Social media & politie
Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social
media door de Nederla...
2
Samenvatting
Dit onderzoek is uitgevoerd als onderdeel van de studie Master of Science in Policing van de
Politieacademi...
3
Voorwoord
De strijd is gestreden, het werk is gedaan.
Het produceren van deze master thesis heb ik ervaren als een ontde...
4
Inhoudsopgave
SAMENVATTING 2
VOORWOORD 3
HOOFDSTUK 1 INLEIDING 6
1.1 AANLEIDING 6
1.2 DOELSTELLING, PROBLEEMSTELLING EN ...
5
HOOFDSTUK 5 RESULTATEN 32
5.1 KENMERKEN GEBRUIK VAN SOCIAL MEDIA 32
5.2 BEKENDHEID MET EN GEBRUIK VAN POLITIE-INFORMATIE...
6
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding
In deze master thesis staat de behoefte van generatie Einstein2
naar de inzet van s...
7
1.2 Doelstelling, probleemstelling en onderzoeksvragen
1.2.1 Doelstelling
In deze master thesis wordt de behoefte van ge...
8
1.2.4 Probleemanalyse
De burger heeft behoefte aan inzet van social media door de overheid. Dit blijkt ook uit
onderzoek...
9
1.3 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het theoretisch kader geschetst en wordt ingegaan op de generatie
Einstein. Vervolge...
10
Hoofdstuk 2 Theoretisch kader
In dit onderzoek staat de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media d...
11
- een gedeelde levensgeschiedenis, gedeelde omstandigheden en gedeelde invloed
en beleving van de tijdsgeest. De tijdsg...
12
Ze groeiden op in gezinnen waar het goed en steeds beter ging, waar beide ouders werkten,
waar technologie en apparatuu...
13
2.3 Web 2.0 en Social media5
2.3.1 Web 2.0
Tegenwoordig wordt er gesproken van Web 2.0. Maar wat is dat nu precies? Om ...
14
Web 2.0 en social media wordt veelal door elkaar gebruikt. Web 2.0 en social media zijn niet
hetzelfde, maar liggen dic...
15
In de definitie van Safko en Brake (2010) komt ook de term creëren naar voren. Dit slaat ook
op de term UGC, één van de...
16
2.4 Social media in het veiligheidsdomein
“Kunnen social media helpen veiligheid te handhaven? Kunnen ze delicten snell...
17
Hoofdstuk 3 Social media in perspectief
In dit hoofdstuk wordt vanuit de literatuur het historisch perspectief geschets...
18
burgerparticipatie in de opsporing van alle tijden is, de manier waarop de burger bij het
opsporingsproces wordt betrok...
19
Er vindt momenteel een paradigma plaats, waar volgens Hefflin (2008) de oude
communicatiemiddelen, waarin bedrijven de ...
20
3.2 Het begin van een nieuw tijdperk
3.2.1 Generatie Einstein
Er is inmiddels een generatie opgegroeid waarvoor het den...
21
Met andere woorden: ICT kennis moet worden gecombineerd met pedagogische modellen
om tot echte resultaten te komen, zod...
22
De Raad voor het openbaar bestuur constateert dat voor politici, politieke partijen en
ministeries in social media grot...
23
3.3.4 Kritische succesfactoren
Social media is slechts een middel, maar wel een middel dat de katalysator is van een
tr...
24
In juni 2012 is er een inventarisatie gemaakt van de tot op dat moment bestaande initiatieven
van social media bij de (...
25
Nauw contact met de Officieren van Justitie30 creëerde nieuwe mogelijkheden voor de
internetaanpak. Internationale wetg...
26
Politie, twitter en gezag. (Boverman, Duijn, Graaf & Ritzema, 2011).
Ook Boverman et.al. (2011) deden onderzoek naar he...
27
3.5.2 Burgerparticipatie
Vanuit de opkomst van het New Public Management is de politie de burger steeds meer als
klant ...
28
Uit verschillende onderzoeken die gedaan zijn naar de effecten van het gebruik van social
media door de politie blijkt ...
29
Hoofdstuk 4 Methodologische verantwoording
In dit hoofdstuk wordt de methodologische verantwoording voor het onderzoek ...
30
Procedure & onderzoeksrespons
De enquête is online uitgezet via social media. Om toegang te krijgen tot deze social med...
31
Generatie Einstein (N=525) Frequency Percent
Man 245 46,7
Vrouw 280 53,3
Total 525 100,0
Tabel 2: Respondenten naar ges...
32
Hoofdstuk 5 Resultaten
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd. De resultaten zijn
gecate...
33
Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat van alle bestaande social netwerksites,
Facebook (88%) door de respondenten...
34
Afbeelding 7 redenen gebruik social media in % (N=525)
Samenvatting
Op basis van de resultaten die verkregen zijn met b...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederla...
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederlandse politie.

2,549 views

Published on

A.A.H.J. Hoog Antink
Master Thesis
Master of Science in Policing
Politieacademie & Canterbury Christ Church University

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
2,549
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
46
Actions
Shares
0
Downloads
9
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Social media & Politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederlandse politie.

  1. 1. Social media & politie Een onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de Nederlandse politie. A.A.H.J. Hoog Antink Master Thesis Master of Science in Policing Politieacademie & Canterbury Christ Church University December 2012
  2. 2. 2 Samenvatting Dit onderzoek is uitgevoerd als onderdeel van de studie Master of Science in Policing van de Politieacademie in Nederland in samenwerking met de Universiteit van Canterbury. Deze samenvatting geeft een kort overzicht van deze thesis die het uitgevoerde onderzoek beschrijft. In deze master thesis staat de behoefte van generatie Einstein1 naar de inzet van social media door de politie centraal; onderzocht is of de wijze waarop de politie social media inzet in haar communicatie met burgers, aansluit op de behoefte van de generatie die het meest actief is in het gebruik van social media in de Nederlandse samenleving. Met dit onderzoek wordt een bijdrage geleverd aan de interne discussie bij de politie over het gebruik van social media. Het onderzoek heeft hiertoe op verschillende wijzen een bijdrage geleverd; er is een ruime hoeveelheid literatuur uiteen gezet over het ontstaan van social media en de impact hiervan op onze samenleving in het algemeen en op de politieorganisatie in het bijzonder. Daarnaast is er een descriptief onderzoek uitgevoerd door middel van een online enquête, waarmee de behoefte van een ‘op de toekomst gerichte’ generatie aan de inzet van social media door de politie is onderzocht. In dit onderzoek is antwoord gegeven op de volgende twee onderzoeksvragen: Hoe zet de politie social media in ten behoeve van de communicatie met burgers? Wat is de behoefte van generatie Einstein aan inzet van social media door de politie? Burgers hebben anno 2012 naast behoefte aan politie-informatie via social media, tevens behoefte aan direct contact met de politie via deze nieuwe media. Burgers willen met de politie in gesprek via social media, zoals zij met de hele wereld hiermee in gesprek zijn. In de wereld van de social media speelt hiërarchie geen rol meer; iedereen is online “gelijk” aan elkaar. Hierdoor voelen burgers zich minder belemmerd om te zeggen wat hij of zij wil en vindt. Dit biedt voor de Nederlandse politie kansen en uitdagingen; “kansen” omdat er met meer burgers (massa) in een kortere tijd (snelheid) in gesprek kan worden gegaan, “uitdagingen” omdat betrouwbaarheid van informatie (veiligheid) een moeilijk te controleren factor kan zijn in de wereld van social media. Uit dit onderzoek is gebleken dat er op dit moment een kloof bestaat tussen de mogelijkheden die de technologie biedt om een relatie op te bouwen met burgers, de behoefte die generatie Einstein aan deze relatie heeft, en de efficiëntie waarmee de technologie en behoefte nu door de Nederlandse politie worden gebruikt. De politieorganisatie zal daarom een andere strategie moeten ontwikkelen om de burgers van Nederland, die intelligenter zijn op het gebied van technologie en die veeleisender en mondiger zijn geworden dan vroeger, te bereiken om hen vervolgens effectief te kunnen betrekken bij het politiewerk. 1 Generatie Einstein zijn alle mensen geboren tussen 1980 en 2000 (zie hoofdstuk 2).
  3. 3. 3 Voorwoord De strijd is gestreden, het werk is gedaan. Het produceren van deze master thesis heb ik ervaren als een ontdekkingsreis. Veel verrassingen, moeilijke momenten en euforische periodes hebben elkaar afgewisseld. Het werken aan het onderzoeksrapport dat voor u ligt, heeft vaak als een strijd gevoeld in mijn lichaam. Uiteindelijk kan ik concluderen dat het doorzetten en afronden wonderlijk bevrijdend heeft gewerkt. Nooit heb ik kunnen vermoeden dat ik zo ver zou kunnen komen. Een voor mij bijzondere uitspraak blijft mij sinds de start van mijn politiecarrière in 2003 al bij: “Anja, je kunt altijd meer dan je denkt.” En ik kan inmiddels zeggen: “Ja Mike, je hebt gelijk”. Ik heb de afgelopen 12 maanden vaak aan deze woorden gedacht en er kracht uit geput. De productie van deze master thesis vormt, naast de afronding van de Master of Science in Policing, tevens de afronding van een periode van drieënhalf jaar waarin ik was toegevoegd aan de directie van de politie Noord-Holland Noord. Een leerzame periode van vallen en opstaan, waarin ik mezelf beter heb mogen leren kennen en de dynamiek van de politiek- bestuurlijke omgeving van het politieapparaat van binnen uit mocht ervaren. In dit voorwoord wil ik graag een aantal mensen bedanken, omdat zij mij steun, ruimte en een spiegel gaven als ik er om vroeg of het gewoon nodig had. Een groot woord van dank gaat uit naar drie mensen in het bijzonder. Klaas, je hebt me naar voren geduwd en bent een ware mentor voor me geweest. Nooit was ik te veel en je bent me blijven steunen, ook als het zo moeilijk voor me was. Je was de rots in de branding voor mij. Ans, dank je wel voor de ruimte en kansen die je me gegeven hebt. “Anja, je moet butsen oplopen, daar word je sterker van”, en zo is het ook gegaan. Ik weet nu nog beter wat groeien betekent. Frank, je bent in mij blijven geloven. Dank dat je er altijd voor me bent. Een speciaal woord van dank is voor mijn thesisbegeleider. Kees, je kwam in beeld toen mijn onderzoeksvoorstel al gereed was. Onze eerste ontmoeting was voor mij bijzonder, waarin je meteen enthousiast reageerde op het door mij gekozen onderwerp. Door jouw enthousiaste en stevige begeleiding werd ik uitgedaagd verder te gaan daar waar ik wilde stoppen en zo mijn grenzen te verleggen. Ik heb veel van je geleerd. Gerard en Ingrid, lieve collega’s, zonder jullie tomeloze inzet en geduld was het volbrengen van deze ontdekkingsreis mij niet gelukt. Bedankt voor alle steun bij het volbrengen van deze opdracht. Esther en Hilde, bedankt voor jullie immer luisterend oor. En ik dank mijn vriendin en mijn ouders, die me onderweg de broodnodige steun, inspiratie en moed gaven om door te gaan. Castricum, 2 december 2012, Anja Hoog Antink.
  4. 4. 4 Inhoudsopgave SAMENVATTING 2 VOORWOORD 3 HOOFDSTUK 1 INLEIDING 6 1.1 AANLEIDING 6 1.2 DOELSTELLING, PROBLEEMSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN 7 1.2.1 DOELSTELLING 7 1.2.2 PROBLEEMSTELLING 7 1.2.3 ONDERZOEKSVRAGEN 7 1.2.4 PROBLEEMANALYSE 8 1.3 LEESWIJZER 9 HOOFDSTUK 2 THEORETISCH KADER 10 2.1 WAT IS EEN GENERATIE? 10 2.2 WIE IS GENERATIE EINSTEIN? 11 2.3 WEB 2.0 EN SOCIAL MEDIA 13 2.3.1 WEB 2.0 13 2.3.2 HET BEGRIP SOCIAL MEDIA? 14 2.3.3 OPKOMST VAN SOCIAL MEDIA 15 2.4 SOCIAL MEDIA IN HET VEILIGHEIDSDOMEIN 16 HOOFDSTUK 3 SOCIAL MEDIA IN PERSPECTIEF 17 3.1 HISTORISCH PERSPECTIEF 17 3.1.1 SOCIAAL MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELING 17 3.1.2 STRUCTUUR & CULTUUR 18 3.1.3 VERANDERING VAN DENKEN NODIG 19 3.2 HET BEGIN VAN EEN NIEUW TIJDPERK 20 3.2.1 GENERATIE EINSTEIN 20 3.3 TOEPASSING VAN SOCIAL MEDIA BINNEN ORGANISATIES 20 3.3.1 ONDERWIJS 20 3.3.2 BEDRIJVEN 21 3.3.3 OVERHEID 21 3.3.4 KRITISCHE SUCCESFACTOREN 23 3.4 POLITIE & DE INZET VAN SOCIAL MEDIA 23 3.4.1 OPKOMST VAN SOCIAL MEDIA BIJ DE POLITIE 23 3.4.2 RESULTATEN VAN SOCIAL MEDIA BIJ DE POLITIE 24 3.5 LEGITIMITEIT VAN DE POLITIE 26 3.5.1 LEGITIMITEIT 26 3.5.2 BURGERPARTICIPATIE 27 3.6 CONCLUSIE 27 HOOFDSTUK 4 METHODOLOGISCHE VERANTWOORDING 29 4.1 METHODEN VAN ONDERZOEK 29 4.1.1 DESKRESEARCH 29 4.1.2 FIELD RESEARCH 29 4.2 ANALYSE 31
  5. 5. 5 HOOFDSTUK 5 RESULTATEN 32 5.1 KENMERKEN GEBRUIK VAN SOCIAL MEDIA 32 5.2 BEKENDHEID MET EN GEBRUIK VAN POLITIE-INFORMATIE VIA SOCIAL MEDIA 34 5.3 BEHOEFTEN AAN POLITIE VIA SOCIAL MEDIA 37 5.4 GEBRUIK VAN CONTACTMOGELIJKHEDEN MET POLITIE VIA SOCIAL MEDIA 41 5.5 TOT SLOT 42 HOOFDSTUK 6 CONCLUSIES & AANBEVELINGEN 46 6.1 DE INZET VAN SOCIAL MEDIA DOOR DE NEDERLANDSE POLITIE 46 6.2 BEHOEFTE VAN GENERATIE EINSTEIN AAN INZET SOCIAL MEDIA POLITIE 48 6.3 OVEREENKOMSTEN EN VERSCHILLEN 50 6.4 EINDCONCLUSIE & AANBEVELINGEN 51 REFERENTIES 53 BIJLAGEN 58 BIJLAGE 1: PERSOONLIJKE INFORMATIE VAN DE ONDERZOEKER 58 BIJLAGE 2: ENQUETE SOCIAL MEDIA & POLITIE 59
  6. 6. 6 Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding In deze master thesis staat de behoefte van generatie Einstein2 naar de inzet van social media door de politie centraal; onderzocht wordt of de wijze waarop de politie social media inzet in haar communicatie met burgers aansluit op de behoefte van de generatie die het meest actief is in het gebruik van social media in de Nederlandse samenleving. Een groot deel van de Nederlandse bevolking is actief in het gebruik van social media (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2011). In het voorjaar van 2011 telde Nederland ruim twaalf miljoen mensen actief op internet van 12 tot 75 jaar (CBS persbericht PB11-067). In 2011 gaf 53 procent van de internetgebruikers aan dat ze in de voorafgaande drie maanden actief waren geweest op sociale netwerken zoals Hyves, Facebook of Twitter. Vooral jongeren tot 25 jaar maken hier gebruik van (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2011). De opkomst van “internet-based” sociale netwerken, de zogenaamde web 2.0 toepassingen, maakt dat de fysieke publieke ruimte is uitgebreid met een virtuele publieke ruimte. Deelname aan de moderne samenleving vindt voor een belangrijk deel plaats via de zogenaamde social media. Social media kunnen worden gezien als een uitbreiding van de publieke ruimte en juist daar dient de politie zich te manifesteren ter bestrijding van de onveiligheid, maar ook om haar gezag te verkrijgen van de burger (Boverman, Duijn, Graaf, & Ritzema, 2011). Boverman et al. (2011) stellen op basis van het onderzoek dat door hen werd gedaan naar het effect van het gebruik van Twitter door wijkagenten op de beeldvorming over het gezag van de politie, dat het van evident belang is dat de politie optimaal in verbinding staat met haar omgeving om gezag te krijgen. De politie kan volgens Boverman et al. (2011) namelijk niet automatisch terugvallen op traditionele gezagsgronden. Juist in de interactie tussen burgers en politie kan de symbolische macht van de politie gestalte krijgen en het gezag van de politie betekenis. Uit het onderzoek van Boverman et al. (2011) blijkt dat 80 procent van de volgers op een twitteraccount van de politie, behoefte heeft aan meer informatie van de politie via Twitter. In deze digitale ruimte begint de Nederlandse politie zich steeds actiever te manifesteren door inzet van social media zoals Twitter en Facebook (Beukers, 2010; Boverman, Duijn, Graaf, & Ritzema, 2011; Dorp, 2010; Leiden & Ferwerda, 2011; Veltman, 2011). Vanuit het rapport Actieve Wederkerigheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2005) komt naar voren dat de burger behoefte heeft aan contact met de politie. De burger wil gehoord worden, bij een beroep op hulp of ondersteuning, maar ook wanneer men informatie kwijt wil (Boverman et al., 2011). Naast de inzet van radio, televisie, kranten en politiewebsites is de inzet van social media een relatief nieuw fenomeen binnen de politie. Sinds 2009 zijn er ontwikkelingen met betrekking tot de inzet van social media en wordt er geëxperimenteerd met innovatieve manieren om de burger bij het oplossen van misdrijven te betrekken (Leiden & Ferwerda, 2011). Daarnaast wordt social media op dit moment door alle 26 politiekorpsen binnen de gebiedsgebonden politiezorg ingezet (zie o.a. Beukers, 2010; Boverman et al., 2011; Veltman, 2011). 2 Generatie Einstein zijn alle mensen geboren tussen 1980 en 2000 (zie hoofdstuk 2)
  7. 7. 7 1.2 Doelstelling, probleemstelling en onderzoeksvragen 1.2.1 Doelstelling In deze master thesis wordt de behoefte van generatie Einstein naar de inzet van social media door de politie onderzocht. Er wordt onderzocht of de wijze waarop de politie tot op heden social media inzet als communicatiemiddel met burgers (huidige situatie) binnen de handhavingtaak, aansluiting vindt bij de behoefte van deze generatie die volgens het CBS de meest actieve generatie is in het gebruik van social media in de Nederlandse samenleving. Indien blijkt dat er aantoonbaar sprake is van nog niet gerealiseerde mogelijkheden of potenties, worden aanbevelingen gedaan om deze in de toekomst te kunnen realiseren (wenselijke situatie). Op deze manier wordt met dit onderzoek een bijdrage geleverd aan de interne discussie bij de Nederlandse politie over het gebruik van nieuwe social media. Op wetenschappelijk niveau zijn er tot op heden slechts enkele onderzoeken verschenen naar de effecten van het gebruik van social media door de politie. In deze onderzoeken is er, met uitzondering van het onderzoek door Van Dorp (2010) die onderzoek deed naar het gebruik van Online Sociale netwerken in de aanpak van jeugdbendes, met name aandacht voor de resultaten van de inzet van Twitter door de politie. Dit is logisch te verklaren, aangezien door de Nederlandse politie de aandacht met name richt op dit specifieke medium. Twitter blijkt inmiddels op meerdere fronten een effectief instrument voor de politie(Beukers, 2010; Boverman, Duijn, Graaf, & Ritzema, 2011; Veltman, 2011; zie hoofdstuk 3). In dit onderzoek wordt op voorhand geen selectie van social media gemaakt. Dit onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de behoefte van de generatie Einstein ten aanzien van de inzet van social media door de politie. 1.2.2 Probleemstelling Uit de doelstelling is de probleemstelling waarop deze thesis een antwoord geeft, en aanbevelingen doet, te herleiden. De probleemstelling luidt als volgt: Welke behoefte heeft generatie Einstein aan de inzet van social media door de politie en hoe verhoudt deze behoefte zich tot de huidige manier waarop de politie social media inzet? 1.2.3 Onderzoeksvragen Om tot beantwoording van de probleemstelling te komen zijn de volgende twee onderzoeksvragen geformuleerd: 1. Hoe zet de politie social media in ten behoeve van de communicatie met burgers? 2. Wat is de behoefte van generatie Einstein aan inzet van social media door de politie? In hoofdstuk 4 worden de onderzoeksvragen en methodologie verder beschreven.
  8. 8. 8 1.2.4 Probleemanalyse De burger heeft behoefte aan inzet van social media door de overheid. Dit blijkt ook uit onderzoek van de Nationale Denktank (2010) waarin 62% van de burgers vindt dat publieke organisaties meer gebruik moeten maken van nieuwe media. Publieke organisaties gebruiken volgens de DenkTank de mogelijkheden van social media tot op heden onvoldoende, omdat internettoepassingen van de publieke organisaties zodanig zijn ingericht dat de communicatie eenzijdig plaatsvindt. Door de mogelijkheid tot gesprek en discussie te geven, bijvoorbeeld door social media, heeft de burger meer directe invloed en voelt zich meer, betrokken. De Nationale DenkTank (2010) besteedde in het onderzoek, naast aandacht aan publieke organisaties in het algemeen, specifiek aandacht aan de politie. “Door veranderingen in de samenleving, zoals informalisering en informatisering, heeft de politie last van een gezagsprobleem. De politie heeft te maken met mondige en soms agressieve burgers. De verwachtingen van burgers ten aanzien van de politie zijn hoog. Mediaberichtgeving en de snelle verspreiding van informatie via internet en social media beïnvloeden de perceptie van het gezag van de politie. Ook interne problemen, zoals het ontbreken van eenduidige in- en externe communicatie en het gebrek aan kennisdeling door de versnippering van de organisatie, maken het moeilijk voor de politie om een gezagsrol uit te voeren. Er is niet een allesomvattende oplossing voor het gezagsvraagstuk van de politie. Om de politie meer gezag te geven, moeten de samenleving (burgers) en de politie meer en beter samenwerken” (Nationale DenkTank, 2010, p.4). De Nationale Denktank (2010) stelt dat de politie sneller en beter moet inspelen op signalen uit de samenleving en mensen proactief moet benaderen. Hieruit volgt dat het voor de politie van belang is inzicht te verkrijgen op welke wijze effectief gebruik kan worden gemaakt van social media in interactie met burgers. Dit geeft de maatschappelijke relevantie van dit onderzoek weer. Uit de inleiding blijkt dat er op dit moment twee bewegingen zichtbaar zijn; 1) steeds meer mensen in Nederland zijn actief op social media en 2) de politie zet in toenemende mate social media in ten behoeve van haar taakstelling. De vraag is of deze twee bewegingen tot elkaar verhouden en hoe ze zich bewegen. Door de razendsnelle ontwikkelingen in de technologie kunnen mensen op nieuwe manieren communiceren, persoonlijk maar ook zakelijk. Volgens TNO (2011) gebruiken mensen social media onder meer om te inter- acteren, te informeren, te vragen, te antwoorden, te motiveren en te overtuigen. Bedrijven gebruiken steeds vaker social media om hun producten onder de aandacht te brengen, om de mening van consumenten te peilen en om zichzelf als merk te profileren. Overheidsorganisaties zien volgens TNO (2011) in social media vooral een mogelijkheid om burgers voor te lichten, te alarmeren, te instrueren en om de dialoog met hen aan te gaan. Dat is alleen wel makkelijker gezegd dat gedaan. Boverman et al. (2011) schrijven dat de overheid initieel is verrast door de kracht van social media. De snelheid, de grenzeloosheid, het open karakter, het verbindend vermogen en de krachtige ‘framing’ binnen social media lijken de overheid veelal op achterstand te zetten (Bekkers, 2009). Dit is volgens Boverman et al. (2011) voor de politie niet anders en daar komt nog bij dat er nog weinig is nagedacht over wat de politieorganisatie wil met social media. Met dit onderzoek wordt een bijdrage geleverd aan de interne discussie bij de politie over het gebruik van social media. Het onderzoek kent een maatschappelijk relevantie vanuit de noodzaak om als politie in contact te blijven staan met de burger in deze tijd van digitalisering. De behoefte van een specifieke (jonge) generatie aan het gebruik van social media door de politie is nog niet eerder onderzocht. Dit onderzoek naar de behoefte van generatie Einstein kan de politie helpen inzicht te krijgen in de talrijke mogelijkheden die social media vanuit het perspectief van deze ‘op de toekomst gerichte generatie’ bieden. Het onderzoek kent dan ook een theoretische relevantie doordat het bijdraagt aan de kennis van de mogelijkheden in het gebruik van social media.
  9. 9. 9 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het theoretisch kader geschetst en wordt ingegaan op de generatie Einstein. Vervolgens wordt de opkomst van social media beschreven. De kracht en eigenschappen van social media in het proces van interactie en informatieoverdracht staan hierin centraal. Tot besluit van dit hoofdstuk wordt de opkomst van social media in het veiligheidsdomein beschreven. In hoofdstuk 3 wordt vanuit de literatuur het historisch perspectief geschetst van waaruit de opkomst van social media dient te worden bezien. Vervolgens wordt een overzicht gegeven van onderzoeken naar de functie van social media bij de Nederlandse politie sinds de opkomst en inzet van social media bij de Nederlandse politie. Tot slot wordt aandacht besteed aan het nut en de noodzaak van legitimiteit en burgerparticipatie in relatie tot gebruik van social media door de Nederlandse politie. In hoofdstuk 4 worden de methoden van onderzoek beschreven ten behoeve van het empirisch onderzoek. De onderzoeksvragen worden geoperationaliseerd en keuzes die gemaakt zijn worden verantwoord. In hoofdstuk 5 worden de resultaten van het empirisch onderzoek gepresenteerd, gevolgd door de conclusie en aanbevelingen in hoofdstuk 6.
  10. 10. 10 Hoofdstuk 2 Theoretisch kader In dit onderzoek staat de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de politie centraal. Ter bevordering van de beeldvorming wordt in paragraaf 2.1 het begrip ‘generatie’ nader omschreven om vervolgens in paragraaf 2.2 generatie Einstein en de specifieke kenmerken voor deze generatie te introduceren. Er wordt een voor dit onderzoek geldende definitie gegeven van generatie Einstein. Vervolgens wordt de voor dit onderzoek gehanteerde definitie van social media gegeven in paragraaf 2.3 en wordt nader ingegaan op de opkomst van het fenomeen web 2.0 en social media. Tot slot wordt de toenemende invloed van social media op het domein van Openbare Orde en Veiligheid geschetst. 2.1 Wat is een generatie? ‘Generatie’ lijkt een vaag begrip, want wanneer behoor je nu tot de ene en wanneer tot de andere generatie? Bestaan generaties eigenlijk wel of is het een fabeltje? In de 20e eeuw verkende de Hongaars-Duitse socioloog Karl Mannheim (1928) als een van de eersten het fenomeen generaties diepgaander. Hij gaf het begrip een sociologische betekenis. Om meer inzicht te krijgen in de fundamentele structuur van een generatie, verkende Mannheim wat voor soort groep een generatie is en waardoor individuen verbonden zijn in een generatie. Volgens Mannheim (1928) is een generatie geen concrete groep, zoals een familie of een samenwerkingsverband, waarvan de onderlinge verbondenheid is gefundeerd op verwantschap of bewuste en vrije wil. Een generatie als verschijningsvorm is eerder vergelijkbaar met de klassenindelingen in maatschappijen. Mensen bevinden zich in een sociale klasse op basis van sociaal economische machtsverhoudingen. Dat is niet afhankelijk van vrije wil of van het bewustzijn. De sociale gelaagdheid in de vorm van generaties is gebaseerd op het biologische ritme van het menselijk bestaan, op de feiten van levensduur en leeftijd. Door het geboren zijn in dezelfde tijd ontstaat een verwantschap door de gedeelde beleving van de historische stroom van maatschappelijke gebeurtenissen. Daarnaast is er de door leeftijd bepaalde fysieke, mentale en psychische staat van zijn, die wordt gedeeld. En de samenhang en kwalitatieve eigen aard van een generatie ontstaat door een neiging tot een bepaalde onderlinge verhouding, gevoelsbeleving en denkwijze die door de laag zelf wordt voortgebracht (Mannheim, 1928). Volgens Boschma & Groen (2010) is het denken in generaties zeker geen absolute wetenschap. Het al dan niet behoren tot een generatie is niet iets wat je kunt meten of met onafhankelijke criteria kunt vaststellen. Sterker nog, mensen kunnen in hetzelfde jaar geboren zijn en toch behoren tot verschillende generaties. De waarde van dit denken is vooral verklarend en beschrijvend. Het geeft een beschrijving van een wereld en hoe die wereld indruk maakt op jonge mensen. Die jonge mensen gaan daar dan van alles mee doen, reageren op omstandigheden, maken keuzes die je vaak pas achteraf kunt verklaren als je een tijdsbeeld schetst. Als we alles wat in de afgelopen twee eeuwen is geschreven door bekende filosofen, sociologen en historici, zoals Leopold von Ranke (1824 en 1854), Emil Durkheim (1893), Mannheim (1928), Ortega y Gasset3 (1914 en 1948), Julian Marias (1970), Henk Becker (1992) en Strauss en Howe (1991) overzien, ontstaat volgens Bontekoning (1997) het beeld van een definitie van generaties: een generatie bestaat uit (leef)tijdgenoten die met elkaar verbonden zijn door: 3 De filosoof José Ortega y Gasset ontwikkelde tussen 1914 en 1943 een theorie over het fenomeen generaties. Zijn gedachtegoed is pas na zijn dood in 1955 door zijn vriend en jongere collega Julian Marías naar buiten gebracht (zie Marias, 1970).
  11. 11. 11 - een gedeelde levensgeschiedenis, gedeelde omstandigheden en gedeelde invloed en beleving van de tijdsgeest. De tijdsgeest beïnvloedt bijvoorbeeld de opvoeding die kinderen krijgen; - een gedeelde reactie op de tijdsgeest, die is gebaseerd op het vermogen om aan te voelen waar de (werk)omgeving aan vernieuwing toe is – en die zich spontaan wil uitdrukken in nieuwe vitale toevoegingen aan een (organisatie)cultuur. Spontane interactie tussen (leef)tijdsgenoten versterkt generatievorming; - een gedeelde bestemming die zich manifesteert in een gedeelde mentale, emotionele en fysieke ontwikkeling en instelling (een collectieve talentontwikkeling). Generatiegenoten beleven ongeveer dezelfde dingen, gaan op hetzelfde moment naar school, kijken naar dezelfde programma’s, spelen dezelfde spellen, luisteren naar dezelfde muziek, zien op tv dezelfde rampen gebeuren en discussiëren met elkaar over dezelfde wereldproblemen. Kortom, ze leven met elkaar in dezelfde tijdgeest. 2.2 Wie is generatie Einstein? Over de generatie Einstein4 (ook wel: digitale generatie, screenagers, grenzeloze generatie of generatie Y genoemd) is veel gezegd en geschreven. Ze wordt volgens Deputter (2011) ook wel omschreven als de millenniumgeneratie, maar over de afbakening van de leeftijd vind je verschillende resultaten terug in de literatuur. Van den Bergh & Behrer (2011) omschrijven het als de jongens en meisjes geboren tussen 1977 en 1981, Junco & Mastrodicase (2007) bakenen af als de groep geboren tussen 1973 en 1987 en Tapscott (1997) verwijst naar de Netgeneratie geboren tussen 1977 en 1997. Voor Buss & Scott (2010) spreek je over de Y-generatie, als je het hebt over de groep jongeren geboren tussen 1974 en 1994, terwijl Vinke (2008) het beperkt tot de leeftijdsgroep van 1970-1985. Volgens Boschma & Groen (2010) is generatie Einstein: grofweg geboren in het laatste decennium van de vorige eeuw. In werkelijkheid zijn er volgens de literatuur dus niet zulke harde grenzen. Meegaand met de gedachte van Boschma & Groen (2010) en de opkomst van de IT wereld, is er in het kader van de duidelijkheid voor dit onderzoek voor de volgende afbakening van leeftijd gekozen: Generatie Einstein zijn alle mensen geboren tussen 1980 en 2000. Binnen de literatuur kunnen we stellen dat de doelgroep van dit onderzoek, de jongeren en jongvolwassenen van nu en geboren in de periode 1980-2000, geplaatst wordt binnen deze Einstein generatie; de generatie die volgt na de X-generatie en de Babyboomers. Kenmerken generatie Einstein Volgens Boschma & Groen (2010) bestaat generatie Einstein uit jongeren en jongvolwassenen die zijn opgegroeid in een wereld die door informatie en commercie wordt gedomineerd, waarin ze thuis op tv, op straat en op school constant bestookt worden met boodschappen, speciaal op hen gericht. Ze zijn een doelgroep voor reclame en marketing geworden, waar ze zich dan ook zeer bewust van zijn. Opgegroeid in een tijd dat het goed ging hebben ze de welvaart zien groeien en de consumptiemaatschappij een enorme vlucht zien nemen. Ze kregen daardoor meer vertrouwen dan ooit, in de wereld maar vooral in zichzelf. 4 Generatie Einstein is de titel van een boek dat een nieuwe naam invoert voor de generatie die geboren is na 1985 en opgegroeid is in de digitale informatiemaatschappij. Deze generatie wordt door sommigen ook wel Generatie Y en door anderen Generatie Z genoemd. In tegenstelling tot de generatie voor hen, de zogenaamde Generatie X, zou de Generatie Einstein niet individualistisch maar collectivistisch zijn ingesteld. De generatie van na 1985 groeide op in de informatiemaatschappij en zou informatie verwerken op een manier die eerder zou lijken op het creatief en verondersteld multidisciplinair denken van Albert Einstein dan op het rationeel, logisch en lineair denken van Isaac Newton, aldus de schrijvers van het boek Jeroen Boschma en Inez Groen (Boschma & Groen, 2010).
  12. 12. 12 Ze groeiden op in gezinnen waar het goed en steeds beter ging, waar beide ouders werkten, waar technologie en apparatuur volop aanwezig waren. Het zijn volgens Boschma & Groen (2010) tevens de jongeren die thuis mogen meepraten, die door hun ouders serieus worden genomen, die zijn opgevoed vanuit het ideaal dat ieder individu alleen gelukkig kan worden als het zichzelf weet te vinden, die weten dat je met een gezond ego verder komt dan een onzeker muurbloempje. Het zijn ook de jongeren die weten dat deze aarde problemen heeft en dat je er niet komt met cynisch gedrag, maar dat alleen actie telt. Ze geloven dat de wereld beter zou kunnen worden, als je maar wilt, dat ze alles kunnen als ze maar zelf willen, en dat hun succes en falen alleen van henzelf afhangt. Om je staande te kunnen houden in een wereld waarin de mens geen onderdeel meer is van een lopende band maar iets unieks moet kunnen toevoegen aan bedrijven en instellingen, heb je volgens Boschma & Groen (2010) unieke persoonlijkheden nodig. Unieke persoonlijkheden weten wie ze zijn, wat ze willen en wat ze kunnen, maar zijn niet bang om fouten te maken. Deze mensen hebben een gezond ego en zelfbeeld nodig, opgebouwd van jongs af aan. Boschma & Groen (2010) stellen dat deze nieuwe generatie nogal wat positieve eigenschappen laat zien (zie Tabel 1), zo veel dat deze generatie door hen ‘generatie Einstein’ is genoemd. Tabel 1 kenmerken van generatie Einstein volgens Boschma & Groen (2010)
  13. 13. 13 2.3 Web 2.0 en Social media5 2.3.1 Web 2.0 Tegenwoordig wordt er gesproken van Web 2.0. Maar wat is dat nu precies? Om dat precies te begrijpen, is het volgens Gelder (2011) noodzakelijk eerst duidelijk te hebben wat Web 1.0 inhoudt. Web 1.0 wordt gezien als het internet van de documenten. Informatie wordt op internet geplaatst en is voor iedereen toegankelijk. Bij Web 1.0 zorgt alleen de eigenaar van de website voor de inhoud van de website. In het begin was dat prima, maar de gebruikers van Web 1.0 wilden meer. Zij wilden zelf ook informatie delen met andere gebruikers: het begin van Web 2.0 (Gelder, 2011). Het internet na de ‘dot-com bubble’6 is veranderd. Er ontstaan steeds meer websites die het sociale en interactieve aspect voor op hebben staan. De ‘dot-com bubble’ heeft voor een omslagpunt gezorgd voor het web. Tijdens een conferentie noemt O’Reilly (2005) dit fenomeen Web 2.0, wat sindsdien wereldwijd is overgenomen. Door Stocker et al (2007) is een raamwerk voor Web 2.0 ontwikkeld. Dit raamwerk bestaat uit drie aspecten die het fenomeen Web 2.0 omschrijven: technologisch, economisch en sociaal (zie figuur 1). Onder het technische aspect vallen de ondersteunende technologieën zoals RSS, Asynchronous JavaScript and Xml (AJAX) en Application Programmable Interfaces (API’s). Het economische aspect bestaat uit het creëren van meerwaarde door het collectief van gebruikers. Deze meerwaarde kan bestaan uit omzet, kennisdeling en maatschappelijke discussie. Het laatste sociale aspect van het raamwerk van Stocker et al (2007) is het aspect dat wordt behandeld in dit onderzoek. Met de opkomst van Web 2.0 kan de gebruiker actief meedoen aan het creëren van content op internet, ook wel User Generated Content genoemd. Volgens Kolbitsch & Maurer (2006) is het karakter van social media te omschrijven als bottom-up in plaats van het klassieke top-down. Dit verwijst eveneens naar de term User Generated Content (UGC). Kolbitsch & Maurer geven aan dat de structuur en content van social mediaomgevingen gecreëerd wordt door gebruikers van deze social media en niet meer door professionele organisaties. Een stap verder dan UGC is crowdsourcing. Van crowdsourcing is sprake wanneer organisaties UGC ook daadwerkelijk gaan gebruiken. Door middel van kennis en informatie te vergaren van de doelgroep kunnen bedrijfsprocessen, producten en diensten nog beter aangepast worden aan de wensen van de consument. Crowdsouring is een fenomeen wat gemakkelijk toe te passen is door het gebruik van social media (Surowiecki, 2005). 5 In deze paragraaf is aansluiting gezocht en gebruik gemaakt van het in 2011 verschenen onderzoeksrapport social media van Karen van Gelder (Gelder, 2011). 6 De internetzeepbel (in het Engels dot-com bubble) was een hausse die duurde van 1997 tot voorjaar 2000. Tijdens deze hausse rezen de waarden op de aandelenmarkt snel als gevolg van de groei van de internet-sector en daarvan afhankelijke bedrijven.Toen de zeepbel (bubble) in 2000 knapte, veroorzaakte deze een wereldwijde lichte recessie die onverwacht langdurig was in de meeste westerse landen. Afbeelding 1: Raamwerk web 2.0
  14. 14. 14 Web 2.0 en social media wordt veelal door elkaar gebruikt. Web 2.0 en social media zijn niet hetzelfde, maar liggen dicht bij elkaar. Web 2.0 is een ontwikkeling die social media ondersteunt. Door middel van web 2.0 is het makkelijker geworden deel te nemen aan conversaties. Deelnemen aan conversaties staat centraal bij gebruik van social media (Bruijntjes, 2009). Er wordt tegenwoordig ook gesproken van Web 3.0, het semantische web. Bij een semantisch web wordt alles aan elkaar verbonden; tekst, afbeeldingen, video’s en audio. In dit onderzoek wordt echter alleen ingegaan op web 2.0, omdat Web 3.0 nog in ontwikkeling is (Bekel, 2008). 2.3.2 Het begrip social media? Na het beschrijven van het fenomeen Web 2.0 wordt in deze paragraaf een algemene definitie voor social media beschreven. Het begrip social media is op te delen in twee woorden: social en media. Social slaat op één van de vijf basisbehoeften van de mens uit de piramide van Maslow (Floor & van Raaij, 2008), zie Afbeelding 2. Een mens heeft behoefte aan saamhorigheid, aan vriendschap en aan liefde. Een mens zoekt herkenning en heeft behoefte zichzelf te ontwikkelen. De mens wil graag omringd zijn door andere mensen met dezelfde gedachten, interesses, ideeën en ervaringen. Afbeelding 2: Behoeftehiërarchie van Maslow Het tweede deel, media, slaat op de manier waarop we die connectie met mensen maken. Of dat nu via televisie, telefoon, papier of via muziek is, het gaat om het contact leggen. De combinatie social en media is dus hoe we al deze technologieën samen kunnen voegen zodat mensen in contact komen met elkaar, relaties opbouwen en vertrouwen creëren (Safko en Brake, 2010).
  15. 15. 15 In de definitie van Safko en Brake (2010) komt ook de term creëren naar voren. Dit slaat ook op de term UGC, één van de belangrijkste karakteristieken van social media. Naast de definitie van Safko en Brake zijn er nog tal van verschillende definities te vinden van het begrip social media. Ze komen veel overeen, maar iedere definitie heeft veelal haar eigen invalshoek. Het is belangrijk dat in de definitie in ieder geval een aantal kernwoorden aan bod komen. De kernwoorden van social media volgens Lanting (2010) zijn: openheid, dynamische content, van onderaf, cocreatie en waardeperceptie. In dit onderzoek wordt de volgende definitie van social media gehanteerd: “Social media is de verzamelnaam voor online media waar mensen (van onder af) en organisaties informatie delen (waardeperceptie), waarderen en creëren (openheid en dynamische content). De uitkomsten hiervan kunnen op hun beurt door mensen verrijkt en geconsumeerd worden, wat kan leiden tot gemeenschapsvorming. Social media zijn uiterst geschikt voor interactie (cocreatie), er kan over en weer gecommuniceerd worden” (Gelder, 2011). Social media maken het voor de mens mogelijk eenvoudiger te voldoen aan behoeften zoals erkenning, zelfontplooiing en sociaal gedrag. Dit is een kans voor bedrijven en organisaties. Vroeger was een dialoog aan gaan met grote groepen consumenten alleen een optie voor grote, winstgevende bedrijven. Tegenwoordig gaat dat via social media veel eenvoudiger en vereist het bovendien geen grote budgetten. Door efficiënt gebruik van social media kunnen organisaties deel uit maken van bepaalde netwerken, waardoor ze sneller en meer vertrouwd worden door de consument (Kerkhofs, 2010). 2.3.3 Opkomst van social media Tussen 2004 en 2010 zijn de social media zeer snel opgekomen. Social media zijn een belangrijk deel geworden van het internet. TNO7 schrijft in haar visie op social media in de Openbare Orde en Veiligheid (2011) dat het aantal gebruikers van (mobiele) social media – en de hoeveelheid informatie die ze op het web zetten – exponentieel stijgt. Volgens het onlangs verschenen rapport8 van EMC9 verdubbelt de hoeveelheid wereldwijd opgeslagen informatie elke twee jaar. Voor 2011 verwachtte EMC een voorlopige piek van 1,8 zettebytes aan data. Ter illustratie: dat staat gelijk aan 16,7 miljoen Nederlanders die elke dag gedurende bijna 500.000 jaar drie tweets per minuut plaatsen… (TNO, 2011). Volgens Jan van Dijk, hoogleraar Communicatiewetenschappen aan de Universiteit Twente, is de opkomst van social media op het internet niet zo verwonderlijk, maar is het eerder verbazingweekend dat het zo lang heeft geduurd (Osch & Zijl, 2011). In de jaren tachtig van de vorige eeuw waren sociale toepassingen van het internet ook toonaangevend. Het internet is volgens Van Dijk (2011) namelijk begonnen als peer-to-peer network (peer = gelijke) van vooral wetenschappers. Zij gebruikten het netwerk om kennis en inzichten uit te wisselen. Gelijkgezinden vormden virtual communities. Voor discussies werden duizenden usenet groups in het leven geroepen. Door de komst van het World Wide Web (WWW) in de jaren negentig is het internet ontdekt als elektronisch publicatiemedium. Het werd een kanaal voor bedrijfscommunicatie, elektronisch winkelen en entertainment; een informatiekanaal bij uitstek dus. Daar droeg de komst van Google aan bij. Met het verschijnen van social media is het internet terug bij zijn oorsprong: een peer-to-peer network, dit keer niet voor academici, maar voor de hele bevolking (Dijk, 2011). 7 Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) 8 Titel rapport EMC: Digital Universe Onderzoek: Wereldwijd opgeslagen informatie verdubbelt elke twee jaar 9 EMC Computer Systems is een Nederlands ICT bedrijf
  16. 16. 16 2.4 Social media in het veiligheidsdomein “Kunnen social media helpen veiligheid te handhaven? Kunnen ze delicten sneller oplossen en crisissen helpen te bestrijden? Met deze vragen opent de in december 2011 verschenen toekomstverkenning van TNO ‘Visie op Sociale Media in de Openbare Orde en Veiligheid’ (2011). Hierin kijkt TNO naar de kansen en bedreigingen van social media voor de veiligheidsorganisaties in de publieke sector, voor de nabije toekomst (tot 2015) en vanuit de huidige praktijk. Daarbij wordt in eerste instantie gedacht aan het gebruik van social media door de politie, maar bijvoorbeeld ook door de brandweer en de GHOR10 . TNO schrijft dat social media voor organisaties in het veiligheidsdomein rechtstreeks en op grote schaal toegang bieden tot de burger. Het is volgens TNO dus mogelijk de ogen, oren en kennis van burgers in te zetten voor meer veiligheid. Organisaties in het veiligheidsdomein zullen zich in dat geval moeten afvragen of zij de dialoog aan willen gaan met die burger. Anderzijds speelt de vraag, wat mag en kan je eigenlijk van burgers vragen? Alles is immers op vrijwillige basis. Of is het een burgerplicht bij te dragen aan veiligheid? En wat kan technologisch gezien? Willen wij streven naar burgerparticipatie? Of willen we nog een stap verder gaan en streven naar overheidsparticipatie? Er is al veel beweging op het gebied van social media inzet in het veiligheidsdomein. Er wordt hiermee volop geëxperimenteerd door de politie (zie ook hoofdstuk 3). Deze experimenten brengen volgens TNO (2011) dilemma’s, kansen en onmogelijkheden van social media aan het licht. Door de experimenten structureel te evalueren en opgedane ervaringen te delen kan vervolgens een visie worden gedefinieerd. De volgende stap is de structurele inbedding van social media in de (operationele) werkzaamheden van de verschillende organisaties in het veiligheidsdomein, volgens TNO. Zoals gesteld in de inleiding van onderhavige onderzoeksrapportage, zien overheidsorganisaties in social media vooral een mogelijkheid om burgers voor te lichten, te alarmeren, te instrueren en om de dialoog met hen aan te gaan. Binnen de domeinen handhaving, opsporing en crisisbeheersing zijn kennis en informatie van burgers al veel langer essentieel. De burger schakelt bij crisissituaties immers veiligheidsorganisaties in via 112 en ondersteunt de politie bij opsporing via uitzendingen op tv (bijvoorbeeld "Opsporing verzocht"11 ) en websites (op dit moment zijn dat o.a. depolitiezoekt.nl, politieonderzoeken.nl, dadergezocht.nl) en overheidscampagnes zoals "Pak de overvaller, pak je mobiel". Door social media gaat de bijdrage van burgers weer een stap verder. Iedereen kan zich abonneren op RRS12 - of Twitter-feeds en YouTube-kanalen volgen. Voor de veiligheidsorganisaties betekent dit dat ze nog meer gebruik kunnen maken van de kennis, oren en ogen van burgers. 10 Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (GHOR) 11 Opsporing Verzocht is een Nederlands televisieprogramma dat sinds 1975 wordt uitgezonden. In het programma wordt de kijker opgeroepen te bellen met de studio, indien hij/zij meer informatie heeft over een politiezaak waarvoor in de uitzending aandacht van getuigen wordt gevraagd. Vaak worden de oproepen aangevuld met compositietekeningen, bewakingsbeelden en reconstructies. Het programma is een samenwerking tussen het Openbaar Ministerie, de politie en de Algemene Vereniging Radio Omroep (AVRO). 12 Really Simple Syndication (eenvoudige gelijktijdige publicatie)
  17. 17. 17 Hoofdstuk 3 Social media in perspectief In dit hoofdstuk wordt vanuit de literatuur het historisch perspectief geschetst van waaruit de opkomst van social media dient te worden bezien. Er wordt vervolgens een overzicht gegeven van onderzoeken naar de functie van social media bij de Nederlandse politie sinds de opkomst en inzet van social media bij de Nederlandse politie. Tot slot wordt aandacht besteed aan het nut en de noodzaak van legitimiteit en burgerparticipatie in relatie tot gebruik van social media door de Nederlandse politie. 3.1 Historisch perspectief 3.1.1 Sociaal maatschappelijke ontwikkeling Na de Tweede Wereldoorlog is de criminaliteit in Westerse landen, waaronder Nederland (Engelhard et al., 2001) aanzienlijk gestegen (Veltman et al., 2012). Door maatschappelijke ontwikkelingen in de jaren zestig had de politie moeite om de veranderingen in de samenleving bij te benen (Meershoek, 2012). Ook de politie bleek niet langer in staat alle problemen (alleen) op te lossen. Het standaardmodel waar de politie mee werkte kenmerkte zich als reactief, routinematig optreden en men had te weinig contact met burgers (Veltman, 2011). Volgens Veltman kwam hierdoor het model in de jaren ’70 onder druk te staan. Doordat deze aanpak nauwelijks bijdroeg aan de bestrijding van onveiligheid en criminaliteit begonnen burgers zich onveilig te voelen in de directe (woon)omgeving en verloor de politie legitimiteit en geloofwaardigheid (Girling, Loader en Sparks, 2000). Dit stond een effectieve aanpak van criminaliteit in de weg (Van der Vijver & Terpstra, 2007). Het rapport Politie in verandering uit 1977 pleitte daarom voor een decentralisatie van het politiewerk, een spreiding van de verantwoordelijkheden, een verbeterde integratie van de politie in de maatschappij en een verbeterd contact met de burgers (Cachet et al., 1998). Burgers waren daarbij niet langer slechts slachtoffer of verdachte, maar steeds vaker ook informatiebron, partner en de ‘ogen en oren’ van de politie (Terpstra, 2008). Dit rapport heeft aan de basis gestaan van de gebiedsgebonden politiezorg binnen de Nederlandse politieorganisatie (Veltman et al., 2012). Naast deze algemene maatschappelijke gebeurtenissen in het politieveld maken de recente technologische ontwikkelingen op het gebied van nieuwe media snelle en gemakkelijke communicatie met burgers mogelijk (Veltman et al., 2012). De eerste inzet van moderne media was in 1982, met de uitzending van Opsporing verzocht. Dit was lange tijd het belangrijkste project op dit vlak (Beunders, Abraham, Van Dijk & Van Hoek, 2011). Daarna, eind vorige eeuw, ontstond Burgernet. Vervolgens kwamen veel initiatieven van de grond (Beunders et al., 2011; Van der Vijver et al., 2009). De opkomst van initiatieven als Burgernet13 , SMS-Alert14 , AMBER Alert15 en sinds kort ook Twitter illustreren het streven van de Nederlandse politie om de betrokkenheid van burgers bij het politiewerk te vergroten (Veltman, Junger & Johannink, 2012). Leiden & Ferweda (2011) stellen dat, hoewel 13 Burgernet is een samenwerkingsverband tussen burgers, gemeente en politie om de veiligheid in de woon- en werkomgeving te bevorderen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een telefonisch netwerk van inwoners en medewerkers van bedrijven uit de gemeente. Burgernetdeelnemers krijgen een ingesproken bericht via de (mobiele) telefoon of een tekstbericht per SMS met het verzoek uit te kijken naar een duidelijk omschreven persoon of voertuig. Een Burgernetactie wordt opgestart door een centralist van de meldkamer. 14 SMS-Alert is een methode om de veiligheid in de woonomgeving van burgers te vergroten. Wie aangesloten is op SMS-Alert, ontvangt bij incidenten in de eigen woonomgeving een bericht van de politie op de mobiele telefoon, zodat deze persoon (indien mogelijk) de politie kan helpen door het doorgeven van tips en andere bruikbare gegevens. 15 Amber Alert is een landelijk waarschuwingssysteem bij kindervermissingen en kinderontvoeringen. Met een Amber Alert kan de politie bij de ontvoering of vermissing van een kind direct heel Nederland waarschuwen ia websites, Twitter, e-mail, sms, instant messaging, televisie en radio.
  18. 18. 18 burgerparticipatie in de opsporing van alle tijden is, de manier waarop de burger bij het opsporingsproces wordt betrokken aan verandering onderhevig is. Nieuwe (digitale) technieken en mediakanalen hebben het mogelijk gemaakt opsporingsboodschappen en masse over te brengen. De burger als informant en mogelijke getuige is makkelijker en sneller te bereiken en de burger in de hoedanigheid van verdachte is makkelijker te traceren door massamediale technieken die ook de politie (meer specifiek de recherche) zich steeds meer eigen maakt. Met de digitalisering van de maatschappij zijn de mogelijkheden voor communicatie en informatie-uitwisseling enorm uitgebreid. Met de nieuwe technologieën zijn ook de snelheid en het bereik van berichtgeving sterk vergroot. Volgens Leiden & Ferweda (2011) is in de politieorganisatie met vertraging gereageerd op deze ontwikkelingen; de politie heeft nog lange tijd voornamelijk geïnvesteerd in traditionele opsporingsmiddelen, waardoor de politie op achterstand is geraakt ten opzichte van de reeds ‘gedigitaliseerde burger’. Deze ‘gedigitaliseerde burger’ is steeds meer actief op online sociale netwerksites (CBS, 2011). Uit recent onderzoek van Kuan-Yu Lin en Hsi-Peng Lu (2011) blijkt dat ‘genieten’ de belangrijkste factor is waarom mensen zich steeds meer aansluiten bij sociale netwerksites; ze willen plezier hebben. Het plezier hebben is zelfs belangrijker dan de bruikbaarheid van het netwerk. Volgens de onderzoekers is het als ondernemer of marketeer dus van belang dat je onderdelen biedt waardoor leden meer plezier ervaren, denk bijvoorbeeld aan games, video en grappige artikelen. Middelen waarmee je meer vrienden kunt vinden zal het plezier verhogen. Kuan-Yu Lin en Hsi-Peng Lu onderzochten daarnaast waarom mensen Facebook fanpagina’s blijven gebruiken. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat sociale interactie, gedeelde waarden en vertrouwen de belangrijkste redenen zijn waarom mensen actief blijven op Facebook bedrijfspagina’s. De verwachting is dat deelname aan online sociale netwerken de komende jaren gaat toenemen. Forrester Research (2009) heeft onderzoek gedaan naar de toekomst van social media. De belangrijkste punten die uit dit onderzoek naar voren komen zijn: - communities zullen in de toekomst altijd deel uitmaken van de strategie, marketing en productontwikkeling; - merken moeten aanwezig en actief zijn daar waar natuurlijke (zelf gevormde) groepen zijn, niet alleen bij communities gecreëerd door de merken zelf; - werkstijl evolueert (en profiteert uiteindelijk) als medewerkers samenwerken op een niveau verder dan dat van normale collega’s. Als hechte groep ‘vrienden’ krijg je meer voor elkaar; - de identiteit van bedrijven, organisaties en dergelijke kan beheerd worden door middel van meerdere, regelbare facetten (bijvoorbeeld via Twitter en Facebook). Bovenstaande laat zien dat social media de komende jaren meer en meer geïntegreerd gaat worden in de huidige marketing en communicatiestrategieën. 3.1.2 Structuur & cultuur Volgens Pavlik (2007) heeft de technologische verandering van deze tijd gevolgen voor de structuur, de cultuur en het management van organisaties. Dankzij de digitale vorm van communiceren kunnen organisaties meer open en transparant zijn om het begrip met de verschillende belanghebbenden te vergemakkelijken (Deputter, 2011). Daarenboven bieden de sociale netwerksites de mogelijkheid om in wederzijdse dialoog te treden met de consument, of, voor de overheid, met de burger (Hefflin, 2008). Het fundamentele idee achter een sociaal medium is hoe het kan helpen om beter aan de behoeften van de consument te voldoen. Maar Signh et al. (2008) stellen vast dat er een duidelijke kloof bestaat tussen de mogelijkheden die de technologie ons geeft om een relatie op te bouwen met de consument en de efficiëntie waarmee die nu gebruikt wordt (Signh et al., 2008).
  19. 19. 19 Er vindt momenteel een paradigma plaats, waar volgens Hefflin (2008) de oude communicatiemiddelen, waarin bedrijven de content leveren, niet meer passen in het nieuwe medialandschap. Bedrijven en organisaties zullen een andere strategie moeten ontwikkelen om de consument, die intelligent is op het gebied van technologie en die veeleisender en mondiger is geworden dan vroeger, te bereiken. Berthon et al. (2008) bevestigen dat heel wat organisaties hier problemen mee hebben en dit vooral door de snelheid waarmee de veranderingen zich voordoen. Bedrijven, en zeker de overheid, zijn het niet gewend om in dialoog te treden met de consument. 3.1.3 Verandering van denken nodig Toen er nog geen social media waren, waren het bij overheidsorganisaties met name persvoorlichters die met burgers communiceerden. Hier was niet echt sprake van een dialoog maar met name van een monoloog: de boodschap was goed doordacht en de tekst was minutieus voorbereid. Communicatieboodschappen die vanuit publieke organisaties naar buiten gingen waren door minimaal twee personen opgesteld. Evans (2008) definieert de traditionele media als al die media die beperkt zijn tot communicatie in één richting. Ondanks deze beperking hebben deze media een grote impact op de ontvangers. De traditionele media (krant, radio, televisie en de eerste vormen van internet) zijn hoofdzakelijk gericht op het delen van berichten met velen. In het tijdperk van de traditionele media nam men de tijd om te voorkomen dat er een verkeerde boodschap in de pers verscheen. Deze tijd was er ook. Dat is nu wel anders. Met de nieuwe web 2.0 media vindt er een bottom-up aanpak plaats (Kolbitsch & Maurer, 2006). De content wordt gecreëerd door de gebruiker en niet door de organisatie. Safke & Brake (2009) omschrijven social media als conversatiemedia. Het zijn applicaties die het mogelijk maken om content (tekst, foto’s, films, audio,…) te creëren en te delen met vrienden, familie en kennissen. Nog tijdens of vrijwel direct na een incident sturen de gebruikers van social media berichten en beelden hierover de wereld in. Toegesnelde journalisten twitteren de eerste nieuwsberichten. Wanneer de overheid haar rigide, traditionele werkwijze blijft hanteren zal ze uiteindelijk een van de laatsten zijn die over datzelfde incident communiceert (TNO, 2011). Via de social media volgen we de weg van open bronnen en wordt het idee geloofd dat gedeelde kennis meerwaarde creëert (Hinssen, 2010). Wie kennis nu voor zich houdt, is gewoon dom (Deputter, 2011). De overheid moet volgens TNO (2011) een manier vinden om aan te sluiten bij de dynamiek die is ontstaan door de opkomst van de social media. Ook de verwachtingen van burgers zijn veranderd. De overheid zal daarom sterker moeten inspelen op de mindset en de informatiebehoefte van de ontvangende partij, de burger. De overheid zal zichzelf – en haar boodschap – minder centraal moeten stellen. Dit betekent een verschuiving in denken van ‘wat wil ik wanneer vertellen?’ naar ‘wat wil de burger weten en hoe kan ik die het best bereiken?’ (TNO, 2011). Maar wie weten hoe die verschuiving in gang gezet kan worden?
  20. 20. 20 3.2 Het begin van een nieuw tijdperk 3.2.1 Generatie Einstein Er is inmiddels een generatie opgegroeid waarvoor het denken op deze nieuwe manier de gewoonste zaak van de wereld is. Het zijn de jongeren van nu, die ook wel omschreven worden als ‘digital natives’: ze zijn opgegroeid met internet dat een vanzelfsprekend onderdeel uitmaakt van hun leven (Kerstens & Wilsem, 2012). Uit onderzoek van het Centraal bureau voor de Statistiek in Nederland blijkt dat 91 procent van de jonge internetters in Nederland in 2010 actief was op sociale netwerken zoals Hyves, Twitter en Facebook. Hiermee lopen Nederlandse jongeren in de Europese Unie (EU) voorop16 . Jongeren gebruiken de digitale media voor educatie, entertainment en vooral voor communicatie met vrienden uit hun sociale netwerk (zie Gross, 2004; Hasebrink et al., 2008; Valkenburg & Peter, 2007). Daarnaast gebruiken jongeren internet in toenemende mate voor het kopen en verkopen van producten en diensten (Valcke et al., 2010). In Nederland hebben nagenoeg alle jongeren thuis toegang tot internet; de meerderheid van de jongeren gaat online in de eigen slaapkamer en ongeveer een derde heeft toegang tot internet via een mobiele telefoon of andere draagbare apparatuur. Veel Nederlandse jongeren zijn bovendien iedere dag online (Eurobarometer, 2008; Livingstone et al., 2011). Voor Nederlandse jongeren17 is internet een belangrijk, zo niet het belangrijkste medium. 3.3 Toepassing van social media binnen organisaties De invloed van deze generatie ‘digital natives’ gaat verder dan de eigen slaapkamer. Allerlei sectoren in de wereld zijn anno 2012 op een of andere manier bezig met social media. In deze paragraaf wordt een aantal onderzoeken benoemd waaruit dit blijkt. 3.3.1 Onderwijs Uit onderzoek van TNO (2008) blijkt dat de ontwikkeling van web 2.0 en de ‘digital natives’ die zijn opgegroeid met deze technologieën, naast bedrijven en overheidsorganisaties, ook onderwijsinstellingen inmiddels dwingen tot bezinning. Hierbij speelt de vraag hoe men de school moet inrichten om aan de wensen en eisen van deze leerlingen (maar ook van de kenniseconomie) te voldoen, een centrale rol. Het gaat hierbij om het opnieuw invullen van hiërarchische structuren, omgaan met de vervagende grenzen tussen het formele en het informele leren, en het opleiden en ondersteunen van docenten om in deze context te kunnen functioneren. Hier lijkt sprake van een zelfde verschuiving in het denken van ‘wat wil ik wanneer vertellen?’ naar ‘wat wil de burger (leerling) weten en hoe kan ik die het best bereiken?’ (TNO, 2011). TNO concludeerde naar aanleiding van onderzoek18 in 2008 al dat technologie alleen wat waard is als deze ook daadwerkelijk wordt gebruikt en tot positieve resultaten leidt. Beleidsmakers en ICT deskundigen zijn volgens TNO (2008) snel geneigd om de mogelijkheden van technologie één op één te vertalen naar de praktijk (in dit geval het onderwijs). Hierbij wordt weinig tot geen rekening gehouden met de praktijk van het klaslokaal en pedagogische overwegingen. De docent, als ervaringsdeskundige op deze terreinen, moet daarom autonoom kunnen bepalen hoe ICT effectief kan worden ingezet in het onderwijs (TNO, 2008). 16 Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek. https://www.cbs.nl/nl- NL/menu/themas/dossiers/jongeren/publicaties/artikelen/archief/ 17 Binnen de EU zitten de Nederlandse jongeren voor wat betreft deelname aan sociale netwerken in de kopgroep. Ze worden alleen voorafgegaan door hun leeftijdgenoten uit Polen (94 procent). E-mailen behoort niet tot de sociale netwerken, maar het sturen en ontvangen van e-mails blijft ook in 2010 bij alle leeftijdsgroepen de grootste internetactiviteit. Bij alle leeftijdsgroepen voert Nederland de EU ranglijst aan. 18 TNO_leermiddelen voor de 21 e eeuw.pdf
  21. 21. 21 Met andere woorden: ICT kennis moet worden gecombineerd met pedagogische modellen om tot echte resultaten te komen, zodat digitale leermiddelen in de 21e eeuw meetbaar effectief kunnen worden ingezet in het Nederlandse onderwijssysteem. 3.3.2 Bedrijven Naast de toepassing van social media in het onderwijs, wordt er ook in het bedrijfsleven inmiddels volop gebruik gemaakt van social media. Het bedrijfsleven is actief aangehaakt op de ontwikkeling van social media. De resultaten van onderzoek uitgevoerd door InSites (2011) bevestigen dat de meerderheid van de bedrijven aanwezig is op sociale netwerksites19 . Eén van de opmerkelijkste conclusies uit het onderzoek van InSites (2011) is dat bedrijven die social media integreren in hun processen, betere financiële bedrijfsresultaten halen dan bedrijven die social media niet integreren. InSites voerde het onderzoek uit onder 400 senior marketeers in Europa en Amerika. De meerderheid van de bedrijven heeft met andere woorden de weg naar de sociale netwerksites gevonden. Anderzijds tonen de resultaten van het onderzoek aan dat de integratie van social media nog pas in de kinderschoenen staat.20 De meerderheid van de onderzochte bedrijven is op dit moment bezig met het uitzoeken hoe op een succesvolle manier social media te integreren in de bedrijfsprocessen. De positieve relatie tussen social media integratie en bedrijfsresultaten, moedigt vooral aan om dit verandertraject verder voort te zetten. 3.3.3 Overheid Inmiddels wordt social media ook door de overheid ingezet. Veel ambtenaren, bestuurders en politici hebben social media omarmd en zijn actief op Twitter en LinkedIn.21 De overheid experimenteert volop met de inzet van social media in bijvoorbeeld de communicatie en interactie met burgers. Volgens de Raad voor het openbaar bestuur22 kunnen politici en politieke partijen de social media veel beter gebruiken dan ze nu doen. De band met de samenleving zou daar zelfs sterker van worden. De Raad adviseert hierover in het adviesdocument ‘In gesprek of verkeerd verbonden?’ (2012). Mensen zijn op social media zowel producent als consument: zij brengen zelf kennis, informatie, foto’s, beelden en nieuws in en nemen die tegelijk ook af. Social media slechten aldus – in navolging van wat nieuwe media al eerder deden – grenzen van hiërarchie. De egalisering van de maatschappelijke verhoudingen die social media bewerkstelligen, is niets meer dan een versterking van een al eerder in gang gezet proces. De Raad heeft in Vertrouwen op democratie (2010) ‘vertaald’ hoe de afgelopen decennia ontwikkelingen als individualisering, ontideologisering, technocratisering, economisering, informatisering en mondialisering in combinatie met lokalisering het speelveld van de representatieve democratie ingrijpend heeft veranderd. De Raad spreekt over ‘de andere kloof’: de samenleving horizontaliseerde in haar verhoudingen, terwijl politiek en bestuur bleven opereren als ware de samenleving nog opgebouwd in verticale, hiërarchische verhoudingen. De wijze waarop de politiek functioneert en zich organiseert past niet meer bij de manier waarop de samenleving is georganiseerd. Politici en partijen moeten nieuwe verbindingen tot stand brengen met de samenleving (Raad voor het openbaar bestuur, 2012, p. 7). 19 68% van de bedrijven heeft een Facebookpagina, 56% een Twitteraccount en 47% een bedrijfspagina op LinkedIn. 20 Slechts 14% stelt dat social media volledig geïntegreerd zijn in de bedrijfsvoering. 21 http://www.binnenlandsbestuur.nl/digitaal-besturen/dossiers/dossier-social-media.1413687.lynkx 22 De Raad voor het openbaar bestuur (Rob) is een adviesraad van de regering en het parlement. De Rob is ingesteld bij Wet van 12 december 1996 (Wet op de raad voor het openbaar bestuur, Staatsblad 1996, nr. 623). De wettelijke taak van de Raad is de regering en het parlement gevraagd en ongevraagd adviseren over de inrichting en het functioneren van de overheid. Daarbij geeft de Raad in het bijzonder aandacht aan de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat.
  22. 22. 22 De Raad voor het openbaar bestuur constateert dat voor politici, politieke partijen en ministeries in social media grote kansen liggen besloten. Zij kunnen de interactiviteit en mobilisatiekracht van social media inzetten om de verbinding te zoeken met de gehorizontaliseerde publieke ruimte. Politici en politieke partijen lijken echter nog onvoldoende doordrongen van de interactieve en mobiliserende potentie van social media. Zij gebruiken social media vooral om te informeren, of wel: het zenden van hun standpunten of mededelen van hun geplande of gevolgde activiteiten. Veel burgers – maar ook gemeenten, lokale partijen of lokale politici – hebben die sterke eigenschappen van social media al wel ontdekt en passen die toe voor hun eigen (politieke) initiatieven (Raad voor het openbaar bestuur, 2012, p. 8). Een van de aanbevelingen die de Raad in haar advies doet aan vertegenwoordigende organen, politieke partijen en ook overheidsinstellingen, is social media op te nemen in hun communicatiestrategie. Het gebruik van social media moet niet meer een leuke aanvulling zijn op het al bestaande palet van communicatie-instrumenten. Social media dienen een eigenstandige, strategische plek in de communicatiemix te krijgen. Zij kunnen nieuwe mensen bereiken en een verbinding aanbrengen tussen het verticale bestuur en de horizontale publieke ruimte. De Raad adviseert daarbij niet een eenduidige werkwijze te hanteren, maar wel de social media serieus te benaderen en vanuit onderwerpen strategieën te ontwikkelen voor de inzet van social media met een vooraf gesteld doel (Rob, 2012, p. 8). De Raad komt in haar adviesrapport tot de conclusie dat social media een verrijking zijn voor onze representatieve democratie; dat de snelheid van de integratie in de horizontale communicatie van de burgers en de oude media zeer groot is; (…) en dat er een enorme mogelijkheid ligt met behulp van deze media de dialoog, de invloed, de verbinding en het vertrouwen te verbeteren (Raad voor het openbaar bestuur, 2012, p. 8). Bovenstaande conclusie sluit aan op onderzoek van Deputter (2011) naar de betekenis van sociale netwerksites voor de Belgische overheid. Deputter onderzocht de perceptie van de burger op social media en overheidscommunicatie en ging vervolgens na of het gebruik van sociale netwerksites door de overheid gevolgen heeft voor haar relatie met de burger, meer in het bijzonder voor burgers van generatie Y23 . De perceptie is positief. Respondenten uit de Y-generatie benadrukken dat er extra aandacht besteed zou mogen worden aan het werk van de verschillende overheidsdiensten die ten tijde van crisis de boel draaiende houden. Jongeren zien zich als een belangrijke doelgroep wanneer het op overheidscommunicatie aankomt. Deze generatie stelt vast dat het slechte imago van de overheid nog niet vastgeroest zit bij hen en dat de overheid alles in het werk zou moeten stellen om deze generatie te laten zien dat een overheid innovatief, transparant, dynamisch, … uit de hoek kan komen (Deputter, 2011, p. 3). Daarenboven zijn burgers uit generatie Y het toekomstige publiek van de overheid. De Y-generatie heeft nog een hele levenscyclus voor zich, waar alle diensten van de overheid van pas kunnen komen. Deputter (2011) concludeert dat het gebruik van sociale netwerksites door de overheid gevolgen heeft voor de overheid, de burger en de relatie tussen beiden. De overheid zal de werkstructuur moeten herzien; er moeten medewerkers worden aangesteld die de tijd, het budget en het vertrouwen krijgen om met social media bezig te zijn. Bovendien is het volgens Deputter belangrijk dat de integratie van social media gedragen wordt door de hele organisatie. Dit kan een mentaliteitsshift met zich meebrengen. De overheid moet openstaan en luisteren naar wat de burger haar te vertellen heeft. Enkel op deze manier kunnen sociale netwerksites, aldus Deputter, hun nut bewijzen. “De burger gaat op een andere manier met de overheid om. Informatie wordt de burger niet enkel meer van bovenuit toegegooid, maar hij gaat in interactie treden met de overheid.” (citaat uit Deputter, 2011, p. 4). 23 De Y-generatie wordt in dit onderzoek gedefinieerd als zijnde leeftijdsgroep geboren tussen 1973 en 2003. (Deputter, 2011).
  23. 23. 23 3.3.4 Kritische succesfactoren Social media is slechts een middel, maar wel een middel dat de katalysator is van een transitie waarin consumenten en merken in toenemende mate op gelijkwaardige voet met elkaar samenwerken (Social media Monitor 424 , 2012). Social media kan succesvol worden ingezet als de organisatie daar klaar voor is en medewerkers achter het plan staan om social media te gebruiken: wanneer alle neuzen dezelfde kant op staan, wordt deze saamhorigheid ook naar buiten toe uitgestraald (Kerkhofs, 2010). Volgens Insites (2011) zijn er voor het succesvol integreren drie kritische succesfactoren aan te wijzen: 1) investeren in opleidingen voor medewerkers en in de technische infrastructuur, 2) een noodzakelijke evolutie bij het schrijven van plannen, dat begint bij het uitdenken van enkele pilots en evolueert tot de volledige integratie van social media in alle plannen en 3) dat social media in lijn dienen te zijn met de cultuur en de waarden van de organisatie of het bedrijf. Tevens heeft onderzoek van InSites (2011) laten zien dat organisaties met waarden als ‘open’, ‘authentiek’ en ‘positivisme’ er sneller in slagen social media te integreren dan organisaties die deze waarden niet hanteren. Social media bieden de mogelijkheid om de bedrijfscultuur tastbaar te maken. Hierdoor stijgt de transparantie en krijgt de markt (consument) een duidelijk zicht op waar het bedrijf of de organisatie nu echt voor staat.25 3.4 Politie & de inzet van social media Uit paragraaf 3.3 is gebleken dat organisaties, overheidsinstellingen en bedrijven social media zouden moeten gebruiken om het contact met burgers (en klanten) niet te verliezen. Immers, bedrijven die social media hebben opgepakt en hebben ontwikkeld presteren aantoonbaar beter dan bedrijven die dat nog niet doen. Maar hoe staat het met de inzet van social media bij de Nederlandse politie? In deze paragraaf zal worden ingegaan op de stand van zaken met betrekking tot het huidige gebruik van social media door de politie in Nederland. Tevens worden vanuit recente wetenschappelijke onderzoeksliteratuur een aantal interessante onderzoeksresultaten beschreven. 3.4.1 Opkomst van social media bij de politie De Nederlandse politie is een grote organisatie met bijna 60.000 medewerkers. Ongeveer 80% van de medewerkers bij de Nederlandse politie werkt in het primaire proces en zijn dus agent of rechercheur. De overige 20% van de medewerkers werkt in de ondersteunende diensten. Zoals benoemd in paragraaf 3.1.1 is in de politieorganisatie met vertraging gereageerd op de ontwikkelingen en digitalisering van de maatschappij (Leiden & Ferweda, 2011). In deze organisatie is social media – net als bij andere organisaties – op dit moment in opkomst. 24 De Social Media Monitor is een onafhankelijk onderzoek naar de inzet van social media door de top 100 merken in Nederland. Het onderzoek wordt jaarlijks uitgevoerd door Social Embassy. Bron: http://www.socialembassy.nl 25 Door de toenemende digitalisering, connectiviteit, keuzemogelijkheden en vrij toegankelijke informatie wordt de trend: 'totale transparantie' gevoed. Iedereen kan een mening, roddel, wetenswaardigheid met de gehele wereld delen. Geheimen bestaan niet meer. De toenemende behoefte aan informatie met daarbij een afnemend vertrouwen in bestaande en vooral traditionele organisaties, overheden en instituten maakt dat ‘totale transparantie’ een zeer snel opkomende trend is. Organisatie en overheden die niet op de transparantie trend inspelen zullen door 'anderen' in de etalage worden gezet. Bron: http://www.extendlimits.nl/trends/trend/totale_transparantie
  24. 24. 24 In juni 2012 is er een inventarisatie gemaakt van de tot op dat moment bestaande initiatieven van social media bij de (nu nog) 26 politiekorpsen van Nederland26 . Het doel van de inventarisatie is om tot een advies te komen hoe social media ingebed kan gaan worden in de nieuwe politieorganisatie, de Nationale Politie. Uit de inventarisatie blijkt dat alle politiekorpsen anno 2012 bezig zijn met de inzet van social media. Gebleken is dat alle korpsen in een van de drie volgende fasen zitten: 1) het ondernemen van de eerste stappen in social media, 2) in pilotfase en 3) bezig met integratie van social media. Onduidelijk is hoe de korpsen exact verdeeld zijn over deze drie fases (zie Leeuwerink, 2012). Wat opvalt is dat met name de afdelingen communicatie en/of afdelingen informatie zich bezig houden met de inzet van social media. Steeds meer afdelingen binnen de politieorganisaties raken enthousiast over de toepassing van social media, maar het gebruik van social media is nog niet vanzelfsprekend en wordt nog niet over de volle breedte van de organisaties ingezet. Ook blijkt uit de inventarisatie dat er bij een aantal korpsen intern nog sprake is van weerstand ten opzichte van social media en ‘cultuur’ wordt vaak genoemd als reden waarom integratie van social media in de politieactiviteiten nog niet zover is (Leeuwerink, 2012). 3.4.2 Resultaten van social media bij de politie Aangezien social media een ontwikkeling is van de laatste jaren, is er nog geen sprake van een veelheid aan wetenschappelijke onderzoeksliteratuur. In de afgelopen jaren zijn er wel een aantal interessante onderzoeken verschenen waaruit de waarde van het gebruik van social media door de Nederlandse politie blijkt. Het lijkt er op dat de politie van social media nu een speerpunt van beleid moeten gaan maken en dat een versnelling op zijn plaats is. Onderstaande onderzoeken laten zien dat daar waar reeds gebruik wordt gemaakt van enkele mogelijkheden die social media te bieden hebben, en daar waar pilots hebben gedraaid, positieve effecten zichtbaar zijn. Een aantal onderzoeken zullen in deze paragraaf worden besproken. Use of Online Social Networks in policing youth gangs; influences of legal & organizational gangs (Dorp, 2010). Vanuit het korps Utrecht werd in 2010 onderzoek gedaan naar hoe Online Sociale Netwerken27 gebruikt kunnen worden bij de aanpak van jeugdbendes, waarbij het gerechtelijke en organisatorische perspectief geïntegreerd is (Dorp, 2010)28. Uit de conclusie van het onderzoek komt naar voren dat alle onderzochte jeugdbendes gebruik lijken te maken van Online Sociale Netwerken, hetgeen deze netwerken een goede bron van informatie voor de politie maakt. Tegelijkertijd blijkt uit het onderzoek dat de politie nog weinig weet over de mogelijkheden van het gebruik van deze Online Sociale Netwerken in politieaanpak29. De door de onderzoekster binnen het politiekorps Utrecht uitgevoerde ISA (Internet Surveillance and detection Approach) pilot laat zien dat Structurele Informatie Inwinning (SII) effectief is in de aanpak van jeugdbendes. Door de bevoegdheid SII te gebruiken bij de aanpak van jeugdbendes op Online Sociale Netwerken, verbeterde de informatiepositie ten aanzien van alle jeugdbendes. Samenwerking met zowel in- als externe partners bleek essentieel voor het succes van het gebruik van de Online Sociale Netwerksites. Verder toonde ISA aan dat de internetaanpak bruikbaar kon zijn voor, danwel verbeterd kon worden door, nagenoeg iedere divisie binnen de politieorganisatie. 26 Inventarisatie Social Media in Politie Nederland. Versie 1.0 (door Marco Leeuwerink) 27 Online Sociale Netwerken worden in dit onderzoek breed gedefinieerd en behelzen websites zoals Facebook, Hyves, YouTube, MySpace en blogs. 28 Dit onderzoek heeft zich gericht op de kant van de opsporing. 29 Er zijn meerdere initiatieven op het gebied van internet surveillance in kaart gebracht en bekeken in de context van de Nederlandse politie, maar er zijn geen gestructureerde projecten op het gebied van internetopsporing waargenomen.
  25. 25. 25 Nauw contact met de Officieren van Justitie30 creëerde nieuwe mogelijkheden voor de internetaanpak. Internationale wetgeving blijkt nauwelijks in de weg te staan bij het gebruik van Online Sociale Netwerken in de aanpak van jeugdbendes. Internationale samenwerking blijkt echter wel belangrijk (…). De onderzoekster benoemt aan het eind van haar rapport drie randvoorwaarden om internetaanpak van jeugdbendes succesvol in de huidige politieorganisatie te implementeren: regionaal beleid op internetaanpak, verbetering van de informatiepositie op jeugdbendes en volledige integratie van het gebruik van Online Sociale Netwerksites in bestaande opsporingsmethoden. Twitter: chatter or matter? An investigation of the effect of Utrecht police force’s Twitter messages on the follower’s perception of safety (Beukers, 2010). Het korps Utrecht laat de medewerkers al een aantal jaren gebruik maken van Twitter tijdens het werk. Vanuit het korps Utrecht werd in 2010 onderzoek gedaan naar het effect van door politiemedewerkers van het betreffende politiekorps verzonden twitterberichten op de gevoelens van veiligheid van de volgers (Beukers, 2010). Uit dit onderzoek komt onder andere naar voren dat er een relatie is tussen Twitterberichten die zijn verstuurd door de politie en de verwachte kans van burgers om slachtoffer te worden; de verwachting slachtoffer te worden neemt toe. Respondenten die aangeven veel Twitterberichten van de politie lezen, geven tevens aan zich minder veilig te voelen in de eigen wijk. Echter, uit de resultaten van het onderzoek is geen directe relatie aangetoond tussen de Twitterberichten verstuurd door de politie Utrecht en het gevoel van meer veiligheid bij burgers. Twitterberichten van politiemedewerkers blijken van positieve invloed te zijn op het imago en de legitimiteit van de politie in het algemeen. De inzet van Twitter blijkt een effectief instrument om het werk en de inzet van de politie naar de buitenwereld te tonen (Beukers, 2010). Twitterende wijkagenten en de beleving van burgers. Een onderzoek naar de effecten van twitterende wijkagenten. (Veltman, 2011). De conclusies van Beukers (2010) worden ondersteund door de onderzoeksbevindingen van Veltman (2011). Veltman deed binnen het politiekorps Groningen onderzoek naar het effect van twitterende wijkagenten op de zelfredzaamheid van burgers, hun veiligheidsbeleving en hun beeld ten aanzien van de politie. Op basis van de onderzoeksbevindingen komt Veltman tot de conclusie dat twitterende wijkagenten, dankzij transparante communicatie en het investeren in de relatie met burgers, niet alleen het beeld van volgers ten aanzien van de politie in positieve zin beïnvloedt, maar ook hun zelfredzaamheid. Bovenstaande uitkomsten wijzen erop dat het belangrijk is om informatie met burgers te delen en hen te betrekken bij de politie en het politiewerk. Veltman (2011), in navolging van Beukers (2011), toonde aan dat de veiligheidsbeleving van volgers niet in positieve zin beïnvloed wordt dankzij het volgen van twitterende wijkagenten. Hoewel volgers frequent werden geïnformeerd over lokale criminaliteit en overlast, zijn ze zich echter ook niet onveiliger gaan voelen. In tegenstelling tot de veiligheidsbeleving wordt de zelfredzaamheid van volgers wel positief beïnvloed dankzij het volgen van een twitterende wijkagent. Volgers blijken vaker contact op te nemen met de politie of wijkagent om informatie te delen, een vraag te stellen of om een melding te doen (burgerparticipatie). Veltman concludeert tenslotte dat het niet het medium Twitter is dat bijdraagt aan het positief beïnvloeden van burgers, maar het delen van informatie met burgers en het betrekken van burgers bij de politie en het politiewerk. Social media, in dit geval Twitter, is een middel waarmee de politie burgers kan bereiken. Veltman (2011) toont met het onderzoek aan dat Twitter een effectief middel is om burgerparticipatie en de legitimiteit van de politie te vergroten. 30 Een Officier van Justitie (ook wel openbaar aanklager genoemd) is een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie en verantwoordelijk voor het opsporen van strafbare feiten; de Officier van Justitie heeft het gezag over de onderzoeken van de politie.
  26. 26. 26 Politie, twitter en gezag. (Boverman, Duijn, Graaf & Ritzema, 2011). Ook Boverman et.al. (2011) deden onderzoek naar het effect van het gebruik van Twitter door wijkagenten. De focus in dit onderzoek is gericht op de beeldvorming over het gezag van de politie, hoe deze beeldvorming kan worden verklaard en welke consequenties het heeft voor strategisch politieleiderschap. Uit dit onderzoek is gebleken dat Twitter een middel is om de beelden over het gezag van de politie positief te beïnvloeden. Boverman et.al. tonen in het onderzoek aan dat Twitter natuurlijk ook negatieve kanten heeft; een onjuist of onbedoeld bericht kan door het karakter van het medium snel een grote (imago)schade aanrichten. Zij merken op dat de politieleiding zich juist van deze negatieve effecten bewust is. Volgens de onderzoekers is het echter essentieel om vooral de kansen van social media te zien, zonder de “scherpe kantjes” uit het oog te verliezen. Immers, social media zijn er en zullen naar verwachting een dominante positie blijven innemen in de samenleving. De onderzoekers benoemen specifiek dat interactie een voorwaarde is voor het succesvol toepassen van Twitter. Het medium leent zich niet voor eenrichtingsverkeer, maar vereist een actief contact met de geïnteresseerde en betrokken volgers. Het inrichten van wederkerigheid op regioniveau wordt door de Nederlandse politie veelal nog als problematisch ervaren. Interactie met de burgers is evenwel de belangrijkste factor om aan gezag te winnen. De onderzoekers stellen dan ook: “Het is niet uit te sluiten dat een actieve wijkagent die met zijn tweets en reacties een groot aantal volgers uit verschillende relevante doelgroepen aan zich weet te binden, meer effect sorteert in “de buitenwereld” dan een districts- of korpschef” (Boverman et.al., 2011, p. 7). 3.5 Legitimiteit van de politie De politie heeft een cruciale rol in de veiligheidsketen. Legitimiteit is daarmee voor de politie van groot belang. Zoals uit paragraaf 3.4 blijkt, maakt de politie tot op heden nog niet optimaal gebruik van social media. Er is zelfs nog sprake van weerstand binnen de politie (zie Boverman et.al., 2011). Het potentiële gevaar is dat de integratie van social media in de bedrijfsvoering van de politie hierdoor vertraging oploopt. Om die reden kan een verlies optreden in de legitimiteit van de politie en bestaat tevens het gevaar dat burgerparticipatie afneemt. Het belang van legitimiteit en burgerparticipatie voor de politie wordt in deze paragraaf nader toegelicht. 3.5.1 Legitimiteit Wanneer de politie beschikt over een grote mate van legitimiteit wordt zij door de burgers vertrouwd en wordt haar optreden door de bevolking geaccepteerd en als ‘gerechtvaardigd’ en ‘goed’ beschouwd (Van der Vijver, 2006, p. 21; Veltman, 2011, p. 11). Legitimiteit is dus belangrijk voor de politie. Het begrip legitimiteit omvat volgens Veltman (2011) echter meer dan de aspecten vertrouwen en kwaliteit of tevredenheid. Veltman verwijst daarmee naar Beetham (1991) die aangeeft dat legitimiteit betrekking heeft op een continue, stabiele en duurzame relatie. Vertrouwen en kwaliteit of tevredenheid worden volgens Van der Vijver (2006, p. 27) sterk beïnvloed door incidenten, momenten en gebeurtenissen. Het begrip legitimiteit omvat om die reden naast de aspecten vertrouwen en kwaliteit of tevredenheid ook ontzag, gezag, respect en effectiviteit (Van der Vijver, 2006, p. 28). Effectiviteit betreft volgens Van der Vijver een uitbreiding van de legitimiteitgronden en speelde enkele decennia geleden een minder grote rol met betrekking tot het functioneren van de politie dan nu. Hieruit blijkt volgens Veltman (2011) de dynamiek van het begrip legitimiteit. Veltman doelt hier op effectiviteit ten aanzien van outputlegitimiteit. Burgers eisen namelijk een succesvolle bestrijding van de onveiligheid (Van der Vijver, 2006, p. 16). Al deze aspecten laten volgens Veltman (2011) zien dat legitimiteit wordt beoordeeld op vele gronden. Hij stelt dan ook dat de politie niet zo zeer te maken heeft met een verminderde legitimiteit, maar met andere legitimiteitsgronden. Dit als gevolg van een verschuiving van verwachtingen die burgers hebben van de politie. Zoals beschreven in paragraaf 3.4.2, kan de politie zelf positief bijdragen aan deze legitimiteit (zie o.a. Beukers, 2010; Veltman, 2011; Boverman et.al.; 2011).
  27. 27. 27 3.5.2 Burgerparticipatie Vanuit de opkomst van het New Public Management is de politie de burger steeds meer als klant gaan beschouwen (Veltman, 2011). Klantvriendelijkheid is voor de politie dan ook van belang. Door meer naar de burger te luisteren is de politie ook beter op de hoogte van wat zij van hen verwachten (Skogan, 1994). Tevredenheid van de burger over de politie en haar functioneren is daarbij belangrijk voor haar gezag en maatschappelijk draagvlak (Van der Vijver en Vlek, 2007). Veltman (2011) geeft aan dat uit onderzoek naar betrokkenheid en participatie van burgers naar voren is gekomen dat actief burgerschap moeilijk te realiseren is. Hier wordt ook wel gesproken over de paradox van zelfredzaamheid. Dit houdt in dat zelfredzaamheid vaak alleen tot stand komt wanneer de overheid, of haar instituties een faciliterende rol speelt of spelen (Van Steden, 2009, p. 35). Actief burgerschap, of burgerparticipatie, is namelijk niet vanzelfsprekend (Veltman, 2011, p. 12). Jongeren, laagopgeleiden en allochtonen zijn vaak ondervertegenwoordigd in burgerparticipatie. In buurten met een lage sociale cohesie zijn burgers daarnaast vaak moeilijk te mobiliseren. Uit een evaluatie van buurtbijeenkomsten in Chicago is gebleken dat, ondanks een gebrekkige representativiteit, sprake is van behoorlijke overeenstemming tussen de deelnemers en niet- deelnemers (Skogan, 2003). Bovendien blijken burgers vaak bereid te zijn te participeren, mits men het gevoel heeft dat actie nodig en van toegevoegde waarde is en dat de problematiek betrekking heeft op problemen uit hun buurt (Van Caem, 2008). Hoewel het mobiliseren van burgers niet zonder slag of stoot verloopt, bieden deze ervaringen perspectief (Veltman, 2011). Daarbij is het van belang dat de overheid of overheidsinstituties een faciliterende rol spelen, en burgers daar bereiken waar zij zich bevinden. Burgers zijn namelijk steeds minder ‘op straat’ te vinden. Door reeds eerder genoemde technologische ontwikkelingen heeft bijna iedereen de beschikking over internet en een mobiele telefoon, waardoor sociale activiteiten zich (deels) verplaatst hebben naar het web (Veltman, 2011, p. 12). Ook voor de politie zijn deze online burgers potentieel bereikbaar. De Visie op Sociale Media in de Openbare Orde en Veiligheid van TNO (2011) sluit hier op aan. TNO stelt dat burgerparticipatie een nieuwe impuls krijgt met social media. Volgens TNO (2011) bieden social media, naast de mogelijkheid vragen te stellen aan de massa, de kans op een dialoog of multiloog31 . Wanneer veiligheidsorganisaties een vraag stellen aan burgers kunnen deze direct reageren. Gebeurt dit in een open en transparante setting, dan wordt een dialoog mogelijk waarop iedereen kan aanhaken. Social media brengen niet alleen burgers en organisaties met elkaar in contact, maar ook burgers onderling. Burgers helpen elkaar en zijn meer zelfredzaam dan voorheen, ook zonder tussenkomst van veiligheidsorganisaties. Deze ontwikkeling laat zien dat burgers zich – los van wat veiligheidsorganisaties met social media doen – verenigen dankzij de media. Hier kunnen overheidsdiensten gebruik van maken (TNO, 2011). Door de mogelijkheden en de populariteit van social media kan ook de trend naar meer burgerparticipatie in het veiligheidsdomein worden doorgevoerd. 3.6 Conclusie Het idee achter een social medium is hoe het kan helpen om beter aan behoeften van consumenten, in dit onderzoek burgers, te voldoen. De inzet van social media past in een strategie van de politie om burgers, die veelal intelligent zijn op het gebied van technologie en veeleisender en mondiger zijn geworden, te bereiken. Net als veel andere organisaties heeft de politieorganisatie echter moeite om aansluiting te houden bij de snelle technologische veranderingen op het gebied van social media en het gebruik er van door burgers. Bij de door TNO (2011) aangeduide verschuiving in denken van ‘wat wil ik de burger wanneer vertellen?’ naar ‘wat wil de burger weten en hoe kan ik die burger het best bereiken?’, past een onderzoek naar de behoeften van burgers aan de inzet van social media door de politie. 31 Dialoog met meer dan twee deelnemers.
  28. 28. 28 Uit verschillende onderzoeken die gedaan zijn naar de effecten van het gebruik van social media door de politie blijkt dat de inzet van social media een positief effect heeft op de legitimiteit van de politie. Daarnaast is sprake van een bindend effect (wijkagenten) en een toename van burgerparticipatie. Het gegeven dat jongeren en jongvolwassenen (generatie Einstein) het meest actief zijn op social media (CBS, 2011), maakt dat onderzoek naar de behoeften van deze generatie aan de inzet van social media door de politie, nieuwe inzichten voor de politie kan opleveren met betrekking tot hoe social media effectief kunnen worden ingezet. Immers, de invloed van deze generatie ‘digital natives’ is al zichtbaar in het onderwijs, het bedrijfsleven en de overheid. Verwacht wordt dat deze generatie als geen ander weet hoe de door TNO (2011) aangeduide verandering in denken in gang kan worden gezet binnen het veiligheidsdomein. Onderhavig onderzoek richt zich op het verkrijgen van inzicht in de behoefte van generatie Einstein aan de inzet van social media door de politie. Door kennis te hebben van deze behoefte, kan de politie beter inspelen op hoe social media kan worden ingezet ter bevordering van burgerparticipatie.
  29. 29. 29 Hoofdstuk 4 Methodologische verantwoording In dit hoofdstuk wordt de methodologische verantwoording voor het onderzoek beschreven. Als leidraad voor het beschrijven van de methodologie worden de onderzoeksvragen gebruikt. Vervolgens wordt een verantwoording voor de dataverzameling en data-analyse gegeven. Tevens wordt een beschrijving van de respondenten gegeven. Verder wordt aandacht besteed aan betrouwbaarheid en validiteit van het onderzoek. 4.1 Methoden van onderzoek 4.1.1 Deskresearch Om antwoord te kunnen geven op de eerste onderzoeksvraag ‘Hoe zet de politie social media in ten behoeve van de communicatie met burgers?’ is deskresearch uitgevoerd. Onderzoeksrapporten over gebruik van social media door de politie32 zijn bestudeerd, evenals de websites die door de politie worden gebruikt. Ook is social media-gebruik van de politie gevolgd en literatuur bestudeerd. De resultaten van dit deskresearch zijn beschreven in hoofdstuk 3. 4.1.2 Field research Enquete Om de tweede onderzoeksvraag ‘Wat is de behoefte van generatie Einstein aan inzet van social media door de politie?’ te kunnen beantwoorden, is een online enquête via social media uitgevoerd. De enquête bestond naast een korte introductie uit 28 vragen. Hiervan waren 27 vragen met een meerkeuze antwoordmogelijkheid, waarbij er binnen twee vragen naast de meerkeuze antwoordmogelijkheden tevens een open antwoordveld werd gegeven (vraag 15 en vraag 17). Er is één open vraag gesteld met een open antwoordveld (vraag 28). De vragen (zie bijlage 2) hebben betrekking op: 1) gebruik van social media (vraag 1-8), 2) bekendheid met en gebruik van politie-informatie via social media (vraag 9-15), 3) specifieke behoeften aan politie-informatie via social media (vraag 16-17, 22-28) en 4) gebruik van mogelijkheid tot het delen van (beeld)content met politie via social media (vraag 18-21). De vragen zijn zodanig geformuleerd dat ze voor alle respondenten vanaf 12 jaar te begrijpen zijn. De enquête is online uitgezet voor de doelgroep generatie Einstein. Om zoveel mogelijk vervuiling van de onderzoeksdata te voorkomen, is er in de vragenlijst ook een categorie ‘ouder dan 32 jaar’ opgenomen, zodat mensen die tot die categorie behoren en de enquête graag wilden invullen, niet zouden aangeven dat ze tot de generatie Einstein behoren. Immers, dat zou vervuiling van de data betekenen. Het totaal aantal respondenten van de groep ‘ouder dan 32 jaar’ is hoog (N = 438). Ook deze groep had blijkbaar behoefte hun mening over het onderwerp kenbaar te maken bij de politie. Gelet op de doelstelling en probleemstelling van onderhavig onderzoek, behoort deze groep ‘ouder dan 32 jaar’ niet tot de doelgroep en daarom zijn in dit onderzoeksrapport de gegevens van deze groep verder buiten beschouwing gelaten33 . 32 Sinds de eerste toepassingen van social media door de politie in 2009 zijn tot op heden diverse onderzoeksrapporten verschenen. 33 De gegevens van de groep respondenten ‘ouder dan 32 jaar’ zullen op een later tijdstip worden gebruikt voor de doorontwikkeling van social media bij de politie in de eenheid Noord-Holland.
  30. 30. 30 Procedure & onderzoeksrespons De enquête is online uitgezet via social media. Om toegang te krijgen tot deze social media moeten gebruikers een account hebben op de betreffende social media. De enquête is uitgezet via vier externe social media, namelijk Twitter, Facebook, LinkedIn en Politie 2.034 . Er is voor de hier genoemde social media gekozen, omdat het op deze social media sites eenvoudig is de enquête online beschikbaar te maken. De enquête heeft 8 dagen online open gestaan. Er is in dit onderzoek sprake van een aselecte steekproef. Alle eenheden in de omschreven populatie hadden een gelijke kans om in de steekproef terecht te komen, aangezien de enquête online via social media beschikbaar is gesteld en door iedereen die een account heeft op één van de genoemde social media kon worden ingevuld. Bij de analyse van de verzamelde data is gebruik gemaakt van inductieve statistiek. Met deze vorm van statistiek kan worden geanalyseerd in hoeverre de gevonden resultaten op basis van onderzoek met een steekproef, met een zekere foutenmarge, ook gelden voor de gehele onderzoekspopulatie waaruit de steekproef is getrokken (Baarda & de Goede, 2006). ‘Betrouwbaarheid’ wil zeggen dat de onderzoeksresultaten zo min mogelijk van toeval afhankelijk zijn (Baarda & de Goede, 2006, p. 190). Doordat de enquête is afgenomen bij een doelgroep waarvan de omvang niet bekend is, is gewerkt aan de hand van een vereiste steekproefgrootte om de betrouwbaarheid van het onderzoek te kunnen waarborgen. Om een betrouwbare steekproef te kunnen doen met een betrouwbaarheidsniveau van 95% was een respons van 377 enquêtes noodzakelijk. Daarbij werd rekening gehouden met een foutenmarge van 5%. Het betrouwbaarheidsniveau van respondenten in generatie Einstein (N = 525), is hierdoor 95,78% en heeft een foutenmarge van 4,22%. Zoals eerder aangegeven bestaat de respondentengroep uit 525 personen die behoren tot de generatie Einstein. Gebleken is dat van deze groep 245 personen behoren tot het mannelijke geslacht en 280 tot het vrouwelijke geslacht (zie Tabel 2: Respondenten naar geslacht). Het opleidingsniveau van de respondenten is gespreid. Gelet op de leeftijdsgroep (leeftijd generatie Einstein is 12-32 jaar), volgt een deel van de respondenten nog een opleiding35 . Derhalve kan hier niet gesproken worden over 'hoogst genoten opleiding' als eindniveau (zie Afbeelding 3). In de figuur is te zien welk opleidingsniveau de respondenten al hebben afgesloten op het moment van het invullen van de vragenlijst. Uit een deel van de opgegeven e-mailadressen van de respondenten blijkt dat er ook een landelijke geografische spreiding is van respondenten. De non-respons is in dit onderzoek niet onderzocht. De hierboven besproken respondentkenmerken geven wat meer inzicht in hoe de groep respondenten 'eruit ziet'. Echter, gelet op de doelstelling van dit onderzoek en voor de beantwoording van de probleemstelling en de verschillende onderzoeksvragen zijn deze kenmerken niet relevant. Immers, dit onderzoek is uitgevoerd om te inventariseren welke behoefte generatie Einstein heeft ten aanzien van het social media gebruik van de politie en of deze behoefte aansluit bij het gebruik van social media door de politie tot nu toe. Onderscheid in respondentkenmerken binnen de generatie Einstein is voor de politie niet relevant omdat het niet doenlijk is voor de politie om hun beleid met betrekking tot social media af te stemmen op verschillen binnen deze groep. De respondentkenmerken worden daarom in deze onderzoeksrapportage verder buiten beschouwing gelaten. 34 Politie 2.0 is een online community toegankelijk via http://criminaliteitswijzer.ning.com en heeft tot doel het delen van kennis over de politie, intelligence en het complexe ICT dossier. Politie 2.0 is een platform voor geïnteresseerden in de gevolgen van de ontwikkelingen van het Web 2.0 voor het werk van de politieman/politievrouw en de manier waarop de politie haar intelligence doelstellingen wil bewerkstelligen en integreren in haar werk. 35 In Nederland is de Leerplichtwet van toepassing die bepaald dat iedereen in de leeftijd van 5 tot 18 jaar naar school moet.
  31. 31. 31 Generatie Einstein (N=525) Frequency Percent Man 245 46,7 Vrouw 280 53,3 Total 525 100,0 Tabel 2: Respondenten naar geslacht 4.2 Analyse De kwantitatieve en kwalitatieve data verkregen uit de online enquêtes is verzameld met het programma Excel. Omdat de enquête online via internet is uitgezet, zijn de resultaten automatisch verzameld en toegankelijk gemaakt door Excel. Analyses op de verkregen kwantitatieve data zijn uitgevoerd met SPSS36 . Analyses op de verkregen kwalitatieve data zijn uitgevoerd door middel van labeling. Indien van toepassing is ter ondersteuning van kwantitatieve analyses, de kwalitatieve data (na labeling van deze data) beschreven in de resultaten. De data is verzameld door het uitzetten van een enquête die tot doel had een aantal kenmerken en onderzoeksvariabelen in kaart te brengen. Dit type enquête kan daarom worden omschreven als een beschrijvende survey (descriptief onderzoek) (Geurts, 1999, p. 151). Er is onderzoek uitgevoerd, waarbij eenheden uit de steekproef van de populatie generatie Einstein op slechts één moment zijn gemeten. Dit steekproefonderzoek is cross- sectioneel onderzoek: de groep respondenten is zodanig samengesteld dat hij representatief is voor de generatie Einstein. Aan de hand van de vragenlijst (enquête) zijn variabelen gemeten die betrekking hebben op de volgende vier aandachtspunten: 1) gebruik van social media (vraag 1-8), 2) bekendheid met en gebruik van politie-informatie via social media (vraag 9-15), 3) specifieke behoeften aan politie-informatie via social media (vraag 16-17, 22-28) en 4) gebruik van mogelijkheid tot het delen van (beeld)content met politie via social media (vraag 18-21). 36 Statistical Package for the Social Sciences, bron: http://www.computerwoorden.nl/direct--3--SPSS.htm Afbeelding 3 hoogst genoten opleiding in %
  32. 32. 32 Hoofdstuk 5 Resultaten In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd. De resultaten zijn gecategoriseerd aan de hand van de vier aandachtspunten: 1) kenmerken gebruik van social media, 2) bekendheid met en gebruik van politie op social media, 3) behoeften aan aanwezigheid van de politie op social media en 4) gebruik van mogelijkheden tot het delen van (beeld)content met politie via social media. Dit hoofdstuk geeft antwoord op onderzoeksvraag 2 ‘Wat is de behoefte van generatie Einstein aan inzet van social media door de politie?’. De kwalitatieve data wordt, indien van toepassing, gepresenteerd ter ondersteuning van de resultaten uit kwantitatieve data-analyses. 5.1 Kenmerken gebruik van social media Uit het onderzoek blijkt dat respondenten via meerdere typen hardware toegang hebben tot social media. In Afbeelding 4 is te zien dat het meest gebruik wordt gemaakt van een smartphone (80,4%) en een laptop (79,4%). Hieruit blijkt dat door generatie Einstein vooral gebruik wordt gemaakt van mobiele hardware37 . Dit betekent dat de meeste respondenten (80%) op ieder moment toegang kunnen hebben tot social media, ongeacht op welke plaats zij zich bevinden (mobiel). Afbeelding 4 toegang tot social media via type hardware in % (N=525) In de enquête is gevraagd hoe de respondenten zich gedragen op social media. Bij deze vraag kon worden gekozen uit drie antwoordmogelijkheden waarmee het eigen gedrag op social media kon worden gekenmerkt. De keuzes waren: ‘ik ben een passief gebruiker’ (ik lees alleen berichten), ‘ik ben een actief gebruiker’ (ik lees berichten, maar plaatst daarnaast ook zelf actief berichten) of ‘ik ben niet aanwezig op social media’. In Afbeelding 5 is te zien dat 81% van de respondenten een actief gebruiker is en dat 16% een passief gebruiker is. De overige 3% heeft aangegeven niet aanwezig te zijn op social media. Uit nadere analyse van de data is gebleken dat 84% van de respondenten die hebben aangegeven een actieve gebruiker te zijn op social media, tevens gebruik maakt van een smartphone voor toegang tot social media. 37 Onder mobiele harware wordt in dit onderzoek verstaan: hardware die plaatsonafhankelijk kan worden gebruikt. In dit geval betreft het smartphone, laptop en tablet. Een desktop wordt onder niet-mobiele hardware geschaard.
  33. 33. 33 Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat van alle bestaande social netwerksites, Facebook (88%) door de respondenten het meest wordt gebruikt (Afbeelding 6). Hierna volgen Twitter (52%) en Youtube (48%). Beduidend minder in gebruik zijn Hyves (14%), LinkedIn (14%) en andere (14%) social media sites. Flickr (2%) en Netvibe (1%) wordt door enkele respondenten gebruikt en 2% van de respondenten is niet actief op social media. Van de respondenten (N=525) is 88% elke dag actief op social media, 8% elke week, 2% zelden en 2% heeft aangegeven niet actief te zijn op social media. Als reden voor het gebruik geeft 92% van de respondenten aan social media ‘voor het plezier’ te gebruiken (Afbeelding 7). Social media wordt door 71% van de respondenten daarnaast gebruikt voor het onderhouden van privé contacten. 56% gebruikt social media voor het zoeken van informatie, 28% gebruikt social media voor het werk en 12% om een andere, niet nader gedefinieerde, reden. Respondenten konden bij deze vraag meerdere redenen aangeven. Afbeelding 5 type gebruiker van social media in % (N=525) Afbeelding 6 meest actief op social media websites in % (N=525)
  34. 34. 34 Afbeelding 7 redenen gebruik social media in % (N=525) Samenvatting Op basis van de resultaten die verkregen zijn met betrekking tot het gebruik van social media door de generatie Einstein komt het volgende beeld naar voren: Veruit de meeste personen die behoren tot de generatie Einstein kunnen elk moment van de dag, ongeacht waar ze verblijven, gebruik maken van social media: ze maken vooral gebruik van mobiele hardware, nl. smartphones en laptops. Deze generatie leest niet alleen, maar plaatst ook berichten, foto's en filmpjes op social media en is derhalve vooral te karakteriseren als actieve gebruiker. Facebook, Twitter en Youtube worden het meest gebruikt. Ze zijn vooral actief op social media voor hun plezier, om privécontacten te onderhouden en om informatie op te zoeken. Veruit de meeste personen uit de generatie Einstein is elke dag actief op social media. 5.2 Bekendheid met en gebruik van politie-informatie via social media Van de respondenten (N=525) heeft meer dan de helft (60%) wel eens op social media gezocht naar politie-informatie en deze ook gevonden. Naar politie-informatie zoeken heeft vooral via Twitter plaatsgevonden (42%) (zie Afbeelding 8). Ook is regelmatig gezocht via Facebook (31%) en Youtube (30%) en in mindere mate via Hyves (15%). Van LinkedIn (3%), Myspace (1%), Flickr (1%) en Netvibes (1%) is nauwelijks gebruik gemaakt bij het zoeken naar informatie. Minder dan 9% van de respondenten heeft naar politie-informatie gezocht via andere bronnen dan in de grafiek genoemd.

×