Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.

De Sneuper nummer 128, December 2017.

931 views

Published on

De Sneuper nummer 128, December 2017. Woningnood in Dokkum tot 1925, wapen Admiraliteit van Friesland, Dokkum. Uitgave van de Historische Vereniging Noordoost-Friesland. Lid worden kost slechts 15 euro per jaar. U krijgt dan 4 kleurennummers, toegang tot ledendagen en een netwerk van vele onderzoekers met interesse in dezelfde regio. https://www.hvnf.nl/aanmeld-formulier/

Published in: Education
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

De Sneuper nummer 128, December 2017.

  1. 1. DE WONINGNOOD IN DOKKUM TOT 1925 SNEUPER nummer 128 jaargang 30 nr. 4 DECEMBER 2017 losse nummers € 3,95
  2. 2. © Niets uit deze uitgave mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen. COLOFON 148 16 20 22 4 De Historische Vereniging Noordoost-Friesland is een Algemeen Nut Beogende Instelling. 7 correspondentie uitsluitend via: Brokmui 62 9101 EZ Dokkum kopij via e-mail: redactie@hvnf.nl website www.hvnf.nl weblog http://sneuperdokkum.blogspot.com FOTO OMSLAG: COLLECTIE WARNER B. BANGA redactie Warner B. Banga Dokkum Theo Delfstra Feanwâlden Nykle Dijkstra Leeuwarden Piet de Haan Dokkum Lisette Meindersma Burgwerd JacobRoep Hollum (Ameland) Hans Zijlstra Amsterdam opmaak Warner B. Banga
  3. 3. prijs losse nummers € 3,95 (exclusief porto) dertigste jaargang nr. 4 december 2017 verschijnt in maart, juni, september en december in een oplage van 650 exemplaren nummer 128 INHOUD Het beste dat de geschiedenis ons nalaat, is het enthousiasme dat zij veroorzaakt. J.W. von Goethe HISTORISCH CITAAT: SNEUPERDE 5 6 7 8 20 22 14 16 4 19 31 32 34 REDACTIONEEL LEDENNIEUWS 2017-04 VAN DE BESTUURSTAFEL HISTORIE & STREEKGESCHIEDENIS WONINGNOOD IN DOKKUM TOT 1925 HET WAPEN VAN DE FRIESE ADMIRALITEIT VLUCHTELINGEN IN OOSTDONGERADEEL (4) GENEALOGIE & FAMILIEGESCHIEDENIS GENEALOGISCHE LIJN: PETER TUINMAN ZWARTE LYDIA RUBRIEKEN & COLUMNS COLUMN: Je mutte mar hoare... HERALDIEK: wapen van Westdongeradeel DIGITAAL, ACTUEEL & VARIA INGEBOEKT / DIGITAAL: Beeldbank JONGE SNEUPERS OP HISTORICIDAGEN 2017 DIGITAAL VERHAAL: De aanhouder wint! WARNER B. BANGA ARJEN DIJKSTRA GOSSE BOOTSMA ANNEMARIE ZIJLSTRA IHNO DRAGT DOEDE DOUMA & REINDER TOLSMA MATTIE BRUINING JACK BOERSMA IHNO DRAGT RUDOLF J. BROERSMA PIET DE HAAN & JACOB ROEP JACOB ROEP & NYKLE DIJKSTRA HANS ZIJLSTRAWAPEN WESTDONGERADEEL
  4. 4. TOP INTERIEUR Naast me ligt het oktobernummer van ‘The world of INTERIORS’, een luxe, toonaangevend interieurdesign tijdschrift met een enorme lezerskring en het hoofd- kwartierinhetnieuweWorldTradeCentreinNewYork. Op de pagina’s 370-378 is er aandacht voor ons eigen Fiskershúske. Eerder dit jaar reed ik de Franse journa- liste en haar fotograaf annex chauffeur naar Mod- dergat om een dag lang foto’s te maken. De uitgever had er duidelijk veel geld voor over om ons museum goed aan de wereld te presenteren. Niet dat de bui- tenlandse toeristen nu toe zullen stromen overigens. Het Ruurd Wiersma Huis in Birdaard, dat ons in dat blad voorging, heeft geen dranghekken hoeven aan te schaffen. Maar het blijft bijzonder om in dit glossy magazine te staan. Het geeft nog meer glans aan ons imago, ook al is dat slechts uiterlijke schijn.Want de ‘true colours’ van het museum zijn de verhalen van de visserij en de vissersfamilies. Veel meer dan de oud-roze geschilderde deuren in hun woningen van weleer, waar Marie-France zo verrukt over was. TOPMODEL Wars van het oppoetsen van ons imago ben ik niet: ik laat graag zien dat we geen stoffig museum zijn. Gevraagd naar een foto van een topstuk uit de collectie van Museum Dokkum, vastgehouden door een bekende Fries uit onze regio, heb ik Akke Marije Marinus uit Bornwird laten benaderen. En gelukkig heeft deze nieuwe Doutzen Kroes zich belangeloos een ware ambassadrice vandezeregiobetoond.Haarwereldvantopmodelleniserbijuitstekéénvanuiterlijkeschijn,daarinverschilthetniet veel vandie van het Interieur Design. Het mooie plaatje laat eigenlijk nooit de realiteit zien (behalve natuurlijk in het geval van Akke Marije ). Het uiteindelijke doel is de persoon of het product zo goed mogelijk te presenteren, bij voorkeur vele malen beter dan in het echt. TOP PORTRET Eensoortgelijkdoelmoetgezienwordenineenschilderijvande17-jarige Lisck, een jongedochter uit de adellijke familie (van) Eijsinga. Haar graf in de kerk van Kollum is al lange tijd zoek. Maar haar portret, al eerder in De Sneuper gepubliceerd, kwam daar even terug en werd ons door eigenaar Wibo Boswijk op de jaarvergadering van de HVNF getoond.Waar diende dit portret voor? Het is meer dan een leuk plaatje voor de ouders van een geliefde jonge dochter. Het is in ieder geval een soort staatsieportret dat de rijkdom, goede afkomst en good-looks van de ongetrouwde jonge dochter etaleert. De true colours echter ontgaan ons, doordat we de sig- nalen niet meer verstaan. Die witte bloem op haar borst bijvoorbeeld. Omdat vele jongedames van stand in die tijd daar een juweel droegen, waren nogal wat toeschouwers in Kollum de mening toegedaan dat het wel overgeschilderd zou zijn. Maar misschien is het wel een anjer, zoals vaak op verlovingsportretten te zien is. En de grijze kraag werd in Kollum of beschouwd als een niet zo geslaagde weergave van een witte molen- steenkraag, of überhaupt niet als iets aparts opgemerkt. Terwijl het (met dank aan Gieneke Arnolli van het Fries Museum) hier waarschijnlijk om een zeer kostbaar, glanzend zilverweefsel gaat, met een randje kloskant van zilverdraad. Met recht een glossy portret van Lisck dus. COLUMN 4 HET OOG WIL OOK WAT door IHNO DRAGT giwdragt@museumdokkum.nl JE MUTTE MAR HOARE... VISSERSWONING PAESENS-MODDERGAT LISCK VAN EIJSINGA  1611 FOTO:WIBOBOSWIJK TEKENING:J.HOEKSTRA
  5. 5. 5 REDACTIONEEL BIERBOEK & DE SNEUPER 128 'Time flies, when you're having fun' is zo'n gevleugelde uitdrukking, die ik graag bezig als de uurtjes tussen mijn vingers doorglippen... Zo ook de herfstvakantie, die net voorbij is als ik dit schrijf. Een deel is gebruikt om nummer 128 van De Sneuper op te maken, die nu voor u ligt. De meeste tijd werd echter besteed aan het boek over Bierbrouwen in Dokkum, waar Piet de Haan en ik keihard aan werken. Ik weet nu, dat het ons niet gaat lukken dit Bierboek dit kalenderjaar nog uit te brengen... Als u De Sneuper 128 leest, is het al kerstvakantie en het jaar 2017 bijna voorbij. In het hoofdartikel schrijft Annemarie Zijlstra over woningnood in Dokkum tot 1925. Haar artikel werd eerder gepubliceerd in 2014 in It Beaken en voor publicatie in De Sneuper zijn annotatie en opmaak aangepast. Mattie Bruining vond weer een prachtige genealogische lijn, dit keer naar Peter Tuinman en Joop Atsma. Jack Boersma schrijft over 'Zwarte Lydia' uit Westergeest en Ihno Dragt reageert op het artikel van Eimert Smits in De Sneuper 127 over het wapen van de Friese Admiraliteit. Doede Douma en Reinder Tolsma sluiten hun imposante vierluik over vluchtelingen in Oostdongeradeel tijdens de Tweede Wereldoorlog af met een verhaal over de hongervluchtelingen. Ook zij werken aan een boekwerk om deze gegevens vast te leggen voor het nageslacht (nu er nog genoeg ooggetuigen zijn die hen daarover kunnen vertellen). Tot slot doen redactieleden Jacob Roep en Nykle Dijkstra verslag van de Historicidagen in Utrecht waar zij onze historische vereniging promootten en zijn er natuurlijk de vaste bijdragen van onze columnist Ihno Dragt, heraldisch nieuws van Rudolf Broersma, ingeboekte publicaties door Piet de Haan en digitaal nieuws van Hans Zijlstra. Heb ik iedereen genoemd, die het de afgelopen tijd zo naar de zin had. Vergeet niet om dit ook te doen en uw pennenvruchten in te sturen voor De Sneuper! We hebben er een nieuw redactielid bij, die zichzelf even voorstelt: ALS JE HET NAAR DE ZIN HEBT DE TIJD VLIEGT, door WARNER B. BANGA warner.b.banga@knid.nl © Niets uit deze uitgave mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen. Deredactieheefternaargestreefddeauteursvanillustratiesopdejuistewijzetevermelden,daar waar afbeeldingennietdoordeschrijvers zijn gemaakt of werden aangeleverd. Zij die menen nog rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich tot de redactie wenden. EVEN VOORSTELLEN: THEO DELFSTRA theodelfstra@knid.nl Mijn naam is Theo Delfstra (27), geboren en getogen in Feanwâlden. Sinds februari ben ik één van redacteuren van de De Sneuper Facebookpagina. Vervolgens werd ik in oktober gevraagd om ook de redactie van ons vereni- gingsblad te komen versterken. Daar hoefde ik niet lang over na te denken. Mijn historische belangstelling is begonnen bij de genealogie.Toen ik 9 jaar oud was, verzamelde ik al op speelse wijze oude familiefoto’s en data. Vanaf dat moment heeft deze hobby mij niet meer losgelaten; zeg maar gerust dat het uit de hand is gelopen. Inmiddels heb ik contact gezocht met meer dan honderd (verre) familieleden en heb ik een boek geschreven, waarin de ouders van mijn pake centraal staan. Een tweede boek over een ander stel overgrootouders is in de maak. Bin- nen mijn familie is de link met Noordoost-Friesland sterk aanwezig: zo’n 95% van mijn gevonden voorouders waren Noordoost-Friezen. Vier jaar geleden heb ik de lerarenopleiding geschiedenis afgerond. Het overbrengen van historie, in combinatie met de om- gang met leerlingen, vind ik bijzonder leuk. Helaas kon ik geen baan vinden in het onderwijs, vanwege een overschot aan geschiedenisdocenten. Gelukkig heb ik op een andere manier van geschiedenis mijn werk kunnen maken. Ik werk nu op de Fryske Akademy aan het HisGIS-project. Daardoor ben ik bijvoorbeeld zijdelings betrokken geweest bij HisGIS Dokkum. Nu werk ik afzonderlijk aan de creatie van HisGIS Den Haag. Verder ontwikkel ik als vrijwilliger voor museum De Schierstins een programma voor basisschoolleerlingen. En ik ben bestuurs- lid voor de Freonen fan Tresoar. Nu komt daar dus het redactiewerk voor De Sneuper bij. Ik zal mijn best doen om samen met de andere redactieleden mooie Sneupers voor u af te leveren en artikelen te schrijven. Ik heb er zin in! BOEK- & SNEUPER-PROMOTIE TIJDENS ADMIRALITEITSDAGEN FOTO:HENKAARTSMA FOTO:THEODELFSTRA THEO DELFSTRA
  6. 6. 7 BESTUURVERENIGINGSGEGEVENS Lidmaatschap van de vereniging € 15 per jaar / € 25 buitenland IBAN: NL08 RABO 0177 8581 41 BIC: RABONL2U BETALINGEN VIA REKENINGNUMMER 177.8581.41 t.n.v. Hist. Ver. NOF Opzegging lidmaatschap: uitsluitend schriftelijk voor 1 november via postbus 369 - 9100 AJ Dokkum voorzitter dhr. Gosse Bootsma tel.: 0518 - 45 15 81 secretaris mevr. Ciska Hoekstra tel.: 0594 - 63 22 62 penningmeester / ledenadministratie dhr. Arjen Dijkstra tel.: 0519 - 58 96 74 e-mail ledenadministratie j.dijkstra33@gmail.com BESTUURSTAFEL LEDENDAG 14 OKTOBER Het was zaterdag 14 oktober j.l. een zeer geslaagde ledendag in het Kol- lumer Museum Mr. Andreae. Redactielid Hans Zijlstra gaf uitleg bij en over het schilderij van de Kollumer 17e -eeuwse schone Lisck van Eysin- ga, dat in het bezit is van Wibo Boswijk. Volgens mij zou dit schilderij prima passen in de collectie van het vernieuwde Kollumer Museum. Oebele Vries gaf een uitgebreide en goed onderbouwde uiteenzetting over het Kollumer oproer van 1797; dit is overzichtelijk in beeld gebracht in het themagedeelte van het museum. Redactielid Jacob Roep gaf uitleg over de betekenis van de beeldbank, die hij samen met Jaap Sip Faber heeft opgezet. Het zeeroverslied kreeg via Nykle Dijkstra de aandacht die het verdient. Het middagprogramma bevatte een bezoek aan de historische St. Maartenskerk en de Oosterkerk, gebouwd in de stijl van de Amster- damse School door de architect Egbert Reitsma. MAIRIEBOEKEN & HISGIS DOKKUM Een lang gekoesterde wens gaat hopelijk binnenkort in vervulling: de indexen zullen op de HVNF site bereikbaar worden via 'Indexen Streekarchief Dokkum', wanneer aan alle voorwaarden van het archivaat is voldaan. Gegevens over overlijden en be- graven in Dokkum en omgeving kunnen zo gemakkelijker worden geraadpleegd. Eimert Smits Azn, een van onze leden, heeft zijn archief met afbeeldingen beschikbaar gesteld voor HisGis waardoor er een koppeling kan worden gemaakt tussen zijn straatbeelden, het kadastraal perspectief-boek en de kadasternummers. GEDENKSTEEN EZUMAZIJL Deze wordt gerestaureerd en zal na 1 april 2018 geplaatst worden in het talud van de kering bij de sluis en dit onder de verantwoordelijkheid van de Stichting Waterschap Erfgoed. BEKLAGLIED ADMIRALITEITSDAGEN Tijdens de Admiraliteitsdagen werd het door Nykle Dijkstra ontdekte zeeroverslied gepresenteerd en voor het eerst uitgevoerd door De Admiraliteits- sjongers. In de pers kreeg dit beklaglied veel aandacht. Opnieuw mooie promotie voor onze vereniging! NIEUWE BESTUURSLEDEN Wij zoeken een kandidaat / kandidaten die zitting wil nemen in het bestuur van de vereniging; dit als vervanging van aftredende bestuursleden. Graag aanmelden bij de secretaris. VAN DEVOORZITTER VERENIGINGSNIEUWS door GOSSE BOOTSMA NYKLE DIJKSTRA TIJDENS DE PRESENTATIE VAN HET 'BECLACHLIED' IN DOKKUM HANS ZIJLSTRA AAN HET WOORD OP DE LEDENDAG FOTO:HENKAARTSMA FOTO:HENKAARTSMA
  7. 7. 8 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS HET WONINGONDERZOEK EN HAAR UITKOMSTEN In 1899 werd, in combinatie met de algemene volkstelling, onderzocht hoeveel eenkamerwoningen er globaal in Nederland waren.[3] De uitkomsten van dat onderzoek lieten nog een aantal jaren op zich wachten, en in de desbetreffende publicatie, die verscheen in 1903, leest men in de inleiding dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) afhankelijk was van de interpretatie van de tellers bij bijvoorbeeld het correct vermelden van het aantal vertrekken.[4] Inspecteur Faber publiceerde de cijfers ook in zijn Sprekende cijfers: woningtoestanden in Nederland toegelicht met cijfers en grafische voorstellingen uit 1904. In heel Nederland waren aldus de uitkomsten: 307.937 (28 procent) eenkamerwoningen en 334.355 (31 procent) tweekamerwoningen, wat samen neerkomt op 59 procent van het totale aantal (t.w. 1.008.739) een-, twee- en driekamerwoningen dat werd onderzocht.[5] Voor Friesland lagen de uitkomsten veel en veel hoger. Volgens de cijfers waren van de 76.886 onderzochte woningen in Friesland namelijk, naast 48.237 (62,5 procent) eenkamerwoningen, 15.977 (20,5 procent) tweekamerwoningen, wat samen neerkomt op 83 procent.[6] Nu wil het geval dat voor de provincie Friesland de tellers voor de volkstelling in zowel plattelandsgemeenten als steden (d.w.z. Leeuwarden, Harlingen en Sneek) actief waren en dat in een plattelandsgemeente als Dantumadeel bijvoorbeeld het percentage eenkamerwoningen op basis van de volkstelling maar liefst 81 procent bedroeg.[7] In dit artikel draait het om de stedelijke context, het platteland wordt dus buiten beschouwing gelaten, maar toch is het goed om nog even te vermelden dat ‘de situatie van deze [eenkamer]woningen in de stad moeilijk met die op het platteland vergeleken kon worden. In de stad had men immers bijna nooit een eigen stukje ‘bouw’ bij het huis en bestond ook niet de mogelijkheid om eigen bouwsels aan de woning vast te zetten.’ [8] In bovengenoemde drie steden, welke afzonderlijk vermeld zijn, omdat ze in 1899 meer dan 10.000 inwoners hadden, lag het percentage eenkamerwoningen lager dan het genoemde provinciale gemiddelde, met respectievelijk 49, 48 en 56 pro- cent op basis van de volkstelling.[9] Voor steden met minder dan 10.000 inwoners zijn in 1899 geen afzonderlijke tellingen gehouden, dus voor Dokkum, behorende onder de ‘gemeenten met 2.001-5.000 zielen’ is alleen een schatting gemaakt, in combinatie met andere gemeenten met hetzelfde aantal inwoners, wat uiteindelijk leidt tot een gemiddelde van 55 procent eenkamerwoningen.[10] IN DE GEMEENTE DOKKUM TOT 1925 WONING-&'RUIMTENOOD' door ANNEMARIE ZIJLSTRA annemariezijlstra@hotmail.com VLASSTRAAT IN DOKKUM  1910 ROND 1910 HAD DOKKUM 124 INWONERS PER HECTARE FOTO:COLLECTIEWARNERB.BANGA VOORAF Dit artikel werd eerder gepubliceerd in 2014 in It Beaken, tijdschrift van de Fryske Akademy, jaargang 76, nummer 1, bladzijde 79 t/m 91. Voor publicatie in De Sneuper zijn annotatie en opmaak aangepast. INLEIDING Stedengroei, overbevolking en slechte woonomstandigheden eind negentiende eeuw, architectuurhistoricus Auke van der Woud verhaalt erover in zijn in 2010 verschenen boek Koninkrijk vol sloppen. Achter- buurten en vuil in de negentiende eeuw. In dat boek zien we voornamelijk foto’s van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, maar ook buiten de Randstad kunnen vergelijkingen met steden als Amsterdam worden gemaakt. De relatief kleine gemeente Dokkum is een goed voorbeeld. Inspecteur van de volksgezondheid J.H. Faber constateerde in 1904 dat er in Amsterdam gemiddeld minder eenkamerwoningen waren dan in de Friese stad. Bovendien behoorde Dokkum naast Amsterdam en Leiden tot de dichtstbevolkte gemeenten van Nederland eind negen- tiende, begin twintigste eeuw.[1] In Dokkum ontbreekt het beeldmateri- aal van de toestanden toentertijd, maar in schriftelijke bronnen kan de woningnood, in de stad die zelfs de dichtstbevolkte gemeente van het land genoemd is, wel degelijk worden geconstateerd. In dit artikel zal toegelicht worden wat die beschreven woningtoestan- den in Dokkum precies inhielden en hoe het plaatselijke bestuur, dat te- vens kampte met ‘ruimtenood’ binnen haar gemeentegrenzen, omging met het probleem van krappe en slechte huisvesting.[2]
  8. 8. 9 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS BRON:COLLECTIEWARNERB.BANGA VOLKOMEN KENNIS DER BESTAANDE TOESTANDEN In Sprekende cijfers stelde Faber zichzelf ten doel ook ‘een overzicht te hebben van de woningtoestanden in de verschillende kringen waarvoor een Gez.-Commissie zetelt.’ [11] Zodoende komt Dokkum twee keer voor, want ook voor de Gezondheidscommissie Dokkum, waartoe Dokkum, Oostdongeradeel, Schiermonnikoog, Westdongeradeel, Ameland en Dantumadeel behoorden, kwam Faber met cijfers. Ditmaal met het veel hogere percentage van 68 procent eenkamerwoningen, liggende boven het pro- vinciale gemiddelde.[12] Voor het daadwerkelijke aantal eenkamerwoningen in de gemeente Dokkum bleef het echter gissen en zodoende zou in een geval als Dokkum een‘systematisch woningonderzoek’uitkomst moeten brengen.[13] Faber, als inspecteur van de volksgezondheid verantwoordelijk voor Friesland, Overijssel, Groningen en Drenthe, probeerde vanzelfsprekend het al- gemene belang van een dergelijk specifiek woningonderzoek te onderstrepen: 'Waar middelen ter verbetering zullen worden beraamd en deze ongetwijfeld groote uitgaven met zich zullen meebrengen, is vóór alles noodig, een volkomen kennis der bestaande toestanden. Het ligt ongetwijfeld op den weg van Gemeentebesturen en Gezondheids-Commissiën, door een uitvoerig onderzoek zich op de hoogte te stellen van al wat het vraagstuk der volkshuisvest- ing raakt. Een uitvoerige woningenquête, zooals reeds in tal van Gemeenten werd uitgevoerd is m.i. een onafwijsbare eisch en het eerst noodige. (…). De uitkomsten werpen zulk een schril licht op de toestanden waarin een groot gedeelte van de bevol- king van ons vaderland leeft en speciaal van de bizonder ongunstige woningtoestanden in de vier Noordelijke gewesten, dat de noodzakelijkheid van een nader onderzoek zich als ’t ware vanzelf opdringt.' [14] Na de inwerkingtreding van de Woningwet en de Gezondheidswet op 1 augustus 1902, werden de gemeenten onder meer verplicht een bouwverordening op te stellen, waaraan te bouwen woningen getoetst werden door B&W, alvorens een vergun- ning werd verleend.[15] Ook werd wettelijk bepaald dat gemeenten en plaatselijke gezondheidscommissies moesten vaststellen welke woningen niet aan de eisen voldeden en vervolgens of deze verbeterd konden worden of dat tot onbewoonbaarver- klaring moest worden overgegaan.[16] Om het woningbestand gedetailleerd in kaart te brengen, werden overal onderzoeken gehouden, zo ook in Dokkum. Met de definitieve voltooiing van de vestingwerken in 1590 bedroeg het grondgebied van de gemeente 32,5 ha.[17] Op het qua grootte onveranderde terrein binnen de grachten moest het gemeentebestuur van de stad vervolgens meer dan driehonderd jaar de bevolkingsgroei opvangen.[18] In korte tijd (tussen 1841 en 1863) steeg het inwonertal van 3900 naar 4500, volgens een plaatsbeschrijving, maar in 1899 had Dokkum nog‘slechts’4105 inwoners.[19] GEMEENTEKAARTJE KUYPER  1888
  9. 9. 10 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENISBRON:UU.NL Vanaf november 1904 werd een systematisch woningonderzoek - het onderzoek naar woningen met drie of minder kamers - door de Gezondheidscommissie van Dokkum en omstreken uitgevoerd.[20] Uit de verzamelbladen van het onderzoek blijkt dat er van de onderzochte woningen in de stad maar liefst 383 (56,16 procent, dus meer dan de helft) waren met één vertrek. 198 (29,29 procent) woningen hadden twee vertrekken en 101 (14,18 procent) drie.[21] Uit het woningonderzoek in Dokkum bleek verder dat er naast het genoemde aantal vertrekken meestal nog een niet‘beschoten’zolder aanwezig was.[22] Bij 33 eenkamer- woningenontbrakdezolder,watzalinhoudendatdebewonersdaadwerkelijkoverslechtséénvertrekdebeschikkinghadden.[23] Toen inspecteur Faber in januari 1904 in een vergadering, georganiseerd door het Departement Dokkum van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, over‘de woningwet, haar doel en uitvoering’sprak, ging hij er nog van uit dat in de stad globaal de helft van de woningen bestond uit eenkamerwoningen. Faber liet verder weten dat dat in Amsterdam gold voor 14 procent van de woningen.[24] In vergelijking met Amsterdam zou het percentage eenkamerwoningen in Dokkum dus meer dan het driedub- bele zijn, als de cijfers kloppen, maar waarom waren die woningen met één vertrek nu zo’n groot probleem? [25] DE EENKAMERWONING Inspecteur Faber schrijft in 1904 dat in het voorwoord bij de woningstatistiek van 1899 over tweekamerwoningen vermeld stond: ‘dat een alcoof, een keuken, een glasdichte serre, een beslapen zolder, kelder of stal als vertrek is meegerekend. Reden genoeg om aan te nemen, dat het tweede vertrek vaak inferieur is (…).’ [26] Verder schrijft Faber dat hij over het algemeen van mening is dat een tweekamerwoning‘overbewoond’was wanneer er meer dan zeven mensen woonden. Maar hoe zagen de eenkamer- woningen eruit? Van der Woud beschrijft een vrij algemene situatie in Koninkrijk vol sloppen: ‘De bodem van de woningmarkt bestond uit honderdduizenden woningen die voor functiescheiding te klein waren. Koken, eten, werken, slapen, wassen en de stoelgang vonden daar plaats in een ruimte van vijftien tot vijfentwintig vierkante meter, voor een huishouden van vaak vier of vijf, en soms zeven of acht personen. Deze woningen - ‘kamers’ - waren niet in de nieuwe buitenwijken te vinden; ze bevonden zich in de oude stad. (…) Ze waren geen specifiek Nederlands verschijnsel, want overal waar de moderne wereldzichinEuropaaandiendeendestedengroeiden,wasoverbevolkinginwoningenvandelaagstehuurcategoriehetgevolg.’[27] In de Friese context is het gerechtvaardigd om over kamers te spreken, want ‘de kamer of ‘eenkamerwoning’ is de traditionele vorm van huisvesting voor de minder draagkrachtige inwoners van Fryslân (…). Dat blijkt al in de late middeleeuwen het geval te zijn. De in 1455 en 1456 opgetekende stadsrechten van Bolsward en Sneek maken een duidelijk onderscheid tussen ‘huysen’ en ‘ca- meren.’ (…) [Ook] het uit 1511 daterende Register van den Aanbreng vermeldt regelmatig kamers, in het laatste geval in de steden Leeuwarden en Dokkum.' [28] Eigentijdse foto’s van een situatie als door Van der Woud beschreven zijn bij schrijver dezes helaas niet bekend van Dokkum. Wat rest zijn de beschrijvingen in schriftelijke bronnen. De publicatie Dokkum, ’n stad vol herinneringen van Douwe van Minnen uit 1975 bevat zo’n beschrijving van een willekeurige eenka- merwoning aan de Strobossersteeg. Een datering wordt niet gegeven, maar uit de tekst kan worden op- gemaakt dat het een herinnering uit de periode van de paardentram betreft, dat wil zeggen vóór 1925: ‘We stappen de kamer meteen binnen. Een portaaltje was er niet bij. (…) In het midden stond een tafel met een theeblikje, zwart met goud randje op een zeiltje. Een paar stoelen met biezen matten voor de ouders stonden er bij. Verder zag men twee bedsteden met openslaande deuren. In het onderbed sliepen vader en moeder, boven in de bedstee tegen de onderkant van de zoldervloer hing aan vier touwen een platte bak, hier sliepen de kinderen in; de naam van dit geval was: ‘touwke slingere bats’. Nu slingeren was er wel bij. De allerkleinste lag in de krèbe, een schuine plank tegen het voeteneind. (…).’ [29] Dokkum was verdeeld in vier wijken of espels: het Groot Breedstraatsterespel (wijk A) en het Klein Breedstraatsterespel (wijk B), van elkaar gescheiden door de Waagstraat, Kleine Oosterstraat, de Oostersingel en het Kereweer; het Hanspoortsterespel (wijk C, westelijk van de Hoogstraat en Markt) en tot slot het Blokhuisterespel (wijk D), gelegen ten zuiden van het Groot- en Kleindiep.[30] De Strobossersteeg ligt in de toenmalige wijk D en in deze wijk kwam rond 1866 het merendeel van de cholera- gevallen in de stad voor, zo blijkt uit een brief van de choleracommissie aan de gemeenteraad uit genoemd jaar.[31] In verband met voor de gezondheid schadelijke dampen werd in vermeld jaar ‘de sloot (of het haventje) liggende tusschen de Stroobos- schersteeg en het stads-bolwerk bij de Woudpoort’ gedempt.[32] ‘Van ouds was het gebied tussen Keppelstraat, Molensteeg en Strobossersteeg een volksrijke buurt. De bewoners leefden vaak in zorgelijke omstandigheden; de behuizing was nogal bescheiden en de gezinnen nogal groot’, aldus Van Minnen.[33] EENKAMERWONING IN AMSTERDAM  1914
  10. 10. In de bouwverordening, opgesteld naar aanleiding van de Woningwet, stond dat een woning 16 m2 of groter moest zijn, maar van de onder- zochte eenkamerwoningen in Dokkum voldeed bijna 80 procent (302 van de 383 eenkamerwoningen) helemaal niet aan die nieuwe eisen. In de stad kwamen er zelfs twee met minder dan 8 m2 leefruimte voor.[34] Het kunnen beschikken over een keuken en schoon drinkwater is in Ne- derland tegenwoordig normaal, in Dokkum was het daarentegen rond 1904 geen uitzondering wanneer in een woning een gootsteen of iets soortgelijks ontbrak. Bij 383 woningen was deze namelijk niet aanwezig. Bovendien waren de bewoners van 98 woningen aangewezen op het wa- ter uit bijvoorbeeld de Bonifatiusfontein aan de Strobossertrekweg, om- dat een eigen drinkwatervoorziening ontbrak.[35] Geen toilet hebben is vandaag de dag ondenkbaar, maar toentertijd was een dergelijke situatie voor de bewoners van 57 eenkamerwoningen zonder privaat ‘normaal’. [36] Voor diegenen die ook niet over een ton beschikten, was het door Van Minnen beschreven openbaar toilet de oplossing: ‘Er was een grote balk met er achter de privaattonnen, alles zat op een rijtje (net kippen op een stok).’ [37] Bij een korte samenvatting van de uitkomsten van het wo- ningonderzoek van 1904 werden ook‘enkele bijzonderheden’vermeld met een positieve lading: 'Bij al die gebreken mogen we niet verzwijgen, dat er ook enkele meer gunstige omstandigheden zijn te vermelden. Zoo staan er betrekkelijk slechts weinig woningen aan sloppen of binnenplaatsen n.l. ± 1/20 gedeelte en zijn de meeste straten wijder dan 3 M. Er zijn slechts 28 bovenwoningen en maar één eigenlijke kelderwoning.' [38] Ondanks deze‘gunstige’geluiden werd duidelijk dat het de hoogste tijd was voor verandering. Er was namelijk een zeer grote behoefte aan nieu- we woningen: 'Van de 682 onderzochte woningen (d.z. alle met één, twee of drie vertrekken) waren er slechts drie onbewoond. Gewoonlijk neemt men aan, dat bij een gezonden woningtoestand 3% leeg moet staan: dat zouden dus ongeveer 21 woningen moeten zijn. Op dit oogenblik is er dus een tekort aan achttien woningen. Boven- dien is echter gebleken, dat ±100 woningen eigenlijk onbewoonbaar zijn. Zoo komen we tot een behoefte van ± 120 woningen.' [39] BOUWVEREENIGING DOKKUM Omdat er in Dokkum 120 woningen nodig waren, kon actie niet langer uitblijven. ‘In den geest van de woningwet’ werd in 1906 een woningbouwvereniging, Bouwvereeniging Dokkum, opgericht om ‘in de bestaanden woningnood’ te voorzien.[40] Wegens hetgebrekaanruimtewashetalnietgemakkelijkbouwgrondtevinden,maardaarkwambijdatdegronddiebeschikbaarwas,niet altijd geschikt was voor woningbouw. Ook de hoge kosten voor grondaankoop waren soms een reden er toch van af te moeten zien. Tevens werkte de gemeente niet altijd mee. Het plantsoen ter plaatse van het (nog altijd onbebouwde) Oosterbolwerk mocht niet opgeofferd worden om plaats te maken voor 23 à 24 woningen. Omdat de grond schaars was, verbond een bestuurs- lid van de Bouwvereening daaraan de zienswijze dat de gemeente ‘niet veel voelt voor de verbetering van de woningtoestand’. [41] Uiteindelijk kwam in 1912 het terrein van de oude gasfabriek, op de dwinger bij de Hanspoort, als bouwgrond beschikbaar. Dit terwijl het terrein eerder om gezondheidsredenen – ‘wegens de vele gassen die in de grond aanwezig zijn’ – was afgekeurd.[42] Na afgraving bleek dat er toch geen sprake was van de gevreesde bodemverontreiniging, zoals opgetekend is in de notulen van de Bouwvereeniging.[43] Tien ‘ruim’ opgezette woningen, naar ontwerp van gemeentearchitect C. Oosterveld, konden er aan een pleintje worden gebouwd. Deze nieuwe woningen, met alleen al een woonkamer van bijna 17 m2 waren een hele verbetering ten opzichte van de eerder beschreven eenkamerwoning.[44] Elders, in de Parksteeg, werden – na onbewoonbaarverklaring van in totaal vijftien weeshuis- woningen – acht bestaande woningen gesloopt danwel verbouwd en in 1915 zeven nieuwe woningen gebouwd.[45] Tot slot werden op de lo- catie het Schoenmakerspark (wat in dit geval op het huidige Achterom slaat) in 1917 zes woningen gesloopt en vier nieuwe gebouwd.[46] De bouwplannen waren er echter al in 1915 en bij de cijfers, rekening hou- dende met die nog te bouwen woningen, schreef het bestuur van de Bouwvereeniging in dat jaar: ‘Wanneer het plan Schoenmakerspark zal zijn voltooid, mogen we veilig aannemen, dat daarmede het bouwen in de stad binnen afzienbaren tijd is afgelopen, wegens volslagen gebrek aan terrein. Het bereikte resultaat is dat dan 21 woningen zijn gesticht, doch 14 verdwenen, zoodat slechts een 7 tal meer beschikbaar is gekomen. Dat hiermede de volkshuisvesting niet afdoende is geholpen, behoeft geen betoog. Bovenwoningen zijn overwogen, doch wij stuitten op zulke be- zwaren, dat daarvan is moeten worden afgezien.’ [47] 11 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS FOTO:COLLECTIEGEMEENTEDONGERADEEL/HICNOF tijdvanburgersenstoommachines HANSPOORTSTERDWINGER MET OUDE GASFABRIEK - 1905 FOTO:MUSEUMDOKKUM ACHT ZALIGHEDEN EN STROOBOSSERSTEEG
  11. 11. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS 12 BRON:NEDERLANDSINSTITUUTVOORMILITAIREHISTORIE Het viel niet te betwisten dat bouwen buiten de gemeente de enige oplossing was die uiteindelijk zou overblijven om de on- geveer 120 benodigde woningen te kunnen bouwen. Eind 1918 slaagde het gemeentebestuur van Dokkum er in, een net buiten de Woudpoort in Dantumadeel gelegen grondstuk, eigendom van de gebroeders Dam, aan te kopen. Ter plaatse werden in 1920 naar ontwerp van architect W.K. de Wijs uit Enschede, 43 ‘ééngezinswoningen in 14 aaneengesloten blokken’ gerealiseerd met een groen karakter.[48] De woningen werden gebouwd aan het Bonifatiusplein en aan de huidige Woudweg en naar de mening van De Wijs had het ‘complex geheel het aanzien van een tuindorp’. [49] Uiteindelijk zou de gemeente in 1919 schuin tegenover dit bebouwde perceel opnieuw een stuk grond kopen. In 1920 werd wederom een grondstuk, dit keer grenzend aan de Bonifatiusbron, aangekocht. Ondanks de grote woningnood bleven bouwactiviteiten uit, iets wat op dat moment bij een enkel gemeenteraadslid vraagtekens opriep: ‘landhonger’?[50] Deze bewering lijkt niet terecht, want uit de ingekomen stukken kunnen we opmaken dat architect De Wijs van gemeentewege de opdracht kreeg een uitbreidingsplan te maken voor een gebied dat onder meer de recentelijk aangekochte percelen omvatte.[51] Het gemeentebestuur van Dokkum had dus wel degelijk goede bedoelingen met de aankoop. GRENSWIJZIGING ALS OPLOSSING Uit archiefstukken is gebleken dat de Gezondheidscommissie en het Departement Dokkum van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen in respectievelijk 1903 en 1904 grenswijziging op den duur als de enige oplossing voor het ruimtegebrek be- schouwden. Toch zou men pas in 1912 in een geheime raadsvergadering de uitbreiding van de gemeente ter sprake brengen. Er werd bij de burgemeester van Oostdongeradeel geïnformeerd over het afstaan van grond, maar deze werkte niet mee.[52] Actie ondernemen deed de gemeente Dokkum uiteindelijk eind 1913 door de gemeentebesturen van de omliggende gemeen- ten Dantumadeel, Oostdongeradeel en Westdongeradeel per brief aan te schrijven. In die brief werd onder meer gewezen op de behoefte aan woningen en de als gevolg van ontbrekende bouwgrond niet meer te voorkomen ongewenschte toestanden. [53] In het in 1920 gepubliceerde artikel ‘Woningellende’ zijn die toestanden zeer treffend beschreven: ‘In Dokkum is de woningelende [sic.] groot. (…) Wij hebben daar de vorige week woningtoestanden aanschouwd, die ten hemel schreien. Wij zagen er een groot aantal éénkamerwoningen met één bedstede, waarin vader, moeder en vier, soms zes kinderen moesten slapen. Het schijnt ongelooflijk, maar het is toch volkomen wáár. Het Gemeentebestuur is van het onhoudbare van deze toestanden volkomen overtuigd. Het is van goeden wille. Maar er is absoluut geen gelegenheid voor nieuwbouw. Er zijn geen terreinen, Dokkum kan zich niet ontwikkelen. (…) Dokkum heeft absoluut noodig een uitbreiding van zijn grenzen. Alleen dan kan er een einde gemaakt worden aan menschonteerende toestanden. (…) Woning- toestanden als wij in Dokkum aantroffen, zijn een schande voor het welvarende Friesland. (…) Het zal stellig van de Gemeente Dok- kum groote offers vragen, om aan deze, uit zedelijk en hygiënisch oogpunt zoo bedenkelijke, toestanden een einde te maken. Maar die offers moeten gebracht worden. En krijgt Dokkum de noodige terreinen, óók voor industrie, ziet het zich niet langer alle levens- bloed afgetapt, dan zal het ook in staat zijn, om deze offers te brengen. Moge de Regeering dan ook spoed maken met de grenswij- ziging van Dokkum, overeenkomstig het voorstel der Friesche Gedeputeerden. Groote zedelijke belangen staan hier op het spel.’ [54] Sinds 1913 was er dus weinig veranderd. Ook na het verschijnen van het artikel in 1920 moest het nog tot 1924 duren voordat knopen werden doorgehakt en grensuitbreiding definitief werd toegezegd. In juni van dat jaar stond in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden dat de gemeente Dokkum per 1 januari 1925 haar gewenste gebiedsuitbreiding zou krijgen.[55] Dankzij het verhelpen van het ruimteprobleem kwamen er voor de gemeente volop mogelijkheden om nieuwe woningen te bouwen, onbewoonbaar verklaarde woningen af te breken en zo langzamerhand de woningtoestanden te verbeteren. VERDWENEN GESCHIEDENIS Het stadsbeeld van Dokkum is inmiddels veranderd. Zo zijn de woningen op het terrein van de oude gas- fabriek niet meer terug te vinden. Ze werden afge- broken, waarna de oude dwinger werd gerecon- strueerd. Ook de woningen in de omgeving van de Strobossersteeg, in Dokkums‘volksrijke’buurt, werden gesloopt, om er een nieuw winkelcentrum te kun- nen bouwen.[56] Woonomstandigheden als in dit artikel beschreven, zijn maar moeilijk voorstelbaar in de huidige binnenstad. In het plaatselijke archief lig- gen desondanks de schriftelijke bronnen met daarin veel cijfermateriaal en treffende beschrijvingen van de toestanden in de vestingstad voor 1925. Deze ar- chivalia leveren het bewijs dat er met de sloop van woningen toch echt een deel van de sociale geschie- denis van Dokkum uit het stadsbeeld verdwenen is: de geschiedenis van de overbevolking in eenkamer- woningeneneengemeentebestuurdatvoorhetoplos- sen van dit probleem letterlijk geen kant meer op kon. LUCHTFOTO DOKKUM MET EERSTE UITBREIDINGEN BUITEN BINNENSTAD  1931
  12. 12. LITERATUUR EN BRONNEN -CentraalBureauvoordeStatistiek(CBS),UitkomstenderachtstetienjaarlijkschevolkstellinginhetKoninkrijkderNederlandengehoudenopdeneen endertigstendecember1899(metuitzonderingvandeberoepstellingendewoningstatistiek).Zevendedeel:provincieFriesland(’s-Gravenhage1901), beschikbaar: http://www.volkstellingen.nl/nl/images/images/03_0175.gif/picture, 16-8-2010. - Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Uitkomsten der Woningstatistiek voor het koninkrijk der Nederlanden verzameld ter gelegenheid van de algemeene volks-telling gehouden op den een en dertigsten december 1899 (’s-Gravenhage 1903), beschikbaar: http://www.volkstelling.nl/nl/publicaties/publicaties_in_pdf/ 1899/Woningtelling/WT_1899_00.pdf, 30-8-2013. - Faber, J.H., Sprekende cijfers: woningtoestanden in Nederland toegelicht met cijfers en grafische voorstellingen (Zwolle 1904). - Haslinghuis, E.J. en H. Janse, Bouwkundige termen. Verklarend woordenboek van de westerse architectuur- en bouwhistorie (Leiden 2005). - Havard, H., De bedreigde grenzen. Een togt door de provinciën Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland en Limburg (Haarlem 1876). - Kleine, J., Dokkum: een historisch-geografische benadering (Groningen 1979). - Minnen, D. van, Dokkum,’n stad vol herinneringen (Dokkum 1975). - Schroor, M., Geschiedenis van Dokkum: hart van noordelijk Oostergo (Dokkum 2004). - Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, wet van 28 juni 1924. - Terwen, J.L., Het koningrijk der Nederlanden voorgesteld in eene reeks van naar de natuur geteekende schilderachtige gezigten (Gouda 1858). - Weezel Errens, D. van (red.), Bouwen voor de smalle beurs. 100 jaar Woningwet in Fryslân (Leeuwarden 2002). - Welderen Rengers, Th. van en J.H. Faber, Friesland en de woningwet 1902-1912 (Leeuwarden 1913). - Van der Woud, A. Koninkrijk vol sloppen. Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw (Amsterdam 2010). - Zijlstra, A., Woningnood en ‘ruimtenood’ in gemeente Dokkum: de ruimtelijke ontwikkeling van een vestingstad tot 1925 (Groningen 2010). - Zoetmulder, J.M.A., De gemeente en het bouwterrein (Leiden 1909). Streekarchivariaat Noordoost-Friesland Dokkum (Afkorting: Streekarchief) Dokkum 1574-1922 (Afkorting: AgD 1574-1922) - Inv. nr. 827, 1032-1035, 1147, 1151, 1429 en 2300 Archief Gezondheidscommissie Dokkum (Afkorting: AdG) - Inv. nr. 40 Archief Stichting Samenwerkende Woningbouw Corporaties 'Friesland Noordoosthoek' 1888-1990 (Afkorting: Woningbouw N.O.H.) - Inv. nr. 8, 15, 17 en 18 Dokkum dossierarchief 1922-1983 (Afkorting: AgD 1922-1983) - Inv. nr. 673 13 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS NOTEN [1] Zoetmulder 1909, 17-18. Dokkum heeft 124 bewoners per hectare, Amsterdam 111 en Leiden 102. [2] Het artikel bevat veel onderzoeksresultaten uit mijn masterscriptie Architectuur- en Stedenbouwgeschiedenis: Zijlstra 2010. [3] Zie: CBS 1903. [4] Ibidem, ongenummerd. [5] Faber 1904, 6. [6] Ibidem, 4-5. [7] Van Weezel Errens (red.) 2002, 14. [8] Ibidem. [9] Ibidem; Faber 1904, 12. [10] Faber 1904, 12. [11] Ibidem, 16. [12] Streekarchief, AgD 1574-1922, inv. nr. 1429; Faber 1904, 16. [13] Van Welderen Rengers en Faber 1913, 59. [14] Faber 1904, ongenummerd en 3. [15] Ibidem, ongenummerd; Van Welderen Rengers en Faber 1913, 171. [16] Van Welderen Rengers en Faber 1913, 171. [17] Schroor 2004, 149; Kleine 1979, 12 en 15. [18] Schroor 2004, 349. [19] Terwen 1858, 729; CBS 1901. [20]Streekarchief, AgD 1574-1922, inv. nr. 1429. [21] Streekarchief, AdG, inv. nr. 40. [22] Ibidem. Niet‘beschoten’slaat op het niet‘met planken of wagenschot bekledenvaneendak,houtengewelfofwand’;HaslinghuisenJanse2005,71. [23] Streekarchief, AdG, inv. nr. 40. [24] Streekarchief, Woningbouw N.O.H., inv. nr. 8. [25] Voor het onderzoek naar onder meer de eenkamerwoningen van 1899 te Amsterdam, zie CBS 1903. [26] Faber 1904, 45. [27] Van der Woud 2010, 51. [28] Van Weezel Errens (red.) 2002, 31. [29] Van Minnen 1975, 11-12. [30] Zie espelindeling Dokkum, in: Schroor 2004, 234. [31] Streekarchief, AgD 1574-1922, inv. nr. 1032-1035. [32] Ibidem. [33] Van Minnen 1975, 7. [34] Streekarchief, Woningbouw N.O.H., inv. nr. 15; Streekarchief, AdG, inv. nr. 40. [35] Streekarchief, AdG, inv. nr. 40. Een interessant detail over het water uit de Bonifatiusfontein is te vinden in De bedreigde grenzen, een plaatsbeschrij- ving van Henry Havard uit 1876: ‘Dit water is bepaald het beste van ’t geheele land en toen het, ten tijde van de laatste cholera in Nederland, aan een wetenschappelijk onderzoek werd onderworpen, heeft men bevestigd dat het ook tevens het gezondste is.’ (Havard 1876, 70). [36] Streekarchief, AdG, inv. nr. 40. [37] Van Minnen 1975, 13. [38] Streekarchief, Woningbouw N.O.H., inv. nr. 15. [39] Ibidem. [40] Ibidem. Op donderdag 14 juni 1906 werd het bestuur van de Bouwver- eeniging gekozen en werden de statuten vastgelegd. [41] Streekarchief, Woningbouw N.O.H., inv. nr. 8. [42] Ibidem. [43] Ibidem. [44] Ibidem., inv. nr. 8 en 18; Tekening ontwerp werkmanswoningen 1913, in: Zijlstra 2010, bijlage 2. [45] Streekarchief, Woningbouw N.O.H., inv. nr. 8 en 17 en AgD 1574-1922, inv. nr. 1429. Het is onduidelijk of de desbetreffende acht woningen afge- broken of verbouwd zijn, aangezien de bronnen elkaar tegenspreken. [46] Streekarchief, Woningbouw N.O.H., inv. nr. 8 en 18. [47] Ibidem, inv. nr. 15. Wat de‘bezwaren’met betrekking tot bovenwoningen precies zijn, is schrijver dezes niet duidelijk. Het argument wordt echter voortdurend als ‘positief’ benoemd, zo ook al bij de in dit artikel eerder beschreven resultaten van het woningonderzoek van 1904. [48] Streekarchief, AgD 1574-1922, inv. nr. 1147 (ingekomen stuk 517a) en 2300. [49] Ibidem, inv. nr. 2300. [50] Ibidem, inv. nr. 827. [51] In november 1920 stuurde architect De Wijs dit‘Uitbreidingsplan van den Bonifatiuspolder’op naar de gemeente (ibidem, inv. nr. 1151, ingekomen stuk 564). [52] Streekarchief, Woningbouw N.O.H., inv. nr. 8 en AgD 1574-1922, inv. nr. 827. [53] Streekarchief, AgD 1922-1983, inv. nr. 673. [54] Ibidem. [55] Voor deze wet, zie: Staatsblad 1924. [56] ‘Volksrijke’ buurt: Van Minnen 1975, 7. De afbraak begon volgens Van Minnen in 1974.
  13. 13. 14 DEZELFDE VOOROUDERS ALS... VERWANTSCHAP MET BEKENDE NEDERLANDERS Al sneupend kom je steeds weer bijzondere dingen tegen. Al eerder schreef ik over mijn verwantschap met bekende Nederlanders (zie ook: mattiebruining.nl) en nu kwam ik weer iets op het spoor. Ik deel dezelfde voorouders met Peter Tuinman. Ach ja, het was vroeger natuurlijk een kleinerewereldenalsjeweetdathijindebuurtvanmijnvoorouderswerd geboren, namelijk in Twijzel, dan is een link snel gevonden. Toch moeten we enkele eeuwen terug om de gezamenlijke voorouder te ontdekken. Peter Tuinman werd dus geboren in Twijzel, als zoon van hoofdonder- wijzer Anne Tuinman en Albertha Sjoukje Bloembergen. De naam Bloembergen deed bij mij een belletje rinkelen: die naam zat al in mijn stamboomprogramma en via die lijn zijn wij dus familie. Peter heeft maar even in Twijzel gewoond, want zijn vader werd onder- wijzer in Ureterp en daar woonde Peter tot in z’n tienerjaren. MOOIE CARRIÈRE Voor Peter Tuinman lag in eerste instantie een mooie carrière in de sport in het verschiet. Na de HBS ging hij naar de ALO en deed volop aan atletiek. Helaas, er werd een lichte hartafwijking geconstateerd en sporten op topniveau zat er niet in. Hij ging sociologie studeren en had allerlei bijbaantjes. Hij was een poosje lokettist bij de Nederlandse Credietbank in Drachten. Toen de directeur van die bank plotseling overleed, nam hij zelfs die positie over en hoewel het goed verdiende, lag zijn hart niet bij dit werk. Hij was inmiddels begonnen met toneelspelen en werkte ook voor de Nederlandse televisie. Daar wilde hij liever mee verder gaan en zo werd hij door verschillende rollen landelijk bekend. Niet alleen Peter en ik delen dezelfde voorouders, maar ook Joop Atsma. PETER TUINMAN door MATTIE BRUINING-HOEKSMA m.bruining@chello.nl PETER TUINMAN GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS UW GENEALOGISCHE LIJN Ook verwant aan een bekende BN'er of een mooi familieverhaal? Publiceer uw genealogische lijn in De Sneuper en deel uw onder- zoeksgegevens met andere leden van onze vereniging! FOTO:AD.NL De families lopen erg door elkaar. Zo is Teye Benedictus (1763) in de lijn van Joop de broer van Nane Benedictus (1765) in de lijn van Peter. Er loopt dus ook een kortere lijn van Joop naar Peter. Hun gezamenlijke oudste voorouder is Benedictus Nanes (1617). Er loopt ook nog een kortere verwantschapslijn van mij naar Peter: We komen Benedictus Nanis en zijn vrouw Eesckjen Michielsdogter tegen in een hypotheekboek uit 1649: ‘echtelieden op Oostmeerderveen, verklaart ƒ 50 schuldig te zijn aan Haye Hayeszoon te Oostermeer, wegens koop van beesten (koeien) en eetwaren...’ Tjerk JANS r 1700 - 1749 x 07-02-1723 Grietje EGBERTS 1703 - 1769 Loltje TJERKS r 1745 - 1773 x 12-07-1772 Johannes KASJE 1744 - voor 1812 (zie verder bij Mattie) Teye JANS r 1702 - 1762 x 1728 Jeltje TJERKS r1699 - r1736 Loltje TEYES 1734- 1772 x 09-11-1755 (haar neef) Benedictus JANS 1730 - 1809 (zie verder bij Peter) Loltje GAUCKES r 1671 - 1758 x 1695 (zijn nicht / haar neef) Jan JELLES 1670 - 1761 STERKE JERKE Tjerk en Grietje krijgen meer kinderen, onder andere zoon Egbert, die later de naam Witteveen aanneemt en de grootvader werd van Heerke Witteveen, ‘Sterke Jerke’ (zie De Sneuper 124). Hierdoor is Peter Tuinman dus ook verwant aan ‘Sterke Jerke’. Er ligt bij mij een mooi certificaat voor hem klaar... JOOP ATSMA FOTO:CDA
  14. 14. 15 MIJN GENEALOGISCHE LIJN De oudst bekende voorouders zijn: Michiel Tobias, geboren rond 1582, overleden vóór 1656 en zijn vrouw Sjoukjen Aukes, geboren rond 1585 en overleden na 1656. Uit hun zoon Tjerck komen Joop en ik en uit hun dochter Eesckjen komt Peter voort. GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS Tjerck MICHIELS r 1610 - voor 1670 x 1638 Mincke RINNERTS r 1614 - voor 1670 Tjerck MICHIELS r 1610 - voor 1670 x 1638 Mincke RINNERTS r 1614 - voor 1670 Eesckjen MICHIELS r 1620 - 1658 x circa 1642 Benedictus NANES r 1617 - voor 1658 Joop ATSMA 1956 Gaucke TJERCKS r 1645 - voor 1706 x 31-05-1669 Sjouck TEIJES r 1647 - Rindert TJERCKS r 1643 - x 10-01-1670 Jeltje HEPKES - Nane BENEDICTUS r 1650 - 1687 x 08-11-1673 Fopck ROELS r 1650 Loltje GAUCKES r 1671 - 1758 x 1695 Jan JELLES 1670 - 1761 Tjerck RINNERTS 1675 - na 1736 x 17-04-1698 Antje JANS 1680 - 1728 Benedictus NANES 1675 - 1748 x 1702 Jiskjen WYTZES r 1680 - 1747 Tjerk JANS r 1700 - 1749 x 07-02-1723 Grietje EGBERTS 1703 - 1769 Syger TJERCKS - 1775 x 1732 Aukje FOKKES - 1781 Geeske BENEDICTUS r 1703 - 1747 x 24-03-1726 Jan TJERKS r 1700 - 1750 Loltje TJERKS r 1745 - 1773 x 12-07-1772 Johannes KASJE 1744 - voor 1812 Minke SIEGERS r 1745 - 1785 x 09-10-1772 Liebbe BOUMA r 1745 - 1817 Benedictus JANS 1730 - 1809 x 09-11-1755 Loltje TEYES 1734 - 1772 Loltje KASJE 1773 - 1840 x 21-05-1797 Fokke HOEKSMA 1763 - 1838 Baukje BOUMA r 1772 - 1811 x 07-04-1793 Teye BENEDICTUS 1763 - 1820 Nane BENEDICTUS 1765 - 1841 x 1794 Jinke NIEUWENHUIS 1774 - 1857 Pieter HOEKSMA 1804 - 1866 x 30-06-1827 Maaike RIJPMA 1807 - 1851 Dictus BENEDICTUS 1799 - 1870 x 12-05-1832 Trijntje NICOLAI 1811 - 1832 Dictus BENEDICTUS 1795 - 1874 x 07-01-1824 Sjoukje van der LEI 1801 - 1882 Fokke HOEKSMA 1831 - 1904 x 13-05-1871 Geeske KOOTSTRA 1851 - 1924 Freyke BENEDICTUS 1832 - 1909 x Klaas POSTMUS 1814 - 1876 Wytske BENEDICTUS 1847 - 1932 x 22-11-1873 Roel BLOEMBERGEN 1848 - 1932 Jelle HOEKSMA 1882 - voor 1970 x 18-05-1912 Baukje de GRAAF 1887 - 1966 Trijntje POSTMUS 1870 - 1948 x 14-05-1896 Pieter BUMA 1870 - 1907 Koop BLOEMBERGEN 1879 - 1943 x 19-05-1906 Jantje Alberts SCHUITE 1882 - 1956 Louw HOEKSMA 1917 - 1986 x 28-10-1948 Aafke POSTMA 1923 - 2014 Frijke BUMA 1900 - 1991 x Johannes ATSMA (1898 - 1968) Albertha Sjoukje BLOEMBERGEN 1918 - 1970 x 30-01-1940 Anne Pieters TUINMAN 1905 - 1984 Mattie HOEKSMA 1958 Pieter ATSMA - x 1954 Tjitske VAN DER MEER 1930 - 2014 Peter Koop TUINMAN 1947
  15. 15. 'HET LEVEN' In het weekblad 'Het Leven' dat van 1906-1941 in geheel Nederland ver- scheen, kwam ik een artikel uit 1935 tegen dat geheel over mensen in armzalige omstandigheden ging. Bij het artikel waren enige foto's ge- plaatst, onder andere over de bewoning van plaggenhutten bij Harkema, bedelaars in Leeuwarden en enkele foto's die direct mijn aandacht trokken. Ze gingen over 'Zwarte Lydia', een vrouw uit Triemen die als alleenstaande vrouw hulp behoefde, omdat ze aan vervuiling ten onder dreigde te gaan. Natuurlijk was mijn nieuwsgierigheid direct gewekt. WIE WAS 'ZWARTE LYDIA'? Na onderzoek bleek het te gaan om de op 20 januari 1873 in Oudwoude geboren Lydia, dochter van Klaas Uiltjes Hettinga, geboren in Heeg en Aaltje Ulbes Terpstra, die oorspronkelijk uit Stiens kwam. Het was een boerengezin, dat bestond uit heit en mem met vijf kinderen; twee jon- gens en drie meisjes. Het gezin kwam uit de gegoede Hettinga-familie, een rijk boerengeslacht, dat oorspronkelijk uit de omgeving van Sneek kwam, en zeker enig aanzien genoot. Het gezin Hettinga bestond uit: Vader Klaas Hettinga en moeder Aaltje Terpstra, die op 9 mei 1867 in Leeuwarderadeel (Huizum) waren gehuwd. Ze kwamen te wonen en bestierden een groot landbouwbedrijf in Jelsum, waar dochter Martje (1868 – 1924 Franeker) de zoons Uiltje (1869 – 1930 Oosternijkerk) en Ulbe ( 1870 – 1922 Kollum) werden ge- boren. Toen er een grote boerderij in Oudwoude beschikbaar kwam, verhuisde het gezin naar Oudwoude, waar in 1873 Lydia en later dochter Antje ( 1878 – 1947 Amsterdam) ter wereld kwamen. Enige jaren later betrokken ze een boerderij net buiten Kollum wegens betere uitbreidingsmogelijkheden, wat destijds vooral werd gezien als een 'investering in het nageslacht'. Een soort sociale voorziening derhalve. Lydia bracht haar jeugd en school- jaren, waar ze niet goed kon meekomen, door in Oudwoude en later in Kollum. Al snel bleek dat Lydia, bij haar tantezeggers bekend als 'tante L.', wel eens wat 'raar' deed, wat het vermoeden doet rijzen, dat ze mogelijk autistisch is geweest. In haar jonge jaren heeft ze enige tijd in Kollum gewerkt als dienstmeid en huishoudster. Toen vader Klaas Hettinga in 1911 op de boerderij overleed, kon Lydia op de boerderij blijven wonen, omdat broer Ulbe die overnam. Moeder Aaltje vertrok in 1912 naar Losdorp nabij Delfzijl en liet Lydia, die niet mee wilde, in Kollum achter. In 1922 overleed plotseling ook broer Ulbe en ging Lydia wonen bij haar andere broer Uiltje. Deze bezat in Triemen een boerderij en pachtte landerijen in Triemen aan de Oudwoudster vaart. De boerderij van Uiltje is reeds lang geleden gesloopt. Toen Uiltje in 1924 een boerderij met landerijen in Oosternijkerk kon kopen, verhuisde hij met zijn gezin naar Oosternijkerk, waar hij in 1930 overleed. EENZAAM EN ALLEEN Lydia bleef alleen achter, want ook zus Martje, die in Franeker woonde, overleed in dezelfde periode, maar gelukkig kon Lydia toen de vrijgekomen schoolwoning opTriemen 5 huren. Ze woonde er echter maar ruim een jaar, want ze was toen in de gelegenheid om een boerderij op deTriemen te kopen. Ze kocht een boerenhuizinge met hok en een schuur met plaats voor 14 koeien. Daar- naast nog ruim 36 are weiland en boomwallen. De boerderij stond op de Triemen 82, de plaats waar nu de Triemen 64 is. Lydia ging zelf in het grote hok achter de woning wonen, en verpachtte de boerderij en weiland aan Machiel Nieuwenhuis en later aan Jacob Westerhof. Ze leefde er van de huur van de boerderij en de pacht van haar landerijen, maar tevens van de verkoop van hout, wat blijkt uit advertenties die ze gezamenlijk met andere houtverkopers plaatste. Zo verkocht Lydia in 1932 bij een houtverkoping in Veenklooster enige percelen kaphout, gezamenlijk met de douairière Baronesse Rengers, die hout uit de Veenklooster bossen verkocht. In 1933 vond een grote houtverkoping te Kollum plaats en nu had Triemster Lydia drie percelen zwaar elzen kaphout, twee zware eiken- en drie grote essen te koop. Doordat de gehele familie om haar heen wegviel, alleen zuster Antje was nog in leven maar die woonde reeds in Amsterdam, sloeg de eenzaamheid toe. Geheel in zichzelf gekeerd verviel ze in armoedige omstandigheden, raakte geïsoleerd en dreigde ze aan verwaarlozing en vervuiling ten onder te gaan.Tot de onbekend gebleven fotograaf van 'Het Leven' de Triemen aandeed... 16 GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS ZWARTE LYDIA door JACK BOERSMA j.boersma@ddfk.nl BRON:STAMBOOMFORUM LYDIA HETTINGA
  16. 16. FALEND SOCIAAL STELSEL Dat was voor de Triemster bevolking even schrikken, want het ‘sociale stelsel’ van de periode rond 1920-1940 was vooral gebaseerd op de familie en buren, met op de achtergrond de Colleges van Diaconie en Burgerlijk Armbestuur. Hoewel de beide laatste instanties er eigenlijk niet bij waren betrokken, namen ze toch het voortouw voor een oplossing, waarschijnlijk mede door de schaamte dat het zover gekomen was met een inwoonster van hun dorp en gemeente. De Diaconie van Westergeest was er in eerste instantie voor de armste (hervormde) inwoners van Westergeest, Triemen en Oudwoude, wat ook blijkt uit de uitgaven die genoteerd staan in hun rekeningboeken, namelijk het geven van financiële ondersteuning aan- en tegoeden voor brood, kleding, school- en doktersgeld en brandstof aan werklozen, bejaarden en weduwen met hun gezinnen in hun gemeente. Ook het gemeentelijk Armenbestuur is voor deze taak opgericht, maar dan voor de inwoners, die niet tot een kerkgenootschap be- hoorden. Lydia Hettinga viel in eerste instantie niet onder de diaconale doelgroep, daar ze inkomsten had en waarschijnlijk wel kon leven van de pacht uit de boerderij met weilanden en de houtverkoop. Daar ze eveneens geen gevaar was voor de openbare orde en niemand tot last, bemoeiden ook de politie of veldwachter zich niet met haar. NAAR HET GEKKENHUIS Helaas waren personen als Lydia in deze tijd vooral aangewezen op fami- lie, die hen, de ietwat uitzonderlijke buitenbeentjes, in de gaten moest houden en hen, zoals blijkt uit de bevolkingsregisters van deze periode, vaak in huis opnamen. De naaste familie van Zwarte Lydia was helaas reeds overleden of woonde ver weg. De dorpsbevolking vanTriemen zal ongetwijfeld enige ondersteuning aan Lydia geboden hebben, vooral de naaste buren en winkeliers, maar voelden en hadden er geen verantwoordelijkheid voor. Wel poogden ze om met de gemeentelijke- en kerkelijke instanties en de familie tot een oplossing te komen. Het gemeentelijk Armbestuur liet Lydia onderzoeken door een arts, terwijl de buren en de Diaconie haar woning onder handen namen. De dokter die haar onderzocht en de omstandigheden van een autistische vrouw die zich verwaarloosde, niet echt goed erkende, verklaarde haar ‘geestesziek’. Dat kwam in die tijd veel voor, daar er veel ziekten nog niet bekend waren. Na ampel overleg werd besloten om Lydia te plaatsen in een‘gekkenhuis’en werd een verdeling gemaakt betreffende de kosten, waarin zijzelf echter het grootste gedeelte moest bijdragen. 17 GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS ZWARTE LYDIA FOTO:WEEKBLAD'HETLEVEN' tijdvanburgersenstoommachines BRON:LEEUWARDERCOURANT ARMZALIGE OMSTANDIGHEDEN BIJ LYDIA THUIS ADVERTENTIE HOUTVERKOOP
  17. 17. 18 BORNIASTATE IN HUIZUM Er werd gekozen om Lydia op te nemen in de parti- culiere kliniek Bornia-state aan de Verlengde Schrans in Huizum. De villa Bornia was rond 1880 gebouwd door jonkheer mr. Wibo Bernardus Buma, advocaat- procureur, luitenant, gemeenteraadslid, lid Friesch Genootschap en beschermheer van vele verenigin- gen en instellingen. In 1922 verkocht hij de villa, met tuinen en terreinen, die zeer geschikt was als ziekenhuis, herstellings- oord of inrichting, voor f 33.622,80 aan de vereni- ging ‘Bornia-kliniek’ die er een psychiatrische inrich- ting huisvestte. Ook werd er een fraai park omheen aangelegd, met een grote vijver met daarin een vo- gelhuisje, een tuinkoepel met banken, ontworpen door de beroemde tuinarchitect Gerrit Vlaskamp en betaald en onderhouden voor f 500 per jaar door de gemeente. Het Bornia-park werd ook open- gesteld voor de inwoners van Huizum, die er rust en ontspanning zochten. Het park raakte na de oorlog in verval en werd voetbalveld voor Huizumer voetbalclubs Blauw-Wit`34 en F.V.C. Anno nu is het M.C.L. / TRIOTEL deels op het terrein gevestigd. Na de wereldoorlog kwam er een christelijke opleidingsschool voor gezinsver- zorgsters en daarna een tehuis voor lichamelijk gehandicapte jongeren in de state. In 1990 zou het tehuis bijna worden gesloopt, maar kocht horecaondernemer Chris van der Berg het pand en liet het verbouwen om er een luxueus hotel met restaurant in te beginnen. Bij de opening in 1992 verdween de naam Bornia State en verscheen de naam Van den Berg State op het gebouw. Zwarte Lydia werd vanaf oktober 1935 in deze inrichting verpleegd en kon er genieten van het fraaie park. Zoals het wel vaker gaat, kon Lydia, van dorp naar stad, van vies naar schoon en van vrije vogel naar een gesloten inrichting, niet goed aarden, zij over- leed reeds na een half jaar op 29 mei 1936 in de gemeente Leeuwarderadeel en is begraven op het kerkhof in het dorp Huizum. STEENRIJK OF RIJK AAN STEEN? De enig overgebleven familie was zwager Jan Visser en zus Antje Hettinga. Antje was eerst juf in Mun- nekezijl, maar van 1902 tot 1912 was ze onderwijzeres aan de Bining teTriemen, waar ze de jongste jeugd les gaf, maar ze woonde in Westergeest. Daar ontmoette ze Jan Visser, een onderwijzer in Zwaagwesteinde. Hij was geboren op 11 augustus 1886 te Westergeest, waar hij in 1949 ook zou overlijden, maar hij werd be- graven in Amsterdam. In 1912 besloten ze te trouwen. Toen Jan Visser een aanstelling kreeg aangeboden in het nietige Losdorp in Groningen, ging ook moeder Aaltje mee. Ze kregen er drie kinderen. In 1928 werd hij benoemd tot hoofdmeester op een school te Am- sterdam. Ze zullen niet veel contact meer hebben ge- had met Lydia en alleen in de vakanties naar Wester- geest en Triemen zijn gekomen. Jan heeft met de kerkvoogdij van de hervormde gemeente Huizum een overeenkomst gesloten om het graf van Lydia te kopen, met de restrictie van 'voortdurend onderhoud', zoals dat in die tijd wel vaker voorkwam. Met voortdurend wordt eigenlijk 'eeu- wigdurend' of onbepaalde tijd bedoeld. Ook werd er een grafsteen op het graf geplaatst. De koopsom van het graf met steen bedroeg bijna 800 gulden, wat destijds gold als een vermogen. Het kerkhof werd in 1942 overgedaan aan de gemeente Leeu- warderadeel, en kwam in 1944 in handen van de gemeente Leeuwarden, doordat de Duitsers Huizum bij de gemeente Leeuwar- den voegden, die eveneens alle bepalingen en verplichtingen overnam. Zo kan het dus gebeuren dat het graf van 'Zwarte Lydia Hettinga' nog steeds bestaat. Het is onlangs gerestaureerd, geverfd, geslepen en in een marmeren houder geplaatst, en voor de tekst is er een glasplaat aangebracht. Gezien de recente krantenartikelen over het beheer op de Leeuwarder begraafplaatsen en de vele ruimingen van graven, ook van verzetsstrijders, is het verbazingwekkend, dat voor Lydia Hettinga deze onderhouds- restrictie nog steeds wordt toegepast, wat de gemeente veel geld kost. Als eigenaar van het graf staat nog steeds Jan Visser vermeld. Het graf kon worden betaald van de opbrengst van de 'openbare' verkoop door notaris Wassenbergh te Kollum van het huis aan de grindweg de Triemen 64 en de landerijen eromheen die Zwarte Lydia naliet. Het huis en de percelen weiland brachten in totaal 6366,80 gulden op, waaruit blijkt dat Zwarte Lydia eigenlijk 'steenrijk' was. Helaas moeten we hier constateren, dat we in dit geval 'rijk aan steen' bedoelen. RAVAGE IN ZIERIKZEE IN APRIL 1917 BORNIASTATE OF VAN DEN BERGSTATE FOTO’S:COLLECTIEGERRITDEJONGHILDABOUTA ZUSTER ANTJE HETTINGA ZWAGER JAN VISSER GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENISFOTO’S:COLLECTIEGERRITDEJONGHILDABOUTA
  18. 18. 19 HERALDIEK OOSTSIJDE DER PASENS Zie voor het ontstaan van de grietenij / gemeente Westdongeradeel en de bronnen voor de wapens ook de artikelen 'Wapen en vlag van Oost- dongeradeel' 1 t/m 3 in De Sneuper 120, 121 en 122. Deontstaansgeschiedenisenontwikkelingvanhetwapenkomtnamelijk grotendeels overeen met die van de buurgemeente Oostdongeradeel. Ook hier is de oudst bekende afbeelding de kaart in de Chronique van Vrieslant uit1622.DegrietenijheetdanDongeradeelWestzijdederPasens. Het wapen op deze kaart vertoont een schuinbalk en ook hier werd de kleur van het veld groen. DONKERGELE KLEUR Tot zo rond eind 17de eeuw lopen de verschijnings- vormen van het wapen gelijk op met die van de buur- grietenij. Hesman beeldt dan het wapen, in tegenstel- ling tot dat van Oostdongeradeel, af met een gouden veld en (terecht) weer met een schuinbalk (van zilver) in plaats van een golvende schuinbalk. Zoals in de Sneuper 121 al is vermeld mengde Hes- man de kleuren geel en blauw om groen te krijgen. Waarom hij hier het veld alleen geel kleurde blijft gis- sen, domweg vergeten te mengen, of had hij op dat moment geen blauw tot zijn beschikking? Hoe dan ook, verderop in het manuscript beeldt hij nogmaals het wapen af (bij andere wapens die hij eerder fou- tief had afgebeeld) met een donkergele kleur, dat dus nu groen moet voorstellen. Of deze 'vergissing' van Hesman tot gevolg heeft gehad dat het wapen op de eerstvolgende bron (de kaart in de atlas van Bernard SchotanusàSterringadoorFransHalma, 1718) ook met een gouden veld werd afgebeeld, is helaas niet bekend, maar niet geheel onmogelijk. Men nam wel vaker gegevens en afbeel- dingen van elkaar over, zoals bijvoorbeeld ook is te zien in de verzameling wapenafbeeldingen in een manuscript van Andries Schoemaker. In zijn verzameling Friese wapens komen exemplaren voor met dezelfde fouten als Hesman (die ze dus later wel heeft verbeterd). Ook op de 'wapenkaart' van Friesland (ca. 1710 en ook van Halma) komen deze curieuze vergis- singen voor. Een andere merkwaardige kleurstelling komt ook nog voor in de Almanak van ambulatoire ambten Friesland, 1725-1754 (coll. Tresoar), waar het wapen in omgekeerde kleuren staat afgebeeld, een blauwe gol- vende schuinbalk op zilver dus. WAPENSCHILD & VLAG Het wapen wordt op 25 maart 1818 beves- tigd met de ook hier eigenaardige beschrij- ving: 'van lazuur, beladen met eene golvende bande van zilver, van de regter boven naar de linker benedenhoek nederdalende; het schild gedekt met een gouden kroon'. De vlag is vastgelegd bij raadsbesluit van 22 mei 1963 als volgt: Blauw, met een tweemaal gegolfde witte schuinbalk. door RUDOLF J. BROERSMA tekenaar Fryske Rie foar Heraldyk WAPEN & VLAG VAN WESTDONGERADEEL (1) GEEL GRIETENIJWAPEN WESTDONGERADEEL OP KAART SCHOTANUS  HALMA  1718 GRIETENIJWAPEN WESTDONGERADEEL ZOALS VASTGESTELD IN 1818 VLAG WESTDONGERADEEL BROIN:HCL BROIN:ARCHIEFFRYSKERIEFOARHERALDYKBROIN:TERLUIN GRIETENIJ WESTDONGERADEEL  SCHOTANUS 1664 WAPEN VAN WESTDONGERADEEL IN WAPENBOEK HESMAN  1708 FOTO:WARNERB.BANGA BROIN:TERLUIN
  19. 19. 20 RECONSTRUCTIE Tussen het verschijnen van De Sneuper-special over de Friese admirali- teit en de Admiraliteitsdagen in september kwam er een echtpaar uit Makkum naar het Museum Dokkum dat claimde een gevelsteen met het Friese admiraliteitswapen in hun achtertuin te hebben. Dat was natuurlijk groot nieuws en bij die gelegenheid vroeg de redactie van De Sneuper ook naar mijn mening over de reconstructie door Eimert Smits F. Azn. van het wapen (De Sneuper 127 pagina 15), dat ooit op de nu kale gevelsteen van het Dokkumer admiraliteitsgebouw was afgebeeld. Wel- nu, daar was ik het niet mee eens en de zojuist ‘opgedoken’ Makkumer gevelsteen bevestigde mij in mijn mening. De conclusie van Eimert Smits was dat het wapen in Dokkum oorspron- kelijk heel dicht bij het generaliteitswapen uit 1579 kwam, oftewel een naar links gewende, staande leeuw met zwaard en pijlenbundel in de klauwen. Het mijns inziens meest steekhoudende argument voor deze reconstructie werd wel afgebeeld, maar niet genoemd: namelijk het in- signe van de kamerbode van het admiraliteitscollege Feycke Claeszens. BODETEKEN Toen ik indertijd een lezing en boekje over de admi- raliteit in Dokkum voorbereidde, werd ik in Tresoar door Martin Engels erop geattendeerd dat het Dok- kumer admiraliteitscollege en hun bode afgebeeld stonden op een prent uit 1633 die de begrafenis- stoet van stadhouder Ernst Casimir uitbeeldde (De Sneuper 127 pagina 11). Mijn oog viel toen meteen op het insigne dat die bode op zijn mantel droeg als teken van zijn officiële waardigheid. Het is een opval- lende speld of appliek van zo’n 15 cm in doorsnede van twee gekruiste stokankers. Op het kruispunt van de ankers is een schildje afgebeeld met daarop een staande leeuw naar links. In feite dus een afbeelding van de reconstructie die Eimert Smits voorstelt, maar dan zonder de letter AIF (Admiraliteit In Friesland). Maar het hoeft natuurlijk niet zo te zijn dat, omdat het insigne van de bode er hier zo uit ziet, het wapen boven de ingang van het admiraliteitsgebouw er ook zo uitgezien moet hebben. Bovendien moet bedacht worden dat de afbeelding van het insigne in werkelijkheid maar een paar millimeters groot is. En misschien gebruikte men naast het uitgebreide wapen wel een verkorte vorm (net zoals het Dokkumer stadswapen ontstond als een vereenvoudiging van een uitgebreider abtenzegel). KAALSLAG Aan de rijksarchivaris, die in 1947 oordeelde dat het wapen boven de en- tree van het Admiraliteitsgebouw waarschijnlijk onjuist was, hebben we het te danken dat we nu zitten met een kale wapensteen (er werd een geheel nieuwe wapensteen inclusief de ankers en kroon gemaakt). Hij opperde dat de oorspronkelijke steen in de Franse tijd (1795) kaal gehakt was en later beschilderd. Ik geloof niet in deze theorie, aangezien de volkswoede toen vooral de gehate familiewapens en titulatuur van de voormalige regenten betrof en - zover ik weet – niet dit soort overheidswapens. Bovendien laten de oudste foto’s in de museumcollectie zien dat het wapen rond 1900 wel degelijk nog in reliëf was. Was het wel in 1795 kaal gehakt, dan blijft men met de vraag zitten wie later opdracht had gegeven een nieuwe steen aan te laten brengen. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS FOTO:IHNODRAGTNOG EENS OVER HET WAPEN VAN DE FRIESE ADMIRALITEIT door IHNO DRAGT giwdragt@museumdokkum.nl BRON:MUSEUMDOKKUMMUBRON:MU BODE FEYKE CLAESZENS IN DE BEGRAFENISSTOET VAN ERNST CASIMIR  1633 BRON:HISTORISCHCENTRUMLEEUWARDEN HOOFDINGANG ADMIRALITEITSHUIS MET WAPENSCHILD ROND 1906 EN BODE FEYCKE CLAESZENS MET ADMIRALITEITSWAPEN OP ZIJN MANTEL  1633 GEVELSTEEN IN MAKKUM
  20. 20. 21 Uitgaande van een reliëf in dezelfde hoge kwaliteit als het overige beeldhouwwerk aan deze gevel (zoals af te leiden van de foto’s) is er geen enkele reden om te twijfelen aan de authenticiteit van de gevelsteen toen, die derhalve uit 1618 moet dateren. Het laat een combinatie zien van drie wapens. De boodschap voor de beschouwer is dat het hier een pand betreft van de provincies Groningen en Friesland onder de vlag van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het past heel goed dat in deze eerste fase van de admira- liteit,waarGroningenzobovenophaargelijkwaardige rol in het geheel zat, beide provinciewapens het geza- menlijke admiraliteitsgebouw te Dokkum sierden. EEN VERRASSENDE ONTDEKKING In het artikel van Eimert Smits is ook een afbeelding van dit wapen opgenomen, ontleend aan een pu- blicatie uit 1913 met als omschrijving 'Zeemanshuis Dokkum'. Hoewel de kroon boven dit wapen anders is, moet met dat 'Zeemanshuis' het admiraliteits- gebouw bedoeld worden. Er is eenvoudigweg geen andere kandidaat dan in Dokkum en vermoedelijk is het een versmelting van de toen gebruikte benamingen Zeekantoor en Armenhuis. Parallellen waren er tot voor kort bij ons niet bekend. Maar een soortgelijk wapen bevindt zich, naar nu bleek, in de tuin van een echtpaar te Makkum. De eigenaars, zeer geïnteresseerd in historie en al decennia in het bezit van het woonhuis met de steen in de tuinmuur gemetseld, vertelden dat zij in de loop der jaren vele experts (historici, heraldici) hadden geraadpleegd. Maar pas enkele jaren geleden waren zij door iemand uit het Fries Museum op het spoor van de admiraliteit in Dokkum gezet. Een verschil met de wapensteen van Dokkum is de weergave van het Groninger provinciewapen, dat een verkorte vorm daarvan is (verticaal verdeeld in plaats van vier kwartieren). Maar dat hoeft geen verbazing te wekken, daar het wapen van Stad & Lande nooit eenduidig beschreven of geregistreerd is, wat tot vele varianten heeft kunnen leiden van het Groningse provinciewapen[1] . De marinekroon daarentegen, anders dan bij de tekening van de steen van het ‘Zeemanshuis’uit 1913, is wel weer identiek. MAKKUMER ADMIRALITEITSHUIS Na publicatie in de kranten bleek dat de stichting Ald Makkum wel wist waar de steen van afkomstig was. Volgens haar woordvoerder was er bij alle belangrijke ingaande sluizen in Friesland zoals Dokkum, Harlingen, Makkum en Stavoren, een kantoor (Admiraliteitshuis) waar de belasting op ingevoerde vrachten geïnd werd. Deze kantoren waren voorzien van een‘duidelijk kenteken’oftewel een gevelsteen in het geval van Makkum. Door onderzoek van de stichting en met nameMaartenHofstra ontstond de gedachte dat de steen na de vergroting van de zeesluis in 1878 terecht is gekomen in de tuinmuur van een van de financiers van dat project. Dit gegeven werd echter nog niet gepubliceerd.[2] Hiernaast een reconstructie van het wapen van het Admiraliteitshuis te Makkum. De datering van de steen is lastig, maar kan 17e -eeuws zijn. Het oppervlak is sterk gesleten maar toch is nog te zien is dat het beeldhouw- werk zeer gedetailleerd en van hoge kwaliteit was. Mijns inziens lijkt er met deze gevelsteen van het Makkumer admiraliteitshuis en de foto’s van die op het Dokkumer admiraliteitsgebouw uit 1618 geen enkele reden meer om te twijfelen aan de juistheid van het gecombineerde Fries-Gro- ningse provinciewapen, met in het midden het generaliteitswapen, als een officieel wapenschild van de admiraliteit aan het begin van de 17e eeuw. Het zou mij een lief ding zijn als dit wapen weer aangebracht zou worden in plaats van het kale wapenschild dat nu deze belangrijkste Re- naissancegevel van Dokkum ontsiert. [1] Met dank aan A. Beuse van het Rijksarchief Groningen. [2] Met dank aan O. Gielstra van de stichting Ald Makkum e.o HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS PROVINCIEWAPENS ZEEMANSHUIS DOKKUM 1913 HET WAPEN BOVEN DE INGANG VAN HET DOKKUMER ADMIRALITEITSGEBOUW ROND 1900: DUIDELIJK IS TE ZIEN DAT DE STEEN IN RELIËF UITGEHAKT IS BRON:MUSEUMDOKKUM tijd van regenten en vorsten RECONSTRUCTIE WAPENSCHILD ADMIRALITEITSHUIS MAKKUM GEVELSTENEN WAREN NIET ALTIJD BESCHILDERD, MAAR VAAK WEL. IN DAT GEVAL HAD HET WAPEN ER ZO UIT KUNNEN ZIEN. ILLUSTRATIE:IHNODRAGT
  21. 21. 22 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS 7. HONGERVLUCHTELINGEN UIT DE RANDSTAD DE HONGERWINTER Om de operatie Market Garden te ondersteunen riep de Nederlandse regering in Londen op 17 september 1944 op tot een spoorwegstaking, niet vermoedende dat dat eigenlijk de directe aanleiding tot de beruchte Hongerwinter van 1944-1945 zou zijn. Van de spoorwegstaking hadden de Duitsers uiteindelijk weinig last, omdat ze Duits personeel op de Nederlandse treinen zetten. Hun strafmaatregel echter raakte de Nederlandse bevolking in de Randstad wel: Seyss-Inquart verbood het transport van voedsel van de noordelijke en oostelijke provincies naar het westen. Na acht weken werd dat verbod weliswaar ingetrokken, maar toen waren de voedselvoorraden in het westen vrijwel opgebruikt. Andere oorzaken waren het onbereikbaar zijn van de Limburgse kolenmijnen, omdat de Amerikanen die omgeving hadden veroverd, de strenge winter, waardoor het IJsselmeer dichtvroor en de vordering door de Duitsers van 20 van de 25 IJsselmeer- sleepboten en 40 schepen van 250 ton, waardoor het transport van voedsel over het IJsselmeer vrijwel stilviel. Het gevolg was dat in januari 1945 op de distributiebonnen niet de nodige 2000-2500 kcal. per dag te krijgen waren, maar slechts 550 kcal., tenminste áls dat voedsel aanwezig was in de winkels! Er wordt aangenomen dat er in de Hongerwinter in Nederland 16.000 slachtoffers zijn gevallen. De directeur-generaal van de Voedselvoorziening, Ir. Louwes, benaderde in december 1944 het IKO met de vraag of zij konden helpen bij de voedselvoorziening. Hij wist dat deze organisatie een landelijk netwerk had, wat voor het verkrijgen van voedsel en het uitzenden van kinderen erg nuttig kon zijn. Het IKO stemde toe en richtte daartoe in korte tijd overal plaatselijke IKB’s op, die zich toelegden op de noodvoedselvoorziening in het westen en het uitzenden van kinderen: schepen en vrachtwagens met voedsel naar het westen en kinderen mee terug naar het noorden en oosten. KINDERUITZENDINGEN Het verschijnsel kinderuitzending was al heel oud. Zeker vanaf 1883 werden er ‘bleekneusjes’ uit de grote steden naar vakantiekolonies gestuurd om daar door frisse lucht, de kolonies lagen vaak aan de kust, of gezonde boslucht weer wat kleur op de wangen te krijgen. Deze uitzendingen werden veelal geregeld door diaconieën van kerkgenootschappen en/of op aanwijzing van huisartsen. Al vroeg in de oorlog waren er mensen, die vonden dat er voor de kinderen uit de grote steden reden genoeg was om er eens een tijdje tussenuit te trekken naar rustige streken op het platteland om daar weer wat op adem te komen, ook al was er toen nog geen sprake van echte honger. Dat gebeurde eerst alleen in de zomervakantie, maar vanaf 1943 ook al in de kerstvakantie. Eén van deze mensen was dominee Douwe Feenstra van de gereformeerde ge- meente van Morra-Lioessens. Zeker vanaf 1942 zorgde hij ervoor dat er in de zomer- vakanties kinderen vanuit Leiden naar Lioessens kwamen, maar waarschijnlijk ook al in 1941 omdat Giel Barkema en zijn broer Jan Barkema zich menen te herinneren dat zij al vanaf 1941 in de zomervakanties bij Jan Bandstra en zijn broer Johannes Bandstra onder Morra een plekje vonden. Jammergenoeg ontbreken daarover concrete gegevens, omdat er geen ingekomen stukken over dit onderwerp in de kerkelijke archieven van Morra-Lioessens - van geen enkel dorp in Oostdongeradeel trouwens - bewaard zijn gebleven. In de notulen van de kerkenraden en diaconieën komen de kinderen pas veel later ter sprake. IN OOSTDONGERADEEL (4) VLUCHTELINGEN 1940 - 1945 door DOEDE DOUMA & doededouma@gmail.com REINDER TOLSMA r.tolsma01@knid.nl BRON:HONGERWINTER1 INLEIDING Momenteel zijn er wereldwijd zo’n 65 miljoen mensen op de vlucht voor oorlogssituaties; alleen al in 2015 kwamen er in ons eigen land ongeveer 60.000 vluchtelingen binnen. Het werpt de vraag op hoe het was met de vluchtelingen die tijdens deTweedeWereldoorlog in onze eigen omgeving onderdak zochten: Hoe was hun opvang geregeld? Hoeveel kwamen er? Waren ze welkom? Hoe lang bleven ze hier? In een viertal artikelen wordt geprobeerd een antwoord op deze vragen te geven. Het onderzoek werd beperkt tot de voormalige ge- meente Oostdongeradeel, maar Dokkum zal als opvangcentrum ook vaak aan bod komen. Tot slot in deel vier de hongervluchtelingen. FOTO:DOEDEDOUMA NAAR ETEN ZOEKENDE KINDEREN BIJ GAARKEUKEN DEN HAAG DOMINEE DOUWE FEENSTRA STOND VAN1929TOT1945IN DE GEREFORMEERDE GEMEENTE VAN MORRALIOESSENS. HIJ OVERLEED OP 15 MEI 1945 (2)
  22. 22. Gelukkig beschikt het archief van de gereformeerde kerk te Dokkum wel over een uitgebreide verzameling ingekomen stukken over dit onder- werp( 3 ) en staat er vanaf 1942 geregeld het kopje ‘kinderuitzending’ in de notulen van de diaconie.(4) Omdat er vanuit Dokkum veel contacten waren met de dorpen in Oostdongeradeel kon daar dankbaar gebruik van worden gemaakt. Het oudste bericht is een briefkaartje met de tekst: Leiden 17 juli 1941, Waarde Broeder, Volgens uw schrijven van 1 Juli kon U nog één meisje hebben. Mogen wij U nu opgeven Nr. 306 Elly Punt, een meisje van 12 jaar. Zoo is dus nu deze zaak in orde? Gaarne telefonisch even bericht. Met vr. groeten, Veerman ORGANISATIE VAN DE KINDERUITZENDINGEN Gedurende de oorlogsjaren hebben meerdere organisaties zich bemoeid met de kinderuitzendingen. De meest bekende is wel het IKB, het Interkerkelijk Bureau. Deze organisatie is voortgekomen uit het IKO, het Interkerkelijk Overleg. Al vroeg in de oorlog hebben de protestantse kerken zich hierin verenigd om samen sterker te staan tegenover de bezetter. De rooms-katholieke kerk nam zo nu en dan ook deel aan het overleg. Na de vraag van Ir. Louwes om te helpen bij de voedselvoorziening, werden in vele steden razendsnel plaatselijke IKB’s opgericht; het IKB van Den Haag fungeerde zo’n beetje als hoofdkantoor. De verschillen tus- sen de IKB’s, ook in werkwijze, waren zeer groot en veelal werkten ze geheel onafhankelijk van elkaar. Zo presteerde het IKB Den Haag het om in februari 1945 liefst 18 boten te charteren, die in totaal 1500 kinderen naar het noorden brachten, terwijl het IKB Rotterdam er lange tijd maar niet in slaagde om scheepsruimte te bemachtigen, zodat er waarschijnlijk in totaal maar ongeveer 600 kinderen met een boot naar het noorden gestuurd konden worden. Een van hen was Nelis van Herp, destijds 9 jaar oud, die met zijn vier broers de reis in een rijnaak maakte: ‘Aan de Prins Hendrikkade werd iedereen ingescheept in rijnaken. Het waren grote ruimen met alleen als ondergrond tarwestro. Aangezien velen met mij verschrikkelijk honger hadden, zoals immer, zochten we in die stro-aren nog wat eetbare korrels. Hoe lang deze snoepreis (!) duurde weet ik niet meer, maar minimaal een dag en een nacht want ik heb de sterrennacht gezien, doch aangekomen te Stavoren was een hele opluchting voor ons. In deze plaats werden wij uitgeladen en overgebracht in vrachtauto’s en legertrucs. In Leeuwarden in hotels of zo kregen we eindelijk een lunchpakketje aangeboden wat soms te gulzig naar binnen werd gewerkt, met alle gevolgen van dien. Verder werden wij geselecteerd op naam en waarheen. Mijn broertjes en ik werden met anderen naar Dokkum vervoerd. Waar de laatste sortering plaatsvond. Zodoende kwam ik in Morra bij de fam. Elgersma terecht.’ CENTRALE COMMISSIE VOOR KINDERUITZENDINGEN Een andere instantie die kinderuitzendingen verzorgde was de Centrale Commissie voor Kinderuitzending van Gereformeerde Diaconieën in Nederland (voortaan: Centr. Comm.), met als secretaris W.H. Neefjes. Deze commissie was opgericht om te voorkomen dat allerlei uitzendende diaconieën uit het westen lukraak verzoeken zouden doen aan ontvangende diaconieën in het noorden en oosten en er daardoor een chaos zou ontstaan. Over deze commissie is veel bekend door de bewaarde ingeko- men stukken en notulen van de gereformeerde gemeente te Dokkum. Daar kwam op 11 februari 1942 een eerste circulaire binnen waarvan de diakenen zeggen: ‘...en door deze kinderen eenige weken uit de zorgensfeer op te halen, zal een goed werk van barmhartigheid worden gedaan. In principe wordt besloten om eventueel eenige kinderen in de plaats onzer inwoning of naaste omgeving te zien te plaatsen. Een commissie wordt hiertoe benoemd om de mogelijkheden onder de oogen te zien en verdere stap- pen te doen, bestaande uit de broeders Bontekoe, Eekhoff, Kingma en Terpstra.’ Deze diakenen gaan aan de slag en berichten twee weken later ‘dat er in onze gemeente in ieder geval wel enkele kinderen ge- plaatst kunnen worden.’ Het zijn de eerste contacten die de hele verdere oorlog onderhouden zullen worden, maar merkwaardig genoeg blijven de contacten met Cornelis Veerman (en zijn opvolgers) van de diaconie van Leiden óók bestaan, ja er zijn zelfs ouders die alléén maar Leidse kinderen in huis willen nemen, het liefst hetzelfde kind van vorig jaar. In 1942 komen er in ieder geval 14 kinderen uit Leiden naar Dokkum, in latere jaren worden er aantallen van 50 en 69 genoemd. Heel wrang was het toen in januari 1945 een noodkreet vanuit Leiden kwam, waarin uitdrukkelijk verzocht werd om uitgehongerde kinderen op te ne- men: er is al een lijst opgesteld van in aanmerking komende kinderen, via het Rode Kruis is transport geregeld en in Leeuwarden is contact gelegd voor tussenopvang daar. Gezien de goede contacten in voorgaande jaren wordt ook nu weer gerekend op medewerking met de gereformeerde gemeente van Dokkum. Helaas, onder aan de brief staat met potlood geschreven: ‘ant- woordt terug dat er 4 à 500 reeds geplaatst zijn en besproken dus met de beste wil ter wereld geen plaats voor’. 23 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS tijd van de wereldoorlogen BRON:NAARDEBOEREN INSCHEPING KINDEREN IN DEN HAAG
  23. 23. 24 De Centr. Comm. hanteerde een aantal voorwaarden voor uitzending: - de kinderen moeten in de leeftijd van 6-14 jaar zijn (waar niet streng de hand aan werd gehouden, i.v.m. broertjes en zusjes) - ze komen uit gereformeerde gezinnen - die gezinnen kunnen niet zelf de uitzending bekostigen - de kinderen moeten gekeurd worden door daarvoor aangewezen artsen - ze moeten zindelijk en onbesmet met ongedierte zijn en behoorlijke kleding en schoeisel dragen - bedwateraars mogen beslist niet mee - ook de distributiebescheiden moeten meegenomen worden. De uitzendingen vinden plaats in de zes weken van de zomervakantie, maar al in 1942 vinden er ook uitzendingen plaats in de kerstvakantie. Omdat veel ouders geen reiskosten kunnen betalen en er duizenden deelnemende kinderen worden verwacht, wordt er een fonds opgericht waarin diaconieën geld kunnen storten, vooral van niet-deelnemende diaconieën wordt dat verwacht. CONTACTEN VIA DE KERKEN Naast deze beide grote organisaties waren er nog meerdere andere be- trokken bij kinderuitzendingen. Zo stuurden grote bedrijven kinderen van hun werknemers naar het noorden. In Anjum bijvoorbeeld zaten Erie en Eleanore Zijp bij Klaas Holwerda. Deze werkte bij de PTT in Oostdongeradeel en vader Zijp was voorsorteerder bij de PTT in Amster- dam. Broer Christ Zijp zat bij DoekeTurkstra en dat was weer familie van Holwerda. Omdat deze kinderen niet geregistreerd zijn geweest, zijn ze alleen dankzij persoonlijke contacten met kwartiergevers opgespoord. Mogelijk geldt dit voor veel meer kinderen. Ook van hervormde zijde was er een Federatie van Diaconieën die hulp bood. Dankzij deze federatie kwamen er in 1943 een aantal kinderen uit Vlaardingen naar Oosternijkerk, waarna er op de vergadering van 24 september ‘Dankbe- tuigingen van de Kerkeraad van de NH-gemeente te Vlaardingen inzake het her- bergen van kinderen daar vandaan in onze gemeente’ binnenkomen. Ook in 1944 en 1945 kwamen er weer kinderen uit Vlaardingen naar Oosternijkerk, omdat er nu eenmaal contacten waren gelegd en veel pleegouders graag dezelfde kinderen wilden opnemen. Veel uitzendingen gingen via persoonlijke contacten, vaak via de kerken. Zo zaten Jan en Anton van Uchelen bij boer Anne Stallinga in Paesens. Hun vader was dominee en stond een tijdlang in Paesens. Omdat een broertje des- tijds in dat dorp begraven was, bleven de contacten en zo nam een vrachtrijder uit Nes de beide jongens mee en vervoerde hen vanaf het plein voor de Westerkerk in Amsterdam naar het verre Paesens. In de notulen van de gereformeerde kerk te Beverwijk staat op 8 maart 1943: ‘Ds. Feitsma heeft uit Friesland een aanbieding voor plaatsing van 60 kinderen, door bemiddeling van Ds. Van Andel uit Ooster-Nijkerk. Ook hier stuit men op de moeilijkheid van het vervoer. De diakenen zullen onderzoeken of vervoer mogelijk is. Ook zullen zij Ouders, die van de aanbieding gebruik wensen te maken, wijzen op de ernst van het wegzenden van hun kinderen. Niemand weet wat hen kan overkomen of wat er in die tijd kan gebeuren. We moeten ze in Gods handen toevertrouwen. Zondag zal een en ander van de kansel bekend gemaakt worden.’ Het is niet bekend of er toen kinderen zijn uitgezon- den, maar in de Hongerwinter kwam er wel een grote groep kinderen uit Beverwijk naar Oosternijkerk. Weal Cuperus, politieman in Beverwijk maar af- komstig uit Oosternijkerk, was contactpersoon en regelde veel met dominee Van Andel. Hij had zijn ei- gen kinderen al eerder naar familie in Oosternijkerk gestuurd als evacués en zijn oudste zoon was er on- dergedoken. Hieruit blijkt tevens dat veel kinderen op eigen initia- tief door hun ouders naar familie in het noorden ge- stuurd werden, Hendrik en Lutske Blumer bijvoor- beeld waren bij hun grootouders Geert en Lutske Dijkstra in Oostrum. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS Oo Da na tuig be 19 om de Ve za va tijds in dat dorp begraven was COLLECTIEDOUWEENTRIENKESLAGMANLEI COLLECTIE:ANSSCHUTVEERMAN AL IN 1941 KWAM ER EEN ‘BLEEKNEUSJE’ UIT ROTTERDAM NAAR DE FAMILIE BOTMA IN MORRA FOTO:JANNIEBOTMA
  24. 24. NEDERLANDSE VOLKSDIENST Een laatste organisatie die zich bezighield met kinderuitzendingen was de NVD (Nederlandse Volks Dienst), een NSB-organisatie, die probeerde het maatschappelijk werk in Nederland te beïnvloeden op nationaalsocialistische manier. De NVD had na de jaarwisseling in 1945 van de Duitsers het alleenrecht gekregen om kinderen met de trein (of met andere noodzakelijke vervoer- middelen) naar het noorden te sturen. Burgemeester Auke Ykema reageert hierop door in zijn brief ( 5 ) aan de kerkenraden in zijn gemeente om medewerking te verlenen aan de Friese Hulpactie West (voedselhulp) op 19 januari 1945 toe te voegen: ‘Voorts verzoek ik U voor zoover U de opneming van kinderen uit het Westen des lands hebt voorbereid aan mij te zenden een lijst van hen, die zich daartoe bereid heb- ben verklaard, eventueel met bijzondere wenschen omtrent aantal, sexe, godsdienst enz. Deze lijsten worden door mij doorgegeven aan den Nederlandschen Volksdienst te Leeuwarden, die uitsluitend met het vervoer der kinderen is belast.’ Veel medewerking lijkt hij niet te hebben gehad, zoals overal in het land de NVD zoveel mogelijk werd gemeden, want alleen een antwoord van de kerkenraad van Morra is in het archief bewaard gebleven. Uit Anjum komt zelfs een stevig‘nee’, want de notulen van de kerken- raad melden: ‘De gevraagde inlichtingen aangaande de te verwachten kinderen zullen niet verstrekt worden, daar de kerkeraad meent dat zulks onnodig is.’ MET DE BUS, TREIN OF BOOT In de eerste oorlogsjaren kon het vervoer nog plaatsvinden per trein of met de bus. Daarvan zijn genoeg voorbeelden gegeven door hongervluchtelingen. Jannetje Koffeman zat in de oorlogsjaren eerst in Andijk en later in Paesens bij Durk en Pietje Zijlstra-Kingma. De keer dat ze met de bus de reis naar Paesens maakte, wilde haar moeder dat ook haar broer Nico Koffeman mee zou gaan. Dat was nog niet zo gemakkelijk, want toen zij in Voorburg bij de bus aankwamen, werd er gezegd dat Nico niet meekon, omdat de bus vol was. Moeder Koffeman was echter kordaat en ging languit voor de bus liggen: ‘Ik blijf hier net zo lang liggen, totdat mijn zoon van 13 jaar ook mee mag.’ Ze kreeg haar zin en zo ging ook Nico mee naar Paesens. Het college van diakenen van Niawier ging gezamenlijk met een bus de Afsluitdijk over en haalde van daar een bus vol kinderen op om ze naar Niawier te brengen: dat was een hele belevenis voor de jeugd in het dorp! De kinderen uit Leiden gingen in de eerste oorlogsjaren steeds met de trein naar Leeuwarden, waar de diakenen uit Dokkum de begeleiding overnamen. Na 1943 werd het moeilijker om begeleiders te vinden, omdat er een verblijfsverbod ingesteld was en mannen opgepakt konden worden voor de Arbeitseinsatz. Leiden vroeg daarom of Dokkum de kinderen niet helemaal zelf kon halen en brengen. Dat was nog niet zo gemakkelijk, omdat het vaak grote aantallen betrof: in 1943 zouden er 50 kinderen naar Dokkum komen, maar uiteindelijk betrof het gehele transport 146, omdat er ook kinderen bij waren die naar andere dorpen zouden gaan. De heer Bontekoe was hoofdleider voor de terugreis en hij had de beschikking over 12 begeleiders. Een brief vanuit Leiden maakt een en ander duidelijk: ‘Geachte heer en broeder, Volgens belofte doe ik U even een lijstje toekomen van de gemeenten waarvan de kinderen in Dokkum op de tram moeten. Anjum (15 kinderen), Lioessens (26), Broek Akkerwoude (8), Dokkum (69), Driesum (17), Hantum (1), Hantumhui- zen (2), Oosternijkerk (7 + 2 moeders), Metslawier (1). Voorts komen er 13 kinderen uit Oldekerk (Gr.) die komen met dezelfde trein in Leeuwarden aan. (...) In Zwolle komen nog 12 kinderen in de trein, 6 van Emmer Erfscheidenveen en 6 van Almelo.’ EEN BOEK SCHRIJVEN Veel kinderen kwamen met de boot naar Friesland, vanuit Amsterdam vrijwel allemaal. Met een rijnaak bijvoorbeeld, zoals de eerder genoemde Nelis van Herp met zijn vier broers of Jaap Helbers die er vanuit Rotterdam vijf dagen over deed om in Morra te komen en onderdak te vinden bij Gerben Teitsma. Zijn broer Hans zat bij Johannes Bandstra. Jaap schrijft: ‘Op de donkere oorlogsavond van dinsdag 13 maart 1945 kwam een groep Rotterdamse hongervluchtelingetjes aan in Morra bij Dokkum. De reis had 5 dagen geduurd. In deze groep was ik, 14 jaar oud, met m’n broertje van 9 jaar. Toen wij op donderdag 8 maart met tientallen andere kinderen een laddertje afdaalden in een oude Rijnaak aan de Boompjes in Rotterdam beloofde ik pa, die ons wegbracht, goed op mijn broertje te passen. (...) Toen ik later zelf kinderen had heb ik (een beetje) begrepen wat er door deze man is heengegaan toen hij zijn zoontjes zag verdwijnen door ’t dekluik. (...) We voeren ’s nachts, want Engelse vliegers beschoten elk schip dat over het IJsselmeer voer. Over de reis naar Morra zou ik een boek kunnen schrijven!’ Als Jaap Helbers al een boek kan schrijven over een reis van vijf dagen, dan moet Johanna Louise Cino dat zeker kunnen, want zij was maar liefst tien dagen onderweg van de Laakhaven in Den Haag naar de familie Wieger Dijkstra in Oostrum. Vader Cino had in december 1944 nog een smeekbrief naar de diaco- nie van Dokkum gestuurd om voor zijn gezin van ne- gen personen pakketjes levensmiddelen te mogen ontvangen (‘liefst regelmatig’ ). De secretaris schreef in de kantlijn met potlood: ‘Dit wordt afgewezen.’ 25 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS TOOS LITH UIT LEIDEN BELEEFDE PRACHTIGE TIJDEN IN DE ZOMERVAKANTIES IN ANJUM IN DE EERSTE OORLOGSJAREN: LINKS NEELTJE MOSSEL, ACHTER HAAR TOOS LITH FOTO:DOUWEENTRIENKESLAGMANLEI KINDERPRET OP DE WADDENZEEDIJK BIJ DE BANT ONDER ANJUM
  25. 25. 26 DE LEMMERBOOT Bij de verhalen over de reis per schip naar Friesland wordt heel vaak de Lemmerboot genoemd, de Jan Nieveen.(6) Vrijwel de ge- hele oorlog verzorgde de NV Groninger-Lemmer Stoomboot Maatschappij met een aantal schepen de (nachtelijke) veerdienst Lemmer-Amsterdam vv. De Jan Nieveen fungeerde als een levenslijn voor onderduikers, Joden en voedselzoekers vanuit het westen naar het noorden. Ook veel hongerkinderen maakten de reis met deze boot naar Friesland. Het vreemdste transport dat de Jan Nieveen vervoerde was op zekere dag een‘lading’van wel honderd baby’s die warm ingepakt in een bed van stro lagen, allemaal met een label met daarop hun naam om de hals! De Jan Nieveen kwam ongeschonden de oorlog door, al boorde het zich in de donkere nacht van 8 januari 1945 in het zusterschip de Groningen IV waarbij veertien mensen verdronken. OP DE VRACHTAUTO Vanuit Noord-Holland kwamen veel kinderen met een (soms open!) vrachtwagen en meestal ’s nachts over de Afsluitdijk. Daar was altijd controle en dat gaf de nodige spanning, ook bij de kinderen, zoals Joosje Kok na al die jaren nog helder voor de geest staat: ‘In een vrachtwagen zaten we. Kinderen uit Amsterdam waar geen eten voor was. Planken waren overdwars getimmerd. Een deken er over en daarop zaten wij. Eronder lagen onderduikers. Midden op de Afsluitdijk moest de auto stoppen voor de Duitsers. Het felle licht van de zaklantaarns scheen op onze gezichtjes. Mijn benen begonnen te trillen en ik begon te beven over mijn hele lichaam. Onder me wist ik de onderduikers. Ik was 8 jaar. Nu nog kan ik me nog de schrik en angst voelen die me toen beving. Geluk- kig vonden ze de jonge mannen niet en we kwamen veilig in Ooster-Nijkerk aan.’ Het liep meestal goed af. De chauffeurs maakten een praatje met de Duitsers en een doos sigaren of een fles jenever deed won- deren. Hongervluchtelingen maakten mee dat onderduikers zich verkleed en opgemaakt hadden als vrouwelijke begeleidsters. Transportondernemer Jacob Holwerda uit Niawier reed vanaf 1943 tot aan de bevrijding veelal twee keer in de week met voedsel naar het Westeindeziekenhuis in Den Haag. Het eten werd van daaruit verder gedistribueerd . Ook bracht hij wel medicamenten van het Bonifatiushospitaal in Leeuwarden naar ziekenhuizen in Haarlem, Amsterdam en Den Haag. Mensen uit de omgeving van Niawier vroegen Holwerda om ook voedsel voor hun familieleden in het westen mee te nemen. Het eten werd door zijn vrouw Jantje Bos in melkbussen klaargemaakt. Een dergelijke reis was geen sinecure, want alleen al de heenreis duurde veertien uren, omdat de auto met een houtgasgenerator reed.Ookhijhadlastvancontroleseneenenkelekeer haalde de Landwacht al het voedsel uit de wagen en gooide dat pardoes het IJsselmeer in. Zijn auto is ook beschoten, maar het is steeds goed afgelopen. Op de terugweg werden vanaf eind 1944 vrijwel elke keer kinderen meegenomen naar Friesland. In zijn vrachtauto is zelfs een keer een kind geboren dat de naam ‘Jacob’ meekreeg: diens leven lang werd hij door zijn naam aan deze gebeurtenis herinnerd. Twee zusters van het Westeindeziekenhuis gingen meealsbegeleidsters.Veelrooms-katholiekekinderen werden ‘uitgevent’ in dorpen onder Leeuwarden, zo- als Roordahuizum en Wijtgaard. Soms gebeurde het dat er geen plaats was voor alle kinderen. Deze kin- deren gingen dan mee naar Niawier en daar, of in de nabije omgeving, werd een plekje voor ze gezocht. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS FOTO:DELEMMERBOOT DE VRACHTWAGEN VAN JACOB HOLWERDA BIJ STELLEMA IN DOKKUM HOLWERDA ZIT RECHTS OP DE BUMPER FOTO:HEINE.BOONSTRA DE JAN NIEVEEN IN LEMMER, KLAAR VOOR EEN PLEZIERREISJE
  26. 26. IN UW HANDEN GEEF IK ZE OVER... Naast deze reguliere vervoermiddelen werden er door nood gedwon- gen en vaak op particulier initiatief ook onorthodoxe gebruikt. Klazina en Abraham Roza werden door hun ouders vanuit Utrecht op de fiets naar Zwolle gebracht, vandaar moesten ze zich zelf maar zien te redden. Uiteindelijk kwamen ze in Lioessens terecht bij Jan G. Rispens en Marcus K. Bandstra. Over de twijfel, de ongerustheid en de wroeging bij de ouders schreef hun moeder later een brief aan de familie Rispens: ‘...na alles wat U beide voor onze kinderen heb gedaan in het afgeloopen Jaar, want inderdaad stuurde wij ze uitgehongerd op onze tocht naar eten verder door, wel heb ik toen wij in Zwolle waren en ik Bram en Clazien door liet gaan, verderop tranen geschreid en een bede in het hart ‘Heer in Uw handen geef ik ze over’...’ Emile Parisium is oktober 1944 zelf op de fiets vanuit Amsterdam naar het noorden vertrokken. Hij was 15 jaar en ook in 1942 en 1943 al in Dokkum geweest. Hij wilde naar dezelfde familie Zijlstra, waar hij eerder was opgevangen, maar omdat hij onverwachts aankwam was dat onmogelijk en daardoor vertrok hij naar Pieter Boersma in Wetsens. Na de bevrijding trad hij nog, zo goed en zo kwaad als dat ging met het beetje Engels dat hij op de ULO in Amsterdam had geleerd, op als tolk voor de Canadezen. Vanuit Amsterdam vertrok vader Boodt met zijn dochters Vera en Marieke Boodt over de Afsluitdijk naar Oosternijkerk. Geert Jongeling tekent op zaterdag 24 februari 1945 aan: ‘Vanmiddag O. Boodt uit Amsterdam aangekomen met bakfiets, waarin Mieke en Vera zaten. Deze zullen, wegens de noodtoestand in Amsterdam, hier blijven. Mieke bij ons en Vera bij Jacob J. Kingma. Boodt zelf zal maandag weer vertrekken.’ Drie andere dochters van Boodt waren al eerder ondergebracht in Oosternijkerk. Nog verder met een bakfiets reisde vader Bogaards. Vanuit Den Haag kwam hij met zijn drie zoons Thomas, Johan en Leendert Bogaards in de bak helemaal naar Morra fietsen! Een geweldige prestatie, gezien de toestand van de meeste fietsen in die tijd en de uitgehongerde toestand van de meeste mensen: ze brachten hun kinderen niet voor niets naar het noorden... De familie Fokke Postma uit Loosduinen maakte een reis met hindernissen mee op weg naar de familie in Engwierum. Dochter Jannie vertelt: ‘Mijn vader had een kar gebouwd van een aantal deuren, daarin werd mijn broertje Sietze gelegd en de rest van onze bagage. Wij gingen te voet op pad richting Amsterdam. Erg ver met die kar kwamen wij niet. Bij Wassenaar stortte de hele handel in elkaar en daar stonden wij dan met 7 man en de nodige bagage. Liften dan maar. Er stopte niemand. Uiteindelijk kwam er een vrachtwagen aan en die stopte. Dat was een vrachtwagen met Duitse soldaten. (...) Zij hebben ons meegenomen en ons keurig naar Amsterdam gebracht en ons bij de haven afgezet. Vervolgens ging mijn vader informeren wanneer de boot naar Friesland zou ver- trekken en dat bleek dus de volgende dag te zijn. Dat was schrikken want waar moet je naar toe die nacht. Er kwam iemand naar ons toe en vroeg waar wij naar toe moesten. (...) Deze bijzonder aardige man heeft ons toen allemaal meegenomen naar zijn huis en daar konden wij overnachten. De volgende morgen heeft hij ons naar de boot gebracht. De boot was helemaal vol. Wij werden allemaal naar het ruim gebracht en daar hebben wij de hele overtocht gezeten. Af en toe best angstig door luchtalarm maar alles ging goed.’ Tenslotte de bijzondere reis van Cornelis, Johanna en Theunis Goemaat. Zij werden illegaal door Mees Toxopeus met de red- dingsboot ‘Insulinde’ naar Anjum gebracht. Toxopeus had voedsel gebracht naar Rotterdam en op de terugreis stiekem deze kinderen meegesmokkeld. Ze werden ondergebracht bij notaris Barteld Bolwijn en bij Anne Steegstra. AANKOMST IN DE DORPEN In de meeste dorpen werden de kinderen eerst opgevangen in een ge- bouw. In Morra was dat bijvoorbeeld Elim, in Ee de openbare school en in Oosternijkerk de hervormde kerk. Meestal was van tevoren bekend welke kinderen bij welke pleegouders ondergebracht zouden worden. De pleegouders konden‘hun’kinderen van deze verzamelplaatsen opha- len. Dit werd geregeld door in de dorpen opgerichte commissies, maar net als bij de evacués is het ons niet gelukt om daarvan veel namen boven water te krijgen. Soms was het niet van tevoren geregeld, omdat hun aankomst niet ver- wacht werd of omdat er meer kinderen kwamen dan opgegeven. Ja- cobus Mak uit Beverwijk overkwam dat, maar het was geen probleem, want hij ging eerst mee naar een gezin waar ze met heel veel kinderen om een grote tafel zaten te eten. ’s Middags kreeg hij alsnog een gast- gezin toegewezen: ’Later hoorde ik dat er meer kinderen uit Beverwijk meegekomen waren dan waarop gerekend was, zodat ’s middags een extra ronde door het dorp gemaakt moest worden om ook die kinderen nog onder te kunnen brengen.’ 27 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS ZES KINDEREN VAN DE MEEBERG IN LEIDEN IN 1942 HANS VAN DE MEEBERG TUSSEN ZIJN PLEEGOUDERS MARTEN JANS EN GEERTJE RISPENSJORNA FOTO:HENNIEVANDEMEEBERGFOTO:HANSVANDEMEEBERG

×