Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.

De Sneuper nummer 125, maart 2017

714 views

Published on

De Sneuper nummer 125, maart 2017
Inhoudsopgave:
HISTORIE & STREEKGESCHIEDENIS
ADMIRALITEITSSCHIP 'PRINCESSE ALBERTINA'
VLUCHTELINGEN IN OOSTDONGERADEEL (2)
GENEALOGIE & FAMILIEGESCHIEDENIS
SCHEEPSTIMMERMAN ARJEN SJOERDS
WYTZE PETRUS DE VRIES
RUBRIEKEN & COLUMNS
COLUMN: Je mutte mar hoare...
VELDPOST WOI: Jan zwaait af
HERALDIEK: dorpswapens Morra & Nes

Published in: Education
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

De Sneuper nummer 125, maart 2017

  1. 1. DE SCHEEPSMODEL VAN ADMIRALITEITSSCHIP PRINCESSE ALBERTINA SNEUPER nummer 125 jaargang 30 nr. 1 MAART 2017 losse nummers € 3,95
  2. 2. © Niets uit deze uitgave mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen. COLOFON 108 14 20 22 4 De Historische Vereniging Noordoost-Friesland is een Algemeen Nut Beogende Instelling. 7 correspondentie uitsluitend via: Brokmui 62 9101 EZ Dokkum kopij via e-mail: redactie@hvnf.nl website www.hvnf.nl weblog http://sneuperdokkum.blogspot.com FOTO OMSLAG: FRIES SCHEEPVAARTMUSEUM SNEEK DOUWE HANSMA  INTERIEUR MET STAANDE JONGEN EN ZITTENDE MAN MET IN ZIJN HAND EEN MODELSCHEEPJE: 1840  1890. redactie Warner B. Banga Dokkum Nykle Dijkstra Leeuwarden Piet de Haan Dokkum Lisette Meindersma Burgwerd JacobRoep Hollum (Ameland) Hans Zijlstra Amsterdam opmaak Warner B. Banga
  3. 3. prijs losse nummers € 3,95 (exclusief porto) dertigste jaargang nr. 1 maart 2017 verschijnt in maart, juni, september en december in een oplage van 650 exemplaren nummer 125 INHOUD Geschiedenis is niet wat er gebeurd is, geschiedenis is wat de mensen zich herinneren. Jan Blokker . HISTORISCH CITAAT: SNEUPERDE 5 6 7 8 22 10 14 4 20 21 33 34 REDACTIONEEL LEDENNIEUWS 2017-01 VAN DE BESTUURSTAFEL HISTORIE & STREEKGESCHIEDENIS ADMIRALITEITSSCHIP 'PRINCESSE ALBERTINA' VLUCHTELINGEN IN OOSTDONGERADEEL (2) GENEALOGIE & FAMILIEGESCHIEDENIS SCHEEPSTIMMERMAN ARJEN SJOERDS WYTZE PETRUS DE VRIES RUBRIEKEN & COLUMNS COLUMN: Je mutte mar hoare... VELDPOST WOI: Jan zwaait af HERALDIEK: dorpswapens Morra & Nes DIGITAAL & ACTUEEL & VARIA INGEBOEKT: Terpenonderzoek & broeihokken DIGITAAL VERHAAL: scans & databases WARNER B. BANGA ARJEN DIJKSTRA GOSSE BOOTSMA EIMERT SMITS F.Azn. DOEDE DOUMA & REINDER TOLSMA NYKLE DIJKSTRA JOHN DE VRIES IHNO DRAGT HILDA BOUTA RUDOLF J. BROERSMA JELLE ARJAANS & PIET DE HAAN HANS ZIJLSTRAKINDERBOEK
  4. 4. COLUMN MOLENPLAN Hebt u dat ook gelezen in de krant, dat een bijzonder aardig plan om een standerdmolen te zetten op die kale dwinger bij de Hanspoort, door de gemeente is afgeschoten met als argument dat die molen een decorstuk zou zijn? Die afbreuk zou doen aan de au- thenticiteit van de historische binnenstad? Ja, zelfs niet strookte met het bestemmingsplan nota bene? Was u ook zo flabbergasted door deze argumenten? Ik viel in ieder geval wel bijna van mijn bureaustoel van verbazing. De club enthousiaste mensen die het plan had voorbereid noemde de afwijzing beleefd 'een gemiste kans'. Inwendig dachten ze vast: 'Hebben jullie een klap van de molen gehad?' De argumenten bij de afwijzing waren mijns inziens zo gezocht, dat het haast niet anders kan of ze zijn ingegeven door angst voor de financiële gevolgen van het plan. DECORSTUK Weet u wat een decorstuk is? Dat men een pand zogenaamd restaureert door een miniem stukje van een buitenmuur te laten staan en verder alles daarachter afbreekt en vernieuwt. Zo zijn er voorbeelden genoeg, ook in Dokkum. Of dat een historisch vaartuig maar een klein percentage van het oude hout hoeft te hebben om‘gerestaureerd’te mogen heten. Een paar oude on- derdelen in de gereconstrueerde standerdmolen en je hebt geen decorstuk, maar een historisch object.Volgens het krantenberi- cht was daar zelfs al in voorzien. En de initiatiefnemers hadden nog veel meer leuke plannen in en rond de molen, die een nieuw element in een goed doordachte route langs de Dokkumer bolwerken had kunnen zijn. Of kán zijn; misschien heeft het plan wat meer tijd nodig. Ik hoop het. Burgemeester Waanders zei het zo mooi in haar nieuwjaarstoespraak: 'Gras wordt niet langer door eraan te trekken, maar door het te laten groeien.' Misschien moeten we wachten tot er een andere wind waait in gemeenteland. MALLEMOLEN Over winden gesproken: de kranten staan vol berichten over de nieuwe wind die in Amerika waait. Demonstraties tegen Trump, verontwaardi- ging over het weren van bepaalde groepen en zijn plannen om een muur te bouwen tussen de VS en Mexico. Politici in Europa roepen om het hardst dat wij in Europa zoiets niet willen. Nou, bedenkelijk national- isme en protectionisme zijn soms dichterbij dan je denkt. Dat ondervond ik door mijn vorige column, onder andere over tweeta- ligheid. Iemand die zichzelf een uitstekende ambassadeur noemt van de Friese zaak, heeft een oproep aan de redactie gedaan om soortgelijke 'domme en onnozele praat' van mij, voortaan te weren uit De Sneuper. Hij eindigde zijn reactie (misschien moet ik zeggen ‘kerstboodschap’ want hetwasdedagvoorkerst)meteenvoorbeeldvannetzoiemandalsik,die hij te verstaan had gegeven: 'Verkoop uw pand en verdwijn.' Je mutte mar hoare wie it seit, dacht ik, maar vooral dit laatste ging me toch echt te ver. Dy man koe wol mei mooltsjes rinne. Daardoor kon ik het toch niet laten om hem in geschreven Fries van repliek te dienen. Leve het vrije woord, of het nou in het Fries of Nederlands is (maar natuurlijk liever tweetalig...)! 4 WIND TEGEN door IHNO DRAGT giwdragt@museumdokkum.nl JE MUTTE MAR HOARE... GEZICHT OP DOKKUM MET VIJF STANDERDMOLENS - ATLAS SCHOEMAKER BRON:GEHEUGENVANNEDERLAND TEGEL MAKKUM - CA. 1780 KINDERSPELEN O.A. JONGEN MET MOLENTJE
  5. 5. KLUSSEN AAN SCHEPEN Het verleden houdt ons bezig. Dat mogen we als actieve historische vereniging wel zeggen. 'Us hobby hâldt ús moai fan 'e dyk!' zeg ik wel eens tegen redactielid Piet de Haan, als we weer een lange middag in het streekarchief zijn. Andere leden zoeken alles uit over oude scheepstypen en knutselen dan met engelengeduld een schitterend scheepsmodel in elkaar. Eimert Smits F.Azn. (de architect) is zo'n lid en zijn scheepsmodel van het Friese admiraliteitsschip 'De Princesse Albertina' is inmiddels op- genomen in de collectie van het Fries Scheepvaartmuseum, maar niet voordat hij alles in een artikel in De Sneuper uit de doeken heeft gedaan. Als we het toch over het klussen aan schepen hebben: Nykle Dijkstra viste een mooi verhaal uit de archieven over de Dokkumer scheepstim- merman Arjen Sjoerds, die stierf in Britse krijgsgevangenschap... FAMILIEGEHEIMEN Genealogie is ook zo'n prachtige hobby. Door historisch onderzoek kom je steeds meer te weten over je voorvaderen en de familiegeschiedenis. Je ontdekt je genealogische lijn naar bekende personen of loopt tegen een familiegeheim aan, waar je het bestaan niet van wist. Het overkwam John de Vries, ons lid uit Canada, tijdens zijn genealogische speurtocht naar zijn overgrootvader Wytze Petrus de Vries. Hij leerde dat je de verhalen, die over voorouders verteld worden, niet altijd kunt geloven. 'Geschiedenis is niet wat er gebeurd is, geschiedenis is wat de mensen zich [willen] herinneren', zei historicus Jan Blokker ooit en dat 'willen' komt van de redactie, vooral als je het verhaal van De Vries leest. VASTE BIJDRAGEN Doede Douma en Reinder Tolsma zijn ook regel- matig in het streekarchief te vinden als zij sneupen naar het wel en wee van de honderden evacués, die tijdens de Tweede Wereldoorlog hun toevlucht zochten in Noordoost-Friesland. Hun relaas begint indrukwekkende vormen aan te nemen en dwingt ons om opnieuw vier extra bladzijden aan De Sneu- per toe te voegen. In het tweede deel van hun reeks het verhaal over de talrijke vluchtelingen uit Arnhem en omgeving na 'een brug te ver.' Rudolf Broersma is onze trouwe heraldicus, die u van achtergrondinformatie over dorpswapens en -vlaggen voorziet, ditmaal die van Morra en Nes. Jelle Arjaans schrijft over het 100-jarig bestaan van de Vereniging voor Terpenonderzoek en het prachtige boekwerk dat daarover verscheen. Hans Zijlstra praat u helemaal bij op digitaal terrein. VELDPOSTVERVOLG? Hilda Bouta stuurde weer veldpost uit de Eerste Wereldoorlog, maar aangezien correspondent Jan Bouta in deze aflevering afzwaait, komt het einde van haar veldpostrubriek in zicht. Welk lid van onze grote vereniging meldt zich bij de redactie met een nieuwe reeks verhalen of een eigen historische rubriek aan de hand van oude ansichtkaarten, genealogische vondsten of zelfs saillante familiegeheimen? Ook uw bijdrage of artikel naar aanleiding van een eigen historisch onderzoek is van harte welkom. Prachtig werk, dat sneupen in en schrijven over het verleden en u moet maar zo denken: it hâldt jo moai fan 'e dyk! FOARBUORREN IN WIERUM Gerard Mast tikte ons op de vingers over een verkeerde straatnaamvermelding achterop De Sneuper 124 in ZWART-WIT: 'Wat wy op dizze foto út 1925 sjogge, is de Foarbuorren yn Wierum. Sûnder historysk besef ha dy domme Wierumers it klear krigen dat dy strjiitte no de namme hat fan ‘Haadstrjitte’. Dat is fansels in hiele foarútgong'. Dat lijkt ons duidelijke taal. Excuses voor de 'flater'. 5 REDACTIONEEL IT HALDT US FAN 'E DYKdoor WARNER B. BANGA warner.b.banga@knid.nl AANKOMST OORLOGSVLUCHTELINGEN IN DOKKUM - NOVEMBER 1944 © Niets uit deze uitgave mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen. Deredactieheefternaargestreefddeauteursvanillustratiesopdejuistewijzetevermelden,daar waar afbeeldingennietdoordeschrijvers zijn gemaakt of werden aangeleverd. Zij die menen nog rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich tot de redactie wenden. FOTO:COLLECTIEFRIESSCHEEPVAARTMUSEUMSNEEK BRON:COLLECTIESTREEKARCHIEF
  6. 6. 7 BESTUURVERENIGINGSGEGEVENS Lidmaatschap van de vereniging € 15 per jaar / € 25 buitenland IBAN: NL08 RABO 0177 8581 41 BIC: RABONL2U BETALINGEN VIA REKENINGNUMMER 177.8581.41 t.n.v. Hist. Ver. NOF Opzegging lidmaatschap: uitsluitend schriftelijk voor 1 november via postbus 369 - 9100 AJ Dokkum voorzitter dhr. Gosse Bootsma tel.: 0518 - 45 15 81 secretaris mevr. Ciska Hoekstra tel.: 0594 - 63 22 62 penningmeester / ledenadministratie dhr. Arjen Dijkstra tel.: 0519 - 58 96 74 e-mail ledenadministratie keatsbuorren@knid.nl BESTUURSTAFEL BESTUURSNIEUWS Johannes Dijkstra heeft met ingang van 2017 het penningmeester- schap overgedragen aan Arjen Dijkstra. Wij zijn Johannes zeer erkentelijk voor de goede zorg over de financiën van de vereniging. Arjen neemt een prima verzorgde administratie van hem over. Gelukkig blijft Johannes bestuurslid: met zijn ervaring is hij bijna een onmisbare kracht binnen dit team. De ledenadministratie zal Arjen Dijkstra voortaan ook verzorgen; de combinatie met het penningmeesterschap is praktisch en overzichtelijk. Jacob Roep en Nykle Dijkstra van de redactie hopen de Historici- dagen in Utrecht te bezoeken. Hun opdracht (en eigen verzoek) is om De Sneuper en de vereniging bekend te maken bij een hopelijk geïnteres- seerd publiek. Wij verwachten – op termijn – een positieve impuls voor de vereniging. Op de jaarvergadering hopen we dat ze hun ervaringen met ons willen delen.We proberen momenteel een werkgroep samen te stellen die het Dokkum-in-3D-project definitief gestalte kan geven. Daar- na kunnen we pas fondsen gaan werven voor dit ambitieuze project. LEDENVERGADERING 15 APRIL IN DOKKUM Er is weer een ledenvergadering in zicht en wel op zaterdag 15 april 2017 a.s. Als locatie hebben we ditmaal gekozen voor hotel-restaurant 'De Posthoorn' aan de Diepswal in Dokkum. De inloop is van 10.00 uur tot 10.30 uur met koffie en koek. De onderwerpen die aan de orde komen zijn de jaarverslagen van de penningmeester, de secretaris en de redactie. Verder krijgt u informatie over de stand van zaken rond het project Dokkum in 3D. Van 12.30 uur tot 13.30 uur hebben we een lunch en tijd om bij te praten. LANGS UT BINNENDIEPT Het middagprogramma wordt verzorgd door redactielid Piet de Haan. Onderwerp: 'Virtuele rondgang langs het Dokkumer Binnendiept', de binnengrachten van Dokkum.Waarschijnlijk loopt u zonder het te weten wel eens over de 'Oude Suipmarkt'. Langs het 'Kleine Keerweder' of door de 'Hoofdstraat'. Zelfs voor mensen die Dokkum goed kennen, is het niet eenvoudig om huizen en andere gebouwen uit de periode 1700-1830 aan te wijzen op een moderne stadsplattegrond, want waar staat een gebouw dat in oude documenten zonder straatnaam, huisnummer of kadastrale aanduiding vermeld wordt? Eind 2015 slaagde Piet de Haan erin om dit probleem op te lossen. Hij deed dit door het kadaster van 1832 en oudere archieven van vóór 1832 aan elkaar te koppelen. Voor dit pre-kadastrale onderzoek is belangstelling getoond door prof. dr. Hans Mol van de Fryske Akademy, die een soortgelijk provinciaal project gestart is, waarvoor hij Piet de Haan gevraagd heeft om medewer- king. Piet verzorgt een prachtige rondwandeling door het Dokkum-van-toen, die u niet mag missen. Voor deze dag kunt u zich opgeven bij penningmeester Arjen Dijkstra: keatsbuorren@knid.nl of op telefoonnummer 0519 - 589674 (graag na 19.00 uur). De kosten voor deze dag bedragen € 15. Namens het bestuur onze dank voor de redactie en wensen u veel leesplezier in De Sneuper 125. VAN DEVOORZITTER VERENIGINGSNIEUWS door GOSSE BOOTSMA DOKKUMER 'BINNENDIEPT'
  7. 7. 8 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS VLOOTBOUWPROGRAMMA FRIESE ADMIRALITEIT Tussen 1596 en ca. 1655 bestond de vloot van de Friese Admiraliteit vooral uit kleine schepen, zoals boeiers, jachten en gehuurde of geleen- de schepen van andere admiraliteiten. Na veel discussie tussen de ingestelde Generaliteitscommissie van de vijf admiraliteiten en de Staten-Generaal werd bij resolutie van 8 febru- ari 1653 het eerste gezamenlijke vlootbouwprogramma vastgesteld: de bouw van 30 nieuwe oorlogschepen. Hierin werd bepaald dat de Friese Admiraliteit twee schepen van de tweede categorie of het tweede charter, groot maximaal 136 x 34 x 14 voet en drie schepen van de derde categorie of charter, groot maxi- maal 130 x 32 x 13,5 voet mocht bouwen. Zolang de schepen niet klaar waren, moest men zich met de bestaande schepen behelpen. De aanbesteding van de Friese oorlogschepen werd gedaan op 27 februari 1653 te Harlingen door de H.H.Mo.Gecommiteerden Van der Steen, Steyn en Bootsma. Het waren de navolgende schepen: • Oostergo, gebouwd op de Admiraliteitswerf te Harlingen, groot 140 x 36 x 14,5 voet. • Westergo, gebouwd in Groningen, groot 134 x 34 x 14 voet. • Groningen of Groenewold, waarschijnlijk in Holland gekocht, groot 132 x 31 x 14,5 voet. • Princesse Albertina, gebouwd op de Admiraliteitswerf te Harlingen, groot 130 x 32 x 13,5 voet. Het kleinste fregat in dit bouwprogramma was dus de Princesse Albertina, en het was gereed op 3 janu- ari 1654, op het geschut na, 44 kanonnen (in 1655). DE SLAG IN DE SONT - 1658 Het penschilderij van de Slag in de Sont (1658) van Willem van de Velde, laat ons een beeld zien tegen het eind van de Slag in de Sont. De zon komt van voren, de noordenwind komt van rechts. Centraal op de voorgrond, gezien aan bakboord, ligt een gal- joot onder zeil, waarschijnlijk het galjoot van Willem van de Velde. Links, gezien aan stuurboord, ligt de ‘Princesse Albertina’ onder bevel van kapitein Auke Stellingwerf. Op de spiegel zien we een vrouwen- figuur, geflankeerd door engelen. Het schip (in 1653/54 gebouwd voor de Friese Admiraliteit) is in gevecht met een Zweeds admiraalschip. Rechts op de voorgrond ligt prominent het brandende wrak van een brander. Achter dit wrak is een in- beslaggenomen Zweeds schip te zien, waarvan alleen de hoofdmast nog staat. Dit schip is mogelijk de ‘Wismar’. Bij de boeg aan stuurboord, gezien aan bakboord komt een Nederlands schip tege- moet. Dit is mogelijk de ‘Breda’, varend onder bevel van kapitein Adriaan Bruynsvelt (die in de slag omkomt). Op de achtergrond is de vlag te zien van kapitein D. Verveen, aan boord van de ‘Zon’. Nog verder naar achter, net boven de rook uit, zijn de vlaggen te zien van ‘De Halve Maen’ en de ‘Eendracht’ van Jacob vanWassenaer. Rechts is nog net het achterschip van een Zweeds schip te onderscheiden. Geheel rechts op de achtergrond zien we kasteel Kronborg. PRINCESSE ALBERTINA ADMIRALITEITSSCHIP door EIMERT SMITS F.Azn. & HANS ZIJLSTRA er.dokkum@knid.nl sneuperdokkum@yahoo.com HET SCHEEPSMODEL  DOUWE HANSMA CA. 1840 BRON:MARITIEMMUSEUMROTTERDAM BRON:COLLECTIEFRIESSCHEEPVAARTMUSEUMSNEEK VOORGESCHIEDENIS TOT BOUW MODELSCHIP Sneuperlid en scheepvaartdeskundige Eimert Smits F.Azn uit Dokkum doet niet alleen historisch onderzoek naar oude Friese scheepstypen (zie ook De Sneuper 124), maar bouwt deze schepen ook minitieus na. In dit artikel het verhaal van de ‘Princesse Albertina’ en het model dat een plekje heeft gekregen in het Fries Scheepvaartmuseum te Sneek. SLAG IN DE SONT - 1658  WILLEM VAN DE VELDE ‘DE OUDE’ efl hi d ge raal ch be de mo om verd n he figuur, geflfiguur, gefl Het schi voor d is in ge admira Rech be de mo om ve van Gehe
  8. 8. Dit schilderij is een van acht bekende versies van de slag in de Sont van Willem van de Velde (de Oude) . Gezien de prominente plek van de ‘Princesse Alber- tina’ is het mogelijk dat dit penschilderij in opdracht van Auke Stellingwerf is vervaardigd. Een andere mogelijkheid is dat prinses Albertina Agnes, naar wie het schip is vernoemd, het schilderij heeft laten maken. Ook op een versie bij het Rijksmuseum staat de ‘Princesse Albertina’ centraal. DE LAATSTE TOCHT In juni 1667, tijdens de Tocht naar Chatham hield de (half-)broer van de omgekomen Adriaan, de inmid- dels tot Friese schout-bij-nacht bevorderde Hendrik Bruynsvelt (Leeuwarden 1609 - Harlingen ca. 1678), op de ‘Prins Hendrik Casimir’ (met 300 matrozen, 60 soldaten en 72 kanonnen) een journaal bij, waarin de schermutselingen op de Medway, een zijrivier van de Theems, werden beschreven. Het Friese eskader van acht schepen stond onder leiding van luitenant-admiraal Hans Willem baron van Aylva uit Holwerd. De ‘Princesse Albertina’ fungeerde in deze slag als brander en had dus blijkbaar haar loopbaan er op zitten (zie o.a. De Navorscher 1898). BRONNEN - Zelfgemaakte bouwtekening / diverse scheepsbouwboeken - Scheepsbouw, door Nicolaes Witsen, 1671 - De Nederlandsche Scheepsbouw-Konst, door Cornelis van Yk, 1697 - De Modelbouwer, 1983-1986, deel 1 t/m 33, door Dik Amstelveen 9 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS tijd van regenten en vorsten SLAG IN DE SONT - 1658  WILLEM VAN DE VELDE ‘DE OUDE’ MODEL PRINCESSE ALBERTINA De reconstructie van de ‘Princesse Albertina’ is ge- maakt aan de hand van de volgende gegevens: Groot 130 x 32 x 13,5 voet = 36,76 x 9,04 x 3,82 m. Amsterdamse voet = 28,28 cm. Model is schaal 1 : 50, groot 73,5 x 18,1 x 7,6 cm. FOTO:COLLECTIEFRIESSCHEEPVAARTMUSEUMSNEEK SCHEEPSMODEL ‘PRINCESSE ALBERTINA’  EIMERT SMITS F.Azn. 2015 FOTO:EIMERTSMITSF.Azn. BRON:COLLECTIERIJKSMUSEUM
  9. 9. 10 OVERLEED IN KRIJGSGEVANGENSCHAP EEN FAMILIE VAN SCHEEPSTIMMERLIEDEN Arjen Sjoerds werd gedoopt op 26 december 1766. Zijn ouders waren scheepstimmerman Sjoerd Feddes en diens vrouw Luitske Bartels. Het gezin woonde op dat moment aan de Wortelhaven. Een advertentie uit 1774 vermeldde Sjoerd Feddes als zijnde ‘Meester Scheeps-Timmerman’ met een eigen scheepshelling. Hier zal Arjen Sjoerds waarschijnlijk zijn opleiding tot scheepstimmerman gevolgd hebben, net als zijn oudere broers Fedde, Bartel en Pieter. Op 17 mei 1789 trouwde Arjen Sjoerds met Wepkje Lucas (later met achternaam Sprietsma). Het paar woonde eerst in het pand dat nu Markt 38 is en in 1795 schoven ze één huis op, naar wat nu Hoogstraat 29 is. De beide huizen lagen vlakbij de ‘stads- timmerschuur’, wat voor een scheepsbouwer natuurlijk erg handig was. DOKKUMER SCHEEPSTIMMERMAN door NYKLE DIJKSTRA nykledijkstra@hotmail.com TEKST GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS BRON:FRIESSCHEEPVAARTMUSEUM INLEIDING In De Sneuper 119 stond een artikel over de Dokkumer zeeheld Dooitse Eelkes Hinxt. Deze marineofficier sneuvelde aan de verwon- dingen die hij had opgelopen tijdens de Slag bij Kamperduin op 11 oktober 1797. Aan boord van zijn schip, De Beschermer, zaten nog drie Dokkumers: de soldaten Willem Arnoldus en Jetse Ronda en de scheepstimmerman Arjen Sjoerds Schuitinga. De redactie ontving in juni 2016 een genealogisch overzicht van Jan Schuit met verdere informatie over deze Arjen Sjoerds. Naar aan- leiding daarvan heb ik verder onderzoek gedaan. Het verhaal van Sjoerds illustreert hoe het veel opvarenden van De Beschermer na de noodlottige zeeslag van 1797 is vergaan. OORLOGSSCHIP 'DE BESCHERMER' FOTO:MUSEUMDOKKUM IN DIENST BIJ DE MARINE Op 29 december 1795 nam Arjen Sjoerds officieel dienst als Derde Timmerman op De Beschermer. De exacte motieven zijn on- bekend. Een hoger inkomen? Meer financiële zekerheid? Slechte tijden voor de werf in Dokkum? Ongetwijfeld zal het feit dat een mede-Dokkumer kapitein was een rol gespeeld hebben. Op 10 januari 1796 kwam Arjen aan boord van het oorlogsschip. Hij verdiende 22 gulden per maand. Op 3 april 1797 werd hij gepromoveerd tot Tweede Timmerman, waarna hij 28 gulden per maand verdiende. In de zomer van 1797 lag De Beschermer op de Rede van Texel. Op 11 oktober 1797 volgde de grote zeeslag, waarvan in De Sneuper 119 al een korte beschrijving stond. Het schip raakte tijdens het gevecht zwaar beschadigd; de zeilen waren aan flarden geschoten, de bezaansmast viel overboord, de grote mast viel bijna om en verschillende ra’s waren onbruik- baar geraakt. Het schip kon daardoor geen grote rol meer in het gevecht spelen en had uiteindelijk negen doden te betreuren. Arjen Sjoerds zal als scheepstimmerman vervolgens hard hebben gewerkt om het schip weer te repareren. WONINGEN HOOGSTRAAT 38 EN MARKT 29 BRON:WIKIPEDIA DETAIL SMEDEMAKAART 1788 MET LOCATIE HUIZEN FAMILIE SCHUITINGA
  10. 10. 11 HET VLIETER-INCIDENT Op 24 mei 1798 kwam een nieuwe kapitein aan boord: Johannes Eilbracht. Veel spannends zal rond deze tijd niet zijn gebeurd aan boord; De Beschermer kon niet uitvaren door de Britse blokkades. Wel werden voorbereidingen getroffen voor een reis naar Oost-Indië om de bezittingen daar veilig te stellen. Uiteindelijk ging dit niet door, omdat er geruchten waren dat Groot-Brittannië en Rusland een invasie in de Bataafse Republiek zouden voorbereiden. Deze geruchten bleken maar al te waar. De Britten waren ervan op de hoogte dat een groot deel van de Nederlandse matrozen nog altijd het Huis van Oranje aanhing en weinig op had met het nieuwe revolutionaire bewind. Ze hoopten dit idee handig te kunnen uitspelen door de bemanningen zonder geweld over te halen zich weer achter hun verbannen stadhouder te scharen. Hoe het er vervolgens aan boord van De Beschermer aan toeging, wordt onder andere duidelijk uit enkele rapporten van het Ministerie van Marine. Op woensdagmiddag 21 augustus om twee uur ’s middags kreeg de Bataafse vloot bij Kijkduin een Engels eskader van zo’n 200 schepen in zicht. De Engelse admiraal Mitchell eiste de overgave van de Bataafse vloot, maar de bevelhebber schout-bij-nacht Story weigerde dit en liet weten dat hij de regering om instructies zou vragen. De volgende dagen ondernam de Bataafse vloot weinig actie. Op dinsdag 27 augustus werd vanuit Kijkduin geseind dat de Britten zich gereed maakten voor een landing bij Callantsoog. Korte tijd later klonk kanongebulder vanaf het vasteland. De volgende dag ging de Bataafse vloot eindelijk onder zeil. Onderweg zag men de oude Hollandse vlag van de toren van Texel waaien en al snel liep daar een enorme Engelse vloot binnen. De rapporten vermelden: 'De braave equipagie van de Beschermer was nog met hun oude moed bezield, en waaren met bedaardheid en ijver den trotschen vijand afwagtende, houdende zich alle behoorlijk, een ieder op zijn post.' Alle kapiteins werden vervolgens bij de Britse admiraal ontboden voor onderhandelingen. De eisen waren duidelijk: de Bataafse vloot kreeg een uur de tijd om zich over te geven. De bemanning van de schepen Washington, Leiden, Cerberus en Utrecht had geweigerd om te vechten, waardoor de Britse overmacht veel te groot was. Kapitein Eilbracht zag in dat het zinloos was om te gaan vechten. Hij voer terug naar De Beschermer en vertelde de manschappen dat de vloot zich had overgegeven. Tot dan toe had de bemanning van zijn schip nog niet heel openlijk te kennen gegeven voor het Huis van Oranje te zijn, al had de hof- meester zijn kapitein eerder wel een gerucht medegedeeld. Toen op 31 augustus de oude Hollandse vlag in de mast gehesen werd, was de situatie duidelijk: het grootste gedeelte van de bemanning riep driemaal ‘Hoezee!’ en bracht de rest van de dag door 'met zig met oranje te verzieren, en oranje lietjes te zingen dat gestadig door den kreedt van oranje boven wierd vervangen', aldus kapitein Eilbracht. De Engelsen lokten de steun voor Oranje extra uit door zulke oranjelinten en andere versieringen uit te delen. Wel gaven ze de manschappen de opdracht om hun officieren niet 'te brutaliseren'. GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS OVERGAVE VAN DE VLOOT VAN SCHOUTBIJNACHT STORY BIJ DE VLIETER  30 AUGUSTUS 1799 DOOR ROBERT DODD BRON:COLLECTIEROYALMARITIMEMUSEUMGREENWICH tijdvanpruikenenrevoluties
  11. 11. 12 GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS KRIJGSGEVANGEN De volgende dagen werden de schepen in gereedheid gebracht om naar Engeland te vertrekken. De officieren kregen speciale passen waarmee ze op parool naar huis konden terugkeren. Zo vertrokken op 6 augustus de luitenants Jacob Oelsen en Ger- rit Hinxt, die in de slag bij Kamperduin nog aan de zijde van Dooitse Hinxt hadden gevochten. Op 8 augustus paradeerden Engelse en Nederlandse matrozen in de masten en werd wederom 'Hoezee!' geroepen. Zo ook op De Beschermer. Vervolgens werd het (valse) gerucht verspreid dat de verbannen stadhouder Willem V aan boord van een van de schepen was en werd de bemanning gevraagd om zich bij de Engelsen aan te sluiten. 188 opvarenden van De Beschermer gaven gehoor aan deze oproep, onder wie de Dokkumer soldaat Willem Arnoldus [mogelijk Willem Ates Arnoldus]. Jetse Ronda was al in juli 1797 op een ander schip overgeplaatst. Op 10 augustus verliet ook Eilbracht zijn schip. De Beschermer werd samen met de rest van de vloot naar Engeland verscheept. Op het land was de expeditie uiteindelijk minder succesvol; op 19 november zouden alle Britse en Russische troepen Noord-Holland weer verlaten. Arjen Sjoerds bleef waarschijnlijk trouw aan het Bataafse bewind, want op 22 maart 1800 werd hij in Engeland opgesloten op het gevangenisschip Bristol dat bij Chatham lag. De Medway lag vol met gevangenisschepen, vaak afgedankte oorlogsschepen zonder masten waarbij de kanonluiken van tralies waren voorzien. Een groot deel van de matrozen die bij Kamperduin had- den gevochten, zat hier nog steeds gevangen. Verder waren er veel schepen met Franse gevangenen. Het werd niet bepaald een warm onthaal voor de matrozen die zich hadden overgegeven. Ze werden door de andere Nederlandse gevangenen voor landverraders uitgemaakt, en sommigen hadden vleesbotjes opgespaard die ze onder het roepen van 'beenvuur' massaal op de voorbijvarende landgenoten gooiden. De omstandigheden aan boord van de gevangenisschepen lieten veel te wensen over. De Franse sergeant-majoor Beaudouin, die later op de Bristol kwam, schreef: 'Het verschil tussen gevangenissen op het land en gevangenisschepen is groot. Op de schepen is nauwelijks bewegingsruimte, de gevangenen zitten opeengepakt, er komt geen bezoek en we zijn compleet verlaten.' Over de rantsoenen schreef hij: 'Vaak kregen we eten dat zelfs de honden zouden weigeren. Het brood was dikwijls niet gebakken en alleen bruikbaar om mee tegen de muren te bonken; het vlees zag eruit alsof het een paar mijl door de modder was gesleept. Twee keer per week krijgen we gepekeld vlees; haring op woensdag, kabeljauw op zaterdag. We hebben al meerdere malen geweigerd om het te eten en kregen dan niets als alternatief, waarbij de bewakers zeiden dat alleen het slechtste goed genoeg is voor een Fransman.' Doordat zoveel mensen samengepakt op een schip zaten braken vaak besmettelijke ziekten uit, al stond de Bristol erom bekend een goede dokter te hebben. NAAR NORMAN CROSS Op 3 november 1800 werd Arjen Sjoerds overgeplaatst naar het gevan- genenkamp Norman Cross bij het plaatsje Peterborough. Mogelijk ging hij eerst per schip van Chatham naarYarmouth, maar een deel van de reis werd zeker lopend afgelegd onder begeleiding van ruiters, militairen en transportwagens. Dit werd beschreven door Hendrik Stolte, die in de winter van 1798- 1799 van Yarmouth naar Norman Cross werd gestuurd (een afstand van zo’n 160 kilometer): [...] 'toen werden wij vervoerd naar de groote prison te Norman Cross. Wij kreege 9 stuivers daags om van te leefen en des nagts werden wij in een stal of schuur tezaam gejaagt en kregen daar stroo om op te leggen, waar voor wij 3 stuivers de man voor moesten betaalen. Een nagtdiewijteSwafham[Swaffham]zoudendoorbrengen,plaatstenzijons in het rasphuis. Ook moesten wij 22 uur in een kotter schip als de beesten bij elkaar liggen en kwamen eijndelijk den 11 December te Norman Cross.' GEVANGENISSCHEPEN IN DE HAVEN VAN PORTSMOUTH  DOOR AMBROSELOUIS GARNERAY CA. 1810 BRON:COLLECTIEROYALMARITIMEMUSEUMGREENWICH OORLOGSBUIT VAN MITCHELL UIT 1799 BRON:ROYALMARITIMEMUSEUMGREENWICH
  12. 12. GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS Norman Cross was het eerste kamp in de geschie- denis, dat speciaal gebouwd was voor krijgsgevan- genen. Het werd in 1797 gesticht en kon maximaal 7000 man huisvesten. Scheepskok Maarten Schaap beschreef het complex in zijn memoires: 'De prezon Norman Cross ligt op een hoge heuvel en bestaat uit zestien planken barakken: twaalf voor de prezenniers en vier dienden tot hospitaal en woningen van de op- passers. Het was alles zeer schoon en tot gezondheid wel ingericht. De zestien barakken waren kruisgewijs in vieren verdeeld, waar een kruisweg van palissaden doorheen ging. In het midden der kruisweg stond een fortje met zestien draaibassen [kleine kanonnen] om de vier pleinen te kunnen bestrijken.' Arjen Sjoerds werd als volgt in de registers van Nor- man Cross opgenomen: '33 jaar oud, 1,73 meter lang, bruin haar, bruine ogen, smal gezicht en dun van ge- stalte met lichte littekens van de pokken'. NOODLOTTIG LEVENSEINDE Hoewel de omstandigheden er beter waren dan in menig gevangenisschip, braken ook in Norman Cross epidemieën uit. De zwaarste epidemie brak uit rond 1800-1801, dus net toen Arjen Sjoerds er gevangen zat. Er was tyfus uitgebroken, mogelijk als gevolg van drinkwatervervuiling. Van de ongeveer 1.770 mensen die gedurende het bestaan van Norman Cross overleden, stierven er bijna duizend tijdens deze tyfusuitbraak. In de zomer van 1801 werd Arjen Sjoerds ook ziek. Op 10 augustus 1801 overleed hij aan de gevolgen van‘diarree’, waarschijnlijk dysenterie. Op 4 januari 1802 werd het Minsterie van Marine hiervan op de hoogte gesteld. De vrouw van Arjen Sjoerds,Wepkje Lucas, overleed precies twee jaar na haar man. Ze liet drie kinderen achter, van wie de oudste nog maar dertien jaar was. Daarmee eindigt het verhaal van deze Dokkumer timmerman, die net als kapitein Hinxt zijn leven had gewaagd voor de Bataafse Republiek, maar door een noodlottige samenloop van omstandigheden eindigde in een massagraf voor krijgsgevangenen. De enige eer die hij kreeg was een monument dat in 1914 werd opgericht bij de plaats waar het kamp ooit stond, waarmee de 1.770 omgekomen krijgsgevangenen werden herdacht. BRONNEN Nationaal Archief in Den Haag: - Departement van Marine: Monsterrollen, nummer toegang 2.01.30 - Hoge Militaire Rechtspraak, 1795-1813 (1818), nummer toegang 2.01.11 Admiraliteitsarchieven van The National Archives in Kew: - Registers van krijgsgevangenen Paul Chamberlain, Hell upon water: Prisoners of war in Britain, 1793-1815, Stroud 2008 Historische herinneringen van H.W. van Florenstein, Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië 1901 J.R. Bruijn en E.S. van Eyck van Heslinga, Maarten Schaap, een Katwijker ter koopvaardij, 1782-1870, Amsterdam 1988 Met dank aan Piet de Haan voor genealogische gegevens. 13 GEVANGENENKAMP NORMAN CROSS  AQUAREL DOOR T. LINCOLNE BARKER 1810 BRON:WIKIPEDIABRON:THENATIONALARCHIVESKEW OVERLIJDEN ARJEN SJOERDS IN REGISTERS VAN KRIJGSGEVANGENEN NORMAN CROSS MONUMENT BIJ NORMAN CROSS BRON:FRIENDSOFNORMANCROSS
  13. 13. HET BEGIN Toen mijn grootvader, opa De Vries nog leefde, werd er af en toe iets ver- teld over zijn jeugdjaren. Opa Johan de Vries, naar wie ik vernoemd ben, werd op 8 mei 1874 geboren in 'Nes bij Dokkum'. Zijn vader Wytze Petrus was onderwijzer en later corrector bij een uitgeverij in Amsterdam. Hij heeft 'Treasure Island' van R.L. Stevenson in het Nederlands vertaald. Hij was getrouwd met Saakje Halbertsma, die een afstammeling zou zijn van Eeltje Hiddes Halbertsma, de schrijver van het Friese volkslied. Voordat ik me op de genealogie stortte, bracht ik eens met een deel van ons gezin een bezoek aan Grou, waar de familie De Vries mooi gefoto- grafeerd werd onder het borstbeeld van Eeltje, onze bekende voorvader. Daar bleef het bij tot 2003, toen ik begon met het 'opgraven' van de ge- schiedenis van mijn voorouders. Inmiddels waren grootouders, ouders en de meeste ooms en tantes overleden, zodat ik niemand meer kon raad- plegen. Bovendien woon ik in Canada en de nog levende ooms en tantes woonden in Neder-land. Niet zo gemakkelijk om ze even op te zoeken of zelfs te bellen met vragen. Ik kwam, dankzij de voormalige website van het Frysk Ryksargyf (nu www.tresoar.nl ), al snel bij de registraties van ge- boorten, huwelijken en overlijdens terecht. WYTZE PETRUS DE VRIES 18521935 Wytze Petrus de Vries is geboren op 4 februari 1852 in Beetsterzwaag. Hij was het dertiende kind van Johan Daniel Christiaan de Vries (1811-1870) en Antje (Anna) van den Berg (1811-1896). Zijn ouders hadden in totaal veertien kinderen. Er was al een eerdere Wytze Petrus geweest – het oudste kind, geboren in 1835 – maar die zoon was in 1850 overleden. Beide Wytze Petrus waren vernoemd naar hun grootvader aan vaders kant. Johan Daniel Christiaan was een kleermaker, afkomstig uit Leeuwarden; moeder Antje kwam oorspronkelijk uit Beetsterzwaag. Johan stamde af van een 'petit bourgeois' familie, die een paar generaties lang een bont- winkel bezat bij de Meelbrug in Leeuwarden. Tijdens mijn onderzoek kreeg ik de indruk dat er financiële problemen waren in het gezin van Jo- han en Antje, mogelijk door drankgebruik van vader. Op dat vermoeden kom ik verderop in dit verhaal nog terug. We vinden verscheidene no- tariële aktes in de periode 1842 t/m 1869, waarin Johan Daniel Christiaan deVries als schuldenaar fungeert. Bij zijn overlijden zien we in de memorie van successie dat er geen noemenswaardige nalatenschap was. Over de eerste twintig jaren van Wytze Petrus is mij weinig bekend. Hij werd vrijgesteld van militaire dienst wegens lichaamsgebreken (speci- fiek: op grond van art. 188 van het geneeskundig visitatie-reglement). Aangezien dit visitatie reglement in mei van het jaar 1871 gewijzigd werd, zijn er twee mogelijkheden: van april 1862 t/m mei 1871 was artikel 188 'verplaatsing van het hart (ectopia cordis) met stoornis in de verrigtigingen'; vanaf mei 1871 beschreef artikel 188 'zwarte staar met gemis van lichtont- waring (amaurosis)'. Omdat hij in de lichting van 1872 zat lijkt de 'zwarte staar' het meest waarschijnlijk. Hij duikt in 1873 op in Nes (Westdongeradeel) als hulponderwijzer aan de openbare school aldaar. Waar hij is opgeleid tot schoolmeester is mij niet bekend, noch is het me duidelijk hoe hij in Nes terecht komt. Een mogelijke aanwijzing vond ik in de Leeuwarder Courant van 4 mei 1860: GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS 14 BRON:WIKIPEDIABRON:FRIESFOTOARCHIEF WYTZE PETRUS DE VRIES door JOHN DE VRIES johnplaysjazz@gmail.com BORSTBEELD EELTJE HIDDES HALBERTSMA IN GROU BIJ DE MEELBRUG IN LEEUWARDEN BRON:LEEUWARDERCOURANT
  14. 14. OPLEIDING TOT ONDERWIJZER Hoewel ik hier geen bewijs voor heb lijkt het waarschijnlijk dat Wytze Petrus zich in persoon meldde bij de schoolopziener te Beetsterzwaag en bij hoofdonderwijzer Prakken en kostenloos de opleiding tot onder- wijzer genoot. Zijn vader was in 1870 op 58-jarige leeftijd overleden en het dunkt mij dat er in het huisgezin niet veel geld aanwezig was. De normaalschool was daarom waarschijnlijk geen optie. Een van zijn ou- dere broers, Karel, was al onderwijzer geworden, waarschijnlijk ook via de kostenloze opleiding in Beetsterzwaag. Wytze Petrus wordt in 1873 aan- gesteld als hulp-onderwijzer in Nes (Westdongeradeel). Aukje Holtrop geeft in haar dissertatie over Sjoukje Bokma de Boer (alias Nynke van Hichtum) korte beschrijvingen van Wytze Petrus als onderwijzer te Nes. Hoewel Sjoukje (dochter van de Nederlands Hervormde dominee in Nes) niet bij Wytze in de klas gezeten heeft, hoorde ze klaarblijkelijk genoeg over hem. Hij kon goed vertellen, wat later nog zal blijken. Verder vertelt Holtrop dat Wytze door de kinderen geplaagd werd. Als er turf van de zolder boven het klaslokaal gehaald moest worden, gooiden de kinderen dat vaak op een ruwe manier naar beneden, waardoor meester De Vries onder het turfstof kwam en naar huis moest om zich te verkleden. In mei 1874 wordt mijn grootvader, Johan de Vries, geboren. Wytze is dan nog niet getrouwd met mijn overgrootmoeder Saakje Eeltjes Halbertsma. Ze trouwen in juni 1874 en erkennen dan hun zoon Johan. In de tussentijd moet Wytze ook nog gestu- deerd hebben, want in april 1874 slaagt hij voor de onderwijsacte Fransch (de krant geeft wel het verkeerde Nes aan (Ameland in plaats van Westdongeradeel). GENEALOGISCHE VERRASSING Toen ik de trouwakte van Wytze en Saakje bekeek, kreeg ik een van de vele verrassingen tijdens mijn genealogische speurtocht. Er staat namelijk vermeld, onder Saakje Halbertsma, dat zij de minderjarige dochter is van Eeltje Tjallings Halbertsma, wiens beroep en woonplaats onbekend is. Dus hoe zat dat met de schrijver van het Friesche volkslied? Deze Eeltje blijkt een oomzegger te zijn van voornoemde schrijver; zijn vader is Tjalling Hiddes – wel één van de drie gebroeders Halbertsma, maar niet diegene die ons altijd voorgeschoteld was! In de volgende jaren worden er nog drie kinderen geboren: Hidde Tjalling (1875), Karel (1876) en Teatske (1879). In 1883 bevalt Saakje van een doodgeboren kind en overlijdt op dertigjarige leeftijd. Wytze Petrus blijft achter met drie kinderen (Teatske is in 1881 overleden) tussen de leeftijden van 4 en 9 jaar. Tjalling Eeltjes Halbertsma wordt aangesteld als toeziend voogd, omdat er minderjarige kinderen zijn. Na Saakje's overlijden is er een boedelscheiding en die is wel interessant. Onder an- deren bezat het gezin voor tachtig gulden aan boeken. Let wel: in dat jaar was zijn totale salaris als hoofdonderwijzer ongeveer 600 gulden. Wytze zit niet stil in de eerste jaren na zijn huwelijk. Op 18 april 1875 slaagt hij voor het examen voor hoofdonderwijzer, dus binnen een jaar na zijn aanstelling als hulponderwijzer. Hij solliciteert zonder succes naar onderwijzersposities in andere, wat grotere plaatsen: op 30 september 1875, zoals we zien in de Leeuwarder Courant van 3 oktober 1875, wordt hij niet aangesteld als hoofdonderwijzer in Nieuwe-Bildtdijk onder St. Annaparochie, klaarblijkelijke na een loting. In de tekst staat: 'met het lot tegen W.P. De Vries, hulponderwijzer te Nes.' Wytze wordt in 1879 tot hoofdonderwijzer van de openbare school in Nes benoemd, na het overlijden van zijn voorganger Halbe Roelofs Beetsma. Hij eindigt als eerste in het examen voor die positie, met 30,5 punten, nipt voor de volgende kan- didaat Schuitemaker uit Mildam die met 30 punten uit de bus kwam. In datzelfde jaar haalt Wytze Petrus ook nog zijn akte voor wiskunde. GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS 15 BRON:WWW.DEKRANTVANTOENNOORDELIJKSCHEEPVAARTMUSEUM DORPSSTRAAT MET ONDERWIJZERSWONING IN NES RECHTS tijdvanburgersenstoommachines LEEUWARDER COURANT 19 APRIL 1875 LEEUWARDER COURANT 19 APRIL 1874 15
  15. 15. 'NIET EERVOL' ONTSLAGEN Toen ik me met deze periode bezighield, vond ik een website met verhaaltjes over Nes, verteld door Sneuperlid Gerrit de Jong, onlangs overleden. Een van die verhaaltjes ging over de school in Nes. Ik nam op grond van de informatie in dat verhaal contact op met de heer De Jong. In zijn antwoord schreef hij dat zijn grootvader en de mijne waarschijnlijk in dezelfde klas gezeten hadden. De Jong merkte bovendien op dat De Vries, van hulponderwijzer naar hoofdonder- wijzer, in 1896 'niet eervol' ontslagen was, zonder verder te vermelden wat de oorzaak van dat ontslag was. Dus weer een e-mail terug aan De Jong: Wat bedoelt u met 'niet eervol ontslagen'? Het antwoord, per kerende e-mail hield in dat Wytze Petrus niet eervol onslagen was uit zijn positie als hoofdonderwijzer wegens onzedelijk gedrag met zijn minderjarige leer- lingen. Hij was ook uit de Nederlands Hervormde kerk gezet, waar hij voorheen scriba van de kerkeraad was geweest. Uiteindelijk werd hij tot gevangenisstraf veroordeeld. Nou, dat hadden ze mij vroeger nooit verteld! De enige oom aan wie ik dit kon vragen antwoordde dat dit niet waar was – Wytze Petrus had nooit in de gevangenis gezeten. Daar bleef het dus een tijdje bij, tot ik een bezoek aan Nederland bracht en in de archieven van Tresoar het hele dossier van de rechtszaak vond. BOEKEN & VERHALEN VOOR KINDEREN Wietze de Vries blijft solliciteren, maar telkens tevergeefs. In 1883 zien we dat hij gesolliciteerd heeft naar de positie van hoofd- onderwijzer in Bergum. Hij behoort tot het twaalftal dat een tweede examen doet, maar klaarblijkelijk haalt hij daar niet het hoog- steaantalpunten.IndeLeeuwarderCourantvan19december1883iszijnnaamniettevindenbijhetviertaldataanbevolenwordt. Inmiddels is hij begonnen met het schrijven van boeken. In 1881 verschijnt een bewerking van F. Harders boek (vermoedelijk uit het Duits): 'Aanschouwingsonderwijs', bij uitgeverij Wolters. Het is een bewerking van de achtste druk van Harders Handbuch. Er volgen in de komende jaren nog wat publicaties, maar nu voornamelijk boeken en verhalen voor kinderen. Het eerste boek, verschenen bij Uitgeverij Zijlstra in Joure, is 'Jan Harink: episode uit den worstelstrijd tegen Spanje' (1888). Tegelijkertijd wordt hetzelfde boek ook uitgegeven bij Uitgeverij H. Honig te Utrecht. Het is te vinden op www.dbnl.org/tekst/vrie229janh01_01/. Inmiddels schrijft hij ook jeugdverhalen voor het pas opgerichte Friese tijdschift 'Foar Hûs en Hiem', een kwartaalblad waarvan de redactie voornamelijk bestond uit zijn zwager Tjalling Eeltjes Halbertsma en Pieter Jelles Troelstra. In 1892 schrijft hij voor dit blad het verhaal over 'Fryslâns lêste kening', dat in 1892 ook als boek verschijnt in het Nederlands, onder de titel 'De laatste koning van Friesland' (Joure, Zijlstra). In dezelfde periode schrijft hij een artikel 'Vlaamsche woorden en uitdruk- kingen uit Conscience's Plaag der dorpen'. Dit artikel moet tussen 1888 en 1894 geschreven zijn, want het tijdschrift 'Onze Volkstaal', waarin het ver- schijnt, is in 1888 gesticht en voor 1894 gestaakt. De titel van het artikel wordt vermeld in het 'Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Let- terkunde' voor het jaar 1894. Na 'Jan Harink' verschijnt in 1892 'De wapenknecht: een verhaal uit de Middeleeuwen' (Haarlem: W.H.J. Van Nooten), gevolgd in 1893 door 'De verovering van Mejico: een verhaal uit den tijd der groote ontdekkingen' (Tiel: Campagne) en in 1894 door 'De Lapekoer fen Gabe-Skroar trochs- kodde: oantekeningen by de Rimen en teltsjes fen Broerren Halbertsma' (Deventer: Deventer Boek- en Steendrukkerij). Inmiddels hertrouwt Wytze Petrus in 1884 met de 25-jarige Antje Jacobs Dijkstra, een naaister uit Nes. Met haar krijgt hij nog twee kinderen: Jacob (1895) en Sjoerd Jan (1897). GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS 16 SCHOOLFOTO NES  1890  RECHTS MET BAARD W.P. DE VRIES  KINDERBOEKEN GESCHREVEN DOOR W.P. DE VRIES BRON:FOTOCOLLECTIEGERRITDEJONG 16
  16. 16. EEN ONBEWAAKT OGENBLIK Zoals ik eerder schreef had ik van Gerrit de Jong ver- nomen dat Wytze Petrus in 1896 'niet eervol' ontsla- gen was. Aangezien er geen verdere details gegeven waren, moest ik wachten tot ik een bezoek aan Neder- land bracht en de zaak kon uitzoeken in Tresoar. Daar vond ik eerst een kleine knipselmap met wat korte artikeltjes over Wytze Petrus. Een van die artikeltjes uit het gratis advertentieblad 'De Sollicitant', geda- teerd 22 december 1896, was getiteld 'Bede om Hulp'. De twee schrijvers, beiden onderwijzers in dorpjes dichtbij Nes (Betterwird en Hantum), vragen om fi- nanciële steun voor Antje Dijkstra: 'Zoals reeds vrij algemeen bekend is, is W.P. De Vries, hoofd der school te Nes, gem. Westdongeradeel, prov. Friesland, wegens onzedelijke handelingen met zijne leerlingen, tot twee jaren gevangenisstraf veroordeeld. Betreuren wij 't zeer, dat een bekwaam onderwijzer, die bovendien als schrijver van onderscheidene werkjes voor de schoolbibliotheek zeer gunstig bekend staat, in een onbewaakt ogenblik zijn geheele positie prijs gaf, diep medelijden gevoelen wij vooral met zijn brave vrouw, die met hare beide kinderen, knaapjes van 9 en 10 jaar, en hare hoogbejaarde moeder, daardoor eensklaps broodeloos is geworden.' De lezers van het blad wordt verzocht om financiële steun te bieden aan Antje en de kinderen. DAT IS ZOO VIES, ZOO VIES... Dat smaakte naar meer. Er was dus klaarblijkelijk in 1896 een rechtszaak geweest, gevolgd door gevangenisstraf. Met behulp van Pieter Nieuwlands 'Friezen gezocht' was het niet moeilijk om de gegevens te vinden. In Toegang 17 vond ik het rolnummer en, aan de hand daarvan, het hele proces-verbaal. Op 11 november 1896 vertelt Klaas Sipma, landbouwer en tevens lid van de plaatselijke schoolcommissie, aan veldwachter Auke Walsma: 'Wat is het weer raar met meester De Vries', [...] 'met het uitvoeren van onzedelijke handelingen in de openbare school met een meisje van Pieter Geertsma...' . Walsma begeeft zich dan naar het huis van Geertsma om de ouders te interviewen. Dochter Tjitske antwoordt dat '...meester veel meer kwaad tegen haar en de kinders in de school was dan pleizierig.' Moeder Geertsma zei niet te geloven dat meester zulke dingen met de kinders deed, '...en ik heb een heekel aan zulke dingen er is lijden genoeg in de wereld.' Walsma ondervraagt daarna een aantal kinderen die bij meester De Vries in de klas zitten en het verhaal komt los. Meester gaat naast een meisje op de schoolbank zitten en steekt dan zijn hand door de opening in haar rok of broek 'tot aan haar bloote lichaam'. De meisjes op school hebben een rijmpje gemaakt: Walsma's laatste ondervraging is met Tjitske Pieters Geertsma, die dan blozend toegeeft dat meester de Vries wel aan haar kleren zit, zijn hand in haar zakgat (een opening der rokken) steekt en haar over het blote lichaam streelt. Walsma zegt dan tegen Tjitskes moeder 'Wat zeg jou nu?', waarop ze antwoordt, zuchtend: 'Ja, dat had ik nooit gedacht'. Walsma richt zich daarna tot de burgemeester van Nes, die klaarblijkelijk niet weet wat hij hiermee moet doen (ik heb geen schriftelijke bevestiging van dit contact gevonden). De burgemeester zendt op 17 november 1896 een schrijven aan de officier van justitie in Leeuwarden, waarin hij om advies vraagt: 'Ik heb het beter geoordeeld vooraf Uw gevoelen ter zake te vragen hoe in dezen dient te worden gehandeld'. De volgende dag stuurt de officier van justitie een 'requisitoir aan den Heer Rechter-commissa- ris', belast met de instructie van Strafzaken met het verzoek 'om in deze voorlopige informatien in te winnen, door het hooren der personen in de stukken vermeld, en van alle zoodanige, als de loop van het onderzoek zal aanwijzen.' Op dezelfde dag wordt een brief gestuurd aan de heren rechters van de arrondisementsrechtbank te Leeuwarden. De onderte- kenenden verzoeken de rechters 'al die toegevendheid te willen gebruiken waarvoor de wet ruimte laat'. Hoewel zij het misdrijf niet willen goedpraten, verzoeken ze de rechters om 'het doorgaans gedrag en de geaardheid van den bedrijver van het kwaad' in aanmerking te nemen. 'Beschuldigde toch was iemand met een door en door goed hart, hulpvaardig, mededeelzaam zoover zijne zeer beperkte middelen zulks maar eenigszins toelieten; ieder die bij hem kwam om raad te vragen, stond hij gewillig ter zijde, zijne gulheid en minzaamheid waren algemeen bekend; hij was de erkende vraagbaak van het dorp en, voor elk, ook voor de aller armoedigsten had hij een goed woord over. Voegt men hierbij dat hij ontegenzeggelijk een zeer kundig en begaafd man was dan zal het U Edelachtbaren gewis niet verwonderen als ondergetekenden zijn heengaan betreuren en diep medelijden hebben met hem en zijne arme huishouding.' De brief is ondertekend door 93 personen, allen inwoners van Nes. De enige vrouwen die tekenen, zijn weduwen, de rest zijn alleen maar mannen. Het schijnt dat getrouwde vrouwen geen stem hadden. Opmerkelijk is dat de vaders van de twee meisjes waartegen de misdrijven gepleegd zijn, bij de ondertekenaars te vinden zijn. Ook collega Zijlstra tekent, maar de handtekening van Ds. Bokma de Boer ontbreekt, alsmede de handtekeningen van andere notabelen uit het dorp. GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS 17 OPENBARE LAGERE SCHOOL IN NES AAN DE HOOFDSTRAAT 6 BRON:WWW.NESDONGERADEEL ZOO VIES, ZOO VIES... Een onderwijzer W. de Vries, Die doet wat, dat is zoo vies, Hij kan een meisje met fatsoen, Niet laten zitten om iets te doen. Dat is de meester W. de Vries! Dat is zoo vies, zoo vies!
  17. 17. ONDER INVLOED VAN STERKEN DRANK Op 19 november 1896 worden de processen-verbaal van Klaas Sipma en van vijf van de leerlingen in Wytzes klas opgemaakt. Het proces-verbaal van Sipma is interessant. Hij verklaart dat 'een jaar of zes geleden' soortgelijke handelingen hebben plaats- gevonden. De toenmalige burgemeester, Jilles Klazes, was daarvan in kennis gesteld; vervolgens had de burgemeester De Vries een waarschuwing gegeven, waarna de onzedelijke handelingen stopten ( '...hoewel ik een oog in het zeil hield...' ). Nadat Sipma van zijn dochters gehoord had dat meester '...weer met Tjitske Geertsma omknoeide...' sprak hij met Geertsma en vervolgens met veldwachter Walsma, in de meening dat hij er met de burgemeester over zou spreken en in de hoop dat dan een flinke reprimande De Vries 'van het kwaad zou terughouden'. Op dezelfde dag vindt ook het verhoor van de verdachte, Wytze Petrus de Vries, plaats. Hij bekent onzedelijke handelingen ge- pleegd te hebben met Tjitske Geertsma enTjitske Dijkstra, maar niet met Riemke Sipma en ook niet met andere leerlingen. Als reden geeft hij op: 'Ik moet bekennen misbruik te maken van sterken drank, en onder den invloed daarvan heb ik ook wel mij aan de kinderen vergrepen'. Drankmisbruik tijdens schooltijd? Op dezelfde dag zendt de officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden een requisitoir naar de rechter- commissaris, belast met de instructie van strafzaken, waarin de feiten vastgesteld worden waartegen straf is bedreigd bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht. Het requisitoir stelt dat 'Overwegend dat de verdachte gevaar oplevert voor de maatschap- pelijke veiligheid en de vrees gegrond is dat de verdachte zich door de vlucht aan de nasporingen der Justitie zal onttrekken, en zich aan herhaling van misdrijf zal schuldig maken. Hierop geeft de Rechter-Commissaris een bevel tot voorlopige aanhouding verleene, met last dat deze zal worden in verzekering gebracht in het Huis van Bewaring te Leeuwarden.' Volgen, eveneens op dezelfde dag, het bevel tot voorlopige aanhouding, de verklaringen van de officier van justitie en van de rijksveldwachter te Leeuwarden en het hoofd van het Huis van Bewaring te Leeuwarden.Wytze deVries verhuist onvrijwillig naar Leeuwarden en komt, voorzover ik weet, nooit meer in Nes terug. Op 21 november wordt het Requisitoir tot Rechtsingang uitgeschreven: 'de Rechtbank verleene rechtsingang met gevange- nishouding en met verwijzing der zaak naar de terechtzitting; ambtshalve wordt een raadsman toegevoegd'. De rechtszitting vindt plaats achter gesloten deuren op woensdag 9 december 1896. De maximale straf voor dit soort misdrijven is vier jaar gevangenisstraf; hij wordt veroordeeld tot twee jaar. Opmerkelijk is dat hij met ingang van 19 november 1896 ontslagen is, dus voordat het proces plaatsvond! De straf moet worden uitgezeten in de strafgevangenis te Rotterdam. Hij wordt in december daarheen vervoerd. De plaats is op- merkelijk, aangezien er ook een strafgevangenis in Leeuwarden is.Was het beleid om gevangenen zo ver mogelijk van hun gezin op te sluiten? Voorzover ik kan beoordelen, is hij nooit in Friesland teruggekeerd. In februari 1897 wordt hij uit het bevolkings- register van Nes uitgeschreven. Opmerkelijk is dat zijn oudste zoon (mijn grootvader, Johan) op 26 april 1897 ook uitgeschreven wordt met bestemming Rotterdam. Inmiddels verhuist Antje met de jongere kinderen en haar moeder naar Amsterdam. Na zijn verblijf in de Rotterdamse strafgevangenis gaat Wytze Petrus ook naar Amsterdam. BEROEPEN VAN 1898 TOT 1935 In Amsterdam woont het gezin eerst in de Wyttenbachstraat 72, twee-hoog. Later verhuist het gezin naar de Pythagorasstraat 56. (In deze laatste straat heeft later de vermoorde Theo van Gogh gewoond). Interessant zijn de beroepsvermeldingen in verscheidene bronnen. Op de gezinskaart (Amsterdam) staat geen beroep. Vermeld wordt dat hij direct uit de strafgevangenis te Rotterdam komt. Hij was duidelijk niet langer (hoofd)onderwijzer en had waarschijnlijk geen gele- genheid gehad om een ander beroep aan te nemen. In de huwelijksactes van zijn zonen zien we het vol- gende: in 1902 (Hidde Tjalling): journalist; in 1905 (Karel): corrector; in 1906 (mijn grootvader, Johan): onderwijzer (?); in 1911 (Jacob): kantoorbediende, en in 1912 (Sjoerd Jan): schrijver. Het onderwijzerschap – genoemd in de huwelijks- acte van mijn grootouders – is een mysterie. Op- merkelijk is ook dat Wytze Petrus niet aanwezig was bij dat huwelijk. Ik heb het vermoeden dat er ergens iets niet goed zat tussen vader en oudste zoon. Een ander feit dat hierop wijst is de vernoeming van mijn vader. Hij had volgens de traditie naar zijn grootvader Wytze Petrus genoemd moeten worden, maar hij is vernoemd naar de grootvader aan moe- ders kant, Willem Versteegh. Pas toen mijn tante Wiets geboren werd in april 1912, vond er een vernoeming naar Wytze Petrus plaats: haar voornamen waren Wytske Petronella. Kort na zijn ontslag uit de gevangenis te Rotterdam hervat Wytze Petrus de Vries zijn schrijversactiviteiten. 18 GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENISBRON:BEELDBANKSTADSARCHIEFAMSTERDAM DE PYTHAGORASSTRAAT IN AMSTERDAM
  18. 18. BOEKENLIJST VAN W.P. DE VRIES Een korte opsomming (waarschijnlijk niet helemaal compleet): 1899 e.v. Jan Starter – een novelle in 'Sjlucht en Rjucht'. (waarschijnlijk gepubliceerd als een soort feuilleton) 1900 Ho't in skepersjonge mei de dochter fen in kening troude, út it Fransk neiforteld', uit 'Forjit my net' 1902 Robinson Crusoe (Amsterdam: Uitgeversmaatschappij Vivat) 1902 In bistjursgearkomst (Leeuwarden: Van der Velde) 1902 Onder Spanjaarden en Mooren: uit het leven van Francois Arago (Amsterdam: Uitgeversmaatschappij Vivat) 1903 Dache, de barbier der Zouaven (Amsterdam: Uitgeversmaatschappij Vivat) 1903 Francisco Pizarro: de veroveraar van Peru (Uitgeverij Schoonhoven) 1903* Pierre Grisart: een verhaal uit 1815 (Alkmaar: Kluitman) 1904 Moskou en Waterloo (Kolonel Cardignac - bewerkt uit het Frans) (Amsterdam: Uitgeversmaatschappij Vivat) 1904 Onder de Vaandels van Napoleon (JeanTapin - bew. uit het Frans) (Amsterdam: Uitgeversmaatschappij Vivat) 1908 Friesche Letterkunde, in: 'De Katholiek' 1909 Middenstands-credietbanken. Een pleidooi voor de oprichting van credietbanken voor en door den middenstand (Rotterdam: Willemsen en Co.) 1910* Het Schatteneiland (bewerkt uit het Engels) (Amsterdam: Uitgeversmaatschappij Vivat) 1911 De kapitein van Murat (Alkmaar: Kluitman) 1915 De heropening der beurs : de prolongatie-puzzle: een oplossing van het probleem in het algemeen belang (Rotterdam: Willemsen en Co.) 1915* De duikboot en haar rol in den Europeschen oorlog (Amsterdam: Gebr. Graauw) 1919* Om en op de Uilenberg (Alkmaar: Kluitman) 1919 Wie wil, die kan (Alkmaar: Kluitman) 1919 Een jongensleven (Alkmaar: Kluitman) 1940 Boedak kapal (Amsterdam: Gebr. Graauw) 1940 Hikajat Midan, orang Dajak (Amsterdam: Gebr. Graauw) De laatste twee boeken blijken vertalingen te zijn van eerder geschreven en gepubliceerde Nederlandse boeken: De Kajuitsjongen van Kapitein Cartier (Amsterdam: Uitgeversmaatschappij Vivat, 1903) Midan de Dajak: Een oorspronkelijk verhaal uit de binnenlanden van Borneo (Amsterdam: Uitgeversmij. Vivat, 1903) Opmerkelijk is dat er na 1919 geen originele publicaties meer zijn, terwijl Wytze Petrus de Vries pas overlijdt in Amsterdam op 17 februari 1935. Hij is begraven op de Oosterbegraafplaats in Amsterdam. ÚS MEM EN ÚS HEIT Een interessant genealogisch gegeven overkwam mij op dit punt van mijn speurtocht. In het begin van mijn avonturen maakte ik vaak gebruik van een aantal artikelen over Nederlandse genealogie, geschreven voor Noord-Amerikanen (de website www. godutch.com). In een van deze artikelen, 'Family names Grotemut and Snoap have many things in common', vertelde de schrijver dat de redactie van 'The Windmill' een boekje ter recensie had ontvangen getiteld 'Van Friesche Afkomst: Namen op begraaf- plaatsen buiten Friesland'. Op de voorpagina van dit boekje staat een afbeelding van een grafsteen, waarop de geboorte- en overlijdensdata vermeld zijn van de begravenen (onder de steen) zonder vermelding van namen. Er staat alleen op: 'Ús Mem en Ús Heit'. Het blijkt dat die mem en heit Antje Dijkstra en Wytse (sic) Petrus de Vries zijn. CONCLUSIE Hoewel ik Wytze Petrus de Vries niet gekend heb, (ik ben geboren in 1938, drie jaar na zijn overlijden), heeft mijn genealogische speurtocht me veel ge- leerd over deze man. Bovendien heb ik geleerd dat je de verhalen die over voorouders verteld worden niet altijd kunt geloven. Van de feiten die ik 'kende' toen ik mijn genealogisch werk begon, was waarschijnlijk ongeveer de helft correct. Bovendien ontbraken in de verhalen de saillante de- tailsoverzijnwangedragmetminderjarigemeisjesen de consequenties van dat gedrag. Als kleine jongen vroeg ik me nooit of hoe het kwam dat iemand van onderwijzer in een klein Fries dorp in Amsterdam te- recht kwam en niet meer onderwees, (maar wel voor een uitgeverij werkte) en niemand vond het het klaar- blijkelijk nodig om dat vrijwillig aan mij uit te leggen. * De boeken die hierboven gemarkeerd zijn met een asterisk heb ik in mijn bezit. Als er onder de lezers van dit blad misschien mensen zijn die een of meer van de (mij nog) ontbrekende titels bezitten en wat ruimte willen scheppen in hun boekenkast, zou ik die graag van hen overnemen. 19 GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS DE AUTEUR BIJ DE OPENBARE LAGERE SCHOOL IN NES IN 2010 BRON:JOHNDEVRIES
  19. 19. 20 JAN ZWAAIT AF VELDPOSTUITWOI VELDPOST VAN JAN BOUTA 'T NIEUWE JAAR Hetjaar1918 begintvoorsoldaatJanBoutainNoord- Brabant. Na een tijd in Breda is hij nu in Wouw, op weg naar Roosendaal. 1 januari 1918 Wouw: 'Zeer geliefde ouders. Door deze laat ik u weten als dat ik nog goed gezond ben en hoop van u hetzelfde. 't Nieuwe jaar zijn we weer ingegaan. Wat dat weer eens mee zal brengen, wij zul- len maar hopen van 't best en dat het vrede zal bren- gen. Nu ouders het gaat u maar goed hoor! Gegroet van uwen zoon Jan.' In Roosendaal blijven ze een week. Jammer voor Jan dat ze weer verder moeten, want hij schrijft drie keer dat het hem daar nogal bevalt. 11 januari 1918 Roosendaal: 'Ik heb het hier al aardig naar den zin. Misschien gaan we hier spoedig weer vandaan.' 5 februari 1918 Bergen op Zoom: 'Wij zijn al op reis naar Middelburg, 4 dagen onderweg. Maar dat is niet zoo erg als we maar zulk weer hebben. U schrijft nu later maar naar Middelburg hoor.' 5 maart 1918 Middelburg: 'Uwe briefkaart ontvangen en dat u mij zondag thuis verwacht, maar dan moet het hard veranderen hoor.' 23 maart 1918 Vrouwepolder: 'Volgende week zal het weer dienstkloppen worden. Hier is een kiekje van ons tegenwoordige woonplaats, maar het is niet veel moois. Voor ons interessant, dat bijna alle vrouwen én ook jonge meisjes in klederdracht zijn.' Dit is de laatste kaart die in mijn bezit is, die hij met militaire post naar huis stuurt. AGENT VAN POLITIE Op 27 april 1918 vraagt hij een uittreksel van het bevolkingsregister in Ternaard aan. Daarin staat nog als beroep 'landarbeider', wat door iemand later is uitgegumd. Zijn vrouw verdoezelde graag het feit dat Jan dat ooit geweest was. Hij gaat een politie-opleiding volgen, terwijl hij nog soldaat is. Op 29 juni 1918 staat in de krant 'Benoemd tot agent van politie te Leiden J.Bouta te Nes (W.D.), thans gemobiliseerd.' . Op 25 juli 1918 vertrekt Jan naar Leiden. Datum onbekend 1918 Leiden: 'Dat gebouw waarop die toren staat dat is de academie. Daar zijn de studenten op die voor dokter leeren en alzoo geleerde mannen. Die brug daar ben ik al vaak over geloopen, daar kunt ge de ouderwetschheid van deze stad wel aan zien. Het is een vaste steenen brug en die zijn er hier zoo veel. Nu ouders het beste maar hoor en zachtjes aan met werken. Wees nu hartelijk gegroet van uwe liefhebbende zoon Jan Bouta.' Op welke datum Jan werkelijk is afgezwaaid, is niet bekend. In de volgende en laatste aflevering van deze serie een kort overzicht hoe het verder ging met Jan. wordt vervolgd door HILDA BOUTA hildabouta@hetnet.nl 1915 - 1918 POLITIEACADEMIE IN LEIDEN Zoals wij nu contact onderhouden via Skype, e-mail of telefoon, zo stuurde Jan Minnes Bouta tijdens zijn mobilisatie 100 jaar geleden steeds trouw beschreven ansichtkaarten naar huis, die een mooi beeld geven van een Friese jongen die in de Eerste Wereldoorlog ver van huis gestuurd werd. Veldpost van Jan Bouta uit de periode 1915 - 1918. FOTO’S:COLLECTIEGERRITDEJONGHILDABOUTA POSERENDE BURGERS & MILITAIREN IN VROUWEPOLDER
  20. 20. MORRA De kleuren van het wapen zijn gebaseerd op het familiewapen Heemstra (in blauw een gouden adelaar, waarbij de kleuren voor het dorpswapen zijn omgekeerd (blauw op goud). De familie Heemstra had hier een state die aan de Hearewei ten westen van het dorp stond. Ook de adelaarskop is ontleend aan het familiewapen, maar wijst tevens naar Sint Johannes de Evangelist als kerkpatroon van de dorpskerk, die als symbool de adelaar heeft of soms ook als adelaar wordt afgebeeld. De blauwe paal in het wapen staat voor de weg van Dokkum naar Lauwers- oog. In de kerk van Morra bevindt zich het oudste orgel van Dongeradeel. Als verwijzing hiernaar is op de paal een orgelpijp afgebeeld. De bot (vis) komt uit het familiewapen Botma, zoals o.a. te vinden in de wapens van Gerrit Sakes Botma, op de orgelbalustrade (in foutieve kleuren) en Gabe Wygers Botma op een bank beide in de kerk van Morra. Ook deze familie had hier een state (Buttema, Bottema, Botmastate). Het terrein van deze state is te vinden aan de Achterwei 2. De vlag heeft weer de schuindeling van Oostdongeradeel gekregen in geel en blauw, met in het geel de adelaarskop uit het wapen Heemstra. NES Nes heeft een bijzonder figuur in het wapen gekregen, dat gebaseerd is op een al even bijzonder 'ûleboerd' met zeepaardjes in plaats van zwanen. Een van deze zeepaardjes van dat bord heeft een plaats gekregen in de heraldische rechterhelft van het wapen in de kleuren van Oostergo (zilver op rood). De kleuren goud en blauw van het linker schilddeel zijn twee van de kleuren uit het gemeentewapen van Dongeradeel, namelijk dat van het veld (blauw) en de sterren (goud). De aren staan voor de landbouw in deze omgeving en heb- ben dezelfde plaatsing gekregen als de sterren in het gemeentewapen 2 en 1. Omdat Nes vlakbij de voormalige grens ligt tussen Oost- en West- dongeradeel en deze grens zo goed als van noord naar zuid loopt en om het figuur van het 'ûleboerd' een ver- antwoorde stand te geven, is gekozen voor een verticale deling van het schild. De vlag heeft de schuindeling van Westdongeradeel gekregen, maar hierbij is op artistieke wijze gebruik gemaakt van de tulpvormen, die in de zeepaardjes van het 'ûleboerd' zijn verwerkt. 21 HERALDIEK DE DORPSWAPENS VAN door RUDOLF J. BROERSMA tekenaar Fryske Rie foar Heraldyk MORRA & NES NES MORRA ÛLEBOERD
  21. 21. 4. VLUCHTELINGEN UIT ARNHEM EN OMGEVING(1) ‘De wegen bij Apeldoorn boden vorige week een triest beeld. Waar anders vacantiegangers mooie tochten maken, sjokten toen boerenwagens met vluchtelingen. Kouwelijk, ineengedoken, zaten zij tussen hun bagage. Velen hadden witte doeken om het hoofd ten teeken, dat zij vluchtelin- gen waren. De meeste wagens waren bedekt met een Roode Kruis vlag. Honderden en nog eens honderden trokken zoo voorbij. De Luchtbescher- mingsdienst heeft wel een zeer groot aandeel in dit menschenvervoer uit het geëvacueerde Arnhem. De Arnhemsche weg tusschen Arnhem en Apeldoorn was vrijwel door- loopend bevolkt met soms duizenden vluchtelingen. Halverwege konden velen een plaatsje krijgen op van Apeldoorn gezonden boerenwagens en driewielers. Gelukkig waren zij, die nog een fiets ter beschikking hadden. Velen moesten echter lopen...’ ( DeNoordoosthoek,Dokkum-editie8oktober1944 ) In Dokkum kwamen de eerste berichten over de gevechten rond Arn- hem en de gevolgen daarvan voor de bevolking pas drie weken later in de krant. Het zou nog eens vier weken duren voor de Dokkumers de vluchtelingen in levende lijve zouden zien aankomen. OPERATIE MARKET GARDEN: EEN BRUG TE VER (1) Na de geallieerde landingen op de stranden van Normandië op 6 juni 1944, D-Day, volgde na de eerste verrassing een taaie strijd met de Duitse Pantzerdivisionen, die pas met de doorbraak op 31 juli bij Caen en Avranches een succes werd. Maar toen ging het ook snel: Parijs werd op 25 augustus bevrijd, Brussel op 3 september en Antwerpen een dag later. In Nederland reken- de men door: op 5 september Rotterdam en 6 september Amsterdam en dan was het gauw gedaan met de Duitsers in ons land: optimisme alom, zeker toen het (valse) bericht doorkwam dat Breda was bevrijd. Het gevolg was Dolle Dinsdag: Nederlanders die vlaggen en oranje vaandels tevoorschijn haalden, paniek onder de Duitsers, die administratie vernietigden en vluchtende NSB’ers; velen van hen verbleven enige tijd op de Lüneburger Heide! In werkelijkheid ging het niet zo snel, omdat de geallieerden te kampen hadden met lange aanvoerlijnen. Toch gaf de (te?) op- timistische Britse generaal Montgomery de opdracht om het door hem bedachte plan Market-Garden uit te voeren: luchtlan- dingen bij liefst negen belangrijke bruggen, die bruggen in handen krijgen, waarna het Britse 30ste Legerkorps in drie dagen door zou kunnen stoten naar Arnhem. Helaas ging daarbij veel fout, de smalle wegen hinderden de snelle opmars, tanks zakten door de slappe grond en vernielden die wegen, fanatiek weerstand biedende Duitsers; dat alles hinderde de geplande en noodzakelijke snelle opmars. Ook bij de luchtlandingen op 17 september nabij Arnhem werden fatale fouten gemaakt: de landingsplaats was te ver van de bruggen af, ze werden verspreid over drie dagen uitgevoerd en de leidinggevende Urquhart was een hele dag weg, omdat hij, toen hij persoonlijk de situatie ging verkennen, door de Duitsers werd ingesloten. Bovendien was er in de omgeving van Arnhem een (uitrustende) Duitse tankdivisie aanwezig, waarvoor door het verzet al was gewaarschuwd: dat verzet werd door de Britten gewantrouwd. Na een felle strijd met duizenden slachtoffers aan beide kanten moesten de overgebleven geallieerde troepen zich op 26 september in wankele roeibootjes terugtrekken over de rivier de Rijn. Ongeveer 2500 man lukte dat. 22 VERWOESTINGEN IN ARNHEM MET OP ACHTERGROND RESTANTEN VAN DE EUSEBIUSTOREN HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS IN OOSTDONGERADEEL (2) VLUCHTELINGEN 1940 - 1945 door DOEDE DOUMA & doededouma@gmail.com REINDER TOLSMA r.tolsma01@knid.nl BRON:ARNHEM'44'45 INLEIDING Momenteel zijn er wereldwijd zo’n 65 miljoen mensen op de vlucht voor oorlogssituaties; alleen al in 2015 kwamen er in ons eigen land ongeveer 60.000 vluchtelingen binnen. Het werpt de vraag op hoe het was met de vluchtelingen die tijdens deTweedeWereldoorlog in onze eigen omgeving onderdak zochten: Hoe was hun opvang geregeld? Hoeveel kwamen er? Waren ze welkom? Hoe lang bleven ze hier? In een viertal artikelen wordt geprobeerd een antwoord op deze vragen te geven. Het onderzoek werd beperkt tot de voormalige ge- meente Oostdongeradeel, maar Dokkum zal als opvangcentrum ook vaak aan bod komen. BRON:NOOITVERGETEN/UITGAVEHETVRIJEVOLK1946
  22. 22. 23 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS tijd van de wereldoorlogen WAT MERKTE DE BURGERBEVOLKING DAARVAN?(2) In het begin was er natuurlijk het enthousiasme van de aanstaande be- vrijding, kennismaking met Engelse soldaten die richting de brug over de Rijn liepen. Daarna werd de toestand chaotisch: het ene moment liepen er Engelse soldaten door de straat, later konden dat weer Duitse zijn. Toen de Duitsers zich van de eerste schrik herstelden, begonnen de beschietingen over en weer en moest de bevolking dekking zoeken. Wie geluk had, beschikte over een (schuil)kelder. Anderen groeven een smalle schuilplaats in de tuin, afgedekt met alles wat beschikbaar was. Zo nu en dan, als het even rustig was, kon er eten en drinken uit huis worden gehaald. Voor kinderen was deze situatie helemaal verwarrend. Bep Dikker, die later in Lioessens terechtkwam, herinnert het zich nog goed: ‘Ik was een klein, zesjarig meisje en ik begreep het niet allemaal. Het schieten op straat was heel bedreigend. En ik werd echt héél bang toen ik hoorde dat een buurjongetje was doodgeschoten, alleen maar omdat hij voor het raam had staan kijken.’ (2) Laura Venster, later in Morra, had dezelfde ervaringen: ‘Door het soms angstaanjagend lawaai van laag vliegende vliegtuigen, die met hun mi- trailleurs schoten en harde knallen van het luchtafweergeschut, zochten we beschutting in het binnenste van ons huis i.c. de alkoof. Waar mijn moe- der van een schilderijtje maar steeds een gedichtje (gebedje) oplas om ons kalmtehouden.Erwerdookveelde'oefeningvan berouw'enderozenkrans gebeden, zoals de katholieke traditie voorschrijft als er doodsgevaar dreigt. Ik huilde inmiddels tranen met tuiten want ik vond het niet leuk meer. Maar ik was de jongste en mocht op mijn moeders schoot zitten en dan zei ik maar steeds: 'Moeke moet het gebedje weer opzeggen' en dat deed ze dan maar weer. Die avond werden de matrassen van de kinderen van de slaapkamers op zolder, naar beneden gebracht en sliepen we met zijn allen in de alkoof op de grond met de kleren aan, alleen de schoenen waren uit.’ Bombardementen op Duitse stellingen door de geallieerde luchtmacht en de strijd van Duitse jachtvliegtuigen daartegen zorg- den voor grote verwoestingen in het centrum van Arnhem. Voor de burgerbevolking werd de toestand na een week verwoede gevechten vrijwel onhoudbaar en de eerste vluchtelingen zochten zich een veilig heenkomen. Wie het uiteindelijke bevel gaf om de stad te ontruimen is onbekend gebleven. Naar het schijnt heeft een Duitse motorordonnans dat bericht mondeling doorgegeven aan de evacuatiecommissie. Zeker is dat in het weekeinde van 23 september de burgerbe- volking de opdracht kreeg om de stad te verlaten: op zondag 24 september de bewoners ten zuiden van de spoorlijn en op maandag 25 september de bewoners ten noorden van de spoorlijn. Daarmee was bepaald dat zo’n 90.000 Arnhemmers op weg moesten! Later zijn nog eens 40.000 andere bewoners van de streek, bijvoorbeeld uitTiel, gedwongen om hun huizen te verlaten. WAARHEEN?(3) De meesten gingen richting Apeldoorn; de andere aangewezen richting was Ede. Dat was echter onmogelijk, want daar werd nog gevochten. Wie familie in de buurt had, probeerde daar te komen om later te ontdekken dat ook daar vandaan verder getrokken moest worden. Enkele gezinnen groeven een eigen onderkomen in de bossen. Een groep van zo’n 600 personen zocht onderdak in de gebouwen van het Openlucht Museum. De familie Boekhout van Solinge, later kwamen zij in Engwierum terecht, kreeg daar een plaatsje in het Zaanse dorp. Jongste zoon Ad, hij was nog maar drie jaar, sliep er met zijn broer Hans in een bedstee. Zijn moeder werd er vereeuwigd toen zij de was deed. De vluchtelingen hadden het er aanvankelijk betrekkelijk goed; er was genoeg aanvoer van voedsel. Voor de voedselbereiding was een gemeenschappelijke kookplaats beschikbaar. Dat ging goed tot de Duit- sers begin november tot de ontruiming bevolen. Slechts de directeur en een paar werklui mochten achterblijven om de boel draaiende te houden en beginnende brandjes door beschietingen en neerstortende V-1’s te blussen. Adri van Niekerk woonde in de Meinerswijkse polder, ten zuiden van de rivier de Rijn en moest – nadat ze met haar familie eerst een tijdje in de steenoven van Elden (met hele dikke muren) had gewoond – ook vertrekken van de Duitsers: ‘Mijn vader had een kruiwagen met een luchtband van de steenoven meegenomen, volgeladen met de hoognodige kleding en wat voedsel. Vooral rookvlees dat mijn vader in de maanden daarvoor had gedroogd en gerookt. We werden naar de kerk in Arnhem- zuid gebracht. Tegen de avond zijn we lopend teruggebracht naar de steenfabriek Meinerswijk. Daar was ook een kabelveer van de Duitsers. Dit veer had een veel grotere boot dan het veer bij ons. Daar moesten we de Rijn over; we kwamen in Arnhem Onderlangs en werden door de stad, die kompleet een spookstad was met overal doden en verwoeste voertuigen, naar een school in Velp ge- bracht. Daar brachten we de eerste nacht door.’ (3) VLUCHTELINGEN IN OPENLUCHTMUSEUM ARNHEM RECHTS JOHANNA BOEKHOUT VAN SOLINGESAMPLONIUS BRON:ARNHEM'44'45
  23. 23. OOGGETUIGE LAURA VENSTER De mannelijke vluchtelingen tussen de 16 en 55 jaar liepen onderweg het risico dat ze werden aangehouden bij de‘fuiken’die de Duitsers had- den ingericht. Ze werden zonder pardon ingerekend om te werken bij de Arbeidseinsatz, hetgeen meestal betekende het graven van verdedigings- werken. Dat je evacué was of ‘onmisbaar’ in Arnhem maakte geen enkele indruk. Een ander gevaar dreigde vanuit de lucht door de beschietingen door geallieerde vliegtuigen, ook al waren de evacués te herkennen aan Rode Kruis-vlaggen. Dat ondervond ook Laura Venster: ‘Toen we de hoek omgingen bij de Apeldoornseweg hoorden we weer vliegtuigen en begon het afweergeschut dat bij het kleine weitje stond (aan het begin van Sonsbeek) op die vliegtuigen te schieten. Ik werd zo bang dat ik juffrouw van Poorten meetrok een poortje in tussen de grote huizen aan de Apeldoornseweg. Mijn moeder kwam achter ons aan en zei dat we gewoon door moesten lopen. Anders zou je elkaar misschien nog kwijtraken, want er liepen zoveel mensen op de Apeldoornseweg. Daar zagen we ook voor het eerst Engelse militairen, een groepje krijgsgevange- nen onder Duitse bewaking.’ Omdat de meeste vluchtelingen richting Apeldoorn gingen, raakte die stad overvol en werden er zoveel mogelijk mensen naar andere plaat- sen in de buurt gestuurd. Immers, nog steeds bestond de indruk dat het niet al te lang zou duren voor iedereen weer terug mocht keren. Lang- zamerhand raakte de hele Veluwe vol met vluchtelingen en werd door het BAB (Bureau Afvoer Burgerbevolking) uitgekeken naar opvangplaat- sen verder weg, daar er voorlopig van terugkeer geen sprake kon zijn. Op 4 november werd zelfs aangekondigd dat het verboden was om naar Arnhem terug te keren. Wie zonder toestemming in een particulier huis werd aangetroffen, zou veroordeeld worden als plunderaar en aan het bericht werd toegevoegd: 'Op plundering staat de doodstraf!' Al die tijd verbleef Laura Venster in een papierfabriek, waar zij ook haar zesde verjaardag‘vierde’: ‘Wat de opdracht naar mijn ouders toe is ge-we- est weet ik niet. Ik herinner me niet dat er route-instructies waren, alleen geruchten. Omdat het bij het verlaten van de stad een aaneengesloten co- lonne was, had ook niemand de neiging een eigen bestemming te zoeken. Pas in de buurt van Apeldoorn werd de stoet opgedeeld en in de richting van dorpen (Loenen, Eerbeek, Beekbergen) gedirigeerd. Want achteraf is iedereen een beetje zijn eigen weg gegaan. Wij kwamen ’s avonds aan in Eerbeek in een papierfabriek. Hoe en door wie het daar allemaal was ge- organiseerd weet ik dus niet. We sliepen gewoon op stro. We hebben daar zeven weken gezeten.’ 24 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS VLUCHTELINGEN VERLATEN DE STAD LAURA LINKS EN MARGA VENSTER IN 1943, EEN JAAR VOOR HUN EVACUATIE NAAR MORRA BRON:ARNHEM'44'45BRON:COLLECTIEMARGAVANDENBERGVENSTER NAAR FRIESLAND(4) Op 31 oktober 1944 roept de CAB (Commissaris Afvoer Burgerbevolking) in Friesland Mr. Binnert Ph. baron van Harinxma thoe Slooten vertegenwoordigers van de veertien noordelijkste gemeenten in de provincie naar Leeuwarden om te overleggen over de ontstane situatie. Hij deelt mee dat er een 12.000 vluchtelingen uit Nijmegen, de Betuwe en misschien Limburg in Gelderland zijn, die naar het noorden moeten worden afgevoerd, omdat zich ook nog eens 15.000 vluchtelingen op de Veluwe bevinden, die vanwege de verwachte oorlogshandelingen eveneens een veilige plek moeten hebben. De eerste vluchtelingen zullen moeten worden ondergebracht in de noordelijke gemeenten, waardoor het zuiden van Friesland beschikbaar blijft voor de te verwachten evacuaties van nog grotere omvang. ‘De inkwartiering dient te geschieden bij particulieren. Noodgedwongen zal hier en daar het kwartier wel minder geriefelijk zijn. De evacué’s moeten geheel te voet de reis naar Friesland afleggen. De zieken en zij, die de tocht niet kunnen volbrengen, blijven in de diverse te passeeren gemeenten achter. Toch moet er op gerekend worden dat er zieken aankomen, daarom voorloopig nood- ziekenhuis inrichten. Het noodziekenhuis van de luchtbescherming kan dienst doen.’ De CAB legt uit hoe de gang van zaken gedacht is. Omdat de mensen lopend niet meer dan 20-25 km per dag zullen kun- nen afleggen, moet er zoveel mogelijk gezorgd worden voor vervoer. Voor Friesland betekent dit, dat boeren uit Wolvega de vluchtelingen uit Steenwijk halen. Na de warme maaltijd worden worden ze opghehaald door boeren uit Heerenveen. Daar kunnen ze overnachten. De volgende dag gaat het op dezelfde manier van Heerenveen via Akkrum naar Irnsum, waar weer overnacht wordt. De daaropvolgende dag worden ze via Wijtgaard naar Leeuwarden gebracht, waar ze misschien in het Beursgebouw en in scholen kunnen overnachten. Deze werkwijze is ook zo in de praktijk uitgevoerd, zoals uit de verhalen van de evacués naar voren komt.
  24. 24. LauraVenster: ‘Dat systeem bestond eruit dat dorpsbewoners, die beschik- ten over paard en wagen gevorderd werden om evacués en hun bagage een dagreis verder te transporteren. De tussenliggende plaatsen zorgden dan voor slaapplaatsen, voeding en het volgende dagtransport. Ik herin- ner me tussenstops in Zwolle, Steenwijk, Heerenveen en Leeuwarden. [...] We hebben onderweg ook van alles meegemaakt. We hebben in een pro- testants kerkje geslapen op de banken. Eerst kregen we daar wittebrood met warme melk. Dat hadden we al lang niet meer gehad. Mijn oudste zus vond het zo lekker dat ze zei tegen mijn moeder, ik zou nog wel meer lusten. Nou, zei mijn moeder, ga maar een paar banken naar voren zitten. Dat deed ze en toen ze daar langs kwamen kreeg ze dus nog een keer witte brood en melk. [...] We hebben ook nog geslapen bij een man in Staphorst die een winkeltje had met band en garen. We hebben daar geloof ik met zijn vieren in een bed geslapen. Mijn moeder met de meisjes en mijn vader was met de jongens bij iemand anders.’ OOGGETUIGE ADRIE VAN NIEKERK & BEP DIKKER Op de meeste jongeren die deze reis meemaakten, heeft alles een onuit- wisbare indruk nagelaten. Adrie van Niekerk vond het in ieder geval erg spannend: ‘Een paar belevenissen zijn me van die tocht bijgebleven. Zo kwamen we in Wolvega. Het was avond. In een barak stonden borden op lange tafels en we zouden eten krijgen. Eerst kregen we een stukje worst op het bord. We dachten aan stamppot, boerenkool of zuurkool, maar het werd heel wat anders, namelijk pap. Het is bij ons thuis nog lang gebleven: ‘Wat eten we vandaag?’ met als antwoord: ‘pap met worst’. Ook is mij bij- gebleven dat we ergens hutspot kregen, in papieren bekers, maar er was geen bestek. Dat was geen probleem als je honger had. Mijn broer had een zakmes en stond daarmee te eten, met als gevolg een grote snee in zijn lip. Het oponthoud in een school in Leeuwarden zal ik ook niet gauw vergeten. Daar werden we ontsmet en gewassen. Achteraf denk ik dat dat wel nodig was. In de weken daarvoor hadden we ons niet vaak kunnen wassen we- gens gebrek aan tijd, water en zeep.’ (3) Bep Dikker: ‘Aan de tocht heb ik nog een vage herinnering. Een lange stoet van boerenwagens, vol met mensen. Ze werden beschoten door vliegtui- gen, ondanks het feit dat ze witte vlaggen droegen. Er vielen doden en gewonden; er werd geschreeuwd en gehuild. Eén overnachting kan ik me nog goed herinneren. Dat was in een klooster, waar de vaders en de moe- ders van de kinderen gescheiden werden, zodat ze eens lekker door konden slapen. Maar het is heel gek, en ook best een beetje eng, om ’s nachts door een weliswaar lief nonnetje op de pot gezet te worden.’ 25 HET RODE KRUIS LANGS DE EVACUATIEROUTES BRON:ARNHEM'44'45 KOKEN IN OPEN LUCHT IN OPENLUCHTMUSEUM EEN ENVELOP MET INHOUD Een bijzondere reis naar Friesland maakte Henricus L.M. Angeneind, (geboren 1926), mee. Het hele gezin met vader, moeder, vier kinderen en een zoontje van de oudste dochter vluchtte met een hele lange rij anderen grotendeels lopende van Arnhem naar Apeldoorn. Daar werden ze ondergebracht bij particulieren waar ze een maand verbleven. Daarna gingen ze verder richting Zwolle. Onderweg werden ze meerdere keren beschoten door geallieerde vliegtuigen, omdat het bekend was dat ook Duitsers zich tussen de vluchtelingen verscholen. Bij zo’n beschieting werd zijn moeder, Johanna Angeneind-Jansen, geraakt; zij moest een gedeelte van haar voet missen. Ze werd op een platte wagen naar het ziekenhuis in Zwolle gebracht waar ze werd geoper- eerd en daarna verpleegd. Intussen reisde de rest van het gezin verder en werd vanaf 12 november opgevangen in Lioessens op meerdere adressen. Op 19 december voegde moeder Johanna zich weer bij het gezin. Daar was Henricus intussen niet meer want bij het uitpakken van de spullen in Lioessens bleek dat ze iets heel belangrijks waren vergeten: een envelop met inhoud! Hij is lopende en liftende weer naar Arnhem gegaan, reed zelfs een stukje mee in het zijspan van een Duitser en kwam – illegaal, want vanaf 4 november was het streng verboden de stad binnen te gaan – behouden bij hun woning aan. Daar werd de envelop wonder boven wonder – want de Duitsers waren intussen aan het plunderen geslagen in e verlaten stad – teruggevonden op dezelfde plaats waar hij was verstopt. Toen Henricus Arnhem wilde verlaten, werd hij toch nog opgepakt door een patrouille en vastgezet in een school waar hij samen met andere‘illegalen’aardappelen moest schillen. Later moest hij mee naar de Betuwe waar hij moest graven bij de aanleg van tankgrachten en versterkingen. Hij wist te ontsnappen en is lopend over de Ginkelse heide en ook liftend naar Nijkerk geraakt, waar kennissen van de familie woonden. Hij is daar weer wat bijgekomen en voor zijn vertrek terug naar het noorden werd hem gips om een voet gedaan, zodat het leek of hij gewond was. Zo wankelend, lopend en liftend is hij zonder problemen (wat heet!) in het hoge noorden teruggekeerd. Hij werd daar na deze gedenkwaardige tocht pas op 21 februari 1945 ingeschreven! BRON:ARNHEM'44'45
  25. 25. VAN LEEUWARDEN NAAR DOKKUM De CAB bestemt het eerste transport van 1000 per- sonen voor Oostdongeradeel. De reis gaat via Bir- daard, waar warm eten moet worden geregeld, en Dokkum waar overnacht moet worden. De volgende dag moeten de mensen naar de dorpen worden ge- bracht, waarbij als vervoermiddel paard en wagen kan dienen, eventueel gevorderd van de boeren. In de praktijk gaat het – zoals zo vaak – net even iets anders en moet er heel wat meer geregeld worden! In de eerste plaats moet er een comité van ontvangst komen. Dat lost burgemeester Albert Jonker op door tandarts Klaas Postma te vragen de leiding op zich te nemen. Deze stemt toe op voorwaarde dat Cornelis Mulder van de secretarie als ambtenaar/schrijver aan de commissie wordt toegevoegd. De volgende brief wordt opgesteld: ‘Dokkum, 1 November 1944 Binnen zeer korten tijd moeten 500 evacué’s uit de zuidelijke provincies van ons land, in Dockum worden ondergebracht. Voor de organisatie van deze evacu- atie zal een commissie worden ingesteld, waarin U wordt uitgenoodigd zitting te willen nemen. Voor de bespreking van een en ander zal morgenmid- dag om drie uur (Donderdag) een vergadering wor- den gehouden ten gemeentehuize (Kleine raadzaal). Ik verzoek u beleefd dan aanwezig te zijn.’ Deze brief wordt bij zeven Dokkumer notabelen ge- bracht, die allemaal het verzoek om zitting te nemen in de commissie aannemen, zodat de commissie er als volgt uit ziet (6) : Klaas Postma, tandarts, voorzitter, Johannes Demes, winkelier, verzorgt de voeding, Jan Oosten, drank- en wijnhandelaar, zorgt voor onderdak, Bote Jacob Faber, boekhouder, ‘geestelijk verzorger’, Jan van der Woude, deurwaarder, zorgt voor de rust, Cornelis Sipkes, huisarts, regelt ziekenzorg, Tjeerd Tilkema, schilder, commissielid, (?) Wouda, man van de boot, Jantinus Offereins, gemeentearchitect, en Cornelis Mulder, ambtshalve toegevoegd. Op die vergadering van 2 november wordt van alles besproken en nog dezelfde dag gaat er een brief uit naar de eigenaren / besturen van tien verschillende scholen, het Gebouw Christelijke Belangen en het Noorderkwartier: ‘In dit verband verzoek ik U beleefd het hiernagenoemde gebouw voor dit doel beschikbaar te stellen. De lokalen moeten uiterlijk Maandagavond 6 November a.s. geheel ontruimd zijn.’ De contacten gaan verder via Jan Oosten die ook een sleutel van het gebouw nodig heeft. Twee dagen later, op 8 november 1944, komt het eerste transport, groot 253 personen, in Dokkum aan. Deze groep heeft als eindbestemming het dorp Anjum in Oostdongeradeel. De mensen worden ondergebracht in schoolgebouwen, waar zij te eten krijgen, geregistreerd worden en een nacht in het stro kunnen slapen. De volgende dag is er brood als ontbijt en worden ze met boerenwagens opgehaald en naar hun eindbestemming gebracht. ONDERWERP VAN GESPREK Het staat er zo koel, maar natuurlijk is de komst van de evacués het gesprek van de dag. Klazina van Dijk, schooljuffrouw aan de christelijke school in Metslawier, maar wonend in Dokkum, getuigt ervan in haar dagboek: ‘De laatste dagen is hier onderwerp van gesprek: de evacués. Ja, er zijn al honderden hier in Dokkum aangekomen, gisteren zelfs meer dan 500. Ze worden van Leeuwarden afgehaald met boten en schepen, gisteren zes stuks en dan in de verschillende scholen ondergebracht o.a. de Burgerschool, de Chr. School, de Huishoudschool. Een hele organisatie is er voor noodig om alles te regelen. Dat is het evacuatie-commité. De heren en dames lopen met een brede witte band om de arm, waarop hun functie staat. De meisjes van de E.H.B.O gaan ’s morgens om 4 uur al met de boot mee om de gasten af te halen. Ze worden dan hier onthaald op een warm maal (erwtensoep met kluif) en ’s avonds brood met veel boter en kaas. [...] Van alles zag je er bij. Oude mensen, jonge moeders met baby’s in de wagen, zieken, enz. Er was b.v. een groot gezin bij met 12 kinderen. Over ’t algemeen waren de mensen nogal belast en beladen. Oude fietsen, pannen, aardappels, van alles hadden ze meegesleept.’ Het vervoer van Leeuwarden naar Dokkum is dus anders geregeld dan de CAB in gedachten had. Wouda van de Dokkumer boot, biedt aan om met zijn schip de mensen op te halen. Omdat er volgens de verhalen 1000 personen per transport zul- len komen, wil hij er drie sleepboten aan vast maken. De boot vertrekt 's ochtends al om 4 uur vanuit Leeuwarden voor de vier uur durende reis naar Dokkum. Onderweg wordt in Birdaard gestopt, waar de evacués warme melk en broodjes krijgen uitgereikt bij de zuivelfabriek. Het vervoer lijkt op deze manier goed geregeld, mensen hoeven niet te fietsen, te lopen, geen kinderwagens voort te duwen of plaats te nemen op hobbelende boerenwagens, maar varen rustig over de Ee richting Dokkum. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS 26 DE SCHEPEN MET EVACUÉS LEGGEN AAN IN HET KLEINDIEP BRON:COLLECTIESTREEKARCHIEF
  26. 26. Diny van Harten in 'Arnhem Spookstad': ‘Toen kwamen we eindelijk in Leeuwarden aan en daar werden we met vele anderen in boten geladen naar Dokkum. Het was naar mijn gevoel een ontzettend lange tocht, maar de organisatie was perfect. We zaten met z’n allen onderin de boot en werden goed voorzien van brood en melk.’ Niet iedereen vond de tocht echter een pretje. Laura Venster schrijft: ‘Het op een na laatste traject, van Leeuwarden naar Dokkum ging per binnenvaartschip. Dat was een angstige ervaring, omdat we met een groot aantal mensen onderdeks in het ruim gestouwd werden. Dat veroorzaakte een opgesloten gevoel vooral bij de voortdurende dreiging van een aanval vanuit de lucht.’ EINDBESTEMMING DORPEN IN OOSTDONGERADEEL(5) Ook in de ‘vluchtgemeente’ werden verschillende evacuatie-commissies opgericht. Aan het hoofd hiervan stond de centrale gemeentelijke evacu- atiecommissie, gevestigd in het gemeentehuis te Metslawier met aan het hoofd gemeente-architect Sietse Vellema. Secretarieambtenaar Henk Holwerda was de evacuatie-ambtenaar, die de registratie bijhield en uitbetalingen deed. Als het druk was sprong Frans Vellema wel eens bij. Na 15 mei 1945 nam Tjalling de Jong de werkzaamheden van Holwerda over. Er werden ook twee koeriers aangesteld, die zorgden voor het overbren- gen van berichten van en naar de dorpscommissies. Johan Baumfalk, zoon van de secretaris Ynze Baumfalk, schrijft erover in zijn dagboek: ‘Er komen in Oostdongeradeel 1500 evacués uit de ge- teisterde streken van ons land. Hiervoor zijn in elk dorp z.g. dorpscommis- sie’s benoemd, die zorgen voor verdeling over de dorpen. Jan Brons en ik zijn koeriers geworden voor ’t hoofdbureau hier in Metslawier. (kantoor gemeente-architect) Beiden hebben we (zoals al de mannen die er bij be- trokken zijn) een witte band om met als opschrift ‘Evacuatie’ en ’t stem- pel van Oostdongeradeel. Ook hebben we een Ausweis gekregen, om ’s avonds tot 12 uur buiten te zijn en om de fiets te vrijwaren voor vordering.’ HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS 27 BRON:COLLECTIESTREEKARCHIEF 8 NOVEMBER 1944: DRUKTE VAN BELANG OP DE VLEESMARKT EN IN HET KLEINDIEP FOTO:WAARKOMTDITVANDAAN???
  27. 27. 28 DORPSCOMMISSIE EE Over de leden van de commissies in de verschillende dorpen is minder bekend, hier en daar een naam en dat is het wel. Alleen van het dorp Ee is meer bekend. VoorzitterwasJanH.Dijkstra,handelaarinlandbouw- benodigdheden. De vergaderingen vonden bij hem thuis plaats. Andere leden waren vader en zoon Folk- ert en Douwe Plantinga, Hielke Visser en school- meester Tjomme Luinenburg. Over de werkwijze van deze commissie om aan adressen voor inkwartiering te komen vertelt een bewaard gebleven brief- je, in het bezit van dochter Janke Brandsma- Dijkstra. Het is duidelijk dat de leden van de commis- sie het hele dorp door zijn gegaan om bij mensen om onderdak te vragen, vast te stel- len hoeveel bedden er beschikbaar waren, navraag te doen naar de bereidwilligheid om onderdak te bieden enzovoort. Van hogerhand was het mogelijk gemaakt om inkwartiering verplicht op te leggen maar daar zal zo weinig mogelijk gebruik van zijn gemaakt. Door het briefje is wel duidelijk dat sommige mensen uiteindelijk aan (veel) meer evacués onderdak hebben geboden dan ze eerst van plan waren: Pieter Douma kreeg drie hongervluchtelingen, de weduwe Wijkstra kreeg twee evacués, Ate Reinstra kreeg een hongervluchteling en weduwe Sjoek Mossel kreeg in mei 1945 nog een gerepatrieerde. Op een ander briefje staan zeven personen, waarvan er maar ééntje eventueel een meisje wil opnemen, maar uit de registers blijkt dat er in deze zeven gezinnen uiteindelijk liefst elf (vooral) hongervluchtelingen zijn ondergebracht. Soms lukte het om evacués een‘eigen’woning te bezorgen; dat kon zijn een leegstaande woning of een in tweeën te bewonen woningenineenenkelgevaleenbijeenboerderijbehorendearbeiderswoning.InOosternijkerkwoondehetgezinJanssen-Brem- merseentijdjeinhethervormdverenigingslokaal,inMorrazathetgezinVanMierle-Daamenmetvijfkinderenindewinter'44-'45 in de bouwvallige gemeentelijke bergplaats.Volgens de registers is er in totaal voor 20 gezinnen een eigen huisvesting gevonden. In Ee woonde de familie Löwenthal in het zogenaamde Braakhok. Dit hok werd voorheen gebruikt om arbeiders ’s winters vlas in te laten braken als werkverschaffing. Later kwam het in eigendom bij het gemeentelijk Armbestuur dat het aan minvermogenden verhuurde. Deze familie kwam op 12 november in Ee aan, kreeg een eigen plekje in het braakhok en dat was net op tijd, want op 28 november werd dochterWilhelmina geboren, de eerste van de 24‘evacuatie-baby’s’die in Oostdongeradeel zijn geboren. Dok- ter Jarl Ruinen verzorgde de bevalling en de twee broertjes waren zo blij met hun zusje, dat ze het hele dorp doorrenden om het wereldkundig te maken. Ook gingen ze naar een winkel om een grote doos op te halen.Was dat de wieg voor de nieuwgeborene? Een ander punt van zorg voor de commissie was de inrichting van een noodlazaret. In Metslawier, Anjum en Ee zijn die er geweest, meestal in de gebouwen van de openbare school. In Ee werd daarvoor een lokaal gebruikt van de voormalige openbare school aan de Grutte Loane. Tjitske Dijkstra, zus van commissielid Jan Dijkstra, was er verpleegster. Zij had haar opleiding genoten bij de rooms-katholieke zusters van het Diaconessenziekenhuis in Leeuwarden en droeg ook altijd de daar gebruikelijke kap. Hoe vaak zij in actie moest komen, is niet bekend. In ieder geval is zij er op 23 januari 1945, want dan assisteert ze bij de bevalling van Alida Baar. Alida is ongehuwd, komt uit Amsterdam en bevalt van een levenloos geboren zoontje. Zij is waarschijnlijk tussen de evacués verzeild geraakt en zo naar het noorden gekomen; eerst naar Oosternijkerk, dan naar Engwierum en van daar is ze opgenomen in het lazaret te Ee. Na de bevalling komt zij terecht in het Armhuis te Anjum, vanwaar zij op 26 juli weer naar Amsterdam vertrekt. WASSEN & PLASSEN In het begin zal het best wennen geweest zijn, zowel voor de evacués als voor de kwartiergevers. Er is de andere taal die gespro- ken wordt, er zijn andere gewoonten, andere godsdienst en ga zo maar door. Als het echt niet bevalt, kan gevraagd worden om verhuizing naar een ander adres. Zo verhuist de familie G.J. Stokkink-Arends acht keer in de dorpen Paesens en Oosternijkerk. Ook de familie A. Zurné-Bongers kan blijkbaar geen goed plekje vinden, want zij verhuizen acht keer en doen drie dorpen aan. Een in Ee gehuisveste familie toont ook weinig begrip voor de situatie. De man is erg ontevreden over de weinige ruimte die het echtpaar toegemeten krijgt. Hij klaagt: ‘Mijn vrouw moet kunnen wassen en plassen!’ Dat gezegde is nog jarenlang in gebruik geweest bij de kwartiergever. De man leegt trouwens de po in de dakgoot, daarbij vergetend dat de dakgoot uitkomt in de regenwaterbak, waaruit weer water voor de huishouding gehaald wordt. Dit echtpaar heeft ergens anders onderdak gekregen. Kinderen passen zich dikwijls sneller aan, zo blijkt uit de herinneringen van Bep Dikker: ‘Het was er zo anders dan thuis; een groen, weids land, doorsneden met sloten. Lioessens was het eindpunt, een klein dorp, haast leunend tegen de zee. Ik leefde er weer op na de verschrikkingen van Arnhem en van onderweg. Ik sliep in een heuse bedstee met deurtjes, die ’s avonds half dichtgingen en viel er tevreden soezend in slaap, luisterend naar het stemmengemompel van de grote mensen. Ik kreeg echte, heuse klompjes, geel met een zwart biesje; ik klepperde erop naar school. Ik leerde een beetje spinnen en breide op het stoepje voor het huis mijn eerste werkstuk: gele babysokjes. Toen ik er wegging sprak in vloeiend Fries.’ HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS DORPSKERN EE RECHTS MET WINKELRUIT WONING VAN JAN H. DIJKSTRA BRIEFJE MET NOTITIES INKWARTIERING EE kwartiering f-ff ma- - aan (veel) meer eerst van plan waren: Pieter Douma kreeg drie ho BRIE FOTO:COLLECTIEPLANTINGAEE

×