Vlamigrant In 9 Verhalen (Ingekort)

1,034 views

Published on

Published in: Technology, Business
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
1,034
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
12
Actions
Shares
0
Downloads
0
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Vlamigrant In 9 Verhalen (Ingekort)

  1. 1. Verhaal 1: vluchten voor religieus geweld
  2. 2. In de 16de eeuw kreeg de kerk steeds meer kritiek, o.a. op de levensstijl van hoge geestelijken. Het protest was te horen op meerdere plaatsen in Europa en hervormers pleitten voor radicale veranderingen. Dat zorgde ook in Vlaanderen, een van de rijkste streken in die tijd, voor toenemende spanningen. Keizer Karel, die Vlaamse wortels had, kon de toestand nog onder controle houden, maar onder zijn zoon Filips II liep het mis. De nieuwe keizer had geen voeling met Vlaanderen, zijn onbetaalde huurlingen trokken plunderend rond, de Vlaamse adel werd politiek buitenspel gezet en de kerk stuurde de inquisitie af op echte en vermeende ketters. In 1566 barstte de bom: de eerste beeldenstorm markeerde het begin van een lange bloedige periode die Vlaanderen ruïneerde en een massale uittocht op gang bracht, vooral naar de Noordelijke Nederlanden. Tienduizenden mensen gingen op de vlucht voor het oorlogsgeweld en voor religieuze intolerantie. Vooral handelaars, ambachtslui en intellectuelen weken uit. Een van de meest markante figuren uit de inquisitie was Pieter Titelmans (ca. 1501-1573) die als deken van Ronse in 1545 inquisiteur voor Vlaanderen werd. In zijn carrière behandelde hij meer dan 1500 dossiers die leidden tot 127 executies. In die periode raakte de lakenindustrie in Ronse in verval en kwam in de streek een ware exodus op gang.
  3. 6. <ul><li>Verhaal 2: </li></ul><ul><li>Naar het land van melk en honing </li></ul>
  4. 7. In de 19de eeuw verspreidde de industriële revolutie zich over het Europese vasteland en zorgde voor nooit eerder geziene veranderingen in de maatschappij. Zo kreeg de kolonisatie nieuwe impulsen: de Westerse landen werden economisch en militair nog dominanter. Het jonge België liep voorop in de industrialisatie, maar had geen kolonie. Al snel gingen stemmen op die pleitten voor koloniale expansie. Een tiental jaar na de Belgische onafhankelijkheid werd in koloniale maatschappij opgericht die in 1843 een stuk land kocht aan de oostkust van Guatemala. De realiteit was heel anders: het tropische klimaat eiste een zware tol en voor heel wat mensen werd de droom een nachtmerrie. Later zouden landen als Argentinië en de Verenigde Staten de rol overnemen als droombestemming voor mensen die in emigratie de oplossing zagen voor al hun problemen hier. De promotoren van het koloniale avontuur stond vooral één doel voor ogen: het snel vergaren van rijkdom. Dat een kolonie ook een oplossing bood voor arme of ongewenste landgenoten, was meegenomen. Om mensen te verleiden tot emigratie naar Vera Paz kwam een echte propagandamachine op gang: reisreportages van avonturiers kregen een ruime verspreiding en liedjes bezongen de plek als het land van melk en honing.
  5. 10. Verhaal 3: Naar de kolenmijnen
  6. 11. Het verhaal van de industriële revolutie wordt doorgaans opgehangen aan drie sectoren: de textielnijverheid, de staalindustrie en de productie van steenkool. Voor de exploitatie van het Limburgs steenkoolbekken, gebeurde de ontginning van steenkool uitsluitend in Wallonië. Van de streek rond Bergen tot het Luikse ontstond het typische industriële landschap van terrils en mijngebouwen. De steenkoolproductie groeide zeer snel en had voortdurend behoefte aan verse arbeidskrachten. In Wallonië waren die niet voorhanden, maar Vlaanderen had handen op overschot. Vooral uit het zuiden van de provincies Oost- en West-Vlaanderen, uit Brabant en Limburg trokken tienduizenden “Walenmannen” naar de mijnen. Sommige pendelden dagelijks met de trein, anderen bleven voor 1 of 2 weken ter plaatse in logementshuizen. Uiteindelijk zouden heel wat Vlamingen zich definitief vestigen in Wallonië. De plotse instroom van Vlaamse mijnwerkers deed in sommige Waalse steden Vlaamse getto’s ontstaan: mijnwerkers uit dezelfde streek hokten bij elkaar. De plaatselijke bevolking stond niet altijd positief tegen de nieuwkomers en de lokale pers gooide met overtrokken verhalen over messentrekkende Vlamingen olie op het vuur. Uiteindelijk zouden de Vlamingen die zich in Wallonië vestigden, vrij snel en zonder veel problemen opgaan in de lokale bevolking. Voor het zware labeur in de ondergrond waren ze alsmaar minder te vinden. De mijndirecties moesten op zoek naar nieuwe werkkrachten: vooral in Italië werden mijnwerkers gezocht.
  7. 17. VERHAAL 4: Hard labeur in Frankrijk
  8. 18. De economie kende in de 19de eeuw een spectaculaire groei, maar toch leefden heel wat mensen in grauwe armoede. In de steden werkten mannen, vrouwen en kinderen voor een hongerloon lange dagen in de fabrieken. Op het platteland was de situatie zo mogelijk nog erger. De industriële productie van textiel vernietigde de traditie van thuisweven. Die activiteit bood lang een broodnodige aanvulling op het karig inkomen van vele boerenfamilies die maar een klein stuk grond hadden. Nu dit wegviel, dreigde voor veel gezinnen op het platteland extreme armoede. Epidemieën en mislukte oogsten maakte de toestand van veel mensen uitzichtloos. Een mogelijke uitweg lag in Frankrijk. De Franse bevolking groeide heel traag aan en het land had een grote behoefte aan bijkomende arbeidskrachten, ook in de landbouw. Vooral uit West- en Oost-Vlaanderen trokken Vlamingen de grens over voor een hele reeks seizoensgebonden activiteiten: de suikerbietenteelt, het branden van cichorei, de druivenoogst, het hakken van bomen… De “Fransmans” waren vaak meer dan een half jaar van huis. Ze trokken van de ene plek waar werk te vinden was, naar de andere. De meesten bleven in de noordelijke departementen, maar sommige trokken tot diep in Frankrijk. De seizoenarbeiders werkten lange dagen en leefden meestal in erbarmelijke omstandigheden. Ze hadden maar één doel: zoveel mogelijk geld vergaren voor hun achtergebleven families .
  9. 21. VERHAAL 5: Naar Amerika
  10. 22. Naast de seizoensarbeid als mogelijke uitweg voor miserie kozen naar schatting 150.000 landgenoten tussen 1850 en 1930 voor een andere oplossing: ze emigreerden naar de Verenigde Staten of Canada. In beide reusachtige landen leken er talloze mogelijkheden te zijn voor wie initiatief durfde nemen en handen aan zijn lijf had. Zeker in de negentiende eeuw was emigratie naar Noord-Amerika een gedurfde stap: de vertrekkers wisten nauwelijks iets af van hun bestemming, meestal kenden ze alleen de wereld rond hun eigen dorp en er deden allerlei rooskleurige en fel aangedikte verhalen de ronde die beide landen voorstelden als paradijzen. Het avontuur begon nog voor het eigenlijke vertrek: heel wat potentiële emigranten moesten have en goed verkopen om de overtocht te kunnen betalen. De reis zelf was ook niet zonder gevaar: op de onzinkbaar geachte Titanic zaten ook Vlaamse emigranten. Aankomen in Noord-Amerika bleek geen garantie op succes: voor veel mensen mislukte het avontuur en zij keerden met stille trom terug. De emigranten die het wel maakten, gingen vrij snel op in de Amerikaanse en Canadese maatschappij. In tegenstelling tot andere emigrantengroepen hielden Belgen over het algemeen weinig vast aan hun wortels. Sporen van hun immigratie zijn vooral te vinden in plaatsnamen zoals Ghent in Minnesota of De Smet in South Dakota.
  11. 26. VERHAAL 6: Bouwen aan een wereldwijd textielimperium
  12. 27. In Vlaanderen had de industriële revolutie vooral een grote impact op de textielindustrie. Gent was het centrum bij uitstek, maar ook in een aantal kleinere steden groeide er een industriële textielnijverheid. Dat was ook het geval in Ronse: reeds in 1805 probeerden Gentse industriëlen daar een textielfabriek in te planten, evenwel zonder succes. De textielindustrie in Ronse zou pas rond 1880 een geweldige groei kennen. Op het omringende platteland werden arbeidskrachten gezocht. De bevolking van de stad nam sterk toe: tussen 1846 en 1910 verdubbelde de bevolking bijna: van 12.200 tot 22.300. Maar de bloeiende textielindustrie trok niet allen arbeiders aan, ook families met kapitaal en ondernemingszin trokken naar Ronse. De familie Lagache was afkomstig uit Henegouwen en kwam rond 1870 naar Ronse. Oorspronkelijk waren ze actief in de bouwnijverheid: de groei van de textielnijverheid en van de stad zorgde voor heel wat bouwactiviteiten. In 1907 zette de familie de eerste stappen in de textielindustrie, het begin van een succesverhaal. Aanvankelijk was de Groupe Lagache alleen in Ronse actief, maar al snel kwam er uitbreiding naar Moeskroen en naar Noord-Frankrijk. Maar de ambities reikten nog verder: In 1925 werd de groep actief in Belgisch Congo en in het mandaatgebied Ruanda-Urundi. Twee jaar later volgde nog een grote stap: in de Argentijnse hoofdstad Buenos Aires werd een verkooppunt opgericht, gevold door o.a. een spinnerij en een ververij.
  13. 30. VERHAAL 7: Zorgen voor de uitwijkelingen
  14. 31. De meeste Vlamingen die naar Wallonië of naar de buurlanden gingen werken, zagen dat als een noodoplossing en een tijdelijke situatie. Sommigen pendelden elke dag, anderen waren weken en zelfs maanden van huis. Zowel voor de achterblijvers als voor de vertrekkers was dat vaak een verscheurende situatie. Voor de katholieke overheden was vooral Frankrijk een gevaarlijk bestemming. Dat land had de scheiding tussen kerk en staat ingevoerd en bouwde actief een lekenstaat uit. Om te verhinderen dat Vlaamse arbeiders in Frankrijk hun geloof zouden verliezen, nam de kerk allerlei initiatieven om vooral de landarbeiders ‘in den vreemde’ te omkaderen. De Franse overheden hielden die scherp in de gaten. Ook in socialistische kringen ontstonden initiatieven voor de tienduizenden Vlaamse arbeiders die werkten in de industriële driehoek Rijsel-Roubaix-Tourcoing. Voor de Franse patroons lag hier een kans om Franse arbeiders op te zetten tegen de inwijkelingen en zo de lonen te drukken. Alleen een stevige organisatie van Fransen én migranten kon een tegengewicht bieden. Vlaamse socialisten speelden hierbij een sleutelrol. Heel veel Vlamingen bleven pendelen, maar een massa anderen vestigde zich uiteindelijk definitief in de regio’s waar ze werkten. In tegenstelling wat de pers uit die tijd soms laat uitschijnen, verliep de integratie snel en overwegend probleemloos.
  15. 33. VERHAAL 8: Even weg uit de dagelijkse sleur
  16. 34. Honderd jaar geleden was vrije tijd voor de meeste mensen was vrije tijd een nagenoeg ongekende luxe: zowel industrie- als landarbeiders klopten heel lange dagen en de werkweek duurde in de praktijk vaak zes en een halve dag. De weinige vrije tijd die de mensen hadden, ging op aan een waaier van activiteiten. Vogels speelden een belangrijke rol: ze waren vrij makkelijk en goedkoop te houden én boden een aanvulling op het eentonige menu. Bovendien kon er met hanengevechten, vinkenzettingen en duivenwedstrijden een centje worden bijverdiend. De liefde voor de huisdieren ging ver: soms namen seizoenarbeiders hun geliefde vink mee op hun maandenlange tocht van huis. Wie naar Noord-Frankrijk trok, stelde vast dat hanengevechten en duivensport daar ook zeer geliefd waren. Net in de periode dat Vlaamse arbeiders massaal naar Frankrijk trokken op zoek naar werk, werd de wielersport daar populair: Franse fietsproducenten hadden eigen wielerploegen en goede wielrenners konden ook in die tijd al heel wat geld verdienen. Sommige Vlaamse arbeiders in Frankrijk droomden dan ook van een wielcarrière. Een van de eersten die hun kans waagden, was Cyrille Van Hauwaert: in zijn eerste Parijs- Roubaix werd hij tweede. Hij kreeg een royaal contract bij een Franse wielerploeg en won kort daarna de marathonwedstrijd Bordeaux-Parijs. Het volgend seizoen ging het nog beter: winst in Milaan – San Remo en Parijs-Bordeaux. In 1912 won de Vlaming Odiel Defraeye zelfs de Ronde van Frankrijk.
  17. 37. VERHAAL 9: Op de loop voor de vijand
  18. 38. Rond het begin van de 20ste eeuw namen de spanningen tussen de grote Europese landen overhand toe. België hoopte door zijn neutrale positie buiten schot te blijven in een eventueel conflict, maar op 4 augustus 1914 kwam de ontnuchtering: het Duitse leger viel ons land binnen. Er brak paniek uit: anderhalf miljoen Belgen sloegen op de vlucht naar de buurlanden. Tegen de verwachtingen in zou de oorlog blijven duren. Nederland kreeg aanvankelijk ongeveer 1 miljoen vluchtelingen te verwerken, Groot-Brittannië zo’n 200.000 duizend en Frankrijk 250.000. De meerderheid keerde in de loop van de volgende jaren terug, maar ruim een half miljoen vluchtelingen bleef gedurende de oorlog in de gastlanden. Zelfs na het einde van de oorlog konden velen nog niet direct naar huis. De schending van de Belgische neutraliteit en het vaak barbaarse optreden van de Duitse troepen zorgde aanvankelijk voor een positieve en gulle houding tegenover de vluchtelingen. Maar die solidariteit kwam al snel onder druk te staan. Zo was Nederland met zijn 6,3 miljoen inwoners niet in staat om 1 miljoen vluchtelingen te onderhouden. De gastlanden namen allerlei initiatieven voor de vluchtelingen: in Nederland kwamen ‘Belgische dorpen’ tot stand met eigen scholen en kerken, in Groot-Brittannië waren er Belgische winkels en in Frankrijk verschenen Belgische kranten. Na de Duitse capitulatie keerden de meeste mensen terug. Voor velen werd het een choqueerde confrontatie met de verwoestingen van de oorlog.

×