Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.
DE SNEUPER
jubileumnummer
JUBILEUMNUMMER 30 JAAR HVNF
Officieel orgaan van de
Historische Vereniging Noordoost-Friesland
B...
COLOFON
De Historische Vereniging Noordoost-Friesland is een Algemeen Nut Beogende Instelling.
redactie
Warner B. Banga	 D...
DE BODEM VAN DE BRON
De Historische Vereniging Noordoost-Friesland viert haar 30-jarig jubi-
leum en dat mag met recht een...
BONIFATIUS&BIER
4
BONIFATIUS & BIER
754: BONIFATIUS BIJ DOKKUM VERMOORD
Sinds jaar en dag leren we in de geschiedenisles: ...
5
EEN GLASIE NA DE GRACIE
Twee jaar later, in 718, maakte Wynfreth een pelgrimsreis naar Rome.
Hij bezocht het graf van Pe...
BONIFATIUS&BIER
6
VITAE & STERKE VERHALEN
Het ontzielde lichaam van de missionaris werd per schip naar Utrecht
gebracht. N...
7
GEVOLGEN VAN EEN MOORD
De roofmoord in juni 754 had grote gevolgen voor Noordoost-Friesland
en Dokkum. Bij de plaats van...
HET LOT LAAT MENSEN IN LEVEN OM ZETE STRAFFEN
Wereldwijd gaat de geschiedenis van het bierdrinken vele duizenden
jaren ter...
9
BIERALSVOLKSDRANK
SAAD & FAAT
Plinius de Oude schreef in de 1e
eeuw al: ‘Ze drinken uitsluitend regenwater, dat ze in ku...
BIERALSVOLKSDRANK
10
'Alle vergaderingen over Staats-, oorlogs-, burger of echtzaken geschiedden by den drank en op de maa...
FOTO:WARNERB.BANGAGIA-RUG
11
BIERKRUIKJE
VERBODEN IN ANDERMANS BIER TE PISSEN
Bier werd gedronken uit bekers, kommen, kroe...
12
BID, WERK & DRINK
Het belangrijkste gevolg van de moord in 754 was dat op de
gedachtenisterp een kerkje gesticht werd, ...
KLOOSTERBIER: GRUIT OF HOP?
In de Lage Landen gebruikten brouwers aanvan-
kelijk een kruidenmengsel, het zogenaamde ‘gruit...
REGISTER VAN DE AANBRENG
Hoewel er geen (schriftelijke) bewijzen gevonden zijn dat er in Dokkum
vóór de sluiting van de Bo...
CONFLICTEN TUSSEN STAD EN KERK
De bewoners van het Bonifatiusklooster vormden een gemeenschap
binnen de gemeenschap van Do...
DE FONTEINEN VAN DOKKUM
Water is het eerste belangrijke bestanddeel voor het brouwen van een
smaakvol bier. Oorspronkelijk...
DE FONS IN DE BONIFATIUSABDIJKERK
Voor velen is het duidelijk dat de bron of wel, waaraan de naam van Boni-
fatius door zi...
DIT IS DE FETZEFONTEIN
Vlak buiten het oude kloosterterrein, bij de Boterstraat, bevond zich
namelijk een tweede waterbron...
DE BONIFATIUSFONTEIN OF -BRON
Net buiten de stadswallen ligt al sinds mensenheugenis en ver daarvoor de bron die de Bonifa...
BIEROPROER IN LEEUWARDEN
Dat het brouwen van bier niet alleen een zaak van de monniken uit de
conventen was, bleek in 1487...
21
BIERBROUWERSGILDE
GEMENE MIDDELEN
In de Lage Landen brak daarna een oorlog uit met deze ‘Coninck van Hispanje’ die zo’n...
CONCURRENTIE & SAAMHORIGHEID
Hoewel de organisatie van de gilden van stad tot stad verschilde,
konden alleen burgers van D...
BIERBROUWERSGILDE
23
GILDEBRIEF OF BROUWERSREGLEMENT
De bierbrouwers in Dokkum waren vanaf de 16e
eeuw min of meer georgan...
BIERBROUWERSGILDE
FONTEIJNE, FONTEINSLOOT & DOBBE
In het zesde artikel van de Gildebrief van 1648 werd
het onderhoud gereg...
BIERBROUWERSGILDE
25
TAUX OP DE VRIJE TAP DER BIEREN
Dokkum was al vanaf de 17e
eeuw een vrijplaats
voor godsdienstige ove...
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017

874 views

Published on

De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen in Dokkum, nummer 126, juni 2017. Word ook lid van de Historische Vereniging Noordoost-Friesland! Slechts 15 euro per jaar voor 4 fullcolor tijdschriften. Eenvoudig aanmelden via https://www.hvnf.nl/aanmeld-formulier/

Published in: Education
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

De Sneuper 2017 jubileumnummer bierbrouwerijen, nummer 126, juni 2017

  1. 1. DE SNEUPER jubileumnummer JUBILEUMNUMMER 30 JAAR HVNF Officieel orgaan van de Historische Vereniging Noordoost-Friesland BIERBROUWEN IN DOKKUM losse nummers € 4,95
  2. 2. COLOFON De Historische Vereniging Noordoost-Friesland is een Algemeen Nut Beogende Instelling. redactie Warner B. Banga Dokkum Nykle Dijkstra Leeuwarden Piet de Haan Dokkum Lisette Meindersma Burgwerd JacobRoep Hollum (Ameland) Hans Zijlstra Amsterdam dertigste jaargang verschenen JUNI 2017 in een oplage van 5000 exemplaren Officieel orgaan van de Historische Vereniging Noordoost-Friesland te Dokkum INHOUD SNEUPERDE 3 4 8 12 16 20 26 48 50 51 VOORWOORD BONIFATIUS & BIER BIER ALS VOLKSDRANK DE BONIFATIUSABDIJ WATER UIT DE WARE FONTEIN DOKKUMER BIERBROUWERSGILDE DE BIERBROUWERIJEN EINDE VAN EEN BIERTRADITIE SLOTWOORD 30 JAAR HISTORISCHE VERENIGING NOORDOOST-FRIESLAND MARGA WAANDERS WARNER B. BANGA WARNER B. BANGA WARNER B. BANGA WARNER B. BANGA WARNER B. BANGA PIET DE HAAN WARNER B. BANGA GOSSE BOOTSMA REINDER TOLSMA OMSLAG: DOUWE HANSMA - DE BIERDRINKER FOTO: MUSEUM DOKKUM teksten & historisch onderzoek druk Warner B. Banga & Piet de Haan Andeko - Dokkum i.o.v. stichting Dockumer Biergilde nummer 126
  3. 3. DE BODEM VAN DE BRON De Historische Vereniging Noordoost-Friesland viert haar 30-jarig jubi- leum en dat mag met recht een historische én feestelijke gebeurtenis worden genoemd. Ik feliciteer de vereniging van harte met het bereiken van deze mijlpaal. Met groot genoegen lever ik dan ook het voorwoord van deze jubileumeditie van De Sneuper. De geschiedenis van de regio Noordoost-Fryslân is een bron waaruit de Historische Vereniging zich al 30 jaar lang heeft gelaafd, maar de bodem van die bron is nog lang niet in zicht. Met een nog steeds groeiend leden- aantal mag de vereniging zich verheugen in een brede belangstelling. Wat 30 jaar geleden begon met een kleine groep enthousiaste archief- onderzoekers, is inmiddels uitgegroeid tot een vereniging met meer dan 600 leden door heel Nederland, maar ook ver buiten onze lands- grenzen. Regelmatig verschijnt De Sneuper en wordt actuele informa- tie gegeven via de website. Een groot compliment voor alle speurders, schrijvers en sprekers van de HistorischeVereniging, allen vrijwilligers ( ! ), die onmetelijk veel tijd steken in het ontsluiten en presenteren van het rijke verleden van onze prachtige regio. BIERBROUWERSGESCHIEDENIS In dit jubileumnummer staat de bierbrouwersgeschiedenis van Dokkum centraal. De Stichting Dockumer Biergilde en Bonifatiusbier hebben Warner Banga en Piet de Haan, leden van de Historische Vereniging, gevraagd de historie van dit ambacht in de Bonifatiusstad in woord en beeld te brengen. Die zoektocht leverde een schat aan unieke gegevens en nieuwe verhalen op. Bierbrouwen was een ambacht van belang en in Dokkum ontstond een heus bierbrouwersgilde. U leest er alles over in dit nummer. Door de HistorischeVereniging wordt samengewerkt met de Bonifatius- kapel en een opnieuw opgericht (Stichting) Dockumer Biergilde. Samen bevorderen zij het cultuur-historisch toerisme in Dokkum, onder andere met stadswandelingen. Verder zijn er plannen voor een boek over bier- brouwen in Dokkum, uit te geven door de stichting Historia Doccumensis. NOODZAKELIJKE VERBINDING Sir Winston Churchill zei het ooit als volgt: 'The farther backward you can look, the farther forward you are likely to see'. Hoe verder je terugkijkt, hoe verder je vooruit wilt zien.Voor wie geen oog heeft voor de historie van de eigen streek, blijft die streek van nu en straks een onbekende. Gelukkig zorgen ‘de sneupers’ van de Historische Vereniging Noordoost-Friesland voor die noodzakelijke verbinding. Ik wens u veel plezier met dit jubileumnummer. Marga Waanders Burgemeester gemeente Dongeradeel 3 VOORWOORD DE BONIFATIUSSTAD BIERHISTORIE VAN door MARGA WAANDERS burgemeester van Dongeradeel FOTO:HARRIESTEGGERDA © Niets uit deze uitgave mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen. Deredactieheefternaargestreefddeauteursvanillustratiesopdejuistewijzetevermelden,daar waar afbeeldingennietdoordeschrijvers zijn gemaakt of werden aangeleverd. Zij die menen nog rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich tot de redactie wenden. BIJ DE BROUWERSFONTEIN OF BONIFATIUSBRON ACHTER V.L.N.R.: PASTOOR PAUL VERHEIJEN, PIET DE HAAN, BURGEMEESTER MARGA WAANDERS, KAPELBEHEERDER LAMMERT DE HOOP EN ACHTERAAN WARNER B. BANGA. VOORAAN: BROUWERS BEREND WOUDA EN FRANK VAN DIJK. REMCO VAN DIJK ONTBREEKT OP DE FOTO. MEDE MOGELIJK GEMAAKT DANKZIJ: Deze uitgave is mede mogelijk gemaakt dankzij de steun van de Rabobank Noordoost-Friesland, het Dokkumer Stadsfonds, drukkerij Andeko in Dokkum en de Stichting Dockumer Biergilde.
  4. 4. BONIFATIUS&BIER 4 BONIFATIUS & BIER 754: BONIFATIUS BIJ DOKKUM VERMOORD Sinds jaar en dag leren we in de geschiedenisles: ‘754: Bonifatius bij Dokkum vermoord’. Hoewelvelenmaaraltegraagwillenbewijzendatde feiten uit de vitae niet kloppen en hier sprake is van geschiedvervalsing, plukt de ‘Bonifatiusstad’ al sinds mensenheugenis en ver daarvoor de vruchten die de moord op zo’n heilige met zich meebrengt, al was dat vast niet ‘met voorbedachte rade’. Bonifatius’ naam betekent: ‘hij die gelukkig is voorbeschikt’, maar in zijn jeugd heette deze Angelsaksische geestelijke Wynfreth, dat is ‘vredesvriend’.Hijwerdrondhetjaar672geboreninhetplaatsjeCrediton in Zuid-Engeland. Zijn geboortedatum is niet precies bekend, maar wel weten we dat zijn ouders welgestelde mensen waren uit een voorname Angelsaksische familie. Wynfreth werd op heel jonge leeftijd door zijn ouders naar een kloosterschool in Exeter gestuurd. Hij was begaafd en leergierig en werd daarom al snel priester, waarna hij werd overgeplaatst naar het klooster in Nursling; vóór zijn dertigste levensjaar was hij daar reeds hoofd van de kloosterschool en maakte hij carrière in de katholieke kerk. WYNFRETH VERSUS FRIEZEN Maar Wynfreth wilde niet alleen maar in het klooster blijven. Daarom vertrok hij in 716 als missionaris naar Friesland om daar de mensen bekend te maken met het christelijk geloof. Hij voelde zich door God geroepen om het evangelie te prediken aan heidense, niet-christelijke volken in Europa, zoals de Germanen en de Friezen, die goden aanbaden als Donar, Wodan, Freya, Fosite en Saxnot. Niemand minder dan de ‘apostel der Lage Landen’ bisschop Willibrord was hem daarin voorgegaan, maar die had eieren voor zijn geld moeten kiezen en was de Friezen ontvlucht naar Echternach. Na de dood van de machtige Frankische hofmeier Pippijn II had de Friese koning Radbod het door hem verloren terrein terugveroverd en de Frankisch gezinde monniken uit hun bisdom verdreven. De door Willibrord gestichte kerken in ‘Fresia citerior’ waren platgebrand en Radbod vestigde zich te Utrecht, waar Wynfreth al snel na zijn oversteek een onderhoud met de Friese vorst aanvroeg. Toch gaf koning Radbod aan Wynfreth toestemming om in zijn gebied te prediken. Dit was een staaltje van verdraagzaamheid waar Bonifatius zelf een voorbeeld aan had kunnen nemen toen hij later heiligdommen van anderen verwoestte. Koning Radbod wilde echter zelf geen christen worden. Zo ontstond het verhaal, dat Radbod liever met zijn heidense voorvaderen in het hiernamaals wilde zijn, dan dat hij gedoopt werd en in de hemel zou komen. Radbod beschimpte de prediker Wynfreth wel en maakte hem uit voor een knecht van de Franken. Wynfreth merkte al snel dat zijn zendingswerk weinig resultaat had: net als hun koning wilden de koppige en eigenwijze Friezen niet luisteren, hoewel Willibald anders beweerde. De vraag is hoe betrouwbaar diens heiligenleven is, want een falende prediker paste na- tuurlijk niet in het beeld van de onfeilbare heilige dat hij voor het kerkvolk moest schetsen. Teleurgesteld keerde Wynfreth terug naar het kloosterleven in Engeland, maar hij besloot dat wanneer er een mogelijkheid zou zijn om dit volk weer te benaderen, hij ze het woord Gods zou brengen. In Dokkum wordt sinds kort weer Bonifatiusbier gebrouwen en op de markt gebracht. De geschiedenis van het Dokkumer bier lijkt hetzelfde als de geschiedenis van de stad Dokkum. Het brouwen en drinken van bier is bijna zo oud als de mens zelf. In de Bonifatiusstad is die biertraditie bovendien annex aan de Bonifatiusbron of -fontein. DETAIL MOORD OP BONIFATIUS IN SACRAMENTARIUM FULDA RADBOD BESCHIMPT BONIFATIUS - SCHILDERIJ ANTON VERHEY - 1974 BRON:UITGEVERIJASPEKT-SOESTERBERG/TAFERELENUITDEGESCHIEDENIS BRON:NIEDERSACHSISCHESTAATS-UNDUNIVERSITATSBIBLIOTHEK
  5. 5. 5 EEN GLASIE NA DE GRACIE Twee jaar later, in 718, maakte Wynfreth een pelgrimsreis naar Rome. Hij bezocht het graf van Petrus en ging op bezoek bij paus Gregorius II. Toen deze hoorde van de mislukte evangelieprediking in Friesland, vond hij dat Wynfreth dat werk niet mocht opgeven. Gregorius gaf hem opdracht door te gaan met het vertellen over het christelijk geloof aan Germanen en Friezen. Ook gaf de paus hem een nieuwe naam: Bonifatius, ‘hij die gelukkig is voorbeschikt’ of ‘hij die het goede doet’. In 722 werd Bonifatius wijbisschop en later zelfs aartsbisschop en stichtte hij onder andere een klooster in het door hem geliefde Duitse Fulda. Hij wilde veel reorganiseren en veranderen in de katholieke kerk van zijn tijd, want het christendom dat hij op het vasteland in Europa aantrof, was totaal niet naar zijn zin. Hij ergerde zich met name aan misstanden en wangedrag van geestelijken. Veel meer dan zijn voorganger Willibrord was Bonifatius bezig met het hervormen van de kerk. Zo stelde hij naast de gangbare kloosterregels een regel in dat er in de refter pas ná het dankgebed een beker bier geschonken mocht worden, omdat monniken vaak van tafel liepen zonder een dankgebed uit te spreken. Deze maatregel is tot in de 19e eeuw in kloosters in gebruik gebleven, onder het motto: 'Een glasie na de Gracie, naar de les van Bonifacie.' Ondertussen was koning Radbod – tot grote vreugde van de Franken – overleden, was Willibrord als bisschop in Utrecht teruggekeerd en had de Frankische koning Karel Martel in Fresia orde op zaken gesteld. De intelligente en gedreven Bonifatius had geleerd van het verleden en paste zijn bekeringstactiek aan. Hij probeerde de heidense volken te bekeren door eerst op goede voet te komen met hun leiders en vorsten. Naast de steun van machthebbers verwierf hij eveneens hun bescherming en kon hij kloosters en kerken stichten om vandaar uit het christendom te verspreiden. Bonifatius genoot de directe bescherming van Karel Martel en later van diens door hem gedoopte zoon Pepijn de Korte. Zo wist hij met hulp van boven af het heidense volk te bekeren; anders had hij zijn werk onder de Friezen en Germanen nooit kunnen doen. MOORDSTAD DOKKUM Bonifatius was een oude man van meer dan tachtig jaar, toen hij in het voorjaar van 754 opnieuw naar Friesland ging. Hij voer met zijn metgezellen in schepen in het noorden de Boorne of Bordne op en sloeg zijn kampement op in de buurt van Dokkum. Ze hadden eindelijk succes, want vele gelovigen wilden zich laten dopen. Bonifatius wilde een groep Friezen die zich had laten dopen het vormsel toedienen en had met hen afgesproken op een strategische en goed bereikbare plek. Uit de wijde omgeving zouden honderden net bekeerde christenen naar het tentenkamp komen om Bonifatius’ handoplegging, zalving en zegen te ontvangen. In plaats daarvan werd het kamp in de vroege, ongetwijfeld nevelige zomerochtend aangevallen door een woeste roversbende, belust op kostbaarheden die mogelijk in de kisten en schepen van de missionarissen aanwezig zouden zijn. Of was dit wel degelijk een politiek getinte overval? Er waren genoeg Friezen die wantrouwig bleven tegenover het christelijke geloof, dat de Frankische koning Pepijn III volgens hen gebruikte om invloed te krijgen over hun gebied. Anderen beweren dat de hoogbejaarde missionaris, die natuurlijk wist dat hij het eeuwige leven ook niet had, aan het eind van zijn werkzame en turbulente leven bewust het martelaarschap zocht door naar dit weerbarstige, heidense deel van Friesland te gaan. De hoogbejaarde Bonifatius werd neergestoken, al probeerde hij zichzelf nog met een boek boven zijn hoofd te beschermen... Overigens werd dat detail later verzwegen door Willibald; een heilige kent immers geen angst voor de dood. De monnik Willibald had vrijwel direct na de moord vanuit de kerk de opdracht gekregen om een heiligenverhaal over het leven en de dood van Bonifatius te schrijven. In zo'n hagiografie of vita worden gebeurtenissen meestal sterk overdreven of vinden wonderlijke dingen plaats, om duidelijk te maken hoe bijzonder die persoon was. Zeker in de vroege Middeleeuwen gold de acceptatie van zo’n heiligenleven als bewijs voor iemands heiligheid. Later zijnerinopdrachtvandekerknogmeervitaeoverBonifatiusgeschreven.De Utrechtse bisschop Radbodus vond jaren later zelfs nog een ooggetuige van de moord. Het was een oude vrouw, die als jong meisje had gezien hoe de woeste roversbende het tentenkamp had overvallen. Door haar weten we dat Bonifatius met de dood voor ogen toch nog een codex boven zijn hoofd hief om zich te verweren. BONIFATIUS&BIER tijd van monniken & ridders BISSCHOPS- OF BONIFATIUSSTAF IN DOMMUSEUM FULDA FOTO:WARNERB.BANGA CODEX RAGYNDRUDIS DOMMUSEUM
  6. 6. BONIFATIUS&BIER 6 VITAE & STERKE VERHALEN Het ontzielde lichaam van de missionaris werd per schip naar Utrecht gebracht. Na enig geruzie over het lijk, want iedereen wilde graag het graf van zo'n beroemde martelaar in zijn kerk of stad hebben, werd Bonifatius uiteindelijk in de crypte van de Domkerk in het Duitse Fulda begraven. Daar werd later een praalgraf met prachtig gebeeldhouwde taferelen uit Bonifatius’ leven opgericht om pelgrims uit heel Germanië naar Fulda te trekken om de ‘Apostel der Deutschen’ te vereren. Vanuit de kerk werden vrijwel onmiddellijk na zijn dood stappen ondernomen om mogelijk te maken dat Bonifatius een heilige zou worden.InEngelandwerdhijvrijweldirectheiligverklaard,maardaarvoor was eigenlijk een levensbeschrijving nodig met een aantal wonderen die hij tijdens zijn leven zou hebben verricht. Een heilige kan gelovigen tot voorbeeld en inspiratiebron zijn in hun leven en zijn levensbeschrij- ving moest duidelijk maken dat de hoofdpersoon heilig was geweest en nu in de hemel verbleef, waar men hem kon aanroepen. Vanuit Mainz gaf de Angelsaksische bisschop Lullus opdracht aan de priestermonnik Willibald om het levensverhaal van Bonifatius op te stellen. Hoewel zijn Vita Bonifatii binnen korte tijd na de dood van Bonifatius verscheen, had Willibald de Apostel van de Duitsers niet persoonlijk gekend en reisde hij nooit naar Friesland of Dokkum. Andere vitae verschenen pas vele jaren later, toen de behoefte ontstond het verhaal van Willibald te nuanceren of gedeeltelijk te herzien of, zoals eerder aangegeven, om zelfs het relaas van een ooggetuige toe te voegen. Heiligen verrichtten tijdens hun leven ook wonderen. Daarover werden verschillende wonderverhalen of Bonifatiuslegenden opgesteld, die gelovigen inspiratie en steun moesten geven. Willibald beschreef het wonder van de Donareik van Geismar, waardoor velen tot geloof waren gekomen. Enkele legendes gaan over het ontstaan van een zoetwaterbron, toen een opzichter bij het opwerpen van de terp met zijn paard in de modder wegzakte. Andere geschriften vertellen dat Bonifatius de bron zelf aansloeg. Sommige mensen menen dat het water zelfs geneeskrachtig is. Zij komen naar de bron en hopen om genezing te vinden van ziekten en kwalen. De legenden werden steeds sterker en wonderlijker. Tegenwoordig vinden wij het moei- lijk om dat allemaal te geloven, maar vroeger vonden de mensen die heiligenverhalen prachtig. Zo werd verteld dat, toen een hongerige Bonifatius met zijn gezelschap eens een gierige boerin om een brood vroeg, zij antwoordde dat ze slechts stenen in haar oven had. Daarop bezwoer Bonifatius dat die 'stenen' voor altijd stenen zouden zijn, waarop de broden in de oven in stenen broden veranderden. In de Bonifatiuskerk in Dokkum wordt nog altijd zo'n 'Bonifatiusbrood' bewaard. IN OF BIJ DOKKUM VERMOORD? Is Bonifatius nu ‘in’of ‘bij’Dokkum vermoord of op een plek waar pas daarna een Dockinga of Dockyn-chirica zou ontstaan? De geleerden verschillen hierover van mening. Dit komt doordat ze hun mening moeten baseren op de vitae die hen daarvoor als enige aanknopingspunten overgeleverd zijn. Hagiograaf Willibald was nooit zelf in Dokkum en kende de Friese geografische situatie niet. Pas in een tweede heiligenverhaal werd de ‘locus qui Dockinga dicitur’ genoemd als de plaats van de slachtpartij. Er zijn bij opgravingen in de binnenstad van Dokkum nooit tastbare bewijzen gevonden dat de stad in 754 een nederzetting van enige betekenis was, hoewel nog lang niet overal diep genoeg gegraven kon worden om dat geheel uit te kunnen sluiten. Archeoloog Herre Halbertsma schreef na de uitgebreide opgravingen op de Markt in 1954 een lang artikel, waarin hij aangaf dat Dokkum ten tijde van de moord reeds bestond: ‘Willibalds beschrijving diende derhalve zodanig te worden opgevat dat de ‘tumulus’ tot stand kwam als een noordelijke uitbreiding van een tevoren bestaande terp [...] teneinde als voetstuk te dienen voor een gedachteniskerk met naastgelegen priesterhuis en kerkhof, inderdaad is teruggevonden als een noordelijke uitbreiding van de in 754 reeds bestaande Dokkumer stadsterp.’ Maar slechts tien jaar later twijfelde hij aan die opvatting, in zijn artikel ‘DOKKUM’: ‘Men kan zich zelfs afvragen of Dokkum in het jaar 754 reeds bestond en het opwerpen van de ‘tumulus’, gevolgd door het bouwen van een kerk en priesterwoning, geen aanleiding kan hebben gevormd tot het ontstaan van het stadje.’ Ook in zijn magnum opus ‘Frieslands oudheid’, dat in het jaar 2000 postuum verscheen, staat die gedachte opgetekend en concludeerde Halberstma: ‘Dokkum ontstond echter eerst ná het jaar waarin Bonifatius de dood vond (754)’ en in de epiloog: ‘Willibald vermeldt de naam Dokkum niet in zijn Vita Bonifatii I, maar daarover hoeven wij ons niet te verbazen, omdat Dokkum in 754 nog niet bestond en hij vrij kort na de moordpartij schreef.' Meindert Schroor komt in zijn standaardwerk 'Geschiedenis van Dokkum, hart van noordelijk Oostergo' tot de uitspraak:‘Het ligt dan ook voor de hand te veronderstellen dat er omstreeks 750 in en rondom Dokkum op zijn minst enkele honderden mensen hebben gewoond. We mogen er zelfs vanuit gaan dat de plaats zelf reeds een bescheiden nederzetting op een terp (Hoogstraat) zal hebben gevormd toen Bonifatius hier neerstreek.’ DETAIL MOORD OP BONIFATIUS OP GRAFMONUMENT FULDA FOTO:WARNERB.BANGABRON:RK-PAROCHIEDOKKUM STENEN BONIFATIUSBROOD
  7. 7. 7 GEVOLGEN VAN EEN MOORD De roofmoord in juni 754 had grote gevolgen voor Noordoost-Friesland en Dokkum. Bij de plaats van de moord werd een gedachtenisterp opgeworpen, waarop niet veel later een kerkje werd gebouwd. Daarna groeide Dokkum uit tot een belangrijke bedevaartsplaats, waar ieder jaar rond de vijfde juni duizenden pelgrims kwamen om te bidden en Bonifatius en zijn gezellen te herdenken. Aan de Bronlaan in Dokkum, vlak bij de neo-romaanse Bonifatiuskapel, staat een standbeeld van Bonifatius. Nog altijd, meer dan 1250 jaar later, houdt hij een codex beschermend boven zijn hoofd. Op de sokkel staat in het Latijn geschreven: ‘Hier werd Bonifatius het levenslicht ontnomen, 754, hier ging voor Friesland het licht van het evangelie op.’ De moord op Bonifatius was het begin van de definitieve kerstening van Friesland. De oude heidense goden en gebruiken werden voorgoed uitgebannen, overal werden kloosters gesticht en in vrijwel alle dorpen werden kerken gebouwd. Als de Friezen hem destijds niet hadden omgebracht, was Bonifatius waarschijnlijk niet heilig verklaard door de kerk; daardoor werd zijn invloed nog groter! Door de dood van Bonifatius werd Dokkum een belangrijk bedevaarts- oord, wat een geweldige groei-impuls betekende voor de terpneder- zetting. Daardoor zou deze uitgroeien tot geestelijk en onderwijscentrum van Oostergo. Deze centrumfunctie werd overigens versterkt door de gunstige ligging aan een zeearm tussen twee landbouwgebieden: de Wouden en het noordelijke Kleigebied. Bonifatius maakte ongelooflijke reizen door het Europa van zijn tijd, de achtste eeuw. Hij trok over grenzen van landen en volken hoewel die landsgrenzen er destijds niet zoals nu waren, stichtte kerken en kloosters en zorgde ervoor dat priesters zich beter aan de regels van de kerk hielden. Maar voor hem was het belangrijkste dat àlle mensen tot het christelijk geloof zouden komen. Zo werd hij een medegrondlegger van de Europese eenheid en samenwerking tussen landen in een Europa zonder oorlog, wederzijds wantrouwen en vals nationalisme. Misschien is dat wel de grootste verdienste van de Angelsaksisch-Duitse geestelijke die bij Dokkum‘het levenslicht ontnomen werd’. Dokkum is echter niet alleen bedevaartsplaats geworden omdat de heilige Bonifatius er werd vermoord of sommigen van zijn 52 metgezellen en knechten er begraven liggen, maar omdat er een zoetwaterbron met helder, zoet water in het brakke terpenland opwelde. Dat werd in die donkere, vroege Middeleeuwen als een groot wonder gezien. Het is dezelfde zoetwaterbron, die later zo’n belangrijke rol zou spelen in de productie van het vermaarde Dokkumer bier. BONIFATIUS & BIER Bonifatius is een heilige, niet te verwarren met de ‘ijsheilige', naar wie hij in 719 werd genoemd. In de Middeleeuwen hadden heiligen twee functies voor de vaak diep (bij)gelovige boeren, burgers en buitenlieden: ze dienden als onfeilbaar voorbeeld voor de vrome medemens en konden in geval van nood worden aangeroepen als beschermer. Toen ambachtslieden in de steden zich langzamerhand verenigden en de gilden ontstonden, ging men op zoek naar een patroonheilige. Als het leven of de legenden van een heilige op enigerlei wijze in verband konden worden gebracht met een beroep of ambacht, werd deze vaak tot schutspatroon van zo’n beroepsgroep gekozen. Zo werd de heilige Bonifatius de beschermheilige van boekhandelaren, omdat hij zichzelf met een boek boven zijn hoofd had willen beschermen. Maar waarom Bonifatius de schutspatroon van de kleermakers werd, weet geen mens meer; misschien kozen de 'snijders' hem om het scherpsnijdende zwaard dat hem doodde? Beschermheilige van de bierbrouwers werd hij natuurlijk, omdat hij de brouwers van helder, zoet water van excellente kwaliteit voorzag. Misschien ook omdat hij de kloosterregel ‘een glasie na de Gracie’ instelde? Zo'n naar hem genoemd bier kan natuurlijk maar in één stad gemaakt worden: Bonifatiusstad Dokkum. BONIFATIUS&BIER STANDBEELD BONIFATIUS IN DOKKUM - GERRIT BOLHUIS 1962 FOTO:WARNERB.BANGA BRON:NIEDERSACHSISCHESTAATS-UNDUNIVERSITATSBIBLIOTHEK AFBEELDINGEN BONIFATIUS OP SACRAMENTARIUM GREGORIANUM UIT FULDA
  8. 8. HET LOT LAAT MENSEN IN LEVEN OM ZETE STRAFFEN Wereldwijd gaat de geschiedenis van het bierdrinken vele duizenden jaren terug, toen er in het oude Egypte en Mesopotamië al gerstenat gedronken werd. In Dokkum hoeven we slechts terug te gaan naar de vroege Middeleeuwen toen er een ‘loco qui Dockinga dicitur’ lag bij een doorwaadbare plek in de zeeslenk die diep het binnenland van Oostergo binnendrong. In 754 streek Bonifatius hier met zijn gezellen neer en we weten wat de bloedige gevolgen waren... De omgeving en het leven in de tijd van Bonifatius zag er heel anders uit dan tegenwoordig. De meewarige toestanden op de kwelders waren enkele eeuwen eerder door de Romeinse geschiedschrijver Plinius de Oude beschreven, die tijdens een krijgstocht tegen de Friezen aan boord van een schip vol soldaten naar de noordelijke uiteinden van het Romeinse wereldrijk voer. Plinius beschreef in zijn Naturalis Historia een volk dat hij de Chauken noemde op dramatische wijze: 'Twee keer per etmaal komt de oceaan daar met geweldige watermassa's over een onmetelijke afstand opzetten en bedekt eeuwig door de natuur omstreden gebied waarvan het onduidelijk is of het bij het vasteland hoort of deel uitmaakt van de zee. Daar bewoont dat arme volk hoge terpen of dammendiezeeigenhandighebbenopgeworpentotdehoogstewaterstand die ze hebben meegemaakt. Met hun hutten die ze er op hebben gebouwd, lijken ze wel zeelieden wanneer water het omringende land bedekt, maar schipbreukelingen wanneer het water zich heeft teruggetrokken.' En: 'Met de hand verzamelen ze slijk dat ze meer door de wind dan door de zon laten drogen en met deze turf verwarmen ze hun voedsel en hun door de noordenwind verkleumde lichamen. Ze drinken uitsluitend regenwater, dat ze in kuilen bij de ingang van hun huis bewaren. En deze volkeren spreken van slavernij als ze vandaag de dag door het Romeinse volk overwonnen worden! Zo gaat het inderdaad: het lot laat veel mensen in leven om ze te straffen.' Toch bleef het niet alleen armoede en ellende. De Friezen waren een welvarend volk, dat vooral leefde van de handel. De Friese handelaren voeren met hun zeilscheepjes tot ver in Europa. Er werd vaak betaald in natura of door het ruilen van goederen als huiden en wollen doeken. Aan het begin van de 8e eeuw gingen handelaren steeds meer gebruik gemaakt van zilveren munten, zogenaamde sceatta's. Veel van die munten zijn teruggevonden; door de ongeschreven bronnen die door archeologisch onderzoek zijn verkregen, weten we toch vrij veel over deze tijd. LEVEN OP DE KWELDER Toch was het geen gemakkelijk leven in dit open terpenland: altijd was er gevaar voor overstromingen en alles wat men nodig had moesten de mensen zelf maken, zoeken of verbouwen. De boeren droegen kleding van huiden, leer of geweven wol, en hooguit onderkleding van grof, zelf geweven linnen. Knopen, sieraden en spelden werden gemaakt van been of metaal, soms zelfs van goud. Schoeisel, eigenlijk een soort sloffen, werd gemaakt van runderleer. Potten en pannen, maar ook speelgoed, werd geboetseerd uit klei. De mensen konden niet lezen en schrijven; de terpbewoners waren de hele dag druk bezig met werken op het land; de mannen met het verzorgen van de akkers en het vee of met vissen in geulen en prielen in de kwelder of zelfs op de onbetrouwbare open zee. De vrouwen zorgden voor de voedselbereiding. Het voedsel was eenvoudig en voornamelijk plantaardig. Boeren verbouwden op hoger gelegen stukken land en tegen de terp gewassen als vlas, gerst en haver. Op de hoog opgeslibde kwelders boven Dockinga, door hun ligging en begroeiing uitermate geschikt voor veehouderij, graasden runderen, schapen en geiten en scharrelde misschien zelfs een enkel varkens rond. Honden, katten en kippen hield men als huisdieren. 8 BIERALSVOLKSDRANK BIER ALS VOLKSDRANK BRON:WIKIPEDIA ROMEINS SCHRIJVER PLINIUS DE OUDERE KWELDERLANDSCHAP MET WOONTERP ILLUSTRATIE:ROBBEENTJES SCEATTA
  9. 9. 9 BIERALSVOLKSDRANK SAAD & FAAT Plinius de Oude schreef in de 1e eeuw al: ‘Ze drinken uitsluitend regenwater, dat ze in kuilen bij de ingang van hun huis bewaren.’ Voor drinkwater werd in die dagen gebruik gemaakt van drinkkuilen of ‘dobben’ die in de terpstructuur aanwezig waren. Die watervoorziening was echter een uiterst kwetsbaar systeem, vooral in de herfst- en winterperiode, als de kwelders tweemaal per etmaal overstroomd werden door opkomend, zout zeewater. Het water in de slenken, prielen en sloten van de kwelder was dan zout of brak van smaak. Om het vee te kunnen drenken werden ook op de kwelder dobben aangelegd met een beschermende ringdijk eromheen, waarop het vee zich bovendien bij hoogwater kon veiligstellen. Desondanks moesten runderen en schapen na extreem hoge waterstanden dagelijks naar de woonterpen geleid worden om te kunnen drinken uit de dorpsdobbe of faat, centraal op de terp. Opgravingen in post-middeleeuwse Hallingen in Noord-Duitsland hebben aangetoond dat de drinkwatervoorziening daar bestond uit een ingenieus systeem, waarbij de centrale faat / fait / fething / fetse via ondergrondse leidingen in verbinding stond met verschillende putten of saden. Elke saad was met een houten schuif af te sluiten van de faat. Mocht de centrale faat door een overstroming zout geworden zijn, dan kon het vee (en de terpbewoners) nog geruime tijd uit de afsluitbare saden bij de boerderijen gedrenkt worden. Het zoute water, dat zwaarder van soortelijk gewicht is en naar beneden zakt, werd via een afvoerleiding onder uit de faat geloosd. ECHTE FRIEZEN DRINKEN BIER Behalve het verzamelde, zoete regenwater uit de faat en dorpsputten dronk men soms melk, karnemelk en wei, een restproduct bij het maken van kaas.Volgens de Romeinse historicus Tacitus aten de Germanen ‘lac concretum’, oftewel‘vaste melk’, waarmee hij misschien wrongel of kaas bedoelde. De belangrijkste drank was echter bier. Het schone, zoete water uit de faat werd gebruikt om bier mee te brouwen. Door de vrou- wen werd uit haver of gerst een licht, ongemout ‘drinkelbier’ gebrouwen, net zoals het eigen brood toen thuis gebakken werd. Dit lichte tafelbier was een echte volksdrank, zowel door volwassenen als kinderen gedronken en met een laag alcoholgehalte. Het slappe of ‘dunne’ bier was de normale dorstlesser voor dagelijks gebruik, terwijl voor feesten en partijen vaak zwaarder bier gemaakt werd. De populairste feestdrank was echter ‘mede’ of honingwijn, een gegiste drank op basis van honing, die met krui- den was verrijkt en een Keltische oorsprong had. De scheidslijn tussen voedsel en geneesmiddelen was toen nog vaag, maar bier, mede en kruidenwijn waren goed voor iedereen. Tacitus schreef dat de Germanen ‘een soort drank dronken van gerst of een andere graansoort, waaruit zij door gisting een soort van wijn bereidden.’ Het bier van de oude Germanen bezat natuurlijk niet meer koolzuur dan er door de gisting in kon ontstaan, maar het bijzondere was dat het vaak werd aangezet met eikenbast om het te verduurzamen. In het zuiden van het Romeinse rijk werd bier cervisia genoemd en is daar later zelfs in bier gehandeld. Romeinen dronken vooral wijn, maar dat zou in onze omgeving pas in de Middeleeuwen in zwang raken, vooral bij de adellijke elite. Germanen wildenvooreerstgeenwijndrinken,omdatdatdedrankvandeRomeinen was. Voor de Romeinen had wijn zelfs een symbolische betekenis, zoiets als het verschil tussen beschaving en barbarij. De Germanen trokken zich hier niets van aan: een echte Germaan dronk bier. FoekeSjoerds,deautodidactischehistoricus,oorspronkelijkschoenmaker uit Ee die schoolmeester werd in Oosternijkerk, beschreef in 1768 in zijn ‘Algemene Beschrijving van Oud en Nieuw Friesland’ de drinklust en gewoonten der oude Friezen in de Romeinse tijd wel heel plastisch: 'Hun drank was zeker vogt uit garst of tarwe, dat eenigzins naar wyn geleek; zynde de wyn by de Duitschers toen niet bekent, dan alleen by de genen die naast aan den Rhyn woonden. De Dronkenschap schynt hun gemeenste misdaad geweest te zyn, konnende lichtelyker door den drank, dan door de wapenen overwonnen worden. Dag en nagt over te drinken, sterkte niemant tot verwyt; en de dronkenschap, verzelt van scheldwoorden, doodslagen, kwetzuren wa- ren gemene dingen.' SCHRIJVER FOEKE SJOERDS - DOOR PIETER WILLEM SEBES tijdvanGrieken&Romeinen BRON:FRIESMUSEUM
  10. 10. BIERALSVOLKSDRANK 10 'Alle vergaderingen over Staats-, oorlogs-, burger of echtzaken geschiedden by den drank en op de maaltyden: van hunne vyan- den, van oorlog en vrede, van vriend- en bondgenootschap, spraken ze met een dronken en onberooit hoofd, gul en openhartig; dog oneenig worden ze, hadden ze de wapenen gereed en gingen ‘er malkander mee te keer. In dit alles hielden ze de drank voor ’t geschikste middel om iemand de waarheid te doen zeggen, en zyn gevoelens in de onderlinge raadslagen onbewimpelt te uiten. Dog elkanderen in den dronk iets te beloven, en zig ergens toe te verbinden, waren ze, nugteren geworden, niet verpligt tenhouden: zynde anders buiten dien hun woord een onverbretelyke wet.' Volgens Foeke deden de oude Friezen niets liever dan bier zuipen en bespraken ze belangrijke staats- en burgerzaken het liefst in beschonken toestand, omdat iedereen dan tenminste eerlijk en openhartig was. Misschien een idee voor de hedendaagse politiek? Eerst een stevig glas bier en dan het debat aangaan? Het liep ook wel eens flink uit de hand en ook waren de oude Friezen, als ze eenmaal nuchter waren, niet gebonden aan de afspraken die ze met hun dronken kop gemaakt hadden, hoewel een woord toen nog een woord was voor een Fries. BIERBROUWEN OP KOMFOOR Rond de 12e en met name de 13e eeuw kwam de ambachtelijke voedselproductie op gang, waardoor mensen die niet langer hun eigen voedsel produceerden, dat konden betrekken van bakkers, brouwersenboeren.Ditgebeurdenietalleeninenbij de opkomende steden, maar ook op het platteland. Bijvoorbeeld vlak bij de stad Groningen zijn daarvoor archeologische aanwijzingen gevonden. De toe- nemende vraag naar bier leidde naar verbeteringen vanbrouwtechniekenenvergrotingvandeproductie- capaciteit. Daarvoor waren grotere kookpotten en andere technische aanpassingen nodig. Overigens zijn de vrouwen, die voorheen het thuisbier produceerden, altijd en overal intensief en prominent betrokkengeweestbijhetbrouwenvanbier,ooktoen dit in de Middeleeuwen geprofessionaliseerd werd. Voor het brouwen van bier werd al zo’n duizend jaar geleden waarschijnlijk een komfoor gebruikt. Bij terpopgravingen in de buurt van Peize werden fragmenten van een dergelijk komfoor met bijbehorend kogelpotaardewerk gevonden en gereconstrueerd. Het komfoor is door nokken aan de binnenkant geschikt voor kleine en grote kogelpotten. Hoewel er (nog) geen botanische bewijzen voor zijn, werden deze komforen wel in verband gebracht met het destijds steeds meer ambachtelijk brouwen van bier. Om de zware, steeds groter wordende kogelpotten van onderen af te kunnen verhitten bij het maischen, werd de pot op een komfoor geplaatst. Een andere aanpassing was het aanbrengen van een spongat in de buik van de grotere kogelpotten, zodat deze later konden worden afgetapt. Het gat werd tijdens het koken afgesloten met een houten stop. Andere kogelpotten met aan de onderkant een tuit, lijken te zijn gebruikt voor het filteren van het wort. Boven de tuit werden scherven, stokjes en wat stro gelegd, waarmee de lege graanhulzen uit het bierbeslag gefilterd konden worden. De uitgefilterde restmassa, de bierbostel, werd aan het vee gevoerd. BOVENMATIGE DRINKERS Rond het jaar 1230 beschreef de Engelse franciscaan BartholomaeusAnglicus in ‘De Proprietatibus Rerum’ ( =‘van de eigenschappen der dingen’), de toestand van de wereld in zijn dagen op natuurkundig en geografisch gebied. Het monnikenwerk in maar liefst 19 dikke delen wordt nog altijd gezien als de eerste encyclopedie, zeg maar een soort Wikipedia van de Middeleeuwen. In het vijftiende deel, over de Regionibus, beschreef Bartholomaeus de gebieden en volkeren op aarde en wijdde hij ook een hoofdstukje aan de Friezen, waarbij vooral de laatst toegevoegde opmerking opvalt. Blijkbaar waren de Friezen zulke stevige drinkers, dat dit zelfs in het buitenland opviel: ‘Ende si drincken boven maten zeer van eenrehande dranck dat men byer hyet.’ Diezelfde Bartholomaeus meende dat water uitsluitend een drank voor de beesten was: ‘het maakt alleen maar vochtig, terwijl andere dranken als bier tegelijk laven en voeden en zinnen en lichaam verwarmen.’ Men denkt dat de gemiddelde Fries aan het eind van de Middeleeuwen zo’n 275 tot 300 liter bier per jaar dronk; dat was iets minder dan een liter bier per dag. KOOKPOT OP KOMFOOR UIT TERP PEIZE DEEL VAN DE PROPRIETATIBUS RERUM VAN BARTHOLOMAEUS ANGLICUS BRON:VERENIGINGVOORTERPENONDERZOEKBRON:WWW.SMU.EDU
  11. 11. FOTO:WARNERB.BANGAGIA-RUG 11 BIERKRUIKJE VERBODEN IN ANDERMANS BIER TE PISSEN Bier werd gedronken uit bekers, kommen, kroezen en nappen van hout, aardewerk of metaal. Glas was vrijwel onbekend en voor het eerst in deze omgeving geïntroduceerd door Romeinen die met de Friezen ruilhandel dreven. Na de Romeinse tijd verdween het gebruik van glas weer tijdelijk. Ook de hoorns van runderen werden – soms fraai bewerkt met gesneden versieringen en van zilverwerk voorzien – als drinkhoorns gebruikt. Foeke Sjoerds omschreef: ‘Hun vaat en schotelwerk was van gebakken aarde. Zomtyds gebruikten ze wilde ossehoorens tot hunne drinkwaren, die onder de aanzienlyksten om den rand met zilver beslagen waren, en op de treffelyke maaltyden rond gingen.’ Hij had dat opgetekend uit het zesde boek van Julius Caesar. Doordat deze drinkhoorns ook als grafgiften zijn gevonden in combinatie met gehoornde ceremoniële helmen uit de Bronstijd, is het misverstand ontstaandatdeVikingenophunstrijdhelmenrunderhoornendroegen... Dat het drinken van bier voor de Friezen een normale en dagelijkse aangelegenheid was, blijkt wel uit het feit dat in het Oudfriese recht zelfs een artikel opgenomen was waarin het pissen in andermans bier strafbaar gesteld werd: ‘Hwasa otherem inane pinth pissie: tuia XV enza iefta tian ethar.’ Dat is: 'Wie in andermans bierkan pist, moet twee keer 15 ons betalen of tien onschuldseden zweren.' Het urineren in iemands bier was een eerkrenkende handeling, die zelfs in oude boeteregisters vastgelegd werd! Meestal waren die boeteregisters aan het einde van de 13e eeuw bonte opsommingen van lichte vergrijpen, waarvoor een boete van enkele penningen aan het slachtoffer betaald moest worden. Het ging dan om zaken als onkuis betasten, onterend bespugen en iemands kleding beschadigen, bijvoorbeeld het kapotsnijden van de kleren van een vrouw. SWARTE SWENG & BIARWERPENE Een ander misdrijf dat in het Oudfriese recht strafbaar gesteld werd, was het uitgieten of gooien van een onreine vloeistof over een onschuldig iemand om hem te beledigen. De naam van dit misdrijf is in het Oudfries ‘swarte sweng’,‘boosaardige begieting’, onder andere vastgelegd in het veertiende van de Vierentwintig Landrechten. Die landrechten waren een verzameling van toevallige jurisprudentie in een zeer vormelijke taal. Ze waren van toepassing in heel Friesland van de Zuiderzee tot aan de Wezer, dus ook in Dokkum en wijde omgeving in het kwartier Oostergo. In boeteregisters uit de Groninger Ommelanden en Oost-Friesland was die ‘swarte sweng’ onderverdeeld in drie gradaties: het ergste was het uitgieten van gloeiend heet vocht, dan dat van mestvocht en het lichtste vergrijp was het gooien met bier. Uit Oostergo is die onderverdeling niet bekend, maar we mogen ervan uitgaan dat ze daar ook bestaan heeft. Het overgieten of iemand in het gezicht smijten met bier heette in het Oudfries: biarhlem, biarskeppene of biarwerpene; bier is dan ‘biar’, uit te spreken als ‘bjaar’. 14 Thet fiortenste londriucht is: sa hwasa otherum ene wepeldepene jefta anne swartene sweng deth jefta thene mon vnschildigis bint, sa is thera jhawelikis bote XV enza, iefta fiorasum to vntswerane and anne fiaeth. Dat wil zeggen, in een vertaling in modern Nederlands: 14 Het veertiende landrecht is: wanneer iemand een ander in het water werpt of met een smerig vocht overgiet of een onschuldige man vastbindt, dan is de schadevergoeding voor elk van deze (daden) vijftien onzen, of hij zal zich met vier eden vrijzweren en een goedereneed (zweren). GOOIEN MET BIER In Hunsingo (deel van de Groninger Ommelanden) en Emsingo (het noordwestelijke deel van Oost-Friesland) bestond zelfs een bepaling dat er een schadevergoeding moest worden betaald voor het uitschenken van urine in plaats van bier. Dat was natuurlijk wat anders dan een‘swarta sweng’, maar zonder twijfel zal dat ook in Oostergo zo geweest zijn, al zijn daar geen schriftelijke bewijzen voor overgeleverd. Overigens werd in de ‘stadstafel' (Oudfries: ‘stedstiole’, een soort politieregister) van Leeuwarden rond 1500 iemand gestraft voor het gooien van een kan bier naar een man. In Dokkum zal zoiets ook strafbaar geweest zijn, maar een dergelijk stadsregister uit deze tijd is van Dokkum niet bewaard gebleven. Wel was ook in Dokkum tot ongeveer 1515 het Fries de bestuurstaal. Er bestaan nog wel enkele Friestalige brieven van het Dokkumer stadsbestuur aan de magistraten van Leeuwarden, maar die gaan helaas niet over bier. tijd van steden en staten FOTO:MUSEUMDOKKUM HOUTEN DRINKNAP EN DRINKHOORN MET ZILVERBESLAG BIERALSVOLKSDRANK
  12. 12. 12 BID, WERK & DRINK Het belangrijkste gevolg van de moord in 754 was dat op de gedachtenisterp een kerkje gesticht werd, gewijd aan Bonifatius en Sint Maarten, en niet lang daarna een missieklooster. De meest effectieve manier om het christendom in de heidense Friese samenleving te wortelen, was het stichten van kloosters. Dokkum kon zo uitgroeien tot eenbedevaartsoordendatbrachtdestadveelwelvaart.Iederjaarkwamen op 5 juni, de Bonifatiusdag, duizenden pelgrims naar de stad om de heilige en zijn gezellen te herdenken. Deze stichting diende zeker als basis voor de verdere verspreiding van het katholieke christendom, niet alleen tussen Vlie en Lauwers, maar zeker ook ten oosten daarvan. Zelfs de ‘gereformeerde’ Christiaan Schotanus schreef daar in 1664, bijna een eeuw na de Reformatie, nog onderhoudend over: ‘By oudts was Dockum seer vermaerd door de reliquien van S. Bonifaes: jaerlijcks aldaer besocht in den omganck van veele duysenden van menschen, die derwaerts te saemen liepen uyt kracht van ‘t overgeloof. Men toonde de plasse van ‘t hooft van S. Bonifaes‚ met de brooden, die in steen waren verandert.’ Die‘plasse’was trouwens het afgehouwen schedeldak van de koorbisschop Ebba, dat nog altijd als reliek wordt bewaard in Dokkum. De eerste monniken en nonnen waren Benedictijners van het type‘bid en werk’, die vooral de handen uit de mouwen staken en veel goed werk verricht hebben voor stad en streek, maar later vervangen werden door reguliere monniken of‘kanunniken’, die leefden in gemeenschap volgens strenge kloosterregels en een kloostergelofte hadden afgelegd. De eerste abt was Bonifatius’landgenoot Willehad. In het jaar 777 werd hij opgevolgd door Liudger, een priester van voorname, Friese afkomst. Op de ‘hege pôle’ in het centrum van Dokkum verrees in de eeuwen daarna langzamerhand een abdij, in de vorm van een rechthoekige bebouwing rond een uitgestrekt pandhof, ingericht als grafveld, met onder andere een abtshuis, een brouwhuis en andere kloosterlijke gebouwen. Naast de kloosterhof was aanvankelijk een houten, éénbeukig kerkje gesticht, dat pas omstreeks de 11e eeuw vervangen werd door een met geïmporteerde tufsteen opgemetseld, klein abdijkerkje met een recht gesloten koor. Van de oude kloosters en abdijen is bekend dat zij zelfvoorzienend waren en dat er naast monniken of nonnen, (afhankelijk van ofheteenmannen-ofvrouwenkloosterwas),ooklekenbroedersofconversen indienstwaren.Zijhaddenweldekloostergelofte afgelegd, maar waren geen monniken die zich alleen met gebed, koordienst en zielszorg bezig hielden. Ze deden het werk in bijvoorbeeld de keuken, refter, brouwerij en bakkerij - die in elk klooster aanwezig waren - of verbouwden gewassen en voedsel bij de uithoven op het land. In kloosters werd tevens bier gebrouwen, omdat het drinkwater niet te vertrouwen was. MACHTSSTRIJD IN HET KLOOSTER In de middeleeuwse samenleving speelden geld, macht en hebzucht al net zo’n grote rol als vandaag de dag en aanzienlijke leken hadden dikwijls grote invloed en zeggenschap binnen de plaatselijke kerk. Soms hadden zij vele kerkelijke bezittingen in handen en speelden ze zo een grote rol bij de kerkelijke benoemingen. Om dit te doorbreken vond aan het begin van de 12e eeuw in veel kloostergemeenschappen een zogenaamde ‘reformatio’ plaats, waarbij de plaatselijke kapittels werden onttrokken aan de macht en invloed van de leken. De kanunniken werden vervangen door reguliere monniken van de Premonstratenzer orde, ook wel ‘Witheren’ genoemd. Zij leefden naar de regel van Augustinus en legden de nadruk op het contact met de plaatselijke bevolking. De bouw van een grote, éénbeukige kruiskerk van tufsteen op een fundering van dikke veldkeien, pal naast de oorspronkelijke, kleine Bonifatiuskerk in de 12e eeuw kan in verband worden gebracht met de stichting van eenWitherenklooster in Dokkum, waar het bestaande klooster van reguliere kanunniken in op zou gaan. Desondanks moest er ook in de nieuwe kloosterorde voor het dagelijks brood en bier gezorgd worden en daarvoor bleven lekenbroeders nodig. Het kloosterbier stelde in die dagen blijkbaar niet veel voor, omdat monniken op vastendagen mochten leven op brood en wat zout, met water of bier. DE BONIFATIUS-ABDIJ DRINKENDE MONNIK IN MINIATUUR DEBONIFATIUSABDIJ BRON:WWW.INNL.NL PELGRIMSRINGEN MET DE INSCRIPTIE 'BONIFATIVS' FOTO:MUSEUMDOKKUM
  13. 13. KLOOSTERBIER: GRUIT OF HOP? In de Lage Landen gebruikten brouwers aanvan- kelijk een kruidenmengsel, het zogenaamde ‘gruit’, om hun bier een eigen karakter en smaak te geven. Daarvoor voegde men onder andere wilde gagel, rozemarijn, duizendblad, boerenwormkruid, salie en soms zelfs hars aan de mout toe. Graven en landsheren eigenden zich het recht en monopolie toe op de levering van het gruit, wat hen aanzienlijke inkomsten opleverde. Voor het gebruik van‘gruit’moesten brouwers impost betalen en een hele bedrijfstak verbond daaraan allerlei rechten en regels, zodat het wel tot de 14e eeuw duurde voor- dat het gebruik van hop ook hier werd toegepast bij de bierbereiding. Pas toen de imposten op brouwen van bier even hoog waren als de opbrengsten uit de zogenaamde ‘gruitgelden’, kon het brouwen van hopbierookindeNederlandenvandegrondkomen. In de ‘vrije’, Friese steden en grietenijen in het noorden kwam het gruitrecht niet voor, aangezien geen landsheer daar tot in de 14e en 15e eeuw enig daadwerkelijk gezag had kunnen uitefenen en men er onbekend was met dergelijke feodale plich- ten en heffingen. De techniek van het bierbrouwen was vooral door de monniken (en lekenbroeders) geprofessionaliseerd en geperfectioneerd, onder andere door hop toe te voegen. Reeds in het begin van de 9e eeuw ontdekten monniken dat hun bier door toevoeging van hopbellen niet alleen een betere smaak kreeg, maar ook langer houdbaar was. Het gele meel uit de hopbellen, lupuline, gaf aan het bier een frisse, bittere smaak met een haast bloemige toets. Hop is verwant aan cannabis (wiet) en wordt vanwege de kalmerende werking soms ook gebruikt als medicijn. De teelt en het oogsten van hop is zeer arbeidsintensief en niet zonder risico. Hopplukkers kregen soms last van slaperigheid en blaasjes op de huid en omdat hop stoffen bevat die verwant zijn aan vrouwelijke hormonen, ontwikkelden mannelijke plukkers soms zelfs borsten! Door de toevoeging van hop kon het bier veel beter geconserveerd worden. In de kloosters waren voor dergelijke experimenten de benodigde kennis en finan- ciële middelen aanwezig. Het kloosterbier was boven- dien van een hogere kwaliteit en gewoon lekkerder! Zo werd de plaatselijke verkoop van bier een welkome extra bron van inkomsten voor de conventen, hoewel zij voornamelijk voor eigen gebruik produceerden en de plaatselijke handel vaak aan particulieren overlieten. LEVENDIGE BIERHANDEL In de Bonifatiusabdij van Dokkum ging het niet veel anders en ook daar was de kwaliteit van het bier aanvankelijk nog niet om over naar huis te schrijven, want rond 1494 kreeg mijnheer abt te Dokkum twee tonnen Bremer bier als geschenk en dat zal door hem niet als een bijzonder cadeau beschouwd zijn, als zijn eigen huisbier toen van een buitengewoon goede kwaliteit was. In de Middeleeuwen werd uit Friesland vrijwel geen bier geëxporteerd, omdat dit vrij snel bedierf en voornamelijk voor de plaatselijke consumptie bedoeld was. Wel was er in de 14e en 15e eeuw sprake van een levendige bierhandel uit de Hollandse biersteden Gouda, Delft en Haarlem of de import van Duits hopbier uit de Hanzesteden Bremen, Hamburg en Lübeck. In de veel dichter bij Dokkum gelegen bierstad Groningen brouwde men echter zijn eigen hopbier: het kluin, een nogal kop- pig bier, later ook in Dokkum volop nagebrouwen. Kluin of klúnbier was dik, zwart bier, getrokken uit donker gebrand mout. Om een rijk en voedzaam bier te brouwen, werd veel gerst gebruikt, dat in de Ommelanden meestal volop beschikbaar was, waardoor Groninger kluin wel zo’n negen procent alcohol bevatte. 13 DEBONIFATIUSABDIJ FOTO'S:WARNERB.BANGA BRON:WOLTERSNOORDHOFFBV KLOOSTERLEVEN VAN DE WITHEREN - J.H. ISINGS HOPBELLEN EN HOPTEELT IN DUITSLAND tijd van monniken & ridders
  14. 14. REGISTER VAN DE AANBRENG Hoewel er geen (schriftelijke) bewijzen gevonden zijn dat er in Dokkum vóór de sluiting van de Bonifatiusabdij particuliere brouwers actief waren, waren elders allang professionele brouwers actief, die zich zelfs organiseerden in gilden. In steden als Groningen of Zutphen en in het westen Haarlem, Delft, Gouda en Amersfoort ontstonden in de 14e eeuw grote brouwcentra, waar de kloosters nauwelijks aan te pas kwamen. Kloosters en abdijen produceerden meestal voor eigen gebruik en waren nauwe-lijks gericht op de handel in bier. In die steden waren het dan ook geenmonnikendiemethopbegonnentebrouwen,maarparticulieren;het gebruikvandezeplantwerdovergenomenvandebrouwersvanHamburg. In 1511 liet de hertog van Saksen een register opstellen als basis voor een in te stellen grondbelasting. In dat ‘Register van den Aanbreng’ werden alle onroerende goederen en vooral stemdragende boerderijen in Friesland genoteerd, met de huurders, de eigenaren, de huurwaarde en het aantal pondematen land en de opgelegde florenen belasting. In Dokkum stonden toen 277 huizen en er werden van 139 inwoners van de stad de beroepen genoteerd, zoals schoenmakers, wevers, bakkers en metselaars, maar opvallend genoeg zitten daar geen bierbrouwers bij. Desondanks waren er (ook vanwege een levendige boterhandel) negen kuipers ( ! ) actief in de stad en kende Dokkum ook beroepen als een schenker en een kroeghouder. In geheel Friesland zijn dan slechts twee vermeldingen van brouwers, terwijl in Leeuwarden de brouwers bij het Leeuwarder Bieroproer in 1487 duidelijk georganiseerd leken te zijn. Het ontbreken van een brouwersgilde is misschien een aanwijzing dat het brouwen van bier en zelfs een monopolie daarop klaarblijkelijk nog in handen van de geestelijken was. Als er in Dokkum – naast het thuis brouwen voor eigen gebruik – alleen in de Bonifatiusabdij bier gebrouwen werd, is dat ten opzichte van andere brouwerssteden in die periode uitzonderlijk te noemen. HENDRICK JANSZ BAKKER- EN BROUWERSKNECHT Uit een document van de abt van Dokkum uit 1547 hebben we een bewijs dat er toen een bakkerij en brouwerij aan het klooster verbonden waren; vaak werden die twee voorzieningen vanwege de gereedschappen, eesten en ovens gecombineerd. Bakkers- ovens, beslagkuipen en brouwketels bevonden zich naast de keuken en de refter (de eetzaal van de monniken), omdat het brood en bier na de productie en het afkoelen niet opgeslagen werd, maar eigenlijk direct geconsumeerd moest worden vanwege de kans op bederf of bij het bier vanwege de kans op zuur worden. De eigendommen van de wijlen lekenbroeder, brouwer- en bakkersknecht Hendrick Jansz. vervielen in genoemd jaar aan het klooster: ‘inzake betaling van achterstallig arbeidsloon van wijlen Hendrick Janz., in leven brouwer- en bakkersknecht in het klooster, en afgifte van 25 Philipsguldens en twee ossen, die hem hebben toebehoord, dat het arbeidsloon is uitbetaald en dat Hendrick provenier was, zodat zijn eigendom het klooster is toegevallen.’ Zo’n provenier was een zogenaamde kostkoper, iemand die in het klooster in de kost was en in ruil voor zijn arbeid gratis kost en inwoning had. Daardoor konden zijn bezittingen, waaronder zelfs twee ossen, na zijn overlijden aan het Bonifatiusklooster vervallen. Daarmee ging de eiser, Peter Vos namens Hendriks zus Aesve, echter niet akkoord, want deze stelde dat zijn zwager op zijn sterfbed had verklaard geen provenier te zijn en dat Hendrick bovendien nooit het ordekleed van de Witheren gedragen had. Theodoricus Loenen, de abt van Dokkum, verklaarde in zijn dupliek echter dat Hendrick op zijn sterfbed niet verklaard had geen provenier te zijn en anders was dat in strijd met de waarheid. Het feit dat hij geen ordekleed droeg, bewees niets: dat droegen de proveniers in vele Friese kloosters nooit! Hoe het welles-nietes over de spullen van de brouwersknecht afliep, weten we helaas niet... Steeds vaker gebruikte men bakstenen ovens en geklonken koperen kuipen om het bierbeslag te verwarmen en het bier in te laten gisten. Nu kon de capaciteit van de bierproductie aanzienlijk opgevoerd worden naar honderden of zelfs duizenden liters. In de Middeleeuwen werden de traditionele aardewerken brouwpotten vooral in de kloosters vervangen door grotere koperen ketels. Vaardige koperslagers klonken dikke koperen platen aan elkaar en maakten zelfs cilindrische ketels die bestand waren tegen de druk van duizenden liters kokende wort. 14 MINIATUUR BEHAIM CODEX COMBINATIE BAKKERIJ-BROUWERIJ BRON:STADTBIBLIOTHEKNÜRNBERGBRON:MUSEUMDOKKUMJAGIELLONENBIBLIOTHEEKKRAKOW BROUWENDE MONNIK MET PUTS - 1506 DEBONIFATIUSABDIJ
  15. 15. CONFLICTEN TUSSEN STAD EN KERK De bewoners van het Bonifatiusklooster vormden een gemeenschap binnen de gemeenschap van Dokkum en leefden achter de kloostermuren vaak in hun eigen zelfvoorzienende wereldje van arbeid, gebed en stilte. Regelmatig lezen we echter in stadsresoluties, maar ook in de kloosterboeken over kleine en grote conflicten tussen de kerkelijke en de stedelijke gemeenschap. In1555klaagdeHenricusKessel,abtvanSt.BonifaciuskloosterteDokkum, bijvoorbeeld over het feit dat een stuk kloosterterrein tussen de abdij, het brouwhuis en het melkhuis door de Dokkumer jeugd werd gebruikt om te kaatsen, kolven en spelen. Hoewel daardoor het gras vertrapt werd, het vee werd gehinderd en er regelmatig ruiten sneuvelden, had de abt het stadsbestuur tevergeefs verzocht daartegen maatregelen te doen uitroepen, waarop hij zijn heil zocht bij ‘de stadhouder en raden van de koning van Spangien in het Hof van Vrieslant’. Over de inrichting en indeling van het Dokkumer klooster is weinig be- kend.Waar het genoemde brouwhuis precies stond, is niet overgeleverd, maar we mogen ervan uitgaan dat de monniken met het heldere water uit de Dokkumer bronnen de eerste aanzet gegeven hebben tot het brouwen van een echt Bonifatiusbier. Na de Reformatie in 1580 vervielen de kloostergoederen aan de Staten van Friesland en in de laatste decennia van de 16e eeuw werden gebouwen verkocht of afgebroken. In de stad zien we dan steeds meer particuliere bierbrouwers verschijnen, die het gat in de markt welwillend opvulden. Of er door de Dokkumer Witherenookinbiergehandeldwerd,ishelaasnietschriftelijktebewijzen. In het voorjaar van 1587 vroeg de Dokkumer Raad en Gezworen Gemeente aan Gedeputeerde Staten van Friesland om financiële steunomdetijdensde ‘WaalseFurie’ in1572zwaargehavendegroteAbdijkerkoptelatenknappen,maarzonderresultaat.In1588 moest de bouwvallige abdijkerk gesloopt worden en daarna volgden snel meer delen van het klooster. De ‘Cleyne Kercke’, die tot dan toe dienst had gedaan als parochiekerk voor de Dokkumers, werd met vrijgekomen sloopmaterialen verbouwd tot de‘Grote Kerk’. Slechts enkele kloostergebouwen en de imposante abdijtoren bleven tot ver in de 19e eeuw bestaan en zijn daardoor ook op vele stadskaarten en tekeningen van Dokkum weergegeven. Alleen namen van straten en horecagelegenheden zouden daarna nog verwijzen naar de eens zo roemruchte Bonifatiusabdij van Dokkum: De Abdij, Kloostersingel, Begijnensteeg en De Refter. 'T AFBREKEN VAN 'T OLT BROUHUIJS Op 4 september 1588 kreeg Hans Busschieter door het stadsbestuur 10 carolusguldens en 16 stuivers uitbetaald ‘van het oldt brou huijs affte breecken ende die steen daer van te schoenen’. Hans kon, gezien zijn achternaam, goed met buskruit omgaan; werd het grote, uit kloostermoppen opgetrokken Dokkumer brouwhuis misschien met buskruit opgeblazen en zo gesloopt? Vijf jaar later, in 1593, volgden ‘die abts thoorn ende het somerhuis van de gewesene abdije’ en verdwenen deze voorgoed uit de stad. Blijkbaar waren toch enkele muren van de brouwerij blijven staan, want op 18 september 1594 inde bouwmeester Dirck Folckerts een bedrag van 23 carolusgulden vanwege zijn betaling aanSteffenMusqeetier‘van 't afbreken van 't brouhuis muiren.’ Op de gedetailleerde kaart van Nicolaas van Geelkercken – uit 1616 – lijken nog enkele laatste kloostergebouwen aanwezig, zodat situatieschetsen en gegevens voor die kaart vele jaren eerder door de cartograaf gemaakt en verzameld moeten zijn. De 18e -eeuwse tekenaar Jacob Stellingwerff maakte zelfs in 1723 nog enkele gewassen pentekeningen van voormalige abdijgebouwen, maar van hem is bekend dat hij een kopiist was en meer dan 2500 tekeningen produceerde naar voorbeeld van aangeleverde schetsen, zonder dat hij ooit ter plaatse was geweest. De grootste kritiek op Stellingwerffs werk is vaak dat zijn tekeningen historisch gezien niet kloppen,hoewelhijzeheelnauwkeurigkopieerdevan de aangeleverde schetsen en voorbeelden. Vrijwel zeker bestonden deze gebouwen, waaronder het voormaligebrouwhuis,niet meerop het momentdat Stellingwerff ze in Oost-Indische inkt vereeuwigde. 15 tijd van steden en staten DETAIL BLAEU-KAART 1649 MET ABDIJGEBOUWEN EN KERK INKTTEKENING ABDIJGEBOUWEN DOOR JACOB STELLINGWERFF - 1723 BRON:MUSEUMDOKKUM BRON:FRIESMUSEUM DEBONIFATIUSABDIJ
  16. 16. DE FONTEINEN VAN DOKKUM Water is het eerste belangrijke bestanddeel voor het brouwen van een smaakvol bier. Oorspronkelijk beschikten de Dokkumer bierbrouwers zelfs over twee bronnen, één in de stad en eentje net buiten de stad. In Friesland werd een waterwel ook vaak een fontein genoemd. Over wat nu de ware fontein was, is altijd veel verwarring geweest. Volgens één van de eerste levensbeschrijvingen van de martelaar werd de bron zelfs geslagen door de heilige zelf, toen hij met zijn bisschopsstaf op de grond sloeg en aan de voet van zijn staf een zoetwaterbron ontsprong: ‘En men vertelt, dat deze bron door Bonifatius gevonden en geheiligd is en daarom met zo grote zoetheid is onderscheiden en voldoende is toegerust tot het drinken daaruit door allen.’ In de oudste vita van zijn hagiograaf Willibald zakte het paard van één der begeleiders van opzichter Abba tijdens het opwerpen van de ge- dachtenisterp weg in de drassige grond en ontstond ter plekke een bron met helder water. De 17e-eeuwse Friese hoogleraar en historicus Christiaan Schotanus schreef daar in 1664 een stuk nuchterder over en vergeleek het wonder- lijke verhaal met een verhaal uit de Griekse mythologie: ‘Dit is even so waerachtigh, als dat na’ et schryven der poëten aen den berg Helicon in Boeotia door ’t vliegende peerdt Pegasus de fonteyn Hip- pocrene zij ontsloten. De Hippocrene van Dockum is in de Stadt aen ende op ’t Kerckhof; oock is een fonteyn buyten de Stadt, die de Brouwers met goedt water dient. ’t Is vreemdt‚ dat men so overvloedighe Fonteynen in dese Provincie niet en vindt als tot Dockum. Dat en geeft evenwel gheen fasticheyt tot bewys van desen fabel.’ In de 19e en 20e eeuw werden de oude heiligenlevens verder geromantiseerd en ontstonden sterke volksverhalen, waarin het steeds vaker Bonifatius zelf was die de wonderbron ontdekt had, de ene keer door zèlf met zijn paard weg te zakken, een andere keer door met zijn staf of zelfs met een sabel de wel aan te slaan! Het verhaal kent vele vormen. Wie die verhalen goed leest en de teksten en overleveringen vergelijkt, ontdekt dat feiten en fictie steeds meer door elkaar gehaald worden. Het leverde in ieder geval mooie verhalen en fraaie prenten en schilderijen op. HET WONDER VAN DE BRON Volgens de geleerden is er geen enkele reden om bij het voorkomen van bronnen en zoetwaterwellen aan iets bovennatuurlijks te denken: juist in het zuiden van Dongeradeel, bij Dokkum, is de enige plek in Friesland waar zand direct aan de klei grenst, zonder dat er een dikke strook laagveen tussen zit. Op andere plaatsen wordt regen- en grondwater opgezogen in die veenlaag, maar juist hier loopt het water soms uit het zand onder de klei om daar – waar die kleilaag doorboord wordt – het zoete, door zand gefilterde water door de druk naar boven komt wellen; een zogenaamde artesische bron. Of het nu een paardenhoef is die de kleilaag doorboort of een pompbuis die door een dikke kleilaag wordt ge- dreven, bij beide komt – door de hydrostatische druk en de wet der communicerende vaten – het water naar boven borrelen... 16 WATERUITDEWAREFONTEIN WATER UIT DE WARE FONTEIN BONIFATIUS SLAAT BRON AAN - C. VISSER 1650 BRON:MUSEUMDOKKUM A B C SCHEMATISCHE VOORSTELLING ARTESISCHE BRONNEN DOOR DE HYDROSTATISCHE DRUK VAN GRONDWATER ONTSTAAN ZOETWATERBRONNEN BIJ [ A ] EN [ C ] BEVINDEN ZICH ARTESISCHE FONTEINEN, BIJ [ B ] EEN WELPUT IN DE TERP BRON:WIKIPEDIA-JANFIJAŁKOWSKI
  17. 17. DE FONS IN DE BONIFATIUSABDIJKERK Voor velen is het duidelijk dat de bron of wel, waaraan de naam van Boni- fatius door zijn martelaarsdood verbonden werd, gezocht moet worden op de gedachtenisterp die daarna was opgeworpen. Dàt was immers het grote wonder: een zoetwaterbron in een verzilt kwelderland! Bij opgravingen – of beter afgravingen – op de Markt, voor de aanleg van een onmisbaar geacht parkeerterrein in 1984, werd een uit drie lagen rechtopstaande kloostermoppen opgemetselde put ontdekt, die ooit samen met de oude fundamenten van de abdijkerk onder de grond en in de vergetelheid was geraakt. Was dit de ommanteling van de oude Bonifatiusbron? Provinciaal archeoloog Gerrit Elzinga van het Fries Museum conclu- deerde dat het hier waarschijnlijk ging om een afwateringsput, maar in- teressant was wel dat de put precies in de as van het schip van de voor- malige Bonifatiusabdijkerk lag, die er omheen gebouwd leek. Blijkbaar werd het eerste kerkje gebouwd op de plek van het martelveld, met de bron vlakbij gelegen. Later, toen een klooster was gevestigd en duidelijk was dat vooral de bron als een wonder werd gezien, bouwde men de veel grotere abdijkerk precies boven deze bron. Eeuwenlang kwamen op Bonifatiusdag drommen pelgrims naar Dokkum om zijn marteldood de herdenken en zich aan het wonder van zijn bron te laven. Na de Reformatie werd die katholieke attractie in 1588 moedwillig door een calvinistisch stadsbestuur onder een dikke laag aarde weggewerkt, maar vierhonderd jaar later bij toeval teruggevonden en opnieuw weggemoffeld omwille van tijdsdruk en geld; de zomer van 1984 werd zo voor Dokkum een dieptepunt van minachting voor de eigen historie. Op aandringen van en- kele Dokkumers waren echter de heren Herre Halbertsma van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek en Gerrit Elzinga van het Fries Museum ingelicht en gewaarschuwd. Een noodopgraving wees uit dat onder de bakstenen mantel een oudere put aanwezig was geweest, waaronder zich ver- moedelijk de Bonifatiusbron bevond. De put werd tot een diepte van bijna drie meter uitgegraven, waarbij aan de hand van aardewerkresten kwam vast te staan dat het bouwsel rond 1600 was gedempt. Ongetwijfeld bij de sloop van de abdijkerk in de jaren 1588-1589. Het geheel rustte op een raamwerk van deels vergaan eikenhout, waardoor het gevaar voor instorting bestond en men helaas niet dieper kon graven. Omwille van verder onderzoek in de toekomst werd de put weer afgedekt met zand. EEN PRACHTIGE BORN OFT FONTEYN Een belangrijke, wellicht betrouwbare bron van de ooggetuige Cornelius Kempius, een omstreeks 1516 te Dokkum geboren jurist, is zijn boek: ‘De origine, situ, qualitate et quantitate Frisiae, et rebus a Frisiis olim praeclare gestis libri tres’, waarin hij onder andere zijn geboorteplaats en de Bonifatiusverering daar uitvoerig beschreef. Hij zag met eigen ogen de relieken die daar op 5 juni aan pelgrims getoond werden, beschreef het schijngraf van Bonifatius in de parochiekerk of Cleyne Kercke en hij vermeldde ten westen daarvan een ‘fons pulcherrimus’ oftewel ‘een prachtige bron’ in het midden van de ‘magnifica Abbatia Sancti’, waar- uit gelovigen water konden putten. Kempius vertelde dat die bron nooit opdroogde of overliep en helder, heerlijk water gaf. Hij schreef dat het bronwater geneeskrachtig was, in het bijzonder voor koortslijders, zodat zieken en gebrekkigen in grote getale naar Dokkum kwamen om genezing te vinden. Na de Hervorming en het verbieden van de katholieke godsdienst werd de abdijkerk in 1588 gesloopt en de paapse wonderput met een dikke laag aarde bedekt, want elders lag een andere bron, die vooral de interesse van de Dokkumer bierbrouwers had. De geschiedkundige Pierius Winsemius maakte veertig jaar later in zijn in 1622 gepubliceerde ‘Chronique ofte historische ge- schiedenisse van Vrieslant’ een duidelijk onderscheid tussen de bronnen of Fonteyn-wateren binnen het Bonifatiusconvent en de bron of Born buiten de stad: ‘Binnen dese Stadt is oock ter eeren des Martelaers Bonifacij sekeren Clooster van de Reguliers ordre gestift, twelck daerna die vande ordre der premonstreyten, aen sich getrocken hebben, binnen welcke Convent de springende Fonteyn-wateren (even als oock buyten de Stadt, alwaer de Born is) ‘haer tot desen dage noch sien laten. Desen Born oft Fonteyn hebben die vande Stadt grooten dienst van om versch Water te halen, en is seer goet Water voor Brouwers ende de gheheele Burgerye die het ghebruycken.’ Of bedoelde Winsemius met deze Fonteyn toch de Fetse-fontein? Dat was echter een bron die net buiten het kloosterterrein lag en van grote economische betekenis was voor de Dokkumer burgers en brouwers. 17 WATERUITDEWAREFONTEIN ARCHEOLOOG ELZINGA BIJ PUTMANTEL IN 1984 FOTO:WIMA.BANGMA tijd van steden en staten
  18. 18. DIT IS DE FETZEFONTEIN Vlak buiten het oude kloosterterrein, bij de Boterstraat, bevond zich namelijk een tweede waterbron of fontein. Op een gevelsteentje wordt aangegeven: ‘Dit is de Fetze Fontein Ano 1712’, maar de Fetzefontein is veel ouder. Winsemius bedoelde waarschijnlijk deze bron al in 1622 toen hij aangaf dat het Dokkumer brouwersgilde er dankbaar gebruik van maakte. In 1712 werd een ringmuur om de fontein aangelegd en die gebeurtenis werd met een memoriesteentje vereeuwigd. In 1837 werd deze watervoorziening door het stadsbestuur aangekocht als drinkwatervoorziening voor de stad. Vaak wordt gedacht dat de naam Fetze is afgeleid van Bonifatius, die in de volksmond ‘Bonne Fetse’, dat is: ‘goede Fetse’, zou zijn genoemd, terwijl anderen weer beweerden dat de naam Fetze zelfs terugging op de heidense god Fosite, gekoppeld aan een heidense heilige waterbron. Veel eerder is deze naam afgeleid van het oeroude feding, fething oftewel de centrale faat of fetze, de zoetwatervijver, een eerste levensbehoefte in een zilt kwelderland, die op elke bewoonde terp aanwezig was. Op de vogelvluchtperspectiefkaart van Van Geelkercken uit 1616 wordt de Boterstraat nog ‘Bij de Fetse’ genoemd en komt deze uit in de Hofstraat bij een groot, in noord-zuidrichting gebouwd huis, dat ooit precies op de plaats van de latere Fetzepomp stond; de bron en de waterkelder moeten zich in of onder dat pand bevonden hebben. Op de vroegste kaart van Jacob van Deventer (1562) is dit huis nog niet te vinden, maar volgens Halbertsma diende dit gebouw hoogstwaarschijnlijk als behuizing van een begijnenklooster, al gaf hij niet aan waar hij dat op baseerde. In 1712 werd rond de Fetzefontein een ringmuur gemetseld, aansluitend op de gewelfde waterkelder, blijkbaar om de bronwel af te schermen en schoon te houden. Het aanbrengen van een kleine, zandstenen gevelsteen met het jaartal 1712 in één van de aangrenzende muren, wijst toch wel op een bijzondere verbouwing rond de welput. Klaarblijkelijk werd bij deze gelegenheid ook de grote waterkelder gemetseld onder het naastgelegen pand, op de oude kloostermoppenfundamenten van het eerdere begijnenhuis van vóór 1616 – en zo niet, dan bestond de kelder al vanaf de bouw van dat grote huis boven de Fetzebron aan het begin van de 17e eeuw. Toch hadden die bouwkundige aanpassingen aan de Fetzefontein in 1712 niet het gewenste resultaat, want binnen zes jaar, in januari 1718, moest het brouwersgilde de bron opnieuw laten uitdiepen, ‘om water te bekomen om te brouwen, omdat daar geen versch water was te bekomen’. DRINKWATERVOORZIENING Dedrinkwatervoorzieningindekleinestadbegonmeteentoenemende bevolking steeds problematischer te worden. In 1837 kreeg de stedelij- ke overheid ‘een uitgelezen kans’ om de vermaarde Fetzefontein aan te kopen voor de drinkwatervoorziening in de stad. Nadat de aanwezige timmerwerkplaats afgebroken was, werd de bron drooggemaakt en uitgegraven. De forse, gewelfde, 17e-eeuwse waterkelder werd verkleind met een zuidelijke dwarsmuur en aan de noordzijde werd met los op elkaar gestapelde, rode bakstenen een soort pompcilinder op de welput gebouwd, terwijl de twee openingen in de waterkelder met oude, opgestapelde dakpannen werden afgesloten, zodat een soort van waterfilterontstondvoorhetnaarbinnensijpelendebronwater.Dekelder diende om het water te laten‘bekomen’, waardoor het minder brak was. In het smalle Fetzestraatje – in het verlengde van de Boterstraat – werden twee pompen gebouwd, waarvoor door de Leeuwarder stadsloodgieter Jan van den Wijngaart twee fraaie, koperen sneppen met leeuwenkoppen vervaardigde. Het is ook aannemelijk dat één van de door Van der Wijngaart gemaakte pompen gebruikt werd bij de Fetzefontein en dat de andere elders in de stad een plekje kreeg. Men bleef decennia lang klungelen met de Markt en de Fetzefontein, die voortdurend het slachtoffer was en dan maar wéér van plaats moest veranderen: in april 1997 ontmanteld voor de bouw van een ‘plein-af- sluitend pand’en eerst opgeslagen in een gemeenteloods; in april 1998 verplaatst naar de Markt en in februari 2000 naar de voorlopig definitieve plek op de hoek van de Boterstraat en Op de Fetze. Helder water kan er echter uit de Fetzepomp al heel lang niet meer opgepompt worden... 18 GEVELSTEEN FETZEFONTEIN 1712 AFBEELDING WATERKELDER 1934 IN NOVEMBER 1934 WERD HET GEMETSELDE KELDERGEWELF ONDER DE FETZEFONTEIN UITGEGRAVEN EN LEEGGEPOMPT EN WAS PATER TITUS BRANDSMA PERSOONLIJK IN DOKKUM OM HISTORISCH ONDERZOEK TE DOEN. DAAROVER VERSCHENEN LATER VERSCHILLENDE PUBLICATIES IN DE KRANTEN. FOTO:WARNERB.BANGABRON:LEEUWARDERNIEUWSBLAD WATERUITDEWAREFONTEIN
  19. 19. DE BONIFATIUSFONTEIN OF -BRON Net buiten de stadswallen ligt al sinds mensenheugenis en ver daarvoor de bron die de Bonifatiusbron genoemd wordt. Aan- vankelijk een simpele poel in de weilanden, maar later bedijkt en ommuurd en via een sloot naar de stadsgracht kon het water uit de bron ook afgetapt worden bij de Brouwersdobbe en later de Bonifatiuspomp. Dit is de‘ware’bron, waaruit de Dokkumer bierbrouwers eeuwenlang het water voor hun vermaarde bier haalden. Toen het katholieke geloof na de Reformatie passé was, noemden de protestantse brouwers hun waterbron de‘Fonteinsbron’, ook al werd het gildebestuur nog ieder jaar op Bonifatius- dag gekozen en werd deze fontein in de volksmond altijd de Bonifatiusbron genoemd. Vóór de aanleg van de waterleiding was de aanwezigheid van zo’n waterbron, vooral in tijden van grote droogte, een niet genoeg te waarderen genot voor Dokkum. Met waterwagens en -karren haalde men dan tonnen vol water naar de stad of waterdragers droegen voor een paar centen emmersvol helder bronwater naar wie het in de stad zelf niet kon of wilde halen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in het jaar 1718, toen het van april tot oktober niet regende en zelfs de Fetzefontein in de stad stagneerde en op last van het brouwersgilde uitgediept moest worden. Enige weken later waren ook de Brouwersfontein en de fonteinssloot buiten de stad aan de beurt om‘geslat’en schoongemaakt te worden. Via die sloot, door twee dijkjes afgeschermd tegen opdringend zeewater, liep het bronwater naar de gracht. Daar was een klein waterbassin of fonteinsdobbe gegraven en waren twee stalten voor de waterpramen en -schuiten om aan te leggen. In 1866 brak in Nederland een cholera-epidemie uit, die aan meer dan 21.000 mensen het leven kostte. Langzamerhand ontstond het besef dat cholera zich via vervuild drinkwater verspreidde en misschien besmettelijk was. Duidelijk werd dat er maatregelen genomen moesten worden, zoals aanleg van riolering en goede voorzieningen voor drinkwater. Schoon en veilig drinkwater was van levensbelang en de twee laatst overgebleven Dokkumer brouwers Ive Hansma en Fokke Ozinga besloten toen om hun bron, gelegen in de gemeente Dantumadeel, waarvan zij het octrooi en het monopolie op gebruik bezaten om het water van die wel te betrekken, aan de stad Dockum te schenken. Een geschenk uit de hemel of zaten er andere, minder nobele motieven achter? Na een grondige schoonmaak en het aanleggen van een‘filter’, een dam van grind en houtskool, had de bevolking het genot om zuiver water uit de bron te mogen halen. Nu de overheid het hier voor het zeggen had, moest de heilige bron langzamerhand gecultiveerd worden. In oktober 1921 liet het Dokkumer stadsbestuur de poel schoonmaken en ommuren, zodat de vijver op een reusachtige put leek, en het karakteristieke van de dobbe enigszins verloren ging. In 1933 werd Dokkum aangesloten op de leidingen van de Intercommunale Waterleiding. VAN WARE BRON TOT BIERFONTEIN Het zoeken naar‘de ware bron’van Bonifatius werd hervat in 1853, toen de katholieke godsdienst officieel weer was toegestaan, de bisschoppelijke hiërarchie werd hersteld en de plaatselijke pastoor Henricus Kamp de Bonifatiusverering nieuw leven wilde inblazen. Die bron was snel gevonden en geïdentificeerd als de oude ‘Brouwersbron’. Onder de in Dokkum geboren pastoor Gerardus Demes leefde de devotie weer op, tot deze na de Eerste Wereldoorlog echt zou gaan bloeien onder de bezielende leiding van pater Titus Brandsma en na 1925 door de Sint Bonifacius Stichting, die ten doel had van Dokkum weer een echte bedevaartsplaats te maken. VolgensoudheidkundigeHerreHalbertsmawashetTitusBrandsmaendezijnenbegonnenomdeaanlegvanhetprocessiepark, maar was het niet wetenschappelijk te verantwoorden dat er aan de zuidkant van het Dokkumer Diep ook een Bonifatiusbron was. Door de eeuwen heen kreeg die bron eenzelfde status als plek van devotie voor gelovigen. Halbertsma meende dat de moordpartij in 754 niet plaatsvond nabij de dobbe even buiten de Woudpoort, maar dat de gedachtenisterp die werd opgeworpen, een duidelijke aanwijzing was dat het martelaarsveld zich daar bevonden had. In 2005 vond de derde herinrichting binnen 20 jaar plaats en werd naast de Grote Kerk een altaarachtige ruimte ingericht met de beeldengroep Vitae – als ode aan de bisschoppen Willibrord, Bonifatius, Liudger en Willehad – die echter de meningen van kunstminnend Dokkum zeer verdeelde. Nu zijn er – in het kader van een Elf-fonteinen-project – plannen om hier een ijsfontein te realiseren. Veel meer is dit een geschikte plek voor een bierfontein! Dokkum heeft onnoemelijk veel meer met bier dan met ijs... 19 BONIFATIUSBRON OF BROUWERSFONTEIN ROND 1920 BRON:MUSEUMDOKKUM WATERUITDEWAREFONTEIN
  20. 20. BIEROPROER IN LEEUWARDEN Dat het brouwen van bier niet alleen een zaak van de monniken uit de conventen was, bleek in 1487 in Leeuwarden, waar het tot een heus ‘Bieroproer’kwam, toen eigenwijze boeren tegen een stedelijk verbod in tochuitheemsbierdronkenendoorwoedendeplaatselijkebierbrouwers belaagd werden. Hoewel het Leeuwarder bier vanwege een matige water- kwaliteit slecht van smaak was, had men om de eigen brouwerijen te beschermen een wet uitgevaardigd, die het drinken van importbier verbood. Toen een stadsherbergier toch een binnengesmokkeld vaatje Haarlemmer kuit aanbrak, gebrouwen met heerlijk, helder duinwater, sloeg de vlam bij de plaatselijke brouwers in de pan! Zij dreven de beschonken boeren naar het Amelandshús, de stins van Pieter van Cammingha, en belegerden dat. Het bleef lang onrustig in de hoofdstad enervielenuiteindelijkmeerdereslachtoffers.Dezeopstoothadoverigens vooral te maken met de politieke strijd tussen adel en steden en kloosters onderling, de vaak bloedige twisten tussen Schieringers en Vetkoopers. Die laatsten verzetten zich tegen de vrijhandel in o.a. bier, waardoor de Schieringerszichweertegengewerktvoelden,metallegevolgenvandien. Het bieroproer maakte duidelijk welk impact bier kon hebben en dat bier- brouwers in de steden hun krachten min of meer gebundeld hadden en desnoods bereid waren hun belangen met geweld te verdedigen. In het stadje Dokkum zal dat toen niet veel anders geweest zijn. Nadat de Bonifatiusabdij gesloten en het brouwhuis afgebroken was, namen particulierebrouwersdeproductievanhetDokkumerbierover,maarhet is niet uitgesloten dat het bierbrouwen zelfs al vóór de Reformatie door ondernemende burgers was opgepakt; daarvan zijn helaas geen schriftelijke bewijzen overgeleverd. Voor hun grondstoffen en de benodigde brandstof bevonden die eerste brouwers zich in een gunstige concurrentiepositie door de nabijheid van turfwinningsgebieden en de akkerbouwgebieden rondom, waaruit volop de benodigde granen geleverd konden worden, en uiteraard de bijzondere waterbron net buiten de stad. TAPPERIJEN & BIERHUIZEN VAN DE BROUWERS InhetRegistervandenAanbrenguit1511wordeninheelFrieslandslechtsdriebrouwersvermeld,terwijlerinverschillendesteden en dorpen tappers en schenkers voorkwamen. Er kan gerust worden aangenomen dat zij hun eigen bier brouwden, hoewel er ook behoorlijke hoeveelheden bier werden geïmporteerd uit de Hanzesteden in Duitsland. Herbergen op het platteland waren vaak zelfvoorzienend en brouwden hun eigen bier, maar in de steden was dat recht voorbehouden aan de brouwersgilden. De combinatie brouwerij-drinkgelegenheid was in de stad verboden, omdat het stadsbestuur bang was dat teveel bier zou worden opgedronken, zonder dat er accijns over was betaald. Brouwers mochten tegen betaling van leges wel een tapperij bij hun brouwerij hebben: een kale ruimte waar het bier per kan voor thuisgebruik van particulieren werd afgetapt van het vat. Ondernemende brouwers plaatsten hier echter al snel een paar tafels en banken, waar men even een beker versgebrouwen bier kon proeven; zo ontstonden naast de tapperijen de bierhuizen en de proeflokalen, voorgangers van de kroeg en het café. Van het Leeuwarder Bieroproer leren we ook dat de overheid zich steeds nadrukkelijker met het brouwen èn het drinken van bier ging bemoeien. Zo leed men zwaar onder de Tiende Penning, een belasting op onder andere voedingswaren, die Philips II gebruikte om zijn dure oorlog met Frankrijk te betalen. 20 BIERBROUWERSGILDE BIERBROUWERSGILDE BAYERISCHESBRAUEREIMUSEUM-KULMBACH HOUTSNEDE BIERBROUWER - JOST AMMAN 1568 HERBERGINTERIEUR - ADRIAEN VAN OSTADE 1673 BRON:HISTORISCHMUSEUMAMSTERDAM
  21. 21. 21 BIERBROUWERSGILDE GEMENE MIDDELEN In de Lage Landen brak daarna een oorlog uit met deze ‘Coninck van Hispanje’ die zo’n tachtig jaar zou duren en handenvol geld kostte.Doorhetheffenvanprovincialebelastingheffingenofaccijnsopallerleilevensbehoeftenenconsumptiegoederenalsbier, wijn en granen probeerde men die oorlog te betalen, door de gewone man en consument met grote tegenzin geaccepteerd. Voor de bierbrouwers was de tweede helft van de 16e eeuw desondanks een bloeitijd, waarin ze door een sterke bevolkingstoe- name nieuwe plaatselijke afnemers vonden voor hun bier, nog altijd volksdrank nummer één, mede omdat wijnprijzen hoog bleven. De oorlog deed de voedselprijzen dan wel stijgen, maar legde tevens de import van‘vreemde bieren’stil en bovendien waren soldaten in de garnizoenen en bouwlieden van bolwerken en fortificaties immer dorstige consumenten. Hoewel men in de Bonifatiusstad niets te klagen had over de smaak en kwaliteit van het water dat als basis diende voor een prima biertje, dat zelfs in het opstandige Leeuwarden graag gedronken werd, wilde de stedelijke overheid – na de ‘Waalse Furie’ altijd op zoek naar financiële middelen voor dure bouwprojecten en herstelwerkzaamheden – eveneens van dit fenomeen profiteren. Nadat ook Friesland zich in 1579-1580 bij de Unie van Utrecht aangesloten had, waren door de Staten van Friesland verschillende imposten ingesteld, gebaseerd op de de zogenaamde‘Generale’of‘Gemene Middelen,’en noodzakelijk ‘om den tegenwoordigen crych te beter te becostigen ende te moegen onderholden’. Belastingen die vielen onder deze binnenlandse middelen van consumptie, waren verbruiksbelastingen op het gemaal en het beestiaal [= hoornvee en paarden], op geploegde of ingezaaide akkers, de belasting op turf en brandhout, het passage- of vertrekgeld en de accijns op bier, wijn en gedistilleerd, zout, zeep, textiel, vis, olie, boter, tabak. Daarnaast moest belasting betaald worden over het bezit van land of onroerend goed, de floreenrente en de reële goedschatting; eigenlijk werd de belastingbetaler in al zijn basisbehoeften en dagelijkse bezigheden financieel getroffen, wat tot veel onvrede en verzet tegen al deze heffingen leidde. Stadsbesturen mochten op hun beurt zelf bepalen hoe en op welke wijze zij die imposten op hun burgers in rekening brachten, als zij hun halfjaarlijkse betalingen maar deden aan de Ontvanger-generaal in de hoofdstad. De stedelijke accijns waren on- democratisch, maar de welgestelde burgers – vaak zelf deel uitmakend van het stadsbestuur – kozen uiteraard niet voor een vermogensbelasting, die vooral henzelf zou treffen... De imposten, zoals de bierbelasting, verhaalde men liever op de beurs van de gewone man! Op bier, dat in grote mate en overal door iedereen gedronken werd, en op alle goederen die bij de ronde maat – dus ‘bij de kan’ – werden verhandeld, hief de overheid belasting: er is wel gekscherend beweerd dat de Tachtigjarige Oorlog uit de consumptie van bier betaald is! HET DOKKUMER BIERBROUWERSGILDE In de 17e eeuw werd het water van de bijzondere bron of fontein nog altijd als een groot geschenk gezien voor de burgerij van Dokkum in het algemeen en voor de brouwers in het bijzonder. Mede om de concurrentie met de ‘vreemde’ bieren het hoofd te kunnen bieden, moeten de Dokkumer brouwers zich net als in andere steden al spoe-dig ineenberoepsgenootschapofgildeverenigdhebben.Hoeweldegilden vooral bedoeld waren om de economische belangen van de vakgroep te beschermen, speelden ook het samenwerken en verschillende sociale aspecten een belangrijke rol. De ‘Meesters’, de ambachtslieden die het brouwersvak verstonden, maar ook hun weduwen, waren de leden van het gilde. Hun knechten, gezellen en leerlingen konden geen lid zijn, maar moesten zich wel aan alle regels en bepalingen van het gilde houden. We zien ook bezitters van een brouwerij die wel het gildelidmaatschap betalen, maar waarvan men zich kon afvragen of ze wel verstand van brouwen hadden, omdat ze voor de aankoop van hun brouwerij een geheel ander beroep uitoefenden, bijvoorbeeld ‘ruijle- buitschipper’ of koopman. Het gilde was vooral belangrijk voor de opleiding en scholing; wie het brouwersvak wilde leren moest onderaan beginnen als leerling en ging voor drie tot zeven jaar bij een meester brouwer in de leer. Daarna werd de leerling gezel en was het mogelijk om bijvoorbeeld samen met een weduwe van een meester de brouwerij voort te zetten. Wie te oud was geworden om het ambacht uit te oefenen of door ziekte en ongeval arbeidsongeschikt werd, kon rekenen op de steun uit de gildeschatkist. Bij overlijden waren gildeleden verplicht om bij de begrafenis van hun gildebroeders en –zusters aanwezig te zijn. Ook werden gildeleden vaak benoemd als curator bij de afhandeling van zaken die failliete collega's of weeskinderen van gildeleden betroffen. tijd van regenten en vorsten DE BROUWER - JAN LUYKEN ca. 1694 BRON:COLLECTIERIJKSMUSEUM
  22. 22. CONCURRENTIE & SAAMHORIGHEID Hoewel de organisatie van de gilden van stad tot stad verschilde, konden alleen burgers van Dokkum lid worden van het Dokkumer bier- brouwersgilde. Eerst moest je worden ingeschreven als stadsburger. Zo werd het monopolie om bier te brouwen binnen de stadswallen beschermd naar buiten toe. Wie zonder lidmaatschap van het gilde brouwde, werd als een beunhaas beschouwd en kon een zware boete van het stadsbestuur verwachten. Het waren namelijk vooral de stadsbesturen die aandrongen op de gildevorming om regels en afspra- ken te kunnen maken en de economische belangen van de stad en die van zijn burgers en consumenten te kunnen beschermen. Veel omzet en handel leverde namelijk veel welvaart en dus ook veel impost op. Door alle controle, de strenge regels over hoeveelheden graan en sterkte van het bier en het voortdurende toezicht van de overheid bestond er binnen de stad vrijwel geen verschil in kwaliteit van het bier van de verschillendebrouwers,watdeonderlingeconcurrentieverminderdeende onderlinge saamhorigheid in het bierbrouwersgilde vergroot zal hebben. PUTSTOEL OF BIERPAAL Een paar jaar voor Winsemius had de Groninger geleerde Ubbo Emmius eveneens een overzicht van de historie van Friesland gepubliceerd, dat echter in het Latijn geschreven was en de titel ‘Rerum Frisicarum Historia distincta in decades seks’ kreeg. Het in 1616 uitgegeven boek werd opgesierd met werkelijk schitterende vogelvluchtperspectiefkaarten van Friese steden van de hand van de landmeter en cartograaf Nicolaas van Geelkercken. Zijn kaarten zijn zeer gedetailleerd en kunnen als uiterst betrouwbaar worden beschouwd. Sculptor Nicolaus Geilekerckius moet wel persoonlijk in Dockum zijn geweest om metingen voor de kaart te verrichten en schetsen te maken van de belangrijkste en mooiste gebouwen. Latere kaarten van bijvoorbeeld Blaeu en Schotanus zijn ook fraai, maar leunen zwaar op de kaart uit 1616 en zijn voor het grootste deel nagetekend van het secure werk vanVan Geelkercken. Op dergelijke gedetailleerde kaarten en prenten kan men bierbrouwerijen herkennen aan een stender aan de waterkant, ook wel een putstoel of in de volksmond ruwweg‘bierpaal’genoemd. Op de oost-west-georiënteerde vogelvluchtkaart van Dokkum, gegraveerd in 1616, zijn liefst zes van die hefboominstallaties te ontdekken: één aan het Dokkumer Grootdiep en één aan het Kleindiep, drie aan de Oostersingel en één aan het Nauw bij de Oranjewal. De putgalgen verklappen waar zich in het begin van de 17e eeuw in de Bonifatiusstad bierbrouwerijen bevonden, maar er moeten nog meer geweest zijn, want de vraag naar het Dokkumer bier had inmiddels een grote vlucht genomen. Zonder water kun je geen bier maken, maar dat water werd niet rechtstreeks uit de stadsgracht geschept, die namelijk als open riool diende... Dat zou de smaak van het Dokkumer bier niet zo befaamd hebben gemaakt als het heldere water uit de buiten de stad gelegen Bonifatiusfontein, dat in grote tonnen met waterschuiten werd vervoerd naar de brouwhuizen in de stad. 22 PUTSTOEL AAN HET SPAARNE TE HAARLEM - ANTHONIE VAN BEERSTRATEN 1650 DETAIL VAN GEELKERCKEN-KAART PUTSTOEL KLEINDIEP 1616 DETAIL GEELKERCKEN-KAART 1616 MET DRIE PUTSTOELEN BRON:NOORD-HOLLANDSARCHIEFBRON:MUSEUMDOKKUM BIERBROUWERSGILDE
  23. 23. BIERBROUWERSGILDE 23 GILDEBRIEF OF BROUWERSREGLEMENT De bierbrouwers in Dokkum waren vanaf de 16e eeuw min of meer georganiseerd of maakten op zijn minst onderlinge afspraken met elkaar; daarvan vin- den we regelmatig schriftelijk bewijs in stadsresolu- ties en ordonnanties. De oudste vermelding van het Dokkumer gilde komt uit 1611, als er in een resolutie over de ‘Stadsdaalder op de bieren’ sprake is van een beschermde status voor ‘gildebieren’. Na de oorlog met Spanje werd in het voorjaar van 1648 door het stadsbestuur een reglement op- gesteld om meer greep te krijgen op de plaatselijke bierproductie. Het is opmerkelijk dat deze Dokkumer gildebrief in dezelfde periode werd opgesteld als het ondertekenen van de Vrede van Münster, slechts een paar weken later. Al in januari van datzelfde jaar was de vredestekst daarvan vastgesteld en ter ondertek- ening naar Madrid en Den Haag gestuurd. Daarop vooruitlopend had men in Dokkum stedelijke maat- regelen genomen door het reglement van het bier- brouwersgilde in een officieel document vast te leg- gen. Uit de inhoud van dat document wordt duidelijk dat het brouwersgilde al veel langer bestond, maar dat de magistraat het nodig vond om een aantal zaken goed vast te leggen op schrift. In een prachtige, op dik velijn gekalligrafeerde oorkonde of gildebrief worden door de gemeenteraad en burgemeesters van Dokkum negen artikelen vastgesteld over het uitschenken en verkopen van het Dokkumer bier, het onderhoud van de Brouwersfontein en het bestuur van en de toetreding tot de brouwersvakgroep. MAAT & PRIJS VAN BIER: ALLES MET MATE De eerste vijf artikelen schrijven de maten voor die brouwers bij het verkopen van bier moesten gebruiken. Daarbij werd een ‘maat’ of ‘kanne’ verplicht gesteld – ook wel de ‘ronde maat’ – een inhoudsmaat van anderhalf Fries mengelen groot, tegenwoordig ongeveer anderhalve liter. Bij het uittappen en verkopen van bier mocht alleen deze maat of de helft daarvan gehanteerd worden. Voor de drie soorten bier die men in Dokkum kende, moest voor het zwaarste bier, het zogenaamde ‘achtguldensbier’ – omdat het acht gulden per ton kostte – een stuiver en acht penningen per kan van anderhalve liter worden betaald. Het minder zware ‘vijfguldensbier’ kostte een stuiver per kan en het lichte dunbier, het ‘drieguldensbier’, slechts acht penningen de kan en vier penningen voor een halve kan. Bier werd verkocht in tonnen van 155 liter, in halftonnen van bijna 77,5 liter of in een vierendeel, ‘vaendels’, van bijna 39 liter. Het achtste deel van een ton bier werd wel verkocht als een ‘rinkelmandje’. Het lijkt alsof de Dokkumer vroedschap blijkens het vijfde artikel een groot vertrouwen in de plaatselijke brouwers had, die hun biertonnen alleen maar van een merkteken of initialen hoefden te voorzien als zij het bier per vat wilden verkopen. Dat dit vertrouwen echter niet blindelings was, bleek in juli 1675, toen de bierbrouwers erachter kwamen dat de magistraat enkele van hun geijkte vaten en tonnen door de plaatselijke kuipers op het stadhuis had laten bezorgen, waarschijnlijk om daar de afmetingen en inhoud nauwkeurig te kunnen controleren. De brouwers wisten niet hoe snel ze via hun advocaat Adema te kennen moesten geven dat zij ‘ten hoogsten beswaert’ waren over deze controle, maar deze kreeg te horen dat ‘de mengelinge der vatten uit oorsaeck van de cuipersgilde was geschiedt.’ De fout lag – gelukkig dus – bij de kuipers... BAYERISCHESBRAUEREIMUSEUM-KULMBACH FOTO:WARNERB.BANGA
  24. 24. BIERBROUWERSGILDE FONTEIJNE, FONTEINSLOOT & DOBBE In het zesde artikel van de Gildebrief van 1648 werd het onderhoud geregeld van de ‘Fonteijne’ en vast- gelegd dat iedere brouwer bij moest dragen aan de kosten voor het schoonmaken en ‘slatten’ of ‘vlag- gen’, het uitbaggeren van de welbron, die zowel voor het brouwersgilde als voor de ‘gemeene burgerije de- ser steede’ belangrijk was als watervoorziening. Over iedere last mout die voor de bierfabricage in Dokkum nodig was, moest door de brouwers twee stuivers impost worden betaald. Na de oorlogshan- delingen aan het eind van de 16e eeuw was dit geld eerst bedoeld voor het opknappen en herstellen van stedelijke gebouwen en het uitbreiden van de Grote Kerk met een noordbeuk, maar na afloop van de oorlog in 1648 werd vastgelegd dat deze inkomsten voortaanbesteedzoudenwordenaanhetonderhoud van de voor de brouwers cruciale waterbron. NadeaanlegvandeStroobosserTrekvaarttussen1654 en 1656 kwam 'arrum Dokkum' in grote financiële problemen. Vrij snel na de aanleg probeerde het stadsbestuur het tij nog te keren door nieuwe, extra belastingen te heffen op onder andere onroerend goed, turf, het bestiaal, wijn en natuurlijk weer op bier. Tegenwoordig kunnen we ons moeilijk voorstellen dat Dokkum ooit een havenstad was, met een open verbinding naar de Lauwers- en Noordzee via het Dokkumer Grootdiep. Om de lokale drinkwatervoorziening(inoorlogstijd)tebeschermentegenhetzoutezeewatergafhetproviciaalbestuurinjunivanhetrampjaar 1672 de opdracht om de zoetwaterfontein ten zuiden van Dokkum door middel van een dijkje te beschermen ‘tot conservatie van die soete waeteren’. Het stadsbestuur speelde die opdracht direct door aan de bierbrouwers, want het was tenslotte hún fontein. Om de nodige druk uit te oefenen dreigden de burgemeesters en raad bovendien met ‘verlies van haar biergerecht ende gilderecht ende bij wijdere naelaetigheyt sal de Magistraat 't selve op dubbelde kosten besteden.' Volgens het bierbrouwersgilde ‘streckt het bedijcken van de fonteine tot welvaeren van de stadt in ‘t gemeen ende een iegelijk borger van dien in ‘t besonder’, zodat een bijdrage van de Dokkumer burgers, ‘het sij met arbeijten ofte ‘t geven van penningen’ op zijn plaats zou zijn. Het is niet overgeleverd hoeveel Dokkumers daadwerkelijk de handen uit de mouwen staken bij de aanleg, maar de beschermende fonteinsdijk kwam er. Behalve dat er een winterdijkje rondom de bron kwam, werd er ook een smalle sloot gegraven naar de stadsgracht, de ‘Fonteinssloot’. Aan het eind van die afvoersloot bij de Zuidergracht groef men een kleine vijver of ‘Brouwersdobbe’ met daarnaast een putwip, waarmee het water via een lange, houten goot over de weg in pramen of waterschuiten geheveld kon worden voor transport naar de brouwerijen in de stad. OUDERMAN & BIJSITTER In het negende artikel van de gildebrief werden enkele bestuurlijke zaken geregeld. Allereerst moesten ‘om de Brouwers gemeene saecken te bestieren’ jaarlijks twee brouwers worden gekozen, de ‘ouderman’ en een ‘bijzitter’, die het dagelijks bestuur en de administratie van het gilde voor hun rekening namen. Die verkiezing vond plaats in aanwezigheid van de presiderende burge- meesters op 5 juni, de Bonifatiusdag. Op die manier behield de lokale overheid behoorlijk wat zeggenschap over het bestuur van het gilde; andersom waren gildeleden vaak burgemeesters in de vroedschap en controleerden zij daar hun eigen voorschriften en regels, wat – zoals eerder bleek – dikwijls tot misbruik en ‘kuiperij’ leidde. Als zo’n misstand of overtreding van de regels werd vastgesteld moest een boete worden betaald, zoals bepaald in de gildebrief, maar het is zeer de vraag hoe vaak dat daadwerkelijk gebeurde. Voor elke eerste overtreding van de gildeartikelen moest een boete van twee carolusgulden worden betaald, die daarna bij elke volgende ‘breuck’ verdubbeld werd. Het maakte niet uit of de brouwer zelf of één van zijn knechten in de fout ging. Iemand kon alleen onder zijn boete uitkomen als het onrechtvaardige van zijn straf ‘van een gelooff weerdich persoon sal werden bewesen.’ In het stadsbestuur zat lange tijd eveneens een olderman, maar na de Reformatie verdween dat ambt en komen we die titel alleen bij de gilden nog tegen. Aan de jaarlijkse verkiezing van de twee ‘gecommiteerden’ moesten alle plaatselijke brouwers deelnemen. Wie zich aan de stemming in de Grote Kerk, waar de vergaderingen op Sint Bonifatiusdag plaatsvonden, probeerde te onttrekken, kon rekenen op een boete van zes stuivers, toch goed voor een paar kannen versgebrouwen bier... 24 DETAIL TOESTAND DIJKEN ROND DOKKUMER DIEP - R.W. BOKMA EN C. TADEMA 1729 BROUWERSFONTEIN < DOBBE FONTEINSLOOT > FAMILIEWAPEN BROUWER HAIJE EISMA - BURGEMEESTER EN OUDERMAN BROUWERSGILDE BRON:HCLEEUWARDEN BRON:KAARTCOLLECTIETRESOAR
  25. 25. BIERBROUWERSGILDE 25 TAUX OP DE VRIJE TAP DER BIEREN Dokkum was al vanaf de 17e eeuw een vrijplaats voor godsdienstige overtuigingen geweest: doops- gezinden, katholieken en remonstranten konden er vrijelijk,zijhetinminofmeergedoogdeschuilkerken, hun geloof belijden en praktiseren. Maar niet alleen op het gebied van godsdienstvrijheid was het stads- bestuur ruimdenkend en vooruitstrevend, want ook op het gebied van de handel in bier stond men de plaatselijke brouwers meer toe dan in andere steden het geval was. De overheid zag op den duur wel dat drinkgelagen in proeflokalen en bierhuizen niet tegen te houden waren, maar dat deze anderzijds voor een nieuwe bron van inkomsten konden zorgen, waarna men niet alleen regels en voorschriften voor ‘de vrije tap’ bedacht, maar daar ook een belasting op invoerde. Nadat het innen van de impost niet meer verpacht mocht worden, werd deze nieuwe belastingvorm vanaf 1751 ingevoerd. Brouwers mochten hun eigen bier verkopen en konden tegen een jaarlijks tapgeld of ‘Taux op vrije Tap der Bieren’ in de eigen bierhuizen hun versgebrouwen bier uittappen. In veel steden was dat verboden, omdat de overheid dan geen zicht had op de hoeveelheden bier die zonder accijns te betalen in dorstige kelen van inwoners zou verdwijnen. Daarentegen waren de regels rond het vervoer van bier naar en de bezorging bij herbergen en particuliere klanten in Dokkum weer veel strenger dan in andere Friese steden, omdat de Magistraat juist daar een vinger in de pap wilde houden en vooral zicht op welk bier waar naar toe ging. Alleen de ‘gezworen’bierdragers mochten vaten bier transporteren en wat de brouwers ook probeerden, op dit punt hield het stadsbestuur voet bij stuk. Deze 'tonnedragers' liepen door Dokkum in een speciaal uniform en waren een soort dienders. Toen in de 17e en vooral 18e eeuw het drinken van koffie en thee populair werden en de rol van bier als volksdrank steeds meer overnamen, werden ook daarvoor koffie- en theehuizen geopend, die men deftig met het Franse woord voor koffie ‘café’ noemde. In de loop van de 19e en 20e eeuw is het onderscheid tussen de bier- en koffie-huizen steeds meer verdwenen en werd de naam café algemeen gebruikt voor een gelegenheid waar verschillende dranken geserveerd werden. Bij de distilleerderijen en stokerijen vond men nog steeds zogenaamde proeflokalen; meestal kleine, eenvoudig ingerichte ruimtes, vaak zonder zitplaatsen, waar men de eigen gestookte jenever en brandewijn kon afhalen in een kruik of kan, maar natuurlijk ook een romertje kon proeven. GILDEKASBOEK In het bierbrouwersarchief bevindt zich een in perkament gebonden kasboekje met de boekhouding van dertig jaar gildefinanciën tussen 1756 en 1787. Hierin werden in die jaren de oudermannen, de bijzitters en de nieuwe leden genoteerd. Aan de andere kant van het boekje werden uitgaven en inkomsten bijgehouden. Opmerkelijk zijn de uitgaven voor koffie (!), koekjes en krakelingen, die blijkbaar tijdens de vergaderingen werden genuttigd en de grote hoeveelheden lange Goudse pijpen die door de gildebroeders werden gerookt. Overigens werd er niet alleen in de Grote Kerk vergaderd rond Bonifatiusdag, maar kwamen de gildeleden ook bijeen in plaatselijke horecagelegenheden, zoals 'De Posthoorn', waar een ruimte werd gehuurd en het nodige werd verteerd. We zien in het gildearchief dat de activiteiten en financiële transacties na 1835 sterk afnemen. Hoewel het gilde waarschijnlijk nooit officieel opgeheven werd, viel het uiteindelijk door gebrek aan (nieuwe) leden uiteen. De laatste posten betreffen herstelwerkzaamheden aan de pomp bij de fontein in 1846 en een bericht van 22 maart 1847, dat 'de Heeren Gedeputeerde Staten dezer Provincie [...] hebben besloten om de geheele pomp bij de fonteinsdobbe buiten de voormalige Woudpoort dezer Stad ten laste der Provincie te nemen'. tijdvanpruikenenrevoluties LEDEN VAN HET GILDE VAN GEZWOREN BIERDRAGERS MET 'BIERBOOM' ZILVEREN GILDELEPEL BROUWERSGILDE - DOOR SACO VISSCHER FOTO'S:WARNERB.BANGA ILLUSTRATIE:WARNERB.BANGA

×