld. 3. scheidbare werkwoorden krijgen ge- tussen de twee delen openmaken Hij heeft het cadeau opengemaakt.
  10. 10. 1.geen naam – er – de brief – (staan) – op. 2.er – (wonen) – al enkele jaren – hij – met zijn vrouw. 3.in – (zijn) – iets – er – huis – lekkers? 4.(zijn) – nog nooit – met vakantie – geweest – er – wij. 5.melk – op – er – (staan) – tafel – twee flessen. Er was eens …
  11. 11. Twee types er Type 1 Type 2 ATTENTIE! 1. Type 1: er altijd in EERSTE positie, subject achter V1! 2. Type 2: er staat vaak achter V1, daar staat vaak in eerste positie. ER VERBUM 1 SUBJECT REST VERBUM 2 Er liggen twee appels op tafel. Er moet een telefooncel in de buurt zijn. SUBJEC T VERBUM 1 ER REST VERBUM 2 Hij woont er al vijf jaar. Het moet er nu te druk zijn.
  12. 12. 1. Els zegt: “Ik ben moe.” Els zegt … 2. Jennifer zegt: “Paolo gaat met ons mee.” Jennifer zegt … 3. Bert vraagt: “Wil jij de afwas doen?” Bert vraagt … 4. Paolo vraagt: “Wie staat er voor de deur?” Paolo vraagt … 5. Peter zegt: “Ik ben een brief aan het schrijven.” Peter zegt … Hij zegt dat hij komt!
  13. 13. HOOFDZIN BIJZIN SUBJEC T VERBUM LINK SUBJEC T REST VERBUM Els zegt dat ze moe is. Jennifer zegt dat Paolo met hen meegaat. Bert vraagt of ik de afwas wil doen. Paolo vraagt wie er voor de deur staat. Peter zegt dat hij een brief aan het schrijven is Bijzin OPGELET! Twee opties: Els zegt dat ze moe is. (hoofdzin + bijzin) Dat ze moe is, zegt Els.(bijzin + hoofdzin)
  14. 14. Binnenkort is het winter … Houden jullie van sneeuw?

×