Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.

De Sneuper nummer 124, december 2016

481 views

Published on

De Sneuper nummer 124, december 2016
VLUCHTELINGEN IN OOSTDONGERADEEL (1)
SCHILDERIJ WESSEL P. RUWERSMA
EERHERSTEL VOOR HESSEL VAN MECKEMA
VAN AYLVA-ZILVER DOOR ANDELE ANDELES
BOUW VAN EEN VISSNIK
GENEALOGIE & FAMILIEGESCHIEDENIS
STERKE JERKE
DE WINDVAAN VAN WIERUM

Published in: Education
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

De Sneuper nummer 124, december 2016

  1. 1. DE VLUCHTELINGEN 1940 - 1945 SNEUPER nummer 124 losse nummers € 3,95 jaargang 29 nr. 4 DECEMBER 2016
  2. 2. © Niets uit deze uitgave mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen. COLOFON 178 22 26 30 4 De Historische Vereniging Noordoost-Friesland is een Algemeen Nut Beogende Instelling. 7 redactie Warner B. Banga Dokkum Nykle Dykstra Leeuwarden Piet de Haan Dokkum Lisette Meindersma Burgwerd JacobRoep Hollum (Ameland) Hans Zijlstra Amsterdam opmaak Warner B. Banga correspondentie uitsluitend via: Brokmui 62 9101 EZ Dokkum kopij via e-mail: redactie@hvnf.nl website www.hvnf.nl weblog http://sneuperdokkum.blogspot.com
  3. 3. prijs losse nummers € 3,95 (exclusief porto) negenentwintigste jaargang nr. 4 december 2016 verschijnt in maart, juni, september en december in een oplage van 675 exemplaren nummer 124 INHOUD Zij die de geschiedenis lezen, maar niet begrijpen, zijn gedoemd hem te herhalen. Harry Truman HISTORISCH CITAAT: SNEUPERDE 5 6 7 8 17 22 26 28 18 30 4 21 33 34 REDACTIONEEL LEDENNIEUWS 2016-04 VAN DE BESTUURSTAFEL HISTORIE & STREEKGESCHIEDENIS VLUCHTELINGEN IN OOSTDONGERADEEL (1) SCHILDERIJ WESSEL P. RUWERSMA EERHERSTEL VOOR HESSEL VAN MECKEMA VAN AYLVA-ZILVER DOOR ANDELE ANDELES BOUW VAN EEN VISSNIK GENEALOGIE & FAMILIEGESCHIEDENIS STERKE JERKE DE WINDVAAN VAN WIERUM RUBRIEKEN & COLUMNS COLUMN: Je mutte mar hoare... VELDPOST UIT WO I: Zingend naar Breda DIGITAAL & ACTUEEL & VARIA INGEBOEKT: Kolonist & Wetenswaagdigheden WEBNIEUWS: digitale rondreis WARNER B. BANGA JOHANNES DIJKSTRA GOSSE BOOTSMA DOEDE DOUMA & REINDER TOLSMA HANS ZIJLSTRA WIBO BOSWIJK HANS ZIJLSTRA EIMERT SMITS F.A.zn MATTIE BRUINING-HOEKSMA LISETTE MEINDERSMA IHNO DRAGT HILDA BOUTA LISETTE MEINDERSMA HANS ZIJLSTRA KAARTENBAKTENBAKKAARTEKAARTENBAK
  4. 4. DAMWÂLD OF DAMWOUDE? Enkele columns eerder schreef ik over mijn pogingen om mijn huis in Grijpskerk te verkopen en naar Dokkum te verhuizen. Dat kalfde nogal zwaar, om eens een frisisme te gebruiken. Twee woningen heb ik laten keuren in de binnenstad van Dokkum en één daarbuiten en ettelijke bekeken in en om deze stad. Maar steeds was er wel weer een reden waarom het feest niet doorging.Toen we echter een finaal en acceptabel bod kregen op ons huis, werd het plotsklaps urgent om iets te vinden. Nog op dezelfde dag dat het bod binnenkwam, vond ik via Funda onze huidige woning in Damwoude. Op een navigatiesysteem kun je overi- gens maar beter ‘Damwâld’ invoeren, anders kom je er niet. Maar al is de officiële naam Damwâld, er is een goede Nederlandse naam voor en die prefereer ik. Net zoals ik de Nederlandse benamingen gebruik voor Firenze, Bruxelles, Paris, Berlin en cetera. Eerder schreef ik al eens voorstander te zijn van tweetaligheid (en tweetalige opvoeding van jongs af aan) in Friesland. Maar in mijn nieuwegemeentehebbenzegekozenvoorhetgebruikvanlouterFrieseplaats-enstraatnamen.Ikhebtotnutoenietdeindrukdat dit beleid breed gedragen wordt (verkeerde democratie?). Het is een benadrukken van een status aparte van een Friese gemeente inNederlanddiemisschiengevoedwordtdoorhetzelfdesentimentwaardoorDantumadeelnietsamenwilgaanmetdedriemeer noordelijk gelegen gemeenten. 'Tsja', zei een uit Broeksterwoude afkomstige klusser aan mijn nieuwe huis, 'er is altijd een groot verschil tussen de Klei en de Wouden.' Terwijl ik het juist zo fijn vind dat ik nu op nog geen vier kilometer afstand van Dokkum woon. WÂLDPYK Overigens zijn de mensen hier heel aardig en wij op onze beurt doen ook ons best in te burgeren. Zo hebben wij al letterlijk on- derdak kunnen bieden aan twee leden van de Christelijk Gereformeerde Kerk. Zij hadden net de dienst bijgewoond in hun kerk (bijgenaamd 'De Paraplu') en kwamen in ons portiek schuilen tegen een stortbui. En wat ik ook bijzonder aangenaam vind aan mijn huidige adres is dat de straat vernoemd is naar een ‘geroutineerde sneuper’ (citaat Leeuwarder Courant 1953) van weleer: T.E. Teunissen (1901-1966). Dat gaat hier wel lukken, is mijn inschatting. Zoals president Kennedy tegen de Berlijners zei om ze voor zich te winnen: 'Ich bin ein Berliner', zeg ik op mijn beurt: 'Ich bin ein Wâldpyk'. VERKEERDE DEMOCRATIE? Over de Amerikaanse president gesproken: door de drukte van verhuizing en verbouwing had ik nauwelijks tijd voor het wereld- nieuws. Op de dag van de verkiezing zat ik overdag tussen de verhuisdozen en ’s avonds bij de werkgroep over de Markt in Dokkum. Toen ik op een gegeven moment las dat er gedemonstreerd werd tegen Donald Trump, kon ik nauwelijks geloven dat hij gewonnen had van Hillary Clinton. Verkeerde democratie? Eén ding is zeker: het land is zeer verdeeld. Het doet me denken aan de discussies over de IJsfontein en de Markt in Dokkum. 4 ICH BIN EIN WÂLDPYK door IHNO DRAGT giwdragt@museumdokkum.nl JE MUTTE MAR HOARE... I say: more parking space in Dokkum-city! He’s an idiot... BRON:HTTPS://GOO.GL/IMAGES/M92HBV BRON:HTTPS://GOO.GL/IMAGES/E2MPLHFOTO:MUSEUMDOKKUM INKTTEKENING DOOR I.I. FOGTELOO - DAMWOUDE
  5. 5. DE SNEUPER WERELDWIJD Ieder kwartaal weer valt De Sneuper bij u in de bus: een prachtig, full colour verenigingsorgaan, samengesteld uit uw artikelen en bijdragen door vrijwilligers. Hoe en met wie krijgen we dat steeds weer voor elkaar? De redactieleden, die ieder kwartaal bijeen komen, verzorgen - nadat drukkerij Andeko in Dokkum de dozen nieuwe 'Sneupers' afgeleverd heeft - ook het inpakken in enveloppen en het versturen van ons blad. Zij worden bij dat laatste onderdeel geassisteerd door ons Dokkumer lid Sjoerd van Klaarbergen. Deze vrijwilligers 'schaffen das' elk kwartaal! De Sneuper 124 wordt weer over de hele wereld gestuurd: 573 exemplaren naar leden in acht landen. We hebben bovendien twaalf gastleden, waaronder Museum Dokkum, Centraal Bureau Genealogie, Historisch Centrum Leeuwarden, Koninklijke Bibliotheek, Streekarchivariaat Noord- oost Friesland en Tresoar Leeuwarden, twee ruil- abonnementen en drie ereleden. De Sneuper wordt daarnaast door Piet de Haan bewerkt voor gebruik door een leescomputer en vier leden ontvangen De Sneuper digitaal. In Dokkum en op Ameland is De Sneuper in de boekhandel verkrijgbaar. Per keer worden in totaal tussen de tien en vijftien exemplaren verkocht. Enkele leden ontvangen meerdere exemplaren. Van de 552 Nederlandse leden wonen er 270 in Friesland, waarvan 190 in Noordoost-Friesland, te weten in de gemeenten Dantumadiel, Dongeradeel, Ferwerderadiel, Kollumerland en Achtkarspelen. Daarnaast 9 leden op Ameland en nog 1 op Schiermonnikoog. Conclusie: wij zijn een wereldwijde vereniging geworden! VLUCHTELINGENPROBLEEM Merkels beroemde kreet 'Wir schaffen das!' heb ik echter niet boven dit redactioneel gezet om onszelf op de borst te slaan. Dat zou ongepast zijn en de voorkant van De Sneuper 124 laat er geen twijfel over bestaan wat het hoofdartikel van dit nummer is. De link met het wereldwijde vluchtelingenprobleem anno 2016 is snel gemaakt. Onze leden Doede Douma en ReinderTolsma onderzoeken de stroom vluchtelingen en evacués die Noordoost-Friesland en met name Oostdongeradeel overspoelde tijdens de Tweede Wereldoorlog. Nog maar zo'n 70 jaar geleden, maar de vragen die zij in hun inleiding stellen, zijn vandaag de dag nog steeds actueel! Zijn wij bereid te leren van onze geschiedenis? In de komende nummers meer over dit 'actuele' onderwerp. WIERUMER AAK & VISSNIK In dit nummer van De Sneuper verder een hoog Wierumer-aak-gehalte: ons lid Eimert Smits F.A.zn (de oud-architect) raakte zo geboeid door de Wierumer aak en zijn voorganger de vissnik, dat hij een prachtig model op schaal bouwde. Redactielid Lisette Meindersma zocht uit hoe die- zelfde aak als windvaan op de kerktoren van Wierum terecht kwam en ontdekte dat een voorvader daar de hand in had. Achterop boven- dieneenmooie ZWART-WITvanWierumuitdecollectievanHildaBouta, die daarnaast haar veldpost uit WO I instuurde. Natuurlijk heeft webmaster Hans Zijlstra weer een behoorlijk aandeel in een aantal artikelen: hij schrijft over de ontdekking van een schilderijtje van Wessel Ruwersma en van Van Aylva-zilver in Neerijnen en hij hielp Wibo Boswijk bij zijn onderzoek naar het (gerestaureerde) portret van een 'unknown young man', dat zo eerherstel voor Hessel van Meckama uit Kollum opleverde. Onze vaste genealoog Mattie Bruining komt met haar genealogische lijn naar 'Sterke Jerke'. Zo is De Sneuper 124 afwisselend en interessant voor iedereen, maar natuurlijk kan uw artikel daaraan bijdragen in een volgend nummer... 5 WIR SCHAFFEN DAS!door WARNER B. BANGA warner.b.banga@knid.nl © Niets uit deze uitgave mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen. Deredactieheefternaargestreefddeauteursvanillustratiesopdejuistewijzetevermelden,daar waar afbeeldingennietdoordeschrijvers zijn gemaakt of werden aangeleverd. Zij die menen nog rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich tot de redactie wenden. Leden in: 1 België 7 Canada 1 Denemarken 2 Duitsland 2 Frankrijk 1 Verenigde Staten 1 Zwitserland 552 Nederland 567 totaal LISETTE MEINDERSMA, JACOB ROEP, SJOERD VAN KLAARBERGEN EN PIET DE HAAN MAKEN DE SNEUPER KLAAR VOOR VERZENDING WINDVAAN WIERUM FOTO:GERARDMULDER FOTO:ALIEDEHAAN
  6. 6. 7 BESTUURSTAFEL LEDENVERGADERING 15 OKTOBER 2016 We kunnen terugzien op een prima geslaagde ledendag in de Gouden Stek te Oostmahorn. De plaatselijke historie in de vorm van een lezing met beelden over het reddingbootwezen door Willem Wilstra – oud- schipper op de reddingboot te Oostmahorn – stond hier centraal. Juist dit is een belangrijke doelstelling van de vereniging. Door goede pro- motie was de zaal ’s middags helemaal bezet. En wat ook belangrijk is: er meldden zich spontaan nieuwe leden voor de vereniging. Het huishoudelijk reglement is zodanig aangepast dat de ruimte voor bestedingen door het bestuur ten behoeve van de vereniging – zonder toestemming van de ledenvergadering – is verruimd tot € 1500. Hier- onder vallen niet de uitgaven ten behoeve van het uitgeven van De Sneuper. Hiervoor dient minimaal een kasreserve van € 3000 aanwezig te zijn: dit als waarborg dat opmaak, drukken en verzenden van De Sneuper door kan gaan. Namen voor kandidaten voor het bestuur kunnen voort- aan tot de aanvang van de vergadering worden ingediend. DOKKUM IN 3D Arjen Dijkstra verzorgde een overzichtelijke presentatie van dit project. Inderdaad een prachtig project - passend bij onze vereniging – maar de financiering geeft het bestuur beslist zorgen. De totale kosten zijn voorlopig begroot op ongeveer € 45.000. De vraag of dit organisatorisch en financieel haalbaar is hopen we op de ledenvergadering in april 2017 te kunnen vertellen. Er moet een werkgroep worden gevormd om Dokkum in 3D mogelijk te maken. Wie stelt zich beschikbaar? Aan- melden kan bij het bestuur. BEELDBANK & JUBILEUM Redactielid Jacob Roep, die voor de website Ame- lander Historie een beeldbank heeft opgezet, kwam met het voorstel om voor onze vereniging eveneens een beeldbank op te zetten om ons fotomateriaal toegankelijker te maken. Er dienen dan goede regels te zijn betreffende copyright en gebruik van de foto’s. Oude foto’s kunnen nu al worden aangeboden aan de vereniging via redactie@hvnf.nl Volgend jaar bestaat de vereniging 30 jaar. Henk Aartsma vindt het een goed idee om ter gelegenheid hiervan een (extra) jubileumnummer van De Sneuper te maken. Redactie en bestuur zullen de haalbaar- heid hiervan onderzoeken. VAN DEVOORZITTER VERENIGINGSNIEUWS door GOSSE BOOTSMA VEEL BELANGSTELLING OP EEN GOUDEN STEK MOOIE PR VOOR ONZE VERENIGING WILLEM WILSTRA OVER HET REDDINGBOOTWEZEN GOSSE BOOTSMA KRIJGT VOORZITTERSHAMER VAN JAN DE JAGER FOTO'S:HENKAARTSMA BRON:NIEUWSBLADNOF
  7. 7. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS 8 IN OOSTDONGERADEEL (1) INLEIDING Momenteel zijn er wereldwijd zo’n 65 miljoen mensen op de vlucht voor oorlogssituaties; alleen al in 2015 kwamen er bijvoor- beeld in ons eigen land ongeveer 60.000 vluchtelingen binnen. Het zorgde voor grote problemen in de opvang, heen-en-weer gesjouw met vluchtelingen, vragen in deTweede Kamer, hier en daar‘opstandjes’en veel publieke discussie (‘Schaffen wir das?’). Het werpt de vraag op hoe het was met de vluchtelingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in onze eigen omgeving onder- dak zochten: Hoe was hun opvang geregeld? Hoeveel kwamen er? Waren ze welkom? Hoe lang bleven ze hier? enzovoort. In een viertal artikelen wordt geprobeerd een antwoord op deze vragen te geven. Het onderzoek werd beperkt tot de voormalige gemeente Oostdongeradeel, maar Dokkum zal als opvangcentrum ook vaak aan bod komen. Deze eerste aflevering gaat over de vluchtelingen die tot november 1944 werden opgevangen. 1. DE KOLLUMERLANDERS (1) Al op de allereerste oorlogsdag, vrijdag 10 mei 1940, kwamen de eerste vluchtelingen de gemeente Oostdongeradeel bin- nen. Dat gebeurde vrij onverwacht, in ieder geval was de bevolking er niet van op de hoogte dat Oost- en Westdongeradeel vluchtoordgemeenten voor Kollumerland c.a. zouden zijn. Waren er dan geen evacuatieplannen gemaakt? Zeker, na de on- verwachte gebeurtenissen in de Eerste Wereldoorlog, waarbij ongeveer een miljoen Belgen in grote wanorde naar ons land vluchtten, waren er plannen gemaakt om eventuele toekomstige evacuaties in goede banen te leiden. Zo was er, gedwongen door internationale spanningen, in 1935 een ‘Voorschrift Afvoer Burgerbevolking’ opgesteld, dat begin september 1939, dus kort na de Mobilisatie, nog eens was aangepast en opnieuw vastgesteld. Echter, als de krijgsplannen ver- anderden, moesten ook de evacuatieplannen veranderd worden: het was namelijk de bedoeling om mensen die in gebieden woonden waar inundaties zouden plaatsvinden of waar zware gevechten verwacht werden, naar veiliger oorden te vervoeren. Dit veelal met inbegrip van het vee en de aanwezige voedselvoorraden. VLUCHTELINGEN 1940 - 1945 door DOEDE DOUMA & doededouma@gmail.com REINDER TOLSMA r.tolsma01@knid.nl Een gedeelte van Kollumerland c.a. kwam op het laatste moment in de Friese Merenstelling te liggen, waardoor de CAB (Com- missaris Afvoer Burgerbevolking, in Friesland Mr. Binnert Ph. baron van Harinxma thoe Slooten, lid van het geheime Veem- gericht, vermoord in februari 1945) pas in april 1940 met de burgemeesters van Kollumerland en Oost- en Westdongeradeel plannen kon maken om de bevolking van de - bij nadering van de vijand - onder water te zetten gebieden elders onder te brengen. Dit moest ook nog eens in het geheim gebeuren, zo was van militaire zijde geëist. In totaal zou het gaan om ongeveer 3700 personen uit de dorpen Munnekezijl, Warfstermolen, Burum, Kollumerpomp, Triemen, Westergeest en delen van de dor- pen Kollum, Oudwoude en Augsbuurt. Ook zouden er ongeveer 7000 stuks vee naar veiliger oorden gebracht moeten worden. En dat hoofdzakelijk over twee bruggen, bij Dokkumer Nieuwe Zijlen en bij het Steenvak te Ee. Een ander gedeelte kon via de Woudpoortsbrug in Dokkum naar Westdongeradeel vertrekken. PLAN VAN DE TE INUNDEREN GEBIEDEN IN KOLLUMERLAND C.A.  TEKENING: WIEBEREN PLANTING BRON:ARCHIEFKOLLUMERLANDC.A.
  8. 8. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS 9 VRIJDAG 10 MEI 1940 Om kwart over vijf die 10de mei kreeg de CAB bericht dat de Merenstelling zou worden geïnundeerd en dat de bevolking vol- gens het laatstelijk vastgestelde plan moest worden geëvacueerd. Burgemeesters werden gewaarschuwd, groepsleiders in de dorpen kwamen in actie, bussen werden gevorderd om zieken, zuigelingen en ouden van dagen weg te brengen en rond het middaguur was vrijwel de gehele aangewezen bevolking (gehoorzaam!) op weg naar de opvangoorden, waar 10 uur ’s avonds iedereen een plekje had gevonden. In Metslawier ziet schooljuffrouw Klazina van Dijk de stoet mensen langskomen. Ze schrijft in haar dagboek: ‘Zo kwamen ze langs, in bussen of op boerenwagens met wat beddegoed, kleren en andere noodzakelijke dingen. Een droeve stoet. De mensen keken ernstig en onbewogen. Geen traan zag ik glinsteren. Later hoorde ik dat op de Reidswal een spion had gestaan, die velen de verkeerde weg wees, om de mensen nog meer in de war te brengen. (...) ’t Vee moest natuurlijk ook meege- dreven worden. ‘k Zie nog dat vee de wei ingaan, al loeiende. ’t Was zo lang onderweg geweest en erg vermoeid. De volgende dag zou ’t dan wel [verder] worden gedreven en verdeeld worden. De mensen moesten ook onderdak gebracht worden. Vrouw Krol [de hospita van Klazina] wachtte ook al of zij ook een beurt zou krijgen. Maar ’t werd avond en niemand verscheen.‘ Grote problemen waren er met het wegvoeren van het vee dat langs de smalle wegen en over die twee bruggen - vooral de brug bij Dokkumer Nieuwe Zijlen fungeerde als een flessenhals - door hun begeleiders voortgedreven werd. De dieren waren dat natuurlijk niet gewend en liepen alle kanten op en meestal de verkeerde. Die eerste avond was er daarom nog maar een gedeelte van het vee in de Dongeradelen gearri- veerd. Een ander deel liep rond over de zeedijken, was losgelaten in de zomerpolders of was anderszins nog onderweg. In Oosternijkerk, vluchtoord voor de mensen uit Kol- lumerpomp, werd het vee in de landerijen van Pope Meinsma losgelaten, zag de toen negenjarige Gerrit L. Elzinga. Het eigen vee van boer Meinsma stond nog op stal, maar door het mooie weer was het voor de ‘gasten’ buiten best uit te houden. Voor een jon- gen van zijn leeftijd was het een heel spektakel, al dat vee met de drijvers, overal mensen, koeien die gemolken moesten worden, het geloei van de on- rustige beesten: wat een drukte in het anders zo rustige dorp. Fimmy Rispens kwam als dertienjarige met haar gezin vanuit Kollumerpomp naar Oosternijkerk. Het vervoer geschiedde met het melkwagentje van de boerderij van haar vader, omdat daar luchtbanden onder zaten en daardoor beter geschikt voor de lange reis dan de gewone boerenwagens met hun houten wielen met ijzeren beslag, waarmee heel veel anderen moesten reizen. Slechts een enkeling bezat een fiets en wie verder geen vervoersmogelijkheden had, moest de reis te voet afleggen. Fimmy kwam terecht bij een nicht van de familie, Trijntje Stiemsma aan het Ald Tún. Fimmy vond dat de evacuatie, zowel op de heen- als de terugweg, behoorlijk chaotisch verliep: ‘Grote aantallen geëvacueerde koeien, waarvan de meesten pas gekalfd hadden, liepen met hun overvolle uiers her en der te loeien om gemolken te worden. Het was toen al duidelijk dat het nog dagen zou duren voor elk dier weer op de juiste plaats was teruggekeerd.’ Rimpt de Vries van De Triemen moest met zijn familie naar Ternaard: ‘Verder werd de wagen klaar gemaakt met bedden, met daarop een fiets, linnenrek en nog veel meer, ook proviand en kleding, pannen en weet ik wat er al niet meer mee moest. Toen ieder klaar was begon de aftocht naar het onbekende. De koeien werden met elkaar in optocht naar de bestemming gebracht, het had heel wat voeten in aarde. Een 300-500 dieren op weg naar het einddoel, dwars door Dokkum met paarden en wagens. Door het krioelen van de dieren viel er eentje in het Diep op de Diepswal, dat kostte veel tijd om het dier uit z’n benarde positie te halen. ‘ En dat allemaal voor één dag! tijd van de wereldoorlogen DE SMALLE BRUG BIJ DOKKUMER NIEUWE ZIJLEN VLUCHTELINGEN UIT DE TRIEMEN PASSEREN DOKKUM BRON:EVACUATIESINNEDERLAND,19391940BRON:COLLECTIEJANDEJAGER
  9. 9. DAT JULLIE NIET MEER VERSTAND HEBBEN! Inderdaad, voor één dag: de inundatie was geheel mislukt. Door de korte voorbereidingstijd kon er niet snel genoeg voldoen- de (zout!) Lauwerszeewater aangevoerd worden, stonden de meeste sloten wel tot de rand toe gevuld en kwam er alleen op de laagst gelegen plaatsen een beetje water te staan. Daarnaast kwamen de Duitsers veel sneller voor de Merenstelling dan verwacht en passeerden nog voor er echt sprake was van een stelling, de vluchtende Nederlandse soldaten achterna richting Afsluitdijk. Al op de avond van 10 mei werd bevolen om te stoppen met de inundatie en op 11 mei werd meegedeeld dat mens en dier weer kon terugkeren naar huis en haard. Daar werd door iedereen dankbaar gebruik van gemaakt en de meeste mensen waren die zaterdag al weer thuis. Dat gold niet voor het vee, want ook nu weer gaf dat grote moeilijkheden. Door de haast waarmee ieder was vertrokken, was men vergeten om de dieren voldoende te merken, waardoor het vinden van de rechtmatige eigenaar problemen opleverde. In de 'Kollumer Krant' verscheen nadien meerdere keren een oproep om toch vooral de koeien waarvan men geen eigenaar was en die nog niet waren opgehaald, op bepaalde plaatsen te verzamelen, zodat de juiste eigenaar gevonden kon worden. Dat hielp niet echt, want een aantal dieren is niet teruggevonden en dat betekende een hele strop voor de vaak kleine boertjes. Verdwenen of verminkte dieren werden maar voor 80% vergoed en niet iedereen was in staat om van dat bedrag weer een koe te kopen. Omdat de evacuatie was voorgeschreven door de militaire overheid, kon geleden schade worden opgegeven. In totaal werden in de gemeente Kollumerland c.a. maar liefst 378 gevallen van schade aangemeld. Alleen al in het dorp Burum betrof dat 104 aanvragers. Meestal waren het boeren die schade hadden geleden door vermist of verminkt vee, melkverlies (f 3,00 per koe), transportkosten, schade aan landerijen door gehele of gedeeltelijke overstroming enz. Bij burgers was dat meest het verlies van kleding en goederen. Nog tot ver in 1941 werd er door de burgemeester van Kollumerland c.a. correspondentie gevoerd over de afhandeling van de schade; of het totale bedrag van f 12.179,88 ook is uitbetaald is niet bekend. Over de juiste aantallen naar Oostdongeradeel gevluchte evacués zijn geen cijfers bekend. Volgens een opgave in het archief van Kollumerland c.a. zijn er uit vijf dorpen van die gemeente maar liefst 2481 mensen, 5450 paarden en rundvee en 2975 schapen naar Oostdongeradeel gevlucht. Of dat klopt valt te betwijfelen; er is namelijk bekend dat veel mensen zelf een plekje vonden, bij familie of kennissen, en ook niet iedereen is echt op weg gegaan. Naast de officiële achterblijvers (politieagenten, ambtenaren, groepsleiders enz.) waren er genoeg anderen, zo ondervond Rimpt de Vries: ‘De enkelen die hier waren gebleven lachten ons behoorlijk uit: ‘Dat jullie niet meer verstand hebben,’ zeiden ze, en maar lachen.’ Daartegenover waren er ook evacués die liever in Oostdongeradeel wilden blijven. Zo vertelde Anna Fokkema, dochter van bakker Anne Fokkema te Lioessens, dat bij hen een mevrouw was ondergebracht. Zij bleef een paar dagen, luisterde graag naar de Duitse radio en zei dat ze liever in Lioessens wilde blijven. De familie Fokkema heeft haar met zachte dwang‘weggestuurd’ en hoorde later de waarschijnlijke reden: er waren relationele problemen. De CAB in Friesland was, ondanks de gebrekkige voorbereiding, tevreden over deze korte (onnodige) evacuatie, want in zijn rapport schreef hij: ‘Over de huisvesting der geëvacu- eerde bevolking in de plaatsen van ontvangst werd over het algemeen slechts met lof gewaagd.’ 2. BEWONERS VAN DE KUSTSTROOK ( 2 ) Begin 1942 waren de Duitsers begonnen met het bouwen van verster- kingen langs de kust als onderdeel van hun Atlantikwall. In die zomer werd het gehele Noordzeestrand en de duinen tot verboden gebied verklaard, terwijl een groot deel van de kuststrook van Holland en Zee- land ontruimd moest worden met Walcheren als eerste: 10.000 inwoners moesten het eiland verlaten, huizen werden afgebroken. Dat was slechts het begin, want de afbraak van huizen zou worden uitge- voerd in het hele gebied van Hoek van Holland (daar bleven uiteindelijk maar 300 inwoners over) tot aan Den Helder. Vooral bij Den Haag en Scheveningen werd rigoureus tewerk gegaan: meer dan 3000 woningen werden opgeofferd aan de bouw van een tankgracht en bunkers. Het gevolg was dat er in mei 1943 meer dan 220.000 mensen uit hun hui- zen verdreven waren, waarvan 60.000 uit Den Haag e.o. In een geëvacu- eerde streek kreeg de politie opdracht tot geregelde surveillance, soms vergezeld van de blokploegen van de LBD (Luchtbeschermingsdienst). Bij algehele ontruiming zorgde de Wehrmacht voor beveiliging. Burgers werd aangeraden om al hun goederen in één kamer op te slaan en de sleutel bij het politiebureau af te leveren. 10 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS ATLANTIKWALL BIJ NOORDWIJK OPROEP NIEUWSBLAD VAN NOORDOOSTFRIESLAND  28 MEI 1940 BRON:ATLASVANNOORDWIJK.NL
  10. 10. BRON:SADOOSTDONGERADEEL AFVOER BURGERBEVOLKING In januari 1944 was het BAB (Bureau Afvoer Burgerbevolking), een afdeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, in 1939 begonnen met één directeur en drie medewerkers, uitgegroeid tot een grote organisatie met 1400 man personeel, waarvan 300 op het hoofdbureau in Den Haag en zes Gewestelijke Bureaux. Zij verzorgden de afvoer van de bevolking en had voor elke streek een gebied in het oosten en noorden van het land aangewezen: evacués uit Noord-Holland moesten naar Friesland en Gronin- gen, die uit Den Haag en omgeving naar Overijssel, enzovoort. Dat het daarbij per gemeente niet om geringe hoeveelheden ging, bewijst onderstaand staatje uit het archief van Gedeputeerde Staten. Daarbij moet worden opgemerkt dat in de praktijk deze aantallen niet gehaald werden, omdat velen zelf onderdak zochten of manieren vonden om in het te evacueren gebied achter te blijven. In een schrijven van de CAB van 15 december 1942, als de evacuatie uit de kuststreek in volle gang is, staat hoeveel mensen er al opgevangen zijn en hoeveel er verwacht worden, maar ‘deze cijfers zullen echter beduidend lager worden daar de ondervinding leert dat niet meer dan 20 - 40 % van het officieel getal aan de verplichte evacuatie deelneemt.’ In deze tijd van goed geregelde evacuatie, waarbij de burgers voldoende tijd kregen tot voorbereiding, was het toegestaan per persoon 30 kg handbagage mee te nemen en een 200 kg aan dekens, matrassen, ja zelfs ledikanten per schip vooruit te sturen. Zo mo- gelijk kwamen die schepen vóór de evacués aan op de plaats van bestemming. Er waren evacués die ook huisdieren en zelfs kooivogels mee mochten nemen. Omdat het toegestaan werd om zelf onderdak te vin- den bij familie of bekenden werd aan de geplande verdeling ook niet de hand gehouden. Zo kwamen in Oostdongeradeel toch nog 23 personen uit Den Haag en directe omgeving terecht. De eerste was Adriana Vermaat, de ongehuwde zuster van de hervormde predikant van Anjum, ds. Johan Gerrit Hendrik Vermaat, die hier van 1934 tot 1945 de gemeente diende. In de grote pastorie was blijkbaar plaats genoeg, want ook een ander familie- lid, Jeanne Annie Elisabeth Vermaat, kwam begin 1945 vanuit Arnhem naar de pastorie in Anjum. AdrianaVermaat wordt voor het eerst vermeld op 1 december 1942, maar wanneer zij precies gekomen en weer vertrokken is, is niet bekend, omdat de gemeente Oostdongeradeel in de beginjaren geen evacuatielijsten heeft bijgehouden (die zijn in ieder geval niet bewaard gebleven in het gemeentearchief), hoewel dat van hogerhand wel verplicht was. Zo komt er al in april 1941 een schrijven van het BAB dat er maandelijks een staat moet worden ingezonden van in de gemeente ondergebrachte vluchte- lingen. Loco-burgemeester Bearn Idses Heeringa (burgemeester Frans Sijtsma was door de Duitsers niet herbenoemd en werd later vervangen door Auke Ykema) stuurt op 29 april het volgende bericht op: ‘Ik heb de eer UhoogEdelgestrenge beleefd mede te deelen, dat op 1 April j.l. geen personen waren opgenomen in het vluchtelingenregister dezer gemeente.’ Vanaf 1 december 1942 worden er zo nu en dan briefjes gevonden met daarop de in de gemeente gehuisveste vluchtelingen. Tegelijk met Adriana Vermaat staan Sipke Wouda en zijn vrouw Tjitske Dijkstra in- geschreven, die vanuit Velsen naar Anjum komen. Sipke Wouda was politieagent en geboren in Metslawier. Hij en zijn vrouw worden in juni 1943 zelfs ingeschreven in het bevolkingsregister en lijken zich hier blij- vend te vestigen. Sipke was toen 60 jaar en al ‘gepensioneerd’. Toch vertrekken ze in december 1946 weer naar Lekkerland, maar hun laat- ste jaren brengen ze in Dokkum door. In februari 1943 staan de eerste ‘gesteunde’ vluchtelingen te boek, het zijn Adriana van Dijk, weduwe van A. Rovers en haar dochter Pietje Rovers. Zij komen van Katwijk en blijven waarschijnlijk niet lang in de gemeente, maar ook daarover ontbreken gegevens. 11 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS VLUCHTELINGENVERKLARING AANDEEL DOOR FRIESLAND OP TE NEMEN VLUCHTELINGEN UIT VELSEN EN IJMUIDEN ANJUM MET BUMAHÛS EN LINKS VOOR DE NH KERK DE HERVORMDE PASTORIE BRON:COLLECTIEOOSTDONGERADEELBRON:TRESOARGED.STATENFRIESLAND3448 BRON:SADOOSTSTDODODONGNGNGERERERERADADADADEEEEEELL den met in- was uni - ns. VLUCHTELINGENVERKLARING
  11. 11. 12 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS REGISTRATIE VAN VLUCHTELINGEN Dat ‘gesteunde’ vluchteling zijn van Adriana van Dijk en dochter Pietje (was ook al 33 jaar oud) had te maken met de uitgebreide (bureaucratische) registratie en verdeling van de vluchtelingen. De eerste verdeling was die in de sóórt vluchteling; er waren: - ev = geëvacueerden, die om militaire redenen of in het belang van de burgerbevolking door het bevoegd gezag werden verplicht hun woning te verlaten (of dat al uit eigener beweging deden). - ov = oorlogsgeweldvluchtelingen, van wie de huizen onbewoonbaar geworden waren en die daardoor naar een andere gemeente moesten vluchten. - av = angstvluchtelingen, die uit vrees voor oorlogshandelingen hun woning vrijwillig hadden verlaten. Dan was er een verdeling naar inkomen. Wanneer een vluchteling voldoende eigen inkomen had, (zijn salaris werd bijvoor- beeld doorbetaald of hij had voldoende vermogen), dan behoorde hij tot de groep‘niet-gesteunde’vluchtelingen. Was dat niet of onvoldoende het geval dan behoorde hij tot de ‘gesteunde’ vluchtelingen. Als regel werd iemand die in een afzonderlijke woning terechtkwam gesteund met het bedrag dat een verzekerde werkloze in de vluchtoordgemeente uitgekeerd kreeg, soms aangevuld met brandstoftoeslag, melk voor kinderen en andere emolumenten. Ook de transportkosten werden vergoed, de kosten voor opslag van de inboedel, vergoeding voor de huurwaarde van de verlaten woning, kosten voor de inrichting van de nieuwe woning enzovoort. Meestal werd niet alles vergoed, maar een bepaald percentage, eveneens afhankelijk van het eigen inkomen. Als vluchtelingen terechtkwamen in gezinnen van derden - wat natuurlijk het meeste voorkwam - werd het kwartiergeld rechtstreeks aan de kwartiergever uitbetaald: - wegens huisvesting en voeding f 1,25 per dag (tweede persoon f 1,15 - beneden 18 f 1,00) - wegens huisvesting zonder voeding f 0,25 per dag (tweede persoon f 0,20 - beneden 18 f 0,10) - wegens voeding zonder huisvesting f 1,00 per dag (tweede persoon f 0,95 - beneden 18 f 0,90) Deze bedragen werden geregeld aangepast in verband met de stijgende prijzen gedurende de oorlog, in mei 1940 bijvoor- beeld was het bedrag voor huisvesting en voeding nog f 0,60 en voor voeding zonder huisvesting f 0,30. In mei 1943 was dit al gestegen tot f 2,- en werd er voor voeding zonder huisvesting f 1,75 uitbetaald. Het was verplicht om vluchtelingen die werden toegewezen door de gemeente op te nemen, bij weigering kon zelfs worden overgegaan tot vordering van de woning, maar meestal was dreigen daarmee al voldoende. Elk ingekwartierd gezin had recht op een afzonderlijke slaapkamer en indien mogelijk ook op een zitkamer. De vluchtelingen kregen tevens zakgeld uitgereikt: - voor een echtpaar f 1,50 per week - voor meerderjarige alleenstaande f 1,00 per week - voor elk verder gezinslid boven de 18 f 0,50 per week - voor elk verder gezinslid onder de 18 f 0,25 per week Deze bedragen bleven heel lang gelijk. Gesteunde evacués dienden bij het gewestelijk arbeidsbureau ingeschreven te zijn of door de gemeente aan passend werk geholpen te worden. Bij weigering werd zakgeld ingehouden. Kosten voor vertrek naar werk in het buitenland (bedoeld wordt natuurlijk Duitsland waar een tekort aan arbeidskrachten was, een tekort dat opgevuld moest worden door de Arbeitseinsatz) werden tot f 40 voor gehuwden en tot f 25 voor ongehuwden betaald door het Rijk. Opgemerkt dient nog, dat 'angstvluchtelingen' in principe alleen vergoeding kregen voor huisvesting en verzorging en uit- eindelijk onder de Armenwet konden vallen als zij niet over voldoende eigen financiële middelen beschikten. De Gewestelijke Evacuatie Bureaus moesten daarom ook ‘waken tegen ontoelaatbare huisvesting en andere misstanden, ontstaan door massale vluchten uit vrees voor oorlogsgeweld’. De uitbetaling moest geschieden door gekwalificeerd personeel van de gemeentesecretarie. Meestal diegenen, die ook de bevolkingsboek- houding bijhielden. In Oostdongeradeel was dat Henk Holwerda af- komstig uit Anjum, soms geassisteerd door Frans Vellema (zoon van de gemeentearchitect Sijtse Vellema). In mei 1945 nam Tjalling de Jong het werk van Holwerda over en zorgde voor de financiële en administratieve afwikkeling van de terugkeer van de evacués. De bedragen werden door de gemeente voorgeschoten en konden gedeclareerd worden bij de GEB’s. Friesland viel onder het bureau voor de drie noordelijke provincies te Groningen en pas in april 1945 kwam er een eigen Fries GEB. De registratie van de vluchtelingen was verplicht (anders kon geen beroep worden gedaan op steun) en moest nauwgezet en al op de dag van aankomst gebeuren. Die registratie gebeurde in drievoud: de herkomstgemeente, de vluchtoordgemeente en het BAB kregen elk een exemplaar. De ambtenaar moest alle kaartjes alfabetisch rangschikken en bijhouden als er verhuisd werd, een geboorte of overlijden plaats- vond, bij wijzigingen in de burgerlijke staat enzovoort. KAARTENBAK OOSTDONGERADEEL
  12. 12. 13 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS Steeds moest direct bericht aan herkomstgemeente en BAB gestuurd worden: een enorme klus als het om grote aantallen ging! Dat het daar- bij geregeld mis ging (verschrijvingen - ook al werd er gebruik gemaakt van het in het begin van de oorlog ingevoerde persoonsbewijs - ver- keerde data, tegenstrijdige gegevens in vergelijking met het evacuatie- register), is tijdens dit onderzoek tientallen malen gebleken. In de bewaard gebleven kaartenbak met honderden registratiekaartjes van evacués en hongervluchtelingen zitten enkele die goed zijn bijge- houden en daardoor van belang zijn bij het onderzoek naar de evacués in Oostdongeradeel: Bijvoorbeeld van Adrianus M. de Jong zijn op deze manier niet alleen geboortedatum, vorig adres, beroep, huwelijkse staat en kerkgenoot- schap bekend, maar eveneens dat hij angstvluchteling was, eerst in Oosternijkerkwasgehuisvesteninfebruari1945inhetArmhuisinAnjum terechtkwam, (waar hij trouwens op 26 december 1945 kwam te over- lijden). Omdat het registratiekaartje van Carolina Terlaak naar hem ver- wijst, wordt duidelijk dat hij invalide was en dat Terlaak hem op zijn reis verzorgde en begeleidde. Ook zij kwam terecht in het Armhuis, maar dan als verpleegster. Terug naar de kustbewoners. Uit verschillende gegevens blijkt dat er tot 1 januari 1944 elf verschillende evacués uit het kustgebied van Neder- land in Oostdongeradeel zijn opgevangen, maar nooit meer dan zeven tegelijkertijd. Omdat er naderhand nog een aantal is binnengekomen, bedraagt het totale aantal opgevangen kustbewoners 32, waarvan de namen van drie evacués onbekend zijn gebleven. 3. LANDARBEIDERS UIT ZEELAND EN DE ZUIDHOLLANDSE EILANDEN ( 3 ) Eind1943begonnendeoorlogskansentekeren,deDuitsersmoestenzich op veel plaatsen terugtrekken. Omdat ze bang waren voor een invasie op de Nederlandse kust besloten ze begin 1944 tot omvangrijke inunda- ties in Noord-Holland (11.000 ha), Zuid-Holland (42.000 ha) en Zeeland (30.000 ha): Tholen, Schouwen-Duiveland, St. Filipsland en Goeree-Over- flakkee zouden grotendeels onder water worden gezet, voorts delen van Voorne-Putten en de Hoekse Waard, en tenslotte zouden door Noord- en Zuid-Holland van noord naar zuid vrij brede aaneensluitende stroken land geïnundeerd worden. Vooral Zuid-Holland en Zeeland werden zwaar ge- troffen, omdat daar het zoute zeewater (rood) binnengelaten zou worden en daarmee 18-20 % van de beschikbare cultuurgrond verloren zou gaan; en de voedselvoorziening was al zo krap! Hoeveel personen er precies door deze inundaties geëvacueerd moes- ten worden, is niet bekend, maar alleen al voor Zeeland bedroeg het aantal ongeveer 94.000; het totale aantal zal dus ruim boven de 100.000 personen zijn geweest. Die kwamen boven op de 300.000 personen die al eerder waren geëvacueerd. Het vee, de wintervoorraad en de werktui- gen die ook weggevoerd moesten worden nog daargelaten. Waar de evacués precies terecht zijn gekomen is ook niet bekend, maar velen gingen naar familie of bekenden, de rest waarschijnlijk naar West- Brabant en voor de landarbeiders werd plaats gezocht in Friesland en Groningen. Daar was immers door de ‘honger’ van de Duitsers naar ar- beidskrachten een gebrek aan arbeiders ontstaan. Zeer waarschijnlijk was Henk Jumelet de eerste Zeeuw die door de evacuaties in Oostdongeradeel terechtkwam. Hij komt al op 18 februari 1944 naar Anjum, waar hij met vrouw en twee zonen een plaatsje vindt bij de familie Steegstra en vanaf augus- tus dat jaar bij de familie Rienks. Dat is erg vroeg, omdat op 4 februari de bevolking werd opgeroepen om te evacueren en de meeste andere Zeeuwen pas in de loop van het jaar arriveren. Jumelet staat niet in het evacuatieregister, maar wordt genoemd in een schrijven van burgemeesterYkema aan de provincie aangaande financiële zaken.Ykema schrijft over door de gemeente voor evacués gemaakte kosten o.a.: 1. Kosten huisvesting, voeding en zakgeld t.b.v. het gezin H. Jumelet, Anjum, over het tijdvak 18 Febr. t/m 30 Dec. 1944 (4 pers.) f 2117,23 2. Reiskosten en vervoerkosten meubilair van het onder 1 bedoelde gezin f 324,55 3. Opslagkosten meubilair S. Wouda, Anjum f 56,04 REGISTRATIEKAART ADRIANUS M. DE JONG INUNDATIES IN NEDERLAND FEBRUARI  MAART 1944 BRON:SADKAARTENBAKOOSTDONGERADEELBRON:HETKONINKRIJKDERNEDERLANDENINWOIIDEEL7
  13. 13. Verderop in dit schrijven worden er nog posten genoemd voor ‘kosten 1e inrichting der door de Zeeuwsche geëvacueerden be- trokken woningen’ en de huur daarvan. Deze opsomming geeft mooi weer wat er in de praktijk gebeurde met de reglementen van het BAB. Het schijnt Jumelet goed te voldoen in Anjum, want hij en zijn vrouw krijgen in februari 1945 nog een derde zoon voor ze pas op 20 december 1945 teruggaan naar Bruinisse op Schouwen-Duiveland. ZEEUWEN IN OOSTDONGERADEEL Op 4 mei 1944 schrijft de CAB Friesland: ‘Volgens de laatste inlichtingen die ik mocht ontvangen zullen er vermoedelijk in’t geheel geen landarbeiders uit de geëvacueerde gebieden naar deze provincie worden overgebracht. De boeren die met het inhuren van een arbeider wachtten totdat zij omtrent de komst van evacuees zekerheid hadden, weten dus thans dat zij daarop niet kunnen rekenen.’ De commissaris bedankt alle mensen die hun best hebben gedaan om plek voor deze landarbeiders te zoeken, zegt dat de gegevens bewaard zullen blijven en raadt boeren aan om toch maar op zoek te gaan naar andere arbeiders, immers 12 mei dé dag om arbeiders weer voor een jaar in te huren is dichtbij. Maar een paar dagen later, op 9 mei, komt de commissaris met een nieuwe mededeling: ‘Zoojuist ontvang ik bericht dat toch arbeiders van de Zeeuwsche en Zuidhollandse eilanden in Friesland zullen worden tewerkgesteld.’ Het zal nog tot 8 juni duren voor er echt Zeeuwse landarbeiders naar de Dongeradelen komen: ‘Ik heb de eer u mede te deelen, dat op Donderdag 8 juni a.s. een evacuatietransport bestaande uit 17 landarbeidersgezinnen, vormende 90 personen, van Rotter- dam zal vertrekken naar de Gemeente Oost-Dongeradeel in Friesland. Deze geëvacueerden zijn afkomstig van de Hoeksche-Waard en Zeeuwsche eilanden. De trein vertrekt ten 7.34 uur van station Rotterdam via Lage Zwaluwe, Breda, Arnhem, Zwolle en arriveert ten 16.48 uur te Leeuwarden, vanwaar verder transport per autobus zal plaatsvinden.’ Dit schrijft de president-directeur, Mr. H.W.J. Mulder, van het BAB op 6 juni. Uit dit alles blijkt dat veel mensen hebben geprobeerd om zo lang mogelijk thuis te blijven en pas als dat echt noodzakelijk werd af te reizen naar elders. Meester Mulder is in bovenstaande brief stellig over de 90 personen die zullen komen, maar dat is te optimistisch gesteld, want uit de registers blijkt dat de toeloop van Zeeuwen heel langzaam ging: in juli 1944 de eerste 12 personen, in augustus 52 personen, in oktober 3 personen. Daaruit valt op te maken dat die 90 personen er waarschijnlijk niet gekomen zijn, omdat er slechts 67 zijn genoteerd. In het onderzoek zijn 69 personen‘boven water’gekomen, maar er is ook een aantal‘Zeeuwen’in Oostdongeradeel geboren, terwijl van een aantal gezinnen wordt vermoed dat die uit meer leden hebben bestaan. In de officiële registers van Oostdongeradeel komen maar 11 Zeeuwen voor! Dat het juiste aantal Zeeuwen niet vaststaat, komt omdat de gemeente pas op 23 december 1944 begonnen is met het aanleg- gen van een evacuatieregister. Voor deze datum zijn er wel wat overzichten, maar bijvoorbeeld namen van geëvacueerden zijn er dan niet. Door de vondst van een lijstje namen in de financiële grootboeken van de gemeente met daarop 14 gezinshoofden, die de zogenaamde ‘overbruggingssteun geëvac[ueerden].’ ontvingen, kon worden begonnen met een speurtocht naar de wederwaardigheden van de Zeeuwse landarbeiders in Oostdongeradeel. Door telefonische en e-mailcontacten kwam stukje bij beetje een vergeten geschiedenis terug. Uit de alzo opgedoken verhalen wordt hieronder het een en ander weergegeven. ZEEUWEN IN MORRA Ds. C.M. de Jong was van 1927 tot 1943 predikant van de gemeente Morra-Lioessens, waarna hij naar Schoorl vertrok. De pas- torie van de gemeente bevond zich in Morra. Omdat deze grote woning daarna toch leeg stond, was die prima geschikt om er vluchtelingen in onder te brengen. Pieter Bijkerk uit Numansdorp op Voorne-Putten staat dan te boek als hoofdbewoner van de pastorie. Hij was getrouwd met Johanna Krabbe en zij hadden samen vijf kinderen, waarvan de jongste pas een half jaar oud was. Het gezin werd ingeschreven op 8 juni 1944 en is tot 31 juli 1945 in de pastorie blijven wonen. Omdat Pieter Bijkerk maar een klein beetje steun kreeg, in een hele maand maar f 11,25 voor zijn gezin van zeven personen, mag aangenomen worden dat hij werk heeft gevonden bij een van de boeren van Morra. Volgens hun in 1941 geboren zoon heeft het gezin een goede tijd gehad in de pastorie te Morra. Voor schoonvader Cornelis Krabbe (67 jaar oud) en zwager Abraham Krabbe was er ook genoeg ruim- te in de pastorie van Morra: in totaal woonden er iets meer dan een jaar lang 10 personen. De familie Krabbe kwam van Nieuwerkerk op Schouwen-Duive- land. Van Abraham Krabbe is bekend dat hij landar- beider en grondwerker was. Hij vroeg in augustus 1944 steun aan bij het Burgerlijk Armbestuur, maar dat verzoek werd ‘voorlopig afgewezen, aangezien hij zich heeft te vervoegen bij de Commissie, belast met de zorg voor geëvacueerden’. Inderdaad stond hij later als C. Crabbe geregistreerd in de grootboeken en ontving hij zakgeld. Bij terugkomst in Numansdorps stond hun huis er nog, het water was intussen verdwenen. Na de grote schoonmaak was het weer goed bewoonbaar. 14 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS HERVORMDE KERK EN PASTORIE IN MORRA BRON:COLLECTIEOOSTDONGERADEEL
  14. 14. 15 Een broer van Pieter, Cornelis Bijkerk, zat met zijn vrouw in Anjum, bij Pieter Boersma. Cornelis was in dienst bij de gemeentelijke luchtbescherming, gehuisvest op de zolder van het gemeentehuis te Metslawier. Dat duurde tot 14 april toen hij geschorst werd, omdat hij als Duitsgezind bekend stond. Hun zoon Bastiaan Bijkerk moet in Duitsland geweest zijn, want hij repatrieerde in mei 1945 naar zijn vader en moeder in Anjum. Ook de familie Leendert Dijkema, afkomstig van Sint Annaland op Tholen, vond een plaatsje in Morra. Zij hadden al een hele reis achter de rug, want ze gingen eerst naar Steenbergen, waar in maart 1944 hun tweede dochter in het ziekenhuis is geboren, later gedoopt in de hervormde kerk van Morra. Mogelijk dat zij met de ‘8-juni-trein’ naar het noorden zijn gereisd. Ze kwamen terecht in het zogenaamde ‘slotsje’ naast de pastorie, waar boer Easge Botma zich gevestigd had, nadat zijn zoon hem in 1939 op de boerderij was opgevolgd. Dijkema kon aan het werk op 'De Wrot', de boerderij van de Botma’s aan de Hearrewei richting Metslawier. De zevenjarige dochter van het gezin Dijkema ging in Lioessens naar school en de jongste dochter herinnerde zich, dat zij met een touw aan een paal vastgebonden zat, omdat ze anders in de dichtbijgelegen sloot dreigde te vallen. Broer Jan Willem Dijkema zat bij Willem Bekker in Ee als landarbeider met vrouw en twee dochters. De beide Dijkema’s waren lid van de NSB, evenals hun dorpsgenoot Pieter Scherpenisse. Ze zijn na de bevrijding alledrie naar een interneringskamp gebracht, waarschijnlijk Westerbork, want de jongste dochter herinnerde zich dat de terugreis langs Westerbork ging. Easge Botma heeft zich nog ingespannen om Leendert Dijkema vrij te krijgen. Er waren namelijk ook onderduikers bij Botma en die zijn nooit door Dijkema verraden, hoewel hij van hun bestaan wist. Toen het gezin terugkeerde, bleek hun huis compleet leeggehaald en ook nog steeds gevorderd. Daarom moesten ze eerst bij familie inwonen. De contacten met Morra zijn in de eerste jaren aangebleven, want rond 1950 zijn ze in Morra geweest en ook Botma heeft hen in Sint Annaland bezocht. Brieven zijn er ook lang uitgewisseld. Pieter Scherpenisse heeft met vrouw en zoon heel wat omzwervingen moeten maken voor hij in Morra terechtkwam. Ze zijn eind 1943 vertrokken naar Utrecht, gingen vandaar naar Bergen op Zoom en volgens de geruchtenstroom zouden ze weer naar Sint Annaland terug mogen, maar dat was ijdele hoop. Met een vrachtwagen zijn nog wat spullen van huis gehaald en daarna naar het hoge noorden gebracht, waar ze onderdak kregen bij Grietje Tilstra. Scherpenisse kon aan het werk bij boer Tjeerd Ozinga en werd direct voor de leeuwen gegooid toen boer Ozinga hem in het Fries vertelde dat hij de paarden uit de wei moest halen. Gelukkig maakten omstanders hem snel wegwijs. Moeder en zoon zijn tot in 1946 in Morra gebleven, omdat vader geïnterneerd was. Hun huis in Sint Annaland had een halve meter onder water gestaan en was bij terugkomst ook nog gevorderd; pas in 1947 konden zij daar weer terecht. Zoon Cees was in die jaren steeds naar de openbare school in Metslawier geweest. Dat moest lopende gebeuren, maar met een groepje was dat best gezellig, wist hij na al die jaren nog. FRIESSPREKENDE ZEEUWEN Het laatste Zeeuwse gezin dat ook in Morra terecht- kwam was dat van Jan Jacobus van Vossen, afkom- stig van Noord Gouwe, Schouwen-Duiveland. Zoon Jan vertelde dat de eerste evacués al in februari 1944 moesten vertrekken. Sommigen gingen naar het ho- ger gelegen gebied bij Renesse en Haamstede en konden op het eiland blijven. Hun eigen gezin ging eerst naar Oud-Beierland op Goeree-Overflakkee naar een tante, maar ook daar konden ze niet blij- ven en zo reisden ze naar Morra, waar ze een eigen huisje kregen toegewezen. Dat huisje werd in tweeën bewoond: de eigenaresse Gatske Visser, weduwe van Sijtse van der Ploeg, be- woonde het voorste gedeelte aan de weg. Van Vossen kwam als volleerd paardenknecht bij boer Gerardus van Kleffens in het Moarster Kleaster werken en het gezin had verder een goede tijd in Morra: aardappelen, melk en tarwe genoeg bij de boer en met goede vriend en smid Age Heegstra werd menige telefoonpaal omgezaagd om aan brandstof te komen. Zout haalden ze in de vorm van pekel bij de zuivelfabriek. Jan ging naar school in Lioessens en kon al snel Fries praten met de dorpskinderen. Als zijn moeder naar de winkel ging, moest Jan mee, want dan kon hij als ‘vertaler’ optreden. De tocht met schoolkinderen op boerenwagens naar de uitspanning in Quatre Bras staat als hoogtepunt in zijn geheugen gegrift! De terugtocht werd op een vrachtwagentje met vier Zeeuwse gezinnen aanvaard. Bij thuis- komst bleek het huis er nog te staan en omdat het wat hoger stond dan de omgeving had het huis niet van het water geleden. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS GEÏNUNDEERD SCHOUWEN - DUIVELAND NIEUWERKERK OP SCHOUWEN  DUIVELAND ONDER WATER BRON:VUUR&WATER BRON:VUUR&WATER
  15. 15. 16 ZEEUWEN IN ENGWIERUM EN OOSTERNIJKERK Net buiten Ee, richting Engwierum, staat rechts van de weg op een terp de boerderij Broersma Sate, in de oorlog bewoond door Tjeerd Wilman. Daar kwam in juni 1944 het gezin terecht van Willem Koert, afkomstig van Oude Tonge op Goeree- Overflakkee. Zoon Willem weet nog goed dat ze dan wel een eigen plekje hadden boven de koestal, maar hij vond dat verre van ideaal, want ze moesten elke keer met de ladder naar boven. Ook was er op de boerderij nog geen leidingwater. Dat werd elke dag gehaald met melkbussen vanuit het dorp Ee. Willem kon goed opschieten met de beide zonen Jaap en Doeke, maar er waren wel eens wat‘taalproblemen’. Het gezin was Nederlands hervormd en werd regelmatig door de dominee bezocht, wat resulteerde in een gelijktijdige doop van de twee jongste kinderen in de kerk te Engwierum; het hele gezin ging er lopend naar toe. In het laatst van de oorlog kwam oudste zus Jannetje, getrouwd met Leendert Gebraad, ook naar de boerderij in Engwierum. Hun zoontje was in juni 1944 geboren in Rotterdam, maar Leendert zelf was nog heel lang in Oude Tonge gebleven, tot het daar te gevaarlijk werd. Oudste zoon Cornelis Koert ten slotte repatrieerde in juni 1945 vanuit Duitsland nog naar Engwierum. Veel contact had de familie Koert met de familie Van Putten, die apart in een arbeidershuisje bij boer Pieter Algra zat, de buur- man van Wilman. Cornelis van Putten kwam van Ooltgensplaat op Goeree-Overflakkee en kon aan het werk op de boerderij van Algra. Hoewel bekend was dat Algra kringleider bij de NSB was, waren er toch onderduikers op de boerderij en ook in het arbeidershuisje ernaast: daar zaten twee politieagenten, de uniformen werden verstopt in het kippenhok. Als er Duitsers langskwamen, moest ook Van Putten zich in de boerderij van Algra verstoppen. Er zijn gelukkig nooit problemen mee geweest. In augustus 1944 werd in het gezinVan Putten nog een zoon geboren en die is met zijn twee zussen op dezelfde dag in oktober in de hervormde kerk van Engwierum gedoopt. De oudste dochter bezocht de school in Engwierum, heen werd ze met de fiets gebracht en terug moest ze naar huis lopen. De terugreis werd gemaakt achter op een vrachtwagen, waarbij onderweg hun hond ook nog van de wagen afsprong en verdween! In Oosternijkerk vonden twee gezinnen een plekje. Het gezin Cornelis Landman uit Heenvliet op Voorne-Putten streek neer in de tapkamer van de oude herberg van de familie Jousma aan De Lyts Ein, terwijl het gezin Cornelis de Haan uit Nieuwerkerk een eigen huisje betrok aan De Buorren, dat eerst in gebruik was als wachtlokaal voor de luchtbeschermingsdienst. Heel bijzonder is dat het gezin De Haan ook in 1953, na de Watersnoodramp, weer in Oosternijkerk onderdak vond, mogelijk in het- zelfde huis, dat intussen onbewoonbaar was verklaard en na hun terugkeer naar Zeeland werd afgebroken. Bij hun terugkeer naar Nieuwerkerk in 1945 bleek hun huis aan de Brouwerstraat geheel verdwenen, de grond ging naar de gemeente en het gezin werd ondergebracht in een noodwoning. Roeland Landman was in juni 1943 al opgepakt door de Duitsers en moest dwangarbeid verrichten in de buurt van Hannover. Hij kwam in mei 1945 naar zijn familie in Oosternijkerk en had ‘geen hemd meer aan het lijf’. Zijn aanvraag bij het Nederlands Volks Herstel werd zo gehonoreerd: De meeste leden van het gezin Landman gingen eind juli 1945 weer richting Heenvliet, maar anderen bleven in de omgeving hangen. Geertruida Landman trouwde met een Oosternijkerker en haar nakomelingen wonen nog steeds in het dorp. Voor de volledigheid de namen van de andere Zeeuwse gezinshoofden: Leendert Heijboer was in Lioessens bij Trientje Faber, Willem de Buck in Met- slawier bij Joukje Boonstra, Wouter van der Stel bij Gerrit H. Dijkstra in Anjum, Pieter de Jongste, verder onbekend en Willemse, verder onbekend. De volgende keer de vluchtelingen uit Arnhem en omgeving en dan zullen de taferelen, zoals die op het omslag van dit blad te zien zijn, besproken worden. OudereDokkumerszullendatbeeldzekerherkennen. BRONNEN Gebruikt werden: (1) R. Nouta, Dijken en zeedijksters J. Koolhaas-Revers, Evacuaties in Nederland, 1939-1940 De Tremyn, jaargang 2008 nr. 8, De Trieme van weleer (2) L. de Jong, Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog Tresoar Gedeputeerde Staten van Friesland archief 12-01 nr. 3448 / SAD - aanvullingen archief Oostdongeradeel nr. 89 en 90 (3) Zie bij (2) en Kees Slager, Verjaagd door vuur en water Grootboeken Oostdongeradeel / SAD - Aanvullingen archief Oostdongeradeel nr. 115, 116, 117 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS TERUGKERENDE EVACUÉS TROFFEN HUN HUIZEN SOMS VERWOEST AAN, ZOALS IN SLUIS BRON:VUUR&WATER
  16. 16. ONBEKEND SCHILDERIJ OPGEDOKEN In De Sneuper 116 schreef ik een artikel over Wessel Pieters Ruwersma (1751-1827), een huisschilder die zichzelf het kunstschilderen leerde en zelfs korte tijd leermeester van de beroemde Willem Bartel van der Kooi was. Hij werd geboren in Holwerd, maar woonde en werkte meestentijds in Buitenpost. Daar schilder-de hij o.a. een prachtig genealogisch over- zicht van de familie Van Haersma en een schoor- steenstuk in de pastorie van de Nederlands Hervorm- de kerk in Twijzel. Recent dook een nieuw werk op toen de heer Rob Smit uit Enkhuizen mij meldde dat hij ook een schil- derij van Ruwersma in bezit heeft. Hij kreeg het uit de erfenis van zijn schoonouders, de familie Wijbenga. Schoonvader Hendrik Wijbenga was getrouwd met Derkje Eltje Toering. Zij woonden volgens Smit rond 1952 in het portiershuisje van de Haersma State in Buitenpost. Hoe ze aan het schilderijtje zijn gekomen is onbekend, maar het paneeltje hing vele jaren in de hal van hun woning in Enkhuizen. ONBEKEND HUISJE Geert van derVeer deed nader onderzoek naar het huisje en vernam van Anja van Lune, een dochter van wijlen Anne van Lune, dat deze woning lang geleden is afgebroken. Wanneer precies is niet duidelijk, vermoede- lijk eind jaren 60. Het huisje stond dichtbij de openbare school aan de Schoolstraat 21, hoek Schoolstraat – Berkenlaan (aan de linkerkant). Het zal dus niet een portiershuisje bij Haersmastate geweest zijn, maar de conciërgewoning van de school. Het werd gekocht door de familie Turk- stra toen haar tante Geertje Veenstra met Andries Turkstra trouwde. Op het schilderij zien we een zeilscheepje in de vaart voor een tweetal huisjes,waarvooreenboerinlijkttelopen.Rechtsonderishetgesigneerd met de initialen WPR, waarbij de P en R in elkaar overlopen. De maten van het schilderijtje: Met lijst is het 25 cm breed en 20 cm hoog. Het beschilderde paneeltje is 10,5 cm hoog en 16 cm breed. Mocht iemand de plaats van de afbeelding op het schilderij herkennen, dan horen we het graag. Het aardige is dat we nu dus een duidelijke signering van Wessel Pieters Ruwersma hebben. Wellicht aanleiding voor lezers ook de schilderijen bij hen in huis nog eens nader te bestuderen! 17 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS LANDSCHAP WESSEL PIETERS RUWERSMA SCHILDERIJTJE door HANS ZIJLSTRA sneuperdokkum@yahoo.com WESSEL P. RUWERSMA WONING HENDRIK WIJBENGA EN DETJE TOERING  BUITENPOST SIGNERING EN HANDTEKENING WESSEL PIETERS RUWERSMA OP AKTE NAAMSAANNEMING IN ACHTKARSPELEN UIT 1811 BRON:WWW.ALLEFRIEZEN.NLFOTO:FAMILIEVANLUNE FOTO:HANSZIJLSTRA
  17. 17. ÚT IT GEA FAN STERKE HEARKE We hebben in Friesland Grutte Pier, maar in Achtkarspelen hebben ‘we’ Sterke Jerke / Hearke. Heerke wordt in het Fries ge- schreven als Hearke, maar uitgesproken als Jerke. Heerke Tjerks Witteveen: over zijn kracht zijn heel wat verhalen bekend. Deze verhalen zijn o.a. opgetekend door Dam Jaarsma in het boek dat vernoemd werd naar deze sterke boerenarbeider: ‘Ut it gea fan Sterke Hearke’, een uitgave van de Fryske Akademy uit 1987. Deze verhalen waren eerder ver- schenen in‘De Strikel’in 1962 en 1963. Bij mijn voor- beelden over de daden van Heerke heb ik geput uit de verhalen van Dam Jaarsma. Heerke werd geboren op 6 december 1801 als zoon van Tjerk EgbertsWitteveen en Imke Heerkes. Heer- ke zijn pake Egbert Tjerks kwam van ’t Witveen bij Oostermeer. In het informatieboek Tietjerksteradeel komen we hem tegen in 1772. Hij is dan huisman (= kleine boer) te Oostermeer op ’t Witveen, oud 48 jaar (in't 49-ste jaar): 'doet aangifte van diefstal van een korf bijen, staande bij het huis van Roel Sybes aan de Muntje Gruppels weg' (nu nog de Mûntsegroppe bij Harkema) op 24 of 25 juli. Op 31 juli of 1 augustus is er nog een korf gestolen, de eerste is teruggevon- den bij Rottevalle, onder het behoor van Harkema Opeinde. Aangever heeft deze korf in aanwezigheid vanAndrysFoppesenRoelFeitses,beidenwonende te Harkema Opeinde, als zijn eigendom herkend. DE NAAM WITTEVEEN Egbert Tjerks nam in 1811 voor zichzelf en zijn kin- deren en kindskinderen de naam Witteveen aan. Hij was toen al 87 jaar en stierf een jaar later. In de akte van naamsaanname wordt gesproken van Heerke als oudste zoon van Tjerk, de naam doet ech- ter vermoeden dat er nog een oudere zoon Egbert moet zijn geweest en na onderzoek op de site alle- friezen.nl blijkt dit inderdaad: er was nog een Egbert, geboren in 1798, overleden op 5 november 1808 op de leeftijd van 10 jaar. (De vader van de vader werd immers in de regel als eerste vernoemd). De naam van de oudste dochter van Tjerk wordt op de site allefriezen.nl vermeld als Pietertje, volgens mij is de eerste letter echter een R. En ik maak er dan ook Rikstje van, genoemd naar de moeder van Tjerk. Dit doet mij opnieuw vermoeden dat er nog een Tjitske moet zijn geweest, naar de moeder van Imke, deze heb ik echter niet kunnen vinden. Het gezin van Tjerk en Imke zag er dus zo uit: Vader: Tjerk Witteveen, zoon van Egbert Tjerks en Rikstje Wybes, geboren in 1759 te ’t Witveen onder Oostermeer. Overleden op 10 februari 1845. Hij was boer, imker en executeur (dit wordt omschreven als iemand die vonnissen moet uitvoeren). Moeder: Imke Heerkes, aangeduid met de achternamen: Kloostermen, Sypkema en Sikkema, geboren in 1775 te Drogeham als dochter van Heerke Rykeles en Tjitske Pieters Sipkema. Zij is overleden op 2 januari 1841 te Drogeham. Tjerk en Imke trouwen op 28 december 1794 te Drogeham in de Nederlands Hervormde kerk. Hij is dan 35 jaar, zij is 19. Ze wonen in daarna Buitenpost en in Drogeham. Kinderen: Rikstje 1796 - 1822 Egbert 1798 - 1808 Heerke 1801 - 1890 Tjitske 1806 - 1847 Egbert 1809 - 1864 Grietje 1813 - 1871 Riekele 1818 - 1884 18 HEERKE TJERKS WITTEVEEN STERKE JERKE door MATTIE BRUINING-HOEKSMA m.bruining@chello.nl GEDEELTE UIT DE AANGIFTE  1772 GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENISAKTE VAN NAAMSAANNAME - 1811 BRON:ALLEFRIEZEN.NL GEDEELTE UIT DE AANGIFTE  1772
  18. 18. tijdvanburgersenstoommachines DÛKNEKKICH EN MOOIDÛBELD Van Heerke zijn geen foto’s, we moeten het doen met de beschrijving van een ooggetuige die hem in 1890 zag: ‘een beetje gedrongen, met brede schouders.’Hij omschrijft het in mooi Frysk: ‘in bytsje dûknekkich en mooi-dûbeld’. Ook toen, in zijn laatste levensjaar, was Heerke nog oersterk en sleepte hij regelmatig met boomstammen. Heerke komt later met z’n gezin wonen aan de Lyt- se Wei en blijft daar tot zijn dood wonen. Hij had de kracht van zijn vader; die stond ook bekend als iemand die je kon vragen om iets zwaars voor je te tillen. Er zijn verhalen bekend van jonge mannen die hun krachten wilden meten met Heerke, maar die na het zien van wat hij kon optillen snel afdropen. Heerke was goedaardig en wilde niemand echt zeer doen, maar als hij een aanvaller van zich afschudde gebeurde dit wel hardhandig. Heerke moest in mili- taire dienst en kwam daardoor in Den Helder. Ook daar werd er jaren later nog gesproken over die sterke man uit Friesland. Heerke trouwt op 27 maart 1831 met Geertje Jans Oldenburger, dochter van Jan Baukes Oldenburger en Martzen (Martje) Oebeles Rinsma. Geertje was geboren op 7 november 1808 te Harkema Opeinde. Nu lag Harkema Opeinde vroeger meer te- gen Drogeham aan dan nu en is het mogelijk dat haar woonhuis stond in wat nu onder Drogeham zou vallen. Datzelfde geldt ook voor het huisje waar ze woonden: het valt nu onder Drogeham, maar in de geboorteaktes van Heerke zijn kinderen wordt zowel Drogeham als Harkema Opeinde genoemd. Volgens Dam Jaarsma heeft Heerke nooit ergens anders gewoond. Heerke en Geertje hun eerste kind Imke wordt geboren als Geertje 19 jaar is. In de akte staat dat ze in Surhuisterveen woont. Ze zijn dan nog niet getrouwd en in de akte staat daarom ook: ‘aangever erkent de vader te zijn’. Het kind wordt geboren in huis nummer 78 te Drogeham. Is dat het huis van Heerke z’n ouders? Nog een leuke vondst: een van de getuigen van de aangifte van de geboorte is Folkert Sjoerds Bruining, de oer-oer-pake van mijn man! Die woonde toen in Surhuisterveen en was mogelijk een buurman of bekende van Geertje. Ook hun tweede kind wordt voor ’t huwelijk geboren, opnieuw een dochter: Martzen. Heerke en Geertje krijgen in totaal 13 kinderen. Hij moet van vier kinderen het overlijden meemaken: Tjerk overlijdt op de leeftijd van 29, twee keer een Jan, 5 jaar en 5 dagen oud en ook dochter Hinke wordt maar 33 jaar. Hinke en de tweede Jan zijn een tweeling. Alleen van dochter Grietje kan ik de overlijdensdatum niet vinden, de anderen worden allemaal minimaal 65 jaar. Van de dochter Rikstje (1838-1904) is bekend dat zij ook erg sterk was, zo ook van de kleinzoon Egbert (een zoon van Riekele). DÊR WENNET ER EN DIT IS ER! Heerke had bij zijn huisje aan de Lytse Wei wat vee en verbouwde er groenten. Ook was hij als los arbeider vaak aan het werk voor de twee vrijgezelle broers Bindert Jacobs en Douwe Jacobs Kloosterman, die een boerderij hadden op Buweklooster. Hij deed dit nog tot op hoge leeftijd. Heerke was in zijn werk een kalme, steeds in hetzelfde tempo werkende, man. De verhalen over hem gaan vooral over zijn staaltjes van kracht. Het bekendste verhaal dat er over hem gaat is van een man die van ‘over ’t kanaal’ kwam (uit Buitenpost of Stroobos), die met eigen ogen wel eens wilde zien of die Jerke echt zo sterk was en met hem de worsteling wilde aangaan. Hij kwam naar Drogeham en vroeg een man die aan het ploegen was waar Heerke woonde. Die arbeider tilde met zijn rechterarm de ploeg op en wees daarmee naar zijn huis en zei: 'Sjoch dêr wennet er...' en met zijn linker vuist sloeg hij zich op de borst en zei: '...en dit is er!' De onbekende man wist genoeg en zag af van een confron- tatie. Ook is bekend van Heerke dat hij het bij zware vrachten jammer voor de paarden vond, ze dan uitspande en zelf de kar trok. 19 GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS HUISJE VAN HEERKE AAN DE LYTSE WEI  1962 / LATER IS HET AFGEBROKEN BRON:WEBSITEVANJ.P.DEGROOT BRON:BOEK'UTITGEAVANSTERKEJERKE' PLOEG ZOALS IN JERKES TIJD GEBRUIKT WERD
  19. 19. TOT BLOEDENS TOE... In 1842 werd Heerke door grietman Daniël De Bloq van Haersma de With aangesteld als veldwachter, ook wel‘stille politie’ genoemd. Hij verdiende hier zo’n 50 gulden per jaar mee. Hij deed dit tot 1872, hij was dus al over de 70 en kreeg toen eervol ontslag en pensioen. Ook hierin was hij bekend om z’n goede inborst: hij wilde liever geen boetes en processen verbaal uitdelen, dat kon hij niet over z’n hart verkrijgen. Maar als hij moest optreden tegen vechtende jongens, werden ze wel met grof geweld en soms tot bloedens toe uit elkaar gehaald of aan de kant gesmeten. MIJN GENEALOGISCHE LIJN Mijn voorouder Pieter Nannes had land naast dat van Heerkes vader Tjerk. Zo komen alle lijntjes mooi bij elkaar. De verwantschap tussen Heerke en mij: we stammen beiden af van Tjerk Jans, geboren rond 1700 als zoon van Jan Jelles en Loltje Gauckes. Hij is overleden te Drogeham op 28 november 1749. Hij is getrouwd te Oostermeer op 7 februari 1723 voor de kerk met Grietje Egberts, geboren onder De Tike te Suameer in het jaar 1703, overleden te Drogeham op 5 au- gustus 1769. Zij was een dochter van Egbert Hidsers en Bieuwkjen Sybrens. Tjerk Jans en Grietje Egberts twee van hun kinderen: 20 GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS BRON:ALLEFRIEZEN.NL UW GENEALOGISCHE LIJN Hebt u ook een mooi verhaal uit uw familiegeschiedenis met een genealogische lijn naar een beroemd, berucht of bekend persoon? Publiceer uw genealogische lijn in De Sneuper en deel uw onder- zoeksgegevens met andere leden van onze vereniging! Loltje Tjerks * rond 1745 † 12-02-1773 Drogeham (na geboorte dochter) x 12-07-1772 met Johannes Jans Kasje * 29-11-1744 Twijzel † voor 1812 Loltje Johannes Kasje * 06-02-1773 Drogeham † 23-02-1840 Drogeham x 21-05-1797 met Fokke Pieters Hoeksma * 03-04-1763 Drogeham † 05-04-1838 Drogeham Pieter Fokkes Hoeksma * 19-02-1804 Drogeham † 02-04-1866 Eestrum x 30-06-1827 met Maaike Sakes Rijpma * 20-03-1807 Drogeham † 16-09-1851 Eestrum Fokke Pieters Hoeksma * 22-08-1831 Drogeham † 23-06-1904 Kooten x 13-05-1871 met Geeske Gerlofs Kootstra * 06-12-1851 Kooten † 23-12-1924 Kooten Jelle Fokkes Hoeksma * 08-07-1882 Kooten † 18-01-1970 Augustinusga x 02-05-1912 met Baukje Louwes de Graaf * 22-03-1887 Buitenpost † 17-11-1966 Drachten Louw Jelles Hoeksma * 29-07-1917 Kooten † 25-07-1986 Surhuisterveen x 28-10-1948 met Aafke Ates Postma * 19-02-1923 Doezum † 11-04-2014 Surhuisterveen Martje / Mattie Hoeksma * 20-08-1958 Surhuisterveen Egbert Tjerks Witteveen * 06-12-1723 Oostermeer † 08-11-1812 Drogeham x 1751 met Rikstje Wybes * 1727 † 17-09-1806 Witveen Tjerk Egberts Witteveen * 1757 ’t Witveen † 10-02-1845 Drogeham x 28-12-1794 met Imke Heerkes Kloosterman * 1775 Drogeham † 02-01-1841 Drogeham Heerke Tjerks Witteveen / 'Sterke Jerke' * 06-12-1801 Drogeham † 25-07-1890 Drogeham x 27-03-1831 met Geertje Jans Oldenburger * 07-11-1808 Harkema Opeinde † 11-01-1899 Drogeham HUWELIJKSPROCLAMATIE VAN TJERK EN IMKE - 1794 AFSTAMMELINGEN STERKE JERKE? De stichting Oud Achtkarspelen besteedt op haar historische dag op 7 april 2017 aandacht aan Sterke Jerke en is op zoek naar afstammelingen. U mag Mattie Bruining-Hoeksma hierover mailen.
  20. 20. 21 VELDPOSTUITWOI ZINGEND EN MARCHEREND NAAR BREDA VELDPOST VAN JAN BOUTA ZINGEN... Bij de NijmeegseVierdaagse weten ze het wel. Als je te voet flinke afstan- den moet overbruggen gaat dat gemakkelijker op de maat van muziek. Ook soldaten van alle tijden marcheren op muziek. Geen instrumenten voorhanden? Dan maar zingen met z'n allen. Maar wat gebeurt er wan- neer je een stel kerels laat zingen? Dan worden de teksten steeds platter! In opdracht van het Ministerie van Oorlog werden in 1915 zangbundels gedrukt 'met 64 Marschliederen voor het neutrale Ned.leger'. Op de kaft een stel zingende soldaten, dan een bladzijde waar je naam en regiment ingevuld moesten worden. Op de eerste bladzijde Het Wil- helmus en meteen daaronder... het Friese volkslied! Elke soldaat kreeg bij zijn uitrusting zo'n zangboekje. Zo zongen de soldaten van Neder- land allemaal dezelfde liederen. Het boekje werd een groot succes. Zo goed, dat het in 1938 voor de vólgende mobilisatie opnieuw gedrukt werd. Het exemplaar van Jan Bouta is bewaard gebleven. ...EN MARCHEREN MAAR! In oktober 1917 was het gedaan met de rust in Grijpskerke voor het regi- ment van Jan. 24 november 1917 Middelburg: 'Nu ouders, wij zijn uit Grijpskerke vandaan en nu ben ik in Middelburg in- gekwartierd. En morgenvroeg om 8 uur gaan wij verder naar Goes. Dus het lijkt er nu toch op dat wij Zeeland verlaten. Nu ouders het gaat u maar goed hoor. Wees nu hartelijk gegroet van uwen zoon Jan. 3Comp 1 Bat Res 24 Reg. Opm n Eindhoven!' In deze maand moest er flink gemarcheerd worden. In één week lopen ze naar Middelburg, Goes, Krab- bendijke en Breda. En de wind gaat tekeer over het vlakkeZeeuwseenBrabantseland!Janheeftmedelij- den met het regiment dat het zijne op Walcheren komt aflossen, omdat die mannen tegen de wind in moeten marcheren. 25 november 1917 Goes: 'Het 23ste Reg is ons van daag tegen gekomen, dat voor ons op Walcheren komt. Maar die jongens zullen wel blij zijn dat ze op de plaats waren; die hadden te- gen de wind in. Dat maakte nogal wat verschil bij ons. Wij hebben vandaag weer een mooi eind geloopen.' 26 november 1917 Krabbendijke: 'Morgen nog een 16 KM dan zijn wij uit Zeeland vandaan. Ik heb nog nergens last van gehad, de voeten mankeeren mij ook nog niets. Dus dat zal wel gaan nietwaar.' Jankrijgteentegenvaller.HijhooptejongerebroerWietzeteontmoeten,dieindebuurtgelegerdis. 30 november 1917 Breda: 'Wij zijn nu in Breda en morgen naar Moergestel. Het spijt mij wel dat we geen dag rust krijgen, want dan had ik mooi naar Wietze kunnen gaan. Nu [krijgen we op] donderdag rust, omdat de Roomschen een feestdag dan hebben.' Dan is het 6 december, de dag van Sint Nicolaas, een feest dat bij protestantse Jan thuis dus niet werd gevierd! wordt vervolgd door HILDA BOUTA hildabouta@hetnet.nl 1915 - 1918 Zoals wij nu contact onderhouden via Whatsapp, e-mail of telefoon, zo stuurde Jan Minnes Bouta tijdens zijn mobilisatie 100 jaar geleden steeds trouw beschreven ansichtkaarten naar huis, die een mooi beeld geven van een Friese jongen die in de Eerste Wereldoorlog ver van huis gestuurd werd. Veldpost van Jan Bouta uit de periode 1915 - 1918. BREDA MET CHAUSSEE-KAZERNE
  21. 21. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS Als je alles verliest, denk eraan je goede naam te bewaren! Is die eenmaal verloren, dan zal jij niemand meer zijn UNKNOWN YOUNG MAN In vervolg op het artikel over het portret van de 'unknown lady', Lisck van Eijsinga (De Sneuper 119) dat in Engeland onlangs boven water kwam, wordt in dit artikel ingegaan op het tweede portret, de 'unknown young man' uit 1611 met de alliantiewapens Van Eijsinga - Van Eelsma. De onbekende jongedame van 17 jaar, die door een handelaar in Enge- land werd aangeboden, bleek dus Lisck van Eijsinga, dochter van Aede van Eijsinga en Foeck van Eelsma, te zijn. Zij was tweemaal gehuwd, eerst op 15-jarige leeftijd in 1609 met Hessel Hessels van Meckama en na zijn overlijden in 1612, in 1616 met de Deense militair Erich Steensen Brahe. Lisck werd 30 jaar en overleed in Denemarken op 5 november 1624. Uit haar testament van 1623 blijkt dat ze ondanks het tweede huwelijk toch bij haar eerste man en grote liefde, Hessel van Meckama, in Kollum begraven wilde worden.Waarschijnlijk is in 1625 het gebalsemde lichaam van Lisck ook daadwerkelijk vanuit Denemarken naar Kollum overge- bracht om bij haar Hessel te zijn. De afgebeelde jongeman van 25 jaar, kan echter geen zoon van Aede van Eijsinga en Foeck van Eelsma zijn, omdat deze pas in 1587 huwen. Als de schilder en opdrachtgever goed geteld hebben, moet de afgebeelde per- soon geboren zijn in 1585 / 86. Het tweede portret is helaas van mindere kwaliteit en is kennelijk ooit zeer slecht gerestaureerd . Het gezicht is deels overschilderd en verworden tot een karikatuur. Ook met de wapens lijkt iets te zijn gebeurd. BEZOEDELD BLAZOEN Nadere bestudering van de wapens, helmkleden en helmteken roept vraagtekens op. Waarom is op het schilderij van Lisck de kleur van het helmkleed en helmteken geheel overeenkomstig het Van Eijsinga-wapen en bij het manspersoon niet ? Bij de Van Eijsinga's een rode uitkomende leeuw tussen een rode en witte struisveer met een zilver helmkleed ge- voerd van rood. Bij de jongeman staat een blauwe vogel met uitgestrekte vleugels op de helm en is het helmkleed blauw en gevoerd van zilver. Na wat speuren blijkt dat dit het helmteken en -kleed van de Van Meck- ama's is. De blauwige rand onder het Van Eijsinga wapen doet dan ook vermoeden dat het over het Van Meckama wapen is geschilderd. Zelfs iets van de bovenste witte roos is nog met het blote oog te zien. Het Van Eelsma wapen van Lisck's moeder is dan over hetVan Feytsma wapen van de moeder van Hessel geschilderd. Rechtsboven schijnt het rood ook nog door het blauw. Het is dus zeer aannemelijk dat dit een portret van Lisck's eerste man, Hessel van Meckama (Kollum september 1586 - Kollum 17 september 1612) betreft. De combinatie jaartal en leeftijd klopt dan ook. Het schilderij zal dan in het najaar van 1611 geschilderd zijn. De vraag is dan waarom en wanneer de wapens overgeschilderd zijn. Onderzoek geeft aan dat de overschildering van de wapens veel ouder is dan de overschildering van het gezicht. Dit lijkt kort na Hes- sels overlijden gedaan te zijn. In opdracht van Lisck of haar familie om de beeltenis van Hessel te camou- fleren als een broer, om het portret van haar eerste man mee naar Denemarken te kunnen nemen? Of heeft de familie het eerste huwelijk willen wegmof- felen? De Collumer klokken dy klipten, For Lisck fen Eijsinga, Hja kaem werom by hjar âlden, En Hessel fen Meccama. (uit Ballade Lisck van Eijsinga van Simke Kloosterman) 22 UNKNOWN YOUNG MAN FOTO'S:WIBOBOSWIJK EERHERSTEL VOOR door WIBO BOSWIJK w.g.boswijk@gmail.com HESSEL VAN MECKEMA HELMKLEED EN  TEKEN BIJ ONBEKENDE JONGEMAN VAN MECKEMA VAN FEYTSMA VAN EYSINGA VAN EELSMA HELMKLEED EN TEKEN BIJ LISCK VAN EIJSINGA
  22. 22. tijd van regenten en vorsten UV & RÖNTGEN Met UV-licht kan men verflagen die vlak onder het oppervlak liggen af- hankelijk van hun samenstelling, anders laten oplichten. Het UV beeld bevestigt in ieder geval duidelijk dat er sprake is van overschilderingen. Röntgenonderzoek bij oude schilderijen gaat uit van de verschillende doorlaadbaarheid voor röntgenstraling van verschillende verfsoorten. Vooral oude, witte verf, die vroeger loodhoudend was, blokkeert deze straling. Plaatsen waar veel witte verf zit of lichtere, met witte verf ver- dunde gedeelten zijn dan wit of lichter op de plaat. Na röntgenonder- zoek blijkt er een reëler beeld van Hessel tevoorschijn te komen. Minder prominente haarbos, smallere neus, kleinere mond, maar wel een por- tret wat meer aanspreekt dan de karikatuur die ervan overgebleven is. Dat er met röntgenstraling weinig of niets van de nieuwe verflaag te zien is, geeft het idee dat dit met moderne, loodvrije, 20e-eeuwse verf is gedaan. Bij het alliantiewapen zijn de drie witte Meckama rozen en het gevest van het zwaard te onderscheiden. Van het wapen van de Feytsma's is nog iets te zien van de meest rechter lelie en vagelijk de contouren van het hartschild. De tekst met datum en leeftijd blijkt oor- spronkelijk. Het röntgenbeeld lijkt het verwijderen van de bovenste verflaag van het gezicht te rechtvaardigen. Een ingrijpende aangelegenheid, die ge- dreven door nieuwsgierigheid in gang gezet is en het gevoel geeft iets te corrigeren wat in het verleden fout is gedaan. De restauratie is uitge- voerd door restaurator Ariëlle Veerman in Amsterdam. Nadat de eerste verflagen verwijderd zijn, komt Hessel van Meckama pas echt uit de verf, al is het wat dunnetjes. Bij de wapens is het duidelijk moeilijker de lagen te scheiden, aangezien de overschilderingen vrijwel net zo oud zijn als het oorspronkelijke schilderij. De rozen van Van Eij- singa zijn zo hard dat zij redelijkerwijs niet te verwijderen zijn. Van alle onderdelen van het wapen van Van Meckama is wel een spoor te zien: bij Van Feijtsma nog wat meer van de bovenste lelie en de rode achter- grond en zeer vaag de contouren van het hartschild. Gekozen is om de wapens in te vullen op grond van deze aanwijzingen. Uit historisch/restauratie-oogpunt niet correct, maar zoals Lisck in haar testament had aangegeven, wilde zij de alliantie met beider wapens ook in haar epitaaf terug zien. Misschien wel mede als reactie op het overschilderen van Hessels wapens op zijn portret. WIE WAS HESSEL VAN MECKEMA? De familie Van Meckama was een vooraanstaande familie in Friesland . De overgrootvader Pybe van Meckama (1510-1544) en een oudoom Sippe (± 1470 -1519) vertegenwoordigden Kollumerland al in de eerste helft van de 16e eeuw aan het Hof in Brus- sel. Beiden overleden daar ook en beiden zijn in Brussel in de Sint Michiel en Sinte Goedele kathedraal begraven. Bij de ingang van de kerk is nog steeds een versleten steen te zien, waarop het helmteken van de Meckama's te onderscheiden is (zie pag. 25). De familie-naam was vanouds (Van) Meckama, maar werd later steeds meer geschreven als Meckema. Voor families die relaties in Holland en de Zuidelijke Nederlanden onder- hielden, werd het steeds chiquer om de Friese uit- gang-matevervangendoor-mans.Zozietmenbij de Van Meckama's na 1600 steeds meer de vorm Meckmans, ook op Hessels grafsteen in Kollum. Hessel Hessels van Meckama werd in september 1586 postuum geboren als zoon van Hessel Sippes Meckama, kapitein in het Staatse leger, die op 17 januari 1586 sneuvelde bij de Slag bij Boxum. In de Chronique van Vrieslandt van Pier Winsemius wordt de dood van zijn vader als volgt vermeld: Hessel Meckama, capiteijn van een vaendel, is van een speerruyter al vechtende in den slinker zijde gesteken. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS RÖNTGENOPNAME RESTAURATOR ARIËLLE VEERMAN AAN HET WERK 23 SLAG BIJ BOXUM  1586 BRON:COLLECTIERIJKSMUSEUM FOTO'S:WIBOBOSWIJK
  23. 23. 24 GRAFMONUMENT VOOR HESSEL Zijn grootouders, Sippe (Scipio) van Meckama (±1530-1599) en Emerentia van Grombach (±1533-1608) lieten in de Grote Kerk van Leeuwarden een epitaaf oprichten voor hun gesneuvelde zoon met de volgende Latijnse tekst: Ik, Hessel Meckama, heb tijdens het bewind in Friesland van Merode [1] voor mijn vaderland de hoog- ste krijgstekens gedragen. Daarna was ik aanvoerder in de wrede oorlogsstrijd terwijl u, Graaf van Nassau [2] óók Friesland bestuurde. Terwijl de Janus met twee gezichten zes + tachtig + vijfhonderd driemaal jaren liet verstrijken, op de dag van Antonius [3] . Toen ik vijf lustra van mijn leven zag [4] en ik dapper tegen de vijand inging bij Boksum, heeft een lans mijn flank doorboord. Scipio Meckama en Emrens Grom- bach, mijn ouders stellen in droefheid hier een droef grafmonument voor mij op. [1] Bernard van Merode 1510-1591, plaatsvervanger voor Willem de Zwijger in Friesland [2] Graaf Willem-Lodewijk van Nassau Dillenburg, stadhouder van Friesland na 1584 [3] 17 januari 1586 [4] 25 jaar [Vertaald door Joke Gehlen-Springorum.] Na de dood van zijn vader wordt Hessel junior samen met zijn zuster Luts opgevoed door hun moeder His van Feytsma (± 1555 -1603), bijgestaan door hun ooms Ofke (± 1549 - 1613) en Jelger (± 1660 - 1621) van Feytsma als voogden.Vanaf 1603 waren zijn zuster en hij geheel verweesd na het overlijden van hun moeder. Voor Hessel was geen militaire carrière gepland, maar eerder een bestuurlijke. Hiervoor ging hij rond 1605 studeren in Franeker. Uit deze periode is nog een Album Amicorum inschrijving van zijn hand bewaard gebleven, in het album van Matthias Franckena. Alsjeallesverliest,denkeraanjegoedenaamtebewaren! Is die eenmaal verloren, dan zal jij niemand meer zijn. Deze paar woorden heeft Hesselus H. Meckmans nagelaten aan een jongeman die uitmunt door ge- leerdheid, vroomheid en andere deugden: de wel- edele heer Mathias Franckena, zijn dierbare vriend. Franeker, 1 mei 1605. [Vertaald door Joke Gehlen-Springorum.] DE GRIJTSCLAEU VAN VAN MECKAMA Zijn wapens en zijn gezicht zou Hessels portret over de jaren verliezen, maar door zijn 'goede' naam te achterhalen en de res- tauratie hebben we hem beide terug kunnen geven. Hessel was waarschijnlijk voorbestemd om grietman van Kollumerland te worden. Iets wat hierop duidt is een vermelding in het gezamenlijke testament van Hessel en Lisck van 1612: Ende boven dien legateren ende bespreken wij testateurs elcx anderen vuijt sonderlinge lieffde, ende om redenen ons moverende eeuwelijcken ende erfflijcken alle onse ende elcx besundere roerlijcke goederen mitsgaders gelt, golt silver gemunt ende niet gemint, clenodien ende anders van allen niet exempt, Ende zoe verre die Grijtsclaeu mij Meckama van mijn zalige bestevader ende bestemoeder naegelaeten verstanden wordt niet buiten die graet te mogen gaen. Het gaat hier om de 'Grijtsclaeu' die hij van zijn grootvader Sippe (Scipio) Pybes van Meckama (1524-1599), grietman van Kollumerland (1584) had geërfd en in de familie moest blijven. Misschien afkomstig van zijn oudoudoom Sippe van Meckama (±1470-1519), die ook grietman van Kollumerland was. Een grietsklauw is waarschijnlijk een onderscheidings- teken dat de waardigheid van een grietman aangeeft in de vorm van een vogelklauw. Op het portret van Worp van Ropta (1504-1551), grietman van Dongeradeel, lijkt Worp een klauwachtig voorwerp in de hand te heb- ben. Deze Worp was een halfbroer van Hessels overgrootmoeder Sjouck Tjaarda van Starkenborg en theoretisch zou dit via vererving ook Hessels klauw kunnen zijn als deze uit de Tjaarda-kant kwam. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENISFOTO:HANSZIJLSTRA WORP VAN ROPTA MET KLAUW IN RECHTERHAND BRON:COLLECTIERIJKSMUSEUM
  24. 24. 25 Achteraf werd Hessels zwager Ritske van Eijsinga (1603 - 1651), die later Nieuw-Meckama state erfde en bewoonde, in 1639 grietman van Kollumerland. De klauw zal waarschijnlijk bij de nazaten van zijn zus Luts en zwager Douwe van Aylva terecht gekomen zijn. Na het overlijden van Hessel en de afwikkeling van het testament, zal er voor de jonge, vermogende weduwe een nieuwe bruidegom gezocht gaan worden. Ondanks de 'vuijt sonderlijcke lieffde' moest Lisck verder... Mar nimmer net kin ik drage, Wer wyt mei 'n wale der oer, Ik wol net wer tinke om det earste, It makket my noch oerstjûr. (uit Ballade Lisck van Eijsinga van Simke Kloosterman) WIE WAS DE SCHILDER? Aangezien de beide portretten niet gesigneerd zijn, is de schilder onbekend. Een reeks schilderijen vanaf 1603 in de collectie van het Fries Museum heeft een aantal overeenkomsten in de letters 'Ætatis suæ' en 'Anno' die doen vermoeden dat deze gehele groep portretten door één schilder is gemaakt. Ook de helm en wapenschilden lijken erg op elkaar. De portretten van Hessels achterneefjes Snelger (Æt: 12) en Menne (Æt: 16) van Meckama van het Fries Museum, zijn in 1611 m.i. door dezelfde schildergeschilderd.DoorWassenberghwerddezegehelereekstoegekendaan'De schilder van het portret van Adie Lambertsz'. Een bekende portretschilder uit Leeuwarden die voor deze schilderijen in aanmerking komt, is Jan de Salle. In de krullen van de hoofdletters lijken duidelijk de initialen JdS verwerkt te zijn. Schilderijen van zijn hand uit 1621 (Van Harinxma-Van Engelst- ede) hebben dezelfde helm met kroon met een rechte Æ. Wat preciezer geschilderd, maar dat kan in tien jaar een ontwikkeling van de schilder zijn. Nauwkeurige vergelijking met de overige portretten van de schilder van het portret van Adie Lambertsz in het Fries Museum is voorlopig helaas niet mogelijk. Met dank aan Hans Zijlstra en Sjef de Kort voor het aanleveren van diverse bronnen, tips en inspiratie. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS DER CLAUWEN OMMEGANGK Het gebruik van vogelklauw onderscheiding komt men nu nog tegen bij het kaatsen, de kaatsklauw (info: Reinder Tolsma). Een klauw of kluft is tot in de 18e eeuw in Groningen nog een rechtsgebied, waar de eigenaren van de sathen bij toerbeurt het 'redger'of'grijtmansambt'bekleden.Met'derclauwenommegangk' of'klauwbeurten'werdenineenklauwboekdetoerbeurten bijgehouden.Misschienverbeeldtdevogelklauwdezeklauw.Menkomtditwoordnogtegenindezegswijze'voordeheleklauw'. In het Fries Museum bevindt zich ook nog een 'grijpvogelklauw', die in een 16e -eeuws kistje tevoorschijn kwam uit een muur bij de sloop vanTjaarda state in Rinsumageest in 1834, met verwijzingen naar de familie Hermana. Over de achtergrond van deze klauw is wel het een en ander gespeculeerd, maar duidelijk is het nooit geworden. Volgens een legende zou Willibrordus aan drie adellijke families een vogelklauw geschonken hebben als teken van vrucht- baarheid. Misschien dat deze families zich hiermee wilden onderscheiden en dat hun nazaten in latere eeuwen klauwen als sieraad en gebruiksvoorwerp lieten maken als verwijzing naar deze legende. Op portretten van o.a. Goffe van Roorda (1570) en Syds van Botnia (1576 ) ziet men aan een ketting een gouden vogelteen. Of het hier om een onderscheidingsteken of een gebruiksvoorwerp gaat is niet duidelijk. Sommigen houden het voor een tandenstoker, maar een nagelkrabber is dan aannemelijker. De vorm is duidelijk regionaal bepaald, aangezien dit op Hollandse, Oost-Friese of andere portretten uit die periode niet voorkomt. HESSEL VAN MECKAMA, 'MIJN LIEVE MAN' LISCK VAN IJSINGA, 'MIJN VOORSCHREVEN LIEVE WIJFF' FOTO'S:WIBOBOSWIJK HELMTEKEN OP GRAFSTEEN MECKAMA'S IN BRUSSEL
  25. 25. ZILVEREN TABAKS- OF PIJPKOMFOOR Als heren vroeger een pijpje rookten, staken ze deze vaak aan met een gloeiend kooltje. Vanuit de open haard werden die kooltjes opgepikt en bewaard in een tabakskomfoor. Het werd ook wel een pijpkomfoor genoemd. Daarin bleven de kooltjes nog een tijdje heet en stonden ze binnen handbereik om de vlam in de pijp te houden. Een zilveren pijp- komfoor was voorzien van een koperen binnenbakje om te voorkomen dat het vuur op het zilver zou inwerken. Een wat lompere variant was de vuurtest. Op sommige tekeningen of schilderijen van pijprokende man- nen zie je ze afgebeeld. Een tabakskomfoor met het familiewapen van de Friese fami- lie Van Aylva bevond zich in de inventaris van kasteel Neeri- jnen. De Leeuwarder zilversmid Andele Andeles leverde deze zilveren kom op drie pootjes en voorzag ze van zijn meester- tekens. Andele Andeles was de zoon van Eyse Andeles. Hij werd geboren te Leeuwarden op 29 juni 1687 en overleed aldaar op 20 maart 1754. Hij werkte op de Nieuwestad als zilversmid en graveur (een combinatie van ambachten, die je bijvoorbeeld ook ziet bij de Dokkumer Johannes Folkema, de vader van de bekende Jacob). Op 20 maart 1689 werd Andele gedoopt te Leeuwarden als zoon van zilversmid Eyse Andeles uit Kollum enTieltje Brongersma. Van 1709 tot 1754 was hij meester zilversmid te Leeuwarden, nadat hij ook een jaar als leerling had gewerkt bij Pieter Dortsman (1699). Zijn werk is zeer veelzijdig; hij werkte ook in goud. Andeles wordt gezien als een van de meest veelzijdige zilversmeden in de eerste helft van de 18e eeuw. In de Westerkerk te Leeuwarden trouwde hij op 15 juli 1714 met Catharina ofTrijntje Joukes Jelsma. Hij nam het patroniem Andeles van zijn vader over als achternaam. Rond het midden van de 18e eeuw wordt hij als goudgewichtmaker Andele Andeles te Leeuwarden vermeld, maker van zilveren muntgewichten met gegraveerde opschriften. 'T HUIJS CLINGELENBURGH De boedelinventaris die tussen 22 juli en 2 augustus 1756 werd opgetekend, gunt ons een kijkje in kasteel Clingelenburg, zoals dat halverwege de achttiende eeuw was ingericht.[1] De inventaris werd samen- gesteld door Frans Carl Christoph graaf von Wied (1711-1757) naar aanleiding van het overlijden van zijn echtgenote Judith Maria van Aylva op 22 mei, twee maanden eerder.[2] Graaf von Wied werd geen heer van Waardenburg en Neerijnen. Wel bezat hij een huis in Diez an der Lahn, dat verhuurd werd aan Gravin von Stein. Heer van de heerlijkheid werd Judith Maria’s jongste broer Hobbe Esaïas van Aylva die, gezien zijn anciënniteit binnen de familie, al enige tijd de rol van chef de famille op zich had genomen. Na het over- lijden van Von Wied in 1757 was kasteel Clingelenburg enige tijd onder bewaring van curatoren.[3] 26 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS DOOR ANDELE ANDELES VAN AYLVA-FAMILIEZILVER door HANS ZIJLSTRA & ROBBIE DELL'AIRA sneuperdokkum@yahoo.com FAMILIEWAPEN VAN AYLVA EN MEESTERTEKENS VAN ANDELE ANDELES OP PIJPKOMFOOR ZILVEREN PIJPKOMFOOR FAMILIE VAN AYLVA ‘T ADELYCK HUIJS CLINGELENBURGH’  HET TEGENWOORDIGE KASTEEL NEERIJNEN nen zie je d Andele ed pt t Le rd ls R je jn zilv teke gebo maar (een ku je zi te ge ma (een de Dokku FAMILIE VAN AYLVA BRON:COLLECTIERIJKSMUSEUM FOTO:HANSZIJLSTRA
  26. 26. DE EETKAMER OP DE BEL-ETAGE In de eetkamer stonden enkele tafels en 8 stoelen, bekleed met biezen matten. Een fauteuil was met linnen bekleed. Aan de wand hing een spiegel met zwarte lijst. In een buffetkast was een grote hoeveelheid zilver te vinden. Onder meer een aantal bekers, tien kleine en grote kandelaars, kannen, kommetjes, dienbladen, octogonale schenkkannen, een zilveren koffiekan, handblakers, lepeltjes, bestek bestaande uit 24 messen, lepels en vorken, kaneeldoosjes, kommetjes en soeplepels. Maar ook komfoortjes, mergtrekkers, suikerdozen en een tabakskomfoor met een houten handvat. Het meeste zilver was voorzien van het wapen van de familie Van Aylva. Op een oud roompotje was het wapen van de familie Ripperda te zien.[4] Ook kwam het wapen van de familie Van Gendt vaak op het zilver voor, soms als alliantiewapen in combi- natie met het wapen Van Aylva, zoals dat volgens de inventaris op een vislepel te zien was. Aansluitend op het zilverwerk werd in dezelfde kast ook glaswerk bewaard. Daarin stonden 15 bokalen met een deksel, 10 Venetiaanse bokalen zonder deksel, 2 kleine bokaaltjes zonder en 3 met voet. Verder waren in het buffet 2 grote waterflessen te vinden, die voorzien waren van handvatten. Naast 4 kleine waterkarafjes stonden in het buffet tevens glazen olie- en azijnstelletjes en 14 zoutvaatjes. Als laat- ste werden bierglazen genoemd, waarvan er 2 boven op het buffet stonden. Onder in het buffet stond een aantal theedozen en olieflessen. In de eetkamer was verder een wortelnotenhouten theestoof te vinden, waarbij een blikken komfoor hoorde met bijbehorende theeketel. Op een schenktafel stonden 18 borden en 3 fruitschoteltjes van blauw-wit porselein. Van bruin porselein stond op die schenktafel een boterschoteltje. Verder was er een houten flessenkeldertje, 35 tinnen borden, blikken trommels, een blikken watervat, 2 koperen kandelaars met een blaker en een koperen schaal. Eén van de nazaten van de familie Van Aylva heeft het zilveren pijpkomfoor recent geschonken aan een particulier, van wie u bij ditartikeldefoto’sziet.Deafmetingenzijn:totalehoogte8,5cm.Diameterbakje12cm.Houtensteelmet zilverengedeelte 11cm. ZILVEREN SAVONET VAN ANDELE ANDELES De Ottema-Kingma Stichting in Leeuwarden heeft in 2007 haar collectie Fries zilver weten uit te breiden met een fraai en interessant savonet. Het voorwerp is in 1733 vervaardigd in Leeuwarden door Andele Andeles. De savonet is bolvormig, glad en onbewerkt, met profielen in het mid- den, waar de savonet opent middels een scharnier. Het object bevat een gravering met het gedeelde wapen Meckema Aylva, tussen twee schildhoudende eenhoorns. Een savonet is een onderdeel van een manstoilet, in dit geval mogelijk van HansWillem van Aylva (1722-1751), niet te verwarren met zijn gelijk- namige oudoom, 'de ontzaglijke generaal'. Het vermoeden bestaat dat hij het manstoilet kreeg rond zijn elfde jaar, de leeftijd dat het scheren aan de orde kwam. Dat zou overeenkomen met het jaar van vervaardiging (1733). Van Aylva was militair, grietman van Baarderadeel, Gedeputeerde in de Raad van State en Dijkgraaf van Vijf Deelen. Hans was getrouwd in Den Haag in de Waalse Kerk op 30 juni 1750 met Anna Catharina Rumph, gedoopt Den Haag 9 december 1725, overleden Hamptoncourt 4 mei 1796, dochter van Christiaan Rumph. De opdrachtgevers van Andeles zijn te vinden in adellijke kring, diverse overheden en het Stadhouderlijk Hof in Leeuwarden. In vergelijking met het werk van zijn Friese collega’s zijn de stukken van Andeles heel Hollands van stijl. Dat wil zeggen eenvoudige vormen, met weinig versieringen. NOTEN & BRONNEN [1] Gelders Archief, Archief van de Huizen Waardenburg en Neerijnen, inv. nr. 111 [2] Frans Carl Christoph graaf von Wied werd geboren te Neuwied (Rijnland-Palts), zoon van Karl von Wied-Runkel (1684-1764) en Charlotte Albertine gravin zur Lippe-Detmold (1674-1740). [3] Gelders Archief, Archief van de Huizen Waardenburg en Neerijnen, inv.nr. 1496. [4] De familie Ripperda was geparenteerd aan de familie Van Aylva. - Robbie Dell’Aira, De Huizen Waardenburg en Neerijnen. Architectuur, bewoners en cultuur van een historische twee-eenheid in de vroegmoderne en moderne tijd, proefschrift (nog niet verschenen). - Het volle pond – het wegen van munten in de 17e en 18 eeuw, Munt en Penningkabinet te Surhuisterveen, 1996 - Website Ottema-Kingma stichting www.oks.nl 27 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS tijdvanpruikenenrevoluties ZILVEREN SAVONET FAMILIE MECKEMA - VAN AYLVA FOTO:OTTEMAKINGMASTICHTING
  27. 27. VISSERSSCHEPEN UIT HET VERLEDEN Naar aanleiding van de aak, een vissersschip uit het verleden, die re- gelmatig afgemeerd is op de voormalige Admiraliteitsscheepwerf te Dokkum, werd mijn belangstelling gewekt welk scheepstype er ge- bruikt werd voor de aak. Het bleek de vissnik te zijn, die op de Wadden en de kust van Holwerd tot Zoutkamp en met name in de voormalige vissersdorpen Moddergat, Paesens, Wierum, Ternaard, Holwerd, Zout- kamp en op de eilanden Ameland en Schiermonnikoog veel voorkwam. Al gauw blijkt dat de vissnik een schip was, dat van omstreeks 1650 tot 1850 genoemd wordt in archieven, notarisakten en rapporten, maar waar geen afbeeldingen en tekeningen van te vinden zijn. De meeste informatie komt uit de Proclamatieboeken en de notariële akten en te- vens in de Stads-en Dorpskroniek van Friesland van 1700 tot 1899 van dr. G.A. Wumkes. Een hele reeks van gegevens is hierin te vinden o.a: WUMKES' STADS- EN DORPSKRONIEK 1683-ThonisClasentotTernaertkooptbijeenvandescheepswerveneen'schoonenieuweSnickmetzijl,touwwerkentoebehoren'. 1692 - Nemen twee vissers uit Holwerd een hypotheek op 'een nieuwe Snicke'bij Symen Jacobs scheepstimmerman te Doccum. 1725 - Einte Montes en Bruin Dirks te Wierum zijn aan Freek Harmens Bok, meester touwslager te Dokkum, 149 carolusguldens verschuldigd wegens touwwerk 'op ons nieuw uit te halen Snike'. 1757 -Tekende Freek Hendricks, schipper te Hollum een schuldbekentenis van 275 gulden aan Docke Jans, scheepstimmerman te Dokkum voor 'het afbrengen van mijn Snik'. 1762 - Vermeldt de Leeuwarder Courant van Schiermonnikoog: 'Tussen den 26 en 27 October zijn door een opkomend orkaan in de Noordzee met man en muis verongelukt vier Zeesnikken van Paesens met twintig man bemant en dito zes Snikken van Amelandmetdertigpersonenbemant;buitendathebbennogoponsstrandgezetentweeSnikkenvanPaesens,diewederom afgekomen zijn, en waarvan het volk behouden is.' Dr.Wumkes vermeldt hetzelfde bericht in zijn boek van 1930. 1795 - Scheepstimmerbaas J.H.Visser uit Groningen verkoopt een 'Snik-holschip' voor 1750 gulden aan Goosen Folkers en Nieske Wessels te Zoutkamp, genaamd de 'Jonge Wessel'. 1800 - In een rapport wordt vermeld dat er voor Wierum 10 Snikken en voor Paesens en Moddergat 18 Snikken waren. 1809 - Verkoop door Sake Jans aan de Streek onder Aalsum (nu Dokkum) aan Tjeerd Klazes te Wierum een gedeelte van de 'Koop en overdracht van een Snikkehol' De lengte over de stevens was 42 voet = 11.88m. De breedte tussen 13 en 14 voet (= 3.68 en 3.96 meter). 1812 - Uit de notariële archieven de verkoop van een Vissers Snik te Moddergat genaamd de 'Jonge Jan Montes'. Lang 42 voeten 2 duim, wijd/breed 13 voet en 7 duim. 28 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS BOUW VAN EEN VISSNIK door EIMERT SMITS F.A.zn er.dokkum@knid.nl WIERUMER AAK MODEL ROMP VISSNIKWINDVAAN SNIK  PAESENS SCHOTEL UIT MODDERGAT MET SCHOKKERAAK BRON:FRIESSCHEEPVAARTMUSEUM WINDVAAN AAK - WIERUM FOTO:EIMERTSMITSF.A.ZN FOTO'S:GERARDMULDER/ADOLPHUS.NLFOTO:DWAANDE.NL PAESE 28 MODEL ROMP VISSNIKKKSENS
  28. 28. 29 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS AKEN, BLAZERS & SCHOKKERS Na de Franse tijd werden de vissnikken vrij snel ver- vangen door andere, goedkopere en beter zeilende schepen, te weten door aken, blazers en schokkers. Omstreeks1790werdendeeersteakengebouwd. De snikken werden hoofdzakelijk in Dokkum gebouwd, maar ook in Makkum, Joure en Groningen. De vis- snik had een bemanning van drie of vier mensen. Met de schepen viste men vlak voor de kust op schol, schelvis, tong, tarbot, roggen en oesters. De schepen landden aan de waddenkant van de eilanden of men verankerde het schip op hetWad voor de dorpen aan de kust, zo dicht mogelijk bij de plaats waar ze thuis- hoorden. Zonder al te technisch te worden: er waren grote verschillen tussen de vissnik en de latere aak. Was de vissnik 42 voet lang, de aak was groter met een lengte van 54 voet, omgerekend dus 3,40 me- ter langer. Opgeschreven mededelingen van oude schippers vertellen dat de vissnik stomp van voren was, een licht gebogen steven en een vierkante vorm had. De snikken hadden een grote mast en een kleine bezaanmast. Ze hadden een sprietzeil, waren trage zeilers en duur van tuigage. Het verschil met de snik was dat de aak een rechte, vallende steven had, die rechthoekig van doorsnede was. De eerste aken hadden ook een sprietzeil, maar later werd dit een gaffelzeil. Het verschil tussen een vissnik en een aak is ook duidelijk te zien op de gildepenning uit 1785 van de scheepstimmerman Geert Sytses uit Dok- kum en de schotel uit Moddergat uit 1861, die in het bezit is van het Fries Scheepvaart Museum in Sneek. Ook de windwijzer van het torentje op het dak van de in 1792 verbouwde kerk te Paesens geeft duidelijk een vissnik aan en het schip als windwijzer op het dak van de kerk te Wierum een aak. De gildepenning geeft wel aan dat Dokkum toen het centrum van de snikscheepsbouw was. DE SCHEEPSWERF VAN BARKMEIJER Op de hoek van deVoorstreek en hetWesterbolwerk was een scheeps- werf met vier hellingen. Het gebied viel toen onder het dorp Aalsum, nu bij Dokkum. De werf was eigendom van Hendrik Harmens Vink. In 1853 was hij scheeptimmerman en bouwde hij o.a. snikken. Later kocht Gerrit Douwes Barkmeijer de werf. De Provincie Friesland kocht in 1882 de aan de overkant van de Ee gelegen cichoreifabriek 'De Grietman' om de scherpe bocht tussen Ee en de stadsgracht te kunnen afsnijden. Hierdoor ontstond een eilandje; Barkmeijer kocht dit en bouwde daar een werkplaats op. In de volksmond kreeg het de naam 'het eilandje van Barkmeijer'. Na 1920 ging het steeds slechter met de werf tot deze in 1927 werd verkocht. Tegenwoordig is het de parkeerplaats 'het Hellingpad'. Met behulp van het in 2012 verschenen boek 'De verdwenen schepen van de Dongeradelen' en veel onderzoek in oude scheepsbouwkundige boeken heb ik een vissnikmodel gebouwd op schaal 1: 50. MODEL VISSNIK - GEMAAKT DOOR EIMERT SMITS F.A.ZN tijdvanpruikenenrevoluties GILDEPENNING VISSNIK - 1785 BRON:FRIESSCHEEPVAARTMUSEUM EILANDJE EN SCHEEPSWERF VAN BARKMEIJER AAN DE EE FOTO'S:EIMERTSMITSF.A.ZNBRON:EIMERTSMITS

×