Instituut voor Media, Informatie en Communicatie
Afstudeeropdracht
Adviesrapport
Het gebruik van sociale media in de
opspo...
Voorwoord
Voor u ligt het adviesrapport over het gebruik van sociale media in de
opsporingspraktijk, dat is uitgevoerd in ...
Managementsamenvatting
District Zuid van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland maakt gering en
ongestructureerd gebruik van...
Management summary
District South of the police force Amsterdam-Amstelland doesn’t use social media in
a frequently nor st...
Inhoudsopgave
1 Inleiding 9
1.1 Situatieschets 9
1.2 Probleemstelling 9
1.3 Strucuur 9
2 Probleemomschrijving 11
2.1 Probl...
4.4.4 Motieven en doel van participatie 30
4.4.5 Manieren en middelen van participatie 32
4.4.6 Invloed van het gebruik va...
7.2 Uitbreiden en intensiveren 69
7.3 Strategieën toepassen 70
7.4 Het gebruik ter kennis brengen 73
7.5 Anticiperen op on...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 9
1 Inleiding
In dit hoofdstu...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 10
informatie over dit onderw...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 11
2 Probleemomschrijving
In ...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 12
Deelvraag 3: In welk opzic...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 13
Matrix deelvragen/methode ...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 14
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 15
3 Onderzoeksmethode
In dit...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 16
opsporingspraktijk. Distri...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 17
Dit type onderzoek is pass...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 18
Het literatuuronderzoek be...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 19
3.4 Kwaliteit van de onder...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 20
onderzoek worden gemaakt. ...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 21
4 Deskresearch
In dit hoof...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 22
4.1.4 Kenmerken sociale me...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 23
4.1.7 Subconclusie
Sociale...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 24
Door sociale media kan de ...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 25
Al deze voorbeelden laten ...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 26
(expert)kennis en nuttige ...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 27
voordeel; hierdoor kunnen ...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 28
Centrum zijn dat 6 buurtre...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 29
sociale media. Dat wil zeg...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 30
Zuid gaat de wijk Hoofddor...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 31
Er is nog een concretere m...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 32
4.4.5 Manieren en middelen...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 33
Een persoonlijke berichtge...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 34
burgerparticipatie, zijn d...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 35
Groningse wijkagenten inmi...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 36
Het korps heeft gemerkt da...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 37
vermiste personen. De regi...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 38
media geldt dat er indien ...
Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 39
met 56,6%. Ook staan het i...
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk

1,363 views

Published on

Published in: Social Media
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
1,363
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
44
Actions
Shares
0
Downloads
6
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk

  1. 1. Instituut voor Media, Informatie en Communicatie Afstudeeropdracht Adviesrapport Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk In opdracht van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland (district Zuid) Rebecca van Someren Studentnummer: 500532827 RV5ALL Scriptiedocent (1) Bas Naber Scriptiedocent (2) Caspar Muller 6 november 2012
  2. 2. Voorwoord Voor u ligt het adviesrapport over het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk, dat is uitgevoerd in opdracht van district Zuid van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Dit adviesrapport dient als afstudeeropdracht voor de opleiding Media, Informatie & Communicatie (profiel Redactie & Mediaproductie) aan de Hogeschool van Amsterdam. Tijdens mijn stage bij de regiopolitie Zaanstreek-Waterland in 2010 was ik werkzaam bij de secties Communicatie en Voorlichting. In die tijd waren deze afdelingen bezig met het realiseren van de invoering van het gebruik van Twitter door het korps. In datzelfde jaar begonnen de eerste buurtregisseurs van het korps Twitter te gebruiken. Ook diverse andere korpsen in Nederland startten met het gebruik van dit sociale medium. Deze nieuwe ontwikkelingen binnen de politieorganisatie en het feit dat het gebruik van sociale media in de opsporing nog in de kinderschoenen staat, vormden voor mij een aanleiding en een mooie kans om nuttig onderzoek te verrichten voor district Zuid. Door middel van de resultaten die uit het onderzoek naar voren komen, wil ik district Zuid adviseren hoe zij het gebruik van sociale media in de opsporing kan optimaliseren. Dit advies bestaat uit een passende sociale mediastrategie en concrete aanbevelingen voor de uitvoering ervan in de opsporingspraktijk. Mijn dank gaat allereerst uit naar mijn scriptiedocent Bas Naber en mijn scriptiebegeleider bij het korps Remko de Boer. Deze personen hebben gediend als eerste aanspreekpunt tijdens het onderzoeksproces. Daarnaast gaat mijn dank uit naar mijn opdrachtgever Jan Swaan voor het bieden van deze kans. Tenslotte wil ik mijn tweede scriptiedocent Caspar Muller en alle geïnterviewden, panelleden en andere personen die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van dit adviesrapport, bedanken voor hun medewerking. Rebecca van Someren
  3. 3. Managementsamenvatting District Zuid van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland maakt gering en ongestructureerd gebruik van sociale media. Hierdoor laat het korps veel kansen liggen in de opsporing. Het doel van dit onderzoek was om inzicht te verkrijgen in het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk van district Zuid en in de wensen en voorkeuren van de doelgroep, om zo een sociale mediastrategie te ontwikkelen voor district Zuid (onderdeel van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland). Naast het doen van uitvoerig deskresearch, zijn er interviews afgenomen met twee experts op het gebied van sociale media en politie en met zes politiekorpsen, waarvan vijf Nederlandse korpsen en één Brits korps. Daarnaast is er een panelgesprek gehouden onder vier doelgroepleden. Uit het panelgesprek is o.a. gebleken dat er behoefte is aan uitbreiding van het huidige sociale media gebruik onder buurtregisseurs en aan het actief onder de aandacht brengen van het sociale media gebruik van district Zuid onder burgers. Daarnaast gaven de panelleden aan dat zij graag een terugkoppeling ontvangen als zij participeren aan de opsporing. Uit de interviews is o.a. gebleken dat het van belang is dat district Zuid het gebruik van sociale media ten eerste intern in kaart brengt voordat er extern wordt gecommuniceerd. Verder is gebleken dat de best practices effectieve werkwijzen gebruiken in hun opsporingspraktijk en dat het belangrijk is om te anticiperen op ontwikkelingen op het gebied van sociale media. Aan de hand van deze uitkomsten zijn er conclusies getrokken en is er een advies opgesteld. Dit advies bestaat uit een passende sociale mediastrategie voor district Zuid en concrete aanbevelingen voor de uitvoering ervan in de opsporingspraktijk. De aanbevelingen voor district Zuid bestaan uit de volgende vijf stappen. Deze stappen dienen in chronologische volgorde uitgevoerd te worden. 1. Inventariseren en structureren: Realiseer eenduidigheid binnen het korps wat betreft het gebruik van sociale media. Breng structuur aan in de Twitteraccounts van buurtregisseurs, zodat deze accounts voor burgers inzichtelijk en makkelijk vindbaar zijn. 2. Uitbreiden en intensiveren: Breid het gebruik van Twitter onder buurtregisseurs uit (elke wijk dient vertegenwoordigd te zijn door minstens één buurtregisseur) en maak frequenter gebruik van de drie essentiële sociale media Twitter, YouTube en Facebook. 3. Strategieën toepassen: Pas de vier manieren van burgerparticipatie efficiënt toe en maak tegelijkertijd gebruik van de mogelijkheid om (sociale) media te combineren en te verbinden. Houd burgers op de hoogte over wat er - naar aanleiding van een tip of melding - met een zaak is gebeurd. 4. Het gebruik ter kennis brengen: Breng het sociale media gebruik actief onder de aandacht van burgers d.m.v. een campagne of ‘oude’ media. 5. Anticiperen op ontwikkelingen: Leer van fouten en deel elkaars tips. Blijf op de hoogte van ontwikkelingen op het gebied van sociale media en pas werkwijzen voortdurend aan op ontwikkelingen, kennis en bekwaamheid.
  4. 4. Management summary District South of the police force Amsterdam-Amstelland doesn’t use social media in a frequently nor structured way. Because of this the force loses many opportunities for detection. The goal of this thesis was to gain insight into the use of social media for detection by district South and into the needs and wishes of the target group, to develop a social media strategy for district South (component of the police force Amsterdam- Amstelland). Apart from detailed desk research, interviews were held with two experts in social media and police and with six police forces, of which five Dutch forces and one Brittish force. Furthermore a panel discussion among target group members was organized. The panel discussion has shown that there is need for expansion of the current social media use among local police officers and for conveying the use of social media by district South among citizens. Beyond that, the panel members announced that they would like to receive feedback as they participate in detection. The interviews has shown that district South should reconcile their social media use internally at first, before they use social media for external communication. Furthermore, the interviews have shown that the best practices use effective methods as regards to the use of social media and that it is important to anticipate at developments of social media. On the basis of these findings, there are conclusions and an advice made. This advice contains a suitable social media strategy for district South and concrete recommendations for implementation for detection. The recommendations towards district South contain the following five steps. These steps should be accomplished in chronological order. 1. Inventorying and structuring: Realize consistency within the force regarding to the use of social media. Structure the Twitter accounts of local police officers, so that these accounts are clear and easy to find for citizens. 2. Expanding and intensifying: Extend the use of Twitter among local police officers (each district must be represented by at least one local police officer) and use the three essential social media Twitter, YouTube and Facebook more frequently. 3. Applying strategies: Adjust the four ways of citizen participation efficiently and use the opportunity to combine and connect (social) media. Keep citizens informed about what has happened to a case on account of a tip or report. 4. Conveying the use of social media: Convey information about the use of social media by the force through a campaign or ‘old’ media. 5. Anticipating at developments: Learn from mistakes and share each other’s tips. Keep informed of developments about social media and fit methods continually to developments, knowledge and competence.
  5. 5. Inhoudsopgave 1 Inleiding 9 1.1 Situatieschets 9 1.2 Probleemstelling 9 1.3 Strucuur 9 2 Probleemomschrijving 11 2.1 Probleemstelling 11 2.2 Doelstelling 11 2.3 Deelvragen 11 2.4 Begripsafbakening 13 3 Onderzoeksmethode 15 3.1 Doelgroep 15 3.2 Methoden en technieken 15 3.2.1 Vooronderzoek 15 3.2.2 Deskresearch 16 3.2.3 Interviews 16 3.2.4 Panelgesprek 17 3.3 Verantwoording van de diepgang van het literatuuronderzoek 18 3.4 Kwaliteit van de onderzoeksinstrumenten 19 3.5 Beschrijving van de data-analysemethode 19 4 Deskresearch 21 4.1 Sociale media in de Nederlandse samenleving 21 4.1.1 Gebruik sociale media 21 4.1.2 Mobiel gebruik 21 4.1.3 Gebruikers sociale media 21 4.1.4 Kenmerken sociale media 22 4.1.5 Invloed sociale media op de samenleving 22 4.1.6 Toekomst sociale media 22 4.1.7 Subconclusie 23 4.2 Het belang van sociale media voor de politie 23 4.2.1 De rol van sociale media in het politiewerk 23 4.2.2 Voordelen en valkuilen gebruik sociale media 24 4.2.3 Kenmerken opsporing door burgerhulp 25 4.2.4 Subconclusie 26 4.3 Het gebruik van sociale media door district Zuid 27 4.3.1 Regiobreed en lokaal gebruik 27 4.3.2 Constateringen en resultaten 28 4.3.3 Subconclusie 29 4.4 Doelgroepanalyse 29 4.4.1 Geografische kenmerken 29 4.4.2 Demografische kenmerken 30 4.4.3 Psychografische en sociale kenmerken 30
  6. 6. 4.4.4 Motieven en doel van participatie 30 4.4.5 Manieren en middelen van participatie 32 4.4.6 Invloed van het gebruik van sociale media door de politie op burgers 32 4.4.7 Subconclusie en segmentatie 33 4.5 Het gebruik van sociale media door Nederlandse en internationel korpsen 34 4.5.1 Algemene strategieen, ontwikkelingen en middelen 34 4.5.2 Regiopolitie Groningen 34 4.5.3 Regiopolitie Brabant Zuid-Oost 35 4.5.4 Regiopolitie Utrecht 36 4.5.5 Regiopolitie Haaglanden 36 4.5.6 Regiopolitie Hollands-Midden 38 4.5.7 Politiekorpsen Verenigde Staten 38 4.5.8 Nationale politie & 9 domeinen strategie 39 4.5.9 Subconclusie 40 5 Fieldresearch 45 5.1 Het belang van sociale media voor de politie 46 5.1.1 Voordelen gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk 46 5.1.2 Valkuilen gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk 46 5.1.3 Kenmerken opsporing door burgerhulp 46 5.1.4 Kansen en suggesties gebruik sociale media in de opsporingspraktijk 46 5.1.5 Anticiperen op sociale media 47 5.1.6 Subconclusie 48 5.2 Doelgroepanalyse 50 5.2.1 Algemeen gebruik sociale media, internet en mobiel internet 50 5.2.2 Het volgen van de politie via sociale media 50 5.2.3 Invloed sociale media op relatie politie en burger 51 5.2.4 Motieven van participatie 51 5.2.5 Manieren en middelen van participatie 51 5.2.6 Demografische, psychografische en sociale kenmerken 51 5.2.7 Sociale media gebruik district Zuid 52 5.2.8 Subconclusie 53 5.3 Het gebruik van sociale media door Nederlandse en internationale korpsen 55 5.3.1 Gebruik sociale media kanalen 55 5.3.2 Strategische inzet 56 5.3.3 Doelstellingen gebruik sociale media 57 5.3.4 Beleid, protocollen en richtlijnen 57 5.3.5 Resultaten, effecten en constateringen 59 5.3.6 Toekomstperspectief gebruik sociale media 60 6 Conclusie 61 6.1 Beantwoording van de deelvragen 61 6.2 Beantwoording van de centrale vraag 65 7 Advies 69 7.1 Inventariseren en structureren 69
  7. 7. 7.2 Uitbreiden en intensiveren 69 7.3 Strategieën toepassen 70 7.4 Het gebruik ter kennis brengen 73 7.5 Anticiperen op ontwikkelingen 73 8 Evaluatie 75 8.1 Wat ging er goed? 75 8.2 Wat ging er minder goed? 75 8.1 Betrouwbaarheid en validiteit 76 9 Literatuurlijst 77
  8. 8. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 9 1 Inleiding In dit hoofdstuk komen de situatieschets, de probleemstelling en de structuur van het onderzoek aan bod. 1.1 Situatieschets Dit onderzoek, dat is uitgevoerd in opdracht van de regiopolitie Amsterdam- Amstelland (district Zuid), gaat over het gebruik van sociale media door de politie met de intentie om misdrijven en andere delicten op te lossen. District Zuid van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland maakt weinig en ongestructureerd gebruik van sociale media in haar opsporingspraktijk. De korpsleiding is van mening dat zij hierdoor veel kansen laat liggen. Daarnaast wordt er door dit korps weinig tot geen onderzoek gedaan naar hoe sociale media het beste kunnen worden ingezet. Door de opkomst van sociale media, is de politie de afgelopen jaren steeds meer gebruik gaan maken van deze middelen bij het oplossen van misdrijven en andere delicten. Burgerparticipatie is van alle tijden, maar staat op het gebied van sociale media nog in de kinderschoenen. De vraag hierbij is op welke manieren het gebruik van deze hulpmiddelen bijdraagt aan het oplossen van verschillende zaken. Bij welk soort zaken boekt de politie het meeste resultaat door het gebruik van sociale media? Bij welke zaken ligt dit moeilijker? 1.2 Probleemstelling Hoe kan district Zuid van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, door aan te sluiten bij de wensen en voorkeuren van de doelgroep (burgers die nieuwsgierig, betrokken en onderzoekend zijn, veel mensen kennen en goed met internet kunnen omgaan), het gebruik van sociale media in haar opsporingspraktijk optimaliseren? 1.3 Structuur De opdrachtgever voor dit onderzoek is district Zuid van de regiopolitie Amsterdam- Amstelland. In dit onderzoek wordt voornamelijk ingegaan op hoe sociale media kunnen worden ingezet in de opsporingspraktijk. Hoe gaan Nederlandse en internationale korpsen om met sociale media? Wat is het belang van sociale media voor de politie? Welk soort burgers is bereid de politie hulp aan te bieden? Wat levert het gebruik van Twitter op? Om tot een passend antwoord te komen op bovenstaande vragen wordt er uitvoerig onderzoek gedaan. Met behulp van deskresearch wordt er gezocht naar bestaande
  9. 9. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 10 informatie over dit onderwerp. Om meer detailleerde informatie te verkrijgen wordt er fieldresearch gedaan in de vorm van diepte-interviews en een panelgesprek. In de probleemomschrijving (hoofdstuk 2) komen de probleemstelling, doelstelling en deelvragen van dit onderzoek aan bod. De resultaten van de deelvragen gezamenlijk moeten uiteindelijk antwoord kunnen geven op de centrale vraag. In het hoofdstuk ‘Onderzoeksmethode’ worden de methodes en technieken van het onderzoek beschreven en de verantwoording hiervoor. Tevens wordt er informatie gegeven over de betrouwbaarheid en validiteit van het onderzoek. In hoofdstuk 4, ‘Literatuuronderzoek’, wordt ingegaan op alle deelvragen die met deze techniek beantwoord zullen worden. Naast internetbronnen zal er ook literatuur worden gebruikt om dit te kunnen bereiken. In het vijfde hoofdstuk komen de resultaten van de fieldresearch aan bod. Dit zijn de uitkomsten en de analyse van de diepte-interviews en het panelgesprek. In de conclusie worden alle uitkomsten van het onderzoek samengevat, met elkaar vergeleken en verbonden. Alle deelvragen worden beantwoord. Er worden koppelingen gemaakt tussen de verschillende resultaten die samen de centrale vraag beantwoorden. Het hoofdstuk ‘Advies’ bestaat uit een passende sociale mediastrategie en concrete aanbevelingen voor de uitvoering ervan in de opsporingspraktijk. In de evaluatie wordt beschreven hoe het onderzoek is verlopen en persoonlijk is ervaren. Dit houdt in: een evaluatie van het gehele onderzoeksproces, eventuele problemen, etcetera.
  10. 10. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 11 2 Probleemomschrijving In dit hoofdstuk komen de probleemstelling, de doelstelling, de deelvragen en de begripsafbakening van het onderzoek aan bod. 2.1 Probleemstelling Hoe kan district Zuid van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, door aan te sluiten bij de wensen en voorkeuren van de doelgroep (burgers die nieuwsgierig, betrokken en onderzoekend zijn, veel mensen kennen en goed met internet kunnen omgaan), het gebruik van sociale media in haar opsporingspraktijk optimaliseren? 2.2 Doelstelling Inzicht verkrijgen in het gebruik van sociale media in de opsporingpraktijk van district Zuid en in de wensen en voorkeuren van de doelgroep, om zo een sociale mediastrategie te ontwikkelen voor district Zuid (onderdeel van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland). 2.3 Deelvragen Om de probleemstelling te kunnen beantwoorden, is deze vraag opgesplitst in een aantal deelvragen. Deze deelvragen worden onderzocht door middel van deskresearch en fieldresearch (diepte-interviews en een panelgesprek). Deelvraag 1: Wat is de invloed van sociale media op de Nederlandse samenleving? Onderzoeksvragen:  Welke sociale media worden er gebruikt in Nederland en in welke mate?  Wat zijn de kenmerken van sociale media?  Door wie worden sociale media gebruikt?  Hoe heeft het gebruik van sociale media de samenleving veranderd?  Hoe zullen sociale media zich in de toekomst ontwikkelen? Deelvraag 2: Wat is het belang van sociale media voor de politie? Onderzoeksvragen:  Wat zijn de voordelen van het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk?  Wat zijn de valkuilen van het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk?  Wat zijn de belangrijkste kenmerken van opsporing door burgerhulp?
  11. 11. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 12 Deelvraag 3: In welk opzicht en in welke mate maakt district Zuid van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland al gebruik van sociale media en met welk resultaat gebeurt dit? Onderzoeksvragen:  Welke sociale media worden er gebruikt?  In welke mate en structuur gebeurt dit?  Wat wordt er op sociale media geplaatst?  Welke resultaten levert het gebruik van sociale media op voor district Zuid?  In welke opzichten schiet men tekort wat betreft het gebruik van sociale media? Deelvraag 4: Wie is de doelgroep? Onderzoeksvragen:  Welk soort burgers zijn bereid de politie hulp te bieden?  Welke motieven hebben zij hiervoor?  Wat willen zij daarmee bereiken?  Hoe bieden burgers de politie hulp aan? Welke middelen zetten ze daarvoor in?  Op welke manieren raakt de burger het meest gemotiveerd om te participeren aan de opsporingspraktijk?  Wat zijn de demografische kenmerken van de doelgroep?  Wat zijn de psychografische en sociale kenmerken van de doelgroep?  Welke invloed heeft het gebruik van sociale media door de politie op burgers en op de relatie tussen politie en burger? Deelvraag 5: Wat voor sociale mediastrategieën worden er in andere politiekorpsen in Nederland en in het buitenland gehanteerd? Onderzoeksvragen:  Wat voor sociale mediastrategieën hanteren diverse Nederlandse en buitenlandse korpsen?  Wat valt hieraan op? Wat kunnen we ervan leren?  Welke resultaten leveren deze strategieën op?  Welke sociale media zijn het meest effectief met betrekking tot de opsporingspraktijk?
  12. 12. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 13 Matrix deelvragen/methode van onderzoek Deskresearch Fieldresearch Internationale component Kwantitafief onderzoek Kwalitatief onderzoek Deelvraag 1 X Deelvraag 2 X X Deelvraag 3 X Deelvraag 4 X X Deelvraag 5 X X X 2.4 Begripsafbakening Om de onderzoeksresultaten te begrijpen en te interpreteren, wordt gebruik gemaakt van enkele theoretische begrippen. Variabelen Onder de term ‘variabelen’ worden de kenmerken van bepaalde onderzoeksgegevens verstaan. Zo zijn er kenmerken als leeftijd, meningen, gedrag, enzovoorts (Verhoeven, 2008). Onderzoeksdomein Met het onderzoeksdomein wordt het hele ‘gebied’ bedoeld waarop het onderzoek betrekking heeft (Verhoeven, 2008). In dit geval betreft het onderzoeksdomein het district Zuid van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Populatie De populatie betreft het totale aantal eenheden waarop het onderzoek betrekking heeft (Verhoeven, 2008). Met andere woorden: de doelgroep van het onderzoek. Sociale media ‘Sociale media’ is een verzamelbegrip voor alle internettoepassingen waarmee het mogelijk is om informatie met elkaar te delen (Social Media Solutions, z.j.). Voorbeelden zijn Facebook, Twitter, Youtube en Wikipedia. Sociale media maken het voor gebruikers mogelijk om een persoonlijke identiteit te creëren en om sociale interactie te hebben met andere gebruikers (Dainton en Zelley, 2011).
  13. 13. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 14
  14. 14. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 15 3 Onderzoeksmethode In dit hoofdstuk worden de doelgroep, de methodes en technieken (inclusief verantwoording), de betrouwbaarheid en de validiteit van het onderzoek beschreven. 3.1 Doelgroep De doelgroep van dit onderzoek betreft burgers die woonachtig zijn in het geografische gebied van district Zuid, en in het bijzonder burgers met een specifiek profiel. Nieuwsgierige, betrokken en onderzoekende burgers – die veel mensen kennen en goed met internet kunnen omgaan – blijken namelijk een goede bijdrage te kunnen leveren aan politiewerk (Sprenger en Lassche, 2011). Deze burgers kunnen in twee groepen worden onderscheiden: de burger als rechercheur (meehelpen met de opsporing) en de burger als wijkagent (signaleren, corrigeren, gemeenschappen bouwen, enzovoort) (Bekkers en Meijer, 2010). In de opsporingspraktijk kunnen uiteraard beide groepen van belang zijn. Voor de burger spelen spanning en sensatie een grote rol bij de motivatie om te participeren (Bekkers en Meijer, 2010). Om de overige kenmerken van deze specifieke doelgroep vast te stellen, wordt er tevens onderzocht op onder andere geslacht, leeftijd, inkomen en religie. Door middel van onderzoek naar deze kenmerken vindt doelgroepsegmentatie plaats en ontstaan binnen de doelgroep diverse segmenten. Deze segmenten hebben elk hun eigen specifieke profiel. 3.2 Methoden en technieken Dit praktijkonderzoek wordt uitgevoerd door middel van deskresearch en fieldresearch. Onder de deskresearch valt het literatuuronderzoek en de interne interviews. De fieldresearch bestaat uit acht interviews en een panelgesprek. 3.2.1 Vooronderzoek Voor de start van dit onderzoek is een vooronderzoek afgerond (zie bijlage 1; afstudeervoorstel). Dit vooronderzoek bestond uit korte interviews met vijf professionals over het gebruik van sociale media door de politie. Deze professionals zijn Jan Kroese (communicatieadviseur politie Zaanstreek-Waterland), Otto Scholten (wijkagent politie Zaanstreek-Waterland), Han van Someren (wijkagent politie Zaanstreek-Waterland), Jan Swaan (chef operationele zaken politiekorps district Zuid Amsterdam-Amstelland) en Paul Bos (hoofd recherche politiekorps district Zuid Amsterdam-Amstelland). Uit de interviews komt naar voren dat het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk nog in de kinderschoenen staat. Door de opkomst van het digitale tijdperk wordt er steeds meer gebruik gemaakt van sociale media door de politie. Uit de interviews met de professionals van district Zuid bleek dat dit korps een onregelmatig en ongestructureerd beleid heeft op het gebied van sociale media. In vergelijking met andere korpsen, zo veronderstellen de geïnterviewde politiemensen, maken zij relatief weinig gebruik van sociale media in hun
  15. 15. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 16 opsporingspraktijk. District Zuid heeft de behoefte om dit gebruik te optimaliseren (Swaan e.a., 2012). 3.2.2 Deskresearch Door middel van deskresearch wordt er antwoord gegeven op een aantal deelvragen. De bronnen die gebruikt worden zijn voornamelijk afkomstig van het internet en van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland en andere korpsen. Voorbeelden hiervan zijn Website voor de politie en het rapport Een wereld te winnen… Sociale media en politie, een eerste verkenning door Snel en Tops. Tevens wordt er literatuur gebruikt om de internetbronnen aan te vullen, zoals het boek Cocreatie in de publieke sector van Bekkers en Meijer. Daarnaast worden er enkele interviews afgenomen met medewerkers binnen district Zuid van de politie Amsterdam-Amstelland. Het doel van deze interviews is om te achterhalen welke sociale media er al door het korps worden gebruikt, in welke mate dit gebeurt en met welk succes. Tevens worden de behoeften van het korps - wat betreft het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk - gepeild. Door deskresearch uit te voeren wordt er informatie gehaald uit bestaande bronnen/onderzoeken. Hierdoor is het niet nodig om zelf fieldresearch uit te voeren naar bepaalde onderwerpen, omdat deze informatie namelijk al bestaat. Het is een makkelijke en snelle manier om onderzoek te doen. De ‘best practices’ binnen dit onderzoek zijn de werkwijzen en theorieën van andere korpsen wat betreft hun gebruik van sociale media. Het gebruik van Twitter door wijkagenten en de omgang met Facebook en Youtube als hulpmiddel in de opsporingspraktijk zijn voorbeelden van werkwijzen en theorieën die worden onderzocht. Doordat de politie een overheidsinstelling is en de korpsen onderling samenwerken, is er geen sprake van concurrentie. De korpsen Brabant Zuid-Oost, Hollands-Midden, Utrecht, Groningen en Haaglanden worden genoemd als korpsen die voorop lopen bij het gebruik van sociale media (Snel en Tops, 2011). Naast deskresearch uit te voeren naar de werkwijzen van bovengenoemde korpsen, worden deze korpsen benaderd via de regiopolitie Amsterdam-Amstelland voor nadere informatie in de vorm van interviews. Om een internationale component aan dit onderzoek toe te voegen, wordt er gekeken naar hoe politiekorpsen in andere landen, zoals de Verenigde Staten en Groot- Brittannië, sociale media inzetten bij hun opsporingspraktijk. Deze informatie wordt voornamelijk verzameld door het uitvoeren van deskresearch. Daarnaast wordt een Brits politiekorps benaderd via de regiopolitie Amsterdam-Amstelland voor nadere informatie in de vorm van een interview. 3.2.3 Interviews Het afnemen van interviews met externe deskundigen is een vorm van fieldresearch. Het doel is om extra en meer detailleerde informatie te verzamelen over het onderwerp om op deze manier de centrale vraag van het onderzoek te kunnen beantwoorden.
  16. 16. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 17 Dit type onderzoek is passend, omdat het naar schatting veel bruikbare informatie zal opleveren. De fieldresearch dient als een aanvulling op de deskresearch en zal een toegevoegde waarde hebben voor het onderzoek. Het doel van de interviews is om meer informatie en kennis te vergaren over onder andere sociale mediastrategieën van Nederlandse en internationale politiekorpsen, burgerhulp via sociale media en de mogelijkheden van sociale media wat betreft de opsporingspraktijk. Daarnaast richten de interviews zich ook op de vooruitzichten van sociale media in de toekomst. Er wordt belicht hoe de invloed van sociale media op de samenleving zich (naar schatting) zal ontwikkelen en hoe de politie hierop kan anticiperen. In totaal worden er acht interviews afgenomen. Vijf van deze interviews worden gehouden met communicatieadviseurs of woordvoerders van verscheidene Nederlandse korpsen, waaronder de korpsen Groningen, Brabant Zuid-Oost, Utrecht, Haaglanden en Hollands-Midden. Deze korpsen gelden in Nederland als voorlopers als het gaat om het gebruik van sociale media (Snel en Tops, 2011). Daarnaast wordt één interview afgenomen met een communicatieadviseur of woordvoerder van het Britse korps The Northumbria Police, wat dient als internationale component binnen dit onderzoek. De overige twee interviews worden gehouden met experts op het gebied van sociale media en opsporing, namelijk: Albert Meijer (hoogleraar Bestuurskunde en doet onderzoek naar politie en sociale media) en Nicolien Kop (lector Criminaliteitsbeheersing en Recherchekunde). 3.2.4 Panelgesprek Het houden van een panelgesprek is een vorm van fieldresearch. Het doel is om meer bruikbare informatie te verzamelen over de doelgroep, zodat deze gegevens kunnen worden verwerkt in de te ontwikkelen sociale mediastrategie voor district Zuid van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Het panelgesprek vindt plaats onder de doelgroep van dit onderzoek; oplettende burgers die bereid zijn de politie hulp aan te bieden. Ze zijn betrokken bij hun buurt en ervaren met sociale media. Aan het panel nemen minstens zes personen deel. Er wordt naar gestreefd om van elk segment in de doelgroep een vertegenwoordiger in het panel te hebben. Tijdens het panelgesprek wordt er onder andere ingegaan op de kenmerken van de doelgroep, hun motieven om te participeren, welke middelen zij hiervoor gebruiken, in welke mate zij gebruik maken van sociale media, wat hun behoeften zijn, enzovoorts. Het panelgesprek dient tevens om eerdere bevindingen over de doelgroep te checken en te verrijken. Bij het panelgesprek komen daarom ook gegevens uit de deskresearch en de interviews aan bod. 3.3 Verantwoording van de diepgang van het literatuuronderzoek De basis van het adviesrapport zal bestaan uit literatuuronderzoek. Dit literatuuronderzoek fungeert als een bodem voor de fieldresearch.
  17. 17. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 18 Het literatuuronderzoek bestaat voornamelijk uit kwalitatieve gegevens, zoals beschrijvingen van theorieën en strategieën op het gebied van sociale media en politie. Voorbeelden hiervan zijn werkwijzen van korpsen – bijvoorbeeld wat betreft het gebruik van Twitter door wijkagenten en de omgang met Facebook en Youtube als hulpmiddel in de opsporingspraktijk - en hun behaalde resultaten, de visies van experts en het gebruik van sociale media in Nederland. De politiekorpsen die onder de loep worden genomen, zijn onder andere de politie Utrecht, Haaglanden en Brabant Zuid-Oost. Daarnaast komen ook kwantitatieve gegevens aan bod, bijvoorbeeld voor het uitdrukken van gegevens over de doelgroep of het gebruik van sociale media. Deze kwantitatieve gegevens dienen om hoeveelheden en percentages aan te tonen, zodat meer inzicht wordt gegenereerd voor de kwalitatieve kant van het onderzoek. Tijdens het literatuuronderzoek worden voornamelijk gegevens verzameld uit boeken, artikelen, (onderzoeks)rapporten en internet. Voorbeelden zijn Een wereld te winnen… van Snel en Tops, politievakblad Blauw en Applying communication theory for professional life van Dainton en Zelley. Een deel van de literatuur is afkomstig uit bronnen van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland en verscheidene andere politiekorpsen (zoals Een wereld te winnen… van Snel en Tops en politievakblad Blauw); de rest is afkomstig uit externe bronnen, zoals literatuur, (internet)artikelen en onafhankelijke onderzoeken (zoals het artikel Applying communication theory for professional life van Dainton en Zelley). Door middel van literatuuronderzoek komt een doelgroepanalyse tot stand. In deze analyse wordt de doelgroepsegmentatie beschreven. De segmentatie wordt onderscheiden in de volgende segmentcriteria: geografisch, demografisch, sociaal- economisch en psychografisch (Intemarketing, 2009). Om te kunnen begrijpen hoe en waarom burgers de politie willen helpen, zal tevens worden gesegmenteerd op sociaal psychologisch vlak. Bij sociale psychologie gaat het om menselijke interactie en de invloed van de sociale omgeving op het menselijk denken en handelen (Vrije Universtiteit Amsterdam, z.j.). De ‘best practices’ binnen dit onderzoek zijn de politiekorpsen in Nederland die voorop lopen in het gebruik van sociale media en de internationale componenten. Het doel is om relevante informatie te verzamelen over de werkwijzen en theorieën van andere korpsen wat betreft sociale media, zodat deze gegevens kunnen worden toegepast bij het ontwikkelen van een sociale mediastrategie voor district Zuid. De internationale component binnen dit onderzoek is afkomstig van korpsen uit de Verenigde Staten en uit Europa. Er wordt gekeken hoe internationale korpsen sociale media inzetten bij hun opsporingspraktijk en welke resultaten dit oplevert. De uitkomsten hiervan worden toegepast bij het ontwikkelen van een sociale mediastrategie voor district Zuid.
  18. 18. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 19 3.4 Kwaliteit van de onderzoeksinstrumenten In dit onderzoek zijn twee soorten validiteit van belang: populatievaliditeit en begripsvaliditeit. Populatievaliditeit houdt in of de steekproef een afspiegeling is van de doelgroeppopulatie. Bij begripsvaliditeit is het belangrijk of ‘men meet wat men wilt meten’ (Verhoeven, 2008). Bij kwalitatief onderzoek staat populatievaliditeit ter discussie, omdat de steekproef niet aselect is of een kleine groep personen betreft. Daarnaast laat begripsvaliditeit te wensen over, aangezien de belevingswereld van de te onderzoeken personen centraal staat en niet het te meten begrip of instrument (Verhoeven, 2008). Bij kwalitatief onderzoek gaat het erom, anders dan bij kwantitatief onderzoek, in hoeverre een onderzoek inhoudelijk generaliseerbaar is of in welke mate de conclusies in soortgelijke situaties gelden (Verhoeven, 2008). Om dit onderzoek daarom zo betrouwbaar en valide mogelijk te maken, worden de volgende handelingen ondernomen: 1. Er worden verscheidene onderzoekstechnieken gebruikt. De onderzoekstechnieken die in dit onderzoek worden toegepast zijn de deskresearch, het afnemen van interviews en het houden van een panelgesprek. Door gebruik van deze drie technieken vindt triangulatie plaats (Verhoeven, 2008). Op deze manier wordt gestreefd naar resultaten die het dichtst bij de werkelijkheid liggen. 2. Alle verkregen informatie en de stappen die hierbij worden gezet, worden op een juiste manier geregistreerd. Aantekeningen worden bijgehouden in een logboek. 3. Tijdens het uitvoeren van deskresearch zal gebruik worden gemaakt van zo recent mogelijke bronnen. Er wordt naar gestreefd dat het merendeel van de bronnen die gebruikt worden uit de jaartallen 2012 en 2011 stammen. 4. De vragenlijsten en topiclijsten van de interviews en het panelgesprek zijn reëel en bruikbaar, zodat de uitkomsten ervan daadwerkelijk kunnen worden toegepast bij het trekken van conclusies. De vragen en onderwerpen worden efficiënt opgesteld en staan in verband met de probleemstelling, doelstelling en deelvragen. 5. Om te controleren of er daadwerkelijk om relevante en bruikbare informatie wordt gevraagd, worden de vragen- en topiclijsten vooraf getest onder een doelgroeplid. 6. Tijdens het panelgesprek wordt gebruik gemaakt van opnameapparatuur, waardoor de verkregen informatie op een juiste manier geregistreerd wordt en kan worden verwerkt. 3.5 Beschrijving van de data-analysemethode De kwalitatieve gegevens die met dit onderzoek vergaard worden, worden op een efficiënte manier verwerkt. Tijdens het gehele verwerkingsproces wordt een logboek bijgehouden met alle aantekeningen, analyses, keuzes en argumenten die tijdens het
  19. 19. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 20 onderzoek worden gemaakt. Nadat er gegevens verzameld zijn, is het van belang om deze gegevens eerst uiteen te rafelen en samen te vatten. Voor de desk- en fieldresearch geldt hier dat er eerst relevante informatie wordt geselecteerd. Vervolgens wordt deze informatie verdeeld in kleine fragmenten en samengevat. Daarna worden de gebruikte termen in het onderzoek geëvalueerd en gecodeerd, zodat er een eerste vorm van definiëring wordt toegekend aan de bevindingen. Er wordt een betekenis toegekend aan de gegevens van de deskresearch en de fieldresearch. Hierbij wordt tevens gekeken bij welke deelvraag de gegevens horen. Op deze manier kunnen verscheidene onderwerpen binnen het onderzoek gemakkelijk worden geordend. Bij het ordenen van de bevindingen wordt een schematische weergave van de resultaten gemaakt. Hierbij worden bijvoorbeeld tabellen en opsommingtekens gebruikt. De termen worden gegroepeerd en gesorteerd en vervolgens wordt er naar verbanden tussen de gegevens gezocht. Er wordt gekeken welke bevindingen van de desk- en fieldresearch met elkaar te maken hebben. Er worden verbanden gelegd en eventuele opmerkelijkheden belicht. Hierdoor ontstaat er structuur in de bevindingen en kunnen er conclusies worden getrokken (Verhoeven, 2008). Deze conclusies worden getrokken door alle resultaten in verband te brengen met de probleemstelling.
  20. 20. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 21 4 Deskresearch In dit hoofdstuk wordt bestaande informatie over het onderwerp behandeld. 4.1 Sociale media in de Nederlandse samenleving Sociale media kunnen in onderstaande vijf groepen worden ingedeeld. In de opsporingspraktijk zijn voornamelijk de eerste twee groepen van belang. 1. Sociale netwerk-sites: Facebook, Hyves, LinkedIn 2. Bottom up ‘broadcasting’: Twitter, YouTube 3. Interactieve blogs: geenstijl.nl, fok.nl, joop.nl 4. Online samenwerking en creatie van content: Wikipedia 5. Object georganiseerd ervaringen: booking.com voor hotels, iens.nl voor restaurants (Zouridis en Tops, 2011). 4.1.1 Gebruik sociale media In Nederland is Facebook het populairste sociale medium: circa 7,3 miljoen Nederlanders hebben Facebook. Tevens is het dagelijks gebruik toegenomen: vorig jaar gebruikten 2,2 miljoen mensen dagelijks Facebook, dit jaar zijn dat er 4,3 miljoen. Youtube heeft 6,9 miljoen Nederlandse gebruikers, waarvan 1 miljoen dagelijks gebruik maken van dit medium. Van LinkedIn en Twitter maken 3,2 mensen gebruik, gevolgd door Hyves met 3 miljoen gebruikers. LinkedIn heeft 300.000 dagelijkse gebruikers, Twitter 1,5 miljoen en Hyves 900.000. De sociale netwerksite Hyves ziet het gebruik fors dalen. Voornamelijk jongeren maken minder gebruik het Nederlandse platform (Newcom Research, 2012). 4.1.2 Mobiel gebruik Het gebruik van sociale media in Nederland via mobiele toestellen is flink gestegen. Zo’n 40% van het gebruik van sociale media vindt plaats via smartphones. In een jaar is het aantal toestellen een mobiele internetaansluiting met 48% is gestegen. Door deze stijging beschikt nu ongeveer de helft van de Nederlanders over mobiel internet. Bovendien blijken sociale media en mobiel internet een grote versterkende invloed op elkaar te hebben (Tres, 2012). 4.1.3 Gebruikers sociale media Van de Nederlandse internetters tussen de 25 en 55 jaar oud is 54% actief op sociale netwerken. Van de leeftijdsgroep 16 tot en met 25 jaar maakt maar liefst 91% gebruik van sociale media en van de groep 55 tot en met 75 is ruim 30% actief op sociale media. Wat betreft opleidingsniveau bestaan er vrijwel geen verschillen in het gebruik van sociale media (CBS, 2010). Er bestaan wel verschillen tussen mannen en vrouwen in het gebruik van sociale media. Mannen gebruiken sociale media voornamelijk als statusverhogende activiteiten; vrouwen gebruiken sociale media vooral voor het onderhouden van contacten en het versterken van vriendschappen. Onder sociale media gebruikers in Nederland zijn vrouwen met 47% dagelijks meer actief op sociale media dan mannen met 32%. Maar dit geldt niet voor alle sociale mediaplatformen. Zo gebruiken mannen vaker Twitter dan vrouwen (32% tegenover 28%) (Porter Novelli, 2012).
  21. 21. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 22 4.1.4 Kenmerken sociale media Sociale media beschikken over enkele bijzondere kenmerken. Deze kenmerken zijn afzonderlijk van elkaar niet nieuw, maar kunnen in combinatie en in hun intensiteit specifieke effecten hebben. Ten eerste is dat het zwermpotentieel van sociale media. Grote groepen personen kunnen er spontaan maar gecoördineerd door in actie komen, wat vergelijkbaar is met een zwerm bijen. In de tweede plaats hebben sociale media explosiepotentieel. Doordat in sociale media allerlei acceleratoren en multipliers (bijvoorbeeld de retweet-functie in Twitter) zijn ingebouwd, kunnen betrekkelijk kleine of lokale zaken snel uitgroeien tot grootschalige, mondiale kwesties. Een voorbeeld hiervan is de tweet van districtchef Gerda Dijksman over de dood van twee personen in Meppel. Ten derde beschikt sociale media over synergiepotentieel. Door de samenvoeging van op zichzelf kleine onderdelen of bijdragen kan een werkelijkheid ontstaan die groter en invloedrijker is dan al die kleine onderdelen samen. Met andere woorden: het effect van de samenvoeging is groter dan wat de afzonderlijke onderdelen in totaal bereikt zouden hebben. De som is dus groter dan het geheel van de delen. (Zouridis en Tops, 2011). 4.1.5 Invloed sociale media op de samenleving Sociale media zijn niet meer weg te denken uit onze huidige maatschappij. Het gebruik van sociale media wordt steeds gewoner, zowel voor privé- als werkdoeleinden. Doordat er wereldwijd via sociale media steeds meer wordt gedeeld met de buitenwereld, wordt de invloed van sociale media op de samenleving steeds groter. Deze online infrastructuur creëert namelijk een veranderende samenleving, waarin ideeën, activiteiten en relaties niet meer beperkt worden door de geografische locatie. Door de kenmerken die sociale media hebben, zoals snelheid, een groot bereik en de mogelijkheid hebben tot het mobiliseren van groepen, ontstaat er een dynamischere samenleving (Rusman, 2011). 4.1.6 Toekomst sociale media Er wordt verwacht dat sociale media in de toekomst zullen blijven bestaan, maar dat er waarschijnlijk wel wat veranderingen zullen optreden. Zo is het mogelijk dat de losse kanalen zoals we die nu hebben, op de een of andere manier samengevoegd zullen worden. Voor de toekomst zouden ‘interactie’ en ‘integratie’ namelijk belangrijke sleutelwoorden kunnen zijn. Zeer zeker zullen ontwikkelingen op het gebied van sociale media in elk geval razendsnel blijven gaan (Social Nederland Networking, 2011). De komende jaren blijft het internet in ieder geval groeien: men verwacht dat het in 2016 wereldwijd vier keer zo groot zal zijn. Daarnaast wordt verwacht dat het aantal verbonden apparaten in dat jaar bijna negentien miljard zal bedragen. Ten opzichte van 2011 is dit bijna een verdubbeling. De enorme groei van het internet zal worden veroorzaakt door diverse factoren, waaronder: meer apparaten met netwerkverbindingen (smartphones, tablets, etc.), meer internetgebruikers, snellere breedbandverbindingen, meer video en een toename van WiFi (Cisco VNI Forecast, 2012). Gebruikers van sociale media verwachten dat ze de komende jaren steeds minder gebruik zullen maken van het Nederlandse netwerk Hyves, terwijl het gebruik van Facebook naar verwachting zal blijven groeien. Het gebruik van Twitter, LinkedIn en Youtube zal naar verwachting stabiliseren (Newcom Research, 2012).
  22. 22. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 23 4.1.7 Subconclusie Sociale media blijken een steeds grotere invloed op de maatschappij te hebben. In Nederland is Facebook het populairste sociale medium, gevolgd door Youtube, Twitter, LinkedIn en Hyves. Het gebruik van sociale media vindt steeds vaker plaats via smartphones, doordat het aantal mobiele toestellen met een internetaansluiting het afgelopen jaar flink is gestegen en doordat sociale media en mobiel internet een versterkende invloed op elkaar hebben. De leeftijdsgroep 16 tot en met 25 jaar maakt met 91% het meeste gebruik van sociale media, gevolgd door de leeftijdsgroep 25 tot en met 55 jaar met 54%. Over het algemeen zijn vrouwen in Nederland dagelijks meer actief op sociale media dan mannen; enkel het sociale mediaplatform Twitter is hier een uitzondering op. Sociale media hebben drie belangrijke kenmerken: het zwermpotentieel, het explosiepotentieel en het synergiepotentieel. Er kan geconcludeerd worden dat door deze kenmerken en het feit dat ideeën, activiteiten en relaties niet meer beperkt worden door de geografische locatie, er een veranderende en dynamischere samenleving wordt gecreëerd. Men verwacht dat ontwikkelingen op het gebied van sociale media razendsnel zullen blijven gaan. Hoogstwaarschijnlijk zal het gebruik van Facebook de komende jaren blijven groeien, het gebruik van Twitter, LinkedIn en Youtube zal naar verwachting stabiliseren en men verwacht dat het gebruik van Hyves zal blijven dalen. 4.2 Het belang van sociale media voor de politie 4.2.1 De rol van sociale media in het politiewerk Sociale media gaan een steeds belangrijkere rol spelen in alle facetten van het politiewerk. Recente gebeurtenissen laten dit ook zien. Neem bijvoorbeeld de brand in Moerdijk, waar sociale media een belangrijke rol in de crisiscommunicatie hebben gespeeld (Snel en Tops, 2011). Het jaar 2011 wordt geschouwd als de definitieve doorbraak van sociale media voor het grote publiek. Een aantal gebeurtenissen hebben daar een belangrijke rol in gespeeld. Bij de opstanden in de Arabische wereld aan het begin van 2011 bijvoorbeeld, werden sociale media veelvuldig gebruikt. Deze opstanden worden daarom ook wel aangeduid als de Facebook-revolution. Burgers kwamen in verzet tegen ondemocratische regimes via onder andere Facebook en Twitter. Een belangrijke eigenschap hiervan bleek de relatieve onbeheersbaarheid van sociale media door autoriteiten. De politie kon hierdoor moeilijker greep krijgen op de gebeurtenissen. Men kan dus wel zeggen dat sociale media een belangrijke rol hebben gespeeld in de beeldvorming (Zouridis en Tops, 2011). Wat zich op wereldschaal afspeelde, is in bescheidener vorm ook op Nederland van toepassing. Het jaar 2011 is de grote doorbraak van het gebruik van Twitter onder buurtregisseurs geweest. Steeds meer buurtregisseurs twitteren om met burgers in hun wijk te communiceren. In de nasleep van het schietincident in Alphen aan den Rijn vormden de communicatie en geruchtenvorming via sociale media een nieuwe opgave voor de politie. Iets soortgelijks deed zich voor rondom de neergeschoten politieagent in Baflo; de geruchtenstroom daarover kwam mede op gang door een vanuit de Verenigde Staten verzonden tweet (Zouridis en Tops, 2011).
  23. 23. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 24 Door sociale media kan de politie echter ook onder vuur komen te liggen. Een voorbeeld hiervan is de discussie rondom de politieaanpak in de zaak Millie Boele, met name over de inzet van politiehonden (Zouridis en Tops, 2011). 4.2.2 Voordelen en valkuilen gebruik sociale media De betekenis van sociale media voor de politie is aan te duiden op ten minste drie manieren:  De digitale werkelijkheid: Deze werkelijkheid voegt een nieuwe dimensie toe aan onze wereld, met eigen kenmerken en nieuwe kansen en mogelijkheden. Sociale media zijn hierin een steeds belangrijker onderdeel. Omdat er van deze digitale werkelijkheid op allerlei manieren misbruik kan worden gemaakt, is het van belang dat daar een soort orde georganiseerd en gehandhaafd wordt. En dat is de taak van de politie. Het is naïef om te veronderstellen dat deze orde in de sociale media aan de zelforganisatie van betrokkenen kan worden overgelaten (Zouridis en Tops, 2011).  Sociale media bieden nieuwe mogelijkheden tot communicatie en interactie: Beeldvorming over gebeurtenissen in de samenleving vindt in toenemende mate ook in sociale media plaats, en dat beïnvloedt het doen en laten van velen. Daarom dient de politie hierin ook volkomen aanwezig te zijn (Zouridis en Tops, 2011).  De ontwikkeling van sociale media biedt nieuwe mogelijkheden voor vernieuwing van het politiewerk: Enkele voorbeelden zijn: - Sociale media kunnen bijdragen in de versterking van de heterdaadkracht van de politie. Heterdaadkracht is de mate waarin de politie op heterdaad arrestaties kan verrichten. Een versterking van de heterdaadkracht verhoogt zowel de effectiviteit van de politie als haar legitimiteit. Afhandeling op heterdaad brengt immers minder administratieve werkzaamheden met zich mee (1 dag versus 14 dagen). Daarnaast verhoogt het de zichtbaarheid van de politie voor burgers. Er is een groot verband tussen heterdaadkracht en sociale media: sociale media hebben als kenmerk dat een gebeurtenis en de berichtgeving over die gebeurtenis vrijwel samenvallen. Van deze mogelijkheid kan de politie dus dankbaar gebruik maken. Echter ligt tegelijkertijd misbruik op de loer: men weet namelijk niet of een tweet gebruikt wordt om iemand is diskrediet te brengen of om de politie op een dwaalspoor te zetten. - Onder het handhaven van de openbare orde bij ingrijpende gebeurtenissen, valt in toenemende mate ook het beïnvloeden en sturen van publieke menings- en geruchtenvorming. Hierbij is snelheid nodig, en het is daarom niet eenvoudig om steeds de juiste afwegingen te maken. Een voorbeeld is het schietdrama in Alphen aan den Rijn: via sociale media kwam de geruchtenvorming over het incident razendsnel op gang. - Sociale media bieden mogelijkheden om informatie onder burgers te mobiliseren. Dit kan door bijvoorbeeld beelden via YouTube te verspreiden of informatie over cold cases bekend te maken. Tevens geldt hier dat sociale media niet alleen voordelen hebben: er kunnen bijvoorbeeld vraagtekens worden gezet bij de waarde van getuigenverklaringen, omdat iedereen via sociale media al uitgebreid kennis heeft kunnen nemen van ooggetuigenverslagen van anderen (Zouridis en Tops, 2011).
  24. 24. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 25 Al deze voorbeelden laten zien dat sociale media zowel dragers zijn van collectieve wijsheid (the wisdom of the crowds) als dragers van nieuwe vormen van ondermijning en sociale verstoring. Sociale media kunnen dienen als een bron van collectieve wijsheid; men gaat er hierbij vanuit dat grotere groepen burgers wijzer zijn dan een kleine groep van experts. Op die manier kan de publieke opinie fungeren als een belangrijke bron van informatie voor de politie. In zo’n geval is er sprake van een sociale orde die zelforganiserend en zelfcorrectief is. Hierdoor kan deze orde voornamelijk horizontaal georganiseerd worden, zonder dat er veel directe inmenging van de politie aan te pas komt. Gebruikers van sociale media zijn dan een verlengstuk van de politie. Bij het voorkomen en oplossen van criminele praktijken kan actieve betrokkenheid van burgers worden georganiseerd. Aan de andere kant kunnen sociale media dienen als bron van sociale verstoring. Zo kunnen de politie en autoriteiten op een verkeerd spoor worden gezet en moeite hebben om zich te verhouden tot ontwikkelingen die op sociale media gaande zijn. Het kan hierbij gaan om openbare ordeverstoring of het creëren van desinformatie en verkeerde informatie. Openbare ordeverstoring uit zich in onder andere geruchten, mensen die hun angsten projecteren, opinies zonder feiten- of kennisbasis en misverstanden. Wat betreft desinformatie kunnen valse sporen en dubieus bewijsmateriaal een flinke verstoring zijn. In die context worden sociale media vooral een onderzoeksobject, in plaats van een werkelijkheid waarmee het zich kan verbinden. De impact van sociale media hangt voornamelijk af van de omstandigheden waarin het verkeert. In sommige gevallen zullen sociale media een boodschap of bericht verrijken of verifiëren. In andere gevallen zullen ze deze versterken of vermenigvuldigen. Deze elementen zijn voor de impact van sociale media cruciaal. In het eerste geval dienen sociale media namelijk als bron van collectieve wijsheid, terwijl sociale media in het tweede geval dienen als bron van sociale verstoring. Een groot voordeel van sociale media is in elk geval dat ze openbaar zijn. Hierdoor kunnen publieke ordeverstoringen veel tijdiger in het vizier van de politie komen (Zouridis en Tops, 2011). 4.2.3 Kenmerken opsporing door burgerhulp Burgerhulp is altijd essentieel geweest in de opsporingspraktijk. 74% van de misdadigers die worden opgepakt, wordt opgepakt als direct gevolg van burgers die contact opnemen met de politie, zo concludeert een medewerker van de politie Amsterdam-Amstelland in 2009 (Bekkers en Meijer, 2010). Wat als kwestieus kan worden beschouwd, is dat slechts één op de negen burgers de politie belt als zij getuige zijn van een misdrijf (Bekkers en Meijer, 2010). Als het gaat om burgerhulp in de opsporingspraktijk kan er onderscheid worden gemaakt tussen twee rollen van de burger: de burger als rechercheur en de burger als wijkagent. In het eerste geval vraagt de politie aan de burger om informatie aan te leveren die kan bijdragen aan de oplossing van een zaak. Voorbeelden zijn het televisieprogramma Opsporing Verzocht en de website depolitiezoek.nl. Bij het optreden van de burger als wijkagent, gaat het erom dat deze direct actie onderneemt in plaats van het aanleveren van informatie achteraf. Een voorbeeld hiervan is Burgernet: burgers ontvangen een sms van de politie wanneer ergens een incident is voorgevallen of bijvoorbeeld bij een vermissing van een kind. Burgers kunnen dan rondkijken in hun omgeving en de politie helpen om een verdachte aan te houden of een vermissing op te lossen (Bekkers en Meijer, 2010). In de algemene zin bestaat burgerhulp enerzijds uit het aanleveren van tips en getuigenverklaringen over een misdrijf of incident en anderzijds uit het aandragen van
  25. 25. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 26 (expert)kennis en nuttige scenario’s. In het eerste geval wordt voornamelijk een beroep gedaan op mensen die iets gezien hebben en kennissen, vrienden en familie van de verdachte. Voor het aandragen van scenario’s en bijvoorbeeld het identificeren van een moordwapen of andere verdachte objecten, wordt het beroep dat men doet op burgers uitgebreid naar heel Nederland en zelfs internationaal (Bekkers en Meijer, 2010). Op basis van de huidige politiepraktijk, kunnen vier vernieuwende manieren van burgerparticipatie in de opsporing worden onderscheiden:  Getuigenoproep op heterdaad: burgers worden gebruikt als ‘extra ogen en oren’ om de pakkans van daders op heterdaad te vergroten. Voorbeelden zijn Burgernet en Twitter.  Getuigenoproep buiten heterdaad: burgers worden via onder andere flyers en sms-bommen opgeroepen om als getuige een bijdrage te leveren in lopende opsporingszaken.  Het plaatsen van oproepen voor (beeld)materiaal: burgers worden opgeroepen om foto- en filmmateriaal van delicten aan te leveren.  Het inzetten van burgers bij opsporingsactiviteiten: burgers laten meedenken bij opsporingsonderzoeken, hen suggesties laten aandragen en hen laten meewerken aan bijzondere opsporingsmethoden. (Cornelissen en Ferwerda, 2010; Kop, 2011) 4.2.4 Subconclusie Er kan worden geconcludeerd dat sociale media een steeds belangrijkere rol gaan spelen in alle facetten van het politiewerk. Sociale media spelen een belangrijke rol spelen als het gaat om veranderingen binnen het politiewerk. Het voordeel van het gebruik van sociale media door de politie is dat ze een bron kunnen zijn van collectieve wijsheid (wisdom of the crowds). Deze collectieve wijsheid is een overkoepelend voordeel en uit zich in de volgende aspecten:  Sociale media bieden nieuwe mogelijkheden tot communicatie en interactie.  De ontwikkeling van sociale media biedt nieuwe mogelijkheden voor vernieuwing van het politiewerk, zoals het versterken van de heterdaadkracht en het mobiliseren van informatie onder burgers via sociale media. De valkuil van het gebruik van sociale media door de politie is dat ze een bron kunnen zijn van ondermijning en sociale verstoring. Het gaat om de volgende aspecten:  Openbare ordeverstoring  Het creëren van desinformatie en verkeerde informatie Verder moet de politie er rekening mee houden dat er van de digitale werkelijkheid op allerlei manieren misbruik kan worden gemaakt. Daarnaast kunnen vraagtekens worden gezet bij getuigenverklaringen, omdat iedereen via sociale media al kennis heeft kunnen nemen van verklaringen van anderen. Sociale media blijken dus zowel dragers van collectieve wijsheid als dragers van ondermijning en sociale verstoring. Beiden doen zich tegelijkertijd voor. Voor de politie is het daarom van belang om de collectieve wijsheid te stimuleren en de verstoring tot zover mogelijk te voorkomen of te bestrijden. Dit houdt in dat de politie sociale media actief moet benutten. Door zoveel mogelijk interactie mogelijk te maken en waar nodig bij te sturen, kan de politie proberen om de voordelen van sociale media te benutten en de keerzijde ervan te bestrijden. Verder zal de politie moeten beseffen dat het een lastige opgave is om het zwerm- en explosiepotentieel onder controle te krijgen. De openbaarheid van sociale media is in elk geval een groot
  26. 26. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 27 voordeel; hierdoor kunnen publieke ordeverstoringen tijdiger door de politie worden opgemerkt. Burgerhulp is altijd van essentieel belang geweest in de opsporingspraktijk. Burgerhulp in de opsporing kan worden onderscheiden in twee rollen van de burger: de burger als rechercheur (meehelpen in de opsporing) en de burger als wijkagent (signaleren, corrigeren, gemeenschappen bouwen, enzovoorts Algemeen gezien bestaat burgerhulp enerzijds uit het aanleveren van tips en getuigenverklaringen over een misdrijf of incident en anderzijds uit het aandragen van (expert)kennis en nuttige scenario’s. Er kunnen vier vernieuwende manieren van burgerparticipatie worden onderscheiden:  Getuigenoproep op heterdaad  Getuigenoproep buiten heterdaad  Het plaatsen van oproepen voor (beeld)materiaal  Het inzetten van burgers bij opsporingsactiviteiten 4.3 Het gebruik van sociale media door district Zuid 4.3.1 Regiobreed en lokaal gebruik Het korps Amsterdam-Amstelland maakt regiobreed gebruik van verscheidene sociale media, waaronder Twitter, Youtube en Facebook. Twitter wordt regiobreed ingezet door de sectie Voorlichting van de politie Amsterdam-Amstelland en lokaal door de buurtregisseurs van de verschillende districten. Zo worden voornamelijk de algemene, grotere zaken behandeld door de sectie Voorlichting en de kleinere, lokale zaken door de buurtregisseurs. Twitter wordt door zowel de sectie Voorlichting als de buurtregisseurs die dit medium gebruiken vrij intensief ingezet; er worden regelmatig tweets geplaatst. Door de sectie Voorlichting en het merendeel van de buurtregisseurs worden zelfs dagelijks of meerdere keren per dag tweets geplaatst. Op Youtube wordt door de sectie Voorlichting zo nu en dan een video geüpload, maar er wordt geen intensief gebruik gemaakt van dit sociale medium (Regiopolitie Amsterdam- Amstelland, 2012). Er bevinden zich vooral video’s ten behoeve van de opsporing op het account, zoals overvallen, inbraken, diefstallen en geweldsdelicten. (YouTube, 2012). Het doel hiervan is om getuigen of tipgevers op te roepen. Sinds kort is er op regiobreed niveau een Facebookpilot gestart. Via de sociale media worden er voornamelijk berichten geplaatst over incidenten en actuele zaken (Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, 2012). Op lokaal niveau wordt alleen Twitter actief inzet. Dit sociale medium wordt vrijwel uitsluitend door buurtregisseurs gebruikt (Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, 2012). Het aantal buurtregisseurs van het gehele politiekorps Amsterdam-Amstelland is als volgt verdeeld: district Centrum telt 30 buurtregisseurs, district Noord 33, district Oost 42, district Zuid 59, district West 66 en team Water-havens 2 (Politie Amsterdam-Amstelland (1), 2012). Dit maakt een totaal van 232 buurtregisseurs. De politie Amsterdam-Amstelland beschikt over één algemeen Twitteraccount, die wordt beheerd door de sectie Voorlichting. Dit account heeft zo’n 14.660 volgers. Het aantal buurtregisseurs die gebruik maken van Twitter is als volgt verdeeld: in district
  27. 27. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 28 Centrum zijn dat 6 buurtregisseurs, in district Noord 14 (13 accounts), in district Oost 3, in district Zuid 10, in district West 14 (13 accounts) en in team Water-Havens 1 (Politie Amsterdam-Amstelland (2), 2012). In totaal zijn dit 48 buurtregisseurs. Van het gehele politiekorps Amsterdam-Amstelland maken dus 48 van de totaal 232 buurtregisseurs gebruik van Twitter. Dit is een percentage van zo’n 20,7%. In district Zuid twitteren slechts 10 van de 59 buurtregisseurs, wat uitkomt op een percentage van ongeveer 16,9%. De frequentie van het gebruik van Twitter verschilt per buurtregisseur. De meesten maken er dagelijks gebruik van; anderen wekelijks of zelfs maandelijks. Het totale aantal volgers van de negen buurtregisseurs in district Zuid die twitteren bedraagt 1.296. Buurtregisseurs Mirjam Dobbe van de Marathonbuurt (Van Leijenberghlaan), Tjako Drenth van de V.d. Helstpleinbuurt (De Pijp) en Jeroen van der Hoorn van de Zijdelwaard (Uithoorn) voeren de boventoon met respectievelijk 313, 169 en 560 volgers. De overige buurtregisseurs van district Zuid hebben 60 volgers of minder. Binnen district Zuid wordt in Aalsmeer en Amstelveen-Noord helemaal geen gebruik gemaakt van Twitter door buurtregisseurs (Politie Amsterdam- Amstelland (2), 2012). De buurtregisseurs van district Zuid die gebruik maken van Twitter, plaatsen voornamelijk tweets van informatieve aard, zoals nieuwtjes omtrent de politie, waarschuwingen en tips, behaalde resultaten en opsporingsberichten. De meeste buurtregisseurs houden hun volgers op de hoogte van hun dagelijkse bezigheden. Het merendeel van de tweets zijn formeel van aard, maar persoonlijke berichtgeving komt ook veel voor. De volgers voelen zich dan direct aangesproken. Er zijn echter wel verschillen in de toon van de berichtgeving van de buurtregisseurs: de ene buurtregisseur gebruikt een persoonlijkere toon dan de andere. Tevens zijn er verschillen in de vraag naar participatie in de opsporing via Twitter: de ene buurtregisseur plaatst nauwelijks opsporingsberichten, de ander veelvuldig (Politie Amsterdam-Amstelland (2), 2012). 4.3.2 Constateringen en resultaten Het korps Amsterdam-Amstelland ziet Twitter als een middel om direct met burgers te communiceren, niet meer afhankelijk te zijn van andere media en meer bereikbaar te zijn voor burgers. Het korps neemt waar dat burgers Twitter beschouwen als een laagdrempelig contact met de politie (Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, 2012). Hoewel de sociale media die door het gehele korps worden gebruikt (nog) niet direct hebben geleid tot concrete resultaten wat betreft opsporing, dragen ze hier ongetwijfeld wel aan bij (Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, 2012). Dit komt doordat de ingezette sociale media zorgt voor een groter bereik bij de burgers. Daarnaast zijn sociale media laagdrempelig, wat voor de burger een reden kan zijn om eerder naar de politie te stappen met informatie (Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, 2012). Door zowel het hele korps Amsterdam-Amstelland als het korps district Zuid wordt relatief weinig en ongestructureerd gebruik gemaakt van sociale media in de opsporingspraktijk. Het doel van de gehele regiopolitie Amsterdam-Amstelland wat betreft het gebruik van sociale media is om dit gebruik te optimaliseren, waardoor de beste resultaten op dit gebied behaald kunnen worden. Dit willen ze bereiken door frequenter, structureel en op de juiste manier gebruik te maken van verscheidene
  28. 28. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 29 sociale media. Dat wil zeggen dat er naar wordt gestreefd om sociale media actief en volgens bepaalde regels te in te zetten, zodat het gebruik van sociale media kan bijdragen aan de opsporing en aan burgerparticipatie. Bovendien wil de regiopolitie Amsterdam-Amstelland cursussen op het gebied van sociale media aanbieden aan hun personeel, bijvoorbeeld een Twittercursus voor buurtregisseurs. Uiteindelijk is het de bedoeling dat, onder andere ten behoeve van de opsporing en de interactie met burgers, vrijwel alle buurtregisseurs van alle districten gebruik gaan maken van Twitter en wellicht van andere sociale media (Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, 2012). 4.3.3 Subconclusie De regiopolitie Amsterdam-Amstelland maakt gebruik van de sociale media Twitter, Youtube en Facebook. Die laatste betreft een pilot. Youtube wordt af en toe ingezet en dan uitsluitend ten behoeve van de opsporing. Twitter wordt regelmatig, al dan niet dagelijks, ingezet. Dit gebeurt zowel regiobreed als lokaal door de buurtregisseurs. Als we kijken naar het gehele korps, maakt 20,7% van de buurtregisseurs gebruik van Twitter. Wat betreft district Zuid is dit percentage 16,9%. Voor zowel het gehele korps Amsterdam-Amstelland als district Zuid geldt dat er relatief weinig gebruik wordt gemaakt van sociale media in het algemeen en in de opsporingspraktijk. Bovendien is er niet echt sprake van een bepaalde mate van gebruik of structuur; men plaatst berichten op sociale media wanneer men dat van belang vindt, zoals bij nieuwtjes omtrent de politie, waarschuwingen en tips, behaalde resultaten en opsporingsberichten. Tot op heden zijn er nog geen concrete en directe resultaten behaald met het gebruik van sociale media in de opsporing. Het korps is er desondanks wel van overtuigd dat sociale media bijdragen aan de opsporing, vanwege het grote bereik, de laagdrempeligheid en de interactie met burgers. Er kan worden geconcludeerd dat er weinig gebruik wordt gemaakt van sociale media in de opsporing. Van Twitter wordt slechts door een klein percentage van de buurtregisseurs gebruik gemaakt. Tevens wordt Facebook (nog) niet actief benut. Daarnaast zijn door het gebruik van sociale media in de opsporing weinig tot geen concrete of directe resultaten behaald, enkel indirecte. Verder zijn er geen duidelijke richtlijnen of strategie aanwezig. Om optimale resultaten te behalen, zal het korps het gebruik van sociale media moeten optimaliseren door deze actiever, frequenter en volgens bepaalde richtlijnen in te zetten. Zo is het van belang dat een fors hoger percentage van de buurtregisseurs gebruik gaat maken van Twitter en dat Youtube en Facebook actiever worden ingezet. Daarnaast zijn het aanbieden van Twittercursussen aan buurtregisseurs en het opstellen van richtlijnen en regelgeving omtrent het gebruik van sociale media essentieel. 4.4 Doelgroepanalyse 4.4.1 Geografische kenmerken Onder het geografische gebied van district Zuid vallen de volgende stadsdelen: Stadsdeel Zuid (132.000 inwoners), Amstelveen (80.000 inwoners), Uithoorn (28.000 inwoners), Aalsmeer (30.000 inwoners) en Ouderkerk (8.000 inwoners). Van Stadsdeel
  29. 29. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 30 Zuid gaat de wijk Hoofddorpplein (10.000 inwoners) af. Dit maakt een totaal van 268.000 inwoners (Politie Amsterdam-Amstelland, 2012). 4.4.2 Demografische kenmerken Wat betreft demografische kenmerken van de doelgroep zijn er een aantal opvallendheden. Er komen zowel mannen als vrouwen in de doelgroep voor en er zijn verschillen in leeftijd, inkomen, religie, sociale klasse en levenscycli (Regiopolitie Amsterdam-Amstelland). Als we kijken naar burgers die gebruik maken van Burgernet, valt op dat er weinig allochtonen en jongeren participeren. Dit ervaart men als problematisch, omdat representativiteit van belang is. De gemiddelde leeftijd van deelnemers van Burgernet is ongeveer 40 jaar. Slechts 24% van de deelnemers is jonger dan 36 jaar. Op sociaaleconomisch gebied bevindt de doelgroep zich voornamelijk in de middenklasse. Het merendeel van de deelnemers van Burgernet blijkt van het mannelijk geslacht (Van der Vijver, 2009). Gebruikers van Burgernet bestaan vooral uit iets oudere autochtonen en vormen dus geen doorsnede van de bevolking (Bekkers en Meijer, 2010). 4.4.3 Psychografische en sociale kenmerken Landelijk gezien betreft de doelgroep burgers met specifieke psychografische en sociale kenmerken. Nieuwsgierige, betrokken en onderzoekende burgers – die veel mensen kennen en goed met internet kunnen omgaan – blijken namelijk een goede bijdrage te kunnen leveren aan politiewerk (Sprenger en Lassche, 2011). Verder houden ze van spanning en sensatie (Bekkers en Meijer, 2010). Regionaal gezien is de doelgroep geïnteresseerd in het politiewerk en sociaal in de omgang met andere personen. Daarnaast hebben ze interesse in wat er in hun wijk afspeelt, vinden ze veiligheid belangrijk en maken ze regelmatig gebruik van het internet (Regiopolitie Amsterdam-Amstelland). Al deze kenmerken kunnen bij de doelgroep in mindere of meerdere mate voorkomen. Tevens hangen veel kenmerken samen met de motieven van burgers om te participeren; daarover in de volgende paragraaf meer. 4.4.4 Motieven en doel van participatie Motieven die burgers zouden kunnen hebben om te participeren in de opsporingspraktijk kunnen in drie categorieën worden ingedeeld. Het eerste motief betreft ‘het dienen van het publiek belang’ (Alford, 2009). Burgers vinden veiligheid belangrijk en willen bijdragen aan het verminderen van de criminaliteit in het algemeen en het oplossen van zaken. Het tweede motief is ‘het dienen van een groepsbelang’ (Alford, 2009). Hierbij vinden burgers voornamelijk de veiligheid in hun buurt/netwerk en die van omwonenden, familie, vrienden of gelijkgestemden belangrijk. Burgers die voornamelijk dit motief hanteren behoren vaak tot een bepaalde groep: bijvoorbeeld juweliers die vaak te maken krijgen met overvallen. Het laatste motief betreft ‘het dienen van een individueel belang’ (Alford, 2009). Hierbij gaat het voornamelijk om het verbeteren van de eigen positie. Burgers met dit motief willen bijvoorbeeld dat een inbreker die bij hen heeft ingebroken, wordt opgepakt (Alford, 2009; Bekkers en Meijer, 2010).
  30. 30. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 31 Er is nog een concretere manier om motieven in te delen. Concrete motieven voor burgers om te participeren aan politieonderzoeken kunnen zijn:  Meewerken aan het politieonderzoek: in dit geval willen burgers graag bijdragen aan het oplossen van een zaak. Het gaat hier voornamelijk om een gevoel van voldoening.  Voldoening om aandacht te krijgen voor een tip of verklaring.  Spanning en sensatie: deze groep burgers, waaronder voornamelijk vrienden, kennissen en jongeren, zijn vooral gemotiveerd om te participeren uit een gevoel van spanning en sensatie.  Voorkomen van overvallen: onder deze participanten bevinden zich voornamelijk ondernemers en beveiligingsdiensten, die vooral geïnteresseerd zijn in politieonderzoeken die hen informatie geven over de manieren waarop overvallers te werk gaan en over personen voor wie ze moeten uitkijken omdat deze hen ook zouden kunnen overvallen.  Persoonlijke betrokkenheid: familieleden, vrienden en kennissen van de verdachte zijn gemotiveerd om te participeren doordat ze persoonlijk betrokken zijn bij de zaak.  Gevoel van burgerplicht.  Een actieve bijdrage leveren aan de veiligheid in de buurt. (Bekkers en Meijer, 2010). Algemeen gezien zijn de belangrijkste motieven voor de burger om te participeren aan een politieonderzoek spanning en sensatie, het leveren van een bijdrage aan het oplossen van een zaak en voldoening om aandacht te krijgen van de politie voor een tip of verklaring (Bekkers en Meijer, 2010). Burgers die gebruik maken van Burgernet (zie tabel 1) worden vooral gedreven door een gevoel van burgerplicht. Tevens willen ze graag een actieve bijdrage leveren aan de veiligheid in hun buurt. Daarnaast is het ervaren van spanning en opwinding om onderdeel te kunnen uitmaken van de opsporing tevens een motivatie voor deze groep (Van der Vijver, 2009; Bekkers en Meijer, 2010). Tabel 1: Redenen van deelname aan Burgernet (Van der Vijver, 2009) Motieven om niet te participeren is dat de burger het gevoel kan hebben dat hij of zij in de gaten wordt gehouden. Dit motief speelt voornamelijk bij jongeren een grote rol (Blauw (4e editie), 2012).
  31. 31. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 32 4.4.5 Manieren en middelen van participatie In het algemeen bestaan manieren van burgerparticipatie in de opsporing enerzijds uit het aanleveren van tips en getuigenverklaringen over een misdrijf of incident en anderzijds uit het aandragen van (expert)kennis en nuttige scenario’s (Bekkers en Meijer, 2010). Zoals in paragraaf 4.2.3 al aan bod kwam, kan de doelgroep wat betreft manieren van participatie in twee groepen worden onderscheiden: de burger als rechercheur (meehelpen met de opsporing) en de burger als wijkagent (signaleren, corrigeren, gemeenschappen bouwen, enzovoort) (Bekkers en Meijer, 2010). In de opsporingspraktijk kunnen uiteraard beide groepen van belang zijn. Bij het optreden van de burger als rechercheur vraagt de politie burgers om informatie aan te leveren die kan bijdragen aan de oplossing van een misdrijf, zoals dat gebeurt in het televisieprogramma Opsporing Verzocht en de website depolitiezoekt.nl. In het tweede geval, de burger als wijkagent, staat het direct actie ondernemen van de burger centraal in plaats van het geven van informatie achteraf. Burgernet is hier een voorbeeld van (Bekkers en Meijer, 2010). Burgers kunnen verscheidene middelen gebruiken om te participeren in de opsporing. Burgernet, Amber Alert en het opsporingsprogramma Opsporing Verzocht zijn succesvolle participatiemiddelen gebleken (Bekkers en Meijer, 2010). Onder de sociale media voert Twitter de boventoon (Blauw (4e editie), 2012). Daarnaast wordt YouTube ingezet voor het tonen van videomateriaal van misdrijven (Regiopolitie Amsterdam-Amstelland). Het sociale netwerk Hyves is door een paar korpsen een aantal keer ingezet in opsporingsonderzoeken (Kop, 2011). Sinds kort wordt ook Facebook door sommige korpsen gebruikt, maar dit staat nog in een beginstadium (Regiopolitie Amsterdam-Amstelland). Verder worden blogs en websites als politieonderzoeken.nl gebruikt om burgers te laten participeren aan de opsporing. Burgers kunnen via verscheidene middelen contact opnemen met de politie: via internet (inclusief sociale media), telefonisch en persoonlijk. Middelen die de burger gebruikt om te kunnen participeren via sociale media zijn voornamelijk de smartphone, maar ook andere apparaten met een internetverbinding zoals de tablet, computer of laptop. Er is gebleken dat burgers die bijvoorbeeld deelnemen aan Burgernet of die de politie volgen op Twitter, vaker dan anderen telefonisch of persoonlijk contact opnemen met de politie (Bekkers en Meijer, 2010; Blauw (4e editie), 2012). 4.4.6 Invloed van het gebruik van sociale media door de politie op burgers Voor sommige burgers is de drempel om met informatie naar de politie te stappen hoog. Sociale media, zoals Twitter, zijn laagdrempelig en kunnen een vertrouwensband tussen burgers en politie creëren. Dit zorgt ervoor dat deze burgers eerder en makkelijker naar de politie stappen (Blauw (4e editie), 2012). De veiligheidsbeleving van burgers wordt, anders dan de politie misschien veronderstelt, niet in positieve zin beïnvloed door het volgen van wijkagenten op Twitter. De veiligheidsbeleving wordt echter ook niet in negatieve zin beïnvloedt. Deze is dus niet aan verandering onderhevig, maar het veiligheidsbewustzijn onder burgers wordt wel groter. Dit komt doordat ze merken dat de politie de problemen serieus neemt, in de buurt is en de zaak onder controle probeert te houden. Burgers houden hierdoor meer rekening met de risico’s. Dit uit zich in bijvoorbeeld de deur op slot doen en beter opletten. De politie kan hier op inspelen door de burgers erop te wijzen als er bijvoorbeeld inbrekers in de buurt actief zijn (Blauw (4e editie), 2012).
  32. 32. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 33 Een persoonlijke berichtgeving van de politie op sociale media heeft een positief effect op burgers. Zulke berichtgeving draagt namelijk bij aan de herkenbaarheid en maakt de wijkagent toegankelijker, waardoor de drempel om met informatie naar de politie toe te stappen lager wordt. Burgers vinden het belangrijk dat een agent neutraal is, objectief is en iedereen gelijk behandelt. Daarnaast vinden zij het van belang dat hij regelmatig iets van zich laat horen (Blauw (4e editie), 2012). Burgers blijken het te waarderen als de politie hen actief bij de opsporing betrekt (Bekkers en Meijer). Burgers voelen zich hierdoor serieus genomen, wat een positief effect heeft op de relatie tussen politie en burgers (Van der Vijver, 2009). Bovendien lijken de verbindingen tussen politie en burger te worden versterkt. Zo gaan burgers die deelnemen aan Burgernet vaker dan anderen langs bij het politiebureau en bellen ze vaker met de politie om bijvoorbeeld ongeregeldheden of zaken op het gebied van leefbaarheid en veiligheid aan te kaarten ( Bekkers en Meijer, 2010). 4.4.7 Subconclusie en segmentatie Naar aanleiding van de genoemde variabelen met betrekking tot de doelgroep, kunnen een aantal segmenten worden onderscheiden en tegelijkertijd een aantal conclusies worden getrokken. De doelgroep betreft burgers die woonachtig zijn in het geografische gebied van district Zuid en kan vervolgens globaal worden gesegmenteerd op de volgende aspecten (zie tabel): Tabel 2: Segmentatie Kenmerken Motieven Manieren Middelen Demografisch: Grotendeels 36+, man, autochtoon, middenklasse Publiek belang, groepsbelang of individueel belang ‘De burger als rechercheur’ of ‘de burger als wijkagent’ Passief: - Internet (incl. sociale media) - Netwerkdiensten - Opsporings- programma’s Actief: - Sociale media - Telefonisch - Persoonlijk Psychografisch/ sociaal: Nieuwsgierig, betrokken, onderzoekend, sociaal. Interesse in wijk; veiligheid belangrijk. - Spanning en sensatie - Een bijdrage leveren en voldoening krijgen - Gevoel van burgerplicht - Bijdragen aan veiligheid De psychografische en sociale kenmerken en de motieven en doelen van participatie kunnen per persoon in meerdere of mindere mate voorkomen en hangen vaak met elkaar samen. De overige aspecten zijn tevens veranderlijk. Al met al kan er worden geconcludeerd dat er kan worden gesegmenteerd op verscheidene eigenschappen die tevens met elkaar gecombineerd kunnen worden. Dit betekent dat er vele segmenten mogelijk zijn. Omdat dit onderzoek draait om
  33. 33. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 34 burgerparticipatie, zijn de eigenschappen van de doelgroep die het meest van belang zijn de motieven, doelen en manieren van participatie. Omdat deze aspecten essentieel zijn binnen dit onderzoek, kan hierop het beste worden gesegmenteerd. Verder kunnen we concluderen dat het gebruik van sociale media een positieve invloed heeft op burgers en op de relatie tussen politie en burger. Ten eerste komt dit doordat sociale media laagdrempelig zijn en een vertrouwensband tussen burger en politie creëren, waardoor burgers eerder contact opnemen met de politie. Burgers voelen zich serieus genomen als de politie hen actief bij de opsporing betrekt, wat leidt tot een sterkere en nauwere band tussen politie en burger. Dit heeft bovendien tot gevolg dat burgers vaker dan anderen langsgaan bij het politiebureau en met de politie bellen om ongeregeldheden of zaken op het gebied van leefbaarheid en veiligheid aan te kaarten. Verder draagt persoonlijke berichtgeving van buurtregisseurs op Twitter bij aan de herkenbaarheid en het maakt de buurtregisseur toegankelijker. Hierdoor wordt de drempel om met informatie naar de politie te stappen lager. Voor de band tussen politie en burger is het van belang dat een agent regelmatig iets van zich laat horen, neutraal en objectief is en iedereen gelijk behandelt. De veiligheidsbeleving van burgers wordt niet beïnvloed door het gebruik van sociale media door de politie, maar het veiligheidsbewustzijn wordt wel groter. 4.5 Het gebruik van sociale media door Nederlandse en internationale korpsen 4.5.1 Algemene strategieën, ontwikkelingen en middelen Twitter wordt inmiddels regelmatig gebruikt door buurtregisseurs en opsporingsinstanties gebruiken sociale media om burgers bij de opsporing te betrekken (Snel en Tops, 2011). Twitter is uitermate geschikt om ook het kleine nieuws door te geven, dat de lokale kranten niet eens haalt. Het gebruik van Twitter is een manier om op laagdrempelige wijze contacten te leggen, te houden en zo mogelijk tips te genereren. Hierdoor kan een vertrouwensband tussen burgers en politie ontstaan, wat er toe leidt dat burgers eerder naar de politie stappen met informatie (Blauw (4e editie), 2012). In rechercheprocessen is de betekenis van sociale media inmiddels doorgedrongen. Een interessante ontwikkeling is die van digitale PD’s. Hierin kan een overzicht worden aangemaakt van het Twitter-verkeer rondom een plaats delict, waardoor mogelijke getuigen snel kunnen worden opgespoord (Zouridis en Tops, 2011). 4.5.2 Regiopolitie Groningen De regiopolitie Groningen is een van de koplopers als het gaat om de inzet van sociale media. Het korps zet YouTube in om beelden van bijvoorbeeld overvallen of brandstichting snel bij de burgers te krijgen, zodat de opsporing van daders kan worden versnelt (Weeda, 2011). Sinds 2009 zetten wijkagenten binnen het politiekorps Groningen het sociale medium Twitter in om burgers op de hoogte te houden van hun dagelijkse werkzaamheden. Twitter blijkt een zeer bruikbaar instrument om de achterban te informeren. In een paar jaar is het aantal twitterende wijkagenten in Groningen gegroeid van vijf naar zeventig. Dit betekent dat ongeveer de helft van de
  34. 34. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 35 Groningse wijkagenten inmiddels twittert, plus nog een groot aantal collega’s uit andere diensten. Wat betreft de onderwerpen waarover getwitterd wordt, geeft de Groningse politieleiding de twitterende buurtregisseurs de vrije hand. Buutregisseurs merken op dat volgers persoonlijke berichtgeving waarderen. Het is een regel dat en niet teveel opsporingsgevoelige informatie prijsgegeven wordt en dat er rekening wordt gehouden met de toon en inhoud van een bericht. Het spreekt voor zich dat er terughoudend getwitterd moet worden over privacygevoelige of lopende zaken. Een belangrijke richtlijn is dat het merendeel van de tweets van zakelijke aard moeten zijn. Agenten houden volgers op de hoogte van hun dagelijkse bezigheden, waardoor deze een genuanceerder beeld van de politie krijgen. Doordat burgers zien dat politiewerk veelzijdig is en dat agenten te maken kunnen krijgen met complexe en soms emotioneel beladen problematiek, verbetert hun beeld over de politie. Bovendien hebben veel volgers de wijkagent via Twitter leren kennen. Voorheen wisten ze vaak niet eens van zijn of haar bestaan af. De afstand tussen wijkagent en burger wordt hierdoor kleiner. Jongeren vinden het vaak ‘niet stoer’ om een wijkagent te volgen, maar zijn ze vaak wel op de hoogte van wat de wijkagent twittert. Jongeren worden echter liever niet gevolgd door een wijkagent, omdat ze dan het gevoel hebben in de gaten te worden gehouden. Een van de aanbevelingen die de regiopolitie Groningen hanteert is dat twitterende wijkagenten hun geregistreerde volgers direct terug volgen. Hierdoor is het mogelijk om hen een direct message te sturen; een bericht dat is afgeschermd voor andere twitteraars. Dit zou voor volgers de drempel verlagen om tips door te geven aan de politie. Door het gebruik van Twitter blijkt dat volgers vaker en gemakkelijker contact opnemen met de politie. Dit gebeurt niet alleen via het medium zelf, maar tevens telefonisch en persoonlijk. Voor de regiopolitie Groningen en haar burgers is Twitter een aanvulling op de bestaande kanalen, maar uiteraard geen vervanging (Blauw (4e editie), 2012). 4.5.3 Regiopolitie Brabant Zuid-Oost Begin 2010 startte het regiokorps Brabant Zuid-Oost een Twitterpilot onder buurtregisseurs op vrijwillige basis. De afdeling Communicatie van het korps heeft de Twitteraars gecoacht en voorzien van een handleiding. Het is namelijk van belang dat buurtregisseurs voorzichtig omgaan met wat ze twitteren. Zo moet er worden gezorgd dat er geen onderzoek belemmerd wordt door middel van een tweet. Zelfs een positief bericht over een dader die is opgepakt kan een negatief effect hebben; handlangers kunnen worden gewaarschuwd. Als een buurtregisseur twijfelt over het plaatsen van een bericht, wordt aanbevolen om contact op te nemen met de afdeling Voorlichting en hen te vragen om advies. Daarnaast kunnen sommige tweets leiden tot vragen van de pers. In dat geval is het tevens van belang om de afdeling Voorlichting te waarschuwen (Public Mission, 2012). In februari 2012 is een evaluatie gehouden waaruit bleek dat het gebruik van Twitter door alle 30 twitterende agenten als positief wordt ervaren. Het korps heeft dan ook besloten om er enthousiast mee door te gaan en overige buurtregisseurs aan te sporen om tevens te gaan twitteren (Public Mission, 2012). Verder wordt Twitter ingezet door de recherche, bijvoorbeeld als het gaat om woninginbraken. Er wordt dan vermeld doe de dader(s) te werk gaan en er wordt een signalement gegeven. Met name door het vrijgeven van het signalement in combinatie met buurtregisseurs die twitteren, heeft in 2011 geleid tot de aanhouding van drie verdachten (Criminaliteitswijzer, 2011).
  35. 35. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 36 Het korps heeft gemerkt dat het gebruik van sociale media leidt tot veranderingen in de organisatie. Er wordt namelijk een deel van de regie uit handen gegeven. Toch wordt dit als positief gezien; er wordt niet alleen via de pers gecommuniceerd, maar ook direct met burgers (Public Mission, 2012). Andere sociale media dan Twitter spelen binnen het regiokorps Brabant Zuid-Oost (vooralsnog) een kleinere rol. Zo heeft het korps een profielpagina op Facebook en startte een tijdje geleden een Facebookpilot onder buurtregisseurs in Asten en Eindhoven. Dit maakt het voor de buurtregisseurs mogelijk om uitgebreidere berichten te plaatsen, wat niet mogelijk is bij Twitter. Ook op deze pilot zijn de reacties positief. Bovendien maakt gezichtsherkenning op Facebook het opsporen van daders makkelijker. Een nadeel is dat hiermee tevens agenten makkelijker te herkennen zijn, wat undercoverwerk lastiger kan maken. Naast Twitter en Facebook wordt Youtube ingezet; er worden beelden van delicten geplaatst waarin kijkers worden verzocht om tips of andere relevante informatie aan de politie door te geven (Public Mission, 2012). Verder is er een politie-app ontwikkeld en zijn een aantal agenten uitgerust met tablets om bijvoorbeeld op een snelle manier foto’s van verdachten te ontvangen (Binnenlands Bestuur, 2012). Door de regiopolitie Brabant Zuid-Oost wordt er in rechercheonderzoeken gebruik gemaakt van verscheidene sociale media in combinatie met bijzondere opsporingsbevoegdheden. Dit gebeurt voornamelijk voor het vergaren voor informatie, maar sociale media worden ook gebruikt in de actieve opsporing zoals infiltratie en pseudokoop (Criminaliteitswijzer, 2011). 4.5.4 Regiopolitie Utrecht De regiopolitie Utrecht gebruikt de sociale media Twitter, YouTube en Facebook in haar opsporingspraktijk (Politie, 2011 (2)). Naast de algemene berichtgeving via het regionale Twitteraccount van het korps, die wordt beheerd door de afdeling Communicatie, maken steeds meer buurtregisseurs gebruik van Twitter. Deze buurtregisseurs zien Twitter als een handig en laagdrempelig middel om in contact te komen met burgers en hen op de hoogte te houden van hun bezigheden (Politie.nl, 2012). De buurtregisseurs beschikken in totaal over 39 accounts, waarbij elk account wordt beheerd door één of meerdere buurtregisseurs. Verder hebben binnen het korps Utrecht de woordvoerders van de afdeling Persvoorlichting, het milieuteam, het verkeershandhavingsteam, de recherche en zelfs het vuurwerkteam een eigen Twitteraccount (Politie.nl, 2012 (2)). Inmiddels zijn er meer dan 40 politiemensen die dagelijks twitteren. Tweets over grote zaken worden voornamelijk door de afdeling Communicatie en de politiewoordvoerders geplaatst en buurtregisseurs twitteren vaak over de kleinere, lokale zaken (RTV Utrecht, 2012). YouTube wordt zeer regelmatig door het korps gebruikt; er wordt wekelijks of zelfs meerdere keren per week een video geüpload. Door middel van deze video’s worden getuigen of tipgevers opgeroepen om contact op te nemen met de politie. Er worden voornamelijk video’s van overvallen, berovingen, diefstal, inbraak en brandstichting geplaatst (YouTube, 2012 (2)). Om op een juiste manier gebruik te maken van sociale media, laat de regiopolitie Utrecht buurtregisseurs en andere werknemers trainingen en cursussen volgen op dit gebied (VDMMP, z.j.). 4.5.5 Regiopolitie Haaglanden De regiopolitie Haaglanden is actief op verscheidene sociale media, waaronder Twitter, Facebook, Hyves en YouTube. Het korps gebruikt sociale media om burgers te informeren, maar ook om hun hulp in te roepen in de opsporingspraktijk. Hierbij gaat het voornamelijk om het oplossen van misdrijven of het terugvinden van
  36. 36. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 37 vermiste personen. De regiopolitie Haaglanden ziet sociale media als middelen waarmee men gemakkelijk en snel een groot en breed publiek kan bereiken. Op YouTube plaatst het korps Haaglanden maandelijks of meerdere keren per maand een video. Via deze video’s wordt aandacht gevraagd voor voornamelijk overvallen, inbraken, mishandelingen en diefstal. De regiopolitie Haaglanden beschikt verder over regionale accounts op Twitter en Facebook. Op deze accounts plaatst het korps onder andere politienieuws en opsporingsberichten. Naast het regionale account op Twitter, beschikken ook de verkeerspolitie en voetbaleenheid over een eigen Twitteraccount. Verder hebben veel politiebureaus, in totaal 19, een eigen account. Binnen de wijken zijn buurtregisseurs actief op Twitter. In totaal beschikken de buurtregisseurs over 88 accounts, waaronder 7 accounts van zogenoemde schoolagenten. Schoolagenten onderhouden via sociale media contact met scholen, docenten en leerlingen. De netwerksite Hyves wordt door één politiebureau ingezet. Daarnaast beschikken tevens twee schoolagenten over een Hyvesaccount. De politiebureaus en buurtregisseurs zetten deze sociale media in om een specifieke doelgroep te bereiken en deze te informeren over relevante zaken (Politie, 2012 (3)). Het doel van het gebruik van sociale media door bureaus en buurtregisseurs is de communicatie en interactie met burgers vergroten (Kreuk, 2011). Na een pilot over Twitter in 2010, vormde na een aantal positieve evaluaties en resultaten in maart 2011 het startpunt voor het korpsbrede gebruik van Twitter door buurtregisseurs binnen het korps Haaglanden (Kreuk, 2011). De regiopolitie Haaglanden zet sociale media tevens op andere manieren in. Zo heeft het korps afgelopen jaarwisseling in een ‘real time intelligence center’ de hele nacht berichten op Facebook en Twitter in de gaten gehouden. Als er via sociale media werd opgeroepen om te rellen, kwam de politie direct in actie door er agenten op af te sturen of door bijvoorbeeld de tweets te beantwoorden. Het korps deed er nog een schepje bovenop door burgers op te roepen om actief opnames te maken van wetsovertredingen tijdens Oud en Nieuw (Omroep West, 2011). Verder kijkt het korps via sociale media ook uit naar zaken als gestolen goederen, fraude en heling, maar bijvoorbeeld ook naar ontvoeringen en gijzelingen. Op deze manier probeert de regiopolitie Haaglanden de pakkans van daders te vergroten (YouTube, 2010). Het korps Haaglanden heeft een aantal regels en richtlijnen opgesteld wat betreft het gebruik van Twitter en andere sociale media. Deze regels beschrijven voornamelijk de inhoud van de berichten. Onderwerpen die wel op sociale media mogen worden gemeld zijn onder andere: opgeloste zaken, aangekondigde acties of controles, getuigenoproepen, succes of resultaat van een politieoptreden en informatie over preventie. Onderwerpen die worden afraden om kennis over te geven zijn onder andere daderwetenschappen en berichten zonder doel of context. Het gevaar van een onprofessionele of ongepaste tweet is dat de spreiding meestal groot is, dat het bericht onuitwisbaar is en dat het in een andere context kan worden geplaatst. Verder is binnen het korps afgesproken dat buurtregisseurs terughoudend zijn in het publiceren van informatie over grote zaken, omdat de communicatie dan verloopt via de afdeling Communicatie of de woordvoerders (Kreuk, 2011). Binnen het korps voorziet de sectie Communicatie de (beginnende) twitterende buurtregisseurs van advies. Tijdens deze instructie worden buurtregisseurs gevolgd en begeleid in hun online gedrag. Voor alle medewerkers die gebruik maken van sociale
  37. 37. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 38 media geldt dat er indien nodig een terugkoppeling zal plaatsvinden wanneer ongewenste informatie online wordt gezet. Het leeraspect staat bij deze terugkoppeling voorop (Kreuk, 2011). 4.5.6 Regiopolitie Hollands-Midden Het korps Hollands-Midden maakt gebruik van verscheidene sociale media, waaronder Twitter, YouTube, Facebook en digitale applicaties. De sociale media worden ingezet voor publieksvoorlichting, opsporing, werving, preventie en het verkrijgen van de opinie van burgers over (de werkzaamheden van) het korps (Kreuk, 2011). De regiopolitie Hollands-Midden was een van de eerste korpsen in Nederland die in 2009 de inzet van Twitter overwogen ter ondersteuning van het politiewerk (Kreuk, 2011). Door gebruik te maken van Twitter kan de politie een bepaalde groep inwoners informeren. Het bereik van de politie wordt hiermee verbreed, omdat de burgers via andere kanalen wellicht niet bereikt zouden kunnen worden. Twitter wordt ingezet om de volgende onderwerpen onder de aandacht te brengen: nieuwswaardigheden, opsporingsberichten, interessante/relevante retweets, verkeerscontroles, campagnes en crisiscommunicatie. Het is voor het korps van belang om met de tijd mee te gaan en om op de hoogte te blijven van nieuwe technologische ontwikkelingen (Politie.nl, 2012 (4)). Eén van de doelen van het korps is het verder uitbouwen van de verbinding met de samenleving. Dat willen ze bereiken door onder meer gebruik te maken van digitale kanalen zoals Twitter, YouTube, Burgernet en het uitrusten van buurtregisseurs met smartphones (Korpsjaarplan Politie Hollands-Midden, 2010). Aan medewerkers wordt de benodigde hardware en software verstrekt om gebruik te kunnen maken van Twitter. Daarnaast krijgen zij een introductie over de mogelijkheden van sociale media en een handleiding, waarin de nieuwe gebruikers worden aangemoedigd om naast Twitter tevens andere sociale media in te zetten. In deze handleiding komen ook onderwerpen aan bod die wel en niet op sociale media mogen worden geplaatst. Berichten die niet mogen worden geplaatst, zijn bijvoorbeeld zaken die onderzoeken kunnen schaden en persoonsgegevens of privacygevoelige zaken van jezelf of anderen (Gebruikershandleiding Twitter Politie Hollands-Midden, 2010). Het korps gaat in elk geval ten allen tijde uit van de professionaliteit van de medewerker. In principe ligt daarmee de afweging wat wel en niet gemeld kan worden op sociale media bij de gebruiker zelf. Verder worden medewerkers aangemoedigd om te participeren aan discussies op sociale media (Kreuk, 2011). 4.5.7 Politiekorpsen Verenigde Staten Amerikaanse korpsen gelden als voorlopers in het gebruik van sociale media. In 2011 maakten 88,1% van de politiekorpsen in de Verenigde Staten gebruik van sociale media. Daarnaast bleek dat 48,6% van de korpsen een beleid hebben opgesteld omtrent het gebruik van sociale media en nog eens 22,1% bezig is met het opstellen van een beleid. Verder bleek dat 57,9% van de korpsen die nog geen gebruik maakten van sociale media, overwegen om het wel te gaan gebruiken. De sociale media die het meest gebruikt worden onder korpsen in de Verenigde Staten zijn Twitter, Facebook, YouTube, Nixle en andere op e-mail of tekst gebaseerde diensten. De sociale media worden voornamelijk gebruikt voor de opsporing (71,1%), gevolgd door intelligence
  38. 38. Adviesrapport – Het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk – Rebecca van Someren 39 met 56,6%. Ook staan het informeren van burgers over incidenten en misdrijven (49,9%), interactie met burgers (47,2%) en misdaadpreventie (45,6%) hoog op het lijstje. 56% van de korpsen geeft aan dat sociale media bijdraagt in het oplossen van misdrijven. Bij 53,1% van de korpsen is door het gebruik van sociale media de relatie tussen burger en politie verbeterd; 34,3% durft dit niet met zekerheid te zeggen (IACP, 2011). In onderstaande tabel is de inhoud van de Twitterberichten van Amerikaanse korpsen weergegeven. Figuur 1: Inhoud Twitterberichten politie Verenigde Staten (Madison e.a., 2010) Uit de tabel blijkt dat het merendeel van de berichten gaan over verkeer en veiligheidswaarschuwingen, dagelijkse werkzaamheden, gezochte of vermiste personen, politieactiviteiten en lokaal nieuws. Persoonlijke en gevoelig liggende berichten en berichten die integriteitschendingen kunnen veroorzaken komen relatief weinig voor (Madison e.a., 2010; Kreuk, 2011). 4.5.8 Nationale politie & 9 domeinen strategie Voor de nationale politie, die begin 2013 zal worden doorgevoerd, is een sociale media strategie ontwikkeld. Deze 9 domeinen strategie, die zich momenteel nog in de ontwikkelingsfase bevindt, zal in alle korpsen binnen Nederland worden geïntegreerd (Keurentjes, 2012). De visie van de nationale politie op het gebruik van sociale media is als volgt: ‘Sociale media zijn een vast onderdeel binnen de politieprocessen en dragen bij aan het behalen van de doelstellingen van de nationale politie. Social media-bewustzijn is gemeengoed en stelt ons in betekenisvolle verbindingen aan te gaan binnen en buiten de organisatie. Sociale media zien we als middel om transparant, betrokken en verantwoordelijk direct en indirect bij te dragen aan veiligheid’ (Keurentjes, 2012) De 9 domeinen strategie bestaat, zoals de naam al zegt, uit negen domeinen, namelijk: 1. Sociale media als mediakanaal (eenrichtingsverkeer) 2. Sociale media voor actieve wederkerigheid (tweerichtingsverkeer) 3. Sociale media als communicatiemiddel tijdens crisis

×